CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007045] Bijlage 1 behorende bij 23bb007046 over Ontwerpbestemmingsplan “Kabels- en leidingenstrook Antarcticaweg”

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 15 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen22.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

IWUÜUJJ.ť

h'v ^i|i«ii|

fâçfåì A - :(A0#f ' Ŵ,ihI': vi

«F ■w* „ié* 1 -í įĒĨ'9

*rm åm

Aļff, jA-

~l-Jr

MM PfSP

'ţŕ.-.'ţŗ 'ŞļMť;

. - .t' ŕ-‘-: ïSS«14,3(5»'

v -

-'f* -: - __ a..

Ontwerpbestemmingsplan Kabels- en leidingenstrook Antarcticaweg Toelichting

Havenbedrijf Rotterdam N.V. 18 mei 2022

Project

Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Ontwerpbestemmingsplan Kabels- en leidingenstrook Antarcticaweg Havenbedrijf Rotterdam N.V.

Toelichting Definitief 02 18 mei 2022 120872/22-007.336

120872 Drs. ing. A. van de Werfhorst Drs. M.J. Schilt

Mr. A.R. van Driel en M.J. Ruiter MSc Drs. ing. A. van de Werfhorst Drs. ing. A. van de Werfhorst

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen + Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen + Bos

Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging en begrenzing

6

1.3

Vigerende bestemmingsplannen ten tijde van opstellen bestemmingsplan

7

1.3.1 1.3.2

7 8

Maasvlakte 1 Maasvlakte 2

1.4

Leeswijzer

8

2

BELEIDSKADER

9

2.1

Rijksbeleid

9

2.1.1 2.1.2 2.1.3

9 10 10

2.2

2.3

Besluit externe veiligheid buisleidingen Nationale omgevingsvisie (NOVI) Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035

Provinciaal beleid

10

2.2.1

10

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Gemeentelijk beleid

10

2.3.1 2.3.2

10 11

Verordening beheer ondergrond Rotterdam (VBOR) Handboek beheer ondergrond van de gemeente Rotterdam (HBOR)

3

OMGEVINGSASPECTEN

12

3.1

Externe veiligheid

12

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4

12 13 13 15

3.2

Natuur 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4

3.3

Beschrijving onderzoeksgebied Beoordelingskader Beoordeling Conclusie

15 Beschrijving onderzoeksgebied Beoordelingskader Beoordeling Conclusie

Bodem 3.3.1 3.3.2 3.3.3

15 16 17 20 20

Beschrijving onderzoeksgebied Beoordelingskader Beoordeling

20 22 22

3.3.4

Conclusie

22

3.4

Water

22

3.5

Archeologie

23

3.6

Verkeer

23

3.7

Geluid

23

3.8

Luchtkwaliteit

24

3.9

Cultuurhistorie

25

3.10

Beoordeling m.e.r.-plicht

26

4

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

28

4.1

Inleiding

28

4.2

Enkelbestemmingen

28

4.2.1 4.2.2

28 28

4.3

4.4

4.5

Bedrijf - 8 Verkeer

Dubbelbestemmingen

28

4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4

28 29 29 29

Algemeen Leiding - Gas Leiding - Leidingstrook Waarde - Archeologie (1 en 3)

Gebiedsaanduidingen

29

4.4.1

29

Geluidzone - industrie

Overige bepalingen

30

4.5.1

Afwijkingsregels

30

5

UITVOERBAARHEID

31

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

31

5.1.1

31

5.2

Vooroverleg artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Financiële uitvoerbaarheid

31

5.2.1 5.2.2

31 32

Exploitatieplan Planschade

Laatste pagina

Bijlage(n)

32 Aantal pagina's

I

Bureauonderzoek externe veiligheid

8

II

Quickscan natuurwetgeving

48

III

Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem

31

1 INLEIDING

1.1

Aanleiding

Havenbedrijf Rotterdam N.V. is voornemens om de bestaande kabels- en leidingenstrook aan de Antarcticaweg in Rotterdam uit te breiden. Om de uitbreiding van de bestaande kabels- en leidingenstrook planologisch te beschermen, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. De ligging van de bestaande kabels- en leidingenstrook is op afbeelding 1.1 globaal weergegeven.

Afbeelding 1.1 Globale ligging bestaande kabels- en leidingenstrook

Řiļswijl?

's-Gravenzande*V\ u

/ - - ‘ ^ļNąaldwijļļj Hoek van Holland.

Maasvlakte

N2D9

Rotterdam.

A20

1 Bnelje

—* Schiedam q \ J Vr

Spiļkernsşe.

Afbeelding 1.2 geeft de Antarcticaweg weer, waar ten zuiden hiervan de kabels- en leidingenstrook wordt uitgebreid.

5 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Afbeelding 1.2 Antarcticaweg Haven Rotterdam

?LNG,Fàeïli

ļNęstë^Ņetherlands B.V

* i i .r?r-

'

LyondeHÌChemie, Nederland BV .

i Rhenus Deep *Sea Jerminal

.Bunge Lodeŕàį# Ċroklaa'n.Oiľś By/T

Sągro) kantoormaasvlakte1

SrtįTļėřmïh^įRōtfëŕīlam: *

7

M a a s' vj akte R o 11 ė’r.â*ą m

De nieuw aan te leggen (ondergrondse) kabels- en leidingen passen voor een groot deel al binnen de bestaande kabels- en leidingenstrook. Op enkele plekken vallen de nieuw aan te leggen kabels en leidingen nét buiten de bestaande strook. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die aanzienlijke impact kunnen hebben op het milieu. Dit bestemmingsplan voorziet enkel in planologische bescherming van de aan te leggen kabels en leidingen, op de locaties net buiten de al planologisch geregelde, bestaande, kabels- en leidingenstrook. Afbeelding 1.3 geeft de locatie weer.

1.2

Ligging en begrenzing

De uit te breiden kabels- en leidingenstrook ligt op de Maasvlakte in de haven van Rotterdam aan de zuidzijde van de Antarcticaweg. Afbeelding 1.3 geeft de begrenzing van de uitbreiding en dit bestemmingsplan weer.

Afbeelding 1.3 Begrenzing bestemmingsplan

1000 m

Plangebied

6 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

1.3

Vigerende bestemmingsplannen ten tijde van opstellen bestemmingsplan

Op de plekken waar de nieuwe kabels en leidingen niet binnen de bestaande strook passen zijn twee bestemmingsplannen vigerend ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan: bestemmingsplan Maasvlakte 1 en bestemmingsplan Maasvlakte 2. Daarnaast gelden er nog twee parapluherzieningen, namelijk Parapluherziening parkeernormering Rotterdam en Parapluherziening biologische veiligheid. Bij de laatste twee parapluherzieningen gelden geen relevante bestemmingen/regels, dus deze worden niet verder besproken.

1.3.1 Maasvlakte 1 Op grond van het bestemmingsplan Maasvlakte 1 gelden binnen het plangebied de volgende bestemmingen: - enkelbestemming: verkeer; - dubbelbestemming: leiding - leidingstrook; - dubbelbestemming: waarde - archeologie 1; - gebiedsaanduiding: geluidzone - industrie.

Afbeelding 1.4 Vigerende bestemmingen Maasvlakte 1 (globale ligging plangebied)

* * * * + + + + 4- 4- * * + + + + * * * * + + + + + + + + ■f

ft* fff * -f * * -f * ■f *

* *

f *

* * * * * * * * * * * * * * * * * *

+ + + + + + + + + + + +

■f -f -f

^ -f -f

* * * 4 + 4 * * *

+ + + + + + + + + * * * + + + į t t ■f + *

* 4* * f * * *

Prinses

■f -f -f -f

+V *

* * * + + + + + + + + + + + + + + + * * *

T T T

+ + + + + + + + * 4- * * * + + + + + + + + + * 4- * * * + + + + + + + + + 4 4- 4 * 4

De planregels die gelden voor de huidige kabels- en leidingenstrook (dubbelbestemming: Leiding Leidingstrook), worden tevens aangehouden voor de uit te breiden kabels- en leidingenstrook.

7 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

f

* * * * * * * İ* f

1.3.2

Maasvlakte 2

Op grond van het bestemmingsplan Maasvlakte 2 gelden binnen het plangebied de volgende bestemmingen: - enkelbestemming: bedrijf - 8; - dubbelbestemming: waarde - archeologie 3.

Afbeelding 1.5 Vigerende bestemmingen Maasvlakte 2 (globale ligging)

* * * 4* 4-, 4* 4* 4- 4* + 4- 4* 4-4-4* 4- 44- 4*

Yangtzekaj

4- +J

4--f 44- 4- 4į

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan is het relevante beleid met betrekking tot kabels en leidingen beschreven. In hoofdstuk 3 worden de effecten van het voornemen op de milieuaspecten beoordeeld. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de planregels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid aangetoond.

8 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

2 BELEIDSKADER

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Het wettelijke toetsingskader voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb). Hierin staan de regels voor het vastleggen van de buisleidingen en de externe veiligheidsaspecten in bestemmingsplannen, evenals de verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. Alleen leidingen in een leidingenstrook vallen onder het Bevb. Leidingen die niet in de openbare ruimte liggen en nodig zijn voor bedrijfsprocessen, zijn meegenomen in de vergunning van de betreffende inrichting. De volgende soorten buisleidingen vallen onder het Bevb: - buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer; - buisleidingen voor aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer; - buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer, of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer; - buisleidingen voor vergiftige stoffen; - buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Onder deze stoffen vallen de brandbare gassen (onder andere propaan, butaan en waterstof) en giftige stoffen (onder andere chloor, ammoniak, koolmonoxide en formaldehyde).

De aan te leggen leidingen die onder het Bevb vallen zijn dus de waterstof, nafta, LPG, kerosine (Jet) en diesel leidingen. In het Bevb is vastgelegd dat de ligging van buisleidingen in het plangebied altijd weergegeven moet worden in het bestemmingsplan. Daarnaast moet er ook een belemmeringenstrook worden vastgelegd van tenminste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Deze strook moet vrij blijven ten behoeve van onderhoud van de buisleiding. Dit betekent dat zonder omgevingsvergunning geen grondroerende activiteiten mogen plaatsvinden en geen andere activiteiten worden uitgevoerd die schadelijk voor de buisleidingen kunnen zijn. Ook mogen binnen de belemmeringenstrook geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. In paragraaf 3.1 wordt het milieuaspect externe veiligheid nader beoordeeld. Hieruit is naar voren gekomen dat het Bevb het voornemen niet in de weg staat.

9 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

2.1.2 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen en het internationaal concurrerend blijven en in stand houden van de werkgelegenheid in de haven van Rotterdam, als één van de grootste haven- en industriecomplexen van Europa, zijn expliciet benoemd in de NOVI. De voorgenomen ontwikkeling past in het beleid van de NOVI.

2.1.3 Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 Deze structuurvisie vervangt het Structuurschema Buisleidingen uit 1985. De Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 (hierna Structuurvisie Buisleidingen) bevat de visie van het Rijk, waardoor tot 2035 ruimte gereserveerd is in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. In de Structuurvisie Buisleidingen is het nationaal belang 3 buisleidingen uit het SVIR, zoals beschreven in paragraaf 2.1.1, nader uitgewerkt. In de Structuurvisie Buisleidingen is het zuinig gebruik van ruimte beschreven. Het is van belang dat er niet meer ruimte voor buisleidingen wordt gereserveerd dan voor het onbelemmerd functioneren daarvan mogelijk is. Dit kan door nieuwe buisleidingen zoveel mogelijk te bundelen met bestaande leidingen. In plaats van een compleet nieuwe kabels- en leidingenstrook aan te leggen, wordt bij dit voornemen aangesloten bij een bestaande kabels- en leidingenstrook door deze strook uit te breiden. Daarmee sluit het voornemen aan bij de Structuurvisie Buisleidingen.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

In de Omgevingsvisie Zuid-Holland heeft de provincie een beleidskeuze gemaakt met betrekking tot externe veiligheid. Het hoofddoel is een veiliger Zuid-Holland, waarbij het transport, de opslag en de verwerking van gevaarlijke stoffen zo op elkaar zijn aangesloten dat de kans op een ramp tot een minimum beperkt wordt. De provincie ziet daarbij verschillende taken, waarbij één daarvan het clusteren van risicovolle activiteiten is. Het bundelen van de nieuwe kabels en leidingen met de bestaande kabels- en leidingenstrook sluit daar bij aan.

2.3

Gemeentelijk beleid

2.3.1

Verordening beheer ondergrond Rotterdam (VBOR)

In de gemeente Rotterdam is een zeer uitgebreid netwerk aan ondergrondse leidingen (kabels en buizen) aanwezig. In de gemeente vervoeren veel bedrijven grote hoeveelheden verschillende stoffen via buisleidingen. Om die reden acht de gemeente het noodzakelijk om de regulering van ondergrondse leidingen en de vergunningverlening (inclusief te stellen voorwaarden) en eisen vast te leggen. Dat is gebeurd in deze verordening. Hier staan verder geen voorwaarden in die betrekking hebben op het opstellen van bestemmingsplannen.

10 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

2.3.2

Handboek beheer ondergrond van de gemeente Rotterdam (HBOR)

Naast de VBOR heeft de gemeente Rotterdam in het HBOR nadere richtlijnen, voorschriften en eisen omtrent de vergunningenprocedure opgenomen met betrekking tot onder andere de veiligheid, het beheer, de aanleg en de exploitatie van leidingen. Hier staan verder geen voorwaarden in die betrekking hebben op het opstellen van bestemmingsplannen.

11 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

3 OMGEVINGSASPECTEN Zoals aangegeven in paragraaf 1.1 maakt dit bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk die grote impact kunnen hebben op het milieu, maar voorziet het in de planologische bescherming voor de nieuw aan te leggen kabels en leidingen buiten de reeds geregelde kabels- en leidingenstrook. Vanwege de ligging in het havengebied zijn met name de omgevingsaspecten externe veiligheid, natuur en bodem relevant voor een toets op effecten. Voor deze milieuaspecten zijn bureauonderzoeken uitgevoerd, welke als bijlage zijn bijgevoegd. Voor de overige milieuaspecten kan gesteld worden dat, gezien de ligging van het voornemen in het Havengebied, geen aantoonbare effecten zullen optreden. Deze aspecten zijn kort en enkel kwalitatief beoordeeld. Daar waar relevant is naast de gebruiksfase tevens de aanlegfase beoordeeld.

3.1

Externe veiligheid

Voor dit milieuaspect is een bureauonderzoek uitgevoerd, voor de volledige onderbouwing van externe veiligheid wordt verwezen naar bijlage I.

3.1.1

Beschrijving onderzoeksgebied

De kabel- en leidingstrook ligt grotendeels in het deelgebied Maasvlakte 1, en in het westen voor een klein deel in Maasvlakte 2. Het Haven Industrieel Complex is aangewezen als concentratiegebied voor bedrijven met activiteiten met gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde woonkernen met kwetsbare objecten liggen op meer dan 5 km afstand van het projectgebied (Hoek van Holland op circa 6 km en Oostvoorne op 7 km afstand). In het projectgebied zijn wel kwetsbare objecten aanwezig, dit zijn kantoren behorende bij risicovolle bedrijven (inrichtingen) die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in dit gebied. Ook zijn er in de omgeving windturbines aanwezig, die een risico vergrotend effect kunnen hebben op buisleidingen. Het onderzoeksgebied is opgenomen in afbeelding 3.1.

Afbeelding 3.1 Locatie onderzoeksgebied bureaustudie externe veiligheid

“r 1 -

12 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

3.1.2

Beoordelingskader

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet volgens het Bevb het plaatsgebonden risico (PR) van de buisleidingen worden berekend en moet het groepsrisico (GR) worden verantwoord. (zie ook het beleidskader in hoofdstuk 2). Verder worden ook de relevante externe veiligheidsaspecten van windturbines beschouwd.

3.1.3 Beoordeling Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een buisleiding. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de buisleiding. De grenswaarde voor het PR van een buisleiding is 10-6 op 5 m vanuit het hart van de buisleiding. De insteek van het Bevb is dat vaststelling van een belemmeringenstrook op (tenminste) 5 m van de buisleiding conform artikel 14 van het Bevb er inherent toe leidt dat er geen kwetsbare objecten te realiseren zijn binnen de PR 10-6 contour. Nieuwe leidingen kunnen slechts aangelegd worden indien voldaan wordt aan de PR grenswaarde. De opname van een belemmeringenstrook rond de buitenste (voorziene) buisleidingen in dit bestemmingsplan borgt dat er geen overschrijdingen van de PR grenswaarde mogelijk zijn. Daarmee is er sprake van een acceptabel plaatsgebonden risico voor de gerealiseerde en te realiseren buisleidingen. Groepsrisico

Het groepsrisico is de cumulatieve kans per kilometer buisleiding dat tien of meer personen in het invloedsgebied van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval, overlijden. Het groepsrisico (GR) is een indicatie van de mogelijke maatschappelijke impact van een ongeval. Het is dus niet bedoeld als indicatie voor individueel gevaar op een bepaalde locatie. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde (zie deelrapport Externe Veiligheid) welke gekoppeld is aan een verantwoordingsplicht. In het bestemmingsplan van Maasvlakte 1 zijn groepsrisicoberekeningen uitgevoerd voor de huidige en toekomstige situatie, rekening houdend met uitbreidingen van buisleidingen en toename van populatieaantallen1. Voor buisleidingen was niet bekend welke leidingen er in de toekomst aangelegd zouden worden. Daarom is uitgegaan van vijf maatgevende stoffen: ethyleen, propyleen, ammoniak, chloor en aardgas. Wel was, op basis van de bestemmingsplannen, bekend waar deze aangelegd zouden worden. Hieronder zijn de conclusies gegeven voor drie soorten mogelijke leidingen binnen het plangebied Maasvlakte 1: - de hogedruk aardgasleidingen in het plangebied hebben geen groepsrisico boven de wettelijke oriëntatiewaarde.

De extra populatie op de ontwikkel- of veranderlocaties heeft nauwelijks invloed op de hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgasleidingen; - voor het vervoer van brandbare vloeistoffen (K1, K2 en K3) door buisleidingen komt voor enkele leidingen het berekende groepsrisico wel boven de oriëntatiewaarde uit. Hierbij is uitgegaan van de worstcase-benadering ten aanzien van de tijd die benodigd is om de leiding bij een incident af te sluiten, de stroomsnelheid door de leidingen en de rekenmethode. Risicobeperkende maatregelen zijn daarin nog niet meegenomen. Feitelijk liggen de risico's dus lager dan de berekende risico's. Ondanks het feit dat op een enkele plaats sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico acht de gemeente, onder meer vanwege de worstcase-benadering en de maatregelen en de grote zelfredzaamheid van de werknemers in het plangebied het risico aanvaardbaar; - voor de 'overige leidingen' worden geen overschrijdingen van de oriëntatiewaarde verwacht.

1

Bestemmingsplan Maasvlakte 1, IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1048Maasvlakte1-va04.

13 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Volgens het bestemmingsplan van Maasvlakte 2 is het groepsrisico van huidige buisleidingen onder de oriëntatiewaarde, omdat de populatie nauwelijks verandert door het plan1. De geprojecteerde uitbreiding van de kabel- en leidingenstrook in het nieuwe bestemmingsplan, die voor een klein deel in Maasvlakte 2 komt, leidt ook niet tot toename van de populatie. Op gelijke wijze kan dus verantwoord worden dat het groepsrisico ook niet zal toenemen of boven de oriëntatiewaarde zal komen. Uit bovenstaande is te concluderen dat het groepsrisico van de geprojecteerde uitbreiding van kabel- en leidingenstrook aanvaardbaar is, omdat de risicoverhoging door additionele leidingen al voorzien was en (zeer) conservatief was ingeschat, de populatie door de nieuwe ontwikkeling onveranderd blijft, de eerder uitgevoerde risicoberekeningen nog geen rekening konden houden met risicobeperkende maatregelen en de grote zelfredzaamheid van werknemers in het gebied. Windturbines

Windturbines hebben mogelijk een risico vergrotend effect op nabijgelegen buisleidingen, omdat falende windturbines schade kunnen veroorzaken aan ondergrondse leidingen. Hierdoor kan een ongewoon voorval met een windturbine een domino-effect veroorzaken, waarbij falen van de windturbine ook falen van de buisleiding tot gevolg heeft. In de Handreiking Risicozonering Windturbines zijn voor ondergrondse buisleidingen adviesafstanden gegeven waarbuiten geen significant additioneel risico van een falende windturbine is te verwachten. Deze afstand hangt samen met de gevolgen voor de omgeving wanneer de windturbine omvalt (de ashoogte + V2 rotordiameter zijn bepalend) of een blad afbreekt (de maximale werpafstand bij nominaal toerental is bepalend). In het Handboek Risicozonering Windturbines 2014 zijn generieke ashoogtes, vermogens en turbine gegevens gegeven van windturbines1 2. Uitgaande van een windturbine van type IEC 2, vermogen van 5.000 kW en ashoogte van 120 m en een rotordiameter van 120 m, bedraagt de grootste maximale werpafstand bij nominaal toerental 245 m en de grootste werpafstand 180 m. De dichtstbijzijnde windturbines liggen op circa 1.6 km afstand van de kabel- en leidingenstrook, zie afbeelding 3.2. Hieruit volgt dat de windturbines geen risico verhogend effect hebben op de ondergrondse leidingen.

Afbeelding 3.2 Locaties windturbines Maasvlakte 1 en 2. Rood: windturbines, blauw: kabels- en leidingenstrook

Wai ia»' ,ì - ‘ir. • 1.

1

Bestemmingsplan Maasvlakte 2: IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1111Maasvlakte2-va02.

2

Handboek Risicozonering Windturbines (3.1, 2014), tabel 2 en tabel 14.

14 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

3.1.4 Conclusie Op basis van de resultaten vormt het thema externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan. Door realisatie van een belemmeringenstrook conform artikel 11 van het Bevb is sprake van een acceptabel plaatsgebonden risico voor de gerealiseerde en te realiseren buisleidingen. Zowel in de huidige als in de geplande situatie is het groepsrisico voldoende verantwoord. De afstand van de huidige en geplande windturbines en de leidingenstrook is groot genoeg om geen risicoverhogend effect te hebben.

3.2

Natuur

Voor het milieuaspect natuur is een quickscan uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage II. De werkzaamheden in de uitbreidingzone van de kabels- en leidingenstrook kunnen effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied. In de quickscan zijn mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden door de geplande werkzaamheden beoordeeld en getoetst.

3.2.1

Beschrijving onderzoeksgebied

Het plangebied is gelegen in de gemeente Maasvlakte Rotterdam, een industriegebied gelegen in de Maasmonding nabij Rotterdam. Het plangebied bestaat uit twee delen, beiden gelegen langs de Antarcticaweg. Afbeelding 3.3 weergeeft het onderzoeksgebied.

Afbeelding 3.3 Onderzoeksgebied quickscan

1000 m

Plangebied

Het plangebied en haar directe omgeving betreft een open, monotoon braakliggend industrieterrein. Er bevinden zich geen gebouwen of bomen binnen het plangebied. De aanwezige vegetatie bestaat uit typische ruigte- en pioniersvegetatie van opgespoten gronden waarin soorten zoals gewone rolklaver, kleine leeuwentand, middelste teunisbloem, slangenkruid, Jacobskruiskruid en bolletjesraket voorkomen. Parallel

15 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

aan de Antarcticaweg is een afwateringsgreppel aanwezig. Ten tijde van het veldbezoek (15 juli 2020) stond deze droog en was deze begroeid met terrestrische vegetatie. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het Yangtzekanaal, ten zuiden een grootschalig industriegebied.

3.2.2 Beoordelingskader Gebiedsbescherming

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een 'passende beoordeling' te worden uitgevoerd. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q.

de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de 'ADC-criteria' voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden. Soortenbescherming

Onder de Wet natuurbescherming (Wnb) bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1 Wnb), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5 Wnb) en 'andere soorten' (art. 3.10 Wnb). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk.

16 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern. Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd. 'Andere soorten' Het beschermingsregime voor de 'andere soorten' heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden.

Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: 'Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden'. De zorgplicht geldt altijd.

3.2.3 Beoordeling Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van 1,4 km ten noordwesten van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied 'Voordelta'. Overige Natura 2000-gebieden zijn gelegen op een afstand van meer dan 3 km van het plangebied waarmee oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring bij voorbaat worden uitgesloten en niet verder beschreven.

17 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Afbeelding 3.4 Ligging Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied

2000 m I

M Plangebied I Voordelta

Fysieke effecten

Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ligt een drukke havenweg met veel vrachtverkeer. Gezien de aard van het Natura 2000-gebied Voordelta (ondiepe zeegedeelte van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta), de aard van de werkzaamheden (graafwerken, enkel overdag) en de huidige verstoring van het reeds aanwezige vrachtverkeer kan worden uitgesloten dat fysieke effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht ('s avonds en 's nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen het betreffende Natura 2000-gebied als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie

De werkzaamheden resulteren in emissies van met name stikstofoxiden (NO2). Deze komen vrij uit de verbrandingsmotoren van vrachtverkeer en mobiele werktuigen. Deze emissies kunnen resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen beschermde Natura 2000-gebieden (stikstofdeposities kunnen ver reiken; ^ km en soms zelfs ^0 km). In artikel 2.9a van de Wnb is een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht opgenomen voor de gevolgen van stikstofdepositie door de in het Besluit natuurbescherming in artikel 2.5 aangewezen activiteiten van de bouwsector. De partiële vrijstelling houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de, door de bouw veroorzaakte, stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. Op grond van deze partiële vrijstelling is er voor de tijdelijke gevolgen van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase van de sprake van een vergunningsvrije situatie waarvoor geen toestemmingsbesluit of AERIUS-berekening nodig is. De aanleg van de K&L-strook Antarcticaweg is daarom vrijgesteld van vergunningplicht. Verdere vervolgstappen in het kader van stikstofdepositie zijn niet nodig. Hoewel bij toepassing van de partiële vrijstelling voor de aanlegfase een AERIUS-berekening niet verplicht is, is wel een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage I van bijlage II quickscan natuurwetgeving).

Dit om (onder andere in het kader van de vormvrije-m.e.r.-beoordeling) een beeld te krijgen van de omvang van de stikstofdepositie in de aanlegfase op de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Voordelta

18 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

en Voornes Duin. De AERIUS-berekening toont aan dat de depositie in de aanlegfase niet boven de 0,03 mol/ha/jr reikt. Overige (indirecte) effecten

Overige indirecte negatieve effecten zoals vernatting, verdroging en verontreiniging op Natura 2000gebieden worden bij voorbaat uitgesloten vanwege de afstand en de aard van de werkzaamheden (geen invloed op het grondwater, geen lozing, et cetera). Conclusie

Het onderzoeksgebied is gelegen op een minimale afstand van 1,4 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied. Als gevolg van de aard van het Natura 2000-gebied, de aard van de werkzaamheden en de reeds aanwezige verstoring zijn effecten op de IHD van het beschermde natuurgebied op voorhand uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied bevindt zich op een afstand van 1,4 km van het dichtstbijzijnde perceel behorende tot het NNN-netwerk van Zuid-Holland. Dit gebied heeft de naam 'grote wateren en Noordzee' met natuurbeheertype Zee en wad (N01.01) en overlapt grotendeels met Natura 2000-gebied. Er is geen verbindingszone aanwezig in de omgeving van het plangebied.

Afbeelding 3.5 Dichtstbijzijnde NNN-gebieden

2000 m I

I Plangebied I NNN-netwerk Zuid-Holland

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gebieden van het NNN-netwerk waarop het natuurbeheertype Zee en wad (N01.01) aanwezig is. Het plangebied zelf valt echter buiten de contouren van dit NNN-netwerk. In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. Doordat de ingreep niet plaatsvindt binnen gebieden die behoren tot het NNN, zijn significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hier uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig.

19 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Soortenbescherming

In deze subparagraaf is de volledige beoordeling van de quickscan samengevat. Enkel de soorten waar mogelijk sprake is van overtreding zijn hier benoemd. Flora Het plangebied biedt geschikt biotoop aan glad biggenkruid. Om effecten te voorkomen dient de volgende maatregel getroffen te worden: groeiplaatsen geheel ontzien. Wanneer dat niet mogelijk is, dienen de exemplaren van glad biggenkruid voor de start van de werkzaamheden door een erkend ecoloog te worden verplaatst. Hiervoor is een ontheffing Wnb nodig. Broedvogels Er zijn broedvogels in en nabij het plangebied waargenomen. Om effecten op deze broedvogels te voorkomen moet aan één van de volgende drie mogelijkheden worden voldaan: - er moet buiten het broedseizoen worden gewerkt, in sommige gevallen is dit september; - de werkzaamheden moeten vlak voor het broedseizoen worden ingezet en er moet continu worden doorgewerkt, zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied moet voor het broedseizoen ongeschikt worden gemaakt voor vogels. Amfibieën Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad. Voor de werkzaamheden aanvangen zal een ecologisch werkprotocol opgesteld moeten worden.

Overtreding van een verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming kan voorkomen worden door (bijvoorbeeld): - het plaatsen van paddenschermen rond de meest kansrijke locaties voor het opduiken van de rugstreeppad, om bevolking te voorkomen; - het plaatsen van emmers aan de binnenzijde van het paddenscherm om eventuele rugstreeppadden die binnen de begrenzing van de werkzaamheden aanwezig te zijn op te vangen en te verplaatsen naar de andere kant van het scherm; - het kort houden van vegetatie binnen een strook van één meter rond het scherm. Als (een van) bovengenoemde mitigerende maatregelen per soort in acht worden genomen, hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden.

3.2.4 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

3.3

Bodem

Voor het milieuaspect bodem is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd conform NEN 5725. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage III. Het doel van het milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de twee onderzoekslocaties. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van een eventueel uit te voeren verkennend bodemonderzoek.

3.3.1

Beschrijving onderzoeksgebied

Op afbeelding 3.6 is het onderzoeksgebied van het vooronderzoek bodem weergegeven.

20 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Afbeelding 3.6 Onderzoeksgebied milieuhygiënisch vooronderzoek bodem

1000 m Plangebied

Het vooronderzoek heeft zich specifiek gericht op een zone tot 25 m buiten de projectcontouren van de onderzoekslocaties. In tabel 3.1 zijn de belangrijkste gegevens opgenomen. De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de regionale situatie (zie bijlage I van bijlage III milieuhygiënisch vooronderzoek). De onderzoekslocatie bevindt zich ten zuiden van de Antarcticaweg. Het terrein is onbebouwd en onverhard. De onderzoekslocatie is niet in een waterwin-, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone gelegen.

Tabel 3.1 Gegevens onderzoekslocatie

eigenaar

Havenbedrijf Rotterdam N.V.

ligging locatie

Antarcticaweg, Rotterdam

kadastrale situatie oost

RTD12 AM 936, RTD12 AM 536

kadastrale situatie west

RTD12 AM 986, RTD12 AM 929, RTD12 AM 934, RTD12 AM 951

coördinaten RD (middelpunt) oost

x = 62.558,75; y = 442.872,29

coördinaten RD (middelpunt) west

x = 60.749,39 ; y = 443.628,35

oppervlakte onderzoekslocatie oost

383,19 m2

oppervlakte onderzoekslocatie west

1.617,8 m2

waterschap

Waterschap Hollandse Delta

gebruik locatie: -

voormalig

industrie

-

huidig

industrie

-

toekomstig

industrie

21 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

3.3.2 Beoordelingskader Het milieuhygiënisch vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725. Met een vooronderzoek wordt door archief- en dossieronderzoek informatie verzameld over het voormalig, huidig en toekomstig bodemgebruik, de bodemopbouw en geohydrologie. Dit vooronderzoek is met name gericht op het achterhalen van mogelijke bronnen van verontreiniging(en) en is uitgevoerd conform de NEN 5725. De norm voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 onderscheidt zeven verschillende aanleidingen (A tot en met G, zie bijlage III van het milieuhygiënisch vooronderzoek voor een toelichting hierop). De aanleiding voor dit vooronderzoek komt overeen met aanleiding A - 'opstellen van hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek' en aanleiding G 'opstellen hypothese over de bodemkwaliteit bij tijdelijke uitplaatsing en bij overige projectmatig grondverzet ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico's' die overeenkomstig deze aanleiding is onderzocht.

3.3.3 Beoordeling Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat maximaal lichte verontreinigingen te verwachten zijn op de onderzoekslocatie. Uit voorgaand onderzoek blijkt dat in de bovengrond op de onderzoekslocatie maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie zijn gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan arseen en molybdeen in het grondwater gemeten. Asbest is ter hoogte van de onderzoekslocatie analytisch niet gemeten. De locatie kan daarom als onverdacht worden beschouwd op het voorkomen van asbest. Uit voorgaand onderzoek op de onderzoekslocatie blijkt dat de gemeten gehalten aan PFAS in grond lager zijn dan de grenswaarden die gelden voor bodemfunctieklasse landbouw/natuur in een diffuus belast gebied. Gezien de resultaten van voorgaande onderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie worden maximaal lichte verontreinigingen verwacht en bestaat er geen aanleiding voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek NEN5740.

3.3.4 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

3.4

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting bij een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Beoordeling

Het aanleggen van kabels en leidingen kan mogelijk invloed hebben op grondwater. De aan te leggen kabels en leidingen passen echter grotendeels binnen de bestaande kabels- en leidingenstrook, waar reeds kabels en leidingen aanwezig zijn. Dit bestemmingsplan maakt daarmee geen grote wijzigingen van de, ten tijde van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan, vigerende bestemmingsplannen mogelijk. Daarom worden er geen knelpunten verwacht voor het grondwater. Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

22 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

3.5

Archeologie

Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Beoordeling

Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (AWK 2005) wordt aan de locatie een redelijk tot hoge archeologische verwachting toegekend. Conform het bestemmingsplan 'Maasvlakte 1' geldt voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m2 en die tevens dieper reiken dan 3 m beneden NAP. De grondroerende werkzaamheden bestaan uit de aanleg van vijftien kabels en leidingen in een kabelsleuf. De sleuf heeft een lengte van circa 2.100 m en een breedte van 2,55 m. De sleuf wordt niet dieper aangelegd dan 5 m beneden maaiveld (circa NAP 0 m). De bovengenoemde marges worden hiermee niet overschreden. Op grond van bovenstaande beoordeling acht de gemeente Rotterdam een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk. Bij eventuele wijzigingen in het aanlegplan kan een archeologisch vooronderzoek alsnog nodig zijn en dient het opnieuw aan de afdeling Archeologie te worden voorgelegd. Conclusie

Naar aanleiding van de plannen is er geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie nodig. De locatie is voor de voorgenomen ontwikkeling vrijgegeven door de gemeente Rotterdam zonder archeologische bemoeienis. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

3.6

Verkeer

Het plangebied ligt in een industriegebied op de Maasvlakte, wat niet gebruikt wordt als doorgaande weg. Het wegverkeer dat hier komt is enkel bestemmingsverkeer. Aan de noordkant van de Antarcticaweg is een aanmeringsplek voor scheepvaartverkeer aanwezig. Beoordeling gebruiksfase en aanlegfase

De aan te leggen kabels en leidingen passen grotendeels binnen de bestaande kabels- en leidingenstrook, waar reeds kabels en leidingen aanwezig zijn. Dit bestemmingsplan maakt daarmee geen grote wijzigingen van de, ten tijde van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan, vigerende bestemmingsplannen mogelijk. De aanwezigheid van een 15-tal kabels en leidingen extra zorgt niet voor (merkbare) verkeersaantrekkende werking. Er is geen sprake van toename van scheepvaartverkeer door de aanwezigheid van de aan te leggen kabels en leidingen in de gebruiksfase. Gedurende de realisatiefase is er sprake van het aanleveren van materieel en werkvoertuigen, er is echter geen aanleiding om aan te nemen dat hierbij sprake is van onaanvaardbare hinder. Het aspect verkeer levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie

Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.7

Geluid

Thema's die van invloed op het milieuaspect geluid - en mogelijk relevant kunnen zijn voor voorliggend bestemmingsplan - zijn: industrielawaai, wegverkeerlawaai en scheepvaartlawaai. Er zijn geen geluidgevoelige bestemmingen (woningen) aanwezig in de directe nabijheid van het plangebied. Beoordeling gebruiksfase en aanlegfase. Op voorhand kan geconstateerd worden dat de (ondergrondse) kabels en leidingen geen relevante geluidsbelasting veroorzaken in de gebruiksfase. Tevens is door het ontbreken van een verkeersaantrekkende werking (zie paragraaf 3.6) in de gebruiksfase en aanlegfase geluid van wegverkeer uit te sluiten. Een geluidsonderzoek is dan ook niet van toepassing.

23 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.8

Luchtkwaliteit

Beoordelingskader

De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer (Wm). Fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; - een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Voor fijn stof (PM10) ligt de grenswaarde op 40 microgram per m3. Voor stikstofdioxide (NO2) ligt de grenswaarde eveneens op 40 microgram per m3. Beoordeling gebruiksfase

Afbeelding 3.7 geeft de aanwezigheid van fijn stof weer ten overstaande van het plangebied. Te zien is dat de huidige concentratie fijn stof (PM10) 18-19 microgram per m3 respectievelijk 19-20 microgram per m3 bedraagt. Dit ligt onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3.

Afbeelding 3.7 Globale ligging plangebied ten opzichte van fijn stof (PM10) (bron: atlasleefomgeving)

Legenda: Fijn stūf ccmc. (Mţj PMlO/mĴ)

15 - 17 17 - 18 18 - 19 19 - 20

22 - 23

Afbeelding 3.8 geeft de aanwezigheid van stikstofdioxide (NO2) weer ten overstaande van het plangebied. Te zien is dat de huidige concentratie stikstofdioxide (NO2) 20-25 microgram per m3 respectievelijk 25-30 microgram per m3 bedraagt. Dit ligt onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3.

24 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Afbeelding 3.8 Globale ligging plangebied ten opzichte van stikstof (NO2)

Legenda:

NQ2 conc (Mā/mĴ) |

c lū

lū - 12 12 - 14 14 - 16 16 - 18 18 - 20 20 - 25 25 - 30

De aanwezigheid van enkel de nieuwe kabels en leidingen zorgt niet voor een toename van fijn stof of stikstofdioxide. In paragraaf 3.6 is aangegeven dat geen toename wat betreft verkeersbewegingen wordt verwacht. Hierdoor zal fijn stof of stikstofdioxide dus ook niet toenemen. Beoordeling aanlegfase

Voor de uit te voeren werkzaamheden is een inschatting van de inzet van het materieel en de te verwachten verkeersbewegingen gemaakt. In totaal duurt de aanleg circa 30 weken. Er wordt gebruikgemaakt van een shovel en twee mobiele hijskranen. De pijpleidingen worden aangevoerd met vrachtauto's, waarvoor circa 140 ritten (280) bewegingen nodig zijn. Per werkdag arriveren gemiddeld vier personenVof bestelauto's voor personeel, waarvoor circa 600 ritten (1.200 bewegingen) nodig zijn. In totaal komt dit neer op 740 ritten en 1.440 bewegingen. Uitgaande van enkel verkeersbewegingen op werkdagen, betekent dit gemiddeld een toename van 5 ritten (10 bewegingen) per dag. Voor de Haven van Rotterdam is het gebruik van het materieel en een dergelijke toename van verkeersbewegingen zo minimaal, dat dit niet zorgt voor merkbare toename van fijn stof of stikstofdioxide. Conclusie

Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

3.9

Cultuurhistorie

Beoordeling

De aan te leggen kabels en leidingen passen grotendeels binnen de bestaande kabels- en leidingenstrook, waar reeds kabels en leidingen aanwezig zijn. Dit bestemmingsplan maakt daarmee geen grote wijzigingen van de, ten tijde van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan, vigerende bestemmingsplannen mogelijk. Wat betreft het aspect cultuurhistorie is er geen verandering ten opzichte van het, ten tijde van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan, vigerende bestemmingsplannen. Conclusie

Het milieuaspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

25 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

3.10

Beoordeling m.e.r.-plicht

In bijlage C van het Besluit m.e.r. staan de activiteiten, besluiten en plannen waarvoor een milieueffectrapportage verplicht is. In bijlage D van het besluit staan de activiteiten, plannen en besluiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor dit voornemen zijn de activiteiten als genoemd in tabel 3.2 mogelijk relevant.

Tabel 3.2 Activiteiten bijlage C en bijlage D Besluit m.e.r. Activiteit

Gevallen

Opmerking

C8.1: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie, chemicaliën of voor het transport van kooldioxide (CO2) stromen ten behoeve van geologische opslag, inclusief desbetreffende pompstations

in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding met een diameter van meer dan 80 cm en een lengte van meer dan 40 km

de grootste kabel/leiding is 016". Dit betekent een diameter van circa 40,6 cm. Dit is dus niet van toepassing

D8.1: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën

in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d, van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage, over een lengte van: 1 1 km of meer, in geval van het transport van olie, CO2-stromen of gas, niet zijnde aardgas, 2 5 km of meer, in geval van het transport van aardgas

dit deel van de Maasvlakte 1 valt niet onder het begrip gevoelig gebied (bijvoorbeeld het plangebied valt niet binnen een Natura 2000-gebied, ook valt dit gebied niet onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied is niet aangewezen als landschappelijk waardevol)

D8.4: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor transport van water of stoom

in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 3 een buisleiding met een diameter van 1 m of meer, en 4 een lengte van 10 km of meer

de buisleiding voor stoom heeft een 012" en is daarmee kleiner dan 1 m of meer (namelijk circa 30,5 cm), en heeft een lengte van maximaal 3 km en ligt daarmee ook ruim onder de 10 km lengte. Het feit dat het onder de drempelwaarden ligt, betekent niet dat er geen m.e.r.beoordeling dient plaats te vinden (zie toelichting hieronder)

Wanneer een voornemen onder de drempelwaarde ligt bij activiteiten genoemd in bijlage D, zoals opgenomen in de kolom 'Gevallen', betekent dit niet dat er geen m.e.r.-beoordeling hoeft plaats te vinden. Afbeelding 3.9 laat zien dat er in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden gedaan (omdat er een bestemmingsplan wordt opgesteld en dit valt onder kolom 4). Er moet daarmee worden nagegaan of de activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen heeft. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling mag in het bestemmingsplan zelf worden opgenomen.

26 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

Afbeelding 3.9 M.e.r.-plicht, formele m.e.r.-beoordeling en vormvrije m.e.r.-beoordeling (bron: Commissie m.e.r.)

Plan (kolom 3)

Project (kolom 4)

- C-lijst drempel

D-lijst drempel

Conclusie

In dit bestemmingsplan is een bureaustudie of kwalitatieve beoordeling voor de milieuaspecten uitgevoerd. Gezien de zeer beperkte impact van voorliggend bestemmingsplan op de milieuaspecten is er geen sprake van mogelijk aanzienlijke milieugevolgen. Daarom is het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig.

27 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

4 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

4.1

Inleiding

Aangezien het enkel een uitbreiding betreft van een bestaande kabels- en leidingenstrook zijn, om een uniforme planologische bescherming te bieden, de regels die gelden in de bestemmingsplannen Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2 aangehouden.

4.2

Enkelbestemmingen

4.2.1

Bedrijf - 8

De inhoud van de bestemming Bedrijf - 8 kent naast de verschillende deelsegmenten ook een uitgebreide lijst van medegebruik. Zo is binnen de bedrijfsbestemming onder andere wegen, groen, water, laad- en losvoorzieningen toegestaan. De reden dat de lijst van het medegebruik zo uitgebreid is, is gebaseerd op het huidige gebruik en de toekomstig gewenste flexibiliteit. Door deze lijst op te nemen kan voorkomen worden dat het bestemmingsplan een rem legt op het doelmatige gebruik van gronden binnen het havengebied.

4.2.2 Verkeer De infrastructurele hoofdbundel heeft een aparte bestemming gekregen. Binnen deze bestemming vallen ook diverse faciliteiten zoals nuts-, groen- en parkeervoorzieningen. Op gronden waar een verkeersbestemming rust, liggen vaak ook dubbelbestemmingen, bijvoorbeeld voor kabels- en leidingen en archeologiefuncties. Daarvoor gelden specifieke regels (zie ook hierna).

4.3

Dubbelbestemmingen

4.3.1

Algemeen

In het bijzonder ter bescherming van archeologische waarden en kabels en (buis)leidingen zijn dubbelbestemmingen opgenomen. Dubbelbestemmingen liggen altijd op gronden waarop ook enkelbestemmingen rusten. In enkele gevallen overlappen dubbelbestemmingen ook elkaar. Voor de afstemming tussen de voorkomende (enkel- en dubbel)bestemmingen zijn binnen die bestemmingen specifieke bepalingen opgenomen. Daarmee wordt verduidelijkt dat in voorkomende gevallen (tenzij expliciet anders bepaald) rekening moet worden gehouden met alle voorschriften uit alle geldende bestemmingen, dat wil zeggen de bestemmingsomschrijving, de bouw- en gebruiksregels en de vereisten voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden - inclusief de mogelijkheden voor afwijking daarvan.

28 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

4.3.2 Leiding - Gas Deze dubbelbestemming volgt uit de vigerende bestemmingsplannen Maasvlakte 1 en Correctie Net op Zee Hollandse Kust en is volledig consoliderend.

4.3.3 Leiding - Leidingstrook Binnen deze dubbelbestemming zijn buisleidingen en leidingen toegestaan. Deze bestemming is inclusief een beschermingszone van 5 m aan weerszijden van de leidingen. Een omgevingsvergunning is onder meer vereist voor werken en/of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de aanwezige leidingen.

4.3.4 Waarde - Archeologie (1 en 3) De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1 en - 3' betreffen de (land)bodems. Het doel van deze dubbelbestemmingen is de archeologische waarden in de betrokken bodems te beschermen. Er is een vergunningplicht voor verstoringen van ongeroerde bodem met een oppervlak groter dan 200 m2, gemeten in verticale projectie beneden NAP (in landbodems) of de huidige onderwaterbodem. Er kan alleen een vergunning worden verleend als een rapport van een archeologisch deskundige voorhanden is waarin de archeologische waarde van de bodem voldoende is vastgesteld. Op basis van het rapport kunnen aan de vergunning maatregelen worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg. Werken en werkzaamheden in geroerde bodems (zoals bestaande cunetten), onderhoud-, beheer en herstelwerkzaamheden en het aanbrengen en verwijderen van beplanting zijn niet vergunning plichtig. Om zowel de onderzoekskosten te beheersen als tot een goede afweging van de (noodzaak van) te treffen maatregelen te komen, wordt het archeologisch onderzoek gefaseerd in een bureauonderzoek, dat afhankelijk van de bevindingen kan worden gevolgd door inventariserend veldonderzoek. Het inventariserend veldonderzoek kan bestaan uit een verkennende, karterende en waarderende fase.

Voor de verkennende en karterende fasen kan bodemonderzoek (grondboringen) nodig zijn, voor de karterende en waarderende fase kunnen ook ontgravingen (proefsleuven) nodig zijn. Na iedere onderzoekstap wordt door het bevoegd gezag bepaald of het noodzakelijk of zinvol is om de archeologische waarden nader te onderzoeken en de volgende stap te nemen. In veel gevallen volstaat het bureauonderzoek. Op basis van het archeologisch rapport wordt in de vergunning bepaald of en welke maatregelen noodzakelijk zijn. De meest vergaande maatregel is het opgraven van archeologische waarden, om ze elders te behouden. Opgraven vindt met name op grotere diepten alleen in uitzonderingsgevallen plaats, op grond van zwaarwegend archeologisch belang. Daarbij wordt ook een afweging gemaakt tegen de uitvoerbaarheid en de gevolgen voor het project. In de meeste gevallen zijn op grond van het onderzoek geen specifieke maatregelen nodig of kan worden gekozen voor archeologische begeleiding van het werk of het behoud van de archeologische waarden in situ, waar nodig door het treffen van technische maatregelen.

4.4

Gebiedsaanduidingen

4.4.1

Geluidzone - industrie

Voor Maasvlakte 2 is op basis van de Wet geluidhinder een geluidcontour vastgesteld. Dit is gedeeltelijk gedaan in het bestemmingsplan voor Maasvlakte 2 zelf en, voor zover de contour daarbuiten is gelegen, in aanpalende bestemmingsplannen. Eén van die aanpalende plannen is het bestemmingsplan Maasvlakte '81, waaraan in 2008 via een partiële wijziging de geluidcontour voor Maasvlakte 2 is toegevoegd. Door vaststelling van het onderhavig plan (Maasvlakte 1) vervalt het vigerende planologische regime en daarmee

29 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

ook een gedeelte van de geluidcontour voor Maasvlakte 2. Om de geluidcontour volledig in stand te houden wordt daarom in dit bestemmingsplan de grens opnieuw aangeduid op de verbeelding. Binnen de geluidzone Maasvlakte 2 bevinden zich in het plangebied geen geluidgevoelige functies, zodat voor het vaststellen van hogere waarden geen aanleiding bestaat.

4.5

Overige bepalingen

4.5.1

Afwijkingsregels

Binnen het bestemmingsplan is een drietal afwijkingen benoemd die binnen het plan uitgevoerd kunnen worden. Ten eerste is er een bepaling opgenomen dat bouwwerken ten behoeve van de veiligheid kunnen worden opgericht ook als deze niet zijn bestemd. Het betreft de bouw van - niet voor bewoning bestemde bouwwerken ten behoeve van de veiligheid zoals radar-, lichten-, verkeers- en controleposten, detectiepoorten, strooizoutopslagen, calamiteitenopstelplaatsen, bebakeningen en bebordingen. Ten tweede is er de mogelijkheid om geringe afwijkingen van bestemmingsgrenzen mogelijk te maken in het belang van een behoorlijke bebouwing. Tot slot zijn er afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor tijdelijke situaties.

30 | 32

Witteveen + Bos | 120872/22-007.336 | Definitief 02

5 UITVOERBAARHEID

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1.1

Vooroverleg artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit Ruimtelijk Ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan verschillende partijen. Van de volgende partijen is een reactie ontvangen: 1 DCMR Milieudienst Rijnmond; 2 Waterschap Hollandse Delta; 3 Gasunie; 4 Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 5 ProRail; 6 de gemeente Rotterdam i.h.k.v. monumenten en cultuurhistorie. Van een aantal reacties van bovenstaande partijen heeft de reactie geleid tot kleine wijzigingen in het bestemmingsplan. Zo heeft de reactie van Gasunie geleid tot het opnemen van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' op de verbeelding en in artikel 6 van de planregels. Overige reacties gingen in op zaken waarmee rekening gehouden dient te worden bij de uitvoering van de werkzaamheden. Deze reacties hebben niet geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=4a60675a-0edc-4ffa-9f2e-8d0ef6733166