[23bb007043] Bijlage 1 behorende bij 23bb007048 over het aangepast bestemmingsplan “Oude Noorden en Agniesebuurt” NL.IMRO.0599.BP1101OudeNAgnB-va-03
Tekst van het document
28.
Noordplein Noordsingel (tram)
1,5 1,5
56 57
56 57
29.
Noordsingel (tram)
1,5
56
56
30.
Noordsingel (tram)
1,5
56
56
31.
Noordsingel (tram)
1,5
56
56
32.
Noordsingel (tram)
1,5
54
54
33 en 34.
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
36.
Noordplein
1,5
56
56
37 t/m 50 (37* en 40*)
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
51.
Noordsingel (tram)
1,5
58
58
52.
Bergweg Noordsingel (tram)
1,5 1,5
52 56
52 56
53.
Bergweg Noordsingel (tram)
1,5 1,5
57 56
57 56
54.
Bergweg
1,5
66
66
55.
Bergweg
1,5
65
65
56.
Bergweg
1,5
65
65
57.
Bergweg Rodenrijselaan
1,5 1,5
65 51
65 51
58.
Bergweg
1,5
65
65
59.
Bergweg
1,5
65
65
60
60
Bergweg
1,5 4,5 7,5
52 53 54
52 53 54
61 t/m 68
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
Zaagmolenstraat
1,5
51
51
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
Zaagmolenstraat
1,5
53
53
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
88.
Zaagmolenstraat Benthuizerstraat
1,5 1,5
53 50
53 50
89.
Zaagmolenstraat
1,5 4,5 7,5 10,5 1,5 4,5 7,5 10,5
49 51 51 51 47 48 49 49
49 51 51 51 geen geen 49 49
69. 70 en 71. 72. 73 t/m 87.
Benthuizerstraat
91.
Zaagmolenstraat
1,5
51
51
92.
Noordplein Linker Rottekade
1,5 1,5
49 55
49 55
93.
Linker Rottekade Zaagmolendrift
1,5 1,5
56 53
56 53
94.
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
95.
Zaagmolendrift Zaagmolenstraat
1,5 1,5
62 57
62 57
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
99.
Zaagmolendrift Zaagmolenstraat
1,5 1,5
61 66
61 66
100.
Zaagmolendrift Zaagmolenstraat
1,5 1,5
63 58
63 58
101.
Zaagmolendrift Zaagmolenstraat
1,5 1,5
60 66
60 66
-
< of gelijk aan 48
geen
96 t/m 98.
102 t/m 104. alle wegen 105.
Rijksweg A20
1,5
53
53
106.
Rijksweg A20 Zaagmolenstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
50 64 65
50 64 65
107.
Zaagmolenstraat Benthuizerstraat
1,5 1,5
64 57
64 57
108.
Zaagmolenstraat Benthuizerstraat
1,5 1,5
67 54
67 54
109 t/m 112. Zaagmolenstraat
1,5
67
67
1,5
66
66
113.
Zaagmolenstraat
61
114 t/m 118. Zaagmolenstraat
1,5
67
67
119.
Zaagmolenstraat
1,5
66
66
120.
Zaagmolendrift Zaagmolenstraat
1,5 1,5
51 67
51 67
121.
Zaagmolendrift Zaagmolenstraat
1,5 1,5
52 66
52 66
122.
Linker Rottekade Crooswijksestraat Zaagmolendrift Zaagmolenstraat
1,5 1,5 1,5 1,5
51 50 67 57
51 50 67 57
-
< of gelijk aan 48
geen
Zaagmolenstraat
1,5
49
49
131 en 132.
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
133.
Bergweg
1,5
65
65
134.
Rijksweg A20 Zaagmolenstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
52 63 64
52 63 64
135.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
52 64
52 64
136.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
50 64
50 64
137.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
51 64
51 64
138.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
51 64
51 64
139.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
51 64
51 64
140.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
50 49
50 49
141.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat
1,5 1,5
50 51
50 51
142.
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
143.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
52 63 61
52 63 61
144.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
51 63 54
51 63 54
145.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
51 63 51
51 63 51
146.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
50 63 49
50 63 49
124 t/m 129. alle wegen (124*) 130.
62
147.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
50 62 51
50 62 51
148.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat
1,5 1,5
50 63
50 63
149.
Benthuizerstraat
1,5
62
62
150.
Zaagmolenstraat Benthuizerstraat
1,5 1,5
67 63
67 63
151.
Zaagmolenstraat
1,5 4,5 7,5 10,5 1,5 4,5 7,5 10,5
64 < 48 < 48 < 48 63 56 56 56
64 geen geen geen 63 56 56 56
Benthuizerstraat
152.
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
153.
Rijksweg A20
1,5
49
49
154.
Rijksweg A20
1,5
49
49
155.*
Rijksweg A20
1,5 4,5 7,5
48 50 53
geen 50 53
-
< of gelijk aan 48
geen
1,5 4,5 7,5 10,5 13,5 16,5 1,5 4,5 7,5 10,5 13,5 16,5 1,5 4,5 7,5 10,5 13,5 16,5
50 52 52 52 52 52 51 51 52 52 52 53 49 50 51 51 51 51
50 52 52 52 52 52 51 51 52 52 52 53 49 50 51 51 51 51
156 t/m 158. alle wegen (158*) 159.*
Zaagmolendrift
Linker Rottekade
Crooswijksestraat
160.*
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
161.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
52 57 65
52 57 65
162.
Rijksweg A20 Benthuizerstraat Bergweg
1,5 1,5 1,5
52 50 66
52 50 66
63
163.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
52 66
52 66
164.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
52 66
52 66
166.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
51 64
51 64
167.
Rijksweg A20
1,5
51
51
171.
Rijksweg A20
1,5
50
50
172.
Rijksweg A20
1,5 4,5 7,5
53 56 57
53 56 57
173.
Rijksweg A20
1,5
52
52
174.
Rijksweg A20
1,5
56
56
175.
Rijksweg A20
1,5
57
57
176.
Rijksweg A20
1,5
58
58
177.
Rijksweg A20
1,5
57
57
178.
Rijksweg A20
1,5
51
51
179.
Rijksweg A20 Bergweg
1,5 1,5
51 53
51 53
180.
Rijksweg A20
1,5
51
51
181.
Rijksweg A20
1,5
51
51
182.
Rijksweg A20
1,5 4,5 7,5 10,5
52 53 56 58
52 53 56 58
184.
Rijksweg A20
1,5
51
51
185.
Rijksweg A20
1,5
51
51
186.
Rijksweg A20
1,5
52
52
187.
Rijksweg A20
1,5
50
50
188.
Rijksweg A20
1,5
52
52
189.
Rijksweg A20
1,5
53
53
190.
Rijksweg A20
1,5 4,5 7,5 1,5 4,5 7,5
53 56 57 47 49 49
53 56 57 geen 49 49
Gordelweg
191.
Rijksweg A20
1,5
50
50
192.
alle wegen
-
< of gelijk aan 48
geen
64
193.*
Rijksweg A20
Bergweg
194.
Zaagmolenstraat
1,5 4,5 7,5 10,5 1,5 4,5 7,5 10,5
52 53 57 58 45 46 48 49
52 53 57 58 geen geen geen 49
1,5 4,5
67 67
67 67
Rijksweg A20 Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op 50 locaties de geluidsbelasting vanaf de Rijksweg A20 hoger is dan de voorkeurswaarde (48 dB). De maximaal toelaatbare geluidbelastingen van snelwegen op vervangende nieuwbouw (63 dB) wordt daarbij niet overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen van snelwegen op nieuwbouw (53 dB) wordt bij locatie 193 op de bovenste twee lagen aan de achterzijde overschreden. Omdat het bij deze locatie echter om één woning gaat, en omdat het toepassen van dove gevels bij de derde en vierde bouwlaag aan de achterzijde onwenselijk is, worden bij locatie 193 ook de norm van maximaal 63 dB voor vervangende nieuwbouw toegepast. Stedelijk e wegen Op 92 locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere stedelijke wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor vervangende nieuwbouw (68 dB) wordt niet overschreden. 30 km/uur wegen Voor 30 km/uur wegen geldt geen toetsingsplicht aan de normen van de Wet geluidhinder. Dit omdat door de lagere rijsnelheid de geluidsbelasting vanaf deze wegen al is beperkt. De geluidsbelasting vanaf 30 km/uur wegen is echter wel van belang bij de afwegingen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Daarom is bij de relevante 30 km/uur wegen (met ten minste 800 motorvoertuigen per etmaal) die direct langs de nieuwe situaties liggen de geluidsbelasting op de gevel berekend. De volgende wegen zijn relevante 30 km/uur wegen: de Noordsingel (m.u.v. de tram), 3e Pijnackerstraat, 1e Pijnackerstraat, Benthuizerstraat (deel ten zuiden van de Zaagmolenstraat), Jacob Catsstraat, Soetendaalsekade, Soetendaalseweg, Soetendaalseplein, Teilingerstraat, Zaagmolenkade, Zomerhofstraat, Zwaanshals, Banierstraat, Wateringhestraat en Vrouw Jannestraat. De meeste locaties hebben naast de geluidsbelasting van zoneplichtige wegen ook te maken met de geluidsbelasting vanaf een 30 km/uur weg. In veruit de meeste gevallen gaat het om een lage geluidsbelasting, die onder of iets boven de voorkeurswarde van 48 dB ligt. Op een aantal locaies is de geluidsbelasting vanaf een 30 km/uur weg 57 á 60 dB. Overal is de geluidsbelasting lager dan de geluidsbelasting van zoneplichtige wegen, en is deze acceptabel bij woningen in een stadswijk. De geluidsbelasting vanaf 30 km/uurwegen zorgt daarom niet voor een andere afweging, dan bij de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige wegen. 6.4.2
Railverkeer
De spoortrajecten ten zuiden en aan de noordkant van het plangebied zijn aangegeven op de landelijke Geluidplafondkaart. Het spoor aan de noordkant heeft een toetsingszone van maximaal 600 meter vanaf het spoor. Bij nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze zone moet de geluidsbelasting op de gevel worden berekend. Het bestemmingsplan maakt op 40 locaties binnen deze zone nieuwe woningen mogelijk. De toetsingszone van het spoor ten zuiden van het plangebied is maximaal 300 meter vanaf het spoor. Hier wordt 1 nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Bij deze 41 locaties is de geluidsbelasting van het treinverkeer op de gevels berekend. Hieruit blijkt dat nergens de voorkeurswaarde van 55 dB, die geldt voor railverkeerslawaai op woningen, wordt overschreden. Railverkeerslawaai vormt dus geen belemmering voor het bestemmingsplan, en er hoeven geen hogere toegestane geluidsbelastingen voor te worden vastgesteld. In de onderstaande conclusie wordt alleen ingegaan op wegverkeerslawaai.
65
6.4.3
Conclusie
Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: De hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); De hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen); De gecumuleerde geluidsbelasting; Maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie; De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB). Cumulatie geluidsbronnen Wanneer nieuwe geluidsgevoelige locaties in verschillende geluidszones liggen en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidsbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidsbelastingen van verschillende bronnen (wegen, spoorwegen en industrie) bij elkaar worden opgeteld.
Als er verschillende bronnen zijn die elk een hoge geluidsbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidsbelasting vanaf de geluidsbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidsbelasting moet worden betrokken bij de afwegingen om een nieuwe geluidsgevoelige bestemming toe te staan en hiervoor een hogere waarde vast te stellen. De geluidsbelasting veroorzaakt door het railverkeer is op geen enkele locatie hoger dan de voorkeurswaarde. Dit betekent dat er geen cumulatie van verschillende geluidsbronnen van enige betekenis is, zodat hiervoor geen berekeningen hoeven te worden uitgevoerd. De geluidsbelasting van het wegverkeer is bepalend. Maatregelen Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden. Wat betreft maatregelen aan de geluidsbron zijn stille wegdekken, snelheidsverlaging en vermindering van vrachtverkeer denkbaar. Deze maatregelen zorgen voor de grootste geluidsreductie als zij op de A20 worden toegepast. Het is aan Rijkswaterstaat of deze maatregelen worden genomen.
Naar verwachting van de gemeente zal dit niet of niet op korte termijn het geval zijn. Bij de relevante stedelijke wegen worden stillere wegdekken en een snelheidsverlaging naar 30 km/uur niet als doelmatig gezien. Stillere wegdekken reduceren de geluidsbelasting maar een paar dB, en niet tot de voorkeurswaarde. De meeste wegen in het plangebied zijn al 30 km/uur wegen. Meer wegen 30 km/uur maken is niet haalbaar. Bij overdrachtsmaatregelen gaat het om geluidsschermen. Geluidsschermen langs stedelijke wegen zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie. Langs de zuidzijde van de A20 ter hoogte van het plangebied geluidschermen van 6 meter hoog geplaatst. In dit geluidonderzoek is rekening gehouden met deze geluidschermen. Uit het onderzoek naar deze schermen is gebleken dat een hoger geluidscherm niet doelmatig en kosteneffectief is. Bij maatregelen aan de ontvangstkant (van de geluidsbelasting) kan gedacht worden aan het realiseren van een vliesgevel (een geluidscherm aan de woningen), een loggia of een binnenbalkon. Hiermee kan de geluidsbelasting op de gevel van een woning worden teruggebracht. Bij transformatie van de (begane grond van) bestaande panden wordt dit niet als denkbaar gezien. Op de nieuwbouwlocaties is geen sprake van een hoge geluidsbelasting zodat het toepassen van maatregelen aan de ontvangerkant niet
66
nodig is. Geluidsluwe gevel Een van de belangrijkste criteria in het beleid dat de gemeente Rotterdam heeft voor het vaststellen van hogere toegestane geluidsbelastingen op de gevel van een woning is dat elke nieuwe woning in principe over tenminst één geluidsluwe gevel moet beschikken. Een geluidsluwe gevel is een gevel waarop de gecumuleerde geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB, dit geldt als een geluidsniveau waarbij men in het algemeen buiten kan zitten of het raam open kan laten staan zonder dat de geluidsbelasting als hinderlijk wordt ervaren. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat bijna alle plekken waar woningen kunnen worden gerealiseerd aan de achterzijde kunnen beschikken over een geluidsluwe gevel. Op een aantal hoeken van bouwblokken, waar geen achtergevel is, zullen nieuwe woningen niet over een geluidsluwe gevel kunnen beschikken. Het gaat daarbij om de begane grond van bestaande panden, waar nu een andere functie aanwezig is en waarboven woningen zijn gelegen. Vaak hebben deze locaties in het geldende bestemmingsplan een gemengde bestemming waarin ook wonen is toegestaan. Om bestaande rechten te behouden en leegstand te voorkomen wordt ervoor gekozen om in deze gevallen af te wijken van het gemeentelijk beleid dat elke nieuwe woning een geluidluwe gevel moet hebben af te wijken.
Afweging Maatregelen om de geluidsbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot het relatief beperkte aantal woningen. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich meebrengen. Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidsluwe gevel dienen te beschikken. Om bestaande rechten te behouden en leegstand te voorkomen wordt ervoor gekozen om bij een aantal hoekpanden op de begane grond af te wijken van het gemeentelijk beleid dat elke nieuwe woning een geluidluwe gevel moet hebben af te wijken. Om de hierboven genoemde redenen zullen burgemeester en wethouders de berekende geluidsbelastingen, zoals die in de tabel 'Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige objecten per zoneplichtige weg' zijn aangegeven, als hogere waarden vaststellen voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Deze hogere waarden worden verleend onder de voorwaarde dat elke woning over ten minste één geluidsluwe gevel beschikt. Het besluit hogere waarden word als bijlage in de toelichting opgenomen.
67
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
68
6.5.1
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Het bestemmingsplan maakt in totaal de toevoeging mogelijk van 1.280 woningen. Waarvan 100 woningen door nieuwbouw en de rest door omzetting van het huidige gebruik van (vooral de begane grond) van panden naar woningen. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en ten minste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt blijven hier ruim onder. Bovendien verdwijnen er bij het overgrote deel van de nieuwe woningen andere functies die per saldo voor ongeveer evenveel verkeer zorgen. Daarom is duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde.
De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg. 6.5.2
Conclusie
Het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt.
6.6
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
69
6.6.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Wat algemene bodemkwaliteit betreft is het plangebied onderverdeeld in 3 gebieden. In Oude Noorden en in de Agniesebuurt is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) licht verontreinigd. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is in beiden gebieden matig verontreinigd. In het Hofdijkkwartier, ten zuiden van Heer Bokelweg/Noordplein, is contactzone zeer licht verontreinigd. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is in dit gebied sterk verontreinigd. Het bestemmingsplan maakt bij veel panden een omzetting van het gebruik van de begane grond naar wonen mogelijk. Bij een dergelijke verandering van gebruik vinden er geen werkzaamheden in de bodem plaats. De bodemkwaliteit vormt dus geen belemmering voor deze ontwikkelingen. Wel dient in de bouwplanfase te worden nagegaan of de bodemkwaliteit van de bijbehorende tuinen geschikt is voor de woonfunctie. Op een aantal locaties in het Oude Noorden wordt nieuwbouw van woningen op braakliggende of als verblijfsgebied ingerichte terreinen mogelijk gemaakt, het gaat om de volgende locaties: 1. Erasmusstraat 4-8: Deze locatie is in 2008 voldoende gesaneerd voor woningbouw; 2.
Vlethoek (zie paragraaf 4.2.1): Uit een onderzoek uit 1999 blijkt dat de locatie in de huidige situatie geschikt is voor woningen. Omdat de locatie is ingericht als verblijfsgebied met voetbalkooi is het onwaarschijnlijk dat zich sindsdien een verslechtering van de bodemkwaliteit heeft voorgedaan. Als er bij herinrichting grondverzet plaatsvindt dan moet in de bouwplanfase een saneringsplan worden opgesteld; 3. Wolstraat: Op de locatie ten noorden van de Wolstraat hebben oude woningen gestaan. Na sloop is er bodemverontreiniging aangetroffen. Deze verontreiniging is inmiddels afdoende gesaneerd, zodat de locatie nu geschikt is voor woningbouw; 4. Hartenruststraat: Op dit braakliggende terrein heeft bodemsanering plaatsgevonden, waarvoor in 2009 een saneringsverslag is opgesteld. Er is een schone laag zand aangebracht, maar de locaties is nog niet geschikt voor de woonbestemming. Om de locatie geschikt te maken moet (bij het ontwikkelen van woningen) een verhardingslaag worden aangebracht om nog aanwezige verontreiniging te isoleren; 5. Hoek Bergweg/Soetendaalseweg: Er is geen onderzoek uitgevoerd voor deze locatie. Er hebben in het verleden geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden op deze locatie. Bij bodemonderzoek voor de riolering bij de Soetendaalseweg en Bergweg is geen ernstige verontreiniging aangetroffen.
De kans is groot dat de locatie nu geschikt is (of eenvoudig geschikt te maken is) voor woningbouw. Dit zal uit onderzoek in de bouwplanfase moeten blijken. Op basis van het bovenstaande is het aannemelijk dat de bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van de in het bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen niet in de weg staat.
6.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op-en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spooren buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte
70
een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico.
Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.7.1
Transport gevaarlijke stoffen over weg
In het noorden van het plangebied is de A20 gelegen. Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Plaatsgebonden risico De veiligheidszone van de A20 tussen het Terbregseplein en afrit 14 (Rotterdam Centrum) 11 is meter gemeten vanaf de as van de weg. Omdat deze zone binnen de snelweg zelf valt heeft zij geen betekenis voor dit plan. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. Ten behoeve van het bestemmingsplan is de hoogte van het groepsrisico binnen het invloedsgebied berekend. Daarnaast is berekend of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt voor een verhoging van het groepsrisico zorgt. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico binnen het invloedsgebied zowel in de huidige situatie als na planrealisatie 0,2 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Plasbrandaandachtsgebied In het plasbrandaandachtsgebied, het gebied tot 30 meter vanaf de rand van de weg, moet bij de realisering van beperkt kwetsbare en kwetsbare bebouwing rekening gehouden worden met de effecten van een plasbrand.
Omdat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de afstand van 30 meter heeft het plasbrandaandachtsgebied geen praktische betekenis voor dit bestemmingsplan. 6.7.2
Transport gevaarlijke stoffen over rail
Spoor ten zuiden van plangebied Ten zuiden van het plangebied liggen aan weerszijden van station Rotterdam Centraal twee spoortrajecten die zijn opgenomen in het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen: Rotterdam Centraal-Rotterdam Zuid en Rotterdam Centraal-Blijdorp. Dit laatste spoortraject (ten westen van het station) is alleen relevant voor het groepsrisico, omdat dit voor een stuk spoor van 1 kilometer lang moet worden berekend.
71
Plaatsgebonden risico Het bestemmingsplan ligt op tenminste 35 meter van de rand van het spoor, en de plaatsgebonden risicocontour ligt op 7 meter vanaf het midden van het spoor. De plaatsgebonden risicocontour ligt dus niet over het plangebied heen en heeft daarom geen betekenis voor het bestemmingsplan. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over het spoor, en het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied aan weerszijden van de transportroute. Gebouwen/personen buiten het invloedsgebied dragen nauwelijks bij aan de hoogte van het groepsrisico en worden daarom niet meegenomen in de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico binnen het invloedsgebied 0,4 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen het invloedsgebied, zodat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden.
Het plasbrandaandachtgebied voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30 meter vanaf de rand van het spoor. Het bestemmingsplan ligt tenminste 35 meter vanaf de rand van het spoor, zodat het plasbrandaandachtsgebied niet voor beperkingen voor het bestemmingsplan zorgt. Spoor noordkant plangebied In het noorden van het plangebied, ten noorden van de A20, ligt het spoor van Rotterdam Centraal naar Gouda. Over dit stuk spoor vindt hetzelfde vervoer van gevaarlijke stoffen plaats als over het spoor ten zuiden van het plangebied. Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontour is eveneens 7 meter vanaf het midden van het spoor. Deze contour ligt geheel binnen de spoorbestemming. Omdat er geen ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare bebouwing mogelijk wordt gemaakt binnen de plaatsgebonden risicocontour vormt deze contour Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over het spoor en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. De transportintensiteit van gevaarlijke stoffen is hetzelfde als over het spoor ten zuiden van het plangebied. Het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied is echter aan de noordkant van het plangebied een stuk lager. Daarom is het berekende groepsrisico langs dit stuk spoor 0,2 maal de oriëntatiewaarde.
Het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen het invloedsgebied, en zorgt dus niet voor een verhoging van het groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtgebied voor nieuwe bouwwerken bedraagt bij het spoor aan de noordkant van het plangebied eveneens 30 meter. Het plasbrandaandachtsgebied ligt voor het grootste deel binnen de spoorbestemming en groenbestemming. Nieuwbouw wordt binnen het plasbrandaandachtsgebied niet mogelijk gemaakt, zodat het plasbrandaandachtsgebied geen gevolgen voor het bestemmingsplan heeft.
72
6.7.3
Conclusie
De ontwikkellocaties liggen buiten de 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour (veiligheidszone) en buiten het plasbrandaandachtgebied. De ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt hebben geen invloed op de groepsrisico's van de A20 en van het spoor. Dit komt enerzijds door de grote afstand van de ontwikkellocaties tot het spoor en de A20 (het merendeel ligt op meer dan 200 meter) en anderzijds door de zeer geringe toename van de gebiedsgemiddelde populatie door de transformatie van bestaande detailhandel, dienstverlening, en horeca naar woningen in een bestaand woongebied. De groepsrisico's blijven onder de oriëntatiewaarde en bedragen: 0,8 maal de oriëntatiewaarde voor de A20; 0,4 maal de oriëntatiewaarde voor het spoor aan weerszijden van station Rotterdam Centraal; 0,2 maal de oriëntatiewaarde voor het spoor in het noorden van het plangebied. De ontwikkellocaties zijn bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten. Het gemeentelijke Beleidskader Groepsrisico gaat bij het verantwoorden van het groepsrisico uit van drie categorieën. Een groepsrisico kleiner of gelijk aan 0,3 maal de oriëntatiewaarde valt in de categorie 'licht'. Dit is het geval bij het groepsrisico vanaf het spoor in het noorden van het plangebied.
Dit lage groepsrisico wordt door de gemeente Rotterdam verantwoord geacht, mede gelet op het gegeven dat het groepsrisico door de planontwikkeling niet toeneemt en gezien de grote afstand van de risicobron tot de woonwijk. Een groepsrisico tussen de 0,3 maal de oriëntatiewaarde en de oriëntatiewaarde valt in de verantwoordingscategorie 'midden', het groepsrisico van de A20 en van het spoor aan weerszijden van het station vallen in deze categorie. De volgende punten zijn van belang bij het verantwoorden van deze groepsrisico's: het groepsrisico neemt door de ontwikkelmogelijkheden in het bestemmingsplan niet toe; de afstand tussen de A20 en de dichtstbijzijnde ontwikkellocatie bedraagt 140 meter, voor het spoor is dit 184 meter; de ontwikkelingen betreffen geen nieuwbouw maar functieverandering binnen bestaande panden. Het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de A20 en over het spoor ten zuiden van het plangebied wordt als verantwoord gezien omdat het lager is dan de oriëntatiewaarde en niet toeneemt door de planontwikkeling. Maatregelen om de effecten van een calamiteit te verminderen leveren ter plaatse van de ontwikkellocaties gezien de grote afstand tot de risicobron weinig effectreductie op en zijn omdat het om bestaande bebouwing gaat lastig te realiseren. Daarom zullen effectreducerende maatregelen niet worden voorgeschreven.
Het treffen van bronmaatregelen behoort voor de gemeente niet tot de mogelijkheden.
6.8
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp)
73
bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.8.1
Rotterdams beleid
Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. In dit beleidsinstrument zijn de ambities van de gemeente Rotterdam op het gebied van de ecologie en natuur vastgelegd. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is. In het kaartgedeelte van de Rotterdamse Natuurkaart is de ecologische structuur van de gemeente Rotterdam op hoofdlijnen weergegeven. De Natuurkaart is een instrument om ruimtelijke ontwikkelingen te ondersteunen. De kaart geeft kerngebieden waar hoge ecologische waarden aanwezig zijn of verwacht kunnen worden en de reeds aanwezige verbindingszones tussen deze kerngebieden en de verbindingszones met het Natuurnetwerk. De Rotterdamse Natuurkaart signaleert ook de knelpunten in de ecologische structuur. In de Rotterdamse Natuurkaart is geen verbinding gemaakt met het Rotterdamse duurzaamheidsbeleid. Op deze natuurkaart is te zien dat de Rotte en de Noordsingel deel uit maken van de Groene Wijkdooradering. De Rotte en het Noorderkanaal maken tevens deel uit van het Waternetwerk. Ze verbinden grotere groengebieden langs de stadsrand met elkaar en zorgen er ook voor dat flora en fauna zich goed kunnen verspreiden. De A20 wordt gekenmerkt als een Droog lint, waarbij de flankerende groenstructuren worden gekenmerkt als Parkbos. 6.8.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Voor het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt is de Wet natuurbescherming relevant. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas en Boezems Kinderdijk, beiden op circa 9 km afstand tot het bestemmingsplangebied. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van tenminste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied (dit betreffen de gebieden Nieuwkoopse Plassen & De Haek, de Biesbosch en Solleveld & Kapittelduinen). De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000 gebieden.
Dit blijkt uit de berekeningen (voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase) van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, vanwege de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. Deze berekeningen zijn uitgevoerd met de Aerius Calculator 2.0. Voor de aanlegfase zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: De bouw van de maximaal 112 nieuwe woningen (verdeeld over 6 projecten) vindt plaats binnen de eerste twee jaar dat het bestemmingsplan geldend is, 56 woningen per jaar; Per nieuwbouw woning bij de bouw 14 kilo NOx (stikstofoxiden) uitgestoten (de worst-case uitstoot voor een tussenwoning). Dit betekent dat met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt dat in de aanlegfase 56 x 14 = 784 kilo NOx per jaar wordt uitgestoten; Het bestemmingsplan maakt in de planperiode van 10 jaar de transformatie van niet-woonfuncties op de begane grond naar maximaal 1.182 woningen mogelijk; Uit de praktijk blijkt dat, als er in stadswijken functieverandering/transformatie plaatsvindt, dit
74
hoofdzakelijk om een verandering van niet-woonfuncties naar woningen gaat, dit is echter een geleidelijk proces. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de maximale transformatie gelijkmatig over de planperiode verdeeld is, 118 woningen per jaar; Berekend is dat als bij de transformatie naar een woning 28% of minder NOx wordt uitgestoten dan bij het nieuw bouwen van een woning er nog steeds sprake is van een bijdrage aan de stikstofdepositie van N-2000 gebieden van minder dan 0,00 mol/ha/jr; De uitstoot van NOx bij het transformeren van de begane grond van een bestaand pand zal echter slechts enkele procenten zijn van de uitstoot bij het nieuw bouwen van een woning. De reden hiervoor is dat zware machines niet of nauwelijks worden ingezet bij het verbouwen van de begane grond van een bestaand gebouw. Daarvoor worden andere, lichtere machines gebruikt die vrijwel uitsluitend op de elektriciteit draaien die op locatie aanwezig is (een aggregaat op diesel of benzine is dus niet nodig). Voor de gebruiksfase zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: De maximaal 112 nieuwe woningen krijgen geen aansluiting op aardgas (géén emissie van stikstofoxiden); De uitstoot van het verkeer van de 112 nieuwe woningen is als volgt berekend: uitgaande van een afstand van 2 kilometer waarin het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld.
Per woning is uitgegaan van de CROW norm van 6,4 motorvoertuigen per etmaal voor een tussenwoning. Dit komt neer op 1,58 kg NOx per woning per jaar, een totaal van alle woningen van 177 kg NOx per jaar; De transformatie van bedrijfsfuncties op 185 bestaande locaties naar maximaal 1.181 woningen levert geen toename van verkeersbewegingen op omdat aan woningen een lagere ritfrequentie wordt toegekend; De transformatie van bedrijfsfuncties op 185 bestaande locaties naar maximaal 1.181 woningen leidt door energiebesparingsmaatregelen niet tot een hoger aardgasgebruik, dus niet tot een verandering van de uitstoot van stikstofoxiden. Resultaten en conclusie A. Het resultaat van de berekening van stikstofdepositie in de aanlegfase is, dat er geen bijdrage aan de stikstofdepositie in Natura 2000- gebieden is van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar; B. Het resultaat van de berekening van stikstofdepositie in de gebruiksfase is, dat er geen bijdrage aan de stikstofdepositie in Natura 2000- gebieden is van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar. Uit deze voortoets blijkt dat er geen (significante) stikstofdepositie wordt veroorzaakt door het bestemmingsplan, en dat een passende beoordeling niet vereist is. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.
Het meest nabijgelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Nieuwe Maas, op circa 1 kilometer ten zuiden van het bestemmingsplangebied. Het meest nabijgelegen Belangrijk Weidevogelgebied is Polder Schieveen, op circa 4,4 kilometer ten noordwesten van het bestemmingsplangebied. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze NNN-gebieden. Daarvoor zijn deze ontwikkelingen te beperkt van omvang en liggen ze op te grote afstand van deze gebieden. 6.8.3
Soortbescherming
Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is, zie hieronder: Vogels In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten opgenomen. Dit betreft meerdere waarnemingen (najaars- en winterwaarnemingen
75
van migrerende en overwinterende dieren) van Huismus, Gierzwaluw en Grote gele kwikstaart. Voor Grote gele kwikstaart is het plangebied ongeschikt. Voor Huismus is in het bestemmingsplangebied potentieel geschikt habitat voor voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig (bebouwing, (volks-) tuinen, pleinen, jaarrond groen struweel, voedselaanbod). Met name de aanwezigheid van bebouwing welke zeer geschikt is voor huismus (schuine daken met dakpannen bieden geschikte verblijfplaatsen, groene tuinen bieden voedsel en veiligheid) en de aard van de bouwconstructies van de bebouwing binnen het plangebied en de aanwezigheid van schuilgelegenheid in de vorm van struweel en opslag bieden geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen en functioneel leefgebied. Voor Gierzwaluw is het bestemmingsplangebied eveneens geschikt, vanwege de ligging in een oudere woonwijk. Onder meer schuine daken met dakpannen bieden geschikte verblijfplaatsen. Voor overige vogels met jaarrond beschermde jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen in gebouwen en voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen in bomen is het plangebied ongeschikt.
Naast bovengenoemde beschermde soorten kunnen algemene en minder algemene boom-, struweel-, gebouw- en dakbroedende vogelsoorten in het bestemmingsplangebied verwacht worden, zoals Spreeuw, Wilde eend, Meerkoet, Pimpelmees, Koolmees, Turkse Tortel en Houtduif. Vleermuizen In het plangebied zijn de soorten Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis waargenomen. Deze waarnemingen schetsen waarschijnlijk geen compleet beeld van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. In dit stedelijk gebied en met name langs watergangen en in oudere wijken kunnen ook de Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger en Tweekleurige vleermuis voorkomen. Nagenoeg alle bebouwing in het bestemmingsplangebied is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De overgrote meerderheid van de bebouwing bevat open stootvoegen, ventilatiespleten, dilatatievoegen en/of metalen dakstrips welke toegang verschaffen tot de spouwmuren en nissen in de gevels. Hier is potentie voor winter-, zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen aanwezig. Verspreid in het bestemmingsplangebied zijn hoogbouw en gebouwcomplexen (zoals schoolgebouwen en appartementencomplexen) aanwezig. Deze zijn geschikt als massawinterverblijfplaats voor met name gewone dwergvleermuis. Voor de meeste boombewonende vleermuizen is het bestemmingsplangebied redelijkerwijs ongeschikt.
Forsere bomen in donkere tuinen en langs de A20 zijn potentieel geschikt voor paarverblijfplaatsen en zomerverblijfplaatsen voor Ruige dwergvleermuis. Binnen het bestemmingsplangebied bevinden zich meerdere lijnvormige structuren (kaden, gevellijnen, parken en tuinen) die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als functioneel leefgebied als foerageergebied en/of (essentiële) vliegroute. Voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd. Zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, opgenomen in de Habitatrichtlijn, zoals Bever, Noordse woelmuis en Otter. Geschikt habitat voor deze soorten is afwezig. Wel kunnen nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren worden verwacht. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling. Met name Egel, Konijn, Vos en meerdere soorten (spits)muizen kunnen zich goed handhaven in de stad, met parken en een stedelijke omgeving. De Steenmarter wordt sinds enige jaren in de wijdere omgeving van het plangebied waargenomen. Geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen zijn in het bestemmingsplangebied, voor zover bekend, afwezig. Het plangebied kan worden gebruikt als functioneel leefgebied (jachtgebied).
Er dient rekening mee te worden dat het bestemmingsplangebied in potentie geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van Steenmarter. Vissen Open water is verspreid aanwezig binnen het bestemmingsplangebied. Deze watergangen zijn ongeschikt voor vissen uit de Habitatrichtlijn (zoals Houting en Atlantische Steur), en voor nationaal beschermde soorten vissen (zoals de Grote modderkruiper). Wel kunnen de volgende Aandachtssoorten worden aangetroffen (Alver, Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Kroeskarper en Vetje). Reptielen en amfibieën Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor habitatrichtlijnsoorten reptielen en amfibieën, zoals
76
Rugstreeppad, Heikikker, Kamsalamander en Muurhagedis. In het bestemmingsplangebied kunnen nationaal beschermde amfibieën worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander. Ook Meerkikker en Bastaardkikker komen voor in deze gevarieerde stadsrand. Planten Oude (kalkrijke) muren zijn aanwezig. Hierdoor is geschikt habitat aanwezig voor muurplanten, zoalsBlaasvaren, Schubvaren en Muurbloem. Het plangebied is ongeschikt voor andere Nationaal beschermde vaatplanten. In het bestemmingsplangebied komt één aandachtssoort voor: Stijf hardgras. Meerdere groeiplaatsen zijn aanwezig aan de Zaagmolenkade, nabij de Zaagmolenbrug. Op deze kademuren langs de Rotte en op de Zaagmolenkade zijn tevens groeiplaatsen van Steenbreekvaren, Tongvaren, Zwartsteel aanwezig. 6.8.4
Ontwikkelingen
De gevolgen voor de aanwezige beschermde flora en fauna door ontwikkelingen/werkzaamheden die het bestemmingsplan mogelijk maakt dienen voorafgaand aan de uitvoering van die werkzaamheden te worden onderzocht. Wellicht blijkt uit dat onderzoek dat een ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat een dergelijke ontheffing t.z.t. niet zal kunnen worden verkregen. Het bestemmingsplan is daarom aanvaardbaar vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
77
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
78
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan legt hoofdzakelijk de bestaande situatie vast. Op een aantal locaties wordt de bouw van nieuwe woningen mogelijk gemaakt: 1. Tuin van Noord, de voormalige gevangenis Noordsingel, is in het bestemmingsplan opgenomen conform de verleende vergunningen. Dit heeft geen financiële consequenties voor het bestemmingsplan; 2. Bij de Hartenruststraat wordt teruggebouwd conform de bouwmogelijkheden van het oude bestemmingsplan. De gronden zijn grotendeels in eigendom van Havensteder. Voor het gebruik van de gronden die in eigendom zijn van de gemeente zal bij de bouwvergunning een overeenkomst met Havensteder worden gesloten. Omdat de bebouwing reeds in het oude bestemmingsplan mogelijk was zijn hieraan geen financiële risico's voor de gemeente verbonden; 3. De gronden ten noorden van de Wolstraat (in eigendom van Havensteder) worden opnieuw bebouwd met woningen. Wat hoogte betreft verschilt deze ontwikkeling van hetgeen het oude bestemmingsplan mogelijk maakt. In het oude bestemmingsplan zijn drie bouwlagen met kap mogelijk, en aan de Zwaanshalskade vier lagen met kap. Het nieuwe bestemmingsplan staat bouwhoogtes van 10, 13 en 16 meter toe. Parkeervoorzieningen zijn op eigen terrein (onder de woningen en de tuinen) mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkeling zal een overeenkomst met Havensteder worden afgesloten voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld; 4.
Het gebied tussen de Vletstraat, Vijlklapperstraat en Vlethoek is thans ingericht als verblijfsgebied met voetbalkooi. Hier wordt de nieuwbouw van woningen voorzien. In het oude bestemmingsplan zijn drie bouwlagen toegestaan. Het nieuwe bestemmingsplan maakt mogelijk dat de bebouwing aan de Vletstraat vier bouwlagen wordt. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Bij verkoop van de gronden aan een initiatiefnemer zal een overeenkomst worden gesloten waarin de kosten voor de gemeente gedekt zijn; 5. Aan de Heer Kerstantstraat, naast nr. 107, ligt een als groen ingerichte kavel in gemeentelijk eigendom. In het oude bestemmingsplan is deze kavel bestemd als tuin. Het nieuwe bestemmingsplan maakt het mogelijk om op deze kavel één woning met een bouwhoogte van 13 meter te realiseren. Bij verkoop van de gronden aan een initiatiefnemer zal een overeenkomst worden gesloten waarin de kosten voor de gemeente gedekt zijn. Bij andere locaties waar nieuwbouw kan plaatsvinden zijn de bebouwingsmogelijkheden uit de oude (thans geldende) bestemmingsplannen overgenomen. Dit heeft dus geen financiële gevolgen voor het nieuwe bestemmingsplan. Het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt is gezien het bovenstaande financieel uitvoerbaar. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
79
Hoofdstuk 9 9.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM; 2. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag; 3. HHSK, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; 4. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 5. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland; 6. TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet; 7. Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit; 8. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk; 9. K.P.N. Telecom; 10. V.W.S. Pipeline Control; 11. Evides, leidingbeheer drinkwatertransportleidingen; 12. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators; 13. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie; 14. Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen; 15. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; 16. Ministerie van Infrastructuur en Milieu; 17. RWS, Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland. Een inhoudelijke reactie is ontvangen van de hieronder genoemde vooroverlegpartners. 9.1.1
GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM
Het concept ontwerpbestemmingsplan is door het invullen van het E-formulier aangeboden aan GS. Het E-formulier stelt vragen en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het bestemmingsplan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid en dus door de porvincie bekeken moet worden. De provincie heeft aangegeven dat het bestemmingsplan niet hoeft te worden toegezonden. 9.1.2
VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
De Veiligheidsregio geeft voor het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt het volgende advies: 1. Plasbrandaandachtsgebied spoor Verbouwing/herontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten (zoals bedoeld in artikel 1 van het Bevi) binnen het plasbrandaandachtsgebied van het spoortraject Rotterdam - Gouda (30 meter vanaf de buitenste spoorstaaf), dient te voldoen aan artikelen 2.5 tot en met 2.9 van de regeling Bouwbesluit 2012 als er van rechtens verkregen bouweisen m.b.t. plasbrandaandachtsgebieden op het pand rusten. Als dit niet het geval is, adviseert de VRR u het pand conform artikelen 2.5 tot en met 2.9 van de regeling Bouwbesluit 2012 te construeren. Dit geldt met name voor het voormalige station aan de Bergweg 8 dat nu als café gebruikt wordt. Reactie Het café in het voormalige station is het enige pand in het plangebied dat binnen het plasbrandaandachtsgebied ligt, en eveneens de enige plek waar bebouwing in het plasbrandaandachtsgebied is toegestaan. Het gaat hier om een bestaand pand waarbij het huidige gebruik is vergund. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de bouweisen voor dit pand aan te passen. 2. Veiligheidszones A20 en spoor
80
Zowel bij nieuwbouw als bij verbouwing/herontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten (zoals bedoeld in artikel 1 van het Bevi) binnen de veiligheidszone van de A20 en het spoor (120 meter vanaf het hart van de (spoor)weg) met van rechtens verkregen bouweisen m.b.t. veiligheidszones, dient u te voldoen aan artikel 2.10 van de regeling Bouwbesluit 2012 als er van rechtens verkregen bouweisen m.b.t. veiligheidszones op het pand rusten. Als dit niet het geval is, adviseert de VRR u het pand conform artikel 2.10 van de regeling Bouwbesluit 2012 te construeren. Dit geldt tevens voor de woonboten gelegen in het Noorderkanaal, langs de Gordelweg. Reactie Artikel 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012 luidt als volgt: 'Een in een veiligheidzone te bouwen bouwwerk met een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld'. Het is wettelijk verplicht om bij nieuwbouw binnen de veiligheidszone zo te bouwen dat de mechanische ventilatie handmatig kan worden uitgeschakeld. De VRR adviseert om dit ook te doen bij herontwikkeling, niet alleen binnen de veiligheidscontour maar ook binnen de ruimere 1%-letaliteitszone van het toxische scenario. De gemeente onderschrijft dat het vanuit het oogpunt van veiligheid van belang is om de mechanische ventilatie (indien aanwezig) handmatig uit te kunnen schakelen.