CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007043] Bijlage 1 behorende bij 23bb007048 over het aangepast bestemmingsplan “Oude Noorden en Agniesebuurt” NL.IMRO.0599.BP1101OudeNAgnB-va-03

Gemeenteraad 9 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: 8.4 Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het aangepaste bestemmingsplan ‘Oude Noorden en Agniesebuurt’.41.741 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Oude Noorden en Agniesebuurt Bestemmingsplan

Opgesteld door:

datum:

Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen

Vastgesteld d.d.: Aangepast vanwege einduitspraak RvS

Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam

Inhoudsopgave

Toelichting

7

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging en begrenzing

7

1.3

Aanpassingen naar aanleiding van tussenuitspraak Raad van State

8

1.4

Aanpassingen naar aanleiding van einduitspraak Raad van State

9

Beleid

11

2.1

Rijksbeleid

11

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

13

2.3

Gemeentelijk beleid

14

Beschrijving van het plangebied

23

3.1

Archeologie

23

3.2

Cultuurhistorie

24

3.3

Stadsgezichten en Monumenten

30

3.4

Huidig gebruik

35

Planbeschrijving

38

4.1

Algemeen

38

4.2

Ontwikkelingen

41

4.3

Juridische planbeschrijving

43

Water

51

5.1

Beleidskader

51

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

51

5.3

Huidige watersysteem

52

5.4

De wateropgave

53

Hoofdstuk 6

Milieu

54

6.1

Inleiding

54

6.2

Milieu effectrapportage

54

6.3

Milieuzonering

56

6.4

Geluid

57

6.5

Luchtkwaliteit

68

6.6

Bodem

69

6.7

Externe veiligheid

70

6.8

Natuur

73

Handhaving

78

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 7

2

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

79

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

80

9.1

Vooroverleg

80

9.2

Participatie en informatie

82

Bijlagen

83

Bijlage 1

Afbeelding Archeologie

84

Bijlage 2

Raadsvoorstel en vaststellingsbesluit

86

Bijlage 3

Wateradvies

117

Bijlage 4

M.e.r.-beoordelingsbesluit

164

Bijlage 5

Onderzoek Geluid

167

Bijlage 6

aanvullend geluidsonderzoek locatie 159

203

Bijlage 7

aanvullend geluidsonderzoek locatie 193

211

Bijlage 8

aanvullend geluidsonderzoek locatie 194

221

Bijlage 9

Besluit hogere waarden

229

Bijlage 10

Onderzoek luchtkwaliteit

272

Bijlage 11

Onderzoek externe veiligheid

280

Bijlage 12

Onderzoek flora en fauna

302

Bijlage 13

Bezonningsstudie Zwart Janstraat 141-143

336

Regels

339

Hoofdstuk 1

INLEIDENDE REGELS

340

Artikel 1

Begrippen

340

Artikel 2

wijze van meten

347

BESTEMMINGSREGELS

348

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Bedrijf

348

Artikel 4

Bedrijf - Nutsvoorziening

349

Artikel 5

Detailhandel

350

Artikel 6

Gemengd - 1

351

Artikel 7

Gemengd - 2

353

Artikel 8

Gemengd - 3

355

Artikel 9

Gemengd - 4

357

Artikel 10

Gemengd - 5

359

Artikel 11

Groen

361

Artikel 12

Horeca - Hotel

362

Artikel 13

Kantoor

363

Artikel 14

Maatschappelijk - 1

364

Artikel 15

Maatschappelijk - 2

365

Artikel 16

Sport

366

Artikel 17

Tuin

367

3

Artikel 18

Tuin - 2

368

Artikel 19

Verkeer - Autosnelweg

369

Artikel 20

Verkeer - Erf

370

Artikel 21

Verkeer - Garagebox

371

Artikel 22

Verkeer - Parkeergarage

372

Artikel 23

Verkeer - Spoorverkeer

373

Artikel 24

Verkeer - Verblijfsgebied

374

Artikel 25

Verkeer - Wegverkeer

375

Artikel 26

Water - 1

376

Artikel 27

Water - 2

377

Artikel 28

Wonen

378

Artikel 29

Wonen - Berging

380

Artikel 30

Wonen - Bijzonder woongebouw

381

Artikel 31

Leiding - Hoogspanning

382

Artikel 32

Leiding - Water

384

Artikel 33

Waarde - Archeologie 1

386

Artikel 34

Waarde - Archeologie 2

388

Artikel 35

Waarde - Archeologie 3

390

Artikel 36

Waarde - Archeologie 4

392

Artikel 37

Waarde - Cultuurhistorie 1

394

Artikel 38

Waarde - Cultuurhistorie 2

396

Artikel 39

Waterstaat - Waterkering

397

Artikel 40

Waterstaat - Waterstaatkundige functie

398

Hoofdstuk 3

ALGEMENE REGELS

399

Artikel 41

Anti-dubbeltelregel

399

Artikel 42

Algemene bouwregels

400

Artikel 43

Algemene gebruiksregels

402

Artikel 44

Algemene aanduidingsregels

403

Artikel 45

Algemene afwijkingsregels

404

Artikel 46

Overige regels

405

Hoofdstuk 4

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

406

Artikel 47

Overgangsrecht

406

Artikel 48

Slotregel

407

Bijlagen

409

Bijlage 1

Bedrijvenlijst categorie 1 en 2

410

Bijlage 2

Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria

413

4

5

6

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De nu geldende bestemmingsplannen voor Oude Noorden en Agniesebuurt zijn aan vernieuwing toe. Het opstellen van het bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma actualisering bestemmingsplannen. De bestaande ontwikkelingsmogelijkheden en ruimtelijke flexibiliteit blijven in het nieuwe bestemmingsplan behouden, in die zin is er sprake van een conserverend bestemmingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing

Het plangebied van Oude Noorden en Agniesebuurt ligt tussen Bergweg, het spoor ten noorden van de A20, de Rotte, Goudsesingel, Stroveer, Katshoek, Heer Bokelweg en Schiekade. Het bestemmingsplan Tuin van Noord wordt conform de verleende vergunningen meegenomen. De in het bestemmingsplan Agniesebuurt gelegen locaties Zomerhofkwartier en Katshoek/Schoterboshof worden buiten het nieuwe bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt gelaten. Hiervoor worden te zijner tijd twee projectbestemmingsplannen opgesteld. Ook de 'Correct-driehoek' (waar de grote elektronicazaak Correct en daarvoor het Victoria theater was gevestigd ) wordt buiten het nieuwe bestemmingsplan gelaten. Voor deze driehoek tussen de Bergweg, de Benthuizerstraat en de Louwerslootstraat wordt een projectbestemmingsplan opgesteld. In het gebied van het nieuwe bestemmingsplan gelden nu nog de volgende drie bestemmingsplannen: 596

Agniesebuurt: vastgesteld 28-01-2010;

625

Oude Noorden:

vastgesteld 24-06-2010;

2077

Tuin van Noord:

vastgesteld 23-01-2014.

7

1.3

Aanpassingen naar aanleiding van tussenuitspraak Raad van State

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 14 juni 2023 een tussenuitspraak uitgebracht waarbij twee beroepschriften inzake het bestemmingsplan 'Oude Noorden en Agniesebuurt' gegrond zijn verklaard. Deze uitspraak brengt met zich mee dat de gemeente de verbeelding van het bestemmingsplan op een aantal punten moet wijzigen. In de versie 'Vastgesteld 2' van het bestemmingsplan 'Oude Noorden en Agniesebuurt' zijn op de verbeelding de volgende wijzigingen aangebracht: 1. De functieaanduiding 'horeca' is ter plaatse van de panden Zwart Janstraat 36A, 58A en 61A aan de verbeelding toegevoegd; 2. De bestemming van het pand Tochtstraat 112 is op de verbeelding gewijzigd van 'Wonen' naar 'Gemengd-1'.

8

1.4

Aanpassingen naar aanleiding van einduitspraak Raad van State

Op 14 juni 2023 heeft de Raad van State een tussenuitspraak gedaan, waarin de gemeente wordt verzocht om het bij één van deze beroepen (dit betreft een ander beroep dan de twee in paragraaf 1.3 bedoelde beroepen) geconstateerde gebrek te herstellen. Dit heeft de gemeente niet tijdig gedaan. De Raad van State heeft daarom in haar einduitspraak van 20 september 2023, alleen voor het plandeel met de bestemming "Gemengd -2" en de aanduiding "maximum bouwhoogte 14 meter", op het adres Zwart Janstraat 141-143, het bestemmingsplan 'Oude Noorden en Agniesebuurt' vernietigd. Om dit te herstellen heeft de gemeente de voorliggende versie 'Vastgesteld 3' van het bestemmingsplan 'Oude Noorden en Agniesebuurt' vastgesteld. Dakterras Zoals de Raad van State heeft geconstateerd maakt de huidige formulering van de planregels (artikel 7.2.2, lid b sub 3) het volgende mogelijk: Ter plaatse van percelen Zwart Janstraat 141-143 een gebouw van maximaal 14 m hoog. En boven op dat gebouw, direct aansluitend op de dakrand, een terras met een vloerdikte van 0,3 meter en een terrasafscheiding van 1,3 meter hoog. Bij het realiseren van dit dakterras geldt als uitzondering dat de gevels van het gebouw als borstwering kunnen worden doorgetrokken, waardoor deze tot een hoogte van 15,6 meter kunnen worden gebouwd.

De Raad van State vraagt zich af of de gemeente wel heeft beoogd om met de regels in het bestemmingsplan de bovenstaande verhoging van de bouwhoogte tot 15,6 meter mogelijk te maken. Dit heeft de gemeente inderdaad niet zo beoogd. Dat dit toch mogelijk is komt doordat de uitzondering op de bepaling dat de terrasafscheiding van een dakterras minimaal 1,5 meter van de dakrand gelegen moet zijn, die voor Zwart Janstraat 141-143 is opgenomen, onzorgvuldig is geformuleerd. Bedoeld is om de uitzondering op de afstand van 1,5 meter alleen toe te laten tot een bouwhoogte van maximaal 14 meter. Dit omdat de omgevingsvergunning voor het bouwen die voor Zwart Janstraat 141-143 is verleend voorziet in een dakterras met een terrasafscheiding/borstwering met een hoogte van 14 meter boven het maaiveld, waarbij de gevels als borstwering worden doorgetrokken. Daarom is artikel 7.2.2, lid b sub 3 van de regels aangevuld met de hieronder vet aangegeven zinsnede: "3.

de afstand tussen de terrasafscheiding en de dakranden bedraagt minimaal 1,5 meter, de afstand van 1,5 meter geldt niet voor Zwart Janstraat 141-143, mits de gevels als borstwering worden doorgetrokken, en met dien verstande dat deze uitzondering op de afstand van 1,5 meter alleen geldt voor een terrasafscheiding/borstwering aldaar met een hoogte van maximaal 14 meter boven het maaiveld;" Met deze aanvulling van de regels geldt de uitzondering alleen tot een hoogte van maximaal 14 meter boven het maaiveld. Boven de maximale bouwhoogte geldt voor Zwart Janstraat 141-143 hetzelfde als bij de andere panden met de bestemming "Gemengd-2". Een dakterras is toegestaan, waarbij als een van de voorwaarden geldt dat de afstand tussen de terrasafscheiding en de dakranden minimaal 1,5 meter bedraagt. Bezonning De Raad van State heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de gemeente geen onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de aan de percelen Zwart Janstraat 141-143 in Rotterdam toegekende aanduiding "maximum bouwhoogte 14 meter". Het onderzoek dat door de Raad van State wordt bedoeld betreft een bezonningsstudie naar de effecten op de lichtinval van de bovengenoemde bouwmogelijkheden op de achter Zwart Janstraat 141-143 gronden/panden aan de Gerhard Scholtenstraat.

De Raad van State acht het namelijk aannemelijk dat de genoemde bouwmogelijkheden zorgen voor een vermindering van lichtinval op deze gronden/panden. De gemeente heeft daarom een bezonningstudie uitgevoerd waarbij het effect op de bezonning van een gebouw met een bouwhoogte van 14 meter op het adres Zwart Janstraat 141-143 op de achtertuinen en achtergevels van de panden aan de Gerard Scholtenstraat is ten opzichte van een onbebouwd perceel op het adres Zwart Janstraat 141-143. Deze bezonningsstudie is als bijlage 13 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. Uit de bezonningsstudie blijkt dat op de achtergevels van de panden aan de Gerard Scholtenstraat geen sprake is van een noemenswaardige vermindering van de

9

bezonning. In de achtertuinen van de panden Gerard Scholtenstraat 122 en 124 is sprake van een kleine vermindering van de bezonning van maximaal 30 minuten per dag. De gemeente heeft als beleidskader voor afwegingen ten aanzien van bezonning het 'afwegingskader bezonning' vastgesteld. Dit afwegingskader is van toepassing op geplande nieuwbouw waarvan de hoogte 1,5 keer de gemiddelde hoogte van de omliggende bebouwing is. Bij Zwart Janstraat 141-143, met een maximale bouwhoogte van 14 meter is daarvan geen sprake. De omliggende bebouwing heeft een bouwhoogte tussen de 12 en 15 meter. Dit betekent dat de gemeente van mening is dat de beperkte effecten op de bezonning die nieuwbouw van minder dan 1,5 keer de omliggende bebouwing kan hebben er niet toe kan leiden dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan 'Oude Noorden', het voorgaande bestemmingsplan waarvoor het bestemmingsplan 'Oude Noorden en Agniesebuurt' in de plaats is gekomen, stond op het adres Zwart Janstraat 141-143 van vier bouwlagen en daarboven een kap toe. Dit komt neer op een goothoogte van maximaal 15 meter en daarbovenop een kap van maximaal 7 meter.

Zodat de maximale bouwhoogte van 14 meter die het bestemmingsplan 'Oude Noorden en Agniesebuurt' toestaat wat bezonning betreft een verbetering betekent ten opzichte van wat het voorgaande bestemmingsplan als maximale hoogte toestond. Gezien het bovenstaande staat vast dat een bouwhoogte van maximaal 14 meter past bij de bouwhoogtes van de naastgelegen panden, en zonder meer past in een goede ruimtelijke ordening. Aanpassing bouwhoogte Los van de uitspraken van de Raad van State is bij het opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan een fout op de verbeelding hersteld. De panden Bergweg 120 t/m 132 en Bloklandstraat 159 (die samen een bestemmingsvlak met de bestemming 'Gemengd-1' vormen) hadden namelijk op de voorgaande digitale verbeelding een bouwhoogte van 7 meter. Op deze verbeelding in pdf-vorm en op papier was bij deze panden zowel een bouwhoogte van 7 meter als van 10 meter aangegeven. De bouwhoogte van de aanwezige panden is rond de 10 meter. Daarom moet de bouwhoogte op de verbeelding ook 10 meter zijn. Dit is aangepast op de versie 'Vastgesteld 3' van de verbeelding.

10

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012 Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur; 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft: 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3.

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond; 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer.

Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt. De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. 2.1.2

Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011

11

In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen: Water en erfgoed; Landschap: transformatie van het landelijk gebied; Transformatie in de stad en in krimpgebieden. 2.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Relevant beleid voor het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied. 2.1.4

Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bestemmingsplan Het bestemmingsplan kent een aantal gemengde bestemmingen waarin op de begane grond zowel woningen als kantoren en/of detailhandel en andere functies mogelijk zijn. Hierbij gaat het bijna altijd om een situatie waar nu geen woningen aanwezig zijn.

Ook maakt het bestemmingsplan de transformatie van kantoren en scholen naar woningen mogelijk, en zijn er zeven onbebouwde locaties waar woningen kunnen worden gebouwd. De mogelijkheden tot transformatie naar en nieuwbouw van woningen moet worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder doorlopen moet worden (zie hieronder). Het bestemmingsplan voorziet niet in een toename van kantoren en detailhandel. De kantoorruimte zal afnemen door transformatie naar woningen. Bij detailhandel is het bestemmingsplan gericht op concentratie, en er zal mogelijk ook een afname plaatsvinden. Bij detailhandel en kantoren is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder moet worden doorlopen. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Woningbouw De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam

12

2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (acualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging. Het nieuwe bestemmingsplan maakt het mogelijk dat op zeven (thans) onbebouwde locaties circa 112 woningen worden gebouwd. Het nu geldende bestemmingsplan Oude Noorden maakt deze ontwikkelingen al mogelijk. Het is waarschijnlijk dat deze ontwikkelingen binnen de planperiode worden gerealiseerd. Ook maakt het nieuwe plan transformatie naar circa 1.180 woningen mogelijk van (delen van) panden waarin nu detailhandel, dienstverlening, horeca, kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn gevestigd. Waarschijnlijk zal slechts een beperkt deel hiervan worden omgezet naar woningen.

Conclusie De woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt voorzien in een actuele behoefte, liggen binnen bestaand stedelijk gebied en het gaat om transformatie van bestaande bebouwing of om nieuwbouw die past binnen het geldende bestemmingsplan. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1

Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte

Vastgesteld door Provinciale Staten op 9 juli 2014, geconsolideerd in werking op 29 juni 2018 De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Visie ruimte en mobiliteit, die op 9 juli 2014 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld en geldt als structuurvisie. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie: 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is; 2. vergroten van de agglomeratiekracht; 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit zijn het Programma ruimte en de Verordening ruimte opgesteld. Het Programma ruimte bevat het ruimtelijk-relevante, operationele beleid. Het Programma heeft, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. In de Verordening ruimte 2014 zijn de provinciale belangen, zoals opgenomen in de Visie ruimte en mobiliteit, verankerd. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de volgende onderwerpen relevant. Relevant beleid voor het plangebied Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2.1.1 VR) De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking is per 29 juni 2018 gelijk aan de ladder uit het Bro, voor zover het gaat om ontwikkelingen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied.

Voor een toetsing aan de ladder wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.1.4. Kantoren (artikel 2.1.2 VR) De VR bevat regels voor ontwikkelingen die uitgaan van nieuwe kantoorfuncties. Zo zijn nieuwe kantoorfuncties alleen toegestaan wanneer ze zijn aangeduid op de bij de VR horende kaart ten aanzien van kantoorlocaties. Er zijn echter een aantal uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld voor kleine zelfstandige kantoren met een b.v.o. van ten hoogste 1.000 m² per vestiging, kantoren met een lokaal verzorgingsgebied en bedrijfsgebonden kantoren met een b.v.o. dat minder bedraagt dan 50% van het totale bedrijfsoppervlak. In het bestemmingsplan liggen geen kantoorlocaties die zijn aangegeven op de kaart van de VR. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe kantoren mogelijk die groter zijn dan 1.000 m² b.v.o. per

13

vestiging. De meeste kantoorfuncties binnen het plangebied bevinden zich in de plinten van de gemengde bestemmingen langs doorgaande wegen en zijn dus relatief kleinschalig. Er is geen sprake van grootschalige kantoorlocaties. Wel zijn er in het zuidelijk deel van het plangebied enkele grote kantoren. Een daarvan is een hotel geworden, en andere kantoren worden mogelijk omgezet naar woningen. Wat betreft kantoren is dit plan dus in overeenstemming met de VR. Detailhandel (artikel 2.1.4 VR) In artikel 2.1.4 van de VR is bepaald dat een bestemmingsplan uitsluitend kan voorzien in nieuwe detailhandel indien deze binnen een bestaande winkelconcentratie ligt of daar direct aan grenst. Verder is detailhandel uitsluitend toegestaan binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk of binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie met detailhandel die is verplaatst van andere locaties. In het tweede lid is bepaald dat eventuele nieuwe detailhandel daarnaast in overeenstemming moet zijn met het ontwikkelingsperspectief dat is beschreven in het bij de VR horende Programma Ruimte. Bij nieuwe detailhandel met een oppervlak van 2.000 m² b.v.o. of groter dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en is een advies nodig van de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland.

In het Programma ruimte is onderscheid gemaakt in "te ontwikkelen centra", "te optimaliseren centra" en "overige centra". Nieuwe detailhandel moet zoveel mogelijk gevestigd worden binnen of direct aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken. In het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt liggen twee overige detailhandelscentra: 'Het Oude Noorden', bestaande uit Zwart Janstraat en Noordmolenstraat (tezamen de Noorderboulevard) en het Zwaanshalsgebied; En 'Benthuizerstraat', bestaande uit het noordelijke stuk van de Bergweg (voor de helft in het Liskwartier gelegen) en de Benthuizerstraat. Buiten deze gebieden zijn verspreid langs de hoofdwegen in het plangebied nog een aantal winkels gelegen. In het oude bestemmingsplan hebben het grootste deel van de Noorderboulevard en het grootste deel van de Benthuizerstraat een bestemming die op de begane grond alleen detailhandel toestaat. De Benthuizerstraat wordt in het gemeentelijk beleid niet meer gezien als een boodschappencentrum, maar als een gebied waar een mix van verschillende functies waaronder detailhandel wenselijk is. De bestemming Detailhandel langs deze straat is daarom vervangen door een gemengde bestemming die naast detailhandel (de meest voorkomende functie) ook andere functies mogelijk maakt.

Het Zwaanshalsgebied heeft eveneens een bestemming gekregen die op de begane grond naast detailhandel ook andere functies mogelijk maakt. De Noorderboulevard blijft, als grootste winkelconcentratie in het gebied Noord, een bestemming houden die op de begane grond alleen detailhandel toestaat. Buiten deze gebieden krijgen winkels die nu aanwezig zijn de functieaanduiding 'detailhandel toegestaan' en zijn winkels verder niet toegestaan. De oude bestemmingsplannen bieden, ook buiten de centra, veel ruimte voor de vestiging van detailhandel. Op de begane grond van gemengde bestemmingen langs de hoofdwegen wordt in theorie ruimte geboden aan duizenden vierkante meters detailhandel. Dit is in strijd met het gemeentelijke en het provinciale beleid voor detailhandel. In het nieuwe bestemmingsplan wordt buiten de concentratiegebieden detailhandel alleen toegestaan waar het aanwezig is. Daarmee is het nieuwe bestemmingsplan op het gebied van detailhandel in overeenstemming met de VR.

2.3

Gemeentelijk beleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

14

2.3.1

Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 2.3.2

Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren.

15

2.3.3

Gebiedsplan Noord 2017 - 2018

In het Oude Noorden is sprake van een aantrekkelijk en divers voorzieningenniveau. De menging van wonen, werken (ateliers, werkplaatsen e.d.) en voorzieningen (winkels, horeca, e.d.) is een kracht die behouden moet blijven. Voor wat betreft het economisch klimaat hebben het Zwaanshals en de Zaagmolenkade zich ontwikkeld tot een aantrekkelijk winkelgebied met goede horeca. De Noorderboulevard, de traditionele winkelstraat voor de dagelijkse boodschappen, is vanwege de eigendomsstructuur een kwetsbare winkelstraat. De gemeentelijke aanpak voor winkelstraten richt zich op de Noorderboulevard in eerste instantie op de vorming van een winkeliers-/ondernemersvereniging. De komst van een supermarkt is een noodzakelijke aanvulling op het winkelbestand. De experimenteeraanpak in het Zomerhofkwartier doet zijn werk als vliegwiel voor vernieuwing. Het Zomerhofkwartier maakt geen onderdeel uit van het bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt, maar de intensivering en verlevendiging van dit gebied heeft wel een positief effect op met name de Agniesebuurt. Initiatieven in de buitenruimte hebben geleid tot een grote meerjarige Europese klimaatsubsidie die het verbeteren van de buitenruimte in de gehele Agniesebuurt mogelijk maakt. 2.3.4

Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld op 1 november 2016 door College van burgemeester en wethouders In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten.

De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

Rotterdam bruist!; de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);

16

wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken. Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel. Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen.

De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

17

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.3.5) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf.

Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca.

18

Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor. 2.3.5

Horecagebiedsplan 2017 - 2018 Noord

Vastgesteld door B&W op 13 juni 2017 In de afgelopen jaren heeft het gebied Noord zich in meerdere opzichten in positieve zin ontwikkeld. De ligging van het gebied, de nabijheid van het centrum met alle voorzieningen, de goede uitvalswegen en ov-voorzieningen, maken dat Noord een aantrekkelijke woonlocatie is. Noord heeft bovendien een breed aanbod van winkels, scholen, horeca en diverse andere voorzieningen. Noord bestaat uit zes karakteristieke wijken met bijzondere, markante gebouwen en plekken, zoals de Hofpleinlijn (Hofbogen), het gerechtsgebouw en de voormalige gevangenis aan de Noordsingel, het beschermd stadsgezicht Blijdorp-Bergpolder, de Diergaarde Blijdorp en het Van Maanenbad. Ook de singels, Staten- , Berg-, Noord, Spoor- en Provenierssingel, dragen bij aan de kwaliteit van het gebied. Rotterdam ontwikkelt zich de laatste jaren als een aantrekkelijke en gewaardeerde stad. Noord deelt bovenmatig in die populariteit. De interesse om in Noord te wonen is groot. Het wijkprofiel 2016 laat een stijging zien van het vertrouwen in de toekomst van de stad. Noord biedt in die stad aantrekkelijke, authentieke en diverse woonbuurten. Daarnaast kent Noord een levendigheid door culturele activiteiten en evenementen op verschillende grote en kleine, bijzondere en charmante locaties.

Naast de aantrekkelijkheid van Noord als woongebied biedt het ook voor (startende) ondernemers een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dit geldt ook voor de horeca. Horeca in het Oude Noorden Uitgaande van die specifieke aard, maar ook het woon- en leefklimaat, worden in het horecagebiedsplan per wijk de ontwikkelmogelijkheden voor de komende twee jaren beschreven. Meer concreet moet de uitbreiding met nieuwe of van de bestaande horeca een positieve bijdrage leveren aan het woon- en leefklimaat c.q. de uitstraling en het karakter van een gebied. Om de balans tussen verlevendiging en de woonfunctie te behouden, zijn bepaalde vormen van horeca die niet direct passen bij uitstraling en karakter, zoals 24-uurs vergunningen, niet toegestaan. Dat geldt ook voor het bieden van gelegenheid voor het gebruik van waterpijpen. Met een aantal inrichtingen in het Oude Noorden die dat doen, zijn in korte tijd negatieve ervaringen opgedaan. Dit heeft te maken met de aard van de exploitanten, maar ook de overlast die wordt veroorzaakt in de omgeving. Een verdere ontwikkeling wordt hier, maar ook in andere wijken van Noord, op dit moment niet wenselijk geacht. De oude en authentieke volkswijk het Oude Noorden zit vol diversiteit en tegenstellingen: jong, oud, rijk, arm, studenten, kunstenaars, ondernemers en winkeliers wonen en werken er naast en met elkaar.

De circa 17.000 bewoners vormen samen een bont gezelschap. Het Noordplein biedt ruimte aan markten en evenementen. Winkels, horeca en kleine bedrijfjes zijn volop aanwezig op de Noorderboulevard, Benthuizerstraat en Bergweg. In het gebied Zwaanshals/Zaagmolenkade draait het om food, fashion & design, met creatieve ondernemers en aantrekkelijke horeca. De economische en recreatieve potentie van de Rotte wordt steeds meer aangeboord. Ook vanwege de verbeterde veiligheid, is het imago van deze wijk sterk verbeterd. Het Oude Noorden wordt gezien als the place to be. De wijk is in trek bij nieuwe (hoger opgeleide) bewoners en ondernemers. Dit moet (verder) worden gestimuleerd en gefaciliteerd. Goede horeca speelt hierin een belangrijke rol. Het Oude Noorden is echter over het algemeen een gemengd woongebied. Bij de ontwikkeling van horeca wordt dan ook rekening gehouden met die woonfunctie. Voor het Oude Noorden geldt in algemene zin de ontwikkelrichting consolideren voor (on)vergunde horeca. Dat neemt niet weg dat in een aantal straten een (beperkte) uitbreiding met nieuwe of van bestaande inrichtingen mogelijk is. Horeca in de Agniesebuurt De Agniesebuurt, met circa 4.100 bewoners de kleinste wijk van Noord, is een van oudsher levendige

19

stadswijk. Door de ligging en mooie randen is het een geliefde en succesvolle wijk voor wonen, werken en cultuur. Het historische Station Hofplein (Minimall) en de Hofbogen geven de buurt een duidelijk gezicht. Het rijksmonument gaat dwars door de Agniesebuurt heen en biedt plek aan creatieve ondernemers en horeca. Ook het Zomerhofkwartier, met name de Zomerhofstraat en Vijverhofstraat, biedt ruimte aan nieuwe initiatieven. Een verdere ontwikkeling wordt ondersteund. Hiervoor is door de gemeente en de stichting Havensteder een visie ontwikkeld. Met goede voorwaarden moeten nieuwe ondernemers en initiatiefnemers worden getrokken. In de Teilingerstraat, op de Bergweg en op de Schiekade zijn ook diverse horeca-inrichtingen gevestigd. In die straten ligt een uitbreiding van horeca echter niet voor de hand omdat het om uiteenlopende redenen geen positieve bijdrage aan het woon- en leefklimaat levert. Uiteindelijk blijft de Agniesebuurt een gemengd woongebied. Om die reden geldt in algemene zin voor (on)vergunde horeca de ontwikkelrichting consolideren. Dit neemt niet weg dat in een aantal straten en op een aantal locaties wel ontwikkelingruimte voor nieuwe en bestaande horeca mogelijk is. 2.3.6

Detailhandel Rotterdam 2017

Subtitel: Stedelijke ambtities en spelregels voor een toekomstbestendige detailhandelsstructuur Vastgesteld op 29 juni 2017 door de gemeenteraad Met het detailhandelsbeleid zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat, zodat sprake is van een compleet, compact, comfortabel en levensvatbaar centrum. In de praktijk blijkt namelijk dat deze elementen essentieel zijn om in winkelgebieden te beantwoorden aan de algemene consumentenwens. Om tot die gewenste structuur te komen beschrijft Rotterdam de hoofdambities voor detailhandel van de stad en maakt de spelregels inzichtelijk. De stedelijke ambities zijn het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking voor detailhandel. Dit wordt gedaan in separate gebiedskoersen detailhandel, voor de 13 Rotterdamse gebieden buiten het centrum. Met de gebiedsgerichte uitwerkingen maakt Rotterdam de koers voor winkelconcentraties en ontwikkelingen per gebied inzichtelijk. Daarbij komen de winkelgebieden helder in kaart, zodat voor iedereen duidelijk is wat de winkelgebieden in de stad zijn en wat de gemeentelijke koers is. Concreet is daarvan de consequentie dat duidelijk is dat aan detailhandelsontwikkelingen buiten de toekomstbestendige winkelgebieden in principe niet wordt meegewerkt. 2.3.7

Gebiedskoers detailhandel 2017 - 2020 Noord

Vastgesteld op 29 juni 2017 door de gemeenteraad In het stedelijk detailhandelsbeleid ligt de focus voor detailhandel op de toekomstige winkelconcentraties. Nieuwe verspreide detailhandelsvestiging buiten deze winkelgebieden wordt als ongewenst getypeerd. Winkels die reeds een plek hebben buiten de winkelgebieden en die passen binnen het bestemmingsplan kunnen die winkel uiteraard blijven uitoefenen, maar leegstaande winkelpanden krijgen de mogelijkheid te transformeren. In gebied Noord is een groot aandeel van de detailhandel verspreid gelegen buiten de 'echte' winkelconcentratiegebieden en in Agniesebuurt en het Oude Noorden in het bijzonder aan de doorgaande verkeersaders. Er is ook verspreide bewinkeling in Noord die meer is gelegen in gemixte stadsmilieus. Op die plekken voeren de winkels niet de boventoon, maar hebben ze wel een functie in het stedelijk milieu. Voorbeelden hiervan zijn het winkelaanbod in de Hofbogen, in het Zomerhofkwartier, en het winkelaanbod in de omgeving van de Zwaanshals in het Oude Noorden. De Hofbogen in het Zomerhofkwartier is nu en in de toekomst geen typische winkelconcentratie. Uitbreiding van het winkelbestand in de Hofbogen en het Zomerhofkwartier kan een middel zijn ter ondersteuning van reeds ingezette positieve ontwikkelingen.

Dit zal bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de omliggende wijken Agniesebuurt, Bergpolder en het Liskwartier. Uitbreiding van het winkelbestand is in deze gebieden

20

geen doel op zich en als winkelpanden transformeren naar een andere functie, behoort dat ook tot de opties. Heel nadrukkelijk is het in deze gebieden geen harde opgave om de zittende winkels te transformeren naar een andere functie. Verspreide bewinkeling wordt beleidsmatig zo veel mogelijk tegengegaan. Aan nieuwe verspreide bewinkeling buiten de winkelgebieden (zie kaart winkelconcentraties) wordt daarom beleidsmatig geen medewerking gegeven en transformatie en verhuizing van kansrijke winkels naar toekomstige winkelgebieden wordt aangemoedigd. Voor detailhandel die in het verleden in de stad is geland, betekent dat niet dat dat aanbod actief wordt gesaneerd. Winkels die buiten de winkelstraten zijn gevestigd, kunnen op basis van het bestemmingsplan blijven functioneren. Wel zijn het plekken waar bij initiatieven voor transformatie en functieverandering, actief door gemeente wordt meegewerkt. 2.3.8

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Gemeenteraad van Rotterdam Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin.

De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Stimuleren van fiets en ov binnen de Ring; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

2.3.9 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: - het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); - het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt;

21

- het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; - het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; - het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'. De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam.

Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. 2.3.10 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium. 2.3.11 Rotterdams beleid t.a.v.

zendmasten mobiele telecommunicatie Vastgesteld op 16 mei 2002 door de Rotterdamse gemeenteraad In de beleidsnota uit 2002 zijn wensen en oplossingsrichtingen opgenomen ten aanzien van de plaatsing van antennes, masten en apparatuurkasten. De nota sluit aan op nationaal antennebeleid waarin ook onderscheid gemaakt wordt in vergunningsvrije en vergunningsplichtige bouwwerken.

22

Hoofdstuk 3 3.1

Archeologie

3.1.1

Beleidskader

Beschrijving van het plangebied

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam heeft een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die deel uitmaakt van de gemeentelijke monumentenverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. 3.1.2

Bewoningsgeschiedenis

Het plangebied maakte in de prehistorie lange tijd deel uit van een uitgestrekt veengebied ter weerszijden van de Rotte. Bewoningssporen zijn in dit veengebied bekend uit de Late IJzertijd, zoals stroomopwaarts langs de Rotte bij Terbregge. Oudere bewoningssporen uit de Steentijd en de Bronstijd kunnen in de diepere ondergrond aanwezig zijn. In de Romeinse tijd werd in een groot deel van het plangebied klei afgezet op het veen. Uit de directe omgeving zijn aanwijzingen dat er in de Romeinse tijd op deze kleiige zone langs de Rotte is gewoond. Het gebied werd in de Middeleeuwen vanaf de 10e eeuw ontgonnen, mogelijk vanuit iets oudere nederzettingen, die vanaf de 8e/9e eeuw direct bij de Rotte op de oevers waren gevestigd. Het gaat dan om de nederzetting 'Rotta', die in de 11e eeuw voor het eerst historisch is vermeld. Juist ten zuiden van het plangebied zijn onder meer tijdens het archeologisch onderzoek in de Willemsspoortunnel bewoningssporen en vondsten uit deze periode bekend geworden. In de 12e eeuw gaan grote delen van de dan ontgonnen gebieden verloren door overstromingen. Vanaf circa 1200 wordt het gebied herontgonnen door middel van bedijkingen. Een van deze dijken was de uit circa 1200 daterende Blommersdijk, waarlangs juist ten zuidoosten de Blommersdijkse weg, de huidige Bergweg, liep.

Rotterdam dankt haar naam aan de dam in de Rotte ter plaatse van de Hoogstraat in circa 1270-80. Er moet echter, binnen het plangebied, een oudere, bij Crooswijk gelegen 13e-eeuwse dam hebben bestaan. Deze dam maakte deel uit van de 'ouwendijck', die van de Blommersdijk naar Crooswijk liep (ter plaatse van de Blommersdijkselaan/ Verbraakstraat/ Johan Idastraat). Een volgende bedijking wordt gezocht in het tracé van de voormalige Hooglandse kade-Hofdijk (ten zuiden van de huidige Bloklandstraat, ter plaatse van het vroegere 'Geldelozepad', en dan aansluitend op de lijn Zwaanshals-Noordplein-Hofdijk). De oude dijktracés zijn vanaf de Middeleeuwen belangrijke structuurgevende elementen gebleven in het landschap, waar ook vaak op of aan werd gewoond. Eén van die bewoningslocaties is het voormalige kasteel Weena. Het dateert uit de 13e eeuw en bestond uit een omgrachte woontoren van 10 x 12 meter. Het was de woonplaats van het geslacht Bokel. In 1905 is muurwerk van het kasteel aangetroffen bij de bouw van het station Hofplein. Ook in 1941 en 1990 zijn sporen aangetroffen, die samenhangen met het kasteelterrein. Het kasteel is in de 15e eeuw vernield. Kasteel Weena bevindt zich net buiten het plangebied. Het zuidelijk deel van het plangebied kwam al vóór 1850 binnen de directe invloedssfeer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=26c9880b-255a-4192-a05c-881f910d99fe