CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb006001] Bijlage 1 behorende bij 23bb5998 - ontwerpbestemmingsplan Katendrecht

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 1 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bestemmingsplan Katendrecht37.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Transport gevaarlijke stoffen over water

Plaatsgebonden risico Over de Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied uitsluitend sprake van binnenvaart. Dit deel van de rivier is aangeduid als een zogenaamde zwarte route, wat wil zeggen dat de 10-6-plaatsgebonden risicocontour van de vaarroute alleen over het water van de Nieuwe Maas ligt. Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de rivier vormt dus geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen op het land. Groepsrisico Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf de rand van de vaarweg moet het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen worden berekend. De ontwikkellocaties Schalm-Steiger en Fenixloods II vallen binnen deze afstand tot de rivier. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico van de maatgevende kilometer vaarweglengte minder dan 0,001 maal de oriëntatiewaarde bedraagt, een zeer laag groepsrisico. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt hebben nagenoeg geen invloed op het groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied en veiligheidszone Langs de Nieuwe Maas is een plasbrandaandachtsgebied gelegen met een breedte van 25 meter vanaf de oever. Een plasbrand wil zeggen dat er bij een ongeval met een schip dat brandbare vloeistoffen vervoerd een plas van deze stof op het water komt te drijven en in brand vliegt.

Als deze brandende vloeistof tegen de oever drijft kan schade ontstaan aan de langs de rivier aanwezige bebouwing. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het plasbrandaandachtsgebied moet de gemeente verantwoorden waarom op die locatie wordt gebouwd. In de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is een veiligheidszonering voor de oevers van de Nieuwe Maas en Nieuwe Waterweg opgenomen (artikel 6.21). In verband met de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water moet, langs de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, een zone van 25 meter worden vrijgehouden van nieuwe bebouwing. In het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade is nieuwe bebouwing slechts mogelijk als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang én is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. Tussen de Rijnhaven en de Maashaven ligt Katendrecht aan de Nieuwe Maas, en zijn het plasbrandaandachtsgebied en de provinciale veiligheidszones van toepassing. Het bestemmingsplan Katendrecht voorziet niet in nieuwbouw binnen deze zones.

58

6.7.2

Conclusie

Het gemeentelijke Beleidskader Groepsrisico gaat bij het verantwoorden van het groepsrisico uit van drie categorieën. Een groepsrisico kleiner of gelijk aan 0,3 maal de oriëntatiewaarde valt in de categorie 'licht', een groepsrisico tussen de 0,3 maal de oriëntatiewaarde en de oriëntatiewaarde valt in de verantwoordingscategorie 'midden' en boven de oriëntatiewaarde geldt de beoordelingscategorie 'zwaar'. Het groepsrisico vanwege het transport te water is zeer laag (0,001 maal de oriëntatiewaarde), zodat met een lichte verantwoording van het groepsrisico kan worden volstaan. Dit lage groepsrisico wordt door de gemeente Rotterdam verantwoord geacht, mede omdat het bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk maakt en daardoor geen effect heeft op de hoogte van het groepsrisico.

6.8

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) moet voorafgaand aan de werkzaamheden flora en faunaonderzoek worden uitgevoerd naar de effecten van de betreffende ontwikkeling op beschermde flora en fauna. 6.8.1

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Natura 2000 Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas (op circa 6,2 kilometer afstand tot het bestemmingsplangebied) en Boezems Kinderdijk (op circa 9,7 kilometer afstand). Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van tenminste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied. Het meest nabijgelegen

59

stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft het Krammer-Volkerak. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk, daarom is er op voorhand geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Functieverandering binnen (de begane grond van) bestaande panden wordt wel mogelijk gemaakt. Als er tot functieverandering wordt overgegaan zal het waarschijnlijk gaan om de omzetting van niet-woonfuncties naar woningen. Als deze nieuwe woningen gasloos worden geraliseerd (wat waarschijnlijk is) dan zorgt dit voor een vermindering van de stikstofuitstoot. De hoeveelheid verkeer zal door de functieveranderingen per saldo ongeveer gelijk blijven. Dit betekent dat er geen (significante) stikstofdepositie zal worden veroorzaakt door het bestemmingsplan, en dat een passende beoordeling niet vereist is. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. Het meest nabijgelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Nieuwe Maas, voor een klein deel gelegen binnen het plangebied. De Nieuwe Maas heeft als beheertype N02.01 Rivier.

Het meest dichtbijgelegen landdeel van het NNN bevindt zich op circa 2 kilometer ten oosten van het bestemmingsplangebied, dit betreft het gebied De Esch. Het meest nabijgelegen Belangrijk Weidevogelgebied is de Polder Schieveen, op circa 6,9 kilometer ten noord-noordwesten van het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen binnen NNN-gebieden en Belangrijke Weidevogelgebieden. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt hebben op voorhand geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. 6.8.2

Soortbescherming

Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Het bestemmingsplan Katendrecht maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Op een aantal locaties is functieverandering binnen de (begane grond van) bestaande bebouwing mogelijk. De kans dat een dergelijke functieverandering een effect heeft op beschermde soorten is klein. Als een functieverandering gepaard gaat met bouwwerkzaamheden moet voorafgaan daaraan worden onderzocht of er sprake kan zijn van een effect op beschermde soorten.

60

Hoofdstuk 7

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

61

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan Katendrecht maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Wel zijn enkele gemengde bestemmingen met mogelijkheden tot functieverandering binnen (de begane grond van) bestaande panden uit de oude (thans geldende) bestemmingsplannen overgenomen. Het overnemen van deze bestaande rechten heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. Het bestemmingsplan Katendrecht is gezien het bovenstaande financieel uitvoerbaar. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

62

Hoofdstuk 9 9.1

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.

9.2

Vooroverleg

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan in 2019 toegezonden aan de onderstaande vooroverlegpartners. Het destijds toegezonden concept ontwerpbestemmingsplan maakte een aantal grote ontwikkelingen mogelijk (hoogbouw met woningen op de verdiepingen en in de plint toevoeging van een fors programma aan detailhandel en ook andere functies waaronder kantoren), een aantal van de onderstaande reacties hebben betrekking op deze ontwikelmogelijkheden. Het ontwerpbestemmingsplan maakt echter geen geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen meer mogelijk. 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM; 2. WSHD, Waterschap Hollandse Delta; 3. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam; 4. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 5. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag; 6. HbR, Havenbedrijf Rotterdam; 7. Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit; 8. WBR, Warmtebedrijf Rotterdam, beheerder warmtetransportnetwerk; 9. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk; 10. K.P.N. Telecom; 11. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators; 12. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie; 13. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland; 14. Evides, bedrijf voor distributie drinkwater; 15. Pipeline Control, beheerder pijpleidinginstallaties; 16.

Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen; 17. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; 18. Ministerie van Infrastructuur en Milieu; 19. RWS, Rijkswaterstaat directie Zuid-Holland. Een inhoudelijke reactie is ontvangen van de hieronder genoemde vooroverlegpartners. 9.2.1

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland

1. Detailhandel Het uitgangspunt van het provinciale detailhandelsbeleid is dat nieuwe detailhandel primair gevestigd wordt binnen of aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken, of binnen een nieuwe wijkgebonden concentratie in een nieuwe woonwijk. Daarbuiten kan alleen (onder voorwaarden) ruimte worden geboden aan perifere detailhande, kleinschalige detailhandel en afhaalpunten. Het concept ontwerpbestemmingsplan maakt een omvangrijke detailhandelsconcentratie in Katendrecht Pols-noord mogelijk. Als argumentatie geeft de gemeente daarvoor de volgende redenen: Gezien de grote toevoeging van woningen zal de aanwezige detailhandel in dagelijkse goederen daarvoor ontoerijkend zijn. De gemeente heeft de ambitie om Pols-noord samen met de Koip van Zuid (Wilhelminapier) en de Rijnhaven-ontwikkeling als het zuidelijk deel van het stadscentrum te ontwikkelen. Met daarbij in Pols-noord een nieuwe winkelconcentratie als onderdeel van de

63

detailhandelsstructuur in het centrum. De drie geldende bestemmingsplannen voor Katendrecht bevatten meer detailhandelsmogelijkheden dan het nieuwe bestemmingsplan Katendrecht mogelijk maakt. De provincie vindt de motivatie voor te toevoeging van detailhandel voor dagelijkse boodschappen onvoldoende. Met de redenatie dat het centrum op twee oevers betekent dat detailhandel die in het kernwinkelgebied thuis hoort ook is toegestaan in de Kop van Zuid/Katendrecht-Pols kan de provincie niet meegaan. De grote hoeveelheid nieuwe detailhandel die het bestemmingsplan mogelijk maakt wordt in strijd gezien met het provinciaal beleid. Niet gerealiseerd detailhandelsprogramma verschuiven naar Pols-noord wordt door de provincie als nieuwe detailhandel gezien en is daarmee geen optie. Reactie Het bestemmingsplan Katendrecht heeft een aantal jaren stilgelegen, in afwachting van meer duidelijkheid over de verschillende ontwikkelingen die in Katendrecht spelen en in afwachting van de uitkomst van de gesprekken die met de provincie en de detailhandelscommissie zijn gevoerd over detailhandel in Pols-noord in samenhang met de Kop van Zuid (Wilhelminapier) en de Rijnhaven-ontwikkeling. Mede met oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is echter in 2022 besloten om het bestemmingsplan Katendrecht af te ronden als een conserverend bestemmingsplan.

Het ontwerpbestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Detailhandel is alleen mogelijk gemaakt waar dit aanwezig of vergund is (met uitzondering van de detailhandelsbestemming op de locatie waar de supermarkt aanwezig was die tijdelijk naar de zuidkant van de Brede Hilledijk is verplaatst). Daarmee maakt het ontwerpbestemmingsplan Katendrecht aanzienlijk minder detailhandel mogelijk dan op basis van de drie geldende bestemmingsplannen gerealiseerd kan worden. Het blijft de ambitie van de gemeente om een detailhandelsconcentratie te ontwikkelen in Pols-noord c.a., daarover blijft de gemeente in een breder kader in gesprek met de provincie. 2. Kantoren Het uitgangspunt van het provinciaal beleid is dat nieuwe kantoren alleen worden toegelaten binnen concentratielocaties voor kantoren en binnen scienceparken, Katendrecht is niet een van deze gebieden. In de regels van het bestemmingsplan wordt binnen verschillende bestemmingen ruimte geboden voor de realisatie van zelfstandige kantoren. De gemeente geeft aan dat het bestemmingsplan conform het provinciaal beleid niet voorziet in grootschalige nieuwbouw van kantoren, niet groter dan 1.000 m2 per kantoor. In de regels van het bestemmingsplan komt deze oppervlaktebeperking echter niet binnen alle bestemmingen terug.

Reactie Thans is in de regels van het bestemmingsplan binnen alle bestemmingen die kantoren toestaan opgenomen dat kantoren niet groter mogen zijn dan 750 m2 b.v.o. 3. Bedrijventerreinen In het geldende bestemmingsplan Katendrecht-Pols is de transformatie van de bedrijventerreinen al mogelijk gemaakt (deels met een wijzigingsbevoegdheid), en dit is overgenomen in het concept ontwerpbestemmingsplan. Bij de transformatie van bedrijventerreinen naar een andere functie vraagt de provincie een toelichting op de wijze waarop compensatie van de bedrijventerreinen plaats zal vinden. Compensatie is met name bij watergebonden bedrijventerreinen (zoals Codrico en Provimi) van belang, gezien de grote vraag naar deze bedrijventerreinen. Reactie De locatie van Codrico maakt niet langer onderdeel uit van het bestemmingsplan Katendrecht, en Provimi heeft in het bestemmingsplan nog de bedrijfsbestemming behouden. Voor beiden bedrijven zal een eigen procedure worden gevoerd om transformatie naar een andere functie mogelijk te maken, in dat kader zal aandacht besteed moeten worden aan de compensatie voor (watergebonden) bedrijventerreinen. 9.2.2

Waterschap Hollandse Delta

1. Primaire waterkering In paragraaf 2.2.3 en in paragraaf 5.3.1 wordt gesteld dat het plangebied buitendijks is gelegen. In

64

paragraaf 5.3.3 staat dat het plangebied voor een klein deel binnen de waterkering en binnen de beschermingszone valt. Het waterschap wijst erop dat de grens van het plangebied binnen de kern en binnen de beschermingszone van de primaire waterkering ligt waar zeker rekening mee moet worden gehouden tijdens de planvorming. Reactie De waterkering is op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen met de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering', en de daarlangs gelegen beschermingszone in op de verbeelding opgenomen met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-dijk'. Bij nieuwe ontwikkelingen moet inderdaad rekening worden gehouden met de waterkering en de daarlangs gelegen beschermingszone. Het ontwerpbestemmingsplan maakt echter niet langer ontwikkelingen mogelijk ter plaatse van de waterkering en de beschermingszone. 2. Persleiding gemaal Het waterschap wijst erop dat binnen eerder genoemde zonering van de waterkering een persleiding ligt met een beschermingszone van 3,5 meter. Deze leiding is onderdeel van gemaal Hillevliet en verantwoordelijk voor de uitstroom van overtollig water binnen het peilgebied. Daarnaast zorgt deze persleiding ook voor de eventuele inlaat van zoet water binnen het peilgebied in periodes dat het peil binnen dit peilgebied laag staat.

Door het ophogen van het “groengebied” is de mogelijkheid van verlanding zeer aanwezig wat als gevolg kan hebben dat de persleiding niet goed meer kan functioneren met eventuele nadelige gevolgen voor het achterliggende gebied. Reactie Aan deze mogelijk nadelige effecten zal aandacht moeten worden besteed bij het uitwerken van de plannen voor het realiseren van een park in de Rijnhaven. Deze parkontwikkeling wordt echter niet langer mogelijk gemaakt met het bestemmingsplan Katendrecht. 9.2.3

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

1. Afsluitbaarheid gebouwen Construeer bij de verbouwing/herontwikkeling van zowel (beperkt) kwetsbare als zeer kwetsbare objecten (zoals bedoeld in artikel 1 van het Bevi) binnen de 1% letaliteitscontour van het meest geloofwaardige toxische scenario op de Nieuwe Maas de objecten zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden. Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een object geschikt om enkele uren in te schuilen. Reactie De gemeente onderschrijft dat het vanuit het oogpunt van veiligheid van belang is om de mechanische ventilatie (indien aanwezig) handmatig uit te kunnen schakelen. Maar aangezien de wetgeving deze maatregel alleen bij nieuwbouw binnen een veiligheidszone verplicht stelt is het discutabel of de gemeente deze maatregel aanvullend mag verplichten voor ontwikkelingen binnen de 1% letaliteitscontour. Bovendien moet om deze maatregel als voorwaardelijke verplichting voor te kunnen schrijven vaststaan dat dit noodzakelijk is om tot een goede ruimtelijke ordening te komen. Omdat de 1% letaliteitscontour een effectafstand is met een zeer kleine kans op optreden kan niet worden gesteld dat het afsluitbaar van de buitenlucht maken van gebouwen noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening.

Het ontwerpbestemmingsplan maakt overigens geen nieuwbouwontwikkelingen meer mogelijk. 2. Plasbrandaandachtsgebied Een deel van het plangebied is gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied (25 meter vanaf de oever van de Nieuwe Maas) omdat het scenario plasbrand kan optreden. Bebouwing binnen die zone dient te voldoen aan artikel 2.5 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Omdat in die zone in dit bestemmingsplan echter geen bebouwing mogelijk wordt gemaakt, is dit scenario niet relevant. Reactie De veiligheidsregio stelt terecht dat dit scenario bij het concept ontwerpbestemmingsplan Katendrecht niet relevant is, daar is bij het ontwerpbestemmingsplan geen verandering in gekomen.

65

3. Goede voorlichting en instructie bij een calamiteit Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website "www.rijnmondveilig.nl" vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Reactie Dit advies valt niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan niet in het bestemmingsplan worden geregeld. 9.2.4

Rijkswaterstaat

Rijkswaterstaat verlangt dat bij nieuwe grootschalige ontwikkelingen een analyse wordt opgesteld van de verkeersintensiteiten waarbij de verkeerseffecten van het plan op de (aansluitingen van) rijkswegen in beeld worden gebracht. Dit onderzoek moet worden opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Reactie In tegenstelling tot het concept ontwerpbestemmingsplan dat Rijkswaterstaat heeft beoordeeld bevat het ontwerpbestemmingsplan Katendrecht niet langer (grootschalige) ontwikkelmogelijkheden. Omdat het bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk maakt treden er door het bestemmingsplan ook geen veranderingen in de verkeersintensiteit op, hetgeen de genoemde analyse niet nodig maakt.

66

Bijlagen

67

Bijlage 1 Afbeelding Archeologie

68

92.100

92.300

92.500

92.700

92.900

93.100

92.500

92.700

92.900

93.100

93.300

93.500

93.700

93.900

436.400 436.200 436.000 435.800 435.600 435.400 435.200 435.000 434.800 434.600 434.400 434.200 434.000 433.800

433.800

434.000

434.200

434.400

434.600

434.800

435.000

435.200

435.400

435.600

435.800

436.000

436.200

436.400

436.600

91.900

436.600

91.700

plangebied

433.600

433.600

Waarde Archeologie 1 Waarde Archeologie 2

91.700

433.400

´

0

200m Schaal 1:15.000

Kaart: Gemeente Rotterdam 91.900

92.100

92.300

Bestemmingsplan Rotterdam Katendrecht. Plankaart archeologie.

Esri Nederland, Community Map Contributors 93.300

93.500

93.700

93.900

433.200

433.200

433.400

Waarde Archeologie 3

Bijlage 2 Onderzoek Geluid

70

Bijlage 3 Onderzoek nestgeluid schepen

71

Bijlage 4 Onderzoek Externe Veiligheid

72

Ingenieursbureau

Bestemmingsplan Katendrecht Onderzoek externe veiligheid en verantwoording groepsrisico

Projectcode 2018-0023

Datum 19-3-2019

Versie 0.1

Tweede lezer

Paraaf :

Ir. T. van Hille

Opsteller Ing. P.J.G. Bruijkers

Paraaf:

Inhoud 1.

Inleiding

3

2.

Toelichting bestemmingsplan en de ontwikkelingen

4

2.1

Beschrijving plangebied

4

2.2

Risicobronnen

6

3.

Wettelijke bepalingen en beleid

7

3.1

Transport van gevaarlijke stoffen

8

3.2

Provinciaal beleid

8

3.3

Gemeentelijk beleid

10

4.

Risico’s Nieuwe Maas

12

5.

Conclusie en advies

14

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

2 van 14

1.

Inleiding Voor het plangebied Katendrecht stelt de gemeente Rotterdam een nieuw bestemmingsplan op. De doelstelling is om in 2020 een vastgesteld bestemmingsplan voor het gebied te hebben, waarin de kaders voor de gewenste ruimtelijke situatie en de mogelijke ontwikkelingen wettelijk zijn verankerd. Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de normen voor externe veiligheid. In en in de directe nabijheid van dit bestemmingsplangebied zijn risicobronnen. In dit rapport worden de onderzoeksresultaten gebruikt voor; - de toets aan wet- en regelgeving en beleid; - de uitwerking van de bestuurlijke verantwoording groepsrisico externe veiligheid. De verantwoordelijke ambtelijke dienst voor de voorbereiding van de bestuurlijke verantwoording is de afdeling Stedelijke Inrichting van het Cluster Stadsontwikkeling. Deze rapportage is opgesteld door het Ingenieursbureau van het Cluster Stadsontwikkeling. Deze rapportage vormt het vereiste document voor de bestuurlijke verantwoording van het groepsrisico.

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

3 van 14

2.

Toelichting bestemmingsplan en de ontwikkelingen

2.1

Beschrijving plangebied Het plangebied Katendrecht ligt in het gebied Feijenoord. De ligging en begrenzing van het plangebied zijn in figuur 1.1 weergegeven.

figuur 2.1: Bestemmingsplangebied Katendrecht De plangrens wordt in het oosten gevormd door de Hillelaan en de Maashaven-Oostzijde. In het zuiden en westen loopt de plangrens door de Maashaven, en in het noorden ligt de plangrens in de Nieuwe Maas en de zuidkant van de Rijnhaven. Uitgespaard in het bestemmingsplangebied is het projectbestemmingsplan Woningbouw Kaappark. Voor het toekomstige bestemmingsplan worden de volgende nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt:  Locatie 1 – Santos: Verhogen bestande bebouwing.  Locatie 2 – Brede Hilledijk 97-99: realiseren twee basementen en drie woontorens tot maximaal 54 meter.  Locatie 3 – Hillelaan Zuid: nieuwbouw maximaal 240 woningen.  Locatie 4 – Yamaha-strook: circa 500 woningen  Locatie 5 – Codrico: realisatie 300 woningen  Locatie 6 – Schalm-Steiger: sloop en nieuwbouw van een schoolgebouw met woningbouw  Locatie 7 – Fenixloods II: mogelijkheid realisatie maatschappelijke voorzieningen De hierboven genoemde ontwikkelingen zijn weergegeven in figuur 1.2

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

4 van 14

Figuur 1.2: Ontwikkelingslocaties. Het getijdenpark Nelson Mandela wordt ontwikkeld aan de oostzijde van de Maashaven en zal onder andere een natuurvriendelijke getijdenoever omvatten. De bestemming water wordt gewijzigd in de bestemming Groen. Verder spelen in het plangebied ontwikkelingen die al onder mogelijk zijn op grond van het huidige bestemmingsplan of binnen dat bestemmingsplan mogelijk zijn geworden middels een wijzigingsbevoegdheid: - Gebouw Musa op de hoek van de Hillelaan en Maashaven Noordzijde. - Gebouw Cobana aan de Brede Hilledijk. - Gebouw de Groene Kaap. - Gebouw The View, fase 1. - Gebouw Brede Hilledijk 97-99 (middels bestaande wijzigingsbevoegdheid). - Ontwikkelgebied Havenkwartier.

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

5 van 14

-

Ontwikkelgebied Parkkwartier (met uitzondering van de Scharnierlocatie; zie hierboven). S.S. (stoomschip) Rotterdam. Fenixloods, fase 1. De herontwikkeling is vrijwel afgerond en wordt conform verleende bouwvergunning in het bestemmingsplan opgenomen. Dit zijn bestemmingsplantechnisch beschouwd geen nieuwe ontwikkelingen. De volgende ontwikkeling wordt via een afzonderlijk projectbestemmingsplan mogelijk gemaakt en wordt derhalve hier niet onderzocht: - Gebouw The View fase 2. De ontwikkeling behelst winkels en kantoren en 102 woningen. Het gebouw kan 100 meter hoog worden.

2.2

Risicobronnen De volgende risicobron is relevent en komt daarom in dit onderzoek aan bod:  het risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas; De volgende risicobronnen komen in dit onderzoek niet aan bod:  de op Katendrecht gelegen bedrijven Provimi en Codrico, de reden hiervoor is dat uit de milieuvergunning van deze bedrijven blijkt dat van deze bedrijven geen externe veiligheidsrisico’s uitgaan naar de omgeving.

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

6 van 14

3.

Wettelijke bepalingen en beleid Bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. De regelgeving en het beleid voor externe veiligheid is gebaseerd op de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico, en maakt onderscheid in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden Risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat er in een jaar op een bepaalde plaats een persoon ten gevolge van een verondersteld ongeval van ‘n activiteit komt te overlijden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het transport van tot vloeistof verdicht autogas (Liquified Petroleum Gas, LPG) over de weg. De norm in Nederland is dat het plaatsgebonden risico ten gevolge van een installatie of transportroute in woongebieden niet groter mag zijn dan 1*10-6 per jaar. Dat betekent dat personen die op een plaats met een dergelijke kans permanent aanwezig zijn, niet vaker dan eens in het miljoen jaar zullen overlijden als gevolg van de betreffende risicobron.

In artikel 1 lid 1, sub p van het Bevi1 is de norm van het plaatsgebonden risico als volgt gedefinieerd: 'risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is.’ De contour voor het plaatsgebonden risico levert een bebouwingsvrije afstand op die aangehouden moet worden bij het ontwerpen van nieuwe, kwetsbare objecten. Groepsrisico Het groepsrisico is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Het gebied rondom een risicobron wordt ingedeeld in ‘vakjes’ van gelijke grootte. Voor elk vakje wordt bepaald hoeveel mensen er aanwezig zijn. In woongebieden komen veel mensen per vakje voor, in industriegebieden over het algemeen weinig. Nadat is bepaald welke ongevallen voor de betreffende risicobron maatgevend zijn, wordt gebruikmakend van de bevolkingsgegevens uitgerekend hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers als gevolg van deze ongevallen zal zijn. Door deze gegevens te combineren met de kans dat deze ongevallen zich in een jaar voordoen, wordt het groepsrisico verkregen. In figuur 3.1 is ter illustratie een voorbeeld van een groepsrisicocurve weergegeven. Het betreft een transportroute.

1

Het BEVI is gepubliceerd in de Staatscourant op 27 mei 2004 (2004-250).

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

7 van 14

Figuur 2.1: Voorbeeld van een groepsrisicocurve In de figuur is oriënterende waarde aangegeven als een rode stippellijn. Het rode gebied is het overschrijdingsgebied, in het groene en gele gebied wordt de oriënterende waarde niet overschreden. In het groene gebied wordt de oriënterende waarde met een factor 10 of meer onderschreden. In dit voorbeeld is het risico kleiner dan de oriënterende waarde.

3.1

Transport van gevaarlijke stoffen Sinds 1 april 2015 is de Wet Basisnet (Stb. 2013,307) in werking. Met het Besluit tot inwerkingtreding van 20 februari 2015 (Stb. 2015,92) is de volgende regelgeving van kracht:    

3.2

de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en enkele andere wetten in verband in verband met de totstandkoming van een basisnet van vervoer van gevaarlijks stoffen over water, weg en spoor. De afdeling 2.16 van het Bouwbesluit, in twee bepalingen worden regels gesteld aan nieuwbouw in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en worden beperkingen gesteld aan het gebruik van de ruimte boven een basisnetroute. routering van basisnetroutes (hoofdstuk 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), dit besluit bevat regels die gericht zijn op de ruimtelijke ordening, deze regels hebben onder meer betrekking op het toepassen van vaste afstanden vanaf de betreffende basisnet transportroute tot nieuw toe te laten (beperkt) kwetsbare objecten. De toe te passen afstanden zijn opgenomen in bijlagen bij de Regeling basisnet (Stcrt 2014, 82420).

Provinciaal beleid Beleidsplan externe veiligheid De provincie toetst in het kader van provinciaal belang bij nieuwe ontwikkelingen voor het aspect externe veiligheid of deze bijdragen aan de veiligheid van Zuid-Holland. In de Beleidsvisie Duurzaamheid en Milieu (2013-2017) is beschreven op welke wijze de provincie beoordeelt of er sprake is van strijdigheid met het provinciaal belang. Om de doelen op korte termijn te realiseren wordt ingezet op de volgende thema’s:

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

8 van 14

• het clusteren van risicovolle inrichtingen; • het verantwoord combineren van risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten; • het reduceren van risico’s aan de bron; • het nemen van maatregelen in de omgeving van een risicovolle omgeving van een risicovolle activiteit; • het verhogen van de kwaliteit van de uitvoering. Behalve ambities en doelen op korte termijn beschrijft het beleidsplan ambities op middel- en lange termijn op het gebied van externe veiligheid. Er is rekening gehouden met de veranderende verantwoordelijkheden en taken in wet- en regelgeving tussen de provincie, gemeenten en overige partners. De provinciale Beleidsvisie Duurzaamheid en Milieu (2013-2017) is gekoppeld aan de Provinciale Structuurvisie van Zuid-Holland (vastgesteld 2012). Voor groepsrisico bestaat in de Provinciale Structuurvisie van Zuid-Holland aanvullend provinciaal ruimtelijk beleid. Indien door ruimtelijke ontwikkelingen het groepsrisico toeneemt, moet dit bestuurlijk worden afgewogen. Op basis van een verantwoording groepsrisico moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde. Vaarwegen Voor transport van gevaarlijke stoffen over water op het traject Maasmond – Van Brienenoordbrug heeft de provincie Zuid-Holland in de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM), onderdeel Verordening Ruimte, extern veiligheidsbeleid opgesteld.

De visie is op 9 juli 2014 vastgesteld en in augustus 2014 in werking is getreden. Van belang is de veiligheidszonering die genormeerd is in artikel 2.1.10 van de Verordening Ruimte (zie kader).

Artikel 2.1.10 Veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas Een bestemmingsplan voor gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas van raainummer 1034 bij Hoek van Holland tot raainummer 995 bij de splitsing van de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op de kaartbijlage, voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. in het gebied tot 25 meter vanaf de kade wordt geen nieuwe bebouwing toegelaten; 2. in het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade wordt nieuwe bebouwing slechts toegelaten als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang, de veiligheid voldoende wordt gegarandeerd en met het oog hierop advies is uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond; 3. in afwijking van de onderdelen 1 en 2 zijn incidenteel nieuwe kleinschalige voorzieningen toelaatbaar ter ondersteuning van het dagrecreatieve karakter van de oever, waaronder restaurants, cafés en kiosken, alsmede voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg of de haven, zoals radarposten en kranen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bereikbaarheid van de oever voor hulpverleningsdiensten en de mogelijkheden voor optreden van deze diensten worden niet belemmerd; b. er zijn voldoende vluchtmogelijkheden; c.

het scheepvaartverkeer wordt niet belemmerd, en d. advies is nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond en de beheerder van de

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

9 van 14

vaarweg of haven; 4. In afwijking van de onderdelen 1 en 2 is op het havenindustrieel complex, tussen raainummer 1005 tot 1034 aan de linkeroever, nieuwe bebouwing toelaatbaar voor bedrijven die vallen onder artikel 2 lid 1 van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, mits wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

Bij het vaststellen van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met dit artikel uit de verordening Ruimte.

3.3

Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid staat in het Beleidskader Groepsrisico Rotterdam. Dat is op 9 juni 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het beleid wordt vormgegeven door een uitgesproken ambitie over het groepsrisico, heldere procesafspraken tussen partijen, een afwegingskader in relatie tot de hoogte van het groepsrisico inclusief een Externe Veiligheidskaart voor Rotterdam. De algemene ambitie van Rotterdam met betrekking tot het groepsrisico is als volgt. Rotterdam streeft voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreidingen van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is, en waarbij tevens geldt dat, bij voorkeur, de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Uitgangspunt van het beleid is dat er voldoende ruimte is voor de ruimtelijke- en economische ambities van de stad en de haven, maar dat initiatiefnemers het noodzakelijke doen om de risico’s als gevolg van die ontwikkelingen zo laag mogelijk te houden. Het is niet de bedoeling om ruimtelijke ontwikkelingen of activiteiten van bedrijven op voorhand tegen te houden of te beperken. Rotterdam probeert deze ambitie in drie stappen te bereiken. 1. Door te streven naar een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. 2. Als dat niet haalbaar is wordt ernaar gestreefd het GR niet toe te laten nemen. 3.

Indien dit niet realistisch is wordt bezien of het mogelijk is om door middel van maatwerk tot een zo verantwoord mogelijk GR te komen. Inhoudelijke afweging groepsrisico De kerngedachte bij de verantwoording is: hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording en daarmee ook de inhoudelijke betrokkenheid van het bestuur en de omvang van de te nemen maatregelen. Bij de verantwoording groepsrisico worden drie categorieën onderscheiden: licht, middel en zwaar. De zwaarte uit zich in de omvang van de onderbouwing, de inzet van betrokken partijen, de mate van betrokkenheid van het bestuur en de voorgeschreven maatregelen ten behoeve van hulpverlening en rampvoorbereiding. De hoogte van het groepsrisico bepaalt in welke categorie een besluit wordt geplaatst. Het vernieuwende in deze aanpak is een directe koppeling tussen de ernst en de omvang van risico’s en de zwaarte en uitgebreidheid van het verantwoordingsproces en de bestuurlijke afweging. Ten behoeve van een goede beoordeling moet ook gekeken worden naar de omvang van de stijging van het groepsrisico, het maatgevende ongevalscenario, kenmerken van de populatie en de capaciteit van hulpverlening. Een zware en middelzware verantwoording worden uitgewerkt in een

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

10 van 14

verantwoordingsdocument waarvan het bestuur in het kader van de besluitvorming expliciet op de hoogte wordt gebracht. Bij de categorie ‘lichte’ verantwoording gelden uitsluitend enkele generieke maatregelen ten aanzien van de veiligheidsaspecten hulpverlening en zelfredzaamheid. De verantwoording wordt verwoord met een standaard passage in de toelichting bij het bestemmingsplan of in de omgevingsvergunning. De betrokkenheid van het bestuur is, vanwege het zeer beperkte risico, minimaal. Voor de onderverdeling in licht, middel en zware verantwoording worden de volgende grenzen gehanteerd voor de waarde van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (tabel).

Licht

Het groepsrisico is groter dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde maar kleiner dan of gelijke aan 0,3 maal de oriënterende waarde Middel Het groepsrisico is groter dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde maar kleiner dan of gelijk aan 1,0 maal de oriëntatiewaarde Zwaar Het groepsrisico is groter dan 1,0 maal de oriëntatiewaarde Tabel 2: Categorie-indeling verantwoording

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

11 van 14

4.

Risico’s Nieuwe Maas Plaatsgebonden risico Volgens de Regeling Basisnet kent dit deel van de deze rivier geen 10-6/jr plaatsgebonden risico. Groepsrisico Grondslag voor de berekening van het groepsrisico zijn de vervoershoeveelheden uit bijlage III van de Regeling basisnet (tabel 4.1). Tabel 4.1: Transportintensiteiten per stofcategorie volgens Basisnet Stofcategorie Omschrijving Transportintensiteit [schepen/jr] LF1

brandbare vloeistof cat.1.

9.883

LF2

brandbare vloeistof cat.2.

13.958

LT1

toxische vloeistof

146

GF3

brandbaar gas

2.135

GT3

toxisch gas

196

Voor het berekenen van het groepsrisico is een rekenmodel gemaakt met het in de Handleiding risicoanalyse transport (HART) voorgeschreven programma RBM-II (versie 2.3). Uitgangspunten voor de risicoberekening zijn:  de verdeling van het overige transport over dag/nacht is 50%/50%;  vervoer 7 dagen per week;  de modellering is overeenkomstig de parameters die in de Regeling basisnet zijn voorgeschreven voor deze vaarweg (bijlage van de Regeling basisnet: “Bijlage 3: Tabel Basisnet Spoor”). De aanwezigheid in het gebied is gebaseerd op de BAG Populatieservice. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico van de maatgevende kilometer vaarweglengte minder dan 0,1% (<0,001 maal) van de oriëntatiewaarde bedraagt, zie figuur 4.1. De ontwikkelingen die het meest dicht op de oever van de Nieuwe Maas zijn gelegen zijn: - sloop en nieuwbouw van het schoolgebouw De Schalm, Katendrechtsestraat 61 (nr. 6 in figuur 1.2); - mogelijkheid realisatie maatschappelijke voorzieningen in Fenixloods II (nr. 7 in figuur 1.2). Deze ontwikkelingen liggen op respectievelijk 145 meter en 175 meter van de scheidingslijn van de Nieuwe Maas met de Rijnhaven. Alle ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt hebben nagenoeg geen invloed op het groepsrisico omdat: - ze buiten de PR 10-8 contour van 51 meter vallen; - ze op te grote afstand liggen van de vaarroute.

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

12 van 14

Figuur 4.1: Groepsrisico Nieuwe Maas 10

10

-5

-6

frequentie (1/jaar)

10

-4

10

10

10

-7

-8

-9

1

2

10

3

10

4

10

10

Aantal slac htof f ers

     

Oriëntatiew aarde

     

Groepsrisico van de totale route.

     

Hoogste groepsrisico per km. Deelroute 1, 1648-2647

Oeverbeleid Indien ontwikkelingen (nieuwe bouwwerken) mogelijk gemaakt worden binnen 40 meter van de oever van de Nieuwe Maas dient rekening te worden gehouden met artikel 2.1.10 van de provinciale Verordening Ruimte (zie Hoofdstuk 3). Dit is in dit plangebied niet het geval. Daarmee is er geen strijdigheid met het provinciale oeverbeleid.

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

13 van 14

5.

Conclusie en advies Vaarweg Nieuwe Maas Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas is niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Het groepsrisico is kleiner dan 0,001 (0,1%) maal de oriëntatiewaarde, de ontwikkelingen van dit plan hebben een geringe invloed op het groepsrisico. Binnen 40 meter van de oever van de Nieuwe Maas worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daardoor geeft het oeverbeleid van de Provincie Zuid-Holland geen belemmeringen. Advies en verantwoording groepsrisico Het groepsrisico van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas blijft zeer ruim onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico moet door het bestuur worden verantwoord bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam geldt voor deze risicobron een lichte verantwoording van het groepsrisico. In het bestemmingplan wordt aandacht besteed aan het aspect zelfredzaamheid. Het groepsrisico geeft geen beperkingen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de definitieve inrichting van de te ontwikkelen locaties dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

Bestemmingsplan

Advies

Versie

Datum

Pagina

Katendrecht

Externe veiligheid

0.1

19-3-2019

14 van 14

Regels

87

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

plan:

Het bestemmingsplan Katendrecht met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP1099Katendrecht- van de gemeente Rotterdam. 1.2

bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanbouw (uitbouw)

Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). 1.4

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6

Achtererfgebied

Erf aan de achterkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw en aan de zijkant(en) ervan, op meer dan 1 meter van de erfgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijke gebied, alsmede op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7

Archeologisch deskundige

Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.8

Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.9

Bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10

Bebouwingspercentage

Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.11

Bedrijven

De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 1.12

Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond

Het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond" dat als bijlage 2 is gevoegd bij de regels van dit plan of een herziening of wijziging van dit beleidskader.

88

1.13

Belwinkel

Een inrichting waarvan de bedrijfsvoering onder welke benaming dan ook is gericht op het ter plaatse tegen betaling bieden van gelegenheid tot elektronische berichtenuitwisseling in de vorm van telefonie of door middel van toegang tot het internet. Een op de openbare weg geplaatste telefooncel wordt hier niet onder begrepen. 1.14

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.15

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16

Bouwaanduidingen

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.17

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18

Bouwgrens

De grens van een Bouwvlak. 1.19

Bouwlaag

Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de bestemmingsregels in hoofdstuk 2 anders is bepaald. 1.20

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.21

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel. 1.22

Bouwverordening

Bouwverordening Rotterdam 2010, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.23

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.24

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

89

1.25

Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)

Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.26

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.27

Bijgebouw

Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel. 1.28

Cultuur

Voorzieningen gericht op kunst, ontspanning, vrijetijdsbesteding en vermaak, zoals kleinschalige filmhuizen, musea, muziekcentra en theaters, met uitzonderingen van bioscopen en casino's. 1.29

Dakterras

Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk waarvan de bouwhoogte minimaal 1,2 meter bedraagt. 1.30

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.31

Dienstverlening

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 1.32

Bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. 1.33

Effectgebied externe veiligheid

Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij een risicobron plaatsvindt. 1.34

Erf

Terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, waterlopen en bouwwerken van lichte constructie (carports, slagbomen, fietsenstallingen e.d.). 1.35

Erfgoedwet

De Erfgoedwet (2016), zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.36

Evenement

a. Een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, zoals een feest of muziekvoorstelling, in de buitenruimte van het openbaar toegankelijk gebied met uitzondering van:

90

a. kleinschalige evenementen onder de voorwaarden dat: 1. het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250 personen; 2. het een evenement is dat plaatsvindt tussen 8.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur; 3. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A) en 90 dB(C) waarbij de geluidbelasting maximaal 65 dB(A) en 75 dB(C) ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde geluidgevoelige objecten mag zijn; 4. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 m² per object; 5. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt; b. verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in de buitenruimte van een openbare inrichting waarbij: 1.

een vergunning krachtens artikel 2:28 APV geldt;

2. de buitenruimte in het onderliggende bestemmingsplan bestemd of aangeduid is als behorend bij de openbare inrichting; c. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en markten die vallen onder de “Beleidsregel Evenementenmarkten: Braderieën, Rommelmarkten en Themamarkten Rotterdam 2018”; d. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; e. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 (straatartiest) van de APV; Bij optochten (niet zijnde een betoging als bedoeld in sub d), sportwedstrijden en wandeltochten op openbare wegen en paden worden uitsluitend parcoursafzettingen waaronder start, finish en eventuele locaties langs de weg met podiumopstelling of versterkt muziek of tribunes meegerekend als evenement. Indien de gehele route het parcours is afgezet, telt het ook mee als evenement. Optochten (niet zijnde een betoging als bedoeld in sub d) sportwedstrijden of wandeltochten zonder parcourafzettingen of tribunes of versterkt geluid worden niet meegerekend als evenement. 1.37

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.38

Geluidniveau in dB(A)

LAeq (3 minuten): het equivalent geluidniveau in dB(A), zijnde het energetisch gemiddeld geluidniveau gedurende een beoordelingstijd van 3 minuten, uitgedrukt in dB(A). 1.39

Geluidniveau in dB(C)

LCeq (3 minuten): het equivalent geluidniveau in dB(C), zijnde het energetisch gemiddeld geluidniveau gedurende een beoordelingstijd van 3 minuten, uitgedrukt in dB(C). 1.40

Geluidsgevoelige objecten

Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd. 1.41

GGD

Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond. 1.42

Hoofdgebouw

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

91

1.43

Hoog-risico biologisch laboratorium

Een biologisch laboratorium met een biologische veiligheidsklasse 3 of hoger zoals bedoeld in het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond". 1.44

Horeca

Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.45

Hotel

Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.46

Kap

Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 1.47

Kantoren

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.48

Maaiveld

De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.49

Maatschappelijke voorzieningen

Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. 1.50

Milieudeskundige

De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.51

NAP

Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 1.52

Nieuw hoog-risico biologisch laboratorium

Nieuwvestiging van een hoog-risico biologisch laboratorium of uitbreiding van een bestaand (hoog-risico biologisch) laboratorium met een hoog-risico biologisch laboratorium. 1.53

Openbaar nutsvoorzieningen

Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 1.54

Openbaar toegankelijk gebied

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b. van de Wegenverkeerswet 1994, openbaar water, alsmede ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van de zogenaamde brandpaden voor de achterontsluiting van tuinen voor langzaam verkeer. 1.55

Peil (straat-)

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter

92

plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend. 1.56

Publieke dienstverlening

Bestuursorganen van de overheid en de daaraan gekoppelde ambtelijke diensten ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en -uitvoering, alsmede politie, brandweer, reinigingsdiensten, gezondheidsdiensten. 1.57

Rijbaan

Elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte, met uitzondering van (brom)fietspaden. 1.58

Rijstrook

Gedeelte van de rijbaan van een weg (welke door middel van doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd is) van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken. 1.59

Seksinrichting

De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. 1.60

Souterrain

Een gedeeltelijk onder het maaiveld gelegen gebruiksruimte van een gebouw. 1.61

Straatmeubilair

Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.62

Supermarkt

Een detailhandelsbedrijf in de vorm van een zelfbedieningswinkel waar in hoofdzaak levensmiddelen, voedingsmiddelen - inclusief versartikelen zoals groente, brood, vlees en zuivel - en in beperkte mate huishoudelijke artikelen worden verkocht. 1.63

Tuin

Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt. 1.64

Uitstekende delen aan gebouwen

Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.65

VRR

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. 1.66

Water

Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater. 1.67

Wet geluidhinder

De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.

93

1.68

Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.69

Woningwet

De Woningwet zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.

94

Artikel 2

wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2

de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=f8fab3f6-3589-452d-863a-6fa6c05b9420