CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005255] Bijlage 1 behorende 23bb5250 - Feijenoord ontwerpbestemmingsplan

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 1 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bestemmingsplan Feijenoord31.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Uit deze bijlage blijkt dat de geluidbelasting vanwege het industrieterein Maas- en Rijnhaven op de gevels van alle ontwikkellocaties lager is dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). Feijenoord In tabel 6.5 is de maximaal berekende geluidbelasting vanwege de industrieterreinen Feijenoord per locatie weergegeven. Tabel Maximaal berekende geluidbelasting bij ontwikkellocaties vanwege industrieterrein Feijenoord Hoogte Hoogste berekende Hogere rekenpunt [m] geluidsbelasting [dB] waarden [dB]

Locatie

Industrieterrein

Reken punt

2, 6 t/m 15, 18 t/m 25, 27 t/m 32

alle

alle

alle

50 of <

geen

1

Feijenoord

W01.01/2

1,5

54*

55

3

Feijenoord

W03.05

1,5

54*

55

49

4

Feijenoord

W04.01

1,5

55

55

5

Feijenoord

W05.04

1,5

54*

55

* voor deze locatie is in het verleden middels een MTG-besluit een geluidbelasting vastgesteld van 55 dB(A). Om de middels het MTG-besluit toegekende geluidruimte aan de omliggende bedrijven te respecteren zal voor deze locatie een hogere waarde moeten worden aangevraagd van 55 dB(A). Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voor woningen op locaties 1 en 3 t/m 5 vanwege het industrieterrein Feijenoord wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 55 dB(A) voor woningen wordt daarbij niet overschreden. De geluidbelasting bij de overige locaties voldoet aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voor woningen. 6.4.4 Scheepvaart Ten noorden van het plangebied liggen de Nieuwe Maas en de Koningshaven. Ten oosten van het plangebied ligt de Nieuwe Maas. Op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven varen schepen. Varende schepen produceren geluid en kunnen de omgeving belasten met geluidhinder. Voor het aspect scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Bij het formuleren van het beoordelingskader wordt daarom uitgegaan van een streefwaarde van 55 dB die overeenkomt met de voorkeurswaarde van spoorweglawaai. Deze waarde wordt gehanteerd vanwege de overeenkomst in de dosiseffectrelatie zoals die tussen railverkeerslawaai en scheepvaartlawaai bestaat.

Het college van burgemeester en wethouders zullen de geluidbelasting afkomstig van de scheepvaart in overweging nemen bij het vaststellen van een hogere waarde. In het akoestisch onderzoek is de maximaal gecumuleerde geluidbelasting voor de onderzocht locaties als gevolg van de scheepvaart op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven berekend. Uit het onderzoek blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de scheepvaart op de genoemde vaarroutes op ontwikkellocatie 1 de voorkeurswaarde van 55 dB met 6 dB overschrijdt. Op ontwikkellocatie 2 wordt de voorkeurswaarde met 4 dB overschreden. Op de overige ontwikkellocaties wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 55 dB. Nestgeluid Voor het bestemmingsplan Feijenoord is door het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het bestemmingsplangebied ligt in de geluidzones van de industrieterreinen Maas- en Rijnhaven en Feijenoord. Binnen het industrieterrein Maas- en Rijnhaven is sprake van afgemeerde schepen die voor hun energievoorziening zijn aangewezen op eigen aggregaten. Het gebruik van een eigen aggregaat gaat gepaard met geluidproductie. Geluid afkomstig van afgemeerde schepen wordt ook wel nestgeluid genoemd.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in een rapport inzage geboden in de geluidbelasting vanwege de afgemeerde schepen en de gevolgen daarvan voor de benodigde geluidwering van de beoogde woningen op ontwikkellocaties binnen dit bestemmingsplan. Dit onderzoek naar nestgeluid is opgenomen in bijlage 5. Uit dit rapport blijkt dat de geluidbelasting vanwege de afgemeerde schepen in Maas- en Rijnhaven op alle onderzochte locaties de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschrijdt. De maximale geluidbelasting vanwege de afgemeerde schepen zijn berekend op de locaties 7, 18, 19 en 27 en bedrage afgerond 43 en 44 dB(A) en afgerond 40 dB. 6.4.5 Conclusie Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige situaties), moet worden gemotiveerd.

Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken:  de hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt);  de hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen);  de gecumuleerde geluidsbelasting;  maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie;  de regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB).

50

6.4.5.1 Wegverkeerslawaai De geluidbelasting voldoet op 19 locaties vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen aan de voorkeurswaarde (48 dB). Het betreft hierbij locaties 1 t/m 6, 9-10, 13 t/m 15, 19 t/m 21 en 27 t/m 31. Op de overige 8 locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere zoneplichtige wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) wordt daarbij niet overschreden. Maatregelen zijn gewenst. Hieronder wordt ingegaan op de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen. Bronmaatregelen Als bronmaatregel kan gedacht worden aan vermindering van (vracht)verkeer, snelheidsverlaging en/of toepassing van stillere wegdekken. Gelet op de (toekomstige) ontwikkelingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied is een vermindering van (vracht)verkeer op de wegen die op de onderzochte locaties een overschrijding van de voorkeurswaarde veroorzaken niet aan de orde. Tevens is gezien de verkeersfunctie van de onderhavige wegen een snelheidsverlaging op de onderhavige wegen verkeerskundig niet gewenst. Op de Oranjeboomstraat, Roentgenstraat en Rosestraat (met uitzondering van de westelijke rijstrook tussen Vuurplaat en Stoomtramweg die is voorzien van DDA, ligt momenteel DAB.

Met het toepassen van stillere asfalttypes, bijvoorbeeld akoestisch geoptimaliseerd Steenmastiekasfalt (SMA-NL 8G+), op deze wegen is het mogelijk een geluidreductie van 2 á 3 dB te bereiken. Door de aanleg van een stiller wegdek op deze wegen kan naar verwachting de geluidbelasting vanwege de Rosestraat op locatie 8 tot de voorkeurswaarde van 48 dB terug worden gebracht. Deze reductie is echter niet voldoende om daarmee de geluidbelasting op de overige locaties die door deze weg alsmede door de Roentgenstraat en de Oranjeboomstraat worden belast tot de voorkeurswaarde terug te dringen. Overdrachtsmaatregelen Hierbij kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen. Aangezien de ontwikkelingen binnen de bebouwingsgrens van de bestaande bebouwing plaatsvinden is een afstandsvergroting niet aan de orde. De onderhavige wegen bevinden zich in een stedelijk gebied. Het plaatsen van een geluidscherm langs deze wegen is vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk/wenselijk.

Ontvangersmaatregelen Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toegestane geluidbelasting vanwege een weg in een verblijfsgebied 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar. 6.4.5.2 Railverkeerslawaai Als gevolg van railverkeerslawaai over het spoortraject Rotterdam – Barendrecht wordt de voorkeurswaarde voor woningen (55 dB) op ontwikkellocaties 23 t/m 25 en 30 t/m W32 overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor woningen (68 dB) wordt hier niet overschreden. De plandrempel van 53 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2019-2023, wordt op de onderhavige locaties overschreden.

In het kader van het actieplan moeten geluidreducerende maatregelen ter beperking van de geluidbelasting worden overwogen. Maatregelen op of aan Rijksspoorwegen vallen onder het domein van de spoorbeheerder, in dit geval Prorail. Binnen het kader van dit bestemmingsplan kunnen op het gebied van maatregelen daarom geen eisen worden gesteld tenzij hierover bestuurlijke overeenstemming wordt bereikt. Bronmaatregelen Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van een stillere bovenbouw, het toepassen van raildempers, het akoestisch slijpen van rails, het vervangen van bestaand materieel en het verlagen van de intensiteiten op het spoor. Het verlagen van de intensiteiten of het vervangen van materieel is gezien de functie en het gebruik van de spoorlijn niet aan de orde.

51

Momenteel is er op het spoor ter hoogte van de ontwikkellocaties sprake van een bovenbouw van rails op hout/zigzagbeton in ballastbed. Door deze bovenbouw te vervangen door rails op betonblokken kan de geluidemissie van het spoor worden gereduceerd met 3 á 4 dB. Door ter hoogte van het plangebied raildempers toe te passen of een intensiever onderhoudsregime (akoestisch slijpen) toe te passen, kan de geluidemissie van het spoor worden gereduceerd met 2 á 3 dB. Door middel van één van de bovenstaande maatregelen kan de geluidbelasting op locaties 30 en 31 en naar verwachting op locatie 25 tot de voorkeurswaarde van 55 dB worden teruggebracht. Deze reductie is echter niet voldoende om daamee de geluidbelasting op de overige locaties tot de voorkeurswaarde van 55 dB terug te brengen. Het toepassen van de bovenstaande bronmaatregelen dient plaats te vinden in overleg met de spoorbeheerder Prorail. Overdrachtsmaatregelen Hierbij kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen. Aangezien de ontwikkelingen binnen de bebouwingsgrens van de bestaande bebouwing plaatsvinden is een afstandsvergroting niet aan de orde. Het spoortraject Rotterdam - Barendrecht maakt deel uit van de Hogesnelheidslijn-Zuid. Voor de HSL-Zuid is in 1998 het Tracébesluit HSL-Zuid vastgesteld.

In de afgelopen jaren zijn de in het tracébesluit opgenomen overdrachtsmaatregelen getroffen aan onder andere het spoortraject Rotterdam – Barendrecht ter hoogte van het plangebied. In dat kader zijn geluidschermen geplaatst langs onder andere de oostzijde van het spoor ter hoogte van de ontwikkelocaties. Gezien het aantal beoogde woningen (maximaal 29) die verspreid op 6 locaties liggen is een verhoging van de bestaande geluidschermen ter afscherming van de geplande woningen op deze locaties in het kader van dit bestemmingsplan financieel niet doelmatig. Een eventuele verhoging van de bestaande geluidschermen dient in overleg met en na instemming van Prorail plaats te vinden. Ontvangersmaatregelen Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 55 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de spoorzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels.

Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toegestane geluidbelasting vanwege een spoorweg in een verblijfsgebied 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar. 6.4.5.3 Industrielawaai Maas- en Rijnhaven Dit industrieterrein zorgt niet voor overschrijdingen van de voorkeurswaarde. Feijenoord De voorkeurswaarde van 50 dB(A) wordt op locaties 1 en 3 t/m 5 vanwege het industrieterrein Feijenoord overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 55 dB(A) voor woningen wordt daarbij niet overschreden. Gebleken is dat (verdergaande) bron- en/of overdrachtsmaatregelen ter beperking van de geluidbelasting vanwege de onderhavige industrieterreinen tot de voorkeurswaarde (50 dB(A)) niet wenselijk/mogelijk zijn. 6.4.5.4 Scheepvaart De gecumuleerde geluidbelasting vanwege de scheepvaart op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven bedraagt op de locaties 1 en 2 maximaal respectievelijk 61 en 59 dB. Op de overige locaties is de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de scheepvaart lager dan of gelijk aan 55 dB. Nestgeluid In het kader van het bestemmingsplan is de geluidbelasting van afgemeerde schepen op industrieterrein Maas- en Rijnhaven berekend.

Daarmee is de bijdrage van nestgeluid bepaald in relatie tot de geluidweringstoets onder de regels van de toekomstige Omgevingswet. Vanwege de bijdrage van nestgeluid is er op geen enkele locatie extra geluidwering nodig onder de Omgevingswet.

52

6.4.5.5 Ontheffingsbeleid Rotterdam Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidsbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB. Bij woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidskwaliteit hebben, ook als de geluidsbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai. Wegverkeer Alle locaties beschikken vanwege wegverkeerslawaai over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam. Railverkeer Alle locaties beschikken vanwege railverkeerslawaai over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam.

Industrie Alle locaties beschikken vanwege railverkeerslawaai over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam. 6.4.5.6 Hogere waarden Maatregelen om de geluidbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot de relatief beperkte geluidbelasting en geluidreductie. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich meebrengen. Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidluwe gevel dienen te beschikken. Het geluidonderzoek laat zien dat dit mogelijk is, mits in de bouwplanfase rekening wordt gehouden met de positionering van de gevels. Dit betekent dat woningen die een gevel hebben die naar een geluidbron (bijvoorbeeld een weg) is gericht (en daardoor aan die zijde geen geluidluwe gevel hebben) ook een andere gevel moeten hebben die wel geluidluw is. Om de hierboven genoemde redenen zullen burgemeester en wethouders de geluidbelastingen, zoals die in de tabellen bij 'wegverkeer', ‘railverkeer’ en 'industrie' zijn aangegeven, als hogere waarden vaststellen voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld.

Deze hogere waarden worden verleend onder de voorwaarde dat elke woning over ten minste één geluidluwe gevel beschikt. In de regels van de bestemmingen ‘Gemengd-1’, Gemengd-2’ en ‘Wonen’ is vastgelegd dat woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld uitsluitend zijn toegestaan als wordt voldaan aan de in het besluit hogere waarden opgenomen voorwaarden. Het besluit hogere waarden wordt als bijlage bij de regels opgenomen.

53

6.5

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:     

er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.5.1 Plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreffen enkele woningbouwlocaties en een horecaontwikkeling.

54

Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde. De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg. 6.5.2 Conclusie Het bestemmingsplan zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht.

Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

6.6

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.6.1 Plangebied De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. In het plangebied is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) licht verontreinigd en is de bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld matig verontreinigd. Het bestemmingsplan voorziet niet in direct in nieuwbouw waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn.

Het milieuaspect bodemverontreiniging speelt geen rol bij de functiewijzigingen van bestaande panden, en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

6.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

55

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR.

Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.7.1

Transport gevaarlijke stoffen over rail

Over de spoorlijn Rotterdam - Dordrecht, die ten westen van Feijenoord is gelegen (voor een deel binnen het plangebied), vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Omdat de spoorlijn binnen het plangebied van het bestemmingsplan Feijenoord is gelegen en het invloedsgebied voor groepsrisico over het plangebied ligt is zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico in beeld gebracht. Plaatsgebonden risico Het plafond van het plaatsgebonden risico (de maximale PR 10-6 contour) wordt gemeten vanaf het midden van het spoor en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer. Het PR plafond bedraagt volgende de Regeleing basisnet maximaal 7 meter gemeten uit het midden van het middelste doorgaande spoor, komt daarmee niet buiten de spoorbaan en levert daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. Ten behoeve van het bestemmingsplan is de hoogte van het groepsrisico binnen het invloedsgebied berekend. Daarnaast is berekend of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt voor een verhoging van het groepsrisico zorgt. Het groeprisico bedraagt in de huidige situatie 0,5 maal de oriënterende waarde. De ontwikkelingen uit dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico.

56

Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtgebied voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30 meter vanaf de rand van het spoor. Aangezien er geen nieuwe gebouwen worden gerealiseerd binnen een zone van 30 meter naast het spoor heeft het plasbrandaandachtsgebied geen betekenis voor dit plan. 6.7.2

Transport gevaarlijke stoffen over water

Plaatsgebonden risico Volgens de Regeling Basisnet kent dit deel van de Nieuwe Maas geen 10-6/jr plaatsgebonden risico. Groepsrisico Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico van de maatgevende kilometer vaarweglengte minder dan 1% (<0,01 maal) van de oriëntatiewaarde bedraagt. De ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt hebben geen invloed op het groepsrisico omdat ze buiten de PR 10-8 contour van 51 meter vallen. Oeverbeleid Indien ontwikkelingen (nieuwe bouwwerken) mogelijk gemaakt worden binnen 40 meter van de oever van de Nieuwe Maas dient rekening te worden gehouden met artikel 2.1.10 van de Provinciale Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde nieuwe gebouwen komen niet binnen 40 meter van de oever van de Nieuwe Maas. Daarmee wordt aan het provinciale oeverbeleid voldaan. 6.7.3

Leidingen

Langs de zuidelijke punt van het plangebied ligt een aardgastransportleiding van GasUnie. De leiding ligt net buiten het plangebied, maar de invloedsfeer reikt tot binnen het plangebied. De aardgastransportleiding is een relevante risicobron met betrekking tot externe veiligheid 6.7.3.1 Plaatsgebonden risico De 10-6-plaatsgebonden risicocontour is berekend op het hart van de leiding. De norm voor het plaatsgebonden risico levert daarom geen beperking op voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. 6.7.3.2 Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico wordt met name bepaald door de afstand van personen tot de risicobron (de aardgastransportleiding) en de (lage) persoonsdichtheid in het gebied aan weerszijde van de risicobron. Het groepsrisico van de leiding is kleiner dan 0,0001 maal de oriënterende waarde. Er liggen geen ontwikkelingen binnen het invloedsgebied (10-8/jr contour) zodat het groepsrisico niet verandert door het plan. 6.7.3.3 Verantwoording Volgens het Beleidskader Groepsrisico van de gemeente Rotterdam geldt voor een groepsrisico lager dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde een lichte verantwoording. Aangezien het groepsrisico na planontwikkeling gelijk blijft aan het huidige groepsrisico vindt de gemeente Rotterdam zowel de hoogte van het groepsrisico als het effect van het bestemmingsplan op het groepsrisico verantwoord. 6.7.4

LPG-tankstations

Ter plaatse van Korte Stadionweg 111 is een LPG-tankstation gelegen. Vanwege de aanwezigheid van een opslagtank voor LPG en het vulpunt van deze opslagtank is het tankstation een relevante risicobron voor het bestemmingsplan.

57

6.7.4.1 Plaatsgebonden risico De ligging van de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van het vulpunt, het afleverpunt en van de ondergrondse voorraadtank zijn weergegeven in figuur 4.7 van het EV-onderzoek. De informatiebron hiervan is de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl). Binnen deze 10-6 plaatsgebonden risicocontouren zijn in de huidige situatie geen kwetsbare objecten, er is dus geen knelpunt. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk binnen deze contouren. 6.7.4.2 Groepsrisico Uit een berekening met de LPG-tool blijkt dat het groepsrisico ruim onder de oriënterende waarde blijft. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk binnen het invloedsgebied rondom de tank en het vulpunt. Daarmee verandert het groepsrisico in de plansituatie niet. 6.7.4.3 Verantwoording Het groepsrisico van het LPG-tankstation is ruim onder de oriëntatiewaarde. De binnen het bestemmingsplan aanwezige personen dragen nauwelijks bij aan de hoogte van het groepsrisico. Daarom beschouwt de gemeente Rotterdam het groepsrisico van het LPG-tankstation voor wat betreft de bijdrage en het effect van het bestemmingsplan Feijenoord als verantwoord. 6.7.5

Inrichtingen

6.7.5.1 Unilever Binnen het bedrijf van Unilever aan de Nassaukade 3 (figuur 4.9) is een ammoniakinstallatie aanwezig, op deze koelinstallatie is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. De installatie bestaat uit meerdere onderdelen waarvan de totale inhoud minder dan 10 ton ammoniak bedraagt. Plaatsgebonden Risico In de vergunning (G.s. van Zuid-Holland, Wabo beschikking 22126370-98490335, april 2016) is door het bevoegd gezag geoordeeld dat de PR 10-6 contouren van de onderdelen van koelinstallatie binnen de terreingrens van de inrichting vallen en dat er zich geen (geprojecteerde) kwetsbare of beperk kwetsbare objecten binnen deze contouren bevinden. Groepsrisico In de hiervoor genoemde vergunning wordt geconcludeerd dat de grens van het invloedsgebied niet relevant is en dat er daarom geen groepsrisico is. Dit betekent tevens dat de ontwikkelingen geen invloed hebben op het groepsrisico. 6.7.5.2 Hunter Douglas Binnen het bedrijf van Hunter Douglas aan de Piekstraat 2 bevindt zich een opslagloods voor verpakte gevaarlijke stoffen (250 ton verf en verfadditieven), deze opslag valt onder de richtlijn PGS15 en is een categoriale inrichting. Onderstaande informatie is afkomstig van de DCMR Milieudienst Rijnmond.

Plaatsgebonden Risico De PR 10-6 contour van de opslagloods bedraagt volgens het Revi 20 meter en blijft binnen de terreingrens van de inrichting. Er bevinden zich geen (geprojecteerde) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour. Groepsrisico Het invloedsgebied bedraagt 90 meter (conform bijlage 2 van het Revi), binnen deze afstand bevinden zich woningen (figuur 4.11). Bij categoriale inrichtingen horen volgens het Revi geen groepsrisicoberekeningen. Het groepsrisico van Hunter Douglas is in de Wabo beschikking (G.S. van Zuid-Holland, 25 april 2013, kenmerk 21557563/241100) verantwoord door:  de aanwezigheid in het invloedsgebied is kleiner is dan 300 personen per hectare;  de mogelijkheden tot zelfredzaamheid;  en de mogelijkheden tot voorbereiding op rampenbestrijding en scenario's voor de hulpverlening. Binnen het invloedsgebied vinden geen ontwikkelingen plaats, hierdoor verandert het groepsrisico niet.

58

6.7.6

Conclusie

De eindconclusie luidt dat de normen voor het plaatsgebonden risico, het plasbrandaandachtsgebied (spoor), het oeverbeleid (Nieuwe Maas) en het effectgebied (LPG tankstation) geen beperking vormen voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. De groepsrisico's van de risicobronnen zijn kleiner dan de oriëntatiewaarde en nemen niet toe door de ontwikkelingen. Op grond van het Rotterdamse Groepsrisicobeleid geldt een categorie 'middel' verantwoording vanwege het groepsrisico van het spoor. Dit houdt het volgende in. De zelfredzaamheid van de aanwezigen in het plangebied is, gelet op de verblijfsfuncties en de verkeersinfrastructuur, groot. Dit aspect wordt benoemd in het bestemmingplan. Omdat het groepsrisico niet toeneemt geeft het geen beperkingen voor dit bestemmingplan. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

6.8

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.8.1

Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Op deze natuurkaart is te zien dat met name de randen van het bestemmingsplangebied zijn aangemerkt als groenstructuur. De Nieuwe maas en de Persoonshaven betreffen getijdenwater. De oevers van het bestemmingsplangebied grenzend aan de Nieuw Maas en de Persoonshaven zijn aangemerkt als Parkbos met daarin Groene Wijkdooradering. Overige elementen worden binnen het bestemmingsplangebied niet weergegeven.

59

6.8.2

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Biesbosch, op circa 19 kilometer afstand tot het bestemmingsplangebied. Vanwege de grote afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, de zeer beperkte omvang van de nieuwe ontwikkelingen en het feit dat er bij (grotere) plannen in de (directe) omgeving geen stikstofeffecten optreden, valt uit te sluiten dat de ontwikkelingen in het plangebied een negatief effect hebben op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. Het meest nabij gelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Nieuwe Maas, gelegen binnen het plangebied.

Het meest dichtbij gelegen landdeel van het NNN bevindt zich op circa 400 meter ten oosten van het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplan voorziet in de huidige vorm geen ontwikkelingen binnen NNN-gebieden en Belangrijke Weidevogelgebieden. Derhalve treedt op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. 6.8.3

Soortbescherming

Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen:  strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;  alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is.

Hieruit komen de volgende conclusies naar voren:  In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor gebouwbewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig, te weten Huismus, Gierzwaluw, Slechtvalk;  In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor boombewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten afwezig;  In het bestemmingsplangebied zijn potenties aanwezig voor de habitatrichtlijnsoorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger en Tweekleurige vleermuis;  Het plangebied is geschikt voor nestplaatsen en als functionele leefomgeving voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene broedvogels. 6.8.4

Ontwikkelingen

Voor de nieuwbouw van Persoonshaven 191 t/m 249 is het ecologisch onderzoek reeds uitgevoerd, zijn mitigerende maatregelen getroffen en de bebouwing is reeds gesloopt. De nieuwbouw wordt conform de verleende vergunning in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen. De bebouwing van de ontwikkeling Persoonshaven 85 is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger). Geschikte locaties voor vaste rust- en verblijfplaatsen bevinden zich onder andere in de luchtspouw. Negatieve effecten door werkzaamheden zijn op voorhand niet uitgesloten. Door sloop en nieuwbouw kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden weggenomen. Een nadere ecologisch toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is nodig alvorens met de (her-) ontwikkeling kan worden aangevangen.

60

Voor de nieuwbouw van 4 woonlagen op de hoek van de Zinkerweg en de Nijverheidsweg (Zinkerblok 2) geldt dat de bebouwing potentieel geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger). Geschikte locaties voor vaste rust- en verblijfplaatsen bevinden zich onder andere in de luchtspouw. Negatieve effecten door werkzaamheden zijn op voorhand niet uitgesloten. Door sloop en nieuwbouw kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden weggenomen. Een nadere ecologisch toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is nodig alvorens met de (her-) ontwikkeling kan worden aangevangen. Het pand aan de Nijverheidsweg 53 betreft een leegstaand monumentaal pand. De bebouwing is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger), Gierzwaluw en Huismus. Geschikte locaties voor vaste rust- en verblijfplaatsen bevinden zich onder de dakpannen en onder afwijkende boeiboarden. Functioneel leefgebied voor Huismus is rondom de locatie aanwezig in de vorm van blokhagen en gazon. Negatieve effecten door werkzaamheden zijn op voorhand niet uitgesloten.

Door sloop en nieuwbouw kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus worden weggenomen. Een nadere ecologisch toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is nodig alvorens met de (her-) ontwikkeling kan worden aangevangen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen die binnen een bestaande bestemming vallen, zoals sloop en nieuwbouw van woningen, renovaties of het herinrichting, dient voorafgaand nog flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Bij bestemmingsplanwijzing of een projectbestemmingsplan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming

61

Hoofdstuk 7

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daarachter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

62

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan legt hoofdzakelijk de bestaande situatie vast. Op het adres Persoonshaven 85 wordt de sloop van een leegstaande school en de bouw van nieuwe woningen in vier lagen mogelijk gemaakt. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Bij verkoop van de gronden aan een initiatiefnemer zal een overeenkomst worden gesloten waarin de kosten voor de gemeente gedekt zijn. Op andere locaties in het bestemmingsplan zijn de bebouwingsmogelijkheden uit het oude (thans geldende) bestemmingsplan overgenomen. Dit heeft dus geen financiële gevolgen voor het nieuwe bestemmingsplan. Het bestemmingsplan Feijenoord is gezien het bovenstaande financieel uitvoerbaar. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

63

Hoofdstuk 9 9.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.

9.2

Vooroverleg

Het concept van het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan alle relevante overlegpartners en overheidsinstanties. De resultaten van het vooroverleg worden in deze paragraaf samengevat en van beantwoording voorzien. 9.2.1 Evides Evides geeft aan dat een deel van de watertransportleiding die door het plangebied loopt niet is opgenomen in de verbeelding. Daarnaast geeft Evides aan dat er in paragraaf 4.5.5 van de toelichting wordt gesproken over een aardgastransportleiding in plaats van een drinkwatertransportleiding. Reactie gemeente De verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan is aangepast zodat de gehele watertranportleiding is opgenomen. Daarnaast is paragraaf 4.5.5 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan aangepast naar aanwijzing van Evides. 9.2.2 Gasunie Gasunie geeft aan dat in paragraaf 4.4.5 van de toelichting onjuist wordt vermeld dat er een planologisch relevante hogedruk aardgastransportleiding gelegen is binnen het plangebied. Deze leiding is net buiten het plan gelegen. Ook in paragraaf 6.7.3 wordt vermeld dat deze leiding in het plangebied ligt. Reactie gemeente De onjuiste vermelding over de aardgastransportleiding is in het ontwerpbestemmingsplan in beide paragrafen aangepast.

9.2.3 Prorail ProRail verzoekt om het aspect trillinghinder als gevolg van treinverkeer te onderzoeken en af te wegen. Reactie gemeente In het Onderzoek Geluid (Bijlage 4) is onderzoek gedaan naar trillingen vanwege het spoor. In het onderzoek staat het volgende: “De ervaring leert dat trillingen niet onderscheidend zijn bij woningen op een minimale afstand van 25 meter van spoor. Het onderzoeksgebied van trillingen bij de (ondergrondse) spoortracés in Rotterdam beslaat daarom, naast de ruimte boven en onder het spoortracé, het gebied binnen een afstand van 25 meter vanaf de buitenste spoorstaaf. Buiten dit gebied treden vrijwel nooit voelbare trillingen op. Om schade aan gebouwen en trillinghinder bij personen in gebouwen als gevolg van de passages van de treinen te voorkomen, dient aandacht te worden besteed aan het trillingsniveau bij de gebouwen die boven, onder of binnen 25 meter afstand van het spoor zijn gepland." De dichtstbijzijnde ontwikkeling (het appartementengebouw dat in plaats van de Dukdalf-school wordt ontwikkeld) ligt op 67 meter van de spoortunnel. Hierom is dit aspect niet verder onderzocht. 9.2.4 Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat ziet o.a. toe op een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer, o.a. op de A16/A15/A20. In het concept ontwerpbestemmingsplan Feijenoord wordt niets gezegd over de verkeersaantrekkende werking of verkeersgeneratie van dit plan.

Rijkswaterstaat verzoekt de gemeente in het plan aandacht te besteden aan de mogelijke verkeersaantrekkende werking en verkeersgeneratie van dit plan.

64

Reactie gemeente Het extra verkeer dat door de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling wordt gegenereerd is meegenomen in de milieuonderzoeken die ten behoeve van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd. Gezien de beperkte toename van het verkeer en de afstand van et plangebied tot de snelwegen zien wij geen aanleiding om een relatie te leggen tussen het bestemmingsplan en de doorstroming op de snelwegen. 9.2.5 Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) 1. De VRR kan zich vinden in de toelichting betreffende het 'Oeverbeleid' onder paragraaf 6.7.2 en de toelichting betreffende de inrichtingen 'Unilever' (paragraaf 6.7.5.1) en 'Hunter Douglas' (paragraaf 6.7.5.2) van het bestemmingsplan. Vanwege de gehanteerde veiligheidsafstanden zijn bouwkundige maatregelen bij eventuele verbouwing/herontwikkeling in het plangebied niet noodzakelijk. 2. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Op de website "www.rijnmondveilig.nl" staat meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Reactie gemeente 1. De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan. 2. Dit advies valt niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan niet in een bestemmingsplan worden geregeld.

65

Bijlagen

66

Bijlage 1

Afbeelding Archeologie

67

Bijlage 2

Wateradvies

68

Bijlage 3 Nieuwe geluidsgevoelige objecten bestemmingsplan Feijenoord

69

Bijlage 4

Onderzoek Geluid

70

Bijlage 5

Onderzoek Nestgeluid

71

Bijlage 6

Onderzoek Luchtkwaliteit

72

Bijlage 7

Onderzoek Externe Veiligheid

73

Bijlage 8

Onderzoek Flora en Fauna

74

Regels

75

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

plan:

Het bestemmingsplan Feijenoord met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP1114Feijenoord-ON01 van de gemeente Rotterdam. 1.2 bestemmingsplan: De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanbouw (uitbouw) Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). 1.4 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 Achtererfgebied Erf aan de achterkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw en aan de zijkant(en) ervan, op meer dan 1 meter van de erfgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijke gebied, alsmede op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7 Archeologisch deskundige Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.8 Archeologisch monument Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.9 Bebouwing Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10 Bebouwingspercentage Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen.

1.11 Bedrijven De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 1.12 Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond Het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond" dat als Bijlage 1 is gevoegd bij de regels van dit plan of een herziening of wijziging van dit beleidskader.

76

1.13

Belwinkel

Een inrichting waarvan de bedrijfsvoering onder welke benaming dan ook is gericht op het ter plaatse tegen betaling bieden van gelegenheid tot elektronische berichtenuitwisseling in de vorm van telefonie of door middel van toegang tot het internet. Een op de openbare weg geplaatste telefooncel wordt hier niet onder begrepen. 1.14 Beperkt kwetsbare objecten a. woningen, kantoorgebouwen, hotels, restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover deze objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; b. sporthallen, zwembaden, speeltuinen; c. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; d. andere objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; e. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.15 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidt ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.16 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.17 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.18 Bouwaanduidingen Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.19 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20 Bouwgrens De grens van een Bouwvlak. 1.21 Bouwlaag Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de bestemmingsregels in hoofdstuk 2 anders is bepaald.

77

1.22

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23 Bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel. 1.24 Bouwverordening Bouwverordening Rotterdam 2010, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.25 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.26 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.27 Bruto vloeroppervlak (b.v.o.) Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.28 Bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.29 Bijgebouw Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel. 1.30 Bijzondere objecten a. b. c.

d.

bejaardentehuizen en verpleeginrichtingen (zoals ziekenhuizen en sanatoria); scholen en winkelcentra; hotels, kantoor- en bedrijfsgebouwen, bestemd voor meer dan 50 personen; objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals computer- en telefooncentrales, gebouwen met vluchtleidingsapparatuur; e. objecten die door secundaire effecten een verhoogd risico met zich brengen, zoals bovengrondse installaties en opslagtanks voor brandbare, explosieve en/of giftige stoffen; f. een recreatieterrein: 1. een terrein voor langdurig verblijf van personen gedurende een gedeelte van een jaar, zoals camping; 2. een terrein voor kortstondig verblijf van grote groepen personen gedurende een gedeelte van de dag, zoals een speeltuin, een volkstuin, een sportveld of een openluchtzwembad; g. andere, met de bovengenoemde vergelijkbare objecten. 1.xx

Cultuur

Voorzieningen gericht op kunst, ontspanning, vrijetijdsbesteding en vermaak, zoals bioscopen/filmhuizen, musea, muziekcentra en theaters. 1.31

Dakterras

Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk waarvan de bouwhoogte minimaal 1,2 meter bedraagt.

78

1.32

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.33 Dienstverlening Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 1.34 Bedrijfswoning Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. 1.35 Dove gevel a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede, b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits deze niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=5786861b-4e6d-44ef-a7f2-9f3ddab0c602