CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005255] Bijlage 1 behorende 23bb5250 - Feijenoord ontwerpbestemmingsplan

Gemeenteraad 9 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Feijenoord’.31.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Woonstad

26

Ongeveer gelijktijdig met de aanleg van de havens kwamen in de tussenliggende restgebieden en op het Noordereiland woonbuurten tot ontwikkeling. Hiervoor ontwierpen respectievelijk de gemeente en de RHV stratenplannen. De bouwblokken van de stratenplannen werden vervolgens door een grote groep speculatieve bouwers ingevuld met vrijwel identieke woonhuizen in een historiserende architectuur met veel details in stuc. Aan de belangrijkste kades, aan de hoofdstraten en op de hoeken van de bouwblokken kregen de gevels veelal een iets voornamere uitstraling. De woonblokken lagen als geïsoleerde buurtjes ingeklemd tussen de havens, de fabrieksterreinen en de goederenspoorlijnen. De in 1884 aangelegde Oranjeboomstraat was opgevat als een brede boulevard: door een bomenrij gescheiden rijbanen met tramrails en brede trottoirs met bomen. De aaneengesloten straatwanden met woonhuizen werd ter hoogte van de Persoonsstraat onderbroken door de Nederlands Hervormde Wilhelminakerk naar ontwerp in neogotische stijl van architect B. Hooijkaas (begin jaren zeventig gesloopt). Om de hoek, aan de Nassauhaven 433, staat nog de School voor Christelijk Volksonderwijs uit 1899 met spreuk 'De Mensch zal bij brood alleen niet leven, Matth. 4 vs 4'. In vergelijking met de andere twee lange straten was de Oranjeboomstraat dus het meest een woonstraat.

In verband met de spoorlijn waren er tussen de Rosestraat en Oranjeboomstraat maar weinig dwarsdoorsteken. Dat verklaart de enorme lengtes van de straatwanden. In de gevelbeelden domineerde de bouwstijl van de neorenaissance: witte speklagen en sluitstenen en licht geschilderde, zwaar geprofileerde kroonlijsten. De eenvoudiger opgezette Rosestraat lag in het verlengde van de oude Willemsbrug en de Koninginnebrug. De kop van de Rosestraat bij de Koninginnebrug was opgevat als een verkeersplein met een molenwiekpatroon: het Stieltjesplein. Dit ruimtelijke brandpunt van de wijk werd gemarkeerd door de hoge klokkentoren van de Rooms-Katholieke kerk HH. Martelaren van Gorkum (in 1979 vervangen door een woongebouw naar ontwerp van architect H. van Olst). Omstreeks 1965 verslechterden de woningen langzaam maar zeker, verpauperde de openbare ruimte en ging het leefklimaat achteruit In het kader van de stadsvernieuwing werden ze in de daarop volgende decennia gesloopt, opgeknapt, vervangen of zelfs gereconstrueerd. Door de herbestemming van de havens en de plannen voor de Kop van Zuid is de positie van Feijenoord op Zuid en ten opzichte van de rivier ingrijpend veranderd. De kades en het zicht op de rivier zijn grotendeels publiek domein geworden.

De wijk ligt niet langer opgesloten tussen haventerreinen maar is door de Laan op Zuid en nieuwe dwarsverbindingen met de Afrikaanderwijk beter verweven met de achterliggende stad. De wijk ligt nu op een benijdenswaardige manier in de archipel van Rotterdam-Zuid met haar enorme diversiteit aan kades, havenbekkens, overkanten en vergezichten. 3.3.3 Cultuurhistorische waardering Stedenbouwkundige structuur Het stratenpatroon van evenwijdige lange lijnen en haaks of schuin kruisende korte dwarslijnen vormt een belangrijke structuurdrager van de negentiende-eeuwse stad en is daarmee van grote cultuurhistorische waarde voor Feijenoord. De negentiende-eeuwse hoekpanden zijn van grote cultuurhistorische waarde binnen het structuuren ruimtebeeld van Feijenoord, ook al zijn de architectonische waarden onderling verschillend. Het meest pregnant zijn de panden op de scherpe hoeken ter plaatse van de schuine doorsteken. Juist op die plekken is in de vervangende nieuwbouw het beeld ingrijpend veranderd. De continue uniformiteit in de langgerekte gevelwanden van de lange lijnen en de gelaagde en verspringende opeenvolging van hoeken en 'koppen' in de dwarslijnen zijn zeer waardevolle aspecten in het ruimtebeeld van Feijenoord. Cruciaal in de visuele beleving ervan zijn onder andere het contrast tussen het donkere metselwerk met het wit geschilderde lijst- en lofwerk.

Vrijwel geen enkel bouwblok heeft nog een compleet authentiek beeld omdat delen ervan zijn gerenoveerd of door nieuwbouw vervangen. In de best geslaagde voorbeelden daarentegen zijn de kenmerken evenwel goed herkenbaar gebleven zoals bij de Dillenburgblokken. De Rosestraat, Oranjeboomstraat, Nassauhaven, Persoonshaven, Nijverheidsstraat en Piekstraat, worden gewaardeerd als beeldbepalende lange structuurlijnen. Bebouwing

27

De karakteristieke negentiende-eeuwse restanten die zich als samenhangende eenheden manifesteren zijn als laatste relicten van de oorspronkelijke haven- en woonstad van grote cultuurhistorische waarde voor Feijenoord. Samen is het de kritische massa die nodig is om de belangwekkende ontwikkelingsgeschiedenis herkenbaar en beleefbaar te houden. Binnen deze cultuurhistorische waardevolle categorie uit de 19e eeuw wordt onderscheid gemaakt tussen beeldbepalende panden en beeldondersteunende gevelwanden. De beeldbepalende panden dragen vanwege hun markante situering en/of verschijningsvorm meer dan gemiddeld bij aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het gebied. De beeldondersteunende wanden in deze categorie ondersteunen het karakteristieke laat negentiende-eeuwse structuur- en ruimtebeeld van Feijenoord. De aangepaste entrees, balkons, kunststof kozijnen en dakopbouwen in de wanden doen weliswaar afbreuk aan dit beeld, maar zijn niet onherstelbaar. De beeldbepalende panden, gevelwanden en bouwblokken, krijgen in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie', waardoor deze panden niet zonder vergunning gesloopt mogen worden. Ook de beeldondersteunende gevelwand langs de Oranjeboomstraat krijgt deze dubbelbestemming.

De reden voor deze bescherming is het belang van de Oranjeboomstraat als beeldbepalende lange lijn centraal in Feijenoord, met de allure van een boulevard. Het beeld van deze straat van meer dan 1 kilometer lengte, wordt in grote mate bepaald door een aanwezigheid van de lange grotendeels 19-eeuwse gevelwanden. Juist in deze straat is nog voldoende kritische massa aan historische bebouwing aanwezig om de geschiedenis van de wijk te beleven.

Oranjeboomstraat, lange lijn met 19e-eeuwse gevelwanden

28

In het plangebied zijn de onderstaande Rijksmonumenten, Gemeentelijke monumenten en beeldbepalende objecten aanwezig. Rijksmonumenten  Nijverheidstraat 53: vml. kantoorgebouw Rotterdamsche Cementsteenfabriek Van Waning & Co. (J.I. Waning, 1898). Gemeentelijke monumenten  Nassauhaven 433, school;  Oranjeboomstraat 109-111, school en bijbehorende woning; Beeldbepalende objecten winkelpui:  Nassauhaven 387;

29

als onderdeel van een 'front'  Nassaukade 35-36 (1881);  Oranjeboomstraat 30-34 (1889);  Oranjeboomstraat 36-38 (1888);  Oranjeboomstraat 40-46b (1892);  Feijenoordkade 1-19;  Dillenburgstraat 3-25;  Nijverheidsstraat 2-48; als onderdeel van een 'kop'  Dillenburgstraat 4-6, 3-25;  Feijenoordkade 20-32, Dillenburgstraat 4-6; als onderdeel van een 'hoek'  Oranjeboomstraat 118-126 (1898);  Persoonsstraat 110-132 (1895);  Stampioenstraat 2 (1895);  Nijverheidstraat 5;  Nijverheidstraat 320-324; Zinkerweg 53-77 (1898);  Zinkerstraat 3-7. beeldondersteunende gevelwand Oranjeboomstraat  - Oranjeboomstraat 149-207  - Oranjeboomstraat 237-301  - Oranjeboomstraat 242-286  - Oranjeboomstraat 313-379 * het blokje Oranjeboomstraat 202-218 krijgt als enige geen dubbelbestemming omdat dit slechts een kort fragment van een 19e-eeuws blok is, omgeven door nieuwe bebouwing.

30

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

Het nu geldende bestemmingsplan Feijenoord is niet meer actueel. Dit bestemmingsplan is opgesteld in het kader van het Meerjarenprogramma actualisering bestemmingsplannen. De basis voor het nieuwe bestemmingsplan zijn is het oude bestemmingsplan Feijenoord en het nieuwe beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het bestemmingsplan zal net als het vorige bestemmingsplan voornamelijk conserverend van aard zijn.

4.2

De verschillen tussen het oude en het nieuwe plan

Het uitgangspunt voor het nieuwe plan is het zo veel mogelijk overnemen van de geldende rechten uit de vorige bestemmingsplannen. Dit plan is echter geen exacte kopie van beide vorige plannen. Bepaalde zaken worden op een andere manier geregeld. Ook zijn er verschillen met de vorige plannen als gevolg van nieuw gemeentelijk, provinciaal en landelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke ordening. De belangrijke verschillen zijn in de volgende paragrafen beschreven. Beperken detailhandel in gemengde bebouwing Binnen de bestemming Gemengd - 1 was in het voorgaande bestemmingsplan detailhandel toegestaan, ook op plekken waar deze functie niet aanwezig is. In de Gebiedskoers Detailhandel Feijenoord 2017-2020 is aangegeven dat de Oranjeboomstraat beleidsmatig niet getypeerd is als winkelconcentratiegebied, en dat het winkelperspectief beperkt is. Er is gekozen om detailhandel alleen toe te staan op locaties waar op het moment van het opstellen van dit plan detailhandel aanwezig is. Begrenzing van het plangebied De hoek van de Steven Hoogendijkstraat, Rosestraat en Oranjeboomstraat is toegevoegd aan het plangebied vanwege de ruimtelijke samenhang met de rest van het plangebied. Voorheen behoorde dit deel tot het bestemmingsplan Kop van Fijenoord. De zuidelijke grens van het bestemmingsplangebied is aangepast naar het noorden van het Mallegatpark.

Hierdoor sluit de plangrens aan op de plangrens van het bestemmingsplan Feyenoord City. De volgende gebieden zijn niet in het bestemmingsplan opgenomen omdat hiervoor een apart (project)bestemmingsplan is/wordt opgesteld:  woningbouw Stampioenstraat;  havenlofts Nassauhaven;  Piekstraat punt;  overige deel Piekstraat;  bedrijventerrein Hunter Douglas.

4.3

Ontwikkelingen

4.3.1

Woningbouwlocatie Persoonshaven 191 t/m 249

Het betreft de ontwikkeling van 26 woningen op een locatie waar 30 huidige woningen gesloopt worden. De rooilijn van de nieuwe woningen wijkt af van de oude situatie. Hierom is de nieuwbouw conform de verleende vergunning in de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

31

4.3.2

Persoonshaven 85

Persoonshaven 85 is een schoolgebouw in twee bouwlagen. Het pand is niet meer in gebruik als school, en wordt tijdelijk verhuurd als bedrijfsruimte. De huidige bebouwing wordt gesloopt en vervolgens worden maximaal 32 woningen gerealiseerd in vier bouwlagen. Deze ontwikkeling is opgenomen op de verbeelding met een maximum bouwhoogte van 14 meter. 4.3.3 Kluswoningen De Nijverhoek Het betreft de woningen langs de Nijverheidstraat en op de hoek tussen de Nijverheidstraat en de Zinkerweg. Hier kunnen binnen de bestaande bebouwing 32 kluswoningen worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling past in het geldende bestemmingsplan. De detailhandelsvestiging die aanwezig was keert niet terug, en is daarom niet opgenomen op de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan. 4.3.4

Horeca Nijverheidsstraat 53

Deze ontwikkeling betreft een horeca locatie in en rondom het rijksmonumentale Nijverheidsstraat 53. De verdere invulling hiervan wordt in dit plan opgenomen als de omgevingsvergunning verleend is.

4.4

Juridische planbeschrijving

In deze paragraaf kunnen in principe alle bestemmingen of functies langsgelopen worden die meer toelichting nodig hebben over hoe het werkt, wat het regelt, en waarbij de artikelen op zich niet voor iedereen eenduidig genoeg zijn. 4.4.1 Belwinkels De aanwezigheid van belwinkels wordt in Rotterdam in menig deelgebied in toenemende mate als problematisch ervaren. Voor belwinkels die alleen de mogelijkheid bieden om (goedkoop) te telefoneren geldt de Winkeltijdenwet niet en dat betekent dat die dienst 24 uur per dag, 7 dagen in de week, mag worden aangeboden. Dit kan leiden tot overlast door het komen en gaan van klanten op late uren in straten waar wonen en detailhandel van oudsher worden gecombineerd. Via de inmiddels vervallen leefmilieuverordening Belhuizen, is een beperkt aantal belhuizen gelegaliseerd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zodra het gebruik als belhuis definitief is beëindigd of vervangen door een andere toegelaten functie, een belhuis niet langer is toegestaan. De planologische inzichten hieromtrent zijn niet gewijzigd, zodat deze belhuizen dienovereenkomstig in het bestemmingsplan zijn opgenomen. In het vorige bestemmingsplan was één belhuis positief bestemd, aan de Oranjeboomstraat 169. Op het moment van terinzagelegging van dit ontwerpbestemmingsplan zijn er geen belhuizen meer aanwezig.

Het adres waar geen belhuis meer aanwezig is, is bestemd conform het huidige gebruik. Een belhuis is hier niet meer mogelijk. 4.4.2 Evenementen De gemeenteraad heeft op 9 juli 2019 het nieuwe 'Beleidskader Evenementen' vastgesteld. Rotterdam wil zijn positie als evenementenstad behouden en uitbouwen. Daarnaast is één van de doelen in het beleid een goede balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Er is ingezet op een betere spreiding van evenementen over de stad om de lusten en de lasten gelijkmatig over de stad te verdelen. Op basis van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid is vanwege de pijler Cultuur voor Rotterdam Zuid ingezet op verlevendiging. In dit bestemmingsplan is op basis van historische cijfers en toekomstige ambities afgewogen hoeveel evenementen binnen de bestemmingsplangrens kunnen plaatsvinden waarbij er een goede balans tussen rust en reuring is. In de regels is opgenomen hoeveel evenementen toegestaan zijn, de maximale duur van alle evenementen samen, de omvang en de maximale geluidbelasting. 4.4.3

Gemengde bebouwing

Een aantal panden binnen het plangebied hebben de bestemming 'Gemengd' gekregen. Er is een onderscheid gemaakt in Gemengd - 1 en 2.  De bestemming 'Gemengd - 1' laat op de begane grond naast wonen eveneens de functies, bedrijven (in de milieucategorieën I en II), kantoren en maatschappelijke voorzieningen toe.

32

De bestemming 'Gemengd - 2' laat op de begane grond naast wonen eveneens de functies, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening en kantoren toe.

4.4.4

Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als "Groen". Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder herziening van het bestemmingsplan. Binnen de verkeersbestemmingen is een groene inrichting eveneens toegestaan, maar niet structuur bepalend. 4.4.5 Horeca Horeca definitie en afbakening In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken. Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel. Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht.

Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

33

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten: muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. In die gevallen is dus altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren. Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. Exploitatiecategorieën

34

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z'n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. 4.4.6 Leidingen In het plangebied is een planologisch relevante drinkwatertransportleiding gelegen.

Ter bescherming van deze leiding is ter weerszijden hiervan een dubbelbestemming 'Leiding - Water' opgenomen. Het bestemmingsplan gebruikt ter bescherming van deze leiding een aanlegvergunningstelsel. In de regels is aangegeven welke werkzaamheden verboden zijn. Ook is aangegeven voor welke werkzaamheden een vergunning verleend kan worden na een positief advies van de leidingbeheerder. 4.4.7 Maatschappelijke voorzieningen Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn. In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming "Maatschappelijk - 1" zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie. In de bestemming "Maatschappelijk - 2" zijn alleen de niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan.

35

4.4.8

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing In december 2021 is het parkeerbeleid Rotterdam vastgesteld. Het betreft de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 1 januari 2022 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 49.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenoemde dynamische verwijzing. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze.

Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" is via de volgende link te raadplegen: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR671029/1 De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost.

Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. 4.4.9

Seksinrichtingen

Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat. Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob. Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activiteiten die in de seksbranche worden aangeboden. Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan. Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad. Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan.

Binnen dit bestemmingsplan één seksinrichting bestemd, aan de Oranjeboomstraat 267. Deze is op de verbeelding aangegeven met een functieaanduiding "seksinrichting".

36

4.4.10 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat. Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied.

Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn. 4.4.11 Verkeers- en verblijfsgebied De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Verkeersweg" zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen. De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

Door het westen van het plangebied loopt, langs de Rosestraat, de spoorlijn Rotterdam - Dordrecht. Deze loopt vanaf De Blaak ondergronds onder de Nieuwe Maas door en komt ter hoogte van de Burgdofferstraat weer boven. Het bovengrondse gedeelte van het spoor heeft de bestemming 'Verkeer - Spoorverkeer' gekregen. Het ondergronds gedeelte heeft de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - spoor'. Het station Rotterdam Zuid past binnen de bestemming en hoeft dus niet apart bestemd te worden. Hier stoppen alleen stoptreinen. De spoorlijn wordt gebruikt voor het vervoer van personen, goederen en gevaarlijke stoffen. 4.4.12 Voorzieningen van openbaar nut Bestaande bouwwerken van openbaar nut zijn bestemd als "voorzieningen van openbaar nut". Het gaat hier voornamelijk om een aantal gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). In dit bestemmingsplan is één grote "Voorzieningen van openbaar nut" als zodanig bestemd. Dit is bij de Persoonshaven. Verder zijn er op de plankaart nog een aantal kleine nutsvoorzieningen aangegeven. In de bestemmingen "Verblijfsgebied", "Verkeersweg" en "Groen" worden ook deze nutsvoorzieningen mogelijk gemaakt tot 80m³, dit is nodig om noodzakelijke nieuwe nutsvoorzieningen te kunnen realiseren zonder een planwijziging.

37

4.4.13 Waarde - Cultuurhistorie De beeldbepalende objecten (aangewezen in de cultuurhistorische verkenning) zijn cultuurhistorisch waardevol en kunnen worden beschermd met een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' werpt een drempel op tegen sloop. Sloop is in principe niet mogelijk. Alleen indien maatschappelijke, technische of economische overwegingen zwaarwegend genoeg zijn om een uitzondering te maken, kan er een sloopvergunning worden verleend. Verder leidt de dubbelbestemming ertoe dat in geval van nieuwbouw voldoende rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de locatie. 4.4.14 Werken aan huis In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan.

Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

38

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. Het buitendijks gebied van Feijenoord behoort tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen. Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen.

De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.1.2 Provinciaal beleid Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3 Regionaal beleid De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:  Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen.

Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;  Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;  Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders.

39

De beheerder van het oppervlaktewater in Feijenoord is Rijkswaterstaat. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Het in het plangebied aanwezige oppervlaktewater bestaat uit de Nieuwe Maas en uit de Feijenoordhaven, de Persoonshaven en de Nassauhaven tot aan de Nassaubrug. Deze havens staan in directe verbinding met de Nieuwe Maas. Rijkswaterstaat is de kwaliteits- en kwantiteitsbeheerder van dit buitendijkse oppervlaktewater. 5.3.2 Grondwater Voor grondwatermonitoring zijn er veel peilbuizen in het plangebied. De ligging van de peilbuizen met de gemiddelde ontwateringsdiepte (afstand tussen maaiveld en het gemiddeld grondwaterpeil) zijn weergegeven in Figuur 5.1. De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied bij elke peilbuis groter dan de vereiste 0,80 meter. In de wijk staan nog een aantal huizen met houten paalfunderingen. Grondwateronderlast en paalrot zijn hier aandachtspunten. De gebieden met funderingsrisico’s zijn eveneens weergegeven in Figuur 5.1.

Figuur 5.1 Locaties peilbuizen, gemiddelde ontwateringsdiepte en funderingsrisico’s 5.3.3 Waterkering Feijenoord is geheel buitendijks gelegen. De waterkering ligt direct ten zuiden van het plangebied. Een deel van de beschermingszone van de waterkering ligt in de zuidelijke punt van het plangebied. De beschermingszone is met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" in het bestemmingsplan opgenomen. 5.3.4 Riolering

40

Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 28. In het plangebied ligt een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI). District 28 voert het afvalwater via district 23 af naar AWZI Dokhaven. Binnen het plangebied zijn een drietal vuilwateroverstorten aanwezig. Ter hoogte van de Feijenoordkade en Persoonskade is plaatselijk een regenwaterstelsel gelegen.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

De ontwikkelingen in het gebied hebben geen effect op het aangrenzende oppervlaktewater (Nieuwe Maas). 5.4.2 Grondwater Er vindt geen grootschalige toename van de verharding plaats en er zijn geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Er worden geen effecten op de grondwaterstand verwacht.

41

5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Het plangebied ligt geheel buitendijks. Dit betekent dat hoog water op de Nieuwe Maas (gedicteerd door zeewaterstand, Maeslantkering en rivierafvoer) niet wordt tegengehouden door een dijk. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water, wordt bepaald door de terugkeertijden van hoge waterstanden in de Nieuwe Maas en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes relatief klein. De kans op slachtoffers in het buitendijks gebied is dan ook gering. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Materiele schade en maatschappelijke ontwrichting zijn beiden afhankelijk van de waterdiepte die optreedt en de functies en objecten die hier last van hebben. Enkele centimeters water in openbaar gebied hoeft niet direct schade op te leveren, maar als deze hoeveelheid water staat in een woning of bedrijf is er vaak wel schade aan het pand en de inboedel. Daarnaast ontstaat er nog schade door eventueel productieverlies. Water op een weg kan ook betekenen dat deze niet meer zichtbaar is waardoor gebieden mogelijk onbereikbaar zijn. Dit kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting.

Om een indicatie te geven van de kwetsbaarheid voor wateroverlast van het bestemmingsplangebied is de waterdiepte ten opzichte van het maaiveld weergegeven bij een hoogwatersituatie in het huidige klimaat met een terugkeertijd van 1/4.000 jaar. De gebruikte waterhoogte is NAP +4,87 meter. (Figuur 5.2).

Figuur 5.2 Overstromingsdiepte buitendijks gebied, huidig klimaat. Uit de kaart blijkt dat er op basis van de huidige maaiveldhoogtes bij maatgevende waterhoogtes van 1/4.000 jaar wateroverlast in het gebied ontstaat. Ter plaatse van de noordwestelijke grens van het plangebied gaat het om maximaal 3,0 m water. 5.4.4 Riolering Afvalwater De mogelijke ontwikkelingen in het plangebied zullen leiden tot een toename van het aantal woningen en een afname van kantoren, industrie en scholen. Op basis van de toename van he aantal woningen en de afname van het totaal oppervlak aan kantoren, industrie en scholen is een inschatting te maken van de verandering van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen.

42

De inschatting van de verandering van de afvalwaterbelasting is gebaseerd op het maximale programma dat extra mogelijk gemaakt wordt binnen het bestemmingsplan, namelijk circa 1032 nieuwe woningen en de afname van 17.209 m² aan kantoren en 1.559 m² aan industrie verspreidt over het plangebied. Uitgangspunten afvalwater woningen, kantoren en industrie:  In een woning zijn gemiddeld 2,5 personen aanwezig die gemiddeld 12 liter afvalwater per  uur produceren;  Gemiddelde belasting kantoren: 0,5 m³ per hectare/uur  Gemiddelde belasting industrie 0,5 tot 2,5 l/s/ha bruto-oppervlak voor industrie  Gemiddelde school: 2 tot 3 liter per uur/per leerling, in de berekening is uitgaan van 2,5 l/uur. Het maximaal aantal leerlingen is berekend door de bruto vloeroppervlakte van het gebouw te delen door de ruimte per leerling (ongeveer 7 m² voor middelbare scholen, ongeveer 3,5 m² voor basisscholen) In tabel 5.1 is voor het plangebied de te verwachten verandering van de productie van afvalwater gegeven (op basis van het maximale programma). Tabel 5.1 Verandering productie afvalwater plangebied Productie afvalwater [m3/uur]

Ontwikkeling

Toe- afname

Afname 17.209 m² kantoorfunctie

Afname

- 0,86

Afname 1.559 m2 industriefunctie

Afname

- 1,00

Nieuwbouw 1032 woningen

Toename

+ 30,96 Totaal

+ 29,10

Hemelwater Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij (indien technisch mogelijk) het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. Voor de ontwikkelingen in het plangebied kan dat bijvoorbeeld door te kiezen voor het laten afstromen van regenwater naar oppervlaktewater in de directe omgeving. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze mogen niet worden toegepast. Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Een deel van de ontwikkelingen betreft functieverandering van bestaande gebouwen. Ook hier is de eerste keus om afval- en hemelwater gescheiden te verwerken.

43

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1 Plangebied Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-beoordelingsplichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. Bekeken is of het bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtige bevat. Het bestemmingsplan Feijenoord is een conserverend bestemmingsplan waarin een aantal kleine wijzigingen is opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende aspecten: Woningbouwlocatie Persoonshaven 191 t/m 249 Het betreft de ontwikkeling van 26 woningen op een locatie waar 30 huidige woningen gesloopt worden.

De rooilijn van de nieuwe woningen wijkt af van de oude situatie. Hierom is de nieuwbouw conform de verleende vergunning in de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. Persoonshaven 85 Persoonshaven 85 is een schoolgebouw in twee bouwlagen. Het pand is niet meer in gebruik als school en wordt tijdelijk verhuurd als bedrijfsruimte. De huidige bebouwing wordt gesloopt en vervolgens worden maximaal 32 woningen gerealiseerd in vier bouwlagen. Deze ontwikkeling is opgenomen op de verbeelding met een maximum bouwhoogte van 14 meter. Kluswoningen De Nijverhoek Het betreft de woningen langs de Nijverheidstraat en op de hoek tussen de Nijverheidstraat en de Zinkerweg. Hier kunnen binnen de bestaande bebouwing 32 kluswoningen worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling past in het geldende bestemmingsplan. De detailhandelsvestiging die aanwezig was keert niet terug, en is daarom niet opgenomen op de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan.

44

Horeca Nijverheidsstraat 53 Dit betreft de vestiging van een horecagelegenheid in en rondom het rijksmonumentale pand Nijverheidsstraat 53. Twee ontwikkelingen zien op vervangende woningbouw waarbij er sprake is van een rood-voor-rood ontwikkeling die bijna identiek is qua aantallen woningen. Eén ontwikkeling ziet op vervangende woningbouw voor een bestaand schoolgebouw met twee bouwlagen en ook dat is een rood-voorrood-ontwikkeling waarbij de woningbouw niet wezenlijk andere milieugevolgen zal veroorzaken dan het bestaande schoolgebouw. Tot slot de aanwijzing van een horeca-functie in een bestaand gebouw (monumentaal pand) en dit betreft een relatief kleine ontwikkeling dat qua milieugevolgen geen betekenis heeft. Om te toetsen of het bestemmingsplan met bovengenoemde wijzigingen beschouwd moet worden als een “stedelijk ontwikkelingsproject” in de zin van categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. is gebruik gemaakt van de Beslisboom uit de Handreiking stedelijke ontwikkeling van 3 december 2017 opgesteld door de DCMR. Op basis hiervan wordt aangemerkt dat: 1. Het een conserverend bestemmingsplan betreft, waarin een aantal kleine wijzigingen is opgenomen; 2. De planologische situatie beperkt zal worden gewijzigd; 3. Er kan worden uitgesloten dat de omgevingseffecten van de wijzigingen die van het huidige gebruik niet zullen overstijgen.

Daarom wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan niet als een stedelijk ontwikkelingsproject te beschouwen is in de zin van categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Dit is ook in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Hierbij dient verwezen te worden naar haar uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) alsmede haar uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348), want in die uitspraken overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Gelet op de aard en de omvang van deze wijzigingen is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject op grond van D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage.

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

45

6.3.1

Plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een gemengd woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. In bedrijfsruimten onder of naast woningen zijn bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Een uitzondering hierop vormen de volgende bedrijfsactiviteiten: handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Dit zijn eveneens activiteiten in milieucategorie 2, maar vanwege de verkeersaantrekkende werking en het gegeven dat deze bedrijven soms gebruik gaan maken van het verblijfsgebied worden deze bedrijven niet als passend in een woonwijk gezien. Daarom hebben de huidige bedrijven die deze activiteiten uitoefenen een maatbestemming gekregen, en zijn nieuwe bedrijven niet toegestaan. In het bestemmingsplan heeft één bedrijf een dergelijke maatbestemming gekregen, te weten:  Aticars Autobedrijf B.V., Persoonshaven 117-119 en Rose-Spoorstraat 48; Dit bedrijf is gelegen in de bestemming 'Gemengd - 1'. Aticars Autobedrijf B.V.

is geclassificeerd als handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijf (SBI-code 451, 452, 454, 45204 en 45205). 6.3.2

Conclusie

De overige activiteiten in of nabij het plangebied zijn niet belemmerend voor (nieuwe ontwikkelingen binnen) dit bestemmingsplan, anders dan die reeds in het bestemmingsplan zijn genoemd, en/of waarmee reeds rekening is gehouden.

6.4

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.

Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan Feijenoord maakt het mogelijk dat op een aantal locaties woningen worden gerealiseerd. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Het betreft de op onderstaande kaarten aangegeven locaties. Een gedetailleerd overzicht van alle locaties is opgenomen in Bijlage 3. Een aantal locaties die in deze bijlage zijn opgenomen ontbreken in dit bestemmingsplan. Dit zijn de volgende locaties:

46

 

11 (Dukdalflocatie). Deze locatie is uit het plangebied gehaald; er is namelijk een apart projectbestemmingsplan voor opgesteld; 12, 16 en 26. Deze locaties zijn scholen en zijn in de bijlage meegenomen vanwege mogelijke transformatie naar woningen. Deze mogelijkheid is uiteindelijk niet opgenomen in dit bestemmingsplan, waardoor de locaties niet meer relevant zijn.

6.4.1

Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven. Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied Aantal rijstroken Zonebreedte

Stedelijk- -gebied

Buiten-

-stedelijk-

-gebied

1 of 2

3 of meer

1 of 2

3 of 4

5 of meer

200 meter

350 meter

250 meter

400 meter

600 meter

47

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer staan in de onderstaande tabel weergegeven: Tabel Maximaal berekende geluidbelasting op onderzochte locaties per zoneplichtige weg (incl. aftrek art. 110g Wgh) Hoogte Hoogste berekende Hogere rekenpunt [m] geluidsbelasting [dB] waarden [dB]

Locatie

Weg

Reken punt

1 t/m 6, 9, 10, 13-15, 19-21, 27, 31

alle

alle

alle

55 of <

geen

7

Oranjeboomstraat

W07.04

1,5

54

54

Roentgenstraat

W07.04

1,5

54

5

overige

alle

alle

48 of <

geen

Rosestraat

W08.02

1,5

49

49

overige

alle

alle

48 of <

geen

Rosestraat

W18.23

1,5

53

53

overige

alle

alle

48 of <

geen

Rosestraat

W22.07

1,5

54

54

overige

alle

alle

48 of <

geen

Rosestraat

W23.04

1,5

54

54

overige

alle

alle

48 of <

geen

Rosestraat

W24.05

1,5

52

52

overige

alle

alle

48 of <

geen

Rosestraat

W25.04

1,5

53

53

overige

alle

alle

48 of <

geen

Rosestraat

W32.06

1,5

52

52

overige

alle

alle

48 of <

geen

8

18

22

23

24

25

32

Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting op 19 locaties vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen aan de voorkeurswaarde (48 dB) voldoet. Het betreft hierbij locaties 1 t/m 6, 9, 10, 13 t/m 15, 19 t/m 21 en 27 t/m 31. Op de overige onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) wordt daarbij niet overschreden. 6.4.2 Railverkeer Spoor Het spoortrajct Rotterdam – Barendrecht, dat in het westen van het plangebied ligt, is aangegeven op de geluidplafondkaart. De geluidzone van dit spoortraject is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond (GPP) op het betrokken referentiepunt (art. 1.4a Besluit geluidhinder).

48

Het spoortraject Rotterdam – Barendrecht ligt ten noorden van de Burgdorfferstraat/Vuurplaat ondergronds. Dit spoorgedeelte is op de geluidplafondkaart niet voorzien van GPP’s. De GPP’s langs het bovengrondse spoortraject, dat ten zuiden van de Burgdorfferstraat/Vuurplaat ligt, variëren ter hoogte van het plangebied van 53,3 dB (met ID-nummer 40304) tot maximaal 57,2 dB (met IDnummer 40306). De geluidzone langs deze spoorlijn bedraagt derhalve maximaal 200 meter. Tabel Maximaal berekende geluidbelasting op onderzochte locaties vanwege spoorlijn Rotterdam Barendrecht De locaties 1 t/m 15 liggen niet binnen de geluidzone van het spoortraject Rotterdam-Barendrecht Hoogte Hoogste berekende Hogere rekenpunt [m] geluidsbelasting [dB] waarden [dB]

Locatie

Reken punt

18-22, 27-29

alle

alle

48 of <

geen

23

W23.03

1,5

63

63

24

W24.06

1,5

62

62

25

W25.04

1,5

61

61

30

W30.03

1,5

56

56

31

W31.02

1,5

57

57

32

W32.09

1,5

64

64

Uit de gepresenteerde rekenresultaten blijkt dat de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen op locaties 23 t/m 25 en 30 t/m 32 vanwege railverkeer op het spoortraject Rotterdam - Barendrecht wordt overschreden. De geluidbelasting bij de overige locaties voldoet aan de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen. 6.4.3 Industrielawaai In het Rijnmondgebied zijn reeds in de jaren 90 rond meerdere industrieterreinen waarop de zogenaamde grote lawaaimakers zich bevinden een geluidcontour van 50 dB(A) vastgesteld. Deze vastgestelde geluidcontour mag door de op het industrieterrein gelegen bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidzone. Een groot deel van het plangebied bevindt zich binnen de geluidzone van het industrieterrein “MaasRijnhaven”. Tevens ligt het gehele plangebied binnen de geluidzone van het industrieterrein “Feijenoord”. Deze industrieterreinen zijn derhalve de relevante geluidbronnen voor het plangebied. Maas-Rijnhaven In bijlage 7b van het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de geluidbelastingen bij de onderzochte locaties ten gevolge van het industrieterrein Maas- en Rijnhaven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=d67fc766-4c1f-4101-a945-9d5fbe3544af