CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005255] Bijlage 1 behorende 23bb5250 - Feijenoord ontwerpbestemmingsplan

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 13 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen31.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Feijenoord Ontwerpbestemmingsplan

Opgesteld door:

datum:

Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen

Concept ontwerp

31 maart 2021

Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam

Ontwerp

13 oktober 2022

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Gekozen planopzet 1.3 Ligging en begrenzing 1.4 Vigerende bestemmingsplannen Hoofdstuk 2 Beleid 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal en regionaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied 3.1 Ontstaansgeschiedenis 3.2 Archeologie 3.3 Cultuurhistorie Hoofdstuk 4 Planbeschrijving 4.1 Inleiding 4.2 De verschillen tussen het oude en het nieuwe plan 4.3 Ontwikkelingen 4.4 Juridische planbeschrijving Hoofdstuk 5 Water 5.1 Beleidskader 5.2 Samenwerking met de waterbeheerder 5.3 Huidige watersysteem 5.4 De wateropgave Hoofdstuk 6 Milieu 6.1 Inleiding 6.2 Milieueffectrapportage 6.3 Milieuzonering 6.4 Geluid 6.5 Luchtkwaliteit 6.6 Bodem 6.7 Externe veiligheid 6.8 Natuur Hoofdstuk 7 Handhaving Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1 Participatie 9.2 Vooroverleg Bijlagen Bijlage 1 Afbeelding Archeologie Bijlage 2 Wateradvies Bijlage 3 Nieuwe geluidsgevoelige objecten bestemmingsplan Feijenoord Bijlage 4 Onderzoek Geluid Bijlage 5 Onderzoek Nestgeluid

5 5 5 5 6 7 8 8 9 11 19 19 22 24 31 31 31 31 32 39 39 39 40 41 44 44 44 45 46 54 55 55 59 62 63 64 64 64 66 67 68 69 70 71

2

Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Onderzoek Luchtkwaliteit Onderzoek Externe Veiligheid Onderzoek Flora en Fauna

Regels Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen Artikel 2 wijze van meten Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening Artikel 4 Gemengd - 1 Artikel 5 Gemengd - 2 Artikel 6 Groen Artikel 7 Maatschappelijk - 1 Artikel 8 Maatschappelijk - 2 Artikel 9 Recreatie Artikel 10 Sport - Sport- en speelterrein Artikel 11 Tuin Artikel 12 Verkeer - Erf Artikel 13 Verkeer - Spoorverkeer Artikel 14 Verkeer - Verblijfsgebied Artikel 15 Verkeer - Wegverkeer Artikel 16 Water - 1 Artikel 17 Water - 2 Artikel 18 Wonen Artikel 19 Wonen - Berging Artikel 20 Wonen - Bijzonder woongebouw Artikel 21 Leiding - Water Artikel 22 Waarde - Archeologie 1 Artikel 23 Waarde - Archeologie 2 Artikel 24 Waarde - Archeologie 3 Artikel 25 Waarde - Archeologie 4 Artikel 26 Waarde - Cultuurhistorie Artikel 27 Waterstaat - Waterkering Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 28 Anti-dubbeltelregel Artikel 29 Algemene bouwregels Artikel 30 Algemene gebruiksregels Artikel 31 Algemene aanduidingsregels Artikel 32 Algemene afwijkingsregels Artikel 33 Overige regels Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 34 Overgangsrecht Artikel 35 Slotregel Bijlagen Bijlage 1 Beleidskader hoog risico biologische laboratoria Bijlage 2 Lijst van bedrijfsactiviteiten categorie 1 t/m 2 Bijlage 3 Ontwerpbesluit hogere waarden

72 73 74 75 76 76 85 86 86 87 89 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 105 106 107 109 111 113 115 117 118 119 119 120 121 122 122 126 127 127 128 129 130 131

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het nu geldende bestemmingsplan Feijenoord is niet meer actueel. Het opstellen van het bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma actualisering bestemmingsplannen. Voor drie projecten, Woningbouw Stampioenstraat, Havenlofts Nassauhaven en Piekstraat punt zijn recent drie gelijknamige (project-)bestemmingsplannen gemaakt. Voor een woongebouw op de Dukdalf-locatie is een projectbestemmingsplan in de maak. Voor het overige gebied rond de Piekstraat en het naastgelegen bedrijventerrein van Hunter Douglas wordt later een apart bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Gekozen planopzet

Dit bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande situatie vast. Wel worden een aantal nieuwe mogelijke ontwikkeling in het bestemmingsplan wettelijk verankerd.

5

1.3

Ligging en begrenzing

Het bestemmingsplan gaat over de wijk Feijenoord en is gelegen in het grotere en gelijknamige gebied Feijenoord. De grenzen van het gebied zijn de Oranjeboomstraat, Steven Hoogendijkstraat, Roentgenstraat, het midden van de Nieuwe Maas, het Mallegat en de Rosestraat. Feijenoord is een gemengd woongebied en onderdelen van het gebied zijn het Nassauhavenpark, de Persoonsdam, de Persoonshaven, de Dillenburgblokken, het Simonsterrein, het bedrijventerrein Piekstraat en het NSstation Rotterdam-Zuid.

6

Het plangebied grenst aan meerdere gebieden met grote ontwikkelingen: Parkstad in het westen, het Hefkwartier/Oranjeboomterrein in het noorden en Feyenoord City in het zuiden.

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

De volgende geldende plannen zijn geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied van het bestemmingsplan gelegen. Bij elk plan is aangegeven wanneer het is vastgesteld door de gemeenteraad en wanneer het is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie ZuidHolland: 687 Feijenoord Vastgesteld - 16-12-2010 Reparatie vastgesteld - 20-12-2012 Onherroepelijk - 25-09-2013 1064 Kop van Feijenoord Vastgesteld - 13-10-2016 Onherroepelijk - 31-12-2016

7

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Vastgesteld op 11 september 2020 Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het betreffen opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen en door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de opgaven als volgt ingedeeld:  ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;  verduurzamen van de economie en behouden van groeipotentieel;  sterker en leefbaarder maken van steden en regio's;  toekomstbestendig ontwikkelen van landelijk gebied. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

Relevant beleid voor het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied. 2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking) In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.

Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. 2.1.4.1 Toetsing Dit bestemmingsplan maakt op één locatie nieuwe woningen mogelijk, maximaal 32 woningen op de locatie Persoonshaven 85. De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (actualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging. Conclusie

8

De woningen die in dit bestemmingsplan mogelijk maakt voorzien in een actuele behoefte, liggen binnen bestaand stedelijk gebied en het gaat om transformatie van bestaande bebouwing of om nieuwbouw die past binnen het geldende bestemmingsplan. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Deze kaders zijn vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 en zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen staan operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. De provincie zet in op een groenblauwe structuur als samenhangend stelsel van verschillende groene ruimtes met land en water routes die stad en land met elkaar verbinden. Opgave daarbij is om de groene kwaliteiten zowel binnen als buiten de stad te versterken en de samenhang tussen stedelijke parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. Zes richtinggevende ambities zijn daarbij relevant: 1. klimaatbestendige delta; 2. een nieuwe, circulaire economie; 3. een levendige meerkernige metropool; 4. energievernieuwing, geen fossiele brandstoffen meer; 5. bereikbare provincie, geen files; 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het Omgevingsbeleid krijgt vorm via een opgave gerichte aanpak.

Vanuit maatschappelijke opgaven wordt er, samen met belanghebbenden, bepaald welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden toegepast. Op deze wijze wordt er een uitnodigend perspectief geboden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De ambities geven vorm aan de volgende provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit': 1. Landschap en cultuurhistorie: beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. 2. Gezondheid en veiligheid: zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder; 3. Natuur en recreatie: behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren; 4. Ruimte en verstedelijking: zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied; 5. Wonen: bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen; 6. Bodem en ondergrond: zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond; 7.

Cultuurparticipatie en bibliotheken: ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken; 8. Klimaatadaptatie: bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen; 9. Zoetwater en drinkwater: duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater; 10. Bereikbaarheid: bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders; 11. Regionale economie: versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie; 12. Energievoorziening: bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. Het bovenstaande heeft betrekking op de fysieke leefomgeving in brede zin en anticipeert op de

9

inwerkingtreding van de omgevingswet. Voor bestemmingsplannen is afdeling 6.2 van de omgevingsverordening (OV) relevant. De inhoud van deze afdeling is gelijk aan die van de Verordening Ruimte 2014, de voorloper van de Omgevingsverordening. 2.2.1.1 Relevant beleid voor het plangebied Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking is per 29 juni 2018 gelijk aan de ladder uit het Bro, voor zover het gaat om ontwikkelingen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Voor een toetsing aan de ladder wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.1.4. Artikel 6.11 Kantoren De Omgevingsverordening bevat regels voor ontwikkelingen die uitgaan van nieuwe kantoorfuncties. Zo zijn nieuwe kantoorfuncties alleen toegestaan wanneer ze zijn aangeduid op de bij de Omgevingsverordening horende kaart ten aanzien van kantoorlocaties. Er zijn echter een aantal uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld voor kleine zelfstandige kantoren met een bvo van ten hoogste 1.000 m² per vestiging, kantoren met een lokaal verzorgingsgebied en bedrijfsgebonden kantoren met een bvo dat minder bedraagt dan 50% van het totale bedrijfsoppervlak. Toetsing Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe kantoorlocaties mogelijk die groter zijn dan 1.000 m² b.v.o. per vestiging.

De meeste kantoorfuncties binnen het plangebied bevinden zich in de plinten van de gemengde bestemmingen langs doorgaande wegen. Er is geen sprake van grootschalige kantoorlocaties. Wat betreft kantoren is dit plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening. Artikel 6.12 Bedrijven Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat bedrijven tot uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein. Toetsing Er is geen bedrijventerrein aanwezig binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan. Wel ligt het terrein van het bedrijf Hunter Douglas direct buiten de plangrens van dit bestemmingsplan. Dit bedrijf is een non-ferro metaalgieterij/-smelterij met een productiecapaciteit van > 4000 ton per jaar. Dit type bedrijf behoort tot een milieucategorie 5.3. Dit bedrijf en de omgeving vormen geen belemmering voor elkaar. Wat betreft bedrijven is dit plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening. Artikel 6.13 Detailhandel In artikel 6.13 van de Omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan uitsluitend kan voorzien in nieuwe detailhandel indien deze binnen een bestaande winkelconcentratie ligt of daar direct aan grenst.

Verder is detailhandel uitsluitend toegestaan binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk of binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. In het tweede lid is bepaald dat eventuele nieuwe detailhandel daarnaast in overeenstemming moet zijn met het ontwikkelingsperspectief dat is beschreven in het bij de OV horende Programma Ruimte (PR). Bij nieuwe detailhandel met een oppervlak van 4.000 m² b.v.o. of groter in de centra van Rotterdam of Den Haag dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en is een advies nodig van de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. Tenslotte is in het derde lid opgenomen dat bepaalde typen detailhandel algemeen zijn toegestaan, zoals een gemakswinkel of detailhandel in ABCgoederen. Het provinciaal beleid ten aanzien van detailhandel is er op gericht ontwrichting van de detailhandelsstructuur zo veel mogelijk tegen te gaan. Ontwrichting van de detailhandelsstructuur kan structurele leegstand tot gevolg hebben. Structurele leegstand is ruimtelijk relevant omdat dit gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Parallel aan het voorkomen van leegstand wordt beoogd duurzame ontwrichting van het voorzieningenaanbod te voorkomen.

Duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau heeft als gevolg dat voorzieningen voor eerste levensbehoeften niet meer binnen een aanvaardbare afstand aanwezig zijn voor bewoners.

10

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van detailhandel dat is vervat in de Nota detailhandel (zie ook 2.3.5) en sluit aan bij het provinciaal beleid en pleit voor een evenwichtige detailhandelsstructuur. Een evenwichtige detailhandelsstructuur laat zich vertalen in het zo veel mogelijk voorkomen van leegstand enerzijds en zorgen voor voldoende winkelaanbod binnen een aanvaardbare afstand anderzijds. In de Nota worden winkelgebieden aangewezen die passen in de gemeentelijke detailhandelsstructuur en die om die reden toekomstbestendig zijn. Verspreid liggende detailhandel buiten deze winkelgebieden dient zoveel mogelijk tegengegaan te worden. Voor de winkelgebieden die in de Nota aangewezen worden als niet-toekomstbestendig geldt een transformatieopgave. Toetsing Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe detailhandel mogelijk ten opzichte van de bestaande detailhandelsstructuur of ten opzichte van de vorige bestemmingsplannen. De detailhandelsmogelijkheden uit het vorige plan wordt alleen overgenomen voor locaties waar ten tijde van het opstellen van dit plan detailhandel gevestigd is. Op de overige locaties komen detailhandelsmogelijkheden te vervallen. Het bestemmingsplan is hiermee in lijn met het provinciale detailhandelsbeleid.

Artikel 6.21 Veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas In het gebied tussen raainummer 1004 en raainummer 995 (waar alleen binnenvaartschepen met gevaarlijke stoffen langs de kade varen of aanmeren) moet een zone van 25 meter worden vrijgehouden van nieuwe bebouwing. In het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade is nieuwe bebouwing slechts mogelijk als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang én is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. Toetsing Het plangebied ligt voor een deel aan de vaarroute voor binnenscheepvaart over de Nieuwe Maas. De bebouwing betreft hier echter bestaande bebouwing. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt binnen een zone van 40 meter vanaf de kade. Het bestemmingsplan is niet in strijd met dit artikel. Artikel 6.23 Buitendijks bouwen Een inschatting van het slachterofferrisico bij een eventuele overstroming en een verantwoording van de afweging die is gemaakt voor het toelaten van nieuwe bebouwing. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 5.4.3 Waterkering en waterveiligheid.

2.3

Gemeentelijk beleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedsbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

11

2.3.1

Omgevingsvisie 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen'

Vastgesteld door gemeenteraad op 2 december 2021 De omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt. De omgevingsvisie gaat uit van 5 langetermijndoelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam, gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei:  Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen;  Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden. Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken.

Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer;  Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken;  Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar w grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreeërd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties;  Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening. 2.3.2

Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door:  de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen;  te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en  woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door:  een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad;  ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en  energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door:  het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen;  betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk;  goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken;  toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en  woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord

12

woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. 2.3.3 Werklocaties 2030: kantoren en bedrijfsruimte Vastgesteld op 12 maart 2020 door de Rotterdamse gemeenteraad Op 12 maart 2020 heeft de gemeenteraad de nota kantoren en de nota bedrijfsruimte vastgesteld. Kantoren Doel van het beleid is om richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, door:  het versterken van de nieuwe economie door concentratie van kantoren op zes locaties met de beste bereikbaarheid en verblijfskwaliteit, en ontwikkeling van specifieke clusters op vijf andere locaties;  een goede balans tussen vraag en aanbod door introductie van een Rotterdamse ladder (zodat snel duidelijk is of er een markttechnische onderbouwing is voor nieuwbouw);  het stimuleren van verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving (minimaal energielabel C). In de wijk Feijenoord zijn geen kantorenconcentratiegebieden aanwezig. Dit betekent dat het plangebied van dit bestemmingsplan in het Rotterdamse kantorenbeleid als overig gebied is aangemerkt.

Buiten de concentratiegebieden is de kantoorontwikkeling gericht op lokaal georiënteerde dienstverlening en kleinschalige bedrijvigheid, bijvoorbeeld in de vorm van een bedrijfsverzamelgebouw. Voor bedrijven die doorgroeien is het ondernemingsklimaat van de concentratiegebieden meer geschikt. Bedrijfsruimte Doel van het beleid is om voldoende bedrijfsruimte in Rotterdam te waarborgen - en richting te geven aan de ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties: 1. Behouden en zo goed mogelijk benutten van bedrijfsruimte: a. De totale omvang van de voorraad bedrijfsruimte wordt behouden en zo efficiënt mogelijk benut; b. Bedrijfsruimte in de wijken wordt zoveel mogelijk behouden; c. Nieuwe bedrijventerreinen krijgen een plek in de regio; 2. Functiemenging waar het kan, functiescheiding waar het moet: a. Ruimte-extensieve en zware bedrijvigheid wordt ingepast aan de rand van de stad of in de regio, arbeidsintensieve en lichte bedrijvigheid behoudt een plek in de stad; b. Op bedrijventerreinen met een transformatieopgave wordt ingezet op woonwerkgebieden met behoud van (vervangende) werkgelegenheid. 3. Stadsgebonden bedrijvigheid: a. Focus op vestiging van bedrijven die vanwege hun klanten- en werknemerskring een directe relatie hebben met de stad, en op: b.

Kleinschalige datacenters (digitalisering), city hubs en XS-warehouses (ecommerce), incubators en bedrijfsverzamelgebouwen ('de nieuwe economie'). 4. Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen: a. Focus op verduurzaming (energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie), en op: b. Verbetering van de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde en van de multimodale bereikbaarheid. Het nieuwe Rotterdamse beleid sluit aan op de Strategie Werklocaties van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), waarin de regiogemeenten afspraken hebben gemaakt over de programmering van kantoren, bedrijfsruimte en detailhandel. De Nota Bedrijfsruimte vormt samen met de Nota Kantoren 2020 en de Nota Detailhandel 2017 een totaalbeleid voor werklocaties in Rotterdam. Dit samenhangende beleid dient onder meer als basis voor gemeentelijke investeringen in de lokale economie.

13

2.3.4

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten:  de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035;  de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie;  de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin.

De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandert- steeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; 2. een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; 3. regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; 4. aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; 5. versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; 6. geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; 7. gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; 8. slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; 9. gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden. 2.3.5 Nota Detailhandel 2017 Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd.

De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven. De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader. Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra. Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd:  Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair)  Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur  Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen  Een bruisende Binnenstad! De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn:  Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld.

 Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk.

14

        

Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden. In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden. Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch. Geen nieuwe perifere concentratiegebieden. Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar. Geen detailhandel op bedrijventerreinen. Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels. Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties. Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling.

Gebiedskoersen De stedelijke ambities zijn het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking voor detailhandel. In de gebiedskoersen detailhandel zijn de winkelgebieden ruimtelijk begrensd, zodat voor iedereen duidelijk is wat de winkelgebieden in de stad zijn en wat de gemeentelijke koers daarbij is. De keuzes op gebiedsniveau vormen de basis voor het gemeentelijk handelen ten aanzien van enerzijds het versterken van winkelontwikkelingen (door bijvoorbeeld mee te werken aan nieuwe winkelvestiging) en anderzijds de transformatieopgave. 2.3.6 Gebiedskoers Detailhandel 2017-2020 Feijenoord De winkelvoorzieningen aan de Oranjeboomstraat zijn beleidsmatig niet getypeerd als winkelconcentratiegebied. In het voorgaande detailhandelsbeleid is opgenomen dat dit gebied haar functie als winkelgebied zal verliezen. In de huidige praktijk neemt de Oranjeboomstraat als voorziening voor de buurt nog wel een rol in voor een afgebakend verzorgingsgebied (begrensd door Spoor en water). Door de ligging, het huurprijsniveau en de directe verbinding met omwonenden heeft het een (ontmoetings)functie voor de buurt. Dit gemixte gebied ligt op zeer korte afstand van zowel de Vuurplaat als het Entrepot. Door de ligging ten opzichte van deze andere completere en concurrerende winkelclusters is het winkelperspectief beperkt Voor de Oranjeboomstraat is de volgende koers detailhandelstructuur opgenomen.

In de huidige situatie is deze straat het best te typeren als gemixt gebied. De reeds bestaande beleidsmatige koers dat de winkelfunctie in dit gebied op termijn verder zal verkleinen wordt voortgezet. Reden hiervoor is de korte afstand tot de winkelgebieden Vuurplaat en Entrepot in de winkelstructuur van Feijenoord. Het is daarmee een plek waar aan transformatie en functieverandering actief door gemeente wordt meegewerkt 2.3.7 Horecanota Rotterdam 2017-2021 Vastgesteld door B&W op 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie.

De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

15

Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

 Rotterdam bruist!;  de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden;  bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid;  ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot;  minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel;  uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);  wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken. Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel. Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht.

Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

16

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.3.8) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

17

Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor.

2.3.8 Horecagebiedsplan Feijenoord 2022-2024 In het horecagebiedsplan wordt er meer ingezoomd op het gebied zelf. Op deze manier wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een wijk bepalend is voor wat mogelijk is qua horecaontwikkeling. Meer concreet, in dit plan wordt de gewenste ontwikkeling van horeca in het gebied Feijenoord van de gemeente Rotterdam beschreven en op hoofdlijnen uitgewerkt. Oranjeboomstraat Het deel van de Oranjeboomstraat, dat is gelegen tussen de Steven Hoogendijkstraat en de Persoonshaven, is van oudsher het woonwinkelgebied voor de wijk Feijenoord. Alle panden in dit gebied zijn in het bezit van woningbouwcorporatie Woonstad. In de afgelopen jaren zijn het aantal avondhorecagelegenheden verminderd. Hierdoor is de overlast in het gebied aanzienlijk gedaald. Om die reden is het niet mogelijk avondhoreca op deze locatie te ontwikkelen. Met de nieuwbouw aan het Hefkwartier en het nieuwbouwcomplex de Dukdalf zal het aantal bewoners stijgen. In de Dukdalf is het mogelijk om daghoreca te ontwikkelen. Om een goede balans te krijgen tussen levendigheid en leefbaarheid wordt uitsluitend de basisvrijstelling toegestaan.

Nieuwe inrichtingen: Ontwikkelen met categorie 1 geldt voor de nieuwbouw aan de Oranjeboomstraat (De Dukdalf) Bestaande inrichtingen: Consolideren Vrijgesteld van de vergunningplicht: Basisvrijstelling 0.1 toegestaan Piekstraat - Nijverheidsstraat De Piekstraat en de Nijverheidstraat liggen beide op het eiland van Feijenoord. De Nijverheidsstraat is een gemengd woongebied met recreatiefunctie door de aanwezigheid van het Nassauhavenpark. Aan de Piekstraat (buiten het plangebied van dit bestemmingsplan gelegen) zijn voornamelijk bedrijven gevestigd en is geen horecagelegenheid aanwezig. Om meer levendigheid te creëren op het eiland, is de ontwikkeling van daghoreca (vrijgesteld van de vergunningsplicht) mogelijk. Verwacht wordt dat deze ontwikkelrichting geen nadelige invloed zal hebben op het woon- en leefklimaat. Aan de Nijverheidsstraat staat een karakteristiek rijksmonument uit 1898. Het verlaten kantoorgebouw van de Rotterdamsche Cementsteenfabriek Van Waning & Co. Het gebouw wordt getransformeerd tot een bijzondere horecagelegenheid met rondom terras. Doordat het pand op afstand staat van bewoning is het mogelijk om meer geluid toe te staan dan achtergrondmuziek. Het pand moet voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden in het activiteitenbesluit van de Wet Milieubeheer. Momenteel is aan de Piekstraat geen horecagelegenheid aanwezig.

Op de kop van het eiland, direct aan de rivier, wordt aan de Piekstraat een woontoren van 73 meter hoog ontwikkeld. In de plint van de woontoren is ruimte voor ontwikkeling van daghoreca. Het Skatepark van Rotterdam is gevestigd aan de Piekstraat. Momenteel wordt het Skatepark geëxploiteerd onder de basisvrijstelling. Op deze locatie is het mogelijk om de exploitatie onder andere uit te breiden een terras. Met de ontwikkeling van daghoreca (categorie 1) aan de Piekstraat zal de levendigheid toenemen. Nieuwe inrichtingen: Ontwikkelen met categorie 1 geldt voor de Piekstraat. Nijverheidstraat 53 ontwikkelen tot en met categorie 3

18

-

Bestaande inrichtingen: Consolideren Uitgesloten activiteiten: Activiteiten 3, 6, 15, 16, 17 en 18 Vrijgesteld van de vergunningplicht: Basisvrijstelling 0.1 toegestaan

2.3.9

Erfgoedverordening 2020

Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 28 januari 2021 door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.

Hoofdstuk 3

Beschrijving van het plangebied

3.1

Ontstaansgeschiedenis

3.1.1

Polderlandschap

De huidige ruimtelijke verschijningsvorm van Feijenoord is in belangrijke mate bepaald door de ligging van het eiland IJsselmonde in een rivierendelta en door de geomorfologie van de bodem. Het getij van de zee en de waterstanden in de rivieren vormden in onderlinge wisselwerking een landschap van eilanden, moerassen, veengebieden, kleiafzettingen en kreken. Voortdurend veranderde land in water en omgedraaid. De mens kreeg daardoor moeizaam grip op dit gebied. Sinds de middeleeuwen werd het gebied stukje bij beetje ingedijkt en gekoloniseerd. Na de overstroming van 1373 en de St. Elisabethsvloeden in 1404 en 1424 stond het land weer onder water en begon de gefaseerde drooglegging opnieuw. Het proces van bedijking verliep op Zuid stapsgewijs. Dat resulteerde in een onregelmatig patroon van ongelijkvormige polders van wisselende groottes.

19

Figuur 3.1 Kaart van Rotterdam uit 1710 van Pierre Ancelin. Langgerekte strekdammen zorgden voor aanwassing van het eiland Feijenoord. Tegelijkertijd bleef daardoor de vaargeul van de rivier beter op diepte (bron: GAR)

20

3.1.2

Havenstad

De stadsontwikkeling van Rotterdam voltrok zich tot ver in de negentiende eeuw uitsluitend op de Rechter Maasoever. De historische binnenstad van Rotterdam raakte echter volgebouwd. De bevolking verdrievoudigde tussen 1860 en 1900 van ruim honderd- naar driehonderdduizend inwoners. Rotterdam had daarom behoefte aan ruimte voor nieuwe woningen en terreinen voor havens en pakhuizen. Na lang wikken en wegen richtte de gemeente haar blik naar het zuiden en waagde de sprong over de rivier. De agrarische polders op de Linker Maasoever maakten op dat moment deel uit van de gemeenten Katendrecht, Charlois en IJsselmonde. Feijenoord behoorde toe aan de gemeente IJsselmonde, totdat het eiland in 1869 bij Rotterdam werd gevoegd. Na de aanleg van de Nieuwe Waterweg in 1864-1872 en de Zuiderspoorlijn in 1877 begon de verstedelijking op Feijenoord met de aanleg van havens en industrieterreinen.

Figuur 3.2 Kaart Feijenoord en omgeving 1919-1920

21

3.1.3

Woonstad

Ongeveer gelijktijdig met de aanleg van de havens kwamen in de tussenliggende restgebieden en op het Noordereiland woonbuurten tot ontwikkeling. Hiervoor ontwierpen respectievelijk de gemeente en de RHV stratenplannen. De bouwblokken van de stratenplannen werden vervolgens door een grote groep speculatieve bouwers ingevuld met vrijwel identieke woonhuizen in een historiserende architectuur met veel details in stuc. Aan de belangrijkste kades, aan de hoofdstraten en op de hoeken van de bouwblokken kregen de gevels veelal een iets voornamere uitstraling. Omstreeks 1965 hadden de negentiende eeuwse woningen hun langste tijd gehad. In het kader van de stadsvernieuwing werden ze in de daaropvolgende decennia gesloopt, opgeknapt, vervangen of zelfs gereconstrueerd. De woonbuurten werden bovendien uitgebreid ter plaatse van de verlaten industrieterreinen. Daardoor verschoof op Feijenoord het accent van de haven- naar de woonstad.

Figuur 3.3 Kaart Feijenoord en omgeving 1995

3.2

Archeologie

3.2.1

Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke Archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

22

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. 3.2.2

Bewoningsgeschiedenis

Het plangebied omvat een groot deel van het oude eiland Feyenoord. Het eiland, dat omgeven werd door de Nieuwe Maas en het Zwanegat, wordt reeds in 1441 vermeld. In 1591 werd het voor tweederde en in 1658 voor het resterende deel door de stad Rotterdam gekocht. Oorspronkelijk was het als opwas slechts 13 morgen groot. In het jaar 1814 was het, door aanpoldering en aanplemping, 'gegroeid' tot 167 morgen groot. Door het graven van de Noorderhaven ontstond in 1874 het Noordereiland. Het Zwanegat werd vergraven tot Spoorweghaven. De ondergrond van het grootste deel van het plangebied bestaat uit geul-, kom- en oeverafzettingen op een afwisseling van Hollandveen en rivierafzettingen (Afzettingen van Gorkum). Aan de noordzijde heeft diepe erosie door de Maas plaatsgevonden. Tijdens de aanleg van de Willemsspoortunnel zijn in deze erosieafzettingen vondsten van verspoeld aardewerk uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen 8e -12e eeuw) gedaan. Het geeft aan dat de oevers van de Maas vanouds aantrekkelijk waren voor bewoning. Het Maasmondgebied heeft zwaar te lijden gehad van overstromingen aan het einde van de 12e eeuw. Mogelijk is het gebied van Feyenoord bij het (her)bedijken van het verloren gegane gebied buiten de toen ontstane grote polder de Riederwaard komen te liggen. De Riederwaard zelf ging in 1373 ten onder.

Ten zuiden van het plangebied vonden vanaf de 15e eeuw (Hillepolder) herbedijkingen plaats. Het Zwanegat zou in 1373 gevormd kunnen zijn. In de 17e eeuw wist men nog te vertellen dat bij het uitgraven van sloten bij de Hille en Varkensoord boomstronken werden opgedolven "alsmede sware moppen, daer men wil seggen eertijdts een clooster gestaen zoude hebben". Dat dit niet denkbeeldig hoeft te zijn, bewijzen de diverse opgegraven funderingen van gebouwen uit de periode vóór 1373 op het eiland IJsselmonde, zoals bijvoorbeeld de kasteelfunderingen in Oud-Charlois en bij Ridderkerk. 3.2.3 Archeologische verwachting In het gebied waar de oude geul-, kom- en oeverafzettingen en het veen nog aanwezig zijn, kunnen bewoningssporen vanaf het Neolithicum aanwezig zijn. In de rest van het plangebied kunnen verspoelde vondsten vanaf het Neolithicum en mogelijk resten van schepen worden aangetroffen. Binnen het tot in het begin van de 19e eeuw ingedijkte gebied liggen enkele op de oudste kadastrale kaart (1811-1832) bebouwde terreinen, mogelijk ook met oudere bewoningssporen. 3.2.4

Archeologie in de regels en op de verbeelding

Waarde - Archeologie 1 Voor de locaties met de bebouwing die op de kadastrale kaart van 1811-1832 zijn weergegeven (waarde - archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld, ongeacht het verstoringsoppervlak van de ingreep. Waarde - Archeologie 2 Voor het gebied met oude kom- en oeverafzettingen en veen (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. Waarde-Archeologie 3 Voor de rest van het landgedeelte van het plangebied (Waarde -Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 3,0 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. Waarde - Archeologie 4

23

Voor het binnen het plangebied gelegen water (Waarde - Archeologie 4), geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 vierkante meter en die tevens dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem.

3.3

Cultuurhistorie

3.3.1

Stadsgezichten en monumenten

Algemeen De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijksbeschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten.

Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Cultuurhistorische verkenning Feijenoord Voor het plangebied is een Cultuurhistorische verkenning opgesteld, na een uitgebreide beschrijving van de historie van het plangebied, is hierin ook een waardering gemaakt van de belangrijkste cultuurhistorische waarden van het gebied.

24

3.3.2

Korte beschrijving van het plangebied

Polderlandschap De huidige ruimtelijke verschijningsvorm van Feijenoord is in belangrijke mate bepaald door de ligging van het eiland IJsselmonde in een rivierendelta en door de geomorfologie van de bodem. Het getij van de zee en de waterstanden in de rivieren vormden in onderlinge wis-selwerking een landschap van eilanden, moerassen, veengebieden, kleiafzettingen en kreken. Voortdurend veranderde land in water en omgedraaid. De mens kreeg daardoor moeizaam grip op dit gebied. Sinds de middeleeuwen werd het gebied stukje bij beetje ingedijkt en gekoloniseerd. Na de overstroming van 1373 en de St. Elisabethsvloeden in 1404 en 1424 stond het land weer onder water en begon de gefaseerde drooglegging opnieuw. Het proces van bedijking verliep op Zuid stapsgewijs. Dat resulteerde in een onregelmatig patroon van ongelijkvormige polders van wisselende groottes.

Havenstad De stadsontwikkeling van Rotterdam voltrok zich tot ver in de negentiende eeuw uitsluitend op de Rechter Maasoever. De historische binnenstad van Rotterdam raakte echter volgebouwd. De bevolking verdrievoudigde tussen 1860 en 1900 van ruim honderd- naar driehon-derdduizend inwoners. Rotterdam had daarom behoefte aan ruimte voor nieuwe woningen en terreinen voor havens en pakhuizen. Na lang wikken en wegen richtte de gemeente haar blik naar het zuiden en waagde de sprong over de rivier. De agrarische polders op de Linker Maasoever maakten op dat moment deel uit van de gemeenten Katendrecht, Charlois en IJsselmonde. Feijenoord behoorde toe aan de gemeente IJsselmonde, totdat het eiland in 1869 bij Rotterdam werd gevoegd. Na de aanleg van de Nieuwe Waterweg in 1864-1872 en de Zuiderspoorlijn in 1877 begon de verstedelijking op Feijenoord met de aanleg van havens en industrieterreinen.

25

Combinatie van haven en spoor Na de annexatie in 1869 van delen van de gemeenten Katendrecht, Charlois en IJsselmonde kon Feijenoord tot een haven- en industriegebied worden ontwikkeld. Het nieuwe uitbreidingsplan voorzag in het ophogen van de polder, de aanleg van het Noordereiland, de aanleg van kademuren en goederensporen en de bouw van diverse spoor- en verkeersbruggen. Voor het eerst werden havens en spoorwegen in een integraal concept gevat. Het betrof langgerekte insteekhavens in het buitendijkse gebied, loodrecht op de rivier en evenwijdig aan het spoorwegemplacement. De Zuiderspoorlijn deelde Feijenoord op in een oostelijk en een westelijk deel. Het oostelijke deel leende zich vooral goed voor de vestiging van industriële bedrijven. Aan de Nassaukade streken Brouwerij d'Oranjeboom (1885, gesloopt in 1990) en Margarinefabriek Van den Bergh (1891, thans Unilever) neer. Het westelijke deel leende zich juist goed voor de overslag met zeeschepen omdat deze dan geen bruggen hoefden te kruisen. Hier kwam het handelsterrein van de Rotterdamse Handels Vereniging tot ontwikkeling. Op de dam tussen de Nassau- en Persoonshaven vestigde zich de Coöperatieve Tuinbouwveiling Zuid-Hollandse Eilanden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=0e40bb11-45a4-4343-821f-6b1f6c42a06c