[23bb005241] Bijlage 5 behorende bij 23bb5277 - Zienswijzenrapportage
Tekst van het document
Zienswijzenrapportage en ambtshalve voorgestelde wijzigingen voor bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen van 6 januari 2023 tot en met 16 februari 2023. Gedurende deze periode zijn 3 zienswijzen ingekomen. De zienswijzen zijn aan de juiste instantie gericht en tijdig ingekomen, zodat reclamanten in hun zienswijzen kunnen worden ontvangen. Samenvatting en beantwoording van de zienswijzen 1. Gasunie Transport Services B.V. Deze zienswijze heeft betrekking op de planregels. 1.1. Aanpassen planregels Reclamant verzoekt een aanpassing van de planregels in het artikel ‘Leiding-Gas’, zodat alleen bouwwerken ten behoeve van de leidingen mogen worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter en overige gebouwen en bouwwerken niet zijn toegestaan, met uitzondering van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Reactie: In de huidige regels van artikel 30 ‘Leiding-Gas’ is onder de bouwregels een maximale inhoud opgenomen van 80 m3 voor in de bestemming passende bouwwerken. Dit is een standaardregel voor deze bestemming.
Reclamant heeft niet gemotiveerd waarom hier een maximale bouwhoogte van 3 meter nodig is, hetgeen een beperking van rechten van grondbezitters zou betekenen. Het voorstel van reclamant met betrekking tot de toegestane bebouwing wordt al grotendeels geregeld door artikelen 30.2.1 ‘Verbod’ en 30.2.2 ‘Uitzondering op verbod’. In deze regels is niet bepaald dat de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet mag worden uitgebreid noch dat er gebruik moet worden gemaakt van de bestaande fundering. Reclamant heeft ook hier geen motivering gegeven waarom een afwijking van de standaardregels nodig zou zijn. Aanwezige gasleidingen worden door artikel 30.3 beschermd: afwijken van het bouwverbod is enkel mogelijk met een omgevingsvergunning, welke alleen kan worden verleend nadat burgemeester en wethouders het schriftelijk advies van de beheerder van de leiding hebben ingewonnen. Hiermee bieden de regels voldoende bescherming aan het belang van de gasleidingen. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 2. Havenbedrijf Rotterdam N.V. Deze zienswijze heeft betrekking op de thema’s geluid en externe veiligheid. 2.1. Opnieuw berekenen geluidbelasting Reclamant stelt dat de omzetting van Letmaal naar Lden voor het industrielawaai niet correct is uitgevoerd.
Uit het onderzoek Nestgeluid schepen (bijlage 5) blijkt namelijk dat de Ldenwaarden voor industrielawaai inclusief nestgeluid gelijk of lager zijn dan de Letmaal-waarden voor industrielawaai. Conform de huidige rekenvoorschriften èn de voorschriften onder de Omgevingswet zolang er geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld voor de gezoneerde industrieterreinen, is de Letmaal-waarde gelijk aan de Lden-waarde. Reclamant verzoekt om de geluidbelasting opnieuw te berekenen aan de hand van de voorschriften en de berekende geluidwaarden te betrekken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Reactie: Het nestgeluid van afgemeerde schepen is thans nog geen wettelijke geluidbron (Dit is onder de Omgevingswet wel het geval). Het onderzoek naar het nestgeluid en het industrielawaai
inclusief het nestgeluid is uitgevoerd om te betrekken bij de afweging die gemaakt moet worden bij het vaststellen van hogere waarden voor de wettelijke geluidbronnen. Het onderzoek Nestgeluid schepen dat als bijlage 5 bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd voldoet inderdaad niet aan de huidige inzichten voor een dergelijk onderzoek. Daarom is een onderzoek naar het nestgeluid van schepen uitgevoerd. Dit nieuwe onderzoek heeft geen significant andere uitkomsten dan het eerdere onderzoek, en leidt daarom niet tot een andere afweging bij het vaststellen van hogere waarden. Vanwege het nieuwe onderzoek is wel een aanpassing van paragraaf 6.5.4 van de toelichting nodig. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze gegrond te verklaren en het ontwerpbestemmingsplan als volgt aan te passen: Toelichting: De tekst van paragraaf 6.5.4 wordt vervangen door de volgende tekst: “Scheepvaartlawaai Voor Scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen langs scheepvaartroutes en nabij industrieterreinen met afgemeerde schepen. Het plangebied ligt in de zones van de industrieterreinen Waal- en Eemhaven en Botlek/Pernis, en in de buurt van de scheepvaartroute de Nieuwe Maas.
Daarom is voor de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningbouwontwikkelingen de bijdrage van het nestgeluid en het geluid van varende schepen bepaald. Bepaald is wat de bijdrage van deze bronnen is voor de gevelwering onder de huidige wetgeving (Wet geluidhinder) en de toekomstige wettelijke kaders (omgevingswet). Uit de resultaten blijkt dat nestgeluid en scheepvaart zorgen voor een hogere benodigde geluidwering van maximaal 1 dB onder de Omgevingswet ten opzichte van alleen industrielawaai onder de huidige wetgeving. Gezien de beperkte extra geluidwering die nodig zou zijn onder de Omgevingswet is de overweging van de gemeente dat een geluidwering op basis van de huidige wetgeving niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.” Bijlagen: In bijlage 5 wordt het eerdere onderzoek Nestgeluid schepen vervangen door het nieuwe onderzoek. 2.2. Benodigde gevelwering borgen Reclamant merkt op dat in de toelichting van het bestemmingsplan is geconcludeerd dat de verplichte geluidwering voor een aantal bouwblokken niet afdoende is om aan de nodige binnenwaarde op basis van het gezamenlijke geluid te voldoen. Reclamant verzoekt om bepalingen op te nemen in het bestemmingsplan waarmee via een toets aan het gezamenlijke geluid de benodigde gevelwering alsnog wordt geborgd.
Hierbij verwijst reclamant naar het bestemmingsplan Parkkade, waarin een dergelijke methode is toegepast. Reactie: Bij de nieuwe woningbouw die het bestemmingsplan Parkkade mogelijk maakt is de geluidbelasting van de niet wettelijke geluidbronnen varende en aangemeerde schepen (nestgeluid) zo hoog dat het om een goed woon- en leefklimaat te borgen nodig was om te bepalen dat bij de gevelwering naar de gezamenlijke geluidsbelasting van wettelijke en niet wettelijke geluidbronnen gekeken moet worden. Ook gaat het bij het bestemmingsplan Parkkade om woningen die met dat bestemmingsplan nieuw mogelijk worden gemaakt. Bij het bestemmingsplan Hoogvliet Noordoost is de situatie anders. Bij de woningen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt is de gezamenlijke geluidbelasting inclusief nestgeluid niet zo hoog dat een bepaling zoals die in bestemmingsplan Parkkade is opgenomen door ons nodig wordt geacht. Bovendien gaat het bij Hoogvliet Noordoost om
locaties waar ook in het geldende bestemmingsplan woningen zijn toegestaan, waar grotendeels wordt gebouw ter vervanging van gesloopte woningen en waarover afspraken met ontwikkelende partijen zijn gemaakt. Het zou daarom onjuist zijn om in dit bestemmingsplan de regels aan te vullen met een bepaling over de gevelisolatie, zeker nu het ontwerpbestemmingsplan al ter inzage heeft gelegen. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 2.3. Aanpassen onderzoeksrapport Externe Veiligheid Reclamant stelt dat het onderzoek Externe Veiligheid, dat als bijlage is opgenomen bij het bestemmingsplan, niet actueel is. Volgens het onderzoek zou het invloedsgebied van het bedrijf Koole over het plangebied zijn gelegen. Reclamant merkt op dat er sinds het verrichten van voorgenoemd onderzoek een nieuwe QRA voor het bedrijf Koole beschikbaar is geworden, waaruit blijkt dat het invloedsgebied kleiner is. Reclamant verzoekt ons om het onderzoeksrapport Externe Veiligheid hierop aan te passen. Reactie: Het onderzoek Externe Veiligheid is inderdaad voor wat betreft groepsrisico niet actueel (voor plaatsgebonden risico wel). Daarom is in oktober 2022 het onderzoek Groepsrisico uitgevoerd, dat eveneens als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen. In dit recentere onderzoek is uitgegaan van het kleinere invloedsgebied van het bedrijf Koole.
In plaats van het aanpassen van het onderzoeksrapport Externe Veiligheid is ervoor gekozen om de update van de groepsrisicoberekeningen als bijlage bij te voegen. Dit is aangegeven in paragraaf 6.9 van de toelichting. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 2.4. Onderbouwen groepsrisico Reclamant stelt dat het onderzoek Externe Veiligheid en het bestemmingsplan onvoldoende duidelijk maken of de toename in 254 woningen, waarin het bestemmingsplan voorziet, gevolgen hebben voor het groepsrisico. Reclamant verzoekt nadere onderbouwing hiervan. Reactie: In het onderzoek Groepsrisico (met daarin de actuele en voor het bestemmingsplan gebruikte groepsrisicoberekening) is aangegeven met welke toename in woningen rekening is gehouden. In de vijf bestemmingen ‘Woongebied’ worden in totaal 254 nieuwe woningen mogelijk gemaakt, bij de ontwikkellocatie aan de Troubadourlaan worden circa 60 nieuwe woningen voorzien en bij de ontwikkellocatie aan de Wilhelm Tellhof worden circa 80 nieuwe woningen voorzien. Bij de groepsrisicoberekeningen is nog uitgegaan van (een hoger aantal van) 401 nieuwe woningen. In het onderzoek en de toelichting is per risicobron aangegeven of de ontwikkelingen gevolgen hebben voor het groepsrisico, en zo ja welke gevolgen. Onzes inziens is hiermee op dit punt voldoende duidelijkheid geboden.
Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 3. Rijkswaterstaat Deze zienswijze heeft betrekking op het thema verkeer. 3.1. Analyse verkeerseffecten hoofdwegennet Reclamant stelt dat het van belang is dat bij nieuwe grootschalige ontwikkelingen een analyse wordt opgesteld van de verkeersintensiteiten waarbij de verkeerseffecten van het plan op de (aansluitingen van) rijkswegen in beeld worden gebracht. Reclamant verzoekt ons een verder uitgewerkte mobiliteitsparagraaf op te nemen in de toelichting van het
bestemmingsplan. In het geval van negatieve effecten verzoekt reclamant dat in de analyse wordt aangegeven welke maatregelen hiertegen worden getroffen, wat daarvan de financiële haalbaarheid is en hoe de realisering is geborgd. Reactie: Het effect van het aantal nieuwe woningen dat met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt op het verkeer is (ten opzichte van het huidige aantal autoritten dat per etmaal door bebouwing in Hoogvliet wordt gegenereerd) dermate gering dat een analyse van de effecten hiervan op het hoofdwegennet niet doelmatig is. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. Ambtelijk voorgestelde aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan A1 Warmteleidingen Binnen het plangebied liggen enkele warmteleidingen van reclamant die niet zijn opgenomen in het bestemmingsplan. In een gesprek is in gezamenlijkheid geconcludeerd dat de warmteleidingen op dezelfde wijze in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen als in het naastgelegen bestemmingsplan “Hoogvliet Zuidwest” (NL.IMRO.0599.BP1132HvtZuidon1).
Wij stellen u voor om de verbeelding en de planregels hier als volgt op aan te passen: Regels: Het invoegen van een nieuw artikel genaamd artikel 34 “Leiding – Warmte”, met daarin onderstaande tekst: 34.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Warmte' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor ondergrondse warmtetransportleidingen, inclusief de bijbehorende voorzieningen alsmede voor de hierbij behorende belemmeringenstroken. 36.2 Bouwregels 36.2.1 Verbod Op de voor 'Leiding - Warmte' bestemde gronden mag, in afwijking van de bouwregels voor de andere voorkomende bestemming(en) dan 'Leiding - Warmte', binnen bedoelde zone niet worden gebouwd. 36.2.2 Uitzondering op verbod Het bouwverbod bedoeld in 36.2.1 geldt niet voor bebouwing welke is toegestaan ingevolge de bestemming 'Leiding - Warmte' en (vervangende nieuwbouw van) bebouwing welke aanwezig is op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.
36.2.3 Toegestane bouwwerken Ten behoeve van de functie 'Leiding - Warmte' mogen worden gebouwd in de bestemming passende bouwwerken zoals pomp-, regel-, meetstations e.d., elk niet groter dan 80 m3 en niet hoger dan 3 meter 36.3 Afwijken van de bouwregels 36.3.1 Omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen waarbij wordt afgeweken van het bepaalde in lid 36.2.1 ten behoeve van bouwwerken welke toegelaten zijn krachtens de andere toegelaten bestemming(en) dan 'Leiding Warmte', mits het belang van de leiding hierdoor niet wordt geschaad. 36.3.2 Advies
Alvorens de omgevingsvergunning te verlenen winnen burgemeester en wethouders het schriftelijk advies in van de beheerder van de leiding aan de hand waarvan zij desgewenst voorwaarden kunnen verbinden aan de vergunning, ter bescherming van het belang van de leiding. 36.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 36.4.1 Verbod Op de voor 'Leiding - Warmte' bestemde gronden is het verboden zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de onderstaande werken (geen bouwwerken zijnde) en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen; b. het indrijven van voorwerpen in de bodem (incl. heiwerkzaamheden); c. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven alsmede door ophogen; d. het aanbrengen van gesloten verhardingen; e. het verrichten van grondroer werkzaamheden, anders dan ten behoeve van leidingen; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; g. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; h. het permanent opslaan van goederen waaronder begrepen afvalstoffen.
36.4.2 Uitgezonderde werkzaamheden Zulks geldt niet voor werken en werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en de betreffende leiding en evenmin voor werken en werkzaamheden welke ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren, alsmede graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatieuitwisseling ondergrondse netten. 36.4.3 Omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning wordt verleend, indien de uitvoering van de werken c.q. werkzaamheden zoals vermeld in lid 36.4.1 geen gevaar oplevert voor de ondergrondse leidingen of het goed functioneren daarvan. 36.4.4 Advies Alvorens de omgevingsvergunning te verlenen winnen burgemeester en wethouders het schriftelijk advies in van de beheerder van de leiding, aan de hand waarvan zij desgewenst voorwaarden kunnen verbinden aan de vergunning, ter bescherming van het belang van de leiding. Verbeelding: De warmteleidingen zijn abusievelijk niet op de verbeelding vastgelegd. Voorgesteld wordt deze omissie alsnog te repareren.
A2 M.e.r.-beoordelingsbesluit Vanwege het nieuwe m.e.r.-beoordelingsbesluit dat op 11 juli 2023 door het college is genomen (naar aanleiding van gewijzigde inzichten op basis van recente jurisprudentie, wordt voorgesteld het voorgaande m.e.r.-beoordelingsbesluit, dat als bijlage 3 bij de toelichting is opgenomen, te vervangen door het nieuwe m.e.r.-beoordelingsbesluit. A3 Stikstof De stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen is opnieuw berekend, met het meest recente AERIUS-model. Voorgesteld wordt om paragraaf 6.10.2 ‘Gebiedsbescherming’ hierop aan te passen zoals hieronder is aangegeven. En om in bijlage 10 bij de toelichting de eerder uitgevoerde stikstofberekening te vervangen door de nieuwe stikstofberekening.
Toelichting: In plaats van de huidige tekst over stikstofdepositie wordt de volgende tekst opgenomen: “Voortoets stikstofdepositie Voor het bestemmingsplan is een berekening uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2022. In deze berekening zijn de beoogde eindsituatie met bijhorende verkeersgeneratie en de aanlegfase meegenomen, om inzicht te geven in de eventuele bijdrage van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden. Uit de uitgevoerde stikstofberekeningen volgt dat er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hiermee kunnen significante effecten voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie worden uitgesloten. Er is geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.” A4 Redactionele wijzigingen Wij stellen u voor om ondergeschikte redactionele wijzigingen in het bestemmingsplan door te voeren. Deze wijzigingen hebben geen juridische gevolgen. A5 Erfafscheidingen tuin Voorgesteld wordt om aan de bouwregels van de bestemming ‘Tuin’ een regeling voor de hoogte van erfafscheidingen toe te voegen. Zodat in de regels van het bestemmingsplan expliciet wordt geregeld dat in de voortuin erfafscheidingen niet hoger dan 1 meter mogen zijn. Regels: Artikel 19.2.2 ‘Bebouwingsnormen wordt aangevuld met sub h: “h. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt: 1.
2 meter voor erfafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan, tenzij grenzend aan het openbaar toegankelijk gebied; in dat geval bedraagt de maximum bouwhoogte 1 meter; 2. 1 meter voor erfafscheidingen vóór de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan.”