CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb004498] Bijlage behorende bij 23bb004497 over subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2024

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 23 augustus 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Onderwijs16.824 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor KDV. De accountant controleert: a. of het aantal doelgroeppeuters aan wie gratis uren zijn aangeboden zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met de administratie van de houder; b. of voor doelgroeppeuters met indicatie Extra spelen en leren aan wie gratis uren zijn aangeboden de CJG-doelgroepindicatie aanwezig en geregistreerd is in de administratie van de houder; C. of voor doelgroeppeuters met indicatie Gelijke kansen aan wie gratis uren zijn aangeboden de doelgroepindicatie geregistreerd is in de administratie van de houder; d. of het aantal gratis uren dat is aangeboden aan de doelgroeppeuters zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met de administratie van de houder.

7a

Onderwerp verantwoording. Alleen voor KDV. De houder vermeldt in het Excel-verantwoordingsformulier voor het kalenderjaar 2024: het aantal gefactureerde uren waarvoor subsidie wordt gevraagd voor het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur van ouders die bevestigd hebben geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag; d. het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd voor het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdragen van ouders die bevestigd hebben geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag. C.

7b

Toelichting en werkwijze accountantscontrole. Alleen voor KDV.

Pagina 26 van 43

De accountant controleert: a. of het aantal gefactureerde uren waarvoor subsidie wordt gevraagd zoals vermeld in het Excel-verantwoordingsformulier overeenkomt met het aantal uren dat aan ouders is gefactureerd; b. of het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd zoals vermeld in het Excelverantwoordingsformulier overeenkomt met het verschil tussen het maximale uurtarief voor dagopvang volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag en dé gefactureerde inkomensafhankelijke ouderbijdragen.

Pagina 27 van 43

Toelichting bij de Subsidieregeling voorschoolse educatie Rotterdam 2024 Algemeen Het college heeft in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid een wettelijke taak met betrekking tot voorschoolse educatie. Voor het uitvoeren van deze wettelijke taak ontvangt het college jaarlijks middelen van het rijk. Deze subsidieregeling is het instrument van het college om die middelen beschikbaar te stellen voor de uitvoering van voorschoolse educatie. In grote lijnen behelst deze wettelijke taak dat het college zorgt voor voldoende plaatsen voor voorschoolse educatie in aantal en spreiding over de stad voor alle peuters met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal. De voorschoolse educatie moet voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. In 2019 heeft het college het Rotterdamse onderwijsbeleid Gelijke kansen voor elk talent voor de periode 2019-2022 vastgesteld. In 2017 zijn met houders en schoolbesturen afspraken gemaakt voor de verdere verhoging van de kwaliteit van de voorschoolse educatie in het Kwaliteitskader voorschoolse educatie 2018, Rotterdamse kwaliteit in voorschoolse voorzieningen. AIie Rotterdamse kindercentra met voorschoolse educatie hebben dezelfde hoge Rotterdamse kwaliteit en alle Rotterdamse peuters kunnen daar gebruik van maken, ongeacht hun achtergrond wat betreft doelgroep/niet-doelgroep of het hebben van wel/niet werkende ouders.

Deze afspraken blijven onverminderd van kracht. Voorschoolse educatie is een speerpunt van het onderwijsbeleid voor de collegeperiode 20232026. Een belangrijk onderdeel van het beleid is het vergroten van het bereik onder twee- en driejarige doelgroeppeuters. In de afgelopen collegeperiode schommelde het bereik van voorschoolse educatie onder driejarige doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren rond de 80%. Dat betekent dat de driejarige doelgroeppeuters die niet zijn bereikt met voorschoolse educatie waarschijnlijk met een achterstand aan de basisschool zijn begonnen. In 2022 is de gemeente gestart met het opstellen van gebiedsanalyses om een beter beeld te krijgen van de populatie en het bereik van doelgroeppeuters per gebied en per wijk. In samenspraak met kinderopvanginstellingen en schoolbesturen en andere betrokkenen in de wijk worden succesfactoren voor het bereiken van doelgroeppeuters in beeld gebracht. Daardoor ontstaat een beter beeld van de redenen waarom ouders hun peuters wel of niet willen laten deelnemen aan voorschoolse educatie. Op basis van deze informatie kunnen in deze collegeperiode gerichte communicatieacties worden uitgevoerd om het bereik van doelgroeppeuters verder te verbeteren en daarmee een belangrijke doelstelling van deze subsidieregeling te realiseren.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de begrippen omschreven die in de subsidieregeling worden gehanteerd. Indicatie Extra spelen en leren De indicatie Extra spelen en leren wordt afgegeven door het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) binnen de gemeente Rotterdam. Sinds 1 oktober 2017 is deze doelgroep-indicatie als volgt bepaald: Pagina 28 van 43

1. 2.

een kind is verschenen op consult bij 14 en/of 24 maanden bij het CJG; en, a. het opleidingsniveau van de ouder die met de dagelijkse zorg is belast is mbo-1 niveau of lager; of, b. indien de thuistaal niet Nederlands is en de ouder die met de dagelijkse zorg is belast een opleidingsniveau heeft van maximaal mbo-4 niveau; of, c. wanneer uit de onderbouwde observatiegegevens van het CJG blijkt dat het kind baat heeft bij de indicatie vanwege een ontwikkelingsachterstand.

Wanneer de houder op basis van observatiegegevens constateert dat er zorgen zijn over de taalontwikkeling en/of sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind, dan kan de houder via de ouder van het kind de doelgroep-indicatie Extra spelen en leren aanvragen bij het CJG. Dit verloopt via een speciaal indicatieformulier Extra spelen en leren, dat de houder verstrekt aan de ouder. Een kind dat gebruik maakt van de plusopvang ontvangt automatisch de indicatie Extra spelen en leren van het CJG. Indicatie Gelijke kansen De indicatie Gelijke kansen wordt afgegeven door de houder als de ouder aantoonbaar gebruik maakt van schuldhulpverlening of schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen. De procedure voor de werkwijze van de houder is opgenomen in bijlage 2. Ve-programma peuteropvang Het college is wettelijk verplicht om een aanbod voor doelgroeppeuters te realiseren zodanig dat zij in de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar 960 uur gebruik kunnen maken van ve. Het ve-programma peuteropvang wordt daarom 16 uur per week gedurende 40 weken per kalenderjaar aangeboden. In de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar kan een doelgroeppeuter 60 weken maal 16 uur is totaal 960 uur gebruik maken van ve. Ve-programma dagopvang Voorschoolse educatie wordt ook uitgevoerd in kinderdagverblijven.

De kinderdagopvang kent een openstelling van 50 uur of meer per week gedurende 52 weken per kalenderjaar. Het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur voor doelgroeppeuters in de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar wordt dus verdeeld over 78 weken. Omdat het ve-programma dagopvang wordt verdeeld over een groter aantal weken dan het ve-programma peuteropvang is het aantal gesubsidieerde uren ve in het ve-programma dagopvang lager dan in het veprogramma peuteropvang, namelijk 12 uur en 18 minuten per week. Een niet-doelgroeppeuter, die recht heeft op de helft van het aanbod van een doelgroeppeuter, kan dus gebruik maken van 6 uur en 9 minuten gesubsidieerde ve per week. De 18 minuten voor een doelgroeppeuter en de 9 minuten voor een niet-doelgroeppeuter kunnen in de dagelijkse praktijk moeilijk te verwezenlijken zijn. De houder kan hier pragmatisch mee omgaan, zolang de totale omvang van het ve-programma dagopvang voor doelgroeppeuters voldoet aan de wettelijk eis van 960 uur in de leeftijdsperiode van tweeëneenhalf tot vier jaar. Voor peutergroepen in de kinderdagopvang kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd volgens de regels die gelden voor het ve-programma dagopvang en niet volgens de regels die gelden voor het veprogramma peuteropvang.

Pagina 29 van 43

Artikel 3 Activiteiten In dit artikel wordt bepaald welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen. Het gaat om het uitvoeren van een programma voor voorschoolse educatie in de peuteropvang en in de kinderdagopvang dat voldoet aan de Rotterdamse kwaliteitseisen. Artikel 4 Doelgroep In dit artikel wordt bepaald wie in aanmerking komt voor de subsidie. De subsidie kan alleen worden toegekend aan houders van kindercentra die geregistreerd zijn in het Landelijk register kinderopvang (Lrk). En de subsidie kan alleen worden ingezet in kindercentra binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam. Artikel 5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen In dit artikel wordt bepaald welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kosten voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang en kosten voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang. Kosten voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang Het ve-programma peuteropvang wordt uitgevoerd in een groep gedurende 16 uur per week en 40 weken per kalenderjaar overeenkomstig de weken waarin basisscholen zijn geopend. In afwijkende gevallen waarin het kalenderjaar 39 of 41 openingsweken telt, wordt voor de subsidieverlening gerekend met 40 openingsweken. De groep is uitsluitend geopend voor de uitvoering van voorschoolse educatie.

Voor deze groep komen de volgende kosten in aanmerking voor subsidie: de exploitatiekosten, de kapitaal- en onderhoudslasten van de locatie waar de groep is gehuisvest, de kosten voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en de kosten voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. Kosten voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang Het ve-programma dagopvang wordt uitgevoerd in een kinderdagverblijf dat 50 uur of meer per week en 50, 51 of 52 weken per kalenderjaar is geopend. Gedurende de week wordt tijdens een deel van de opvanguren het ve-programma dagopvang uitgevoerd. Voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang komen de volgende kosten in aanmerking voor subsidie: de kosten voor het coördineren en uitvoeren van het ve-programma dagopvang, de kosten voor de uren voorschoolse educatie van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, de kosten voor de gratis uren van doelgroeppeuters, de kosten voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en de kosten voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. Peuters met een sociaal-medische indicatie (SM/) Op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMI-kinderopvang Rotterdam 2018 is de voorschoolse educatie een voorliggende voorziening voor peuters met een sociaalmedische indicatie.

De deelname van deze peuters aan het ve-programma dagopvang komt dan ook voor subsidie in aanmerking volgens de regels van deze subsidieregeling. Om dubbele financiering uit te sluiten mag de houder de kosten van deelname van deze peuters Pagina 30 van 43

aan de voorschoolse educatie die worden gesubsidieerd door deze subsidieregeling niet ook ten laste brengen van subsidie op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMlkinderopvang Rotterdam 2018. De subsidie op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten SMl-kinderopvang Rotterdam 2018 kan wel als aanvulling worden ingezet op de subsidie van de Subsidieregeling voorschoolse educatie 2023, maar mag daarmee niet overlappen. Implementatiesubsidie De houder die voor een kindercentrum voor het eerst subsidie aanvraagt voor de uitvoering van voorschoolse educatie komt in aanmerking voor subsidie voor de eenmalige kosten van implementatie. Deze kosten kunnen betrekking hebben op: aanschaf ve-programma, aanschaf ve-materialen, training ve-programma voor pedagogisch medewerkers, aanschaf veobservatiesysteem, training werken met ve-observatiesysteem voor pedagogisch medewerkers, aanpassing pedagogisch beleid. Subsidie voorbereiding en uitvoering elektronische gegevensuitwisseling In samenspraak met de houders ontwikkelt de gemeente Rotterdam een systeem voor elektronische gegevensuitwisseling over de uitvoering van de voorschoolse educatie.

Deze elektronische gegevensuitwisseling zal in de plaats komen van de rapportages die nu periodiek door de houders aan de gemeenten worden aangeleverd, zodat de administratieve lasten zullen verminderen en de kwaliteit van de informatievoorziening zal verbeteren. Artikel 6 Hoogte van de subsidie In dit artikel wordt de hoogte van de subsidie bepaald. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de hoogte van de subsidie voor de kosten voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang en de hoogte van de subsidie voor de kosten voor de uitvoering van het veprogramma dagopvang. Subsidie voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang De subsidie wordt verleend per groep per kalenderjaar voor de uitvoering van het veprogramma peuteropvang in een groep waarin minimaal 12 en maximaal 16 peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn gedurende 16 uur per week en 40 weken per kalenderjaar. In verband met een efficiënte besteding van middelen wordt voor peuteropvanggroepen met een capaciteit van minder dan 12 peuters bij aanvraag van de subsidie in overleg met de houder bezien of er een oplossing kan worden gevonden. De subsidie voor deze peuteropvanggroep bedraagt op kalenderjaarbasis maximaal€ 90.350. Dit bedrag is in beginsel voldoende om de exploitatielasten (personeel, huisvesting, materialen, activiteiten en overhead) van de peuteropvanggroep te dekken.

Als een groep in de peuteropvang per 1 januari 2024 het voorschoolse programma (nog) niet 16 uur per week kan uitvoeren, maar het voorschoolse programma 12 uur per week uitvoert dan bedraagt de subsidie voor de exploitatielasten maximaal€ 67.750. In beide gevallen wordt de subsidie voor de exploitatielasten aangevuld met een subsidie van maximaal € 9.500 per groep per kalenderjaar voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. Voor een groep waarin maximaal 8 peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn en waarin het ve-programma wordt uitgevoerd door één pedagogisch medewerker is de.

Pagina 31 van 43

subsidie 50% van de subsidie voor een groep waarin minimaal 12 en maximaal 16 peuters tegelijk aanwezig kunnen zijn. De houder ontvangt van de ouders een ouderbijdrage voor deelname aan de voorschoolse educatie. De inkomsten van de houder uit ouderbijdragen worden verrekend met de subsidie zodanig dat het totaal van de subsidie en de ouderbijdragen uitkomt op€ 99.850. Dit bedrag is de optelsom van € 90.350 voor de exploitatielasten en € 9.500 voor het voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen en de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. In de praktijk werkt de verrekening als volgt. De houder geeft bij de subsidieaanvraag een prognose voor de inkomsten uit ouderbijdragen. Dit betreft zowel de ouderbijdragen van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag als de ouderbijdragen van ouders met recht op kinderopvangtoeslag. Stel: de houder geeft bij de subsidieaanvraag een prognose voor inkomsten uit ouderbijdragen van€ 20.000. Bij verlening van de subsidie worden deze inkomsten uit ouderbijdragen verrekend met de subsidie. De verleende subsidie bedraagt dan € 79.850, want dit bedrag samen met de ouderbijdragen van € 20.000 komt uit op€ 99.850. De houder die het ve-programma peuteropvang uitvoert in een schoolgebouw ontvangt aanvullend subsidie voor huisvestingslasten.

Als het schoolgebouw is opgenomen in de Collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen dan ontvangt de houder€ 625 subsidie voor de kosten van de onderhoudslasten. Als het schoolgebouw niet is opgenomen in de Collectieve huurovereenkomst van de gemeente Rotterdam voor de schoolbesturen dan ontvangt de houder€ 2.500 subsidie voor de kosten van de kapitaal- en onderhoudslasten. Subsidie voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang De subsidie voor de uitvoering van het ve-programma dagopvang in de kinderdagopvang bestaat uit vier onderdelen: 1. Een subsidie van € 400 per peuter per kalenderjaar voor de kosten van coördinatie, materialen, activiteiten et cetera gerelateerd aan de uitvoering van het ve-programma dagopvang. 2. Een subsidie van € 800 per peuter per kalenderjaar voor de kosten van het voldoen aan . . de Rotterdamse kwaliteitseisen en voor de kosten van de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie. Op deze subsidie is een staffel van toepassing. 3.

Een subsidie voor het verschil tussen het maximum uurtarief van de kinderdagopvang volgens het Besluit kinderopvangtoeslag en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag. 4. Een subsidie per uur volgens het maximum uurtarief van de kinderdagopvang volgens het Besluit kinderopvangtoeslag voor de gratis uren voor doelgroeppeuters. Bij de subsidieaanvraag geeft de houder voor de subsidies genoemd onder 1 en 2 een prognose voor het gemiddelde aantal peuters dat in een week is ingeschreven voor het veprogramma dagopvang. Het gemiddeld aantal peuters maal de bedragen onder 1 en 2, rekening houdend met de staffel, is bepalend voor de hoogte van de subsidie. Voor de subsidie genoemd onder 3 geeft de houder bij de subsidieaanvraag een prognose voor het aantal peuters en het aantal uren die in de subsidieperiode voor deze subsidie in aanmerking komen en een prognose van de hoogte van dat subsidiebedrag. Voor de subsidie genoemd Pagina 32 van 43

onder 4 geeft de houder bij de subsidieaanvraag een prognose van het totale aantal doelgroeppeuters en het totale aantal gratis uren dat in de subsidieperiode zal worden uitgevoerd. De hoogte van de subsidie voor onderdeel 4 wordt bepaald door het aantal gratis uren te vermenigvuldigen met het maximale fiscale uurtarief volgens het geldende Besluit kinderopvangtoeslag. Implementatiesubsidie

De houder kan een éénmalige subsidie van maximaal€ 10.000 aanvragen voor implementatie van de voorschoolse educatie in een kindercentrum waarvoor voor het eerst subsidie wordt aangevraagd. Hiervoor verstrekt de houder bij de subsidieaanvraag een implementatieplan en een onderbouwing van de geraamde kosten voor de implementatie. Subsidie voorbereiding en uitvoering elektronische gegevensuitwisseling

De gemeente treft voorbereidingen voor de invoering van een ve-monitor op basis van elektronische gegevensuitwisseling over de uitvoering van de voorschoolse educatie. Deze elektronische gegevensuitwisseling vervangt op termijn de twee tussenrapportages en de OBIrapportage voor de Feitenkaart ve. De elektronische gegevensuitwisseling zal leiden tot vermindering van de administratieve lasten. Voor de redelijk gemaakte implementatiekosten van deze elektronische gegevensuitwisseling wordt een eenmalige subsidie verleend aan de houder. De subsidieaanvraag voor dit onderdeel zal op een later tijdstip plaatsvinden zodra er meer informatie beschikbaar is. Artikel 7

Subsidieplafond

In artikel 7 wordt de hoogte van het subsidieplafond bepaald. Het subsidieplafond is inclusief een inschatting van de hoogte van de inkomsten uit ouderbijdragen. De inschatting is gemaakt op basis van de ervaringen in de afgelopen jaren. Als het totaal van deze ouderbijdragen hoger uitvalt dan vooraf ingeschat dan wordt de extra subsidieruimte ingezet voor nieuwe groepen of verdere verbetering van de kwaliteit van de voorschoolse educatie. Als het totaal van de ouderbijdragen lager uitvalt dan de inschatting stijgen de subsidie uitgaven. Artikel 8

Wijze van verdeling

In artikel 8 wordt bepaald hoe de verdeling van de subsidie tot stand komt. Om de continuïteit in de uitvoering van de voorschoolse educatie te waarborgen komen groepen waarvoor in het voorgaande kalenderjaar subsidie is verleend als eerste in aanmerking voor subsidie. Daarna komen bestaande niet-gesubsidieerde groepen in een kindercentrum met een wachtlijst voor doelgroeppeuters in aanmerking voor subsidie, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna de kindercentra in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst. Vervolgens komen nieuw te starten niet-gesubsidieerde groepen in een kindercentrum met een wachtlijst voor doelgroeppeuters in aanmerking voor subsidie, waarbij het kindercentrum met de langste wachtlijst als eerste in aanmerking komt en daarna de kindercentra in aflopende volgorde van de lengte van de wachtlijst. Ten slotte komen nietgesubsidieerde groepen in aanmerking voor subsidie, waarbij bestaande groepen voorrang hebben op nieuw te starten groepen.

Pagina 33 van 43

Voor de lengte en de samenstelling van de wachtlijst zijn de gegevens van de Feitenkaart ve 2023 die wordt verzorgd door Onderzoek en Business Intelligence bepalend. De Feitenkaart ve 2023 wordt samengesteld op basis van gegevens die houders aanleveren over de eerste: week van oktober 2023. AIie houders, ook houders die nog geen subsidie voor voorschoolse educatie ontvangen, worden in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan dit onderzoek. Artikel 9

Aanvraag

In artikel 9 wordt bepaald hoe de subsidieaanvraag moet worden ingediend. Nadat de subsidieregeling is vastgesteld door het college ontvangen houders met een kindercentrum in de gemeente Rotterdam informatie over de subsidieregeling, een informatiebrochure over voorschoolse educatie en informatie over de procedure voor het aanvragen van deze subsidie. Voor de subsidieaanvraag worden digitale aanvraagformulieren ter beschikking gesteld. De subsidieaanvraag bestaat uit een PDF-aanvraagformulier en een Excel-aanvraagformulier. In het PDF-aanvraagformulier geeft de houder aan of aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. Als dat niet het geval is, geeft de houder aan hoe en wanneer wel aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. In dat geval kunnen maatwerkafspraken worden gemaakt met de houder over de wijze waarop en de periode waarbinnen de houder zal gaan voldoen aan de subsidievoorwaarden. In het Excel-formulier geeft de houder aan voor welke locaties en groepen subsidie wordt aangevraagd. De houder vermeldt daarbij de prognoses voor de van toepassing zijnde subsidieonderdelen voor de uitvoering van het ve-programma peuteropvang of het veprogramma dagopvang.

Houders die voor een kindercentrum voor het eerst subsidie aanvragen voegen bij de aanvraag bovendien een specificatie van de urenstructuur voor de uitvoering van het veprogramma, een implementatieplan voor voorschoolse educatie en een observatiesystem, een opgave van de implementatiekosten met onderbouwing en het pedagogisch beleidsplan. Houders met wie de gemeente Rotterdam al een subsidierelatie heeft voor voorschoolse educatie ontvangen automatisch de aanvraagformulieren. Houders die voor het eerst subsidie willen aanvragen kunnen hiervoor contact opnemen met de gemeente. De contactgegevens van de gemeente zijn vermeld in de informatiebrochure. De subsidieaanvraag moet uiterlijk 30 september 2023 digitaal via het webportaal van de gemeente Rotterdam worden ingediend. Als het subsidieplafond niet is bereikt op basis van de aanvragen die zijn ingediend uiterlijk 30 september 2023 dan kan het college de mogelijkheid tot het indienen van aanvragen opnieuw openstellen. Aanvragen kunnen dan worden ingediend in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 mei 2024. De subsidieverlening voor deze aanvragen heeft betrekking op de periode 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024. Deze hernieuwde openstelling wordt officieel bekend gemaakt via overheid.nl en via de gebruikelijke communicatiekanalen van de gemeente met de houders. Artikel 10

Aanvullende weigeringsgronden

Pagina 34 van 43

In artikel 10 zijn aanvullende weigeringsgronden opgenomen. De hoogte van de subsidie per groep is gebaseerd op groepen met 12 tot en met 16 peuters. In verband met een efficiënte besteding van gemeenschapsmiddeleri kan geen subsidie worden verleend als bij aanvraag in een groep gemiddeld op locatieniveau minder dan vijf peuters gebruik maken van de voorschoolse educatie. Bij de subsidieverlening ve wil het college een verband leggen met het gemeentelijke toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang, zoals bepaald in de Wet kinderopvang en de wet IKK. Dit betekent concreet dat als uit toezichtinformatie van de GGD-inspectierapporten naar voren komt dat ten tijde van de aanvraag de basiskwaliteit van de opvang in een kindercentrum niet in orde is op het domein 'Pedagogisch klimaat' of het domein 'Personeel en groepen' en handhaving heeft niet het gewenste effect, de subsidieverlening voor voorschoolse educatie voor het betreffende kindercentrum kan worden geweigerd. Bij mogelijke weigering van de subsidie vindt vooraf overleg plaats met de houder. De houder wordt in de gelegenheid gesteld aan te tonen welke inspanningen worden verricht om de overtredingen te herstellen.

Als de subsidieverlening is geweigerd en de toezichthouder oordeelt dat de geconstateerde overtredingen volledig zijn hersteld dan kan bij een volgende aanvraagronde opnieuw een subsidieaanvraag worden ingediend. Artikel 11

Verplichtingen

In dit artikel is bepaald aan welke wettelijke verplichtingen de houder moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie. Daarnaast moet de houder voldoen aan de Rotterdamse kwaliteitseisen, die opgenomen zijn in bijlage 1 bij deze subsidieregeling, en medewerking verlenen aan onderzoek naar de uitvoering van de Rotterdamse kwaliteitseisen, dat wordt uitgevoerd door de toezichthouder in samenspraak met de houder en met de gemeentelijke contactpersoon. De houder moet het ve-programma peuteropvang of het ve-programma dagopvang uitvoeren en peuters in de gelegenheid stellen om hieraan te blijven deelnemen tot het moment waarop het kind daadwerkelijk start op de basisschool. De houder die plusopvang uitvoert, verzoekt het Centrum voor Jeugd en Gezin een kind dat gebruik maakt van plusopvang te registreren met de indicatie Extra spelen en leren als het kind daar nog niet over beschikt. Als er sprake is van een wachtlijst voor een kindercentrum dan hanteert de houder bij plaatsing van de peuters de vastgestelde voorrangsregels. Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Aanvullende verplichtingen voor de uitvoering van het ve-programma Urenstructuur ve-programma peuteropvang Urenstructuur ve-programma dagopvang

In artikel 12 zijn aanvullende verplichtingen bepaald voor de uitvoering van het ve-programma. De urenstructuur voor de uitvoering van het ve-programma is bepaald in de artikelen 13 en 14 voor respectievelijk het ve-programma peuteropvang en het ve-programma dagopvang. In Rotterdam wordt voorschoolse educatie uitgevoerd voor peuters vanaf de leeftijd van 2 jaar. In 2018 werd door het Rijk een wettelijke vèrplichting voor gemeenten aangekondigd om aan doelgroeppeuters in de leeftijdsperiode vanaf 2 ½ tot 4 jaar een aanbod van 960 uur voorschoolse educatie te doen. Gemeente en houders hebben daarna uitvoerig overleg gevoerd op welke manier aan deze nieuwe verplichting het beste vorm kon worden gegeven. Dit overleg heeft geleid tot afspraken die de houder voldoende flexibiliteit geven om de Pagina 35 van 43

urenuitbreiding in te vullen binnen de beschikbare mogelijkheden. Daarnaast geven de afspraken aan de gemeente zekerheid dat de voorschoolse educatie met voldoende intensiteit per week worden uitgevoerd. Verder zijn afspraken gemaakt over het aantal uren waarvoor de ouders de ouderbijdrage betalen binnen het nieuwe stelsel. Deze afspraken zijn opgenomen in de Eerste wijziging Subsidieregeling voorschoolse educatie 2019 en zijn ongewijzigd overgenomen in de Subsidieregeling voorschoolse educatie 2024. De afspraken over de vormgeving van het ve-programma, over de urenstructuur en over de uren waarvoor de ouderbijdrage geldt zijn hierna in twee tabellen weergegeven: tabel 1 voor het ve-programma peuteropvang en tabel 2 voor het ve-programma dagopvang.

Tabel 1 Aanbod en deelname voorschoolse educatie in het ve-programma peuteropvang met ingang van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. Leeftijd peuter

2-2,5 jaar

2,5- 4 jaar

Totaal

Aantal weken

20 weken

60 weken

80 weken

Aanbod voor

Aanbod en deelname van

Wettelijk aanbod en

Minimaal

doelgroep-

minimaal 120 en maximaal 160 uur ve

deelname aan 960 uur ve

1.080 uur en maximaal

peuter

1.120 uur ve Aanbod voor

Aanbod en deelname van

Aanbod en deelname aan

Minimaal 600

niet-doelgroep-

minimaal 120 en maximaal

480 uur ve

uur en

peuter

160 uur ve

maximaal 640 uurve

Afspraken voor structurering van het aanbod: Dagdeelve

Het ve-programma wordt aangeboden in dagdelen, waarbij een dagdeel ten minste 3 uren omvat (inclusief 15 minuten voor de momenten voor brengen en 15 minuten voor de momenten van halen).

Maximaal aantal uren ve per dag

Het ve-programma wordt gedurende maximaal 6 uur per dag aan een peuter aangeboden. De opvanguren zonder educatief kenmerk (zoals bijvoorbeeld voor slapen en rusten) mogen niet worden gerekend tot het ve-programma.

Aanbod ve

Niet-doelgroeppeuters: a.

In de leeftijd van 2 tot 4 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 600 tot maximaal 640 uur ve verdeeld over minimaal 2 dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 80 weken.

Doelgroeppeuters: C.

In de leeftijd van 2 tot 2,5 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 120 tot maximaal 160 uur ve verdeeld over minimaal 2 dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 20 weken.

d.

Intensivering van aanbod en deelname gericht op het wettelijk verplichte aanbod ve zoals hierna vermeld, kan starten op het moment dat het kind er klaar voor is, maar start uiterlijk op de leeftijd van 2,5 jaar.

Pagina 36 van 43

e.

In de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar wordt het wettelijk verplichte aanbod en deelname aan ve van 960 uur verdeeld over 60 weken, waarbij het aanbod gedurende de week wordt verdeeld over zoveel mogelijk daqen.

Wenperiode

In de leeftijd van 2 jaar tot 2 jaar en 3 maanden kan afgeweken worden van de afspraken voor het aanbod ve om het kind te laten wennen aan de deelname aan het ve-proaramma.

Differentiatie naar leeftijd

Het is toegestaan om groepen in te delen naar leeftijd (groepen van tweejarigen en groepen van driejarigen).

Ouderbijdrage ti

Periode van 1-1-2024 t/m

In de periode van 1-1-2024 tot en met 31-12-2024: f. betaalt de ouder voor een niet-doelgroeppeuter in de leeftijd van 2 tot

31-12-2024

4 jaar de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 600 en maximaal 640 uur ve afhankelijk van de omvang van het veprogramma; g.

betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren in de leeftijd van 2 jaar tot de start van het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 120 en maximaal 160 uur ve afhankelijk van de omvang van het ve-programma;

h.

betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren vanaf de start van het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbijdrage voor 50% van dat aanbod. De andere 50% zijn gratis voor de ouder. De gratis uren voor de ouder subsidieert de gemeente aan de houder. De ouder komt alleen in aanmerking voor 50% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Extra spelen en leren deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van minimaal 720 uur.

i.

betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Gelijke kansen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma. De ouder komt alleen in aanmerking voor 100% gratis uren als de doelgroeppeuter met indicatie Gelijke kansen deelneemt aan een ve-programma dat is gericht op een omvang van minimaal 720 uur.

Tabel 2 Aanbod en deelname voorschoolse educatie in het va-programma dagopvang met ingang van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. Leeftijd peuter

2-2,5 jaar

2,5-4 jaar

Totaal

Aantal weken

26weken

78 weken

104 weken

Pagina 37 van 43

Aanbod voor

Aanbod en deelname van

Wettelijk aanbod en

doelgroep-

minimaal 120 en maximaal 160 uur ve

deelname aan 960 uur ve

Aanbod voor

Aanbod en deelname van

niet-doelgroep-

minimaal 120 en maximaal

Aanbod en deelname aan 480 uur ve

peuter

160 uur ve

peuter

maximaal 1.120 uur ve

Afspraken voor structurering van het aanbod: Dagdeelve

Minimaal 1.080 uur en

Minimaal 600 uur en maximaal 640 uurve

Het ve-programma wordt aangeboden in dagdelen, waarbij een dagdeel ten minste 3 uren omvat.

Maximaal aantal

Het ve-programma wordt gedurende maximaal 6 uur per dag aan een peuter

uren ve per dag

aangeboden. De opvanguren zonder educatief kenmerk (zoals bijvoorbeeld voor

Aanbod ve

slapen en rusten) mogen niet worden gerekend tot het ve-programma. Niet-doelgroeppeuters: a.

In de leeftijd van 2 tot 4 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 600 en maximaal 640 uur ve verdeeld over minimaal 2

dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 104 weken. Doelgroeppeuters: b.

In de leeftijd van 2 tot 2,5 jaar wordt het aanbod en de deelname aan minimaal 120 en maximaal 160 uur ve verdeeld over minimaal 2 dagdelen per week die verdeeld zijn over minimaal 2 dagen per week gedurende 26 weken.

c.

Intensivering van aanbod en deelname gericht op het wettelijk verplichte aanbod ve zoals hierna vermeld, kan starten op het moment dat het kind er klaar voor is, maar start uiterlijk op de leeftijd van 2,5 jaar.

d.

In de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar wordt het wettelijk verplichte aanbod en deelname aan ve van 960 uur verdeeld over 78 weken, waarbij het aanbod gedurende de week wordt verdeeld over minimaal 3 dagen. Als een ouder niet meer dan 2 dagen opvang kan of wil afnemen, is het toegestaan om ten minste 12 uur ve verdeeld over 2 dagen per week aan de doelgroeppeuter aan te bieden.

Wenperiode

In de leeftijd van 2 jaar tot 2 jaar en 3 maanden kan afgeweken worden van het kader voor het aanbod ve om de peuter te laten wennen aan de deelname aan het ve-proaramma.

Differentiatie naar leeftijd

Het is toegestaan om groepen in te delen naar leeftijd (groepen van tweejarigen en groepen van driejarigen).

Ouderbijdrage Periode van 1-1-2024 t/m

In de periode van 1-1-2024 tot en met 31-12-2024: e.

31-12-2024

betaalt de ouder voor een niet-doelgroeppeuter in de leeftijd van 2 tot 4 jaar de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 600 en maximaal 640 uur ve afhankelijk van de omvang van het ve-programma;

f.

betaalt de ouder voor een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren in de leeftijd van 2 jaar tot de start van het wettelijk

Pagina 38 van 43

verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbijdrage voor deelname aan minimaal 120 en naximaal 160 uur ve afhankelijk van de omvang van het ve-programma g.

betaalt de ouder vc or een doelgroeppeuter met de indicatie Extra spelen en leren vanaf de start van het wettelijk verplichte aanbod van 960 uur ve de ouderbidrage voor 50% van dat aanbod. De andere 50% zijt gratis voor de ouder. De gratis uren voor de ouder subsidieert de geme nte aan de l ouder. De ouder komt alleen in aanmerking voor 50% gt, ·tis uren als de doelgroeppeuter deelneemt aan een ve programr, 'a dat is ri ht op een omvang van minimaal 720 uur h. betaalt de uder voor 2en doelgroeppeuter met de indicatie Gelijke kansen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar geen ouderbijdrage voor deelname aan het ve-programma. D ouder komt alleen in aanmerking voor 100% gratis uren als de do. lgroeppeuter met indicatie Gelijke kansen deelneemt aan een ve-progr 3mma dat is gericht op een omvang van minimaal 720 uur.

Artikel 15 Ouderbijdrage In artikel 15 is bepaald hoe de ouderbijdrage voor deelname aan voorschoolse educatie wordt vastgesteld. De houder brengt voor de deelname aan het ve-programma een ouderbijdrage in rekening bij de ouder van de peuter. Voor doelgroeppeuters met de indicatie Extra spelen en leren van het CJG is 50% van het ve-aanbod gratis, onder de voorwaarde dat de houder e verschuldigde ouderbijdrage voor de andere 50% van het ve-aanbod bij de ouder in rekening heeft gebracht. Voor doelgroeppeuters met de indicatie Gelijke kansen is het gehele veaanbod gratis. Ouders van doelgroeppeuters komen alleen in aanmerking voor gratis uren als het ve-aanbod minimaal 720 uur omvat. De houder bepaalt of een ouder tot de doelgroep Gelijke kansen behoort en volgt hiervoor de procedure bepaald in bijlage 2 behorend bij deze subsidieregeling. De houder volgt bij het bepalen van de ouderbijdrage de procedure vastgesteld in bijlage 3 behorend bij deze subsidieregeling. Ouders met recht op kinderopvangtoeslag betalen aan de houder voor de uren ve waarvoor de ouderbijdrage is verschuldigd het maximum uurtarief1 voor dagopvang volgens het Besluit kinderopvangtoeslag en vragen bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag aan. Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag betalen aan de houder voor de uren ve waarvoor de ouderbijdrage is verschuldigd een inkomensafhankelijke ouderbijdrage.

De hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag stelt de houder vast op basis van de ouderbijdragetabel in bijlage 4 behorend bij deze subsidieregeling. In schrijnende gevallen kan de houder afwijken van de procedure voor de bepaling van de ouderbijdrage en een lagere of geen ouderbijdrage voor de uren ve vragen aan de ouder. De houder registreert deze gevallen. Als deze afwijkingen van de procedure in verband met

1

Houders bepalen zelf de hoogte van het uurtarief. Dit kan afwijken van het maximum uurtarief voor de kinderdagopvang zoals vastgesteld in het Besluit kinderopvangtoeslag. Pagina 39 van 43

sci rijnende gevallen leiden tot een afwijking van meer dan tien procent van de gefactureerde om zet van de gesubsidieerde uren ve dan meldt de houder dit direct aan het college. De houd·r hanteert een vastgestelde incassoprocedure waarvoor minimaal geldt dat deze chriftelijl is vastgelegd, openbaar is en duidelijke termijnen stelt Art, el 16

Implementatieperiode voorschoolse educatie

In artil el 1S is t epaald welke afspraken over de implementatie van voorschoolse educatie kunnen v, rden gemaakt met de houder die voor het eerst voor een kindercentrum subsidie aanvraagt. De houder die voor het eerst subsidie voor voorschoolse educatie aanvraagt ka mogelijk niet direct ,an alle suvsidieverplichtingen voldoen. In dat geval kan met de hou4e, voor de duur van 1 ja r een implementatieperiode worden afgesproken waarin de houd8 alsnog aan de verplick tingen gaat voldoen. Hierover worden afspraken gemaakt voorafgaan3 aan de subsidieverleni g. Op diens verzoek kan de houder gebruik maken van de mogelijkheid om g du ende de implementatieperiode het kindercentrum waarvoor voor het eerst subsidie is aaguvr agd in het Landelijk register kinderopvang niet aan te laten merken als een kindercentrum me voorschoolse educatie. Artikel 17

Tuss nraprortages

In artikel 17 is bepaald welke tussenrapportages de houder gedurende de subsidieperiode aan het college verstrekt. Daarbij is aan geven op welke periode de rapportages betrekking hebben en op welke datum de rapport ges uiterlijk moeten worden aangeleverd. Voor deze rapportages ontvangt de houder door h t college vastgestelde rapportageformulieren. Met deze rapportages kunnen de prognoses van de houder gedaan bij de subsidieaanvraag tussentijds worden vergeleken met de erkelijke realisatie. Met deze gegevens monitort het college de uitputting van het budget en de beleidsmatige doelstelling ten aanzien van het bereik van voorschoolse educatie. De gemeente treft voorbereidingen voor de invoering van een ve-monitor op basis van elektronische gegevensuitwisseling met de houders. Deze elektronische gegevensuitwisseling zal op termijn de tussenrapportages vervangen. Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21

Verzoek tot vaststelling van de subsidie Verzoek tot vaststelling van subsidies van € 25.000 tot en met € 50.000 Verzoek tot vaststelling van subsidies van € 50.000 tot en met€ 200.000 Verzoek tot vaststelling van subsidies vanaf€ 200.000

In de artikelen 18 tot en met 21 is vastgesteld welke gegevens de houder, afhankelijk van de hoogte van de verleende subsidie, aan het college verstrekt voor het verzoek tot vaststelling van de subsidie. Het verzoek tot vaststelling van de subsidie moet de houder uiterlijk op 31 maart 2025 bij het college indienen via het webportaal van de gemeente Rotterdam. De houder ontvangt door het college vastgestelde formulieren voor het indienen van het verzoek tot vaststelling van de subsidie. Dit betreft een PDF-formulier voor de verantwoording van de kwaliteit van ve en een Excel-formulier voor de verantwoording van de realisatie van de uitvoering van de ve. Daarnaast levert de houder per locatie een verantwoording over de resultaten van opbrengst gericht werken, hierna te noemen OGW. Houders die implementatiesubsidie hebben ontvangen, dienen bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie een overzicht in van de werkelijke kosten van de implementatie van voorschoolse Pagina 40 van 43

edu natie met een onderbouving. Als subsidie is verl end aan de houder voor implementatie van elektronische gegevensuitwisseling dan levert de houder hiervoor een overzicht van 48 gemaakte 'osten met een onderbouwing.

Voor subsidieverleningen van € 25.000 en hoger levert d houder bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie aanvullend een financiële ve antwoording waarin de werkelijke lasten van de gesubsi ieerde activiteiten worden afgezet tegen de inkomsten uit subsidie en ouderbijdragen. Afwijkir,en van meer dan 10% van de subsidieverlening moeten wor8 toegelicht. Voor subsidieverleningen van € ).000 en hoger levert de houder bij het verzoek tt vaststelling van de subsidie aanv llend een assurance-r. pport van een onafhankelije accountant. Bij he' assurance-raport voegt de houder he t Excel-fo·mulier voor 43 verantwoording van de realisatie van de uitvoering van de ve gewaar merkt door de accountant. Voc · subsidieverleningen van € 50.000 tot en met € 200.000 betreft het een assurance-rapp rt met beperk.'e mate van zekerheid. Voor subsidieverleningen vanaf € 200.000 betre t het een assurance-rapport met redelijke mate van zekerheid. In het volgende o verzicht zijn de documenten voor het verzo k tot vaststelling van de subsi3 vermeld. Per subsidiecategorie is vermeld of de aanlevering van de vermelde documenten verplicht of niet vn toepassing is. Voor de kosten van impleme tatie geldt aanlevering van do vermelde documen'en alleen indien implementatiesubsidie van toepassing is. Door de houder aan te leveren documenten voor het verzoek tot vaststelling van de subsidie

Subsidies tot €5.000

PDF-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2024 kwaliteit' Excel-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2024'

Subsidies vanaf € 50.000 tot € 200.000 Verplicht

Subsidies vanaf € 200.000

Verplicht

Subsidies vanaf € 25.000 tot € 50.000 Verplicht

Verplicht

Verplicht

Verplicht

Verplicht

Excel-formulier 'Verantwoording OGW ve 2024' of rapportage uit BOSOS of KIJK!

Verplicht

Verplicht

Verplicht

Verplicht

Financiële verantwoording over de werkelijke lasten afgezet tegen de inkomsten uit subsidie en ouderbijdragen

N.v.t.

Verplicht

Verplicht

Verplicht

Assurance-rapport met beperkte mate van zekerheid

N.v.t.

N.v.t.

Verplicht

N.v.t.

Assurance-rapport met redelijke mate van zekerheid

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Verplicht

Door de accountant gewaarmerkt Excel-formulier 'Verantwoording subsidie ve 2024'

N.v.t.

N.v.t.

Verplicht

Verplicht

Pagina 41 van 43

Verplicht

Overzicht kosten implementatie ve met onderbouwing Overzicht kosten implementatie elektronische gegevensuitwisseling met onderbouwing Artikel 22

Indien van toepassing Indien van toepassing

Indien van toepassing Indien van toepassing

Indien van toepassing Indien van toepassing

Indien van toepassina Indien van toepassing

Controle accountant

In artikel 22 is geregeld dat indien een accountantscontrole is vereist bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie deze accountantscontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften van bijlage 5 behorend bij deze subsidieregeling. Artikel 23

Vaststelling van de subsidie

Bij de subsidieaanvraag heeft de houder voor de verschillende subsidieonderdelen prognoses gegeven. In het verzoek tot vaststelling heeft de houder de werkelijke realisatie voor deze subsidieonderdelen gegeven. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van de werkelijke realisatie. Vaststelling subsidie voor het ve-programma peuteropvang In het verzoek tot vaststelling vermeldt de houder welke ve-groepen op welke locaties gedurende de subsidieperiode zijn uitgevoerd, inclusief het aantal weken uitvoering. Daarnaast vermeldt de houder hoeveel peuters en doelgroeppeuters deelnamen aan het veprogramma op twee telmomenten en of hun ouders wel of geen recht hadden op kinderopvangtoeslag. Ten slotte vermeldt de houder de gefactureerde en de werkelijk geinde inkomsten uit ouderbijdragen. Bij vaststelling van de subsidie worden de werkelijk geïnde inkomsten verrekend met de subsidie. Dit kan betekenen dat de subsidie hoger of lager wordt vastgesteld afhankelijk van de hoogte van de inkomsten uit ouderbijdragen. De ouderbijdragen en de subsidie voor een groep waarin het ve-programma peuteropvang 16 uur per week gedurende 40 weken per jaar is uitgevoerd, tellen samen op tot een bedrag van € 99.850, zie hiervoor de toelichting bij artikel 6. Stel: in het verzoek tot vaststelling van de subsidie meldt de houder dat de werkelijke inkomsten uit ouderbijdragen € 10.000 bedragen.

De subsidie wordt dan vastgesteld op € 89.850 want dit bedrag samen met de inkomsten uit ouderbijdragen komt uit op€ 99.850. Als de werkelijke inkomsten uit ouderbijdragen in dit voorbeeld € 30.000 bedragen dan wordt de subsidie vastgesteld op € 69.850 want dit bedrag samen met de inkomsten uit ouderbijdragen komt uit op€ 99.850. Voor een peuteropvanggroep die minder dan 40 weken is uitgevoerd, wordt de subsidie vastgesteld naar rato van het aantal weken dat de groep is uitgevoerd. Vaststelling subsidie voor het ve-programma dagopvang In het verzoek tot vaststelling vermeldt de houder welke ve-groepen op welke locaties gedurende de subsidieperiode zijn uitgevoerd, inclusief het aantal weken uitvoering. Daarnaast vermeldt de houder hoeveel peuters en doelgroeppeuters deelnamen aan het veprogramma op twee telmomenten en of hun ouders wel of geen recht hadden op kinderopvangtoeslag. Voorts vermeldt de houder het aantal uren op jaarbasis dat peuters met Pagina 42 van 43

ouders die geen recht hadden op kinderopvangtoeslag deelnamen aan het ve-programma dagopvang en het bijbehorende subsidiebedrag voor het verschil tussen de ouderbijdragen die de houder heeft ontvangen en het maximale fiscale uurtarief volgens het Besluit kinderopvangtoeslag. Ten slotte vermeldt de houder op jaarbasis het aantal doelgroeppeuters en het aantal gratis uren dat zij deelnamen aan het ve-programma dagopvang. De houder heeft bij de subsidieaanvraag een prognose gedaan voor het aantal peuters dat gemiddeld per week gebruik maakt van de voorschoolse educatie. De vaststelling van de subsidie voor dit onderdeel vindt plaats op basis van de werkelijke realisatie van het gemiddeld aantal bereikte peuters. Deze realisatie wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal van de twee telmomenten. Het gemiddeld aantal peuters maal het subsidiebedrag per peuter, rekening houdend met de staffel voor het subsidiebedrag voor kwaliteit, is bepalend voor de hoogte van de vaststelling van dit subsidieonderdeel. Voor een peuteropvanggroep die minder dan 50 weken is uitgevoerd, wordt de subsidie vastgesteld naar rato van het aantal weken dat de groep is uitgevoerd.

De subsidie ter aanvulling van de ouderbijdrage van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag tot het maximale fiscale uurtarief volgens het Besluit kinderopvangtoeslag wordt vastgesteld op basis van de werkelijke realisatie op jaarbasis. Ook de subsidie voor de gratis uren voor doelgroeppeuters wordt vastgesteld op basis van de werkelijke realisatie op jaarbasis. Het vastgestelde aantal gratis uren wordt vermenigvuldigd met het geldende maximale fiscale uurtarief volgens het Besluit kinderopvangtoeslag. Vaststelling implementatiesubsidie Bij de subsidieaanvraag onderbouwt de houder de geraamde kosten voor de implementatie. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie vermeldt de houder de werkelijke kosten voor de implementatie met een onderbouwing. Bij een voldoende onderbouwing wordt de subsidie voor de implementatieactiviteiten conform verlening vastgesteld. Als blijkt dat de kosten voor implementatie aantoonbaar substantieel hoger zijn dan€ 5.000 dan kunnen daar bij de vaststelling van de subsidie aanvullende afspraken óver worden gemaakt.

Pagina 43 van 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c06faf75-f202-4353-a1d0-46f47e2bb21d