[23bb003650] Brief van Stichting Cralingheroort met reactie op collegebrief inzake het ontwerp partiele herziening omgevingsvisie Rotterdam
Tekst van het document
StC_01_062023
Aan het College gemeente Rotterdam en de leden van de Gemeenteraad
Rotterdam, 1 juni 2023
Geachte Raadsleden,
De Stichting Cralingheroort heeft kennisgenomen van de brief van het College van burgemeester en wethouders (verder: het college) d.d. 23 mei 2023 met betrekking tot het ontwerp partiele herziening omgevingsvisie Rotterdam – Oostflank. De stichting zal op een later moment nog een zienswijze inbrengen. Op dit moment wil de stichting de leden van de gemeenteraad (verder: de raad) echter persoonlijk en direct benaderen. Het gaat de stichting daarbij om de gang van zake omtrent de oeververbinding. De stichting stelt voorop dat Rotterdam niet af is (zoals de titel van de Omgevingsvisie 2021 ook al verwoordt). Er is een blijvende noodzaak om tot woningbouw te komen. De stichting vindt dat één van de grote problemen die het stadsbestuur moet aanpakken. Echter: de kwaliteit van leven moet daarbij niet uit het oog worden verloren. De stichting heeft nota genomen van de overwegingen om te komen tot een volgende oeververbinding. En juist op dat punt maken wij ons zorgen over de besluitvorming in Rotterdam. Het is aan overheidsorganen om tot besluiten te komen. Daarbij dient het overheidsorgaan zich aan een aantal regels te houden, zoals: -
Een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, waaronder ook wordt verstaan een zorgvuldig vergaren van alle relevante feiten; Een behoorlijk motivering van het besluit. Het besluit moet door die motivering kunnen worden gedragen.
Bij de oeververbinding missen wij bij de betrokken wethouders een besef van de vereisten die de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengen. Wat dat betreft is van belang dat het niet het College is dat een besluit gaat nemen omtrent de omgevingsvisie. Het is de raad die moet besluiten. De raad moet dus nagaan of het besluit dat van de raad gevraagd wordt wel zorgvuldig is voorbereid en voldoende gemotiveerd kan worden. Uw raad heeft in 2022 gezien dat het College gestart is op basis van een coalitie akkoord. Dit akkoord meldt op p. 31 dat gekozen wordt voor een metroverbinding. Enkele maanden later, zonder inzicht te geven in de afwegingen, besluit de betrokken wethouder verder te gaan met een ander plan: geen tunnel maar een brug, geen metro maar een tram. In 5 maanden tijd zijn de omstandigheden niet verandert, maar de wensen van de betrokken wethouder wel. Pagina 1 van 3
StC_01_062023
Nog daargelaten dat de betrokken wethouder dit besluit nam voordat hij alle gevraagde adviezen had gekregen omtrent mogelijke oeververbindingen (maar liefst 6 varianten zijn bezien) en daargelaten de schoffering van de participanten, is uw raad in meerderheid meegegaan in de voorkeursvariant van de wethouder, zonder dat er een onderbouwing voor die variant is. De stichting heeft meermalen navraag gedaan omdat er naar onze mening essentiële problemen rondom de aanleg van een brug zijn (gelet op het wettelijk kader omtrent het aanleggen van bruggen). Ook de binnenvaart heeft aangegeven dat een brug tot grote problemen kan leiden. Telkens weer waren wij verbaasd over het feit dat essentiële elementen eenvoudigweg niet uitgezocht zijn onder het motto: “Daar kijken we later naar”. Telkens weer hoort de stichting dat het later uitgezocht gaat worden. De stichting is dan ook geschokt dat nu – na de beslissing in november 2022 omtrent de voorkeursvariant (beter gezegd: de enige variant die bezien wordt), de raad in het proces van de herziening van de omgevingsvisie een ontwerp voorgelegd krijgt, waarin geen helderheid geboden wordt over essentiële zaken. We hebben niets aan stoere opstellingen van het College (zoals: p. 7/10 van de brief van het College: “Ons College waardeert de kritische blik van de DCMR….
(maar) Wij zijn van mening dat verdere aanvullingen niet leiden tot inperking van deze risico’s.”). Het straalt uit wat de stichting al een tijd ervaart: het College heeft niet de behoefte om de feiten te kennen. Dit verbaast ons mede gelet op het feit dat Rotterdam in 2022 geconfronteerd is met vernietigende uitspraken van de Raad van State. Wij zouden meer besef van zorgvuldigheid en behoefte aan feiten verwachten na dergelijke uitspraken. In de brief van 23 mei 2023 geeft het College aan dat men denkt dat men juridische procedures niet zou kunnen beperken door meer onderzoek te doen. De stichting leest dat met verbazing: het College kiest er voor om niet uit te zoeken of een brug feitelijk en juridisch haalbaar is (en straalt uit: laat die burgers maar procederen als er over geruime tijd een appelabel besluit is, wij, College gaan verder). Het College ziet daarbij over het hoofd dat een completering van het onderzoek er toe zou kunnen leiden dat een beter (onderbouwd) of een ander besluit genomen zou kunnen worden, waardoor het aantal procedures beperkt zou kunnen worden of succesvoller voor de gemeente Rotterdam en haar (toekomstige) inwoners zou kunnen aflopen. Het kwalijke hiervan is dat het College onoverzienbare risico’s voor lief neemt en juist daarmee zou kunnen belemmeren dat de woningen in de gewenste periode gebouwd kunnen worden.
Indien immers een brug als oeververbinding feitelijk of juridisch onhaalbaar is, stopt nu alles. Simpel zeggen: wij weten genoeg om tot bestuurlijke keuzes te komen is stoer, maar onverantwoord. In de brief van DCMR van 23 mei 2023 worden tal van problemen beschreven, het College heeft deze nauwelijks willen bezien. Het College schuift de kritiek Pagina 2 van 3
StC_01_062023
van DCMR immers op dezelfde dag al terzijde. Zorgvuldigheid vraagt nadenken in plaats van stoer zijn. Het College gaat zelfs niet in op het feit dat de Esch onder het NNN-beleid valt en dat daar het College van Gedeputeerde Zaken bevoegd is. De stichting merkt op dat omtrent deze wijziging omgevingsvisie door potentiële participanten (gelet op het schofferen in november 2022) is aangegeven: wat is het nut voor burgers om te participeren. Op deze vraag gaf wethouder Zeegers op 11 mei 2023 aan dat besloten is een brug te bouwen en dat een zienswijze dat besluit niet kan wijzigen. De stichting is er dan ook nog niet uit of zij meedoet aan de participatie. Wat de stichting dwars zit is het feit dat enerzijds gezegd wordt door het College: er is nog geen besluit in bestuurlijke zin om een brug aan te leggen. Daarbij wordt gevraagd om te participeren. Maar anderzijds zegt het College onomwonden: die brug die gaat er komen, want dat is besloten (in politieke zin). Daargelaten of men een oeververbinding wil, zullen er procedures volgen omdat het besluit onzorgvuldig is genomen en omdat er juridische vraagstukken zijn die het College nu niet wil oplossen. De stichting merkt op dat het mantra: ‘dit zoeken we nog uit’ miskent dat het College in dat geval aan de burgers vraagt om een zienswijze in te dienen op een moment dat alle feiten nog niet bekend zijn.
De stichting heeft één kans om een zienswijze te geven. Op het moment dat het College (eindelijk) bereid is om de juridische vraagstukken te bezien, krijgt de stichting niet een tweede kans. Daarom: de problemen moet het College nu bezien, onderkennen en beantwoorden. Niet op een later tijdstip. Het risico voor Rotterdam dat er vertraging optreedt bij de woningbouw door eenvoudigweg te weigeren alle problemen te bezien is onverantwoord. De stichting is op ieder moment bereid omtrent deze zorgen met uw raad(sleden) in overleg te gaan. Bij deze brief treft u overigens voor het gemak, de brief van DCMR nog aan. Met vriendelijke groet,
Het bestuur van Cralingheroort, B.J.H. van Rooij, Voorzitter.
Pagina 3 van 3
Parallelweg 1
Gemeente Rotterdam Aan college van burgemeester en wethouders
Postbus 843 3100 AV Schiedam T 010 – 246 80 00 E info@dcmr.nl W www.dcmr.nl
Ons kenmerk
Uw kenmerk
1611977_4708628
Datum
23 mei 2023
Contact
Afdeling
Bijlagen
info@dcmr.nl
Reguleren Advies en Omgeving
1
Onderwerp
Beoordeling Aanvulling ROER - gebiedsontwikkeling A tot Z / MER MIRT Verkenning Oeververbinding
Geacht college,
Op 4 mei 2023 heeft DCMR een zestal documenten van u ontvangen ter beoordeling en toetsing. Het betreffen documenten in het kader van de Aanvulling Omgevingseffectrapportage (Aanvulling ROER) voor de eerste herziening Omgevingsvisie Rotterdam – Gebied Alexander-Zuidplein (A tot Z). In het voorliggende advies wordt verwezen naar de kernpunten van het DCMR-advies van januari 2023. Het betrof een tussentijds (ambtelijk) advies over het MER en de Omgevingseffectrapportage (Aanvulling ROER). Voor de navolgbaarheid en transparantie is dit advies is in bijlage 1 bij deze brief opgenomen. Conclusie beoordeling en advies DCMR constateert in de beoordeelde documenten nog onduidelijkheden en tekortkomingen.
Indien de gemeente besluit om de vervolgstappen in de m.e.r.- en besluitvormingsprocedure te zetten en door te gaan met ter inzage legging van de stukken, dan verwacht DCMR de volgende risico’s: • een groot aantal inspraakreacties van burgers en belangenpartijen; • een ‘kritisch’ toetsingsadvies van de Commissie-m.e.r., waarin mogelijk zal worden geadviseerd de informatie uit de Aanvulling ROER aan te vullen ten behoeve van de besluitvorming; • mogelijke aanpassing van de partiële herziening van de Omgevingsvisie, omdat uit de nu voorliggende documenten nog onvoldoende blijkt of de voorgestelde plannen uitvoerbaar zijn; • beroepsprocedures bij de Raad van State bij toekomstige ruimtelijke besluiten, met als mogelijk gevolg de noodzaak om dan de Omgevingsvisie te moeten herzien.
Blad 1 van 7
Ons kenmerk
1611977_4708628
Om tot een goede en zorgvuldige besluitvorming te komen adviseert DCMR dan ook om eerst de geconstateerde onduidelijkheden en tekortkomingen in de rapporten weg te werken, alvorens de vervolgstappen (i.c. ter inzage legging, adviesvraag bij de Commissie m.e.r., bespreking met de gemeenteraad en vaststelling herziening Omgevingsvisie door College van B&W) van de m.e.r.- en besluitvormingsprocedure in gang te zetten. Bij een collegebesluit tot directe voortzetting van de m.e.r.-procedure adviseert DCMR de gevraagde verduidelijkingen en aanvullingen in ieder geval aan te leveren in de periode tot aan de vaststelling van de definitieve partiële herziening van de Omgevingsvisie door het college B&W begin september 2023. Toelichting op advies Bodem en water sturend DCMR adviseerde tijdens het opstellen van het MER om een derde alternatief -naast de twee in de NRD beschreven verstedelijkingsalternatieven- te ontwikkelen op basis van het principe “bodem en water sturend” (zie bijlage 1). Met deze aanpak is het idee een alternatief te ontwikkelen dat op de lange termijn robuust en duurzaam zal zijn, in het licht van de nu al in het gebied optredende wateroverlast, bodemdaling en de gevolgen van klimaatverandering.
In de beoordeelde rapporten blijkt dat de twee onderzochte verstedelijkingsalternatieven “concentreren” en “spreiden” primair vanuit de sturende principes van infrastructuur, openbaar vervoer, stedenbouw en woningbouw zijn ontwikkeld. ”Bodem en water sturend” is slechts vormgegeven middels twee subvarianten. En pas nà de constatering dat de twee verstedelijkingsalternatieven “concentreren” en “spreiden” negatief scoren op de aspecten bodem en water. De twee sub-varianten zijn ontwikkeld op basis van, zogenaamde mitigerende, klimaatadaptieve, maatregelen met als uitgangspunt de verstedelijkingsalternatieven. De mitigerende maatregelen zijn toegevoegd om de negatieve effecten op wateroverlast en bodemdaling te beperken. Er is geen gelijkwaardig zelfstandig alternatief “verstedelijking op basis van bodem en water sturend” ontwikkeld. Oftewel een alternatief waarbij de bodemgesteldheid en het watersysteem leidend zijn voor de ruimtelijke keuzes. In de subvarianten worden naar mening van DCMR bodem en water niet als sturende principes gehanteerd, maar ze worden op een gelijkwaardig wijze beoordeeld zoals de thema’s economie, welzijn, woningbouw etc.. De verstedelijkingsalternatieven spreiden en concentreren zijn wel gebaseerd op sturende principes. Daar is namelijk gekozen voor bundeling van woningbouw langs infrastructuur en nabij OV-haltes en knooppunten.
In de Aanvulling ROER staat niet duidelijk uitgelegd hoe de adviezen over bodem en water sturend van de Commissie-m.e.r. en DCMR zijn verwerkt. In de betreffende passages wordt niet duidelijk op basis van welke inhoudelijke gronden er geen derde alternatief is ontwikkeld en onderzocht.
Blad 2 van 7
Ons kenmerk
1611977_4708628
Afstemming en integratie voorkeursbeslissing MIRT Verkenning Oeververbinding en OV De Commissie-m.e.r. adviseerde om in de Aanvulling ROER aan te geven hoe de MIRT-verkenning en de ontwikkeling van gebiedsontwikkeling A tot Z (Oostflank) inhoudelijk en procedureel op elkaar worden afgestemd en hoe wordt omgegaan met de samenhang en wederzijdse afhankelijkheden tussen beide. DCMR adviseerde aanvullend om in de Aanvulling ROER de voorkeursbeslissing van de MIRT-Verkenning niet als een vast uitgangspunt te beschouwen. Het advies was ook onderzoek te doen naar alternatieve oplossingen voor infrastructuur (metro of tunnel) en modaliteiten (OV, tram en metro) in de verschillende deelgebieden van de Oostflank. In de Aanvulling ROER is echter de bestuurlijke voorkeursbeslissing van het Bestuurlijk Overleg (BO) MIRT als uitgangspunt gehanteerd. Terwijl dat nog geen planologisch-juridisch besluit is, dat met een afgeronde m.e.r.-procedure is onderbouwd. De effecten van de zes alternatieven voor de oeververbinding die in het MER MIRT Verkenning zijn onderzocht komen daardoor niet terug in de twee verstedelijkingsalternatieven A tot Z (concentreren en spreiden). En andersom zijn de keuzes uit de verstedelijking niet onderzocht aan de hand van verschillende alternatieven voor de oeververbinding. DCMR is daarom van mening dat er geen sprake is van een integraal (m.e.r.)onderzoek.
Deze aanpak komt ook niet overeen met hetgeen de gemeente zelf in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) heeft opgenomen. Citaat uit de door het college van B&W vastgestelde NRD (paragraaf 3.3.1): “De alternatieven worden samengesteld aan de hand van de volgende variabelen: de varianten voor de oeververbinding en voor een hoogwaardige OV-verbinding, die worden onderzocht in de MIRT-verkenning ….”. De aanpak uit de aanvulling ROER geeft naar mening van DCMR geen invulling aan hetgeen in de NRD is opgenomen. Gesteld wordt dat het alleen meenemen van de bestuurlijke voorkeursbeslissing (en niet meenemen van de zes alternatieven uit de MIRT Verkenning) een voordeel is, omdat de effectbepaling beperkt kan blijven. De Aanvulling ROER maakt niet duidelijk op basis van welke inhoudelijke gronden er geen integraal effectonderzoek is uitgevoerd. Samenhang met de Omgevingsvisie Rotterdam (vastgesteld door de raad in 2021) De gebiedsontwikkeling A tot Z landt in de eerste herziening van de Omgevingsvisie. Dit wordt gezien als de door de gemeente bedoelde (gebieds-)uitwerking. Dat betekent dat in de Aanvulling ROER bij de gebiedsontwikkeling A tot Z invulling moet worden gegeven aan de adviezen en aandachtspunten uit het ROER (2021). Dit betrof zowel de adviezen van de Commissie m.e.r. als de aandachtpunten die de raad heeft meegegeven.
De agendapost voor de vergadering van het college van B&W van Rotterdam op dinsdag 26 oktober 2021 is hiervan ook uitgegaan, blijkens volgende passage over monitoring en evaluatie: “Om de voortgang op de ambities van de omgevingsvisie, is een evaluatie en monitoringskader gewenst. Ook de Commissie m.e.r. benadrukt het belang hiervan op de doorwerking van de omgevingsvisie. Door periodiek te evalueren, monitoren en vooruitblikken wordt essentiële sturingsinformatie ingewonnen die gebruikt kan worden bij vervolgbesluiten. Het toepassen van het monitoring en evaluatiekader is dan denkbaar in cycli van eenmaal per twee jaar voorafgaand aan een (her)besluit over de omgevingsvisie. Blad 3 van 7
Ons kenmerk
1611977_4708628
Een eerste moment dat wij voorzien is het actualiseren van de omgevingsvisie op basis van de resultaten van de MIRT-verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam.” DCMR constateert dat de voorgenomen monitoring en evaluatie vanuit het ROER en de Omgevingsvisie niet is opgestart en dat er geen resultaten beschikbaar zijn die gebruikt kunnen worden bij de Aanvulling ROER, de Ontwikkelvisie A tot Z en de partiële herziening van de Omgevingsvisie. Totstandkoming voorkeursmodel/-alternatief verstedelijking en doortrekking tram De Aanvulling ROER bevat onder het kopje “Hoe zijn uitkomsten van de Aanvulling ROER meegenomen?” een (te) summiere onderbouwing van de totstandkoming van het voorkeursmodel verstedelijking. De Aanvulling ROER bevat een beschrijving van het voorkeursmodel en van de effecten, maar de keuze voor het voorkeursmodel is nog onvoldoende duidelijk gemotiveerd. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk hoe de resultaten van de effectonderzoeken en de beoordelingen van de alternatieven en subvarianten hebben geleid tot de keuze voor het voorkeursmodel. De doortrekking van de tram van Kralingse Zoom naar Alexander (onderdeel van het alternatief “spreiden”) is globaal onderzocht op effecten. Er is echter maar één tracévariant beschreven en onderzocht. Daarmee ontbreekt belangrijke (milieu-)informatie in de Aanvulling ROER.
Opvallend is verder dat de doortrekking van de tram niet in de tekst van de partiële herziening Omgevingsvisie is opgenomen, maar wel op de aangepaste Omgevingsvisie-kaart staat. Onduidelijk is waarom deze belangrijke informatie voor de besluitvorming ontbreekt. Onduidelijkheid over inpasbaarheid van de een brug Bij de keuze voor een brug zijn de belangrijkste knelpunten de nautische veiligheid (scheepvaartveiligheid) en de natuur (Natuur Netwerk Nederland, NNN-gebied) blijkt uit het onderzoek naar de oeververbinding. Het is echter niet duidelijk welke (inpassings-)maatregelen noodzakelijk zijn om deze knelpunten weg te nemen. •
Over de nautische inpasbaarheid van een brug is in het MER MIRT Verkenning Oeververbinding opgenomen: “Een nieuwe brug over de Nieuwe Maas heeft gevolgen voor de scheepvaart. Het onderzoek laat zien dat er maatregelen nodig zijn om te zorgen dat schepen deze nieuwe brug veilig kunnen passeren. Deze maatregelen zijn rivierverruiming, waarbij de oever van De Esch ten hoogste 175 m moet worden verlegd, maar mogelijk minder als maatregelen op de vaarweg kunnen worden getroffen. Vanwege deze forse ingreep in De Esch wordt in de volgende fase verder uitgezocht welke maatregelen op de vaarweg haalbaar en toelaatbaar zijn en wat de effecten daarvan zijn op de scheepvaart op de Nieuwe Maas en op de benodigde afgraving van De Esch. Uit het onderzoek blijkt dat op locatie ‘Bocht A’ verschillende maatregelen mogelijk zijn. Als gevolg van verruiming van de rivier tast een brug over de Nieuwe Maas de bebouwing (woningen en (rijks)monumenten) in Polder De Esch aan. Hoeveel de rivier moet worden verruimd is afhankelijk van de mogelijkheid om maatregelen op de vaarweg te treffen, zoals tijpoort beperkingen, sleepbootassistentie, omvaren via de Oude Maas of een oploopverbod”.
Blad 4 van 7
Ons kenmerk
1611977_4708628
Op basis van de beschikbare informatie is het op dit moment niet duidelijk met welke aanvullende maatregelen de nautische veiligheid van de brug kan worden gegarandeerd, welke effecten de benodigde maatregelen hebben op de omgeving (landschap, cultuurhistorische waarden en natuur) en welke kosten daarmee gepaard gaan. Het is daarom op dit moment onvoldoende duidelijk of een brug op de voorgenomen locatie inpasbaar en uitvoerbaar is. Het doorschuiven van onderzoek naar de inpasbaarheid van een brug naar de planuitwerkingsfase en naar ruimtelijke vervolgbesluitvorming, ziet DCMR als een inhoudelijk en bestuurlijk-procesmatig risico en in planologische procedures in het vervolg mogelijk ook als een juridisch risico. •
Over het NNN-gebied is in de Aanvulling ROER het volgende opgenomen: “Polder De Esch en het Eiland van Brienenoord behoren tot het NNN. Het inpassen van een stadsbrug vraagt waarschijnlijk om een aanpassing van de oever ter hoogte van Polder de Esch, waardoor een deel van het natuurgebied verloren gaat. Voor de stadsbrug betreft het ruimtebeslag op het NNN het directe ruimtebeslag en het indirecte ruimtebeslag (het areaal dat door de ingreep niet meer als NNN kan functioneren). De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden daardoor aangetast, wat in beginsel niet is toegestaan. In de uitwerking van de stadsbrug in de volgende studiefase moet worden onderzocht in hoeverre de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden aangetast (zoals afname van stilte of donkerte, aantasting beheertypes, etc.). Hiervoor zijn een quickscan ecologie, eventuele vervolgonderzoeken en een ‘Nee, tenzijtoetsing’ benodigd. Afhankelijk van welke waarden worden aangetast, is gelijkwaardige compensatie benodigd, waarbij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in stand worden gehouden”.
De implicaties van de aantasting van het gebied in De Esch dat onder het NNN-beleid valt, zijn in deze fase van de Aanvulling ROER nog onvoldoende onderzocht. Hierbij is bovendien de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag; m.a.w. er is medewerking nodig van de provincie om de provinciale verordening aan te passen. Voor aantasting van het NNN-gebied dient namelijk bij de vervolgbesluitvorming een ontheffing op grond van artikel 6.29 van de Omgevingsverordening Zuid Holland, te worden aangevraagd bij Gedeputeerde Staten, waarbij moet worden voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit artikel 6.31 (beoordelingsregels ontheffing natuur). Dit betekent dat het realiseren van een brug met negatieve effecten op het NNN-gebied alleen mogelijk is, als het dwingende redenen van groot openbaar belang zijn aangetoond, er geen reëel alternatief mogelijk is en er vervolgens compensatie-maatregelen kunnen worden getroffen. De aanvraag moet dan worden ingediend door de gemeente en moet worden voorzien van een onderbouwing en compensatieplan. Het is DCMR echter niet bekend of die medewerking vanuit de provincie Zuid-Holland - als zijnde bevoegd gezag voor de benodigde ontheffing van de provinciale verordening - zal worden verleend. Daarnaast is het nog onvoldoende duidelijk welke mitigerende en/of compenserende maatregel nodig en mogelijk zullen zijn.
Het doorschuiven van onderzoek naar de inpasbaarheid naar de planuitwerkingsfase en naar ruimtelijke vervolgbesluitvorming, ziet DCMR als een inhoudelijk, bestuurlijk en procesmatig risico en bij vervolgbesluitvorming mogelijk ook een juridisch risico.
Blad 5 van 7
Ons kenmerk
1611977_4708628
Lucht, geluid en leefomgeving De uitgevoerde onderzoeken naar luchtkwaliteit en geluid zijn te kwalitatief voor dit besluitvormingsniveau en ze zijn ontoereikend, omdat ze geen inzicht geven in de te nemen maatregelen waarmee de Rotterdamse ambities op het gebied van leefomgeving uit de Omgevingsvisie kunnen worden gehaald. Er mag worden aangenomen dat de nieuwe EU-regelgeving grotere impact kan hebben dan nu is aangegeven. Voorkomen moet worden dat nieuwe luchtkwaliteitsknelpunten ontstaan bij invoering van deze nieuwe regelgeving. Daarom is een doorrekening met de nieuwe EU-normen nodig. De effectbeoordeling laat bovendien een neutraal beeld tot een achteruitgang zien van de leefomgevingskwaliteit op de aspecten geluid, lucht en externe veiligheid. Ook hier geldt dat het doorschuiven van onderzoek naar de effecten op de leefomgeving (m.n. lucht) naar monitoring en de planuitwerkingsfase en ruimtelijke vervolgbesluitvorming, door DCMR als een inhoudelijk, procesmatig en juridisch risico wordt gezien. In de Aanvulling ROER ontbreekt het centraal stellen van de milieugehinderden, terwijl dat wel het doel is van een milieueffectrapport. Daarnaast is het één van de uitgangspunten van de Omgevingsvisie om het aantal milieugehinderden niet te laten toenemen. Nu wordt echter naar de referentiesituatie gekeken en geconstateerd dat alleen daar al sprake is van een toename.
Zo wordt dit gegeven min of meer geaccepteerd. Dan treedt er zelfs daartegen afgezet nog een verslechtering op. Dat is niet acceptabel gezien de ambities van de Omgevingsvisie. Temeer omdat het hier over toename van gezondheids-risico’s gaat. De Aanvulling ROER zou tenminste kwantitatief inzicht moeten bieden in deze verslechtering. Daarnaast wordt niet of onvoldoende duidelijk gemaakt welke maatregelen moeten worden genomen om dit probleem te kunnen oplossen. Hierin dienen scherpere keuzes te worden onderzocht. Er staat bijvoorbeeld dat afscherming van geluid langs de A16 is geprojecteerd. Terwijl al bekend is dat bij de transformatie van het bedrijvenpark Brainpark een scherm van 25 meter hoogte nodig is. Het is de vraag waar deze keuzes landen in de herziening van de Omgevingsvisie? Partiële herziening Omgevingsvisie Het is naar mening van DCMR nodig om explicieter de keuzes en consequenties die volgen uit de Aanvulling ROER op te nemen in de herziening Omgevingsvisie, zodat dit besluit bij latere besluitvorming kan worden ingezet als kaderstellend besluit. Dat betreft de consequenties voor: • de bodem & water subvarianten en de keuzes die daaruit zullen voortvloeien; • de verslechtering van de leefomgeving op een aantal milieuthema’s zoals geluid, lucht en externe veiligheid.
En de (kwalitatieve) maatregelen die uiteindelijk genomen zullen moeten worden in de gebiedsontwikkelingen en gebiedsbestemmingsplannen; • verdere vergroening als kwalitatieve maatregel. Het maatregelenpakket zal moeten worden verbreed zodat aan alle uitdagingen het hoofd wordt geboden. Dit mag geen afwenteling worden naar de ruimtelijke vervolgplannen toe. Potentiële oplossingen moeten nu al duidelijk worden gemaakt. Geconstateerd wordt dat er momenteel een discrepantie bestaat tussen de ambitie om de leefomgeving niet te laten verslechteren en de ontwikkelmogelijkheden zoals de herziening nu mogelijk gaat maken. In deze herziening ontbreekt echter een eenduidig toetsingskader om de nog komende ruimtelijke plannen af te wegen en een goede en gezonde leefomgeving te garanderen. Blad 6 van 7
Ons kenmerk
1611977_4708628
Afsluitend meld ik dat DCMR bereid is om een nadere mondelinge toelichting te geven op het nu voorliggend advies.
Hoogachtend, D.R. Molenaar directielid DCMR Milieudienst Rijnmond DCMR maakt gebruik van digitaal vaststellen, daarom ontbreekt een zichtbare handtekening
Bijlage 1 Advies over MER/Omgevingseffectrapport gebiedsontwikkeling A tot Z, DCMR, 25 januari 2023 (Kenmerk 1647150_3943761)
Blad 7 van 7