[23bb003604] Bijlage 1 behorende bij 23bb003615 over Ontwerpbestemmingsplan Max Euwekwartierfase 1 en 2a
Tekst van het document
60
Wegverkeerslawaai - zones en geluidgrenswaarden Zones langs wegen Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie onderstaande tabel
De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom (binnenstedelijk). Bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege een autosnelweg op een geluidgevoelige functie wordt altijd de normering voor buitenstedelijk gebied gehanteerd, ook al ligt de bestemming binnen de bebouwde kom. In het kader van de Wet geluidhinder is de planlocatie gelegen binnen de geluidzones langs de volgende wegen: De Rijksweg A16 heeft ter hoogte van de planlocatie 10 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 600 m zodat de planlocatie binnen deze zone is gelegen (buitenstedelijk). De Kralingse Zoom heeft ter hoogte van de planlocatie (tot) 3 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 350 m zodat de planlocatie binnen de zone langs deze weg is gelegen. De K.P. van der Mandelelaan gaat ter hoogte van de planlocatie 2 rijstroken hebben. De zonebreedte bedraagt 200 m zodat de planlocatie binnen de zone langs deze weg is gelegen. De Abram van Rijckevorselweg heeft ter hoogte van de planlocatie 6 rijstroken. De zonebreedte bedraagt 350 m zodat de planlocatie niet binnen de zone langs deze weg is gelegen. Opgemerkt wordt dat de Max Euwelaan en K.P. van der Mandelelaan heringericht worden in verband met de gebiedstransformatie van Brainpark Rotterdam. Zo zal de Max Euwelaan afgesloten worden voor verkeer en zal er enkel nog een toegangsweg zijn naar de ingang van de parkeergarage aan de noordzijde (30 km/u). De K.P.
van der Mandelelaan wordt een tweerichtingsweg (nu deels éénrichtingsverkeer) en zal niet meer naar het plangebied lopen, maar wordt in noordelijke richting doorgetrokken tot aan de toegangsweg van het P+R terrein ‘Kralingse Zoom’. 30 km/uur-wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent dat formeel voor deze wegen geen wettelijk toetsingskader geldt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening (en ten behoeve van de bouwvergunning) is in voorliggend onderzoek de invloed van de Max Euwelaan inzichtelijk gemaakt. Grenswaarden geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer De voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai bedraagt vanwege alle wegen 48 dB. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde bedraagt 53 dB vanwege de Rijksweg A16 en 63 dB vanwege de overige wegen. Cumulatie geluidbronnen Indien een plan geluid ondervindt van meer dan één geluidbron, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh).
61
Grenswaarden Omgevingswet In dit geluidonderzoek is ook de aankomende Omgevingswet (Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet) beschouwd, met ingangsdatum naar verwachting 01-06-2022. De Omgevingswet stelt nieuwe geluidgrenswaarden. In tabel 2.2 is een beknopt overzicht gegeven van de nieuwe grenswaarden voor wegverkeerslawaai. Met name de geluidgrenswaarden ten aanzien van wegen in Rijksbeheer worden in de Omgevingswet verhoogd ten opzichte van de Wet geluidhinder. Beknopt samengevat worden in de Omgevingswet (Ow), naast de geluidgrenswaarden, de volgende wijzigingen doorgevoerd: De geluidzones worden geluidaandachtsgebieden. De omvang van de geluidaandachtsgebieden houden verband met de hoogte van de standaardwaarden, zie het derde opsommingsstreepje. Voor veel 30 km/uur-wegen gaat ook een geluidaandachtsgebied gelden. De term voorkeursgrenswaarde wordt (formeel) de “standaardwaarde”, de term maximale ontheffingswaarde wordt (formeel) de “grenswaarde”. De toepassing van een aftrek (tot ten hoogste 5 dB) op de berekende geluidbelastingen voor wegverkeerslawaai komt te vervallen. Alle geluidbelastingbijdragen die afkomstig zijn van wegen die onder één wegbeheerder vallen worden gesommeerd, waarna de beoordeling aan de geluidgrenswaarden plaatsvindt. De dove gevel wordt (formeel) een niet-geluidgevoelige gevel.
Onder een niet-geluidgevoelige gevel wordt ook verstaan een zodanige bouwkundige maatregel aan het gebouw dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie niet hoger is dan de grenswaarde. Gemeentelijk geluidbeleid Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam dienen woningen voorzien te zijn van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte (mits een buitenruimte aanwezig is). Indien om stedenbouwkundige of volkshuisvestingsredenen hier niet aan voldaan kan worden, kan een gemotiveerd verzoek worden gedaan om hiervan af te wijken. In de motivatie zal voldoende aandacht aan de leefomgevingskwaliteit moeten worden besteed. In de tabel hieronder worden de geluidgrenswaarden voor een geluidluwe gevel en buitenruimte ten aanzien van wegverkeerslawaai weergegeven.
Crisis- en herstelwet De vigerende regelgeving kan een belemmering vormen voor innovatieve ontwikkelingen die bijdragen aan duurzaamheid. Afdeling 2 ‘Innovatie’ van de Crisis- en herstelwet (Chw) maakt het mogelijk om dergelijke ontwikkelingen aan te wijzen als een zogenaamd ‘experiment’. Daardoor mag men afwijken van bepaald regelgeving bij algemene maatregel van bestuur (AMvB), zoals o.a. de Wet geluidhinder. Artikel 2.4, lid 1, Chw biedt voor innovatieve projecten de mogelijkheid tot afwijken van de geluidregels uit de Wet geluidhinder bij AMvB. Bij de AMvB wordt bepaald: welke afwijking of afwijkingen van de betrokken wet of wetten is of zijn toegestaan; de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen; de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft. Het toepassingsbereik van in de AMvB geregelde experimenten kan worden uitgebreid door daarvoor nieuwe gebieden en projecten aan te wijzen. Daarbij wordt de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijking of afwijkingen aangegeven.
De gemeente Rotterdam heeft ten behoeve van de gebiedstransformatie van Brainpark Rotterdam beslist om in het desbetreffende plangebied voor een periode van 10 jaar af te wijken van de regels voor een hogere geluidbelasting voor nieuwe situaties in de geluidzone langs de Rijksweg A16 onder de voorwaarde dat de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 63 dB (in plaats van 53 dB).
62
6.5.1
Plangebied
Crisis- en herstelwet Onder de Crisis- en herstelwet wordt het plangebied aangewezen als ontwikkelgebied. In voorliggende situatie is het dan onder voorwaarden mogelijk om tijdelijk, voor een maximum van 10 jaar, hogere geluidbelastingen toe te staan. Onder de huidige Wet geluidhinder mogen de geluidbelastingen die optreden ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een rijksweg ten hoogste 53 dB Lden bedragen inclusief reductie art 110g Wgh (= maximaal te ontheffen waarde). Bij een hogere geluidbelasting kunnen onder het huidige regime geen geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd worden. Door gebruik te maken van de mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet wordt een tijdelijk te hoge geluidbelasting voor een maximale duur van 10 jaar niet gezien als overschrijding van de maximaal te ontheffen waarde en kunnen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen wel gerealiseerd worden. Een aanvullende voorwaarde is dat de te toetsen waarde van de geluidbelasting tijdelijk mag afwijken maar voor het woon- en leefklimaat doet de tijdelijk hogere geluidbelasting niets af aan de te realiseren kwaliteit van de woningen: Binnen de verblijfruimten en -gebieden in de woningen dient het akoestisch klimaat te allen tijde op nieuwbouwniveau (Bouwbesluit) gebracht te worden.
Anders gezegd: de geluidwerende kwaliteit van de gevels en de bij de woningen behorende buitenruimten (eventueel in combinatie met afschermende gebouwgebonden maatregelen) wordt bepaald op basis van hoogste geluidbelasting, ook al is dit een tijdelijke situatie. Om gebruik te maken van de Crisis- en herstelwet dient het aannemelijk gemaakt te worden dat de geluidbelastingen binnen de gestelde 10 jaar ook daadwerkelijk zullen afnemen tot op een acceptabel niveau (voor nu: de Wet geluidhinder, maximaal te ontheffen waarde maar later Omgevingswet en grenswaarden). Als de geluidbelastingen afgenomen zijn binnen de periode dat de Crisis- en herstelwet is, zullen de woningen dus een betere geluidwerende gevel ervaren dan strikt noodzakelijk conform Bouwbesluit, kortom er dringt dan minder omgevingsgeluid de woningen binnen. Tenslotte dient nog vermeld te worden dat op basis van het beoogde plan ondanks de tijdelijk (te) hoge toetswaarde van de geluidbelastingen ten gevolge van de rijksweg, er te allen tijde op woningniveau voldaan wordt aan de aanvullend gestelde eisen in het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam. Hiertoe horen de aanwezigheid van geluidluwe gevels (i.v.m. geluidluw spuien).
Door optimaal gebruik te maken van ontwerpmogelijkheden waarbij dichte balustrades, of geheel afgeschermde buitenruimtes gerealiseerd worden, wordt ondanks de hoge geluidbelastingen (tijdens periode Crisis- en herstelwet), voldaan aan het geluidbeleid. De periode erna, wanneer de geluidbelastingen daadwerkelijk afgenomen zijn, ervaren de bewoners meer geluidluwe locaties in en om de woningen. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidsbelastingen vanwege wegverkeer ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10. Het plangebied bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de geluidzones van het wegverkeer langs de Rijksweg A16, de Kralingse Zoom en de K.P. van der Mandelelaan. Om die redenen is voor het plangebied een onderzoek Wet geluidhinder uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat: De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de A16 wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 63 dB (fase 1) en 69 dB (fase 2A), waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB uit de Wet geluidhinder tevens wordt overschreden (bij elk bouwblok van MEQ). Op basis van de Chw is de maximale grenswaarde ten aanzien van de A16 63 dB in plaats van 53 dB (inclusief aftrek).
Daarmee wordt bij fase 1 en blok 2 van fase 2A overal voldaan aan de maximale grenswaarde volgens de Crisis- en herstelwet. Op basis van de Chw zijn voor deze bouwblokken geen dove gevels benodigd. Voor blok 1 van fase 2A wordt de maximale grenswaarde volgens de Chw nog steeds overschreden. De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeer op de Kralingse Zoom wordt overschreden
63
bij MEQ fase 1 en één rekenpunt bij blok 2 van MEQ fase 2A. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 57 dB, waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet wordt overschreden. Ter hoogte van blok 1 van MEQ fase 2 wordt voldaan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege de K.P. Mandelelaan overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde, uitgezonderd ter hoogte van blok 1 van MEQ fase 2A waar hogere waarden benodigd zijn. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 60 dB, waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet wordt overschreden. Ten gevolge van wegverkeer op de Max Euwelaan (toegangsweg parkeergarage) sprake is van een verhoogde geluidbelasting (> 53 dB), ten hoogste 60 dB zonder aftrek, ter hoogte van de noordzijde van ME1. Hierdoor is extra aandacht noodzakelijk voor de geluidwering van de gevel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting meegenomen in de cumulatie van het omgevingsgeluid. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai (Lvl,cum) bedraagt ten hoogste 65 dB zonder aftrek en 63 dB na aftrek bij MEQ fase 1, en ten hoogste 71 dB zonder aftrek en 69 dB na aftrek bij MEQ fase 2A. Bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidbelastingen te reduceren tot onder de voorkeursgrens-waarde zijn niet doelmatig. Wel is het effect van de aanleg van fijn dubbellaags ZOAB op de A16 inzichtelijk gemaakt.
Geadviseerd wordt om hogere waarden aan te vragen: 1. Max Euwe Quartier fase 1: a. A16: 53 dB waarbij o.b.v. de Chw voor een periode van 10 jaar 63 dB toegestaan is. b. Kralingse Zoom: 57 dB. 2. Max Euwe Quartier fase 2A: a. A16: 53 dB waarbij o.b.v. de Chw voor een periode van 10 jaar 63 dB toegestaan is. b. Kralingse Zoom: 49 dB. c. K.P. van der Mandelelaan: 60 dB. In paragraaf 6.5 zijn oplossingsrichtingen aangedragen om een geluidluwe zijde te creëren, teneinde te voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid. In een later stadium, bij de verdere uitwerking van de nieuwbouwplannen, dienen de nodige maatregelen bepaald te worden (op individueel woningniveau). Voor alle woningen (met hogere waarden) is het noodzakelijk om een aanvullend onderzoek naar de gevel geluidwering uit te voeren en te toetsen aan de eisen conform artikel 3.1 t/m 3.3 uit het Bouwbesluit. In bijlage 11 is dit onderzoek opgenomen. Notitie geluidmaatregelen Uit het onderzoek in bijlage 10 blijkt dat op meerdere gevels de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het aanwezige wegverkeer op de Rijksweg A16 en Kralingse Zoom wordt overschreden. In verband met de aan te vragen hogere waarden dient het bouwplan tevens te voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid, waarin o.a. aanvullende voorwaarden gesteld zijn voor het realiseren van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte per woning.
Om deze reden is door Cauberg Huygen een notitie opgesteld waarin de benodigde maatregelen zijn toegelicht, zie bijlage 11. In de bijlagen behorend bij deze notitie zijn per bouwblok de geluidmaatregelen gepresenteerd welke noodzakelijk zijn om een geluidluwe gevel/ buitenruimte te realiseren. Door toepassing van deze maatregelen wordt voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.5.2
Conclusie
Het aspect geluid leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
64
6.6
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
65
6.6.1
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Door KuiperCompagnons is een onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd, zie bijlage 12. Fase 2b is in dit onderzoek ook opgenomen. Aan de hand van berekeningen is aangetoond dat de luchtkwaliteit voor de maatgevende stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) langs de wegen en binnen het plangebied ruimschoots voldoet aan de grenswaarden. Derhalve leidt het aspect luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling van woningen binnen het plangebied. 6.6.2
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.7
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.1
Plangebied
In het vigerende bestemmingsplan kennen de gronden in het plangebied de bestemmingen 'Gemengd 1' en 'Groen'. Binnen beide bestemmingen is de realisatie van woningen niet toegestaan. Op basis van de bestemming 'Groen' is het daarnaast niet toegestaan om functies als kantoren, lounges en restaurants te ontwikkelingen. Met voorgenomen ontwikkeling wordt daarom voorzien in gevoeligere functies dan op basis van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Door ABO Milieuconsult is een verkennend bodemonderzoek, conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. In bijlage 13 is de volledige rapportage te downloaden. Hieronder worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. Uit het onderzoek blijkt dat in vier boringen (05, 21, 31 en 34) zintuiglijk baksteen, glas en metselpuin in de ondergrond (variërend van 0,90- 4,00 m-mv) worden waargenomen. Bovengrond In het grondmengmonster M02 overschrijdt het gehalte kwik de betreffende achtergrondwaarde en in het grondmengmonster M04 overschrijden de gehalten PCB, zink, cadmium, kwik, lood en PAK de betreffende achtergrondwaarden. De overige gehalten van de geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de betreffende achtergrondwaarden.
In de grondmengmonsters M01, M03 en M05 zijn de gehalten van alle onderzochte parameters lager dan de achtergrondwaarden. Ondergrond In het grondmengmonster M06 overschrijden de gehalten koper, zink, kwik en lood de betreffende achtergrondwaarden, in het grondmengmonster M07 overschrijden de gehalten kwik en lood de betreffende achtergrondwaarden en in het grondmengmonster M09 overschrijden de gehalten PCB en kwik de betreffende achtergrondwaarden. De overige gehalten van de geanalyseerde parameters zijn allen lager dan de betreffende achtergrondwaarden. In het grondmengmonster M08 zijn de gehalten van
66
alle onderzochte parameters lager dan de betreffende achtergrondwaarden. PFAS Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de gehalten PFOA en PFOS licht verhoogd zijn aangetoond in het grondmengmonster PFAS noord. De gehalten overschrijden de toepassingsnorm voor bodemfunctieklasse Landbouw/natuur, maar voldoen aan de toepassingsnorm voor bodemfunctieklasse Wonen. De gehalten PFOA en PFOS zijn niet verhoogd aangetoond in het grondmengmonster PFAS zuid. Grondwater In het grondwater uit de bestaande peilbuis (reeds aanwezig op de onderzoekslocatie van een voorgaand onderzoek, filterstelling: 1,80 - 2,80 m-mv) overschrijdt de concentratie barium de betreffende streefwaarde. De overige concentraties van de geanalyseerde parameters in de bestaande peilbuis zijn alle lager dan de betreffende streefwaarden. In het grondwater uit peilbuizen 13, 21 en 31 (filterstellingen: 2,00 - 3,00 m-mv, 3,00 - 4,00 m-mv en 2,40 - 3,40 m-mv) zijn de concentraties van alle onderzochte parameters lager dan de betreffende streefwaarden. De hypothese "De onderzoekslocatie is onverdacht" dient, op basis van de licht aangetroffen gehalten in de boven- en de ondergrond en het licht verhoogde concentratie barium in het grondwater, verworpen te worden.
Conclusie De licht verhoogde waarden, in de boven- en de ondergrond en in het grondwater, zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. In het grondmengmonster MMASBEST is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. De onderzoekslocatie is niet asbestverdacht.
6.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen
67
of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.8.1
Plangebied
Het voornemen bestaat om in het plangebied vijf kantoorpanden te slopen en hier een gemengd programma te realiseren in drie deelgebieden. Met de ontwikkelingen wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig: Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16; Vervoer gevaarlijke stoffen over de Abram van Rijckevorselweg; Vervoer gevaarlijke stoffen over de rivier de Maas; Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte / Rotterdam - Dordrecht. Door KuiperCompagnons is een onderzoek uitgevoerd naar deze risicobronnen. De volledige rapportage is in bijlage 14 opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen weergegeven. De deelgebieden Fase 2A en 2B zijn gelegen binnen het verantwoordingsgebied van de rijksweg A16. De hoogte van het groepsrisico van de rijksweg is berekend met RBMII. Uit de berekeningen kan geconcludeerd worden dat het GR in de plansituatie toeneemt van 3,40 keer de oriëntatiewaarde naar 3,91 keer de oriëntatiewaarde. Dit is een toename van 0,51 oftewel 15%. De maatgevende kilometer en het maatgevende punt zijn in de huidige situatie en de plansituatie hetzelfde. Er is zowel in de huidige als plansituatie een overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Op basis de hoogte van het GR is volgens het gemeentelijk beleid een zware verantwoording benodigd. Deze verantwoording is opgenomen in de notitie: “Verantwoording Groepsrisico Brainpark Fase 1, 2A en 2B”. Deze notitie is opgenomen als bijlage 15. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16 een overschrijding van het groepsrisico veroorzaakt in de huidige en plansituatie waardoor een zware verantwoording benodigd is. Het plangebied is tevens gelegen binnen het invloedsgebied van de Abram van Rijckevorselweg, rivier de Maas en de spoorlijn Rotterdam - Maasvlakte / Rotterdam – Dordrecht. De ontwikkeling van het plangebied past binnen de ambitie van de gemeente Rotterdam om het gebied Brainpark I te transformeren van kantorenpark naar een levendige stadswijk. Op 2 december 2021 is het Masterplan Brainpark I door het college van B&W van de gemeente Rotterdam vastgesteld. Door de uitwerking van deze ambitie zullen in de toekomst meer personen in het gebied aanwezig zijn dan dat nu het geval is, waardoor het groepsrisico onvermijdelijk toe zal nemen. De voordelen van het ontwikkelen van Brainpark tot levendige stadswijk wegen daarbij op tegen de met EV samenhangende aspecten.
Gezien de relatief grote afstand van het plangebied tot de risicobron en de aard van de risicobron zijn bronmaatregelen voor specifiek alleen het plangebied niet effectief/doelmatig. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in het plangebied aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende ongeval scenario’s. In het geval van een BLEVE kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 100% letaliteitscontour bevind. In het geval
68
van een toxisch scenario kunnen aanwezigen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten. Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied: nooduitgangen van de bron af construeren; in het stedenbouwkundig ontwerp rekening houden met de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten; effectieve bluswatervoorziening; E-Alert; afsluitbare mechanische ventilatiesystemen; risicocommunicatie naar de bewoners/werknemers. Het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond met betrekking tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is in deze rapportage verwerkt. 6.8.2
Conclusie
De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt overschreden in de huidige situatie en in de plansituatie. In de plansituatie neemt het groepsrisico toe. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied. Tevens is een verantwoording van de groepsrisico opgenomen.
6.9
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.
69
6.9.1
Rotterdams beleid
Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. In dit document worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot voorliggend plangebied. 6.9.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Boezems Kinderdijk', op circa 7,8 kilometer afstand tot het plangebied. Op 8,9 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Oude Maas'. Beide gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Gezien de grote afstand zijn overige effecten, zoals geluid- en lichthinder, niet te verwachten. Op circa 18,5 ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Biesbosch'. Ondanks de relatief grote afstand kan stikstofdepositie, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, mogelijk leiden tot negatieve effecten op dit gebied. Om deze reden is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden.
Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend. Een berekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig. Door KuiperCompagnons is een stikstofonderzoek uitgevoerd voor gebruiksfase van dit project, zie bijlage 17. In deze notitie is de stikstofdepositie in de gebruiksfase voor het gebruik van de nieuwe woningen en voorzieningen beschouwd. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. Het plangebied grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland. Hierdoor is toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig. 6.9.3
Soortbescherming
Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 16. In dit rapport zijn alle bevindingen opgenomen. Tevens is er aanvullend onderzoek naar vleermuizen, de gierzwaluw en de steenmarter uitgevoerd, zie bijlage 18. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten uiteengezet.
70
Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan niet met zekerheid uitgesloten worden. Het slopen van kantoorpand D kan verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zoals de Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger nadelig beïnvloeden. Door het kappen van de boom met een mogelijk geschikte holte kan een nadelig effect optreden op de verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten. De bosschages en bomenrijen vormen lijnvormige elementen die deel uit kunnen maken van vliegroutes en foerageergebied. Door het rooien van alle vegetatie wordt een nadelig effect verwacht op deze mogelijke vliegroute en foerageergebied. Om deze redenen is aanvullend vleermuisonderzoek naar verblijfplaatsen uitgevoerd. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de aanwezige vaste verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis, door sloop van de gebouwen beschadigd en of vernield kunnen worden. Er is in dat geval tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Het foerageergebied binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.
De Watervleermuis is kritischer/beperkter in zijn keuze voor foerageergebied dan bijvoorbeeld de Gewone dwergvleermuis. De vijver die gebruikt wordt als foerageergebied ligt buiten het plangebied en zal dus behouden blijven voor deze soort als foerageergebied. Watervleermuizen hebben een sterke voorkeur voor locaties met weinig licht. Let daarom op dat er niet te veel lichtuitstraling vanaf het plangebied richting de vijver is. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Één van de gebouwen in het plangebied is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor de Gierzwaluw. Door het slopen van gebouw D kunnen deze vernield worden. Volgens de Wet natuurbescherming moet derhalve aanvullend onderzoek naar de functie van kantoorpand D voor de Gierzwaluw worden gedaan. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er geen Gierzwaluwen waargenomen zijn in het plangebied. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Gierzwaluw. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn dichte bosschages aanwezig die geschikt kunnen zijn voor de verplaatsing van en/of als schuilmogelijkheid voor de Steenmarter. Volgens de Wet natuurbescherming moet daarom aanvullend onderzoek naar de functie van vegetatie worden gedaan.
Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er geen Steenmarters waargenomen zijn in het plangebied. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor Steenmarters Algemene (broed) vogels De platte daken vormen geschikt broedbiotoop voor soorten als scholeksters en meeuwen. Ook is er in het plangebied een actief houtduivennest aangetroffen. Nesten van deze soorten zijn beschermd zolang zij in gebruik zijn. Voor deze soorten geldt dat er buiten het broedseizoen gewerkt moet worden en/of een check voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige. Overige broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen aanwezig. Er kunnen in de bebouwing of het omliggend groen in het broedseizoen wél andere soorten broedvogels vestigen met niet-jaarrond beschermde nesten (zie ook Scholekster). Dergelijke vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag.
71
Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Scholekster De Scholekster is broedend vastgesteld op het platte dak van Max Euwelaan 1. De Scholekster heeft geen jaarrond beschermd nest of een bescherming onder categorie 5. Wel is een broedgeval beschermd, zoals voor iedere vogel geldt. Boomkruiper Tijdens het aanvullend onderzoek zijn bij diverse ronden één of twee Boomkruipers waargenomen slapend op Max Euwelaan 35. De Boomkruiper is een categorie 5 soort. Voor een categorie 5 soort geldt dat deze moet kunnen uitwijken als zijn nest of essentieel leefgebied wordt aangetast. Het verdwijnen van het gebouw waarop de slaapplekken zich bevinden zal leiden tot uitwijken van deze vogels. In de omgeving zijn voldoende alternatieve slaapplekken aanwezig in bomen en gebouwen.
Aquatische fauna De aanwezigheid van strikt beschermde vissoorten en andere aquatische fauna binnen het plangebied kan met voldoende zekerheid uitgesloten worden. Er bestaan daarom vanuit de Wet natuurbescherming, op de zorgplicht na, geen verdere veprlichtingen ten aanzien van deze soortgroep. Maatregelen die in het kader van de zorgplicht in acht genomen dienen te worden, zijn; bij voorkeur nieuwe watergangen eerst realiseren vóór de oude gedempt worden, zodat de populatie daarheen verplaatst kan worden; mitigerende maatregelen, zijne het afdammen van delen van de watergangen en het wegvangen en verplaatsen van vissen en ongewervelden, uitvoeren vooruitlopend op de werkzaamheden, maar niet bij vorst. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. 6.9.4
Conclusie
Uit de uitgevoerde stikstofonderzoeken blijkt dat het aspect 'stikstof' geen belemmering vormt voor de gebruiksfase. In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om de Gewone dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwen of bomen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Wabo-procedure) of een ontheffing (ontheffingsaanvraag Wnb).
Mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd door onder andere vleermuiskasten in
72
de omgeving van het plangebied op te hangen. De benodigde ontheffingen worden aangevraagd. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.
6.10
Klimaat
Recentelijk is artikel 6.50 'Risico's van klimaatverandering' toegevoegd aan de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Op grond van dit artikel dient in een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. 6.10.1 Wateroverlast door overvloedige neerslag In het Masterplan zijn maatregelen met betrekking tot neerslag opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling houdt bij de definitieve uitwerking rekening met onderstaande punten. Opvang van neerslag daar waar hij valt. Het water wordt op gebiedsniveau opgevangen en bij een bepaalde hoeveelheid neerslag afgegeven aan grotere afwateringssystemen. Op gebouwniveau is er een buffercapaciteit, zodat niet al het hemelwater in de openbare ruimte wordt verwerkt. De opvangcapaciteit van het totale plangebied is minimaal 50 mm. De opvang van meer neerslag vermindert de kwetsbaarheid bij extreme buien. Een opvangcapaciteit van 100 mm of meer is een ondergrens voor een waterrobuuste inrichting. Als de neerslag is opgevangen, moet het water weer worden afgevoerd. Dit kan door het nuttig toe te passen in het gebouw of gebied en door het af te voeren naar buiten het plangebied.
De maatregelen voor het verwerken van neerslag hebben geen nadelige gevolgen voor de grondwaterstand in het gebied en de omgeving. De waterberging is een tijdelijke opslag van water; 48 uur na een bui moet de waterberging weer beschikbaar zijn. Dit kan door infiltratie in het gebied, maar dat heeft wel gevolgen voor de omgeving. Maar ook door nuttige toepassingen in het gebouw of gebied, de zogenoemde grijswatertoepassingen, of door afvoer. Dat laatste heeft niet de voorkeur. In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan het thema water. In het toekomstige ontwerp van de openbare ruimte wordt er rekening gehouden met 2.980 m2 nieuw oppervlaktewater. De compensatie dient plaats te vinden in peilgebied GPG-169. De neerslag die binnen het plangebied valt wordt niet via het rioolstelsel, maar via het wateroppervlak afgevoerd. Daarnaast wordt het kelderdek voorzien van 1 meter gronddekking. Hiervan wordt 50% uitgevoerd als groen (en dus onverhard). Hierdoor kan het hemelwater in de bodem opgenomen worden.
6.10.2 Overstroming Hierboven staat beschreven dat er maatregelen worden genomen om overstromingen door neerslag te voorkomen. Zo wordt er voldoende water gerealiseerd. In het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale waterkeringen. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar. Een overstroming doordat de dijken breken is erg klein. Niettemin wordt door verschillende organisaties gewerkt aan de waterveiligheid. Werken aan waterveiligheid doet de provincie samen met haar partners: Europa, Rijksoverheid, waterschappen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Zo werken waterschappen en provincie bijvoorbeeld nauw samen als dijken langs grote rivieren en de zeewering (zogenoemde primaire keringen) moeten worden versterkt. Hierbij speelt de ruimtelijke kwaliteit ook een belangrijke rol. Verder stelt de provincie veiligheidsnormen voor regionale waterkeringen (dijken merendeels gelegen langs boezemwateren) vast
73
en de termijn waarop deze keringen aan de norm moeten voldoen. Om te voorkomen dat regionale waterkeringen bij hevige regenval bezwijken, heeft de provincie grote gebieden waar waterberging kan plaatsvinden, ruimtelijk vastgelegd. Zo werkt de provincie aan een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving, voor nu en de toekomst. 6.10.3 Hitte De kans op een hittegolf is steeds groter in Nederland. De afgelopen jaren werd het ene na het andere hitterecord verbroken. De binnen- en buitenruimte is hier niet op ontworpen, terwijl hitte grote gezondheidsrisico's met zich mee kan brengen. Een versteende omgeving houdt de hitte vast en het koelt 's nachts niet meer af. Om hitte tegen te gaan is in dit plan voldoende water en groen opgenomen. Bij hitte kan een deel van dit water verdampen en het gebied verkoelen. Tevens zorgen de bomen voor voldoende schaduwplekken. Om te zorgen dat de huizen die gebouwd worden bestand zijn tegen de weersextremen van de toekomst wordt er zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd. De woningen zullen ten minste voldoen aan de wettelijke verplichtingen. In het Masterplan is opgenomen dat de gebiedsontwikkeling moet zorgen dat de omgevingstemperatuur verlaagt. Het streven is de gevoelstemperatuur te verlagen met 5 – 7 graden (of het comfort-niveau ‘lichte hittestress’ te bereiken).
Dit moet ten minste modelmatig gemonitord worden en per fase (van ontwikkeling) getoetst worden of dit gehaald wordt.
6.10.4 Droogte Tijdens het droogteseizoen, van april tot oktober, is door de start van het groeiseizoen en de stijgende temperaturen de kans op watertekort aanwezig. Daarom monitoren de waterbeheerders, hoogheemraadschappen, waterschappen en drinkwaterbedrijven de situatie met het oog op eventuele problemen met droogte, watertekort en -kwaliteit. Binnen het plangebied wordt voldoende water gerealiseerd dat in verbinding staat met het gehele watersysteem. Bij droogte kunnen hoogheemraadschappen en waterschappen ervoor kiezen water van het boezemwater via inlaten aan te vullen. Ook kan het waterpeil verhoogd worden zodat er meer water vastgehouden kan worden.
6.11
Circulair slopen en bouwen
6.11.1 Brainpark Circulair Bij de vaststelling van het Masterplan Brainpark I is de motie Brainpark Circulair aangenomen. Hierin is opgenomen dat de college de ambitie heeft dat Rotterdam in 2050 volledig circulair is, waarbij; bouwafval 40% van de totale Nederlandse afvalstroom vormt; Brainpark I in de huidige situatie een multifunctioneel kantoren gebied is met gebouwen uit eind jaren '80 begin jaren '90 dat getransformeerd wordt; een circulaire aanpak wordt geambieerd waarbij afval niet meer bestaat, kringlopen gesloten worden en steeds minder nieuwe grondstoffen benut worden; de gemeente probeert de eigenaren/ ontwikkelaars te verleiden om hun vastgoed te transformeren en daarbij het gebied te verdichten. In deze motie wordt het college verzocht om per ontwikkelaar of kavel een Plan van Aanpak Circulair bouwen op te stellen met daarin: 1. Een onderbouwing op welke wijze wordt gestuurd op waarde behoud van bestaande gebouw(delen), materialen, het reduceren van sloop- en bouwafval en de manier waarop invulling wordt gegeven aan de doelen voor circulair bouwen; 2. Een uitwerking hoeveel van de uitkomende materialen door sloop en bouw minimaal wordt hergebruikt en gerecycled in het gebied of elders toegepast; 3. Over deze aanpak circulair bouwen te rapporteren aan de raad.
74
6.11.2 Masterplan circulair Er wordt een waarde-scan gedaan van bestaande bebouwing en onderdelen in de buitenruimte. Dit is een inventarisatie van wat er al in het gebied is en wat behouden kan worden; als product, als materiaal of als grondstof. Op basis van de waarde-scan wordt een materialenpaspoort opgesteld van hoogwaardige elementen die behouden blijven in de gebouwde omgeving en / of de buitenruimte. Slopen en demonteren van bestaande bouwwerken gebeurt op slimme en circulaire wijze. Hierbij wordt gestuurd op waarde-behoud en het beperken van afval. Van de uitkomende materialen wordt bij voorkeur zoveel mogelijk binnen de eigen projecten hergebruikt en anders zo dicht bij de slooplocatie mogelijk.
75
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
76
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Gelet op het voorgaande wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
77
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast zal voor deze inzagetermijn of tijdens deze inzagetermijn een bewonersavond worden georganiseerd waar de plannen worden gepresenteerd.
78
Hoofdstuk 10 10.1
Procedure
Voorbereidingsfase
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de verschillende belanghebbende instanties. De volgende vooroverlegpartners hebben gereageerd op het plan: Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR), Hoogheemraadschap van Delfland, de gemeente Capelle aan den IJsel en de provincie Zuid-Holland. De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in een Nota vooroverleg, die als bijlage 19 bij deze toelichting is gevoegd. De overlegreactie van VRR heeft niet geleid tot aanpassingen en is ter kennisgeving aangenomen. Naar aanleiding van de overlegreacties van de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Capelle aan den IJsel zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de toelichting en regels. De betreffende aanpassingen zijn in de Nota vooroverleg benoemd.
10.2
Ontwerpfase
Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de inspraakreacties en de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook worden er - indien nodig - ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient - met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening - ook via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving).
10.3
Vaststellingsfase
Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.
79