CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003526] Bijlage 1 behorende bij 23bb004083 over Ontwerpbestemmingsplan Waterside III

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 23 augustus 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bestemmingsplan Waterside III33.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Doorwerking plangebied Het bouwplan wordt aangemerkt in de hoogbouwvisie als hoogbouw. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in hoogteaccent op een markante zichtlocatie. De hoogte van de bebouwing is gezien de ligging van de locatie en bestaande hoogbouw in de omgeving legitiem. Het complex wordt ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur.

Wind Om het windklimaat rondom het te realiseren wooncomplex inzichtelijk te maken is er een windhinderstudie uitgevoerd (zie bijlage 9). Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze studie. Er zijn simulaties uitgevoerd voor 12 windrichtingen, waarbij resultaten met volledige vegetatie en met gereduceerde vegetatie, overeenkomend met respectievelijk een zomer- en een wintersituatie, zijn gebruikt voor het bepalen van het jaargemiddelde niveau van windhinder en windgevaar. De resultaten laten zien dat: »

» «

Het windklimaat in de geplande situatie als relatief ’windrijk’ is te omschrijven. Het windklimaat is niet overal aangenaam om te wandelen, aangezien aanzienlijke delen van het voetgangersniveau zijn ingedeeld in windklasse E; De meeste overschrijding van de 5 m/s jaargemiddelde windsnelheid plaats vindt bij zuidwestenwind en (in mindere mate) bij noordoostenwind; In de geplande situatie er beperkt risico optreedt tot windgevaar.

Er zijn meerdere redenen voor het ongunstige windklimaat. Ten eerste, het gebouw is aanzienlijk hoger dan de omliggende gebouwen. Ten tweede, de projectlocatie is gelegen direct aan de Nieuw Maas dit zorgt voor een windrijk windklimaat aan de noordwesten zuidoostpunt van de beoogde nieuwbouw. Om het windklimaat te verbeteren worden verschillende mitigerende maatregelen voorgesteld, die met de volgende punten kunnen worden samengevat: « »

Toepassen van bouwkundige obstructies en afscherming; Toepassen van vegetatie;

Na het toepassen van deze maatregelen is er sprake van een goed windklimaat en goede ruimtelijke ordening.

Zon Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie wordt in de praktijk voor een bestemmingsplanprocedure vaak gebruik gemaakt van de 'lichte TNO- norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Barcode Architects een bezonningsstudie uitgevoerd, zie bijlage 10. Daaruit volgt dat op 19 februari en 21 oktober sprake is van minimaal twee bezonningsuren. Daarnaast is op 21 januari en 22 november sprake van minstens drie bezonningsuren. Enkel in de late namiddag is er beperkte schaduwwerking op de woningen aan de Flying Dutchmanstraat. Deze woningen worden bovendien door het appartementencomplex 'Waterside II' beinvloed. De bezonningsstudie laat zien dat ter plaatse van de gevels van de woningen aan de Flying Dutchmanstraat wordt voldaan aan de lichte en zware TNO-bezonningsnorm.

24

2.3.9 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Erfgoedverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: » » « » »

het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.

De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Erfgoedverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Het aspect archeologie is nader beschouwd in paragraaf 3.2.

25

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving van het plangebied

Ontstaansgeschiedenis

Historie Eeuwenlang kende het eiland IJsselmonde een kleinschalig agrarisch polderlandschap. De hevige overstromingen van de Sint Elizabethsvloed (1421) waren de aanleiding tot de aanleg van verschillende dijken, waardoor de natte delta in een landbouwgebied veranderde. Aan de landzijde lag de wereld van de boeren, die aan de voet van de dijk hun boerderijen bouwden met zicht op het achterliggende polderland. Aan de andere kant van de dijk was op de oever volop bedrijvigheid. Oud IJsselmonde vormde een belangrijk knooppunt aan de rivier in het regionale vervoersnetwerk: het was één van de drie plekken waar je in Rotterdam met de pont de oversteek van de rivier kon maken. Het kasteel, de kerk en het achterliggende bos toonden zich als een statig groen geheel aan de oever, bootpassagiers en kooplieden kwamen aan in het dorp, waar voorzieningen als cafés en herbergen volop klandizie hadden. Op de groene buitengorzen stonden de houten huizen en schuren van de zalmvissers. IJsselmonde had van oudsher een intensieve relatie met de rivier. Vanaf het IJsselmondsehoofd vertrok het veer naar Kralingen. Dit was ook de plek van de jaarlijkse paardenmarkt. De zalmvisserij was de belangrijkste economische activiteit van IJsselmonde. De omslag naar een industriële economie rond 1880 maakte van de buitengorzen industrieterreinen.

Het profiel van de oever werd van zijn allure beroofd door de sloop van het kasteel en de kap van het kasteelbos. In 1903 werd de watertoren van Oud-IJsselmonde gebouwd, ongeveer op de plek waar zich nu het initiatief voor 'Waterside 3' bevndt. Na 1950 voltrokken zich opnieuw grootschalige veranderingen, zoals de aanleg van de Van Brienenoordbrug. De brug zorgde enerzijds voor een verbeterde bereikbaarheid, maar anderzijds heeft die ook een hoop schade aangericht. Met de komst van de brug werden historische linten, zoals de Koninginneweg, Valkenoordsedijk en de Bovenstraat aangetast en doorsneden. Ook werd al in 1976 de watertoren gesloopt en sneed de hoge nieuw aangelegde Deltadijk het dorp af van de rivier. Het verdwijnen van het veer naar Kralingen door de opening van de Van Brienenoordbrug in de jaren zestig en de aanleg van de hoge Deltadijk hebben het eraan bijgedragen dat Oud-IJsselmonde behoorlijk geïsoleerd in de stad is komen te liggen.

Context en karakter De ontwikkeling aan de Oude IJsselmondsehoofd ligt in de wijk Waterside en grenst aan de reeds bestaande bebouwing van de wijk en op het havenhoofd. De realisatie van de woontoren op het havenhoofd zal aansluiten bij de al gesitueerde bebouwing aan de Flying Dutschmanstraat. Het plangebied grenst aan het rivierfront van het dorp Oud-IJsselmonde. Het rivierfront kent verschillende sferen. Zo grenst het plan aan de insteekhaven. Deze wordt op dit moment gebruikt als aanmeerplaats voor schepen. Ook is er een opstapplaats voor de watertaxi. Het terrein dat grenst aan de zuidzijde de Oosterdijk van de insteekhaven, wordt door Rijkswaterstaat gebruikt als opslaglocatie en als parkeerplaats. Op het terrein is momenteel een woning aanwezig. Aan de noordzijde grenst de planlocatie aan de vaargeul van de Nieuwe Maas. Ten westen van de planlocatie ligt de Van Brienenoordbrug die onderdeel is van de rijksweg A16. Dit is een van de belangrijkste verbindingswegen van Rotterdam en is onderdeel van de Ruit van Rotterdam. Ook grenst het plangebied aan de Oostdijk, die het waterfront scheidt van de historische dorpskern van Oud-IJsselmonde. In de dorpskern vind je nog echt de sfeer van het dorp van vroeger. Het is een unieke plek in Rotterdam met veel historisch waardevolle objecten.

Er zijn twee punten waar je de Oostdijk over kunt: ter hoogte van de Bovenstraat, en een langzaamverkeersverbinding tussen de Starstraat en de

26

Koninginneweg.

3.2

Archeologie

Toetsingskader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het Rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: » » »

te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam heeft een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Door de ondertekening van het Verdrag van Malta (Valletta, 1992) heeft Nederland zich verplicht tot het beschermen van het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. De Erfgoedwet (opvolger van de Wet op de archeologische monumentenzorg) is het eindresultaat van de implementatie van het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse wetgeving. De wet bevat 3 belangrijke uitgangspunten: « » »

het streven naar behoud ter plaatse van archeologische waarden; het tijdig betrekken van de archeologische waarden in de ruimtelijke ordening door het opnemen van harde juridische eisen in bestemmingsplannen; de verstoorder betaalt voor het onderzoek en de documentatie van archeologische waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Doorwerking plangebied De gemeente Rotterdam heeft een archeologische waarden- en beleidsadvieskaart opgesteld. Deze kan als leidraad worden gebruikt voor de bescherming van archeologische waarden in het bestemmingsplan, en om vast te stellen welk archeologisch onderzoek nodig is bij voorbereiding van ruimtelijke plannen. Op de beleidsadvieskaart wordt onderscheid gemaakt in een aantal gebieden met verschillende verwachtingswaarden. Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden­ en Beleidskaart Rotterdam wordt aan de locatie een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting toegekend. De archeologische waarden zijn te verwachten beneden 0 meter NAP. Conform deze kaart dient de noodzaak voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek te worden beoordeeld door de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam bij grondroerende werkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 0 meter NAP en die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. In het vigerend bestemmingsplan ‘Oud IJsselmonde’ is ter bescherming van de archeologische waarden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Dat betekent dat ontwikkelingen die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m2 en tevens dieper reiken dan 0 meter NAP onderzoeksplichtig zijn.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ter bescherming en veiligstelling van de eventuele archeologische waarden de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ overgenomen in dit bestemmingsplan.

27

3.3

Cultuurhistorie

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedagenda Rotterdam zijn voor de jaren 2017-2020 de belangrijkste pijlers opgenomen van het cultuurhistorisch beleid van de gemeente Rotterdam. Deze pijlers betreffen: » » «

bescherming en instandhouding gebouwd erfgoed; geschiedenis in beeld (kennisontwikkeling gebouwd erfgoed); het vertelde verhaal (kennisoverdracht gebouwd erfgoed).

Doorwerking plangebied In het kader van het bestemmingsplan 'Oud IJsselmonde' is in 2017 een Cultuurhistorische verkenning opgesteld. Deze verkenning geeft een gedetailleerd beeld van de ontwikkeling van Oud-IJsselmonde en de daarin aanwezige en te beschermen cultuurhistorische waarden, zoals structuren, ensembles en gebouwen. Voor het plangebied en de directe omgeving zijn geen specifieke waarden of randvoorwaarden aangeduid. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.

28

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. In navolgende paragraaf wordt ingegaan op de opzet van het plan en het bijhorende programma. In paragraaf 4.3 worden (toekomstige) ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied beschreven.

4.2

Opzet van het plan

4.2.1

Algemeen

In de nieuwe planopzet is gekozen voor een flexibel plan waarin de verschillende voorzieningen en (bouw)mogelijkheden voor de gewenste ontwikkeling juridisch is geborgd. Het bestemmingsplan sluit aan bij de gemeentelijke systematiek, waarbij het vigerende bestemmingsplan 'Oud-IJsselmonde' als uitgangspunt is genomen. Er is daarom gekozen voor één woonbestemming binnen het gehele plangebied. Op grond van de bestemming is voorzien in ruimte voor in ieder geval aantal wezenlijke onderdelen van deze planontwikkeling: » » « » » »

woningen; sportvoorzieningen voor bewoners; horeca; bedrijfsruimtes/ kantoren; (ontsluitings)wegen met bijbehorende (ondergrondse) parkeervoorzieningen; openbaar groen.

4.2.2

Verkeer en parkeren

Verkeer Een toename of wijziging van functies zorgt voor een verandering in de verkeersgeneratie. Met behulp van de CROW-publicatie 381 kan de verkeersgeneratie van een bepaalde functie worden berekend. Een eventuele toename mag niet voor negatieve effecten zorgen met betrekking tot de verkeersdrukte en -veiligheid. Met gebruik van de CROW verkeersgeneratie tool (Berekening CROW-tool, uitgaande van omgevingstype 'sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom' en woningtype 'koop, appartement, midden') is berekend dat de 176 gewenste appartementen in totaal 915 personenwagenbewegingen per gemiddelde weekdag genereren en dat 300 m2 kantoorruimtes in totaal 14 personenwagenbewegingen per gemiddelde weekdag genereren. In het beoogde plan zal een horecavoorziening worden gerealiseerd van maximaal 150 m2 bvo. Per 100 m2 bvo restaurant geldt een parkeernorm van 12 (Beleidsregeling Parkeernomen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022). In totaal heeft het restaurant een parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen. Elke parkeerplaats die bezet wordt betekent 2 verkeersbewegingen, één keer tijdens arriveren en één tijdens vertrek. Dit betekent dat het restaurant per keer dat het restaurant vol zit een verkeer aantrekkende werking heeft van 26 mvt/ etmaal. Er wordt vanuit gegaan dat het restaurant 3x per dag vol zal zitten, tijdens het ontbijt, de lunch en tijdens het diner.

Per dag zal het restaurant daarom ca. 78 mvt/etmaal genereren. De beoogde gym zal enkel toegankelijk zijn voor de bewoners van het gebouw, waardoor deze functie geen eigen verkeersaantrekkende werking heeft. In totaal heeft het beoogde voornemen een verkeersaantrekkende werking van ca. 1.007 personenwagenbewegingen per gemiddelde weekdag.

29

Verkeersgeneratie (gemiddelde weekdag) Toekomstige situatie 176 appartementen (midden tot duur)

915 mvt/etmaal

Horeca 150 m2 bvo

78 mvt/etmaal

Kantoor/ bedrijfsruimte

14 mvt/ etmaal

Totaal

1.007 mvt/etmaal

Tabel 4.1: Effect van beoogde ontwikkeling op de verkeersgeneratie

Parkeren Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Om deze reden is een parapluherziening parkeernormen vastgesteld met daarin een dynamische verwijzing naar het op 1 februari 2018 over parkeren vastgestelde beleid. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 8.1 van de Regels een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de beleidsregeling het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling De beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan worden afgeweken; zowel van de eis zelf (geheel of gedeeltelijk) als van de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd. Ook kan van de parkeereis geheel of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend. Dit heeft tot gevolg dat er in beginsel geen parkeervergunning op straat wordt afgegeven. In de beleidsregeling is uitgebreid omschreven onder welke voorwaarden van de parkeereis kan worden afgeweken of vrijstelling kan worden verleend.

De huidige parkeernorm De planlocatie ligt volgens de beleidsregeling in het overig gebied (zone C). In tabel 4.2 is de parkeerbalans opgenomen voor de woningen en het plintprogramma in onderhavig project. Wanneer er geen rekening gehouden wordt met dubbelgebruik, dienen er voor onderhavig plan in totaal 166,4 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Echter wanneer er rekening gehouden wordt met

30

dubbelgebruik, zijn er in totaal 145 parkeerplaatsen benodigd (zie tabel 4.3). Voor het dubbelgebruik is voor het beoogde programma de avond op een werkdag maatgevend. De parkeerbehoefte wordt middels de parkeergarage 145 parkeerplaatsen opgelost. Ook zullen er in de parkeerkelder voldoende fietsparkeervoorzieningen gerealiseerd worden.

aantal parkeerplaatsen

Woningen Aantal Bewoners Subtotaal totaal bewoners

Totaal aantal pp wonen

Overige functies uitgaande van 10096 bezetting (geen dubbelgebruik)

Horeca 150m2 restaurant Kantoor Sportschool Totaal aantal pp overig

Bezetting totaal (geen dubbelgebruik)

bezettingspercentage 10096 aantal benodigde parkeerplaatsen

Bewoners Restaurant 150m2 Kantoor 300m2

10036 Totaal parkeerplaatsen op basis van 10096 bezetting

Tabel 4.2: Parkeerbalans (zonder dubbelgebruik)

Bezetting totaal, werkdag avond

bezettingspe

aantal benodigde

rcentage

parkeerplaatsen

werkdag avond Bewoners

142,4

X

9096

128,16

Restaurant 150m2

IS

X

9036

16,2

Kantoor 300m2

6

X

596

Ū,3

Totaal parkeerplaatsen

144,66

Tabel 4.3: Bezetting, rekening houdend met dubbelgebruik tijdens piekmoment op een avond op een werkdag

31

4.3

Ontwikkelingen

4.3.1

Projectbeschrijving

De initiatiefnemers van onderhavig plan zijn voornemens 176 appartementen aan de oever van de Maas, langs de Oostdijk en de Oude IJsselmondsehoofd in Rotterdam te realiseren, onder de naam Waterside-Nľ. Het initiatief zal het iconische gebouw zijn, dat gerealiseerd moet worden op het IJsselmondsehoofd, ten westen van de ontwikkeling 'Waterside- Oost'. Het beoogde programma bestaat uit 176 appartementen welke zich bevinden in het midden- en hogere huursegment. In totaal bestaat het woongedeelte uit circa 11.627 m2 gbo. Daarnaast wordt onder het woongedeelte een parkeergarage beoogd met in totaal 145 parkeerplaatsen. Aanvullend worden er 564 fietsparkeerplaatsen in de parkeergarage gerealiseerd. Om op de begane grond levendigheid te creëren, zal er een horecagelegenheid worden gevestigd met een bvo van 150 m2. Verder zal er ruimte gecreerd worden voor kantoren/ bedrijfsruimten (300 m2 bvo) en zal er voor bewoners een sportgelegenheid gerealiseerd worden.

ņps j'. lp**

WM

Figuur 4.1: Impressie van de te realiseren wooncomplex, gezien vanaf de Nieuwe Maas

4.3.2

Openbare ruimte

Het water rond Oud-IJsselmonde is na het Getijdenpark Eiland van Brienenoord de volgende schakel in het landschappelijke raamwerk van de stedelijke rivier. Het IJsselmondsehoofd, waar het plangebied gelegen is, verknoopt het buitendijkse gebied met het dijkfront. Op deze plek wordt het contact tussen het binnendijkse landschap en de rivier beter zichtbaar en ervaarbaar gemaakt. In de openbare ruimte wordt ingezet op diverse vormen van het beleven van de rivier. Het landschap vormt de verbindende factor tussen onderhavig project en de ontwikkeling 'Waterside-Oost' op de Flyingdutchmanstraat. Het krijgt vorm als een stedelijk park aan het water. Een wandelroute op de kade is de verbindende schakel tussen beide projecten. De wandelroute is een voortzetting van de route op de kade in de bestaande wijk Waterside 1 en eindigt op de kop van het IJsselmondse hoofd. De wandelroute gaat over het huidige terrein van Rijkswaterstaat dat daarmee een belangrijke schakel vormt in het geheel als toekomstig stedelijk park (zie figuur 4.2).

32

Landschapsontwerp indicatief, nog uit te werken door landschapsarchitect

.Landschapsontwerp indicatief, nog uit te werken door landschapsarchitect ~~

ì

w

nn

Figuur 4.2: Indicatie inrichting openbaar gebied

4.4

Juridische planbeschrijving

4.4.1

Wonen

De ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuw appartementencomplex. Voor het gehele terrein is gekozen voor één woonbestemming, waarbinnen de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede (binnen)tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden en hellingbanen. De parkeergarage zal halfverdiept worden aangelegd. Voor de ontwikkeling is het peil vastgelegd op het NAP. De parkeergarage zal een bouwhoogte hebben van 4 m + NAP. Op de verbeelding is daarom als maatvoering aangehouden van 4 meter voor de parkeergarage. Voor het gebied waar de woontoren wordt gerealiseerd, alsmede het resterende terrein van het parkeerdek, wordt als peil gehanteerd de bovenkant van het afgewerkte parkeedek; 4m + NAP. Voor de woontoren geldt vanaf het parkeerdek een bouwhoogte van 70 meter. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Er mogen in totaal maximaal 176 woningen worden gerealiseerd. Op de begane grond van het appartementencomplex zijn voorzieningen beoogde in de vorm van horeca en kantoren/bedrijfsruimte. Deze zijn middels de functieaanduiding 'gemengd' geborgd, met dien verstande dat deze functies niet groter mogen zijn dan de aangegeven maximum bvo.

Verder zal ook op de begane grond ondergeschikte diensten ten behoeve van de bewoners worden gerealieerd zoals een gym. Deze voorzieningen zijn uitsluitend ten behoeve van de bewoners. Voor de waarborging van een goed woon- en leefklimaat is in de regels geborgd dat woningen krachtens het vastgestelde Stap-besluit (in het kader van de Stad- en milieubenadering) zullen voldoen aan de maatregelen van het stap 3-besluit. Zie voor een toelichting op de stad- en milieubenadering paragraaf 6.2 van onderhavige toelichting.

33

4.4.2

Dubbelbestemmingen

Waarde - Archeologie 4 en 6 Conform het vigerende plan is de archeologische dubbelbestemming opgenomen. Dit betekent dat voor werkzaamheden die dieper reiken dan 0 meter beneden NAP en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd, tenzij de werkzaamheden zijn genoemd in één van de uitsluitingscategoriëen.

Waterstaat - Waterkering Ter plaatse van de Oostdijk is een primaire waterkering aanwezig. De zuidzijde van het perceel ligt aan de buitendijkse zijde binnen de beschermingszone van de waterkering. Op grond hiervan is de dubbelbestemming Waterstaat-Waterkering' opgenomen. Ter plaatse van de bestemming 'Waterstaat - Waterkering', mag in afwijking van de bouwregeling voor de andere voorkomende bestemming(en) dan 'Waterstaat - Waterkering', niet binnen bedoelde zone worden gebouwd. Van deze regel kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits het belang van de waterkering hierdoor niet wordt geschaad en schriftelijk advies van de dijkbeheerder dient te worden gevraagd.

34

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Beleidskader

Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provnciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan Zuid-Holland 2016-2021.De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Waterschap Hollandse Delta is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het plangebied.

Het Waterbeheerprogramma van Waterschap Hollandse Delta bestaat voor de periode 2016-2021 uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel begint na de inleiding met een korte beschrijving van het beheersgebied van Hollandse Delta en bevat de doelen die het waterschap wil bereiken. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren en gaat op hoofdlijnen in op de financiële consequenties daarvan. Het waterschap heeft een visie die afgestemd wordt met de gemeenten die het voortouw nemen bij het nemen van maatregelingen. Wijzigingen in het watersysteem en toename aan verharding dienen gecompenseerd te worden rekening houdend met de klimaatverandering op langere termijn. De Keur en Legger omvatten regels om het bestaande oppervlaktewater te beschermen en beheren. In de legger is de (bescherming) van het oppervlaktewater opgenomen. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Bij het voldoen aan de Algemene Beleidsregels volstaat een melding, in andere gevallen kan een vergunning benodigd zijn.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De gemeente Rotterdam heeft een gemeentelijk rioleringsplan 2016-2020 opgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe zij invulling geven aan haar zorgplicht voor afval-, hemel-, en grondwater. Water en Rotterdam zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Water speelt een cruciale rol bij de ontwikkeling van de stad. Maar het stedelijk watersysteem staat onder druk en de grenzen zijn inmiddels bereikt. Door klimaatverandering, bodemdaling en verstedelijking is het water- en rioleringsbeheer een lastige opgave. De gemeente en de 3 waterschappen zoeken in de 'wateropgave' samen naar de beste oplossingen om wateroverlast zoveel mogelijk te voorkomen. Hiervoor is een herijkt Waterplan2 opgesteld om Rotterdam ‘waterproof te maken, met als belangrijkste doelstelling: in 2025 is Rotterdam 1000Zo klimaatbestendig. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(herAzer)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst. Middels de online watertoets wordt een eerste uitgangspuntennotitie verkregen. Het

35

plangebied is geregistreerd onder dossiercode 20210608-39-26747 . Deze is opgenomen in de bijlagen. Deze uitgangspuntennotitie bevat de waterhuishoudkundige streefbeelden, strategieën en randvoorwaarden van waterschap Hollandse Delta en dient als hulpmiddel voor de eerste aanzet van een waterparagraaf. De relevante randvoorwaarden voor het plan Waterside-Oost III, Rotterdam zijn gerangschikt onder acht streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema’s Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water en het thema wegen. Van streefbeeld naar randvoorwaarden is de strategie opgenomen, die erop gericht is het streefbeeld te verwezenlijken (indien relevant voor het planvoornemen). Deze thema’s dienen als een goed uitgangspunt om het komen tot een robuuste, duurzame herontwikkeling. Door middel van deze rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag (de formele watertoets door waterschap Hollandse Delta en gemeente Rotterdam).

5.2

Huidige watersysteem

5.2.1

Oppervlaktewater

Rondom het plangebied is het water van de Nieuwe Maas aanwezig. Rijkswaterstaat ziet als beheerder toe op de waterkwaliteit van de Nieuwe Maas. Het is daarom van belang dat er bij ontwikkelingen ten behoeve van de waterkwaliteit inzichtelijk wordt gemaakt welk type verontreiniging er vanaf het plangebied tot afstroming komen naar de rivier en welke maatregelen nodig zijn om negatieve effecten te voorkomen. Een inlaat- en uitwateringsgeul, hoofdwatergang en boezemwater dienen voorzien te zijn van een obstakelvrije werkstrook (maakt onderdeel uit van de beschermingszone) van minimaal 5 meter breed. Voor de regio IJsselmonde geldt voor de hoofdwatergang en boezemwater respectievelijk minimaal 3,5 en 3 meter. Er vinden daarnaast geen projecten plaats in het kader van de Waterrichtlijn.

5.2.2

Grondwater

Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,8 m-mv. voor bebouwing (onderzijde vloerpeil) en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Van de onderzoekslocatie is diverse informatie geraadpleegd bij het Dinoloket, eerdere (bodem)onderzoeken en de gemeente Rotterdam. De grondwaterstand varieert per locatie en in tijd door verschillen in bodemopbouw, neerslag, seizoen-verschillen, nabijheid van open water of grondwater gerelateerde activteiten, aanwezigheid van bemalingen e.d.. De gemeente Rotterdam heeft een netwerk van circa 2.000 peilbuizen gerealiseerd om inzicht te hebben in eventuele grondwateroverlast en de optredende (on)diepe grondwaterpeilen. Op basis van nabij gelegen meetpunten wordt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ingeschat op circa 1,4 m +NAP en de gemiddelde grondwaterstand op circa 0,9 m +NAP. Volgens de gegevens uit het DINOloket is er een dikke ophooglaag aanwezig binnen het plangebied. Deze laag is circa 2,3 meter dik en bestaat hoofzakelijk uit grof zand met mogelijke bijmenging van puin en grind. Onder de ophooglaag is de Formatie van Echteld aanwezig. Deze formatie is gevormd door fluviatiele afzettingen (kom-, oever- en geulafzettingen) en bestaat daardoor hoofzakelijk uit een kleine lithofractie.

Over het algemeen zal de ondergrond slecht doorlatend zijn.De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in onderstaande tabel.

36

ļ Diepte [m-mv.]

Lithostratigrafie

Lithologie

0-2,3

Antropogene afzettingen

Zand, zeer fijn tot zeer grof; klei, sîltîg tot zandig, humeus; huisafval; puin

2,3-12,3

Formatie van Echteld

Klei, lokaal zandig, lokaal humeus; zand, zeer fijn tot uiterst grof, kleiig tot grindig

(gedeelte boven NI HO) 12.3-13,1

Formatie van Nieuwkoop

Veen, lokaal kleiig

13.1-16,4

Formatie van Echteld

Klei, lokaal zandig, lokaal humeus; zand, zeer fijn tot uiterst grof, kleiig tot grindig

16,4-25,0

Formatie van Kreftenheye

Zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, zandig; klei, siltig tot zandig, lokaal humeus

Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover ons bekend, geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan. Bij eventuele bemaling en lozing ten behoeve de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren. Door het planvoornemen is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten.

5.2.3

Waterkering

In de Nota Ruimte (2005) is, anticiperend op toekomstige ontwikkelingen, een beperking voor bebouwing rond waterkeringen aangekondigd, die moet worden geconcretiseerd in vrijwaringzones. De Nota geeft een richtlijn voor de omvang van deze zones, en een proces voor de uitwerking ervan. Hollandse Delta heeft in de Beleidsnota Waterkeringen deze richtlijn ingevuld. Deze vrijwaringszone of het profiel van vrije ruimte is vastgelegd in de legger, structuurvisies en bestemmingsplannen. Om veiligheid te bieden, stelt het waterschap onder meer beperkingen aan het realiseren van werken en het verrichten van werkzaamheden op en nabij de waterkeringen. Deze beschermingszones heeft het waterschap in de Keur opgenomen. De zones met een (bouw)beperking zijn de kern- en beschermingszones langs waterkeringen. Zonder vergunning van het waterschap is het verboden gebruik te maken van een waterstaatswerk en beschermingszone anders dan in overeenstemming met de functie. Op dit verbod kan het waterschap ontheffing (vergunning) verlenen. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringsbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Ter plaatse van de Oostdijk is een primaire waterkering aanwezig (IJsselmonde, kaartblad 43, zie afbeelding 5.1). Het plangebied ligt deels aan de buitendijkse zijde binnen de beschermingszone van de waterkering.

Om het plangebied te kunnen ontwikkelen, is derhalve een vergunning noodzakelijk. Gezien de ondergrondse parkeergarage en de afstand tot het dijklichaam is getoetst of wordt voldaan aan de geldende beleidsregels voor bouwwerken in en nabij waterkeringen (zie bijlagen). Hieruit blijkt dat de nieuwbouw geen belemmering vormt voor de betreffende waterkering, zie ook dwarsprofiel op figuur 5.2. Door de buitendijkse ligging van het plangebied wordt hoog water niet tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water, wordt bepaald door de terugkeertijden van hoge waterstanden in de Nieuwe Maas tegenover de maaiveldhoogte van het plangebied. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes relatief klein. De kans op slachtoffers in het buitendijks gebied is dan ook gering. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Door de gemeente Rotterdam zijn uitgiftepeilen voor het buitendijks gebied opgesteld. Voor het planvoornemen geldt een uitgiftepeil van +3,60 m NAP voor de basisfuncties en een uitgiftepeil van NAP + 3,90 m voor kwetsbare functies. Tevens zal rekening gehouden moeten worden met de eventuele dijkversterkingen die voortvloeien uit de deltabeslissingen.

Het Maatgevend hoogwaterpeil (M.H.W.) ligt ter plaatse vooralsnog op +3,40 m NAP. Door hiermee rekening te houden is geen wateroverlast te verwachten binnen het perceel.Dit is zo reeds opgenomen in het planontwerp.

37

ľ\ AU

LOCATIE WATERSIDE III

LOCATIE y WATERSIDI

^TITï 111!

.o

Figuur 5.1: Uitsnede primaire waterkering met aanduiding plangebied

Figuur 5.2: Dwarsprofiel dijklichaam en planvoornemen

5.2.4

Riolering

In het rioleringsplan van de gemeente Rotterdam is aangegeven dat het uitgangspunt is dat het hemelwater bij nieuwbouw 100o7o gescheiden gehouden wordt. Het gemeentelijke beleid is erop gericht om zoveel mogelijk panden af te koppelen van het gemeentelijke stelsel, zodat er een robuust stedelijk systeem ontstaat. Bij nieuwbouw dient minimaal op eigen perceel een gescheiden stelsel aangelegd te worden, waarbij het vuile afvalwater 100oZo gescheiden blijft van het ‘schone’ hemelwater. De bestaande bebouwing is aangesloten op een verbeterd gescheiden rioolstelsel. Onder de Oostdijk is een PVC 315 mm rioolbuis aanwezig welke zuidwestelijk van het plangebied overgaat in een PVC 400 mm rioolbuis. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater, met een uitlaat bij de haven,

38

circa 500 meter ten oosten van het plangebied.

5.2.5

Hemelwater

Binnen het plangebied is een woonhuis, deels verharde tuin en verharde weg/oprit aanwezig. Hierdoor is het grootste gedeelte van het plangebied verhard welke afstroomt naar het water en/of verbeterd gescheiden stelsel. Bij de nieuwbouw wordt tevens een gescheiden stelsel aangelegd. Het separaat houden van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen (zie hiervoor de bijlage). Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse verwerkt te worden. Voor buitendijkse ontwikkelingen is er geen verplichting om verharding te compenseren. Aanvullende duurzame maatregelen die toepasbaar zijn, zijn hergebruik voor koeling of besproeiing, daktuinen, berging in de openbare ruimte of vertraging van de afvoer door toepassing van waterpasserende bestrating. Bij toepassing dient zorg gedragen te worden voor afdoende noodoverlaten en een goede maaiveldprofilering richting het oppervlaktewater. In het planvoornemen zijn waterbergingen in de groenvoorzieningen opgenomen, waardoor het hemelwater langer kan worden vast gehouden. Het bergend vermogen van deze voorzieningen is in het huidige ontwerpplan nog niet beschikbaar.

Daarnaast wil men de slagregen opvangen in kleine groenvoorzieningen tussen de woonlagen, waardoor veel kleine ruimtes gebruikt worden voor een uiteindelijk groot oppervlak aan hemelwaterbergingen. Dit draagt bij aan een robuust watersysteem en zal tevens de hittestress verminderen.

39

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Stad- en milieubenadering

De Interimwet stad-en-milieubenadering richt zich op het realiseren van een optimale leefkwaliteit en een effectief ruimtegebruik in de stad. De wet is ontwikkeld om bouwen mogelijk te maken op plekken in de stad waar dat erg gewenst is, maar waar dit vanwege de milieunormen niet mogelijk lijkt. Door toepassing van de stad-en-milieubenadering is het mogelijk om van de wettelijke milieunormen af te wijken. De gemeente Rotterdam heeft ten behoeve van het bestemmingsplan "Oud IJsselmonde" destijds voor een stap 3-besluit gekozen. Dit in verband met de geluidsbelasting vanaf de Rijksweg A16 die ten westen van de wijk is gelegen. Voor onderhavig initiatief is door Buro Bouwfysica een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie hiervoor ook paragraaf 6.5 van onderhavige toelichting. Op basis van van het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de rijksweg A16 over een gedeelte van het plangebied de maximale grenswaarde (53 dB) overschrijdt. Voor de overschrijdingen van de maximale grenswaarde van de rijksweg A16 is een procedure hogere grenswaarde niet mogelijk. Om die reden is gekeken naar de stad-en-milieubenadering. Essentieel is dat milieuaspecten vanaf het begin worden meegenomen in ruimtelijke plannen en daarmee een integraal onderdeel vormen van het plan.

Voor de integrale planvorming (inclusief milieuaspecten) is de stad en milieubenadering ontwikkeld, die in drie stappen verloopt en waarin vanaf het begin alle betrokkenen participeren.

Stap 1: het in een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming op lokaal niveau integreren van milieubelangen, in combinatie met het zoveel mogelijk treffen van brongerichte maatregelen. Voor onderhavige locatie is gekeken naar de effecten van het toepassen van bronmaatregelen bestaande uit het toepassen van geluidreducerend asfalt of snelheidsverlaging. Een snelheidsverlaging is niet wenselijk, welke ook niet zal leiden tot een verlaging van de overschrijding van de maximale ontheffingswaarden. Het toepassen van geluidreducerend asfalt is vanuit financieel oogpunt niet gewenst en daarnaast zal het toepassen van een geluidarm asfalt er niet toe leiden dat dat de voorkeursgrenswaarde wordt bereikt.

Stap 2: het maximaal benutten van de ruimte die de bestaande wetgeving reeds biedt: maatwerk. Er is daarnaast gekeken naar maatregelen die binnen de mogelijkheden van de Wet geluidhinder worden geboden zoals maatregelen bij de ontvanger of overdrachtsgebied. Het toepassen van

40

(geluids)schermen tussen de bron en plangebied is slechts effectief wanneer deze zeer hoog zijn. Inpassing van dergelijke schermen stuit op financiële, stedenbouwkundige en veiligheidstechnische bezwaren. Het nemen van maatregelen bij de ontvanger zal ertoe leiden dat de beoogde ontwikkeling alleen mogelijk is indien 'dove gevels' worden toegepast op gevels waar de maximale ontheffingswaarde van de A16 worden overschreden. De toepassing van dove gevels voor nieuwbouwplannen stuit op bezwaren vanwege de afbreuk die het doet aan de leefomgevingskwaliteit. Om die reden dient een stap-3 besluit te worden genomen.

Stap 3: het afwijken van wettelijke milieunormen voor bodem, geluid, lucht, stank en ammoniak. De Interimwet stad-en-milieubenadering biedt de mogelijkheid om af te wijken van de wettelijke milieunormen met betrekking tot geluid, zie artikel 2 sub a Interimwet stad-en-milieubenadering. Het bevoegd gezag (gemeenteraad) mag enkel een stap-3 besluit nemen als hij tot het oordeel is gekomen dat het rekening houden met milieukwaliteit in de ruimtelijke planvorming, het nemen van brongerelateerde maatregelen en het optimaal benutten van wettelijke voorschriften niet toereikend zijn om zuinig en doelmatig ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit te bereiken. Zoals hierboven is beschreven bij stap 1 en 2 zijn maatregelen ter reductie van de geluidbelasting niet mogelijk of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige-, verkeerskundige-, vervoerskundige-, landschappelijke-, of financiële aard. Daarom is ervoor gekozen om tegelijk met de procedure van het bestemmingsplan een stap 3-besluit te nemen om af te wijken van de wettelijke geluidsnorm van 53 dB die geldt voor de geluidsbelasting vanaf buitenstedelijke wegen op nieuwe geluidsgevoelige objecten. Een cruciaal onderdeel van de stad-en-milieubenadering zijn de compenserende maatregelen.

Deze maatregelen moeten ervoor zorgen dat de totale leefomgevingskwaliteit van het gebied een positieve impuls krijgt en de gezondheidssituatie wordt gewaarborgd. Alleen dan is afwijken van de milieunorm onder stap 3 van de stad-en-milieubenadering mogelijk. In verband met de verhoogde geluidbelasting ten gevolge van de A16 wordt in het kader van het Stap-3 besluit voorzien. De volgende compenserende maatregelen worden in het ontwerp opgenomen: « » » » « »

Karakteristiek binnenniveau 30 dB; Contactgeluidisolatie tussen woningen van 5 tot 10 dB boven de Bouwbesluiteisen; Een afsluitbare en geluidluwe buitenruimte per woning met buitenluchtcondities; Een tweede, niet afsluitbare buitenruimte per woning; Positionering van tenminste 1 verblijfsruimte per woning aan de afsluitbare buitenruimte; Gebalanceerde ventilatie en koeling.

In de bijlage is het stap 3-besluit toegevoegd. Voor een volledige beschrijving van de bovengenoemde stappen en verantwoording wordt verwezen naar de bijlagen.

Advies GGD Alvorens een stap 3-besluit te nemen is de gemeente verplicht advies te vragen aan de GGD over de te verwachten gezondheidseffecten. Dit volgt uit de artikelen 6 en 11 lid 2 van de Interimwet. De GGD heeft met name voor het thema geluid een advies voor de beoogde ontwikkeling gegeven. Dit advies is als bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. De GGD geeft in haar advies aan dat de locatie op grond van geluidkwaliteit voor woningbouw niet gewenst is. Indien ervoor wordt gekozen om ter plaatse woningen te realiseren dan adviseert de GGD dat de woningen een buitengevel hebben aan de meest geluidluwe zijde en dat toekomstige bewoners te informeren over de verwachte geluidniveau's. Naar aanleiding van het advies van de GGD is het project hierop aangepast door onder andere het toepassen van maatregelen ter borging van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat in de woning. Zo zullen de woningen een karakteristiek binnenniveau hebben van 30 dB. Daarnaast worden aanvullende maatregelen genomen voor afsluitbare en geluidluwe buitenruimte en de positionering van tenminste 1 verblijfsruimte per woning aan de afsluitbare buitenruimte. Voor een nadere toelichting van de maatregelen en de milieukwaliteit van het gebied wordt verwezen naar het stap 3-besluit. Geconcludeerd

41

kan worden dat het advies van de GGD integraal is meegenomen in de nadere planvorming. Door de compenserende maatregelen, in combinatie met de overige maatregelen van het plan, gericht op een optimale leefomgevingskwaliteit, is er ondanks een hoge geluidsbelasting sprake van een goede leefomgevingskwaliteit. Voor toepassing van een stap-3 besluit dient dit te worden gemeld aan de Gedeputeerde staten. Aan de melding zijn inhoudelijke eisen verbonden (artikel 11 lid 2 Interimwet). Het ontwerpbesluit volgt dezelfde procedure als een bestemmingsplanprocedure.

6.3

Milieu effectrapportage

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: » » »

de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. »

»

Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.

6.3.1

Plangebied

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van 176 woningen, 150 m2 horeca en 300 m2 kantoorruimtes. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Alhoewel de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft is middels een aanmeldingsnotitie (zie bijlagen) onderzocht of sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Uit deze notitie blijkt dat hiervan geen sprake is.

42

6.4

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.4.1

Plangebied

Voor het mogelijk maken van de ontwikkelingen van dit bestemmingsplan is er door De Roever een onderzoek bedrijven en milieuzonering uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen. In dit onderzoek zijn op basis van de vigerende bestemmingsplannen de milieubelastende functies in de omgeving in beeld gebracht. Hierbij zijn alle milieubelastende functies binnen 1.500 meter (de maximale mogelijke richtafstand, die hoort bij bedrijven van milieucategorie 6) van het plangebied betrokken. De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op de kaart in figuur 6.1. Het betreft de richtafstanden tot een rustige woonwijk behorend bij de maximale planologische mogelijkheden per locatie. Uit de kaart blijkt dat er geen richtafstanden worden overschreden. De richtafstand die het dichtst bij het plangebied in de buurt komt is de richtafstand behorende bij de scheepswerf aan de IJsseldijk. Het bestemmingsplan staat een scheepswerf (niet nader beperkt) toe. Een scheepswerf heeft maximaal milieucategorie 5.1 en daarmee een richtafstand van maximaal 500 meter. Deze richtafstand wordt niet overschreden

43

į rW

7 f plangebied

3 \ i

f QĩľtsÓnfl JOn,

?(vm3Wl

\WĴÍĽ[Ì?

ma#

-^mL30^

Figuur 6.1: De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden in de omgeving van het plangbied

Opstapplaats watertaxi Ten oosten van het plangebied -op een afstand van ca. 40 van de woontoren- is een opstapplaats voor watertaxi's. De opstapplaats ligt hiermee op voldoende afstand. Naast het feit dat de afstand tot de woontoren ruim voldoende te noemen is, wordt bovendien verwacht dat de geluidbelasting ten gevolge van deze watertaxi naar verwachting ondergeschikt is aan de overige geluidsbronnen, zoals het wegverkeer en de binnenvaartschepen. Bovendien wordt er nauwelijks van deze opstapplaats gebruik gemaakt. Nader onderzoek naar de akoestische impact van de watertaxi op de beoogde woningen wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Akoestiek parkeergarage Onderdeel van het plan is een parkeergarage onder het appartementencomplex. Om de effecten van deze parkeergarage op de toekomstige woningen inzichtelijk te maken is een akoestische boordeling uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Uit de berekening blijkt dat de geluidbelasting op een appartement op 10 meter van de hellingbaan 52 dB(A) bedraagt. Uit het 'Akoestisch onderzoek wegverkeers- en scheepvaartlawaai Waterside III te Rotterdam' met het kenmerk 18306.08v3 d.d. 19 april 2022 blijkt dat aan de zijde van de hellingbaan een geluidbelasting van 64 tot 69 dB vanwege het wegverkeerslawaai heerst. De 52 dB(A) vanwege de hellingbaan draagt niet significant bij aan de totale geluidbelasting op de gevel. Vanwege de hoge geluidbelasting vanwege het wegverkeer worden de volgende compenserende maatregelen worden in het ontwerp opgenomen: » » » « » »

Karakteristiek binnenniveau 30 dB. Contactgeluidisolatie tussen woningen van 5 tot 10 dB boven de Bouwbesluiteisen. Een afsluitbare en geluidluwe buitenruimte per woning met buitenluchtcondities. Een tweede, niet afsluitbare buitenruimte per woning. Positionering van tenminste 1 verblijfsruimte per woning aan de afsluitbare buitenruimte. Gebalanceerde ventilatie en koeling.

44

Vanwege deze maatregelen is met zekerheid te stellen dat ter plaatse van de appartementen geen hinder zal optreden vanwege de parkeergarage.

Terras Onderdeel van het plan is het realiseren van een kleinschalige horecavoorziening met terras. Om de effecten van dit terras op de toekomstige woningen inzichtelijk te maken is een akoestische boordeling uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Worst-case is in deze beoordeling ervan uitgegaan dat het bronvermogen van het terraszich gedurende de gehele dag- en avondperiode voordoet (geen bedrijfsduurcorrectie). De geometrische afname van het geluid door de afstand tot de bron bedraagt bij een afstand van 10 meter: 20 x log (10) + 9 = 29 dB(A). Het maximaal geluidniveau ter plaatse van de appartementen op 10 meter van het terras bedraagt dan 45 dB(A). Uit het 'Akoestisch onderzoek wegverkeers- en scheepvaartlawaai Waterside III te Rotterdam' met het kenmerk 18306.08v3 d.d. 19 april 2022 blijkt dat aan de zijde van de hellingbaan een geluidbelasting van 64 tot 69 dB vanwege het wegverkeerslawaai heerst. De 45 dB(A) vanwege het terras draagt niet significant bij aan de totale geluidbelasting op de gevel. Vanwege de hoge geluidbelasting vanwege het wegverkeer worden de diverse compenserende maatregelen in het ontwerp opgenomen, die reeds onder het kopje 'parkeergarage' zijn opgesomd. Vanwege deze maatregelen is met zekerheid te stellen dat ter plaatse van de appartementen geen hinder zal optreden vanwege het terras.

6.4.2

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de omliggende inrichtingen worden niet in hun belangen geschaad. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.

45

6.5

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=dc45971a-0cb5-443e-91ab-9ff99875847d