[23bb003391] Bijlage 2B behorende bij 23bb003399 over Nota van beantwoording zienswijzen Notitie Reikwijdte en Detailniveau A tot Z (voor MIRT-verkenning is die al eerder gepubliceerd)
Tekst van het document
41
tijdens verschillende fasen, de herkomst en aan- en afvoer van materiaal en eventueel noodzakelijke depots. • Besteed aandacht aan cumulatie van effecten. Onzekerheden
Voor ontwikkelingen die nog onzeker zijn of waarvoor nog bepalende keuzes gemaakt moeten worden adviseert de Commissie gebruik te maken van verschillende scenario’s of een gevoeligheidsanalyse. In haar toetsingsadvies over het ROER heeft de Commissie aangegeven dat de gevolgen van grootschalige autonome ontwikkelingen nog onvoldoende waren geanalyseerd. De Commissie adviseert deze aanbevelingen uit dit advies te betrekken bij het OER voor A tot Z, voor zover relevant voor deze ontwikkeling.
De beschouwing over dit onderwerp is opgenomen in het overkoepelende rapport over de ontwikkeling van de Oostflank.
Toetsing
Gebruik de geconcretiseerde ambities om de alternatieven en varianten te toetsen aan het doelbereik.
In het overkoepelende rapport is de beoogde ontwikkeling beoordeeld in relatie tot de geformuleerde ambities.
Bodem, water en klimaatadaptatie
• Onderzoek in hoeverre de alternatieven zijn opgewassen tegen (door klimaatverandering) toenemende klimaatextremen en in welke mate deze versterkend of belemmerend zijn voor de binnen DPRA en kennisprogramma zeespiegelstijging ontwikkelde strategieën voor de regio Rijnmond. • Beoordeel de effecten op toekomstige bodemdaling, opbarsting en ongelijkmatige zetting als gevolg van droogte en geef aan wat de invloed van klimaatverandering hierop is. • Beoordeel welke ruimte buitendijks en binnendijks nodig is voor toekomstige versterkingen van dijken en/of waterberging en welke effecten de alternatieven hebben in geval van buitendijks bouwen. • Beoordeel de effecten op de kwaliteit van bodem, grondwater en oppervlaktewater en geef aan wat dit betekent voor ontwerp en inrichting van de deelgebieden. De Kaderrichtlijn water (KRW) schrijft voor dat geen (tijdelijke) achteruitgang van de waterkwaliteit mag plaatsvinden. Uiterlijk in 2027 moeten KRW-wateren (zoals de Nieuwe Maas) voldoen aan de eisen van een goede toestand.
Klimaatscenario’s zijn als uitgangspunt genomen voor bodem, water en waterveiligheid. Er zijn bouwstenen “bodem en water sturend” onderzocht en varianten voor de diepe polders: zonder verstedelijking en met klimaatadaptieve verstedelijking. Zie Aanvulling ROER A-Z Verstedelijking. Effecten van bodemdaling en opbarst risico’s van grondwater zijn inzichtelijk gemaakt. Er wordt rekening gehouden met de noodzaak van meer gezonde bodems, (extra) ruimteclaims voor waterberging, ruimtereserveringen voor waterkeringen, uitgiftepeilen beleid, gebiedsgerichte adaptatie strategieën, klimaatadaptief bouwen en meerlaagse veiligheid. Ruimteclaims voor water (in verband met zowel waterkwantiteit als waterkwaliteit) zijn inzichtelijk gemaakt, evenals claims versus kansrijke plekken en gebieden, op bouwplot niveau, in de openbare ruimte en in het ecologisch en landschappelijk raamwerk.
Natuur
• Maak een globale omgevingsanalyse van het studiegebied die een algemeen beeld geeft van de natuurwaarden in het gebied, de verschillende leefgebieden en de aanwezige soortgroepen in het studiegebied. Maak hierbij onderscheid in deelgebieden met een verschillend karakter. Volgens de ROER zijn de rivier met polder de Esch en
De effecten op de natuurwaarden in A-Z zijn per deelgebied beschreven en beoordeeld, inclusief de effecten van A-Z op NNN en Natura 2000-gebieden. Dit heeft geleid tot een aanvullende risicoanalyse voor Natura 2000-gebieden. Zie bijlage Aanvulling ROER voor meer informatie.
42
het Eiland van Brienenoord en het Kralingse Bos de belangrijkste ecologische kerngebieden in het plangebied. • Beschrijf de mogelijke invloed van het voornemen op beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook als het voornemen niet in of direct naast een beschermd gebied ligt, kan het gevolgen hebben voor een beschermd gebied, bijvoorbeeld door stikstofdepositie. • Als gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet op voorhand uitgesloten kunnen worden moet een Passende beoordeling worden opgesteld, waaruit moet blijken dat natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden door het plan. De Passende beoordeling moet zich aanpassen aan het detailniveau van het besluit. In dit geval kan dit het karakter hebben van een risicoanalyse. Maak hierin globaal duidelijk of aantasting van natuurlijk kenmerken kan worden uitgesloten. Gezonde leefomgeving
• Besteed aandacht aan cumulatieve effecten van verschillende geluidbronnen. Betrek hierbij onder andere ook het geluid van scheepvaart en nestgeluid waar relevant. • Geef inzicht in de toe- en afname in geluidbelasting en gezondheidseffecten (advieswaarden WHO). • Beschrijf de effecten op fijn stof en NOx, ook onder grenswaarden en advieswaarden, van verschillende bronnen (zoals wegverkeer, scheepvaart en bedrijven). • Ga in op de externe veiligheidsrisico’s (groepsrisico en plaatsgebonden risico) die relevant kunnen zijn voor de ontwikkeling van het gebied, zoals risico’s van gas- of gifwolken, aanvaringen op de Maas en andere calamiteiten.
Het thema geluid is beoordeeld op basis van expert judgement, waarbij rekening is gehouden met de door u genoemde geluidbronnen en hun impact op de gezondheid. Bij deze beoordeling is tevens rekening gehouden met de cumulatieve geluidbelasting van weg- en spoorverkeer. Op planniveau is het van belang om de gecombineerde geluidsbelasting gedetailleerder in beeld te brengen, inclusief andere bronnen. Ook het thema luchtkwaliteit is beoordeeld op basis van expert judgement. Naast de EU-grenswaarden is ook onderzocht hoeveel mensen worden blootgesteld aan luchtverontreiniging, en of dit aantal toe- of afneemt. Tot slot zijn externe veiligheidsrisico's die relevant kunnen zijn voor de ontwikkeling in kaart gebracht en op basis van expert judgement beoordeeld.
Bereikbaarheid, verkeer en vervoer
• Besteed bij de uitwerking van de indicator verkeersveiligheid aandacht aan mogelijk risicovolle plekken in de verkeersinfrastructuur, bijvoorbeeld door hoge I/C waarden (weg- en fietsinfrastructuur), en complexe kruisingen van verschillende modaliteiten.
Er is gekozen om in de aanvulling ROER dezelfde indicator te gebruiken voor verkeersveiligheid als in de ROER van 2021. Voor de indicator 'bereikbaarheid' zijn de herkomstbestemmingsrelaties tussen verschillende locaties binnen en buiten het plangebied in kaart gebracht voor de
43
Welzijn, sociale aspecten
(aanzet voor een) monitoringsprogramma en evaluatie
• Ga bij de indicator bereikbaarheid (ook) in op de intensiteit en routeringsprincipes voor autoverkeer, de ontwikkeling van de modal split, het nagestreefde parkeerbeleid, de mogelijke barrièrewerking in de verbindingen tussen deelgebieden of problemen met toegang tot de HOV, en maak daarbij zichtbaar welke invloed de fasering (bijvoorbeeld het moment van aanleg van de HOV) op deze aspecten heeft. • Besteed bij schone verplaatsingen (ook) aandacht aan de mogelijke facilitering van deelmobiliteit en elektrisch rijden, en de mogelijke toepassing van zero-emission logistiek.
modaliteiten fiets, openbaar vervoer en auto. Hierdoor is een beeld van de veranderingen in reistijden gecreëerd als gevolg van de voorgestelde maatregelen in de verschillende varianten.
• Breng naast gegevens over de bevolkingsopbouw naar leeftijd, sociale samenstelling ook verhuisbewegingen in beeld (wie blijven, wie komen en waar vandaan, wie gaan en waar naar toe). Met name dit laatste is van belang om te zien of er vormen van gentrificatie plaatsvinden richting wijken binnen Rotterdam en/of de buurgemeenten. • Besteed naast de hierboven genoemde aspecten over de relatie van de fysieke leefomgeving en gezondheid ook aandacht aan de sociale, welzijnskant van gezondheid: ervaren fysieke en mentale gezondheid, gezond gedrag (bewegen, roken, drinken, drugs), eenzaamheid, sociale veiligheid.
Tijdens het ontwikkelen van de ontwikkelvisie is kennisgenomen van verschillende gegevens rond bevolkingsopbouw. Deze zijn echter niet expliciet in de aanvulling ROER teruggekomen. Het onderzoeken van gentrificatie is complex en past beter in een vervolgfase.
Geef in het OER aan: • hoe de monitoring wordt aangepakt; ga in op frequentie van monitoring en evaluatie, aansluiting op bestaande monitoringsystemen en meetnetten, te hanteren indicatoren (sluit zoveel mogelijk aan bij de indicatoren uit de doel- en effectbeoordeling uit het OER) en de wijze waarop over deze indicatoren gerapporteerd wordt; • wie verantwoordelijk is voor de aansturing van de monitoring, kwaliteitszorg en evaluatie/rapportage; geef aan of deze informatie openbaar is en wie besluiten/maatregelen neemt op basis van de uitkomsten van de evaluatie; • hoe gezorgd wordt voor een laagdrempelige ontsluiting van de monitoringsresultaten, zodanig dat deze gebruikt kunnen worden voor participatie. Voor een succesvolle implementatie van het programma is van belang dat de beleving, ervaringen en ideeën van bewoners een plek krijgen in de nadere uitwerking en invulling in de deelgebieden en wijken.
In het ROER zijn aanbevelingen opgenomen voor de monitoring en evaluatie. In de Aanvulling ROER is daarop voorgebouwd door aanbevelingen die zijn gericht op de ontwikkeling van de Oostflank.
In de Aanvulling ROER is aandacht besteed aan gezond gedrag en de correlaties met de fysieke leefomgeving
44