CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003390] Bijlage 2A behorende bij 23bb003399 over Aanvulling ROER Verstedelijking Oostflank

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 20 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Ontwerp-partiële herziening omgevingsvisie Rotterdam - Oostflank42.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Eindconcept

3 mei 2023

Versie: definitief 23 mei 2023

2

Inhoudsopgave Inleiding: waarom een Aanvulling ROER?

4.2. Referentiesituatie 4.3. De twee alternatieven 4.3.1 De bouwstenen 4.3.2 Alternatief Concentreren 4.3.3 Alternatief Spreiden

10

1.1. Introductie 10 1.2. Doel en afbakening van dit rapport 11 1.3. Te nemen besluit: (partiële) herziening van de Rotterdamse Omgevingsvisie 12 1.3.1 Herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam 12 1.3.2 Aanvulling ROER en milieueffectrapportage 12 1.4. Samenhang met de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam 13 1.5. Proces en procedure 13 1.5.1 Wat vooraf ging 13 1.5.2 Opbrengst van inspraak en advies op de NRD 14 1.5.3 Vervolgstappen 14 1.6. De kaders van wet- en regelgeving en beleid 14

Het gebied Alexander-Zuidplein 2.1. Wat zeggen de Omgevingsvisie en het ROER? 2.1.1 A-Z in de Omgevingsvisie 2.1.2 A-Z in het ROER 2.1.3 De Aanvulling ROER als basis voor de ontwerp-herziening omgevingsvisie

Werkwijze van de Aanvulling ROER 3.1. Werkwijze 3.1.1 Hoofdlijnen van de werkwijze 3.1.2 Werkwijze beoordeling alternatieven en bouwstenen 3.2. Beoordelingskader 3.3. Terugblik op het ROER 2021

Bouwstenen, alternatieven en referentiesituatie 4.1. Werkwijze 4.1.1 Introductie op dit hoofdstuk 4.1.2 Deelgebieden en bouwstenen 4.1.3 Twee alternatieven en de referentiesituatie

Effecten en beoordeling van de bouwstenen

16 16 16 16 17

18 18 18 19 20 21

23

3

30

5.1. Goede omgevingskwaliteit 5.1.1 Bodem 5.1.2 Water 5.1.3 Natuur 5.1.4 Landschap en cultureel erfgoed 5.1.5 Overzicht 5.2. Veilige gezonde fysieke leefomgeving 5.2.1 Geluid 5.2.2 Luchtkwaliteit 5.2.3 Veiligheid 5.2.4 Gezond gedrag 5.2.5 Overzicht 5.3. Woonomgeving 5.3.1 Wonen 5.3.2 Woonomgeving 5.3.3 Mobiliteit 5.3.4 Welzijn 5.3.5 Overzicht 5.4. Economische omgeving 5.4.1 Ruimtegebruik 5.4.2 Energie en grondstoffen 5.4.3 Economische vitaliteit 5.4.4 Ruimtelijk economische structuur 5.4.5 Overzicht

30 30 32 38 39 41 42 42 48 48 53 55 56 56 59 60 62 63 64 64 65 67 70 73

Beoordeling alternatieven

74

6.1. Werkwijze en verbeelding 6.2. Beoordeling van de referentiesituatie 6.3. De twee alternatieven 6.3.1 Beoordeling alternatief Concentreren

23 23 23 23

25 26 26 27 28

74 74 75 75

6.3.2 6.3.3 6.3.4

Beoordeling alternatief Spreiden De twee alternatieven vergeleken Conclusies voorkeursmodel

Effectbeschrijving per deelgebied 7.1. Inleiding 7.1.1 Analyse en aanbevelingen per deelgebied 7.1.2 De deelgebieden in het geheel van de Oostflank 7.2. Deelgebied Alexanderknoop 7.2.1 Referentiesituatie 7.2.2 Effect van de bouwstenen 7.2.3 Conclusies 7.3. Deelgebied Het Lage Land 7.3.1 Referentiesituatie 7.3.2 Effect van de bouwstenen 7.3.3 Conclusies 7.4. Deelgebied Boszoom 7.4.1 Referentiesituatie 7.4.2 Effect van de bouwstenen 7.4.3 Conclusies 7.5. Deelgebied Kralingse Zoom/EUR 7.5.1 Referentiesituatie 7.5.2 Effect van de bouwstenen 7.5.3 Conclusie 7.6. Deelgebied De Esch 7.6.1 Referentiesituatie 7.6.2 Effect van de bouwstenen 7.6.3 Conclusies 7.7. Deelgebied Feyenoord City 7.7.1 Referentiesituatie 7.7.2 Effect van de bouwstenen 7.7.3 Conclusies 7.8. Deelgebied Bloemhof & Hillesluis 7.8.1 Referentiesituatie 7.8.2 Effect van de bouwstenen 7.8.3 Conclusies en ontwikkelprincipes 7.9. Deelgebied Hart van Zuid 7.9.1 Referentiesituatie

77 79 81

7.9.2 7.9.3

83

Effect van de bouwstenen Conclusies

107 107

Bodem en water sturend

109

8.1. Inleiding 8.1.1 Subvarianten bodem en water sturend 8.1.2 Gebiedsindeling 8.2. Prins Alexanderpolder 8.2.1 Deelgebieden in de Prins Alexanderpolder 8.2.2 Beoordeling 8.3. Buitendijkse deelgebieden 8.3.1 Deelgebieden 8.3.2 Beoordeling 8.4. Overige deelgebieden 8.4.1 Deelgebieden 8.4.2 Beoordeling 8.5. Beoordeling bodem en water sturend 8.5.1 Overzicht 8.5.2 Conclusies 8.5.3 Conclusies vormgeving voorkeursmodel verstedelijking

83 83 83 87 87 88 89 90 90 90 92 93 93 93 94 96 96 97 98 99 99 100 101 101 101 102 104 105 105 105 106 107 107

Voorkeursmodel 9.1. Ontwikkelprincipes 9.2. Beschrijving voorkeursmodel verstedelijking 9.2.1 Beschrijving per thema 9.3. Beoordeling voorkeursmodel 9.4. Conclusies en verantwoording

Adviezen en randvoorwaarden 10.1. Ingewonnen adviezen 10.2. Randvoorwaarden

Reflectie en monitoring 11.1. Reflectie 11.2. Monitoring 11.2.1 Leemtes in kennis 11.2.2 Monitoring en evaluatie

4

109 109 109 110 110 112 113 113 114 115 115 116 116 116 119 121

122 122 123 123 127 129

131 131 132

133 133 134 134 135

Begrippen en afkortingen A-Z autonome ontwikkeling beoordelingskader BKK cunet

DCMR gebiedsuitwerking Goede groei Hoofdkeuze Lagenbenadering MIRT MRDH MER m.e.r. Milieueffectrapport Milieueffectrapportage Natura 2000

het gebied in de oostflank van Rotterdam, globaal gelegen tussen Alexander en Zuidplein ontwikkeling die onafhankelijk van de Omgevingsvisie plaats zal vinden en waarover inmiddels besluiten zijn genomen overzicht van thema, aspecten en indicatoren. Dit overzicht wordt gebruikt voor het in beeld brengen en beoordelen van de (hoofdkeuzes uit de) Omgevingsvisie Bodemkwaliteitskaart Uitgraving in een niet draagkrachtige grondlaag. De uitgraving wordt opgevuld, veelal met zand, om de gewenste draagkracht voor bv. wegen of trottoirs te realiseren. Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond; DCMR vervult namens de gemeente de rol van bevoegd gezag in de m.e.r.-procedure uitwerking van de hoofdkeuzes voor een specifiek deelgebied groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang Belangrijke keuze voor de ontwikkeling van de stad in de komende decennia. Methodiek van beschrijven van de fysiek omgeving aan de hand van de drie lagen ondergrond, netwerken en occupatie Meerjarenprogramma Infrastructuur en Ruimte Metropoolregio Rotterdam-Den Haag MilieuEffectRapport milieueffectrapportage Rapport waarmee de milieueffecten van een plan of project in beeld worden gebracht. De procedure voor het volwaardig meenemen van milieueffecten bij de voorbereiding van plannen of projecten. M.e.r.

is geregeld in de Wet milieubeheer Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.

Natuurnetwerk Nederland

Netwerk van beschermde natuurgebieden in Nederland, waar de natuur voorrang heeft.

Notitie reikwijdte en Detailniveau (NRD)

Veelgebruikte term voor een notitie waarmee de start van een m.e.r.-procedure wordt gemarkeerd. De 'reikwijdte' geeft aan wat het voornemen is, welke alternatieven en varianten in het MER worden onderzocht en welke (milieu- en omgevings)thema's in beeld worden gebracht. Het 'detailniveau' betreft de diepgang en methode van het onderzoek (kwalitatief of kwantitatief). Wet, die op 1 januari 2024 in werking treedt, waarmee de wetten voor de leefomgeving worden gebundeld en gemoderniseerd. Langetermijn doelstellingen van de gemeente Rotterdam het gebied waarop de Omgevingsvisie Rotterdam betrekking heeft, i.c. het grondgebied van de gemeente Rotterdam de procedure waarbinnen een milieueffect voor plannen, in dit geval de Aanvulling ROER voor de herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam, wordt opgesteld huidige situatie aangevuld met autonome ontwikkelingen Rotterdams OmgevingsEffectRapport. Het ROER heeft de formele functie van een MER. Deze Aanvulling ROER bouwt voort op het ROER reikwijdte overzicht van de kwaliteit van de leefomgeving

Omgevingswet perspectieven plangebied plan-m.e.r.

referentiesituatie ROER scope Staat van de Leefomgeving

Hoofdstuk 4 laat zien welke bouwstenen en alternatieven zijn onderzocht en hoe in het onderzoek is omgegaan met het vraagstuk van ‘bodem en water sturend’. In hoofdstuk 5 zijn thematisch, aan de hand van het beoordelingskader, de effecten van de bouwstenen en alternatieven beschreven en in hoofdstuk 6 de beoordeling van de twee alternatieven. Hoofdstuk 7 gaat per deelgebied nader in op die effecten en bevat gebiedsgerichte aanbevelingen. In hoofdstuk 8 wordt het principe ‘bodem en water sturend’ onderzocht en hoe dat kan uitpakken voor de voorgenomen verstedelijking, aan de hand van twee subvarianten. De conclusies en aanbevelingen uit de hoofdstukken 6, 7 en 8 zijn vervolgens vertaald naar een twaalftal ontwikkelingsprincipes, die zijn gebruikt voor het onderbouwen van het voorkeursmodel voor de verstedelijking. Dat is beschreven en beoordeeld in hoofdstuk 9. Dit voorkeursmodel is de basis voor de partiële herziening van de omgevingsvisie Rotterdam. In de hoofdstukken 10 en 11 wordt ingegaan op ingewonnen adviezen voor water, natuur en (externe) veiligheid, de afhankelijkheid van ontwikkelingen van buitenaf en van transities, en is aangegeven hoe wordt omgegaan met leemtes in kennis en wat dat betekent voor monitoring en evaluatie, aanvullend op de aanzet in het ROER.

LEESWIJZER De Aanvulling ROER De Aanvulling ROER is opgesteld ten behoeve van de partiële herziening van de Rotterdamse Omgevingsvisie. Daarin wordt de basis gelegd voor de ontwikkeling van de Oostflank van Rotterdam. Centraal daarin staan verstedelijking (het bouwen van een groot aantal woningen, inclusief arbeidsplaatsen en voorzieningen), een nieuwe stadsbrug en hoogwaardig openbaar vervoer. Deze onderdelen zijn in twee afzonderlijke procedures onderzocht. De onderdelen samen kunnen worden beschouwd als het milieueffectrapport (MER) dat nodig is om het besluit te kunnen nemen. Naast dit rapport, dat gaat over de voorgenomen verstedelijking van het gebied, is er een tweede rapport over de oeververbinding en HOV. In paragraaf 1.4 is dit toegelicht. Het rapport over de oeververbinding en HOV is gebaseerd op de onderzoeken die zijn gedaan in het kader van de MIRT-verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam.

In de bijlagen zijn per thema de randvoorwaarden voor het vervolgtraject opgenomen en een risico-analyse van effecten op Natura 2000-gebieden.

Van A-Z naar Oostflank

De plannen voor de ontwikkeling van het oostelijk deel van Rotterdam zijn gestart onder de naam A-Z: van Alexander tot Zuidplein. Inmiddels wordt voor die samenhangende ontwikkeling van verstedelijking, stadsbrug en HOV de term Oostflank gehanteerd.

Ten behoeve van deze Aanvulling ROER zijn (thematische) deelrapporten opgesteld. Deze zijn op aanvraag beschikbaar.

De MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam

In de MIRT-verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam is onderzoek gedaan naar de nieuwe oeververbinding, de A16 Van Brienenoordcorridor en de Algeracorridor. Van deze drie onderdelen is alleen het ruimtelijke besluit over de oeverbinding onderdeel van de partiële herziening van de omgevingsvisie van Rotterdam. De twee andere onderdelen uit de MIRT-verkenning (de A16 Van Brienenoordcorridor en de Algeracorridor) worden via andere procedures verder uitgewerkt.

Leeswijzer voor dit rapport

De inhoud van dit rapport is op hoofdlijnen als volgt: Na de twee inleidende hoofdstukken over het doel van dit rapport, het te nemen besluit, het proces, de gevolgde procedure en de aanduiding van het plangebied van de Oostflank, is in hoofdstuk 3 de gehanteerde werkwijze beschreven, de manier van beoordelen en het beoordelingskader.

6

komen tot een klimaatadaptieve inrichting, waarbij de onderlaag bepaalt of (verdere) verstedelijking acceptabel is; • Bodem & Water 2: de onderlaag stuurt niet de verstedelijking, maar de inrichting: hierbij wordt ervan uitgegaan dat -als voor het deelgebied wordt gekozen voor verstedelijking - bodem en water sturend zijn voor de manier waarop de verstedelijking plaatsvindt.

SAMENVATTING De Aanvulling ROER Verstedelijking Oostflank geeft inzicht in de effecten van de voorgenomen verstedelijking in de Oostflank van Rotterdam. De Aanvulling ROER bouwt voort op het eerdere ROER dat voor de omgevingsvisie is opgesteld. Het gaat in dit rapport Aanvulling ROER om milieueffecten, maar ook om sociale en economische effecten. Dit rapport is onderdeel van de partiële herziening van de Rotterdams Omgevingsvisie.

Tabel A: Kerncijfers van de bouwstenen (blauw = Concentreren, groen = Spreiden, wit = beide alternatieven)

De effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn in deze Aanvulling ROER vergeleken met de toekomstige situatie zoals die zal ontstaan op basis van de autonome ontwikkelingen. Dat is de referentiesituatie. Daarbij wordt in dit rapport gekeken naar de toekomstige situatie in 2030 – 2040 op basis van reeds genomen besluiten. Het gehele gebied is verdeeld in deelgebieden. Om de mogelijke bandbreedte van effecten van de verstedelijking in beeld te kunnen brengen zijn naast de referentiesituatie twee alternatieven samengesteld. Deze alternatieven zijn opgebouwd uit bouwstenen die op het niveau van de deelgebieden zijn ontwikkeld (tabel A). De alternatieven zijn het alternatief Concentreren (met concentratie van verstedelijking bijde knopen en een groter aantal woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen) en Spreiden (met meer spreiding van verstedelijking en een wat lager aantal woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen).

deelgebied Alexanderknoop Lage Land

voorzieningen

bouwsteen AK1

aantal 8.000

m2 240.000

m2 38.000

AK2

7.680

240.000

38.000

LL 1

1.000

0

0

LL 2

1.500

0

0

BZ 1

0

10.000

8.000

1.350

125.000

1.000

KZ

3.850

300.000

15.000

E1

5.000

140.000

27.000

E2

650

40.000

3.000

FC Basis

4.750

60.000

11.000

FC Plus

10.000

65.000

20.000

Bloemhof/Hillesluis

B/H

300

11.500

0

Hart van Zuid

HvZ

0

0

0

Kralingse Zoom De Esch Feyenoord City

De effecten van de alternatieven zijn vergeleken met de referentiesituatie aan de hand van het beoordelingskader dat ook in het ROER is gebruikt.

arbeidsplaatsen

BZ 2

Boszoom

Beide alternatieven gaan uit van een nieuwe stadsbrug en een hoogwaardige openbaarvervoerverbinding in de vorm van een tram en van medegebruik van de brug door auto’s. Deze keuze voor de oeververbinding is gebaseerd op de onderzoeken van de MIRT-verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam en de bestuurlijke keuze die november vorig jaar is gemaakt door de betrokken overheden (naast Rotterdam zijn dat het Rijk, de provincie en de vervoerregio MRDH).

woningen

Op de volgende pagina’s zijn de beoordelingen van de twee alternatieven en de extra bouwstenen voor Bodem& Water weergegeven. Een korte toelichting is opgenomen in de onderschriften.

Naast de alternatieven Concentreren en Spreiden en aanvullend op de effecten van de bouwstenen, is nagegaan hoe verstedelijking er uit zou zien als wordt uitgegaan van het principe van ‘bodem en water sturend’. De input daarvoor bestaat enerzijds uit de karakteristieken van het gebied (met name van de onderlaag) en anderzijds uit de beoordeling van de effecten van de bouwstenen. Hierbij zijn verschillende aanvullende bouwstenen voor ‘Water en bodem sturend’ gebruikt: • Bodem & Water 1: de onderlaag bepaalt hier of verstedelijking mogelijk is: maatgevend is wat voor het betreffende deelgebied nu al noodzakelijk is om te

7

Figuur B: Beoordeling van alternatief Spreiden, in vergelijking met de referentiesituatie. Dit alternatief is (in vergelijking met alternatief Concentreren) wat negatiever beoordeeld voor de effecten op bodem en water (links in de figuur) en wat minder positief voor de effecten op de economische omgeving (rechts in de figuur)

Figuur A: Beoordeling van alternatief Concentreren, in vergelijking met de referentiesituatie. Negatieve beoordelingen zijn er voor de aspecten bodem, water, natuur, geluid en (externe) veiligheid (linkerhelft van de figuur). Positief zijn de effecten voor de economische omgeving en de woonomgeving (rechterhelft van de figuur).

8

Figuur C: Beoordeling van de subvariant Bodem & Water 1. De beoordeling voor de aspecten bodem en water is beter dan de referentie en ook positiever dan de beoordeling van de twee alternatieven (figuren A en B). Hiertegenover staat een minder positieve beoordeling voor een aantal aspecten van de woonomgeving en de economische omgeving.

Figuur D: Beoordeling van de subvariant Bodem & Water 2. In vergelijking met de beoordeling voor Bodem& Water 1 is de beoordeling voor de aspecten bodem en water nagenoeg gelijk. Daartegenover staan positievere beoordelingen voor de aspecten woonomgeving en economische omgeving. Deze beoordelingen zijn ongeveer gelijk aan die van de alternatieven Concentreren en Spreiden

Het onderzoek heeft geresulteerd in aanbevelingen en een twaalftal ontwikkelprincipes, als leidraad voor het voorkeursmodel voor de verstedelijking en om rekening mee te houden bij de verdere planuitwerkingen. Daarnaast zijn per thema aanvullende randvoorwaarden opgesteld voor die planuitwerkingen.

9

Inleiding: waarom een Aanvulling ROER? 1.1. Introductie

In december 2021 is de omgevingsvisie van Rotterdam vastgesteld. In de Omgevingsvisie is de zone tussen Alexander en Zuidplein (A - Z) aangewezen als een van de strategische gebieden, waarvoor specifieke gebiedskeuzes zijn gemaakt. In dit gebied komt een groot aantal opgaven bij elkaar. Hier liggen kansen om een groot deel van de verstedelijkingsopgave van Rotterdam te realiseren. De ontwikkeling van A - Z moet daarmee leiden tot economische, sociale en ruimtelijke meerwaarde en tot een meer duurzame en veerkrachtige stad. Een aanjager hiervoor is nieuw, hoogwaardig openbaar vervoer, via een nieuwe, oostelijke oeververbinding. De opgave in het gebied A - Z is Goede groei, het kernbegrip in de omgevingsvisie. Belangrijke programmatische toevoegingen in dit gebied zijn de realisatie van 20.000 tot 30.000 woningen, verdeeld over het gebied, in de periode tot 2040, zo beschrijft de omgevingsvisie. De toe te voegen woningen zijn bedoeld voor diverse doelgroepen en verdeeld over verschillende soorten woonmilieus en gebieden met hun eigen karakteristieken. Daarnaast komt er ruimte voor extra arbeidsplaatsen en voorzieningen, en wordt de aanwezige concentratie van sportvoorzieningen in de zogenaamde sportcirkel versterkt.

In combinatie met deze programmatische toevoegingen worden ook kwaliteitsmaatregelen in de openbare ruimte voorgesteld, onder meer gericht op aanvullende verbindingen en op vergroening. Figuur 1.1: Oostflank Rotterdam, het gebied tussen Alexander en Zuidplein (bron: Omgevingsvisie Rotterdam)

10

De hoofdkeuzes die in de omgevingsvisie voor het gebied A-Z zijn opgenomen zijn de afgelopen periode verder uitgewerkt. Deze uitwerking wordt vastgelegd in een partiele herziening van de Omgevingsvisie. Deze actualisatie en aanvulling van het ROER is onderdeel van deze procedure. De Aanvulling ROER wordt gebruikt om in de partiele herziening van de Omgevingsvisie de koers gericht op Goede Groei nog beter te verankeren.

Het onderzoek in de Aanvulling ROER leidt tot input voor een voorkeursmodel voor de verstedelijking in de Oostflank. Dit voorkeursmodel is beschreven en beoordeeld in hoofdstuk 9. Ook leidt het onderzoek tot aanbevelingen voor ontwikkelprincipes en randvoorwaarden voor de verdere gebiedsontwikkeling (randvoorwaarden per thema, voor gemeente en voor ontwikkelaars), ontwikkelprincipes die zijn gestructureerd op basis van de effecten en de lagenbenadering. Hierbij speelt het principe van ‘bodem en water sturend’ (de ondergrond) een belangrijke rol. Deze benadering sluit goed aan bij een flexibele omgevingsvisie, een levend ROER en bij een verantwoorde koers voor de Oostflank.

1.2. Doel en afbakening van dit rapport

Dit onderzoeksrapport richt zich op het beschrijven en beoordelen van de effecten van de voorgenomen verstedelijking in de Oostflank, het gebied tussen Alexander en Zuidplein: de realisatie van gemengde woon-werkmilieus en maatregelen om de (ruimtelijke) kwaliteit van het gebied te verbeteren.

Voor de beoordeling van de omgevingseffecten van de verstedelijksopgave zijn twee alternatieven ontwikkeld, die beide zijn opgebouwd uit bouwstenen voor de verschillende deelgebieden binnen A-Z. De alternatieven en de bouwstenen zijn beschreven in hoofdstuk 4. De effecten van de alternatieven zijn beschreven ten opzichte van de referentiesituatie (de situatie zonder omgevingsvisie, de autonome ontwikkeling op basis van eerder genomen besluiten).

Een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van de Oostflank is het realiseren van een nieuwe oeververbinding en hoogwaardig openbaar vervoer. Voor deze oeververbinding en OV-verbinding is de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam uitgevoerd. Als onderdeel daarvan is een m.e.r.-procedure gestart en een integraal verkenningenrapport en MER opgesteld. In dat MER zijn zes alternatieven onderzocht. Dit onderzoek heeft gediend als basis voor de bestuurlijke keuze voor het voorkeursalternatief voor een stadsbrug tussen de Nesserdijk aan de noordzijde van de Nieuwe Maas en de Veranda op de zuidzijde, een hoogwaardige OV-verbinding met tramkwaliteit en een nieuw station Stadionpark. De uitkomsten van de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam en de afspraken over het Voorkeursalternatief zijn in dit deel van de Aanvulling ROER als uitgangspunt gehanteerd. Hoe dit doorwerkt in de beschouwde alternatieven voor de verstedelijking is beschreven in paragraaf 4.1.3.

De Aanvulling ROER heeft derhalve de volgende functies: • Input leveren voor een afweging tussen de bouwstenen en de alternatieven, richting een voorkeursmodel. Daarbij gaat het om de verdeling van het ruimtelijk programma over deelgebieden, effecten op de omgeving, en doelbereik. Deze input richt zich op zowel het niveau van de deelgebieden als op het gebied A - Z als geheel. • Identificeren van kansrijke oplossingsrichtingen of noodzakelijke maatregelen, of van potentiële showstoppers: wat moet er, wat kan er nog meer en wat kan echt niet? • Opstellen van randvoorwaarden voor de volgende fase van planvorming. Voor het ontwikkelen van de alternatieven, de beschrijving van de bestaande en toekomstige toestand van de leefomgeving, alsmede voor het structureren van de aanbevelingen is in deze Aanvulling ROER (ook om invulling te kunnen geven aan bodem en water sturend) de lagenbenadering toegepast. Deze lagenbenadering is – als methode voor gebiedsanalyses en ontwerpen – complementair aan het beoordelingskader dat wordt gebruikt voor het onderzoeken en beoordelen van de effecten van de alternatieven. Dit betreft het beoordelingskader dat is gebruikt in het ROER en is beschreven in paragraaf 3.2.

De Aanvulling ROER is – zoals de titel al zegt –beschouwd als een aanvulling en waar nodig actualisatie en aanscherping van het ROER, als basis voor een partiële herziening van de Omgevingsvisie. De herziening van de omgevingsvisie richt zich op de uitwerking van de in de omgevingsvisie vastgelegde hoofdkeuzes voor A-Z. Deze hoofd- en gebiedskeuzes vormen het kader voor de herziening van de omgevingsvisie en de aanvulling van het ROER. Indien relevant zijn actuele ontwikkelingen en adviezen meegenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vernietiging van het besluit over bestemmingsplan Feijenoord City door de Raad van State, en de toepassing van de lagenbenadering (met aandacht voor de ondergrond, netwerken en de occupatielaag), op basis van het advies van de Commissie m.e.r.

Daarnaast is in deze Aanvulling ROER een aanzet opgenomen voor de monitoring van de daadwerkelijke effecten van verstedelijking, als onderdeel van een breder monitoring- en evaluatieplan zoals opgenomen in het ROER (2021) voor uitvoering van de omgevingsvisie.

11

1.3. Te nemen besluit: partiële herziening van de Rotterdamse Omgevingsvisie

Dit rapport Verstedelijking A-Z gaat over de verstedelijking (de gebiedsontwikkeling). In dit rapport zijn de effecten van het bouwen van woningen, het toevoegen van ruimte voor bedrijvigheid en voorzieningen en van maatregelen voor de goede groei. Dit rapport is (mede) gebaseerd op een aantal thematische onderzoeksrapporten. De onderzoeksaanpak is gebaseerd op de Notitie reikwijdte en detailniveau. Deze is aangescherpt en aangevuld naar aanleiding van inspraak en advies (paragraaf 1.5.2). Onderdeel hiervan is het meer zichtbaar maken van effecten met behulp van de lagenbenadering, tevens basis voor het vormgeven van de alternatieven. De lagenbenadering is ook gehanteerd voor het structureren van de conclusies en aanbevelingen (ontwikkelprincipes en randvoorwaarden) voor de verdere uitwerking van de strategische agenda en ontwikkelvisie. Er is daarbij in het bijzonder ook aandacht besteed aan de invloed van het rijksbeleid ten aanzien van ‘bodem en water sturend’. Het rapport bevat vervolgens een beschrijving van het voorkeursalternatief voor de ontwikkeling van de Oostflank, laat zien hoe dit tot stand is gekomen en maakt duidelijk wat de omgevingseffecten van het voorkeursalternatief zijn. In dit rapport zijn tevens aanbevelingen opgenomen voor de vervolgstappen.

Het gaat om aanbevelingen zowel op het niveau van de deelgebieden als meer generieke aanbevelingen voor de gebiedsontwikkeling als geheel. In dit rapport wordt tevens invulling gegeven aan enkele vragen die voortkomen uit de procedure van het ROER voor de omgevingsvisie.

1.3.1 Herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam Besluiten over de ontwikkeling van de Oostflank worden genomen in een ontwerp herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam. Het gaat dan om (kaderstellende) besluiten over de verstedelijking in de Oostflank en de nieuwe stadsbrug met hoogwaardige tramverbinding. Voor de stadsbrug, station Stadionpark en een nieuwe HOV-verbinding (met tramkwaliteit) is de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam uitgevoerd. Een MER is onderdeel van deze MIRT-Verkenning. Initiatiefnemers voor deze MIRTverkenning zijn geweest de gemeente Rotterdam, de metropoolregio, de provincie Zuid-Holland en het rijk, zijnde het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de start van deze MIRT-verkenning hebben de initiatiefnemers afgesproken de uitkomsten van deze MIRT-verkenning, voor wat betreft de onderdelen oeververbinding en HOV, te verankeren in de Rotterdamse omgevingsvisie. Een ruimtelijk besluit onder (nu nog) de Tracéwet is hiervoor niet aan de orde. Ter onderbouwing van deze partiële ontwerp-herziening omgevingsvisie is de Ontwikkelvisie Oostflank opgesteld. Deze ontwikkelvisie beschrijft de ambities, gebiedskeuzes en de nieuwe omgevingsvisiekaart, gevoed vanuit de Aanvulling ROER.

1.3.2 Aanvulling ROER en milieueffectrapportage In formele zin moet de Aanvulling ROER Verstedelijking A-Z worden beschouwd als het milieueffectrapport (MER) bij de besluiten over de verstedelijking in de partiele ontwerp-herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam, het MER MIRT is dat voor de effecten van de stadsbrug en HOV-verbinding. Voor de (kaderstellende) besluiten over de verstedelijking en een nieuwe oeververbinding bestaat de verplichting een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren. Met de Aanvulling ROER en de procedures die zijn doorlopen wordt invulling gegeven aan deze verplichting.

Het tweede rapport is het concluderende rapport uit de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam. Dit rapport beschrijft samenvattend de zes alternatieven voor de oeververbinding en de OV-verbinding die zijn onderzocht en effecten daarvan. Aan dit rapport ligt een groot aantal onderzoeken ten grondslag. De informatie in dit rapport is de basis voor de bestuurlijke keuze van het voorkeursalternatief voor oeverbinding en HOV. Dit voorkeursalternatief is gehanteerd als uitgangspunt voor de effectbeoordeling in het rapport over de verstedelijking en is opgenomen in de partiële ontwerp-herziening van de omgevingsvisie.

De milieuinformatie ten behoeve van de ontwerp-herziening van de omgevingsvisie is opgenomen in twee rapporten die betrekking op de twee onderdelen van de gebiedsontwikkeling. Deze rapporten zijn (mede) gebaseerd op onderliggende deelstudies en onderzoeken. Met de twee rapporten samen wordt voldaan aan de verplichtingen inzake milieueffectrapportage.

12

1.4. Samenhang met de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam

verstedelijking de aanwezigheid van een nieuwe stadsbrug en de HOV-verbinding met tramkwaliteit het uitgangspunt is. De effecten van de aanleg van de stadsbrug en de HOV-lijn zelf zijn geen onderdeel van dit rapport.

Het onderzoek naar de effecten van de verstedelijking heeft plaatsgevonden naast de onderzoeken die zijn gedaan als onderdeel van de MIRT-Verkenning. Voor de MIRT-Verkenning Oeverbindingen regio Rotterdam is een eigen procedure in het kader van de milieueffectrapportage doorlopen, met een NRD (gepubliceerd 9 januari 2020) en inspraak en advies. De onderzoeken van de oeververbindingen en de verstedelijking zijn onderling afgestemd, maar voor zover mogelijk separaat uitgevoerd. Figuur 1.2 geeft een beeld van de samenhang en laat zien dat ten behoeve van het te nemen besluit (de partiele ontwerp-herziening van de Omgevingsvisie) de keuzes voor de verstedelijking en voor de oeververbinding de benodigde milieuinformatie aanwezig is in de twee onderdelen van de Aanvulling ROER.

In de onderliggende rapporten komen alle (omgevings-) effecten van de voorgenomen ingrepen, alternatieven en varianten in beeld. Welk effect waar aan bod komt is schematisch weergegeven in figuur 1.3. In de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam zijn de effecten van de aanleg van de oeververbinding (per alternatief) onderzocht. Het gaat dan om tijdelijke effecten (bijvoorbeeld door geluid of bronbemaling) maar ook om blijvende effecten (bijvoorbeeld het verlies van archeologische waarden).

Figuur 1.3: Overzicht van de beschouwde effecten per onderdeel van de rapportage

1.5. Proces en procedure 1.5.1 Wat vooraf ging Als eerste stap in de m.e.r.- procedure voor de partiele ontwerp-herziening van de omgevingsvisie voor het onderdeel verstedelijking is in de tweede helft van 2022 een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) gepubliceerd. In de NRD is beschreven hoe de aanvulling van het ROER voor de verstedelijking wordt aangepakt: wat wordt onderzocht en op welke manier en met welk detailniveau wordt het onderzoek uitgevoerd. Deze NRD is gebruikt voor inspraak en advies. In de zienswijzenperiode zijn in totaal 11 zienwijzen ontvangen. Op 18 november 2022 heeft de Commissie m.e.r.

Figuur 1.2: Samenhang tussen de onderdelen van gebiedsontwikkeling A-Z en de Aanvulling ROER.

Bij het onderzoek naar de verstedelijking in dit rapport is in beide alternatieven uitgegaan van de inmiddels gemaakte keuze voor de oeververbinding (het voorkeursalternatief voor de oeververbinding). Dat houdt in dat bij de alternatieven voor de

13

een advies uitgebracht voor de inhoud van het ROER. Ook DCMR heeft een advies uitgebracht over de inhoud van het MER.

1.5.3 Vervolgstappen De Aanvulling ROER is gebruikt om nadere keuzes te maken voor het gebied A - Z. Deze keuzes worden opgenomen in een partiele ontwerp-herziening van de omgevingsvisie. Dit ontwerp, gezamenlijk met de MER MIRT en deze Aanvulling ROER worden gezamenlijk ter inzage gelegd, waarna een ieder een zienswijze kan indienen en adviezen worden gevraagd, onder andere aan de Commissie voor de m.e.r. Na inspraak en advies wordt vervolgens de partiele ontwerp-herziening van de omgevingsvisie ter vaststelling voorgelegd aan gemeenteraad van Rotterdam.

1.5.2 Opbrengst van inspraak en advies op de NRD De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van Zienswijzen. Daarin is ook aangegeven op welke manier rekening is gehouden met de zienswijzen. Adviezen van de Commissie m.e.r. en de DCMR Op 18 november 2022 heeft de Commissie m.e.r. een advies uitgebracht over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport 1. De Commissie adviseert – samengevat – een aanpak waarbij als eerste stap op basis van de lagenbenadering (ondergrond, netwerken, occupatie) randvoorwaarden en opgaven worden geïdentificeerd. De volgende stap is dan het in beeld brengen van alternatieven voor het realiseren van het programma van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen binnen deze randvoorwaarden en het ontwikkelen van een ‘toolbox’ van ontwerpprincipes, randvoorwaarden en maatregelen voor de deelgebieden. De Commissie stelt dat met deze ’omgekeerde benadering’ beter invulling kan worden aan het nationale beleid waarin ‘water en bodem sturend’ dienen te zijn bij (woningbouw)ontwikkelingen2. Daarnaast vraagt de Commissie o.a. de ambities te vertalen in toetsbare doelen.

In de periode daarna zullen de besluiten verder worden uitgewerkt in de strategische agenda en vervolgens in concrete plannen, met de Omgevingsvisie Rotterdam als juridisch-planologisch kader. De Ontwikkelvisie Oostflank zal hierbij als leidraad en richtinggevend document fungeren voor de planuitwerking. Dit gebeurt naar verwachting gefaseerd en op het niveau van deelgebieden of delen daarvan. Voor de oeververbinding wordt een zogeheten plan- en studiefase gestart. Het is de bedoeling dat die studie de basis wordt voor een projectbesluit (onder de Omgevingswet) of Omgevingsplan.

1.6. De kaders van wet- en regelgeving en beleid

In het ROER van 2021 is een overzicht opgenomen van de relevante kaders van weten regelgeving en beleid. Dit overzicht bevat de informatie die ook voor dit deel van de Aanvulling ROER van belang is.

Het advies van de DCMR volgt het advies van de Commissie m.e.r., in die zin dat wordt gevraagd een derde alternatief te ontwikkelen. Dit zou het alternatief moeten zijn als de lagenbenadering als basis wordt gehanteerd, waarbij ‘bodem en water’ primair sturend zijn. Daarnaast vraagt de DCMR om het meenemen van alle alternatieven voor de oeverbinding in het onderzoek van de verstedelijkingsopgave, inde vorm van integrale alternatieven voor verstedelijking plus oeververbinding.

Voor de ontwikkeling van de Oostflank is het recent door het kabinet aangekondigde beleid voor ‘Bodem en water sturend’ van belang. Het plan- en studiegebied van de voorgenomen verstedelijking bestaat immers deels uit zeer diepe polders, heeft te maken met bodemdaling en ligt deels buitendijks. Daardoor bevat het beleid van ‘bodem en water sturend’ kaders waarmee bij de ontwikkeling van de Oostflank rekening wordt gehouden. In dit verband is ook het Rotterdamse beleid ten aanzien van klimaatadaptatie van belang: het Rotterdams WeerWoord.

In de paragrafen 3.1 en 4.3 is beschreven op welke manier deze adviezen zijn verwerkt bij het opstellen van deze Aanvulling ROER. Evident is dat het principe van ‘bodem en water sturend’ relevant is voor A-Z. Immers, het plangebied kent belangrijke aandachtspunten gerelateerd aan de hoogteligging (onder andere doordat een deel van het gebied in een zeer diepe polder ligt), watersysteem en bodemdaling. De aandacht voor ‘bodem en water sturend’ sluit overigens goed aan bij het actieve beleid dat Rotterdam op dit vlak voert binnen het Programma Rotterdams WeerWoord.

1

In onderstaande kaders zijn de essenties weergegeven.

2

Zie www.commissiemer.nl. advies nr 3677

14

Zie kabinetsbrief Water en Bodem sturend van 25 november 2022, IENW/BSK-2022/283041

Rotterdams Weerwoord

Water en Bodem sturend

Het Rotterdams Weerwoord (vastgesteld door B&W in 2019) geeft aan hoe Rotterdam zich wil aanpassen aan de klimaatverandering. Vanwege de ligging in een deltagebied met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Om hevige regenval, droogte en hitte, grondwater onder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn ingrepen noodzakelijk in openbaar en particulier gebied. De belangrijkste zijn; vergroening van de stad, vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding, waterbergende voorzieningen op gebouwen, en hoger aanleggen van vitale voorzieningen.

In de brief van 25 november 2022 zet het kabinet uiteen op welke water en bodem sturend dienen te zijn bij besluiten over de inrichting van Nederland. De brief bevat een aantal structurerende keuzes. Deze keuzes hebben deel betrekking op nationaal beleid, maar kunnen ook richting geven aan of doorwerking hebben in programma’s en gebiedsprocessen van provincies, gemeenten en waterschappen. De structurerende keuzes zijn gerubriceerd onder de thema’s Voldoende en schoon (zoet)water, Bodem vitaal en efficiënt geordend, Bebouwd gebied, Laagveengebieden, Verziltende kustgebieden en Hoge zandgronden.

Van Buis naar Buitenruimte: het Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam 2021-2025. De belangrijkste aanpassing voor de lange termijn is het ontvlechten van het bestaande stedelijke watersysteem: waterstromen scheiden. Waarbij het streven is zo min mogelijk hemelwater en grondwater naar de zuivering af te voeren. Het scheiden en het lokaal vasthouden en verwerken van schoon hemelwater draagt bij aan de klimaatadaptatie volgens het strategische principe: vasthouden, bergen, afvoeren. De voorkeursvolgorde in dit principe is: − Opslaan (bergen) en toepassen (hergebruiken). − Tijdelijk vasthouden (bergen) en vervolgens vertraagd afvoeren naar bodem, riool of oppervlaktewater. − Afvoeren. − Overlast accepteren in bepaalde mate en afhankelijk van de gebeurtenis.

Voor de gebiedsontwikkeling A-Z zijn (onder meer) de structurerende keuzes 7, 13, 21 en 22 relevant.

In de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR; wijziging van 27-06-2021) zijn de voorschriften opgenomen voor de aansluiting van de perceeleigenaren op het gemeentelijk riool. Gemeente Rotterdam eist via de VBOR dat voor nieuwe situaties, bij verharde oppervlakken groter dan 500 m2, 50 mm regenwaterberging wordt gerealiseerd. Deze 50 mm waterberging moet na een regenbui binnen maximaal 50 uur weer beschikbaar zijn. Neerslaghoeveelheden groter dan 50 mm mogen door de perceeleigenaar aan het gemeentelijk riool of aan de openbare ruimte worden aangeboden. Eén van de consequenties van deze structurerende keuzes is als volgt verwoord: ‘Niet alle beoogde nieuwbouwlocaties zullen vanuit het water en bodemsysteem even geschikt zijn voor woningbouw. Hier zal gekozen moeten worden tussen anders bouwen, het bekostigen van extra maatregelen om de risico’s te verminderen, of het zoeken naar andere locaties.

15

▪ Versterken van de sportcirkel: behoud van het aanbod sportvelden in de nabijheid van woongebieden, ontwikkelen richting sportcomplexen van de toekomst ▪ Versterken van de groenstructuur en aanleg van groene verbindingen ▪ Klimaatbestendig, circulair en energiezuinig als uitgangspunten, bijdragen aan transities van bestaande wijken

Het gebied Alexander-Zuidplein 2.1. Wat zeggen de Omgevingsvisie en het ROER? 2.1.1 A-Z in de Omgevingsvisie

In het ontwerp van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Rotterdam voor dit gebied A – Z – waarvoor deze Aanvulling ROER is opgesteld – wordt een nadere concretisering gegeven van de eerder in de omgevingsvisie vastgelegde gebiedskeuzes: • Verdeling van het beoogde ruimtelijk programma over de verschillende deelgebieden binnen de Oostflank, inclusief globale uitspraken over type woonmilieus en bijbehorende karakteristieken en dichtheden • Een raamwerk waarin condities voor de ontwikkeling van heel A-Z of van deelgebieden worden benoemd en geadresseerd. Hierin komen alle ruimtelijk relevante thema’s aan bod, zoals energie, water, recreatie, sport, ecologie, milieu, mobiliteit etc.

De Rotterdamse Omgevingsvisie “De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen” uit 2021 is gericht op “goede groei”. De gemeente Rotterdam werkt voor het gebied A - Z (van Alexander tot Zuidplein) aan de uitwerking van de opgaven en ambities. Voor het gebied A – Z is in de omgevingsvisie een zestal gebiedskeuzes geformuleerd, waarmee het voor Rotterdam een strategisch gebied is om invulling te geven aan deze goede groei. Er wordt aldus een substantiële bijdrage geleverd aan de vijf perspectieven voor Rotterdam: een compacte, productieve, inclusieve, duurzame en gezonde stad. Specifiek voor A - Z zijn in de omgevingsvisie drie centrale ambities geformuleerd, met per ambitie gebiedsgerichte keuzes: 1. Sterke centra: van ov-knooppunten naar stedelijke centra • impuls voor openbaar vervoer • ontwikkelen van stedelijke centra 2. Ongedeelde stad: van gescheiden stadsdelen naar één geheel • stadsdelen verbinden door verdichting • netwerk van groene verbindingen 3. Vitale stadswijken: van geïsoleerde woonbuurten naar vitale stadswijken • kansen voor bewoners en ondernemers • duurzame mobiliteit, prettige openbare ruimte én sport.

In het proces dat in de afgelopen periode is doorlopen, zijn in eerste instantie twee mogelijke modellen voor de verstedelijking beschreven. Deze zijn ook met de omgeving en stakeholders besproken en vormen de basis voor de alternatieven in deze Aanvulling ROER.

2.1.2 A-Z in het ROER In paragraaf 9.5.3 van het ROER is een beschouwing opgenomen van de omgevingseffecten van de (in de omgevingsvisie opgenomen) voorgenomen ontwikkeling van het gebied A-Z. Dit leidt in het ROER tot de volgende conclusie ten aanzien van het gebied A-Z: De analyse van de effecten laat zijn dat bij de verdere ontwikkeling van A tot Z bodemdaling en waterberging, natuurlijk groen, cultureel erfgoed, geluidshinder en externe veiligheid belangrijke aandachtspunten zijn. Met name de variant Hoog 2040 binnen de hoofdkeuze Verstedelijken & verbinden versterkt met de keuze voor een metrotunnel de ambities voor een meer gezonde leefomgeving binnen de hoofdkeuze Prettig leven in de delta (minder aantasting van groen en van ecologische kerngebieden, minder autoverkeer, minder emissies) en ze versterkt de hoofdkeuze Verdienvermogen vernieuwen het meest (betere bereikbaarheid en verduurzaming van economische clusters). Daar staat tegenover dat de extra verstedelijking rond knooppunten conflicteert met Prettig leven in de delta, in de zin dat het aantal geluidgehinderden daardoor per saldo toeneemt. De variant Laag 2040 met een multimodale stadsbrug leidt vooral op

Daarnaast legt de omgevingsvisie (2021) vast welk programma er binnen A-Z gerealiseerd moet worden. Concreet gaat het om: ▪ 20.000 – 30.000 woningen in diverse woonmilieus en segmenten, voor alle doelgroepen ▪ De impuls in hoogwaardig openbaar vervoer is randvoorwaarde voor de verstedelijking: nieuwbouw koppelen aan een nieuwe oeververbinding ▪ Arbeidsplaatsen groeien mee met woningen, dat wil zeggen werklocaties ontwikkelen naar toekomstbestendige, en gemengde woon-werkgebieden ▪ Goede voorzieningen voor een aantrekkelijke, inclusieve stad ▪ Onderwijs op alle niveaus, bereikbaar voor iedereen

16

toe leidende wegen tot meer autoverkeer en emissies van geluid en tot aantasting van ecologische kerngebieden. Door de laag gelegen polders in A tot Z ontstaan als gevolg van verstedelijking grote knelpunten door bodemdaling en zeer beperkte mogelijkheden voor infiltratie van regenwater. Daar staat tegenover dat de hoofdkeuze Prettig leven in de delta leidt tot grotere investeringen in de openbare ruimte. Er is al met al blijvend aandacht nodig voor het borgen van ambities in de verdere uitwerking en uitvoering van plannen, voor monitoring & evaluatie daarvan en het zo nodig treffen van extra maatregelen (zie bijlage met aandachtspunten). In principe voor alle clusters van het beoordelingskader, en specifiek voor indicatoren als mobiliteit, geluid, externe veiligheid, bodem en water, natuur en landschap/cultureel erfgoed, wonen en voorzieningen, welzijn en ruimtelijk-economische structuur. Daarmee kan een nadere invulling en de nodige randvoorwaarden worden meegegeven aan de gebiedsgerichte keuzes in de omgevingsvisie: (1) Sterke centra: van OV-knooppunten naar stedelijke centra, (2) Ongedeelde stad: van gescheiden stadsdelen naar één geheel en (3) Vitale stadswijken: van geïsoleerde woonbuurten naar vitale stadswijken.

2.1.3 De Aanvulling ROER A-Z: basis voor ontwerp-herziening omgevingsvisie Parallel aan de onderzoeken voor deze Aanvulling ROER is gewerkt aan het opstellen van de verdere partiële herziening van de omgevingsvisie. De (tussentijdse) uitkomsten van de beoordelingen (op het niveau van de deelgebieden en de bouwstenen van deze Aanvulling ROER) zijn vanuit het proces van het opstellen van deze Aanvulling ROER ingebracht in het proces van het ontwikkelen van de inhoud van de ontwerp-herziening van de omgevingsvisie. Deze informatie is gebruikt bij het maken van de inhoudelijke keuzes. De manier waarop met de aanbevelingen vanuit de Aanvulling ROER is omgegaan is in de ontwerp-herziening van de omgevingsvisie beschreven. De samenvatting daarvan is tevens opgenomen in dit deel van de Aanvulling ROER. Uitgangspunt voor de alternatieven in deze Aanvulling ROER is het realiseren van een nieuwe multimodale stadsbrug, een station Stadionpark en een hoogwaardige OV- verbinding (tram) van Zuidplein tot Kralingse Zoom en (uiteindelijk) Alexander. Daarmee worden de knooppunten (Zuidplan, Feyenoord City. Kralingse Zoom/EUR en Alexanderknoop) verbonden. De onderbouwing van de keuze voor de stadsbrug en tramverbinding is opgenomen in het rapport Oeververbinding en HOV.

17

In deze Aanvulling ROER is gebruik gemaakt van zowel de lagenbenadering als van het beoordelingskader ROER voor de effecten. De lagenbenadering biedt daarbij vooral een structuur voor de beschrijving en analyse van de karakteristieken van een gebied en is een hulpmiddel bij ruimtelijk ontwerpen. Daarnaast staat het beoordelingskader dat bruikbaar is om de effecten van bouwstenen en alternatieven te beschrijven en te beoordelen.

Werkwijze van de Aanvulling ROER 3.1. Werkwijze

De hoofdlijn van de werkwijze en de inhoud van het rapport is schematisch weergegeven in figuur 3.2.

3.1.1 Hoofdlijnen van de werkwijze In dit rapport is in principe de aanpak gevolg die ook is gebruikt in het ROER, maar aangevuld en aangepast naar aanleiding van de adviezen over de NRD. Daarnaast vraagt de vraagstelling van deze Aanvulling ROER – het maken van keuze op het niveau van deelgebieden – een aanscherping van de werkwijze, in vergelijking met het ROER. Deze aanpassing is er op gericht meer zichtbaar te maken wat de impact van ‘bodem en water sturend’ en het toepassen van de lagenbenadering is op de te maken keuzes en op de conclusies en aanbevelingen (in de vorm van ontwikkelprincipes en randvoorwaarden). In de adviezen van de Commissie m.e.r. en de DCMR wordt gevraagd om het toepassen van de lagenbenadering (figuur 3.1). Deze vraag komt voort uit het belang dat de onderste laag (de ondergrond) heeft als bodem en water sturend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Figuur 3.2: Schematische weergave van de werkwijze en de indeling van het rapport

De bouwstenen en de twee alternatieven zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor beide alternatieven is het voorkeursalternatief uit de MIRT-Verkenning als uitgangspunt gehanteerd: Stadsbrug, een HOV-verbinding met tramkwaliteit en station Stadionpark. Het beoordelingskader, dat is beschreven in paragraaf 3.2., is gebruikt om de effecten van de bouwstenen en de twee alternatieven te onderzoeken en te beoordelen. De resultaten van het effectenonderzoek zijn opgenomen in de hoofdstukken 5

Figuur 3.1: De drie lagen van de lagenbenadering: ondergrond, netwerken en occupatie (bron: Nota Ruimte, 2006)

18

(thematisch). Deze beoordelingen leiden in hoofdstuk 6 tot een beoordeling van de twee alternatieven en tot input voor het voorkeursmodel. In hoofdstuk 7 zijn de effecten per deelgebied beschouwd. Dit leidt tot specifieke vragen in relatie tot de principes van ‘bodem en water sturend’. Mede op basis daarvan is in hoofdstuk 8 nagegaan wat de inhoud van ‘water en bodem sturend’ bouwstenen (subvarianten) zouden kunnen zijn en tot welke andere effecten die aanvullende bouwstenen leiden. Ook die analyse levert input voor het voorkeursmodel. Hoofdstuk 9 beschrijft de resulterende ontwikkelprincipes en de inhoud van het voorkeursmodel en op welke overwegingen het voorkeursmodel is gebaseerd. Hoofdstuk 10 gaat in op ingewonnen adviezen en op de randvoorwaarden voor het vervolgtraject. Hoofdstuk 11 staat stil bij ontwikkelingen van buitenaf, leemtes in kennis, monitoring en evaluatie.

Bodem (bodemsamenstelling en hoogteligging) en alsmede grond- en oppervlaktewater zijn de ondergrond. De laag van de netwerken wordt gerepresenteerd door de aspecten van de veilige, gezonde fysieke leefomgeving, en de occupatielaag door de woonomgeving en de economische omgeving. De onderdelen van deze lagen hebben een sterke samenhang – zo zijn bijvoorbeeld de effecten van het gebruik van de netwerken (geluid, externe veiligheid) relevant voor de occupatielaag, en is de occupatielaag afhankelijk van de beschikbaarheid van netwerken voor de bereikbaarheid van wonen en werken en voor de ruimtelijk-economische structuur.

3.1.2 Werkwijze beoordeling alternatieven en bouwstenen Per indicator van het beoordelingskader zijn in deze Aanvulling ROER de huidige situatie, de referentiesituatie en (voor het betreffende deelgebied) het effect van de bouwstenen en alternatieven beschreven en beoordeeld. De aanpak hierbij is dat voor de referentiesituatie een beoordeling van de Staat van de leefomgeving is gegeven. De beoordeling van de effecten van de bouwstenen en alternatieven bestaat uit het beoordelen van het verschil dat de betreffende bouwsteen zal maken: blijft de situatie gelijk of wordt het beter of slechter dan de referentiesituatie?

De lagenbenadering is toegepast als structuur om de karakteristieken van de het plangebied en van de afzonderlijke deelgebieden te beschrijven. De lagenbenadering is tevens gebruikt bij het structureren van de uiteindelijke aanbevelingen in de dit rapport. Deze aanbevelingen zijn per laag geformuleerd als ontwikkelprincipes voor (de verdere uitwerking van) het voorkeursmodel. De relatie tussen het beoordelingskader (dat de effecten beschrijft) en de lagen (die het systeem karakteriseren) is schematisch weergegeven in figuur 3.3.

De beoordeling van de staat van de leefomgeving (huidige situatie en autonome ontwikkeling) is per indicator en per deelgebied uitgedrukt met de emoticons, zoals opgenomen in de tabel. Per emoticon is de betekenis beschreven. Er is voor deze werkwijze gekozen om De staat is overal positief, er zijn geen knelpunniet de indruk te wekken ten dat een gedetailleerde (ambities worden overal gehaald) kwantitatieve beoordeling van de effecten De staat is overwegend positief, lokaal zijn er heeft plaatsgevonden. wat knelpunten (ambities worden grotendeels gehaald)

Bij de beoordeling van de bouwstenen per deelgebied en van de alternatieven is de onderstaand scoresystematiek toegepast. Beoordeeld is of de betreffende bouwsteen leidt tot het meer of minder realiseren van de ambities: is het een plus op de referentie-

Figuur 3.3: Samenhang van de lagen

De volgorde van de clusters en aspecten in het overzicht van het beoordelingskader reflecteert de lagen die de lagenbenadering karakteriseren.

19

De staat is redelijk, verspreid zijn er knelpunten (ambities worden vaak wel, soms niet gehaald) De staat is matig, er zijn redelijk wat knelpunten (ambities worden soms gehaald) De staat is overal negatief, er zijn overal knelpunten (ambities worden nergens gehaald)

situatie of een min? De beoordeling is dus ten opzichte van de referentiesituatie.

++ + 0 --

gemaakt van informatie uit het ROER en uit de MIRT-Verkenning Oeververbindingen regio Rotterdam.

Sterk positief effect. De bouwsteen draagt in sterke mate bij aan het realiseren van de ambitie, het is een sterke verbetering ten opzichte van de referentie. Beperkt positief effect. De bouwsteen draagt in zekere zin bij aan het realiseren van de ambitie; het is een verbetering ten opzichte van de referentie. Geen wezenlijk effect. De bouwsteen draagt niet bij en doet ook geen afbreuk aan de ambitie; geen wezenlijk verschil met de referentie Beperkt negatief effect. De bouwsteen doet in zekere zin afbreuk aan het realiseren van de ambitie, het is een verslechtering ten opzichte van de referentie. Sterk negatief effect. De bouwsteen doet in sterke mate afbreuk aan het realiseren van de ambitie, het is een sterke verslechtering ten opzichte van de referentie.

De beoordelingen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 van dit rapport. In hoofdstuk 7 zijn de bevindingen per deelgebied samengevat en zijn per deelgebied en bouwsteen aandachtspunten benoemd. Op basis van de beoordelingen op het niveau van de indicatoren en bouwstenen is een geaggregeerde beoordeling gemaakt van de twee alternatieven. Hierbij zijn de effecten op het niveau van de alternatieven en aspecten van het beoordelingskader weergegeven in een ‘schuifjesfiguur’; de vorm die ook in het ROER is gebruikt. Hierin worden zowel de mate waarin de doelen en ambities worden bereikt (per alternatief) als de onzekerheden (door middel van een bandbreedte) zichtbaar gemaakt. Deze samenvattende beoordelingen voor de twee alternatieven zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van dit rapport. Bij de beoordeling van de alternatieven is uitgegaan van de ‘worst case’ voor verschillende aspecten en indicatoren; als er niet expliciet gemaakt wordt welke maatregelen precies worden genomen om bepaalde negatieve effecten te mitigeren, pakken de scores zo negatief uit als zonder maatregelen te verwachten is. Dit geldt bijvoorbeeld op het gebied van bodem en water, waar niet automatische beleidskeuzes uit het WeerWoord meegewogen zijn in de alternatieven. Dit komt de helderheid van de conclusies uit de effectbeoordeling en daarmee transparantie van de besluitvorming ten goede.

Door de beoordeling van de referentiesituatie (de toekomstige staat van de leefomgeving, per aspect, zonder de alternatieven) te combineren met het effect dat de bouwstenen (gezamenlijk, per alternatief) daarop hebben ontstaat een beoordeling van de toekomstige staat van de leefomgeving per alternatief. Hoe dit is gedaan en wat de resulterende schuifjesfiguren zijn, is opgenomen in hoofdstuk 6 (per alternatief) en hoofdstuk 8 (per subvariant). De overall beoordeling van het voorkeursmodel verstedelijking is te vinden in hoofdstuk 9.

3.2. Beoordelingskader

De beoordeling is gedaan op basis van expert judgement. De geraadpleegde experts zijn, afhankelijk van de indicatoren, deskundigen van het Ingenieursbureau van de Gemeente Rotterdam, Stadsontwikkeling Rotterdam, Maatschappelijke Ontwikkeling Rotterdam en Stadsbeheer Rotterdam. Rijkswaterstaat en de waterschappen, die actief zijn binnen de grenzen van A-Z (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en Hoogheemraadschap Hollandse Delta) zijn om een collegiale toets gevraagd op de deelonderwerpen bodem en water.

Het beoordelingskader voor de Aanvulling ROER bestaat in principe uit het beoordelingskader dat is gebruikt voor het ROER. Enkele indicatoren van het beoordelingskader van het ROER zijn voor de Aanvulling ROER niet meegenomen, omdat deze voor A-Z niet relevant zijn (zoals havenlandschap) of omdat de voorgenomen ontwikkeling er weinig tot geen invloed op heeft (zoals gezonde voedselomgeving en rookvrije generatie bij het aspect Gezond gedrag). Bij water is de indicator afvalwater toegevoegd.

Het expert judgement is uitgevoerd door de betreffende deskundigen een oordeel te laten geven over de te verwachten effecten van en aandachtspunten voor de voorgestelde ontwikkelingen per bouwsteen. Daarbij is gebruik gemaakt van beschikbare informatie uit diverse gegevensbronnen (o.a. RIVM, GGD, DCMR Milieudienst Rijnmond, afdeling Onderzoek en Business Intelligence Rotterdam). Voor een aantal verkeersgerelateerde effecten (bereikbaarheid, geluid, luchtkwaliteit) is gebruik

Het beoordelingskader kent drie niveaus: er zijn vier clusters met elk vier aspecten. Onder de aspecten is een groot aantal indicatoren gebruikt.

20

Cluster

Aspect

Indicator

Cluster

Aspect

Indicator

Bodem- en grondwaterverontreiniging (Wbb)

Hitte

Fysische bodemkwaliteit

Voorzieningen

Grondwaterkwaliteit (KRW)

Verkeersveiligheid

Bodem

Grondwatersysteem Water

Mobiliteit

Oppervlaktewater

Schone verplaatsingen

Afvalwater

Inclusiviteit

Hemelwater

Goede omgevingskwaliteit

Welzijn

Beschermde natuurgebieden

Ruimtebeslag

Natuur

Ruimtegebruik

Ecologische verbondenheid

Concentratie werklocaties

Biodiversiteit

CO2-uitstoot Energie en grondstoffen

Stedelijk landschap

Materiaal-voetafdruk

Archeologische waarden Gebouwd erfgoed

Economische omgeving

Landschappelijk erfgoed

Werkgelegenheid Economische vitaliteit

Bereikbaarheid economische clusters

Stille gebieden Ruimtelijk-economische structuur

Concentraties NO2, fijnstof en roet Luchtkwaliteit

Opleidingsniveaus Vestigingslocaties

Geur Blootstelling Externe veiligheid

Veiligheid

Waterveiligheid - binnendijks

3.3. Terugblik op het ROER 2021

Waterveiligheid - buitendijks Gezond gedrag

Naar aanleiding van de advisering van de Commissie m.e.r. op het ROER (2021) is destijds over enkele onderwerpen nog nadere informatie verschaft in een Addendum bij het ROER (2021). Het gaat om de grote ontwikkelingen en transities die van belang kunnen zijn voor Rotterdam, zoals • klimaatverandering, • biodiversiteit, • energie- en mobiliteitstransitie en • (internationale) economische ontwikkelingen.

Voldoende beweging Mentale gezondheid Kwaliteit van de woningen

Woonomgeving

Economische groei Vestigingsklimaat

Geluidhinder Geluid

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving

Sociale samenhang Sociale veiligheid

Ecologische hotspots

Landschap en cultureel erfgoed

Bereikbaarheid

Wonen

Balans in woonsegmenten Toekomstbestendigheid

Woonomgeving

Openbare ruimte

21

Deze ontwikkelingen waren in het ROER (2021) zelf nog onvoldoende benoemd en in hun mogelijke (samenhangende) toekomstige effecten geanalyseerd, waardoor de onzekerheidsmarges rond diverse beoordelingen groter zouden zijn dan uit het ROER blijkt. De aanvullende gevoeligheidsanalyses in het Addendum bij het ROER zijn samengevat in hoofdstuk 11 van dit rapport, inclusief een beschouwing hoe daarmee voor de Oostflank een invulling is gegeven via met name de ontwikkelprincipes.

22

4.1.3 Twee alternatieven en de referentiesituatie

Bouwstenen, alternatieven en referentiesituatie

De alternatieven zijn tot stand gekomen na een intensief ontwerpproces. Daarbij is gebiedsgericht gekeken naar de mogelijkheden voor verstedelijking c.q. verdichting en naar de mogelijke (ruimtelijke) belemmeringen daarbij. Bij het ontwikkelen van de alternatieven zijn de uitspraken in, en de kaders van de Omgevingsvisie het startpunt geweest. Bij het ontwikkelen van de alternatieven zijn daarnaast de bestaande eigenschappen en structuren – van zowel onderlaag als de lagen van netwerken en occupatie – de basis geweest. Sterk structurerend zijn de bestaande structuren van groen (gerelateerd aan de onderlaag) en de netwerklaag van het openbaar vervoer.

4.1. Werkwijze 4.1.1 Introductie op dit hoofdstuk In dit hoofdstuk is beschreven welke alternatieven zijn onderzocht, hoe deze tot stand zijn gekomen en zijn opgebouwd. In deze subparagraaf is de werkwijze beschreven, waarna in paragraaf 4.2 de referentiesituatie is toegelicht. In paragraaf 4.3 is de beschrijving van de twee alternatieven opgenomen.

De alternatieven zijn samengesteld aan de hand van de volgende variabelen: • Verdeling van het ruimtelijk programma (wonen, werken en voorzieningen) over de verschillende deelgebieden van A – Z; spreiden of concentreren; • Het wel of niet doortrekken van de tram van Kralingse Zoom naar de Alexanderknoop • Omvang van het programma per deelgebied, inclusief type woonmilieus; • Samenhangend pakket van randvoorwaarden op het gebied van bereikbaarheid, groen, ecologie, recreatie en energie (kwaliteitsmaatregelen); per deelgebied gespecificeerd. Op basis van het onderzoek in de Aanvulling ROER kan het pakket aan randvoorwaardelijke investeringen nog worden aangevuld en aangescherpt.

De effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn in deze Aanvulling ROER vergeleken met de toekomstige situatie zoals die zal ontstaan op basis van de autonome ontwikkelingen. Dat is de referentiesituatie. Daarbij wordt in dit rapport gekeken naar de toekomstige situatie in 2030 – 2040. Het gehele gebied is – evenals bij de ontwikkelvisie - verdeeld in deelgebieden. Om de mogelijke bandbreedte van de effecten van de verstedelijking in beeld te kunnen brengen zijn twee alternatieven samengesteld. Deze alternatieven zijn opgebouwd uit bouwstenen die op het niveau van de deelgebieden zijn ontwikkeld. De alternatieven zijn het alternatief Concentreren (met concentratie en een groter aantal woningen) en Spreiden (met meer spreiding en een wat lager aantal woningen). In enkele deelgebieden is maar één bouwsteen beschouwd, die in beide alternatieven is opgenomen. Per deelgebied zijn aanvullend hierop extra bouwstenen ontwikkeld vanuit het principe van water en bodem sturend.

Met deze variabelen kunnen effecten in beeld worden gebracht om te beoordelen op welke wijze de uitwerking van de in de omgevingsvisie vastgelegde gebiedskeuzes het beste aansluiten op de gestelde doelen "Goede groei". Het biedt houvast voor keuzes en randvoorwaarden en aandachtspunten voor de volgende fase. Naast deze twee alternatieven is in deze Aanvulling ROER ook de referentiesituatie beschouwd. Deze komt er voor de afzonderlijke deelgebieden op neer dat alleen de ontwikkelingen op basis van de autonome groei zullen plaatsvinden (waaronder vastgestelde bouwprojecten). In principe bestaat ten behoeve van een voorkeursalternatief voor de ontwikkelvisie de mogelijkheid om te kiezen voor het bestendigen van de referentiesituatie – oftewel geen verdere ontwikkeling in dat deelgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=81510044-3fad-4f82-b9de-55dc389d48e6