CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003350] Bijlage 1 behorende bij 23bb3349 - Ontwerpbestemmingsplan ‘Langeweg, Hoek van Holland’;

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 20 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting ontwerpbestemmingsplan Langeweg Hoek van Holland28.039 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28

3.2 Ligging plangebied ten opzichte van omgeving

Figuur

In Fase 2 waardeert de Cultuurhistorische verkenning de verboden kringen van het schootsveld van het negentiende-eeuwse fort en doet aanbevelingen met betrekking tot het leesbaar houden van deze cultuurhistorische elementen. Het plangebied Langeweg ligt in zowel de eerste als de tweede kring.

29

Figuur 3.3 Weergave van de verboden kringen

3.3

Archeologie

Beleidskader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: 1. te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; 2. te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; 3. te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng

30

van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Bewoningsgeschiedenis Het bestemmingsplangebied maakt deel uit van een voornamelijk in en na de Late Middeleeuwen (1000-1500) gevormd landschap tussen Naaldwijk/'s-Gravenzande en de monding van de Nieuwe Maas. In de Romeinse tijd (begin jaartelling-350 na Chr.) en Vroege Middeleeuwen (350-1000) lag hier het mondingsgebied van de Nieuwe Maas. Afzettingen uit deze tijd ontbreken; tot op grote diepte bevinden zich slechts afzettingen die na het verschuiven van de Maasmonding naar het zuiden in de Late Middeleeuwen en daarna zijn gevormd.

Het huidige landschap bestaat uit bedijkte kleigebieden en zogenaamde haakwallen: zandige strandafzettingen waarop duinvorming heeft plaatsgevonden. De haakwallen zijn in verschillende fasen in zuidwaartse richting afgezet. De meest noordelijke haakwal (waarop 's-Gravenzande ligt) is in het midden van de 12e eeuw gevormd. De tweede haakwal is die van het Nieuwlandse duin en Staalduinen en moet vóór 1242 zijn gevormd. De derde haakwal (De Haak) is pas gevormd tussen 1542 en 1611. Deze haakwal staat namelijk nog niet afgebeeld op de provinciale kaart van Van Deventer uit 1542, maar wel op de kaart van Delfland van Floris Balthasars uit 1611. De laatstgenoemde wal bevindt zich ten noorden en oosten van het bestemmingsplangebied. Het plangebied bevindt zich grotendeels ter plaatse van het voormalige Spanjaardsduin. Archeologische potentie De relatief jonge vorming van het landschap betekent dat de archeologische potentie van het bestemmingsplangebied gering is. Het kan evenwel niet uitgesloten worden dat er zich in de diepere ondergrond geul- en oeverresten uit de Romeinse tijd of Middeleeuwen bevinden. In de geulafzettingen kunnen onder meer scheepsresten aanwezig zijn. Uit de periode na de vorming van de jonge strandafzettingen kunnen mogelijk bewoningssporen en structuren aangetroffen worden die met de extensieve exploitatie van het gebied in de Nieuwe tijd te maken hebben.

Toetsing Voor het gehele plangebied wordt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen. De gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

3.4

Stadsgezichten en Monumenten

Binnen het bestemmingsplangebied is geen beschermd stadsgezicht gelegen. Binnen het bestemmingsplangebied zijn ook geen monumenten en/of beeldbepalende objecten gelegen.

31

32

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de (visie op de) ontwikkeling die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan "Langeweg, Hoek van Holland" en de juridische beschrijving van de mogelijkheden die de planregels bieden.

4.2

Opzet van het plan

De gemeente zoekt naar een ontwikkeling van de locatie aan de Langeweg die duurzaam is en op lange termijn blijft aansluiten op het gebied en haar toekomst. Voor het plangebied aan de Langeweg bestaat de opgave voor royaal, natuurlijk (duurzaam) wonen in de duinen/Binnenduinrand. Daarmee heeft de opgave twee gezichten: één naar de Langeweg en één naar het Roomse Duin. Hierbij moeten in de vormgeving en inpassing de dijk en het Roomse Duin als deel van de opgave beschouwd worden waarin dit gebied als parkrand en entree naar de Roomse Duin worden opgevat. Voor een weergave van de ligging van het plangebied en het omliggende landschap zie figuur 4.1. De onderhavige ontwikkeling zorgt voor een versterking van de landschappelijke structuur door hier meer eenheid in te creëren, zie ook figuur 4.2.

Figuur 4.1 Aansluiting op bestaande landschap

33

Figuur 4.2 Versterking van de landschappelijke structuur

4.3

Ontwikkelingen

Woningen In het plangebied wil men de ruimte geven om maximaal 150 woningen aan de Langeweg te kunnen realiseren. Het betreft zowel vrije sector huur- als koopwoningen. Andere functies zijn hier niet gewenst, de plint heeft dan ook een duidelijke functie en bestaat uit alzijdige appartementen. Zoals ook in paragraaf 4.2 is benoemd, is het van belang dat de woningen aansluiting vinden op het bestaande landschap en dit versterken. Dit is de reden waarom de gebouwen qua hoogte meelopen met de glooiingen zoals terug te zien in het omliggende duinlandschap. Het bestemmingsplan schrijft verschillende maximale bouwhoogten voor om deze hoogteaccenten mogelijk te maken. Situering Om de landschappelijke structuur van de omgeving te versterken is het van belang dat de woningen niet zorgen voor een wand die het zicht vanaf de Langeweg op het Roomse Duin wegneemt. De beleving van het Roomse Duin is van groter belang dan de beoogde bebouwing. Vandaar dat er ruimte wordt geboden om 5 à 6 verschillende gebouwen te realiseren. De naar de weg toegekeerde gevels hebben een maximum lengte van 40 meter. Op deze manier zijn er voldoende doorzichten en sluit de situering aan op het bestaande landschap. Er ontstaat een duidelijke eenheid in vormtaal van gebouwen.

Aansluiting op het bestaande landschap Om de aansluiting op het bestaande landschap te waarborgen, worden belemmeringen van doorzichten en het groen niet mogelijk gemaakt. De doorzichten vanaf het schootsveld worden hierdoor behouden. Ook het parkeren vindt zoveel mogelijk uit het zicht plaats, waardoor het achterliggende bos zichtbaar blijft.

34

Beeldkwaliteit Voor het plangebied en brede omgeving heeft de gemeente Rotterdam in 2006 een welstandsparagraaf opgesteld, zie bijlage 2. Het plangebied is in deze welstandsparagraaf aangeduid als bouwlocatie. Belangrijk hiervoor is de verbinding tussen het bos het de dijk. Toekomstige bebouwing moet onderdeel zijn van het aanwezige natuurlandschap. Voor de locatie specifiek heeft de gemeente Rotterdam in 2018 een nota van uitgangspunten opgesteld, zie bijlage 1. De ontwikkeling van het dorp en de veranderingen die daarmee samenhangen, zijn vertaald naar drie hoofdthema’s voor de stedenbouwkundige en landschappelijke kaders die worden gesteld aan een plan. De opgave is: 1. ervaarbaar maken van het landschap van het Roomse Duin/Bos; 2. versterken van de landschappelijke structuren door het plan een duidelijke ruimtelijke eenheid te maken; 3. een beeld te creëren van royaal, natuurlijk (duurzaam) wonen in het duinbos en binnenduinrand. In de nota van uitgangspunten zijn de randvoorwaarden verder uitgewerkt. Het plan sluit hierop aan. De inrichting van het openbaar gebied wordt in een latere fase uitgewerkt. Dit betreft bijvoorbeeld de exacte ligging van de ontsluitingsweg en de invulling van de wateropgave.

4.4

Juridische planbeschrijving

4.4.1

Groen

De gronden waarop geen woonfunctie is gewenst en waar een groene uitstraling de basis dient te zijn, hebben de bestemming "Groen" gekregen. Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden en inen uitritten toegestaan. Daarnaast zijn - uitsluitend aan de noordoostzijde van de aangrenzende bestemming Wonen - een weg ter ontsluiting van de woningen in het plangebied en maximaal 30 parkeerplaatsen op maaiveld toegestaan. Binnen de bestemming "Groen" is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen mogelijk, indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.4.2

Natuur

Deze bestemming is opgenomen voor onderdelen van het plangebied die behoren tot Natura 2000en/of NNN-gebied. Het bestemmingsplan voorziet hier niet in ontwikkelingen. De betreffende locaties zijn opgenomen in dit bestemmingsplan, omdat hier anders geen bestemmingsplan geldt. De gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, en voor de daarbij behorende watergangen en paden, ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen. Voor diverse werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, geldt een aanlegvergunningplicht. 4.4.3

Verkeer - Wegverkeer

Een stukje bestaande weg in het noordwesten van het plangebied heeft de bestemming "Verkeer Wegverkeer" gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen en viaducten, tramlijnen met bovenleidingen en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" zijn de 50 km/uur-wegen opgenomen, gebaseerd op de wegcategorisering duurzaam veilig.

35

4.4.4

Wonen

De locatie voor de beoogde woningen heeft de bestemming 'Wonen' gekregen. Hier zijn maximaal 150 gestapelde woningen mogelijk met de daarbijbehorende voorzieningen, zoals inpandige bergingen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden. Er is een gebouwde of (half)verdiepte parkeergarage toegestaan. Daarnaast kunnen ongebouwde parkeervoorzieningen op maaiveld worden aangelegd, voor zover gelegen buiten het bouwvlak. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht en er zijn maximaal 6 gebouwen mogelijk. Het aantal bouwlagen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bouwlagen' aangegeven hoogte. De breedte van de zuidelijk georiënteerde gevel van een gebouw (met uitzondering van de parkeergarage) bedraagt maximaal 40 meter. In het middengebied is via de aanduiding 'groen' geregeld dat een zone met een minimale breedte van 70 meter vrij blijft van bouwwerken (met uitzondering van keerwanden en trappen). 4.4.5

Waarde - Archeologie

De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' zijn mede bestemd voor het behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. In de regeling is opgenomen dat bij werkzaamheden die dieper reiken dan 1 meter beneden NAP en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan een vergunning nodig is. 4.4.6

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018”. Deze beleidsregeling is op 1 januari 2022 herzien in de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets 2022' (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 12.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

36

Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022”. De beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. 4.4.7

Vrijwaringszone - dijk

De bijbehorende beschermingszone voor de Delflandsedijk als primaire waterkering is aangeduid als "vrijwaringszone - dijk". Doel van deze vrijwaringszone is de bescherming van de functie van de waterkering. Binnen de aanduiding is alleen de bestaande bebouwing toegestaan en bebouwing die van beperkte invloed is. Voor de regeling is aansluiting gezocht bij het Barro. Bouwen is niet toegestaan, tenzij er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de waterkerende functies van de dijk en er vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende beheerder van de waterkering.

37

38

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Daarnaast is de gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling water) rioolbeheerder. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder(s) over de voorgestane ontwikkeling. In april, mei 2019 en december 2021 is overleg geweest over werken in de beschermingszone van de waterkering tussen de projectontwikkelaar (van Omme & de Groot) en het Hoogheemraadschap. De uitkomsten van dit overleg zijn meegenomen in het wateradvies met dossiernummer IB-2019-0017 versie V51, d.d. februari 2022 dat is opgenomen in bijlage 3 van dit plan.

5.2

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt kort het beleidskader geschetst dat voor dit wateradvies relevant is. Het gaat hierbij vooral om het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente. In bijlage 3 is een uitgebreid overzicht van het overkoepelende beleid (rijksbeleid en provinciale beleid) opgenomen. 5.2.1

Landelijk

Ruimtelijke adaptatie In 2014 is de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie genomen. Deze is in 2018 uitgewerkt in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 2018. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben hierin de gezamenlijke ambitie vastgelegd dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Bij (her)ontwikkelingen mag geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Waterwet en Waterbesluit Primaire waterkeringen Op 1 januari 2017 zijn nieuwe normen voor de primaire waterkeringen opgenomen in de Waterwet. Het nieuwe waterveiligheidsbeleid is opgenomen in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Nationaal Waterplan zal binnenkort worden opgevolgd door het Nationaal Water Programma 2022-2027 dat anticipeert op de invoering van de Omgevingswet. Het Nationaal Water Programma is breder van opzet dan het Waterplan. Het Nationaal Water Programma besteedt naast de waterveiligheid ook aandacht aan klimaatadaptatie, zoetwater, waterkwaliteit, natuur en scheepvaart. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staat de bescherming van mensen en economische waarde centraal. Dit is vertaald in de volgende twee doelen: 1. Dat iedereen die in Nederland achter een primaire waterkering woont uiterlijk per 2050 kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z.

dat de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 per jaar); 2. Dat meer bescherming wordt geboden op plaatsen waar sprake kan zijn van grote groepen dodelijke slachtoffers, grote economische schade of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang. Met deze waterveiligheidsaanpak krijgt iedere bewoner van Nederland die woont achter een primaire kering een vergelijkbaar beschermingsniveau. Waterkeringen die al het gewenste beschermingsniveau bieden, worden goed op orde gehouden. Waar de waterkeringen een hoger beschermingsniveau moeten bieden, vindt dijkversterking of rivierverruiming plaats. Voor de regio is het beleid verder uitgewerkt in het DeltaprogrammaRijnmond-Drechtsteden. Op basis van de nieuwe risicobenadering zijn nieuwe normen voor de dijken in Rijnmond-Drechtsteden voorgesteld (zie figuur 5.1), deze normen zijn ook opgenomen in de gewijzigde Waterwet.

39

Figuur 5.1 Normspecificatie voor primaire waterkeringen, uitgedrukt in een overstromingskans per dijktraject De dijken in het gebied Rijnmond Drechtsteden zijn ingedeeld in verschillende typen (zie figuur 5.2). De Delflandsedijk die in het plangebied ligt is getypeerd als een ‘Sterke Urbane Dijk’. In de tussentijdse wijziging van het waterplan is opgenomen dat de ruimte rond deze dijken intensief en voor verschillende functies wordt gebruikt. Daarom vraagt de uitwerking van opgaven en oplossingen om een brede blik op de verschillende vormen van ruimtegebruik. Bij een urbane dijk is vaak sprake van integratie van dijkversterking met stadsontwikkeling rond de dijk. Door de integratie van waterveiligheid en ruimtelijke ontwikkeling kunnen verschillende doelen gerealiseerd worden. Het Deltadeelprogramma adviseert stad en waterschap als vanzelfsprekende (financiële) partners op te laten trekken om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

Figuur 5.2 Dijken in de regio Rijnmond-Drechtsteden

40

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Nationale ruimtelijke belangen zijn beschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Juridisch zijn deze belangen onder meer geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Voor het plangebied is titel 2.11 van belang: Primaire waterkeringen buiten het kustfundament (titel 2.11) Deze titel legt vast dat primaire waterkeringen de bestemming ‘waterkering’ krijgen in het bestemmingsplan. De beschermingszone krijgt de bestemming ‘vrijwaringszone-dijk’ of ‘vrijwaringszone-waterstaatswerk’. Voor nieuwe bestemmingen binnen de zones van de waterkering geldt dat deze geen nadelige invloed mogen hebben op de waterkering. 5.2.2

Gemeentelijk beleid

Rotterdams Weerwoord Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwateronder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 wordt samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken. De belangrijkste versterkingen zijn:  Vergroening van de stad als adaptatiemaatregel om hitte tegen te gaan, draagt ook bij aan de vertraging van neerslag.  Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is goed voor gebieden met (te) lage grondwaterstanden.

 Waterbergende voorzieningen op gebouwen combineren met verkoelende maatregelen (groen dak) draagt bij aan reductie van wateroverlast en hitte. Zonnepanelen op groene daken hebben een hogere opbrengst.  Hoger aanleggen van vitale voorzieningen reduceert zowel risico’s van overstroming vanuit de rivier als door extreme neerslag. De belangrijkste belemmeringen zijn:  Meer bomen en groen in de stad zorgen voor een grotere watervraag die de gevolgen van droge perioden versterken.  Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is nadelig voor gebieden met (te) hoge grondwaterstanden. In december 2020 is door het college van B en W de Uitvoeringsagenda Biodiversiteit, Samen werken aan rijke Rotterdamse Stadsnatuur vastgesteld. Deze uitvoeringsagenda is de Rotterdamse invulling van de provinciale visie en uitvoeringsagenda Rijke Groen-Blauwe leefomgeving. Rotterdam formuleert in haar Uitvoeringsagenda Biodiversiteit om, komend vanuit een achterstandspositie haar biodiversiteit te herstellen, behouden en versterken. De inzet is het verbeteren van vestigingscondities voor planten en dieren door het versterken van groene en blauwe netwerken. De Uitvoeringsagenda kent 3 sporen; 1) Snelle winst, 2) Transitie en 3) Borging.

De Uitvoeringsagenda Biodiversiteit is verbonden met het Rotterdams Weerwoord.

41

Van buis naar Buitenruimte; Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam 2021-2025 Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2021-2025 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de grondwater- en rioleringstaken van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld. Voor de planperiode 2021-2025 heeft Rotterdam vijf doelen geformuleerd:  Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater voor de volksgezondheid, een aantrekkelijke leefomgeving en circulaire stad.  Klimaatbestendig stedelijk watersysteem door het voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, transporteren en verwerken van hemelwater.  Robuust grondwatersysteem door het voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied.  Actief communiceren en participeren met Rotterdammers en bedrijven over het stedelijke watersysteem.  Innovatie, digitalisering en automatiseren. Om deze doelen te realiseren steunt het GRP op 3 pijlers:  Slim beheer; Renoveren, Repareren, Beheren.  Klimaatgerichte normering voor de verwerking van neerslag.  Gebiedsgericht samenwerken. In het plan is een streefbeeld opgenomen voor de lange termijn.

Door de mondiale en regionale ontwikkelingen ziet Rotterdam er in 2050 anders uit en heeft dan andere behoeften. Het afvalwatersysteem kan bijdragen in het aanvullen van de tekorten die zullen ontstaan. Energie, warmte, grondstoffen en gezuiverd zoet water, die vrijkomen bij de be- en verwerking van afvalwaterstromen, worden teruggewonnen en hergebruikt. Rotterdam sluit op deze manier kringlopen van grondstoffen, energie en water. De belangrijkste aanpassing voor de lange termijn is ontvlechten van het bestaande stedelijke watersysteem: zo veel mogelijk waterstromen scheiden. Dit is het basisprincipe van de kringloop en voor droge voeten. Deze lange termijnvisie is verder uitgewerkt door de werkgroep Lange termijn Visie van RoSa (Rotterdamse samenwerking in de afvalwaterketen).

Figuur 5.3 Streefbeeld (afval)waterkringloop

42

Om de lange termijnvisie waar te kunnen maken is het belangrijk dat bij nieuwe ontwikkelingen al wordt ingezet op het scheiden van afvalwater- en hemelwater. De huidige ondergrondse voorzieningen hebben onvoldoende capaciteit voor de verwachte klimaatveranderingen. Rotterdam heeft nieuwe ideeën nodig om de oplossingen te vinden in de bovengrondse ruimtelijke inrichting van de stad. Afstemming en samenwerking met ontwerpers, ingenieurs, private partijen en partners in waterbeheer is hierbij cruciaal. Hierbij wordt in het plan uitgegaan van een gebiedsgerichte aanpak. In Hoek van Holland wordt in de hoge duingebieden ingezet op infiltratie van hemelwater als aanvulling van het grondwater. Waterveiligheidsbeleid gemeente Rotterdam Het gemeentelijk waterveiligheidsbeleid is geborgd in de beleidsnotitie Waterveiligheid binnen de gemeente Rotterdam. B&W hebben dit beleid op 29 mei 2018 vastgesteld. Waterveiligheid in de Rotterdamse delta heeft permanente aandacht nodig, en zal in de toekomst nog meer aandacht nodig hebben als gevolg van klimaatverandering. Binnen de gemeente dient waterveiligheid op de juiste wijze meegenomen te worden bij de ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, MER, gebiedsvisies) en bouwontwikkelingen. Watersensitive Rotterdam De beweging Water Sensitive Rotterdam koppelt gebiedsopgaven en projecten aan de water- en klimaatopgaven in de stad.

Op deze manier wordt gewerkt aan het realiseren van de ambities uit de Rotterdamse Adaptatiestrategie. Het koppelen is hierbij essentieel. Elke verandering in Rotterdam is een kans om met partijen in de stad actief, de gestelde ambities invulling te geven. Dit betekent onder meer:  samen met initiatiefnemers nagaan op welke wijze wederzijdse toegevoegde waarde gecreëerd kan worden ten aanzien van de water- en klimaatopgaven;  maatregelen nemen in de haarvaten van het watersysteem, om zodoende de robuustheid te vergroten;  de zichtbaarheid van water- en klimaatmaatregelen waarderen, om het waterbewustzijn en de aantrekkelijkheid van de stad, te vergroten. Hemelwater wordt in deze benadering als een grondstof beschouwd welke we, waar mogelijk, lokaal moeten benutten. Hierdoor kunnen transportafstanden en -middelen voor het afvoeren en toevoeren van water gereduceerd worden. 5.2.3

Hoogheemraadschap van Delfland

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het Hoogheemraadschap van Delfland hanteert het standstill beginsel bij het beoordelen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat het niet is toegestaan dat plannen een verslechtering van de waterhuishouding mogelijk maken en bij voorkeur dat plannen de waterhuishouding zelfs verbeteren. Dit beleid is vastgelegd in de keur en in verschillende beleidsstukken. Keur Delfland In het beheergebied van Delfland gelden momenteel de regels zoals vastgelegd in de Keur Delfland van 19 februari 2015. De regels gaan onder andere over:  gedoogplichten, zoals de verplichting voor perceeleigenaren om Delfland toe te laten voor onderhoudswerkzaamheden;  geboden, zoals de verplichting om watergangen en waterkeringen te onderhouden;  verboden, zoals het verbod om watergangen of -keringen te veranderen. Waterbeheerplan 2016-2021 Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap In het nog actuele Waterbeheerplan 2016-2021 heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd.

Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2027. Delfland zet in op stedelijk waterbeheer en samen met gemeenten wordt gewerkt aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en 43

toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners en werken we aan het waterbewustzijn om draagvlak te vergroten. Ambities:  Zoet water is van levensbelang en daarom is het belangrijk dat iedereen zuinig omgaat met water en zorgt dat het water schoon blijft.  Delfland wil gezuiverd afvalwater hergebruiken en zorgen dat water langer in het gebied bewaard blijft voor droge tijden.  Klimaatverandering leidt vaker tot langdurige droogte en heftiger regenbuien. Om de stad klimaatbestendig te maken zoekt Delfland met partijen naar slimme manieren om water langer vast te houden zonder dat het tot overlast leidt.  Om de waterkwaliteit te verbeteren neemt Delfland verschillende maatregelen en controleren we nog beter op illegale lozingen. Het water in zwemplassen moet tijdens warme dagen vrij zijn van blauwalgen en schadelijke bacteriën.  Door samen te werken kunnen ook kosten worden bespaard. Bij elke ontwikkeling kijkt Delfland welke kansen er zijn om het watersysteem toekomstbestendiger te maken. Regenwaterbeleid Om riooloverstorten zoveel mogelijk te voorkomen en de afvalwaterzuiveringsinstallaties gelijkmatiger te belasten wil Delfland dat er minder regenwater in de riolering terecht komt.

Het is dan ook meestal verplicht om bij nieuwe ontwikkelingen een gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Bij een gescheiden rioolstelsel worden afvalwater en regenwater gescheiden van elkaar afgevoerd. Het afvalwater wordt hierbij op de gebruikelijke manier via het rioolstelsel ingezameld en afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Regenwater wordt dan in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater afgevoerd. Regenwater is echter lang niet altijd schoon genoeg om direct in oppervlaktewater geloosd te worden, soms is voorzuivering nodig. Beleidsregels dempen en graven De keur van Delfland verbiedt het zonder vergunning aanpassen van waterlopen en het zonder vergunning graven van nieuwe waterlopen. De beleidsregels dempen en graven fungeren als toetsingskader voor de vergunningverlening. Beleidsregel werken in het profiel van wateren De keur van Delfland verbiedt het zonder vergunning werken in het profiel van wateren. De beleidsregel fungeert als toetsingskader voor de vergunningverlening. Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast Ook voor de kans op wateroverlast geldt het stand-still beginsel. Door een ruimtelijke ingreep die invloed heeft op het watersysteem mag de kans op wateroverlast niet toenemen. Dit betekent dat de initiatiefnemer ervoor moet zorgen dat de negatieve gevolgen van een ruimtelijk plan worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd.

Negatieve gevolgen ten aanzien van wateroverlast kunnen bijvoorbeeld worden voorkomen of beperkt door hier bij de locatiekeuze rekening mee te houden. Compensatie van negatieve gevolgen moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren waarin de verslechtering optreedt (zie figuur 5.4). Bij deze afweging van compensatiemaatregelen zijn voor Delfland de volgende aspecten doorslaggevend:  Mate waarin de oplossing bijdraagt aan het behoud of de verbetering van het watersysteem, gelet op de structuur, het functioneren en de beheerbaarheid;  Betrouwbaarheid, inzetbaarheid, instandhouding en juridische handhaafbaarheid van de oplossing. Dit betekent over het algemeen dat bergingsmaatregelen en oplossingen die de structuur van het watersysteem verbeteren de voorkeur zullen hebben. Dit afwegingskader biedt echter ook mogelijkheden voor vasthoudmaatregelen, met name voor de compensatie van verslechtering van de natuurlijke vasthoudcapaciteit.

44

Figuur 5.4 Compensatie eventuele negatieve gevolgen ruimtelijke ingreep Handreiking Watertoets voor gemeenten De handreiking Watertoets biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvaten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau in Delflands gebied. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid en is erop gericht ruimtelijke functies en waterhuishoudkundige mogelijkheden optimaal op elkaar aan te laten sluiten. Uitgangspunt is dat het watersysteem niet mag verslechteren (standstill-principe) waarbij kansen voor verbetering zo mogelijk worden benut. In de Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces geeft het Hoogheemraadschap van Delfland aan hoe zij omgaat met het beoordelen van vasthoudmaatregelen bij verhardingstoename. Vasthoudmaatregelen zijn compensatiemaatregelen welke toegepast kunnen worden wanneer de aanleg van oppervlaktewater niet mogelijk is. De compensatie wordt dan gezocht in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren waar door de verhardingtoename de verslechtering optreedt. Bij de beoordeling kijkt het hoogheemraadschap naar de effectiviteit, de (lange termijn) betrouwbaarheid en integraliteit van de maatregel.

Voor de effectiviteit is onder meer van belang dat de bergingscapaciteit van de voorziening groter of gelijk is dan de met de watersleutel berekende capaciteit, dat de voorziening ledigt door infiltratie of op oppervlaktewater of via een regenwaterstelsel en dat de ledigingstijd ongeveer 2 dagen is. Als borging van de betrouwbaarheid moet de initiatiefnemer over de vasthoudmaatregel afspraken maken met het Hoogheemraadschap welke worden vastgelegd in het juridisch bindende deel van het betreffende Ruimtelijke Plan. Integraliteit betreft vooral dat de oppervlaktewaterkwaliteit niet mag verslechteren. Beleidsregels waterkeringen In het Algemeen Waterkeringenbeleid is het overkoepelende beleidskader voor alle waterkeringen van Delfland opgenomen. Het streefbeeld van Delfland is dat de waterkering zoveel mogelijk vrij is van medegebruik omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden bij waterkeringen in beginsel het waterkerende vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen of de kosten van het beheer onevenredig kunnen laten toenemen. Voor primaire waterkeringen geldt dat ruimte gereserveerd wordt voor toekomstige versterkingen: het profiel van vrije ruimte. Voor kust en zeedijk wordt hierbij uitgegaan van een periode van 200 jaar, voor de rivierdijk van 100 jaar. Hierbij wordt rekening gehouden met het maximumscenario van zeespiegelstijging van de KNMI.

Bij planvorming voor primaire waterkeringen wordt daarentegen uitgegaan van het middenscenario van de KNMI (zie figuur 5.5).

45

Figuur 5.5 Scenario's zeespiegelstijging In de leggers wordt de ligging van het waterstaatswerk, de beschermingszones en profiel van vrije ruimte van de keringen weergegeven op kaart. Ook zijn in de leggers dwarsdoorsnedes van de waterkeringen opgenomen. In de Beleidsregel Medegebruik Delflandsedijk heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de regels vastgelegd met betrekking tot het medegebruik van de Delflandsedijk. Medegebruik in de zone van het waterstaatswerk is alleen toegestaan als er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en de activiteit redelijkerwijs niet elders of op een andere wijze kan plaatsvinden (het ‘nee, tenzij’ principe). Medegebruik in de beschermingszone is mogelijk als de waterkerende functie van de zeewering niet wordt aangetast (het ‘ja, mits’ principe). Indien na zorgvuldige afweging het medegebruik tot consequentie heeft dat het functioneren en of het beheer in negatieve zin wordt beïnvloed moeten compenserende maatregelen worden getroffen. De kosten voor deze maatregelen zijn in principe voor de veroorzaker (initiatiefnemer). De Delflandsedijk heeft een lengte van 31 kilometer en ligt tussen Hoek van Holland en de Parksluizen in Rotterdam langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas. De Delflandsedijk bestaat uit twee trajecten: 1. de zeedijk van Hoek van Holland tot aan de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg; 2.

de rivierdijk vanaf de Maeslantkering via Maassluis, Vlaardingen, Schiedam tot aan de Parksluizen in Rotterdam. De zeedijk is hoger dan de rivierdijk, aangezien de rivierdijk tijdens hoge waterstanden beschermd wordt door de dan gesloten Maeslantkering. Ter plaatse van het plangebied loopt de zeedijk.

5.3

Huidige watersysteem

Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de huidige waterhuishouding binnen het plangebied. Ingegaan wordt op de aspecten oppervlaktewater, grondwater, afval- en hemelwater, waterkwaliteit, waterkeringen en waterveiligheid. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf over klimaatbestendigheid. 5.3.1

Oppervlaktewater

In het plangebied is geen oppervlaktewater. Het plangebied ligt in peilgebied GPG2015 HVH II. Dit peilgebied heeft een vast peil van NAP + 0,05 m.

46

Figuur 5.6 Weergave ligging plangebied in peilgebied GPG2015 HVH II 5.3.2

Grondwater

Voor grondwater zijn geen peilbuizen in het plangebied. De verwachting is dat de ontwateringsdiepte ruimschoots zal voldoen aan de vereiste 0,80 meter gezien de hoge ligging van het gebied. Uit figuur 5.7 blijkt dat het maaiveld overal boven de NAP +3,0 m ligt.

47

Figuur 5.7 Weergave ligging plangebied ten opzichte van hoogteliggingskaart maaiveld 5.3.3

Riolering: afval- en hemelwater

Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 14 (Kaapweg), zie ook figuur 5.8. In het plangebied ligt een klein stukje gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). Langs de Langeweg ligt een regenwaterstelsel. District 14 voert het afvalwater af naar AWZI Nieuwe Waterweg.

48

Figuur 5.8 Overzicht rioleringssysteem 5.3.4

Waterkwaliteit

In het plangebied ligt geen oppervlaktewater. De waterkwaliteit wordt daarom niet besproken. 5.3.5

Waterkeringen en waterveiligheid

Waterkeringen Langs het plangebied ligt de Delflandsedijk, een primaire waterkering. De ligging van de kering is in het figuur 5.9 weergegeven. Het plangebied ligt deels in de beschermingszone en voor een klein deel binnen het profiel van vrije ruimte van deze kering. Het plangebied ligt buiten de kernzone van de waterkering.

49

Figuur 5.9 Ligging waterkeringen en beschermingszones Waterveiligheid Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (dat wil zeggen de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering in het plangebied/die het plangebied beschermt, betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1 op 10.000. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen is er een landelijk informatiesysteem overstromingen. De maximale waterdiepte in het plangebied ten gevolge van een overstroming is opgenomen in figuur 5.10. Doordat de berekening op een hoog abstractieniveau is uitgevoerd, is het detailniveau van de kaarten beperkt. Wel kan uit de kaart worden opgemaakt dat in een deel van het plangebied een waterdiepte kan ontstaan van 60 cm. Hoewel een dergelijke diepte tot schade kan leiden, is de kans op slachtoffers klein.

Het grootste deel van het plangebied zal droog blijven bij een overstroming.

50

Figuur 5.10 Potentiële waterdiepte bij doorbraak primaire kering 5.3.6

Klimaatbestendigheid

Het plangebied is relatief hooggelegen en is daardoor relatief veilig in het geval van een dijkdoorbraak. Het gebied is nu onverhard en heeft waarschijnlijk een lage grondwaterstand. Infiltratie van regenwater is daardoor nu goed mogelijk.

5.4

Toekomstige situatie

Dit hoofdstuk beschrijft de effecten op de waterhuishouding en klimaatkansen. Hierbij wordt ingegaan op de effecten die de ontwikkellocatie heeft op de waterhuishouding. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf ‘klimaatkansen’. 5.4.1

Oppervlaktewater

In het gebied is geen oppervlaktewater. De verharding in het gebied neemt wel toe, daardoor ontstaat er een compensatieverplichting. Aangezien in het gebied geen oppervlaktewater aanwezig is, kan deze compensatieverplichting het beste worden ingevuld door infiltratie van regenwater en ondergrondse waterberging. Hoeveel de verharding toeneemt, zal afhangen van de gekozen verkaveling. De maximale verhardingstoename die door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is 8.976 m2. De openbare ruimte zal echter zo veel mogelijk groen worden ingericht en parkeerplaatsen e.d. worden waar mogelijk voorzien van waterdoorlatende verharding. Voor gebieden met waterdoorlatende verharding geldt dat deze maar voor de helft hoeven te worden gecompenseerd. De benodigde compensatie is uitgerekend met de watersleutel van Delfland. Aangezien er in het gebied geen oppervlaktewater aanwezig is, is de toelaatbare peilstijging op 0 m gezet. Voor de gemiddelde hoogte van het maaiveld is uitgegaan van NAP + 5,0 m. Per vierkante meter toe te voegen verharding moet 0,085 m3 (85 liter, of 0,141 m2) waterberging worden gerealiseerd, zie bijlage 2 van het wateradvies (watersleutel). Bij het realiseren van ondergrondse waterberging moet rekening worden gehouden met de beschermingszone van de Delflandsedijk. In figuur 5.11 is een dwarsdoorsnede met het dijkprofiel en het zoekgebied wadi opgenomen.

Dit figuur is tevens terug te vinden in bijlage 3 van het wateradvies.

51

Figuur 5.11 Dwarsdoorsnede met dijkprofiel en zoekgebied wadi De uitwerking van de waterberging vindt plaats in een later stadium. Het benodigde oppervlak (maximaal circa 1.267 m2) is inpasbaar op maaiveldniveau, zo blijkt uit de ingevulde watersleutel (zie bijlage 2 van het Wateradvies dat in bijlage 3 is opgenomen). De volgens de watersleutel maximale oppervlakte aan compensatiewater is namelijk ruim kleiner dan de onverharde oppervlakte binnen het plangebied. Om te garanderen dat watercompensatie niet vrijblijvend is, is een verplichting tot watercompensatie opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Water dat opgevangen wordt in een waterberging zal zelfstandig vertraagd moeten kunnen legen, bijvoorbeeld door infiltratie of door afvoer naar de aanwezige regenwaterleiding of naar oppervlaktewater. 5.4.2

Grondwater

In het plangebied blijft veel onverhard oppervlak tussen de te realiseren appartementengebouwen. Ook zal regenwater wat op verharde oppervlakken valt geïnfiltreerd worden in de ondergrond. Verwacht wordt daarom dat de invloed op de grondwaterstand beperkt zal zijn. 5.4.3

Riolering: afval- en hemelwater

Afvalwater De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van het aantal woningen. Op basis van het aantal woningen is een inschatting te maken van de verandering van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen. De inschatting van de verandering van de afvalwaterbelasting is gebaseerd op het maximale programma dat extra mogelijk gemaakt wordt binnen het bestemmingsplan, namelijk 150 nieuwe woningen. Uitgangspunten afvalwater woningen:  In een woning zijn gemiddeld 2,5 personen aanwezig die gemiddeld 12 liter afvalwater per uur produceren. In de onderstaande tabel is voor het plangebied de te verwachten verandering van de productie van afvalwater gegeven (op basis van maximale programma).

52

Hemelwater Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht. De hemelwaterafvoer wordt derhalve aangesloten op het regenwaterstelsel. De gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 50 mm regenwater. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. Bij de te bouwen appartementengebouwen worden waterbufferende groen-blauwe daken op de parkeerlaag aangebracht waarmee de riolering tijdens piekbuien wordt ontlast. Groene daken worden niet meegeteld als compensatie voor de verhardingstoename. Na de berging op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd moeten worden afgevoerd. Voor de ontwikkelingen in het plangebied is het een logische keuze om het regenwater te infiltreren in de ondergrond. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn in principe niet toepasbaar. Opstellen rioolplan Voor het bepalen van de afvoer van afval- en hemelwater dient een rioolplan te worden opgesteld.

Hierover zal overleg plaatsvinden tussen de ontwikkelende partij, de waterbeheerder en de rioolbeheerder. 5.4.4

Waterkwaliteit

In het plangebied ligt geen oppervlaktewater. De waterkwaliteit wordt daarom niet besproken. 5.4.5

Waterkering en waterveiligheid

Waterkeringen In het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is vastgelegd hoe de zones van primaire waterkeringen moeten worden weergegeven op de verbeelding van een bestemmingsplan. Het waterstaatswerk moet worden bestemd met de dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’. De beschermingszone moet worden bestemd als ‘vrijwaringszone-dijk’, of ‘vrijwaringszone-overig’ en het profiel van vrije ruimte moet worden bestemd met de aanduiding ‘vrijwaringszone-waterstaatswerk’. De geplande ontwikkeling vindt deels plaats in de beschermingszone en in het profiel van vrije ruimte van de Delflandsedijk. Voor de ontwikkeling zal daarom een vergunning nodig zijn van het Hoogheemraadschap van Delfland. Bij de plannen moet rekening gehouden worden met het beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland met betrekking tot werken in de zones van waterkeringen. Werken in de beschermingszone zijn toegestaan indien het medegebruikvrije profiel niet wordt doorsneden. Indien het beoogde werk het medegebruikvrije profiel wel doorsnijdt moet worden aangetoond dat het werk het waterkerende vermogen van de waterkering niet aantast. Indien nodig moeten voorzieningen worden getroffen. In de legger van de Delflandsedijk zijn de dwarsdoorsnedes van de waterkering te vinden.

Het Hoogheemraadschap zal in de vergunning ook eisen stellen die moeten garanderen dat toekomstige dijkversterkingen mogelijk blijven. In verband met de verwachte zeespiegelstijging is het zeer waarschijnlijk dat aanpassingen aan de waterkeringen in de toekomst noodzakelijk zijn. Bij het ontwerp is het daarom belangrijk om nu al te anticiperen op de zeespiegelstijging. De projectontwikkelaar heeft bij het ontwerp van de appartementengebouwen rekening gehouden met de profilering van de zeewering, zodat de gebouwen buiten de profilering blijven (zie figuur 5.11 en bijlage 3 van het wateradvies).

53

Waterveiligheid De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Vanwege de hoge ligging van het plangebied zullen de woningen niet overstromen bij een dijkdoorbraak. Motivering voor het bouwen in de beschermingszone van de waterkering De bebouwingscontour ligt deels in de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte van de Delflandsedijk, de primaire waterkering. In Hoek van Holland is behoefte aan nieuwe middel dure appartementen. Deze locatie ligt dicht bij het dorpscentrum en het station Hoek van Holland Haven. Hier worden een gunstige ligging nabij het centrum gecombineerd met een goede openbaar vervoer ontsluiting, terwijl er toch sprake is van vrij uitzicht. De bewoners van de nieuwe woningen zullen de economische draagkracht van het centrum en het dorp versterken. De locatie ligt tussen het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen en de primaire waterkering. De ruimte tussen waterkering en natuurgebied is beperkt, hierdoor is bouwen in de beschermingszone onvermijdelijk. De projectontwikkelaar heeft de te bouwen appartementencomplexen zodanig vormgegeven dat deze buiten het medegebruikvrije profiel van de Delflandse dijk blijven. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft aangegeven in principe akkoord te zijn met dit ontwerp. 5.4.6

Klimaatkansen

Het gaat hier om een nieuw gebied dat ingericht wordt. Dit geeft optimale kansen om rekening te houden met toekomstige klimaatveranderingen. Door regenwater plaatselijk op te slaan kan dit bijvoorbeeld gespaard worden voor droge perioden. Verder wordt geadviseerd om de hoeveelheid verharding in het gebied zoveel mogelijk te beperken en waar verharding noodzakelijk is zoveel mogelijk halfverhardingen toe te passen. Omdat er wordt gebouwd in de beschermingszone en de vrijwaringszone van de waterkering, is in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland gekomen tot inpassing van de gebouwen. De gebouwde parkeervoorzieningen worden op maaiveldniveau gerealiseerd. Hiermee wordt geanticipeerd op een mogelijk toekomstige dijkverhoging.

54

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieueffectrapportage

Het bestemmingsplan Langeweg maakt de bouw van maximaal 150 woningen mogelijk. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Er dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. Als uitgangspunt geldt dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 3 criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten (kenmerken van het project, plaats van het project, kenmerken van het potentiële effect).

Voor dit bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders een m.e.r.-beoordelingsbesluit vastgesteld, waaruit blijkt dat voor dit bestemmingsplan geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten (zie m.e.r.-beoordelingsbesluit in separate bijlage).

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. De gemeente Rotterdam gebruikt al sinds de jaren '50 instrumenten om bedrijven in te passen in de omgeving. Dit gebeurde eerst door middel van de Hinderwetverordening. Vanaf de jaren '70 werkt de gemeente met de Rotterdamse "Staat van Inrichtingen". Deze is afgeleid van de inrichtingen vernoemd in het Hinderbesluit en uitgebreid met een indeling in milieucategorieën. Sinds begin jaren '90 wordt gebruikt gemaakt van de bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering"). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar afstandswaarden gegeven. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat twee tabellen met indicatieve afstanden voor respectievelijk het omgevingstype "rustige woonwijk" en het omgevingstype "gemengd gebied".

Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand in de regel aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en een bestaande woning en tussen een nieuwe woning en een bestaand bedrijf, of welke bedrijven in een gebied met functiemenging aanvaardbaar zijn.

55

Bij een gemengd gebied kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. 6.3.1

Plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als een gemengd gebied, met name gezien de ligging aansluitend aan hoofdinfrastructuur (N211). In het plangebied zelf is geen bedrijvigheid aanwezig. Rond de Berghaven is bedrijvigheid aanwezig. Het betreft het kantoor van het Loodswezen met bijbehorende werkterrein en een opslagterrein van Rijkswaterstaat. Beide terreinen kennen geen zware milieuactiviteiten en zijn bestemd op basis van de huidige situatie. Voor deze terreinen zijn bedrijfsactiviteiten in mileucategorie 1 en 2 toegestaan. Deze bedrijfsactiviteiten conflicteren ook niet met de op 180 meter afstand gelegen woonbebouwing. In een gemengd gebied is een afstand van 10 meter tussen woningbouw en bedrijvigheid voldoende. Ten zuiden van het plangebied is een locatie voor cultuur en ontspanning gelegen (Fort 1881). De toegestane functies zijn ingedeeld in ten hoogste milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand tot het plangebied is circa 100 meter. Verder is ten noorden van het plangebied een begraafplaats gelegen. Een begraafplaats is ingedeeld in milieucategorie 1 en heeft een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Geurhinder DCMR heeft zogenaamde gecumuleerde 98-percentiel geurcontouren bepaald (zie figuur 6.2), waarbij de berekende geurwaarde 2% van de tijd kan worden waargenomen.

De geurcontouren zijn bepaald op basis van gegevens uit de vergunningen van 43 bedrijven in de regio Rijnmond. In figuur 6.2 is het geurhinderniveau ter plaatse van het plangebied weergegeven (in OUe/m3).

Figuur 6.2 Geurhinderniveau ter plaatse van het plangebied (bron: DCMR)

56

Voor de bepaling van een aanvaardbaar geurhinderniveau is aangesloten bij het provinciaal geurbeleid, zoals opgenomen in de Beleidsnota geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019. In dit geurbeleid is het afwegingsniveau van het aanvaardbaar hinderniveau vastgelegd. Het afwegingsgebied voor het aanvaardbaar hinderniveau ligt tussen de hindergrens en de ernstige hindergrens. Aanvullend wordt de richtwaarde van 12% geurhinder gegeven. In tabel 6.1 is dit geurbeleid samengevat. Tabel 6.1 Beleidskader geurhinderbeleid Norm

98 -percentiel (OUe/M3)

Hindergrens

0,5

12% hindergrens

2,5

Ernstige hindergrens

5

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een geurhinderniveau tussen de 1 en 2,5 OUe/m 3. Het plangebied ligt daarmee binnen het afwegingskader voor het acceptabel geurhinderniveau. Er wordt voldaan aan de 12% hindergrens en de ernstige hindergrens. Hiermee kan ter plaatse van het plangebied incidenteel sprake zijn van enige geurhinder, maar ernstige geurhinder kan worden uitgesloten. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een acceptabel geurhinderniveau. 6.3.2

Conclusie

In het plangebied en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Het aspect milieuzonering staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

6.4

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wgh staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wgh niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.

Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wgh de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

57

De beoogde ontwikkelingen liggen niet in de geluidzone van een luchtvaartterrein. Ook bevindt de locatie zich ruim buiten de geluidcontouren van scheepvaart over de Nieuwe Waterweg. Er wordt daarom uitsluitend ingegaan op wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai, nestgeluid van afgemeerde schepen en mogelijke cumulatie. In de onderstaande paragrafen zijn de resultaten van het akoestisch onderzoek weergegeven, dat is opgenomen in bijlage 4. De bijdrage van het nestgeluid is in een afzonderlijk memo beoordeeld (zie bijlage 5). 6.4.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=daf5b8b8-b357-4804-9abc-d65ba8d0f047