[23bb003304] 1. Ontwerpbestemmingsplan Transformatie Voetbalvelden Overschiese Kleiweg
Tekst van het document
Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet
Provinciaal: *
Provinciaal Waterplan
37/138
4.1.2 Waterschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022-2027 'Samen ons gebied voorbereiden op veranderingen', Keur van het HHSK, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap in Krimpenerwaard: * * * * *
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; het inzetten ter bevordering van de verkeersveiligheid en onderhoud van de rijbaan en bermen; het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringstechnisch werk.
Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Op verzoek van de Omgevingswet zal het HHSK meer participatief te werk gaan. Het HHSK zal meer stappen zetten om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te voorkomen en de kansen te benutten. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit niet meer in gebruik zijnde voetbalvelden met de kantines, parkeerplaatsen en bijgebouwen. De locatie is grotendeels onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten noorden van het plangebied bestaat de grond uit veen en klei. Het maaiveld ligt op circa -3,5 meter ten opzichte van het NAP. Waterkwantiteit In het plangebied bevinden zich geen watergangen. Ten noorden en zuiden bevinden zich hoofdwatergangen met een beschermingszone van 5 meter. Ten oosten bevindt zich een watergang in de categorie 'overig' met een beschermingszone van 1 meter (figuur 4.1).
Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunningplichtig.
38/138
ÍJMÏīļ
Owŕ-Kį wür
W*** pBGT)
y// ţ'*«* ļra&t ««íi^oeç ki"*i'
S*"'30«« * iTSrt ^ "fl
ç**wí**— rçk»**
,J*n^ 'JVi'tru**.:!.--?
Figuur 4.1 Uitsnede Legger Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard t.o.v. het plangebied Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een regionale waterkering. Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden binnen de beschermingszones van deze waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Toekomstige situatie Het voornemen betreft de ontwikkeling van maximaal 99 woningen bestaande uit: * 39 grondgebonden woningen, waarvan minimaal 5 Tiny houses; * 60 appartementen; Er worden parkeerplaatsen voor de bewoners gerealiseerd op eigen terrein. Bodem en grondwater De sportvelden liggen circa 30 tot 60 cm lager dan het waterpeil in GPG-1040 (NAP -3,30 m). De richtlijn voor drooglegging in stedelijk gebied is 1,30 meter. Het gebied moet hierdoor opgehoogd worden.
39/138
Waterkwantiteit Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard stelt als eis dat er gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. Op de locatie zijn er geen waterstandmetingen. Tevens is onduidelijk of het vigerende peil ook het daadwerkelijk peil is en welke peilstijgingen optreden bij neerslag is onbekend. Een veldbezoek en nader onderzoek is nodig om een realistische compensatie-eis vast te stellen. Aan de hand hiervan zal de benodigde compensatie berekend worden. Voorbeelden van waterberging zijn het aanleggen van wadi's, het verdiepen van bestaande watergangen of het gebruik van infiltratiekratten. De civieltechnische kunstwerken in de waterafvoer richting het oosten zijn in zeer slechte staat en onvoldoende voor de afvoer van een nieuw te realiseren woonwijk. Verder zullen geen werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone van de omringende watergangen. Hemelwater Hemelwater dat valt in het gebied, wordt opgevangen in het gebied en waar mogelijk nuttig toegepast. Het te ontwikkelen gebied moet een neerslaggebeurtenis kunnen verwerken van 70 mm in 1 uur en 80 mm in 24 uur, zonder dat water wordt afgegeven aan water- en rioolsystemen grenzend aan het te ontwikkelen gebied. Hierbij heeft het de gemeentelijke voorkeur om water van particuliere verharding op particulier terrein te verwerken.
Dit moet zodanig gebeuren dat er naar de toekomst toe voor bewoners een duidelijk en begrijpbaar systeem wordt aangelegd. Het verwerken van hemelwater in de openbare ruimte gebeurt bij voorkeur daar waar de neerslag valt; transport van neerslag wordt zoveel mogelijk voorkomen, en als het gebeurt, zal het oppervlakkig plaatsvinden. Rioolbuizen voor het afvoeren van hemelwater worden tot een absoluut minimum beperkt. Het voor berging benutten van de wegfunderingen, te realiseren groen, oppervlaktewater of andere elementen is daarbij mogelijk. Een goede analyse van de beheerfase in relatie tot de toegepaste voorziening, moet hierbij gemaakt worden. Bij een grotere neerslaghoeveelheid dan de gestelde neerslaggebeurtenissen, mag het gebied het water afvoeren naar buiten het plangebied. Het ontwerp hoeft hier niet op te zijn gedimensioneerd, maar er moet wel een analyse gemaakt worden als het (veel) meer regent dan de gestelde criteria. Daarnaast moet elke nieuw project een bergingscapaciteit van 50 mm op eigen terrein realiseren, om piekbuien te ondervangen. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang gedurende de aanlegfase om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de beschermingszone van waterkeringen.
De realisatie van het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterkeringen. Conclusie Er zijn geen negatieve effecten op het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
40/138
4.1.3
Gemeentelijk beleid
Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het ontwerp hiervan is inmiddels beschikbaar. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Waterplan 2 Rotterdam De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio.
In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: * * *
Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.
Een onderdeel van het Waterplan 2 Rotterdam is het uitvoeringsprogramma 2007-2012. Hierin staat welke projecten in de komende 5 jaar worden uitgevoerd en welke projecten worden voorbereid voor uitvoering na 2012. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. In juni 2013 is een herijking van het waterplan vastgesteld met een uitvoeringsstrategie tot 2018. Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2021-2025 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de rioleringstaak van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld. De gemeente heeft drie wettelijke zorgplichten of taken op het gebied van watersystemen en waterketenbeheer. De belangrijkste taken zijn: 1. Beschermen van de volksgezondheid door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; 2. Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, transporteren en verwerken van hemelwater; 3. Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied.
41/138
Om het stedelijk watersysteem van de toekomst vorm te geven zijn deze taken vertaald naar de volgende doelen: 1. Een goed functionerend stedelijk watersysteem voor een aantrekkelijke stad; 2. Klimaatbestendig stedelijk watersysteem; 3. Robuust grondwatersyteem; 4. Actieve communicatie en participatie; 5. Innovatie, digitalisering en automatisering. Voor de ontwikkeling dient een rioleringsplan opgesteld te orden. Hierin wordt toegelicht welk type riolering wordt toegepast en wat de effecten van de planontwikkeling op de riolering zijn. Rotterdamse Klimaatadaptatie Strategie In 2008 heeft Rotterdam het klimaatadaptatieprogramma Rotterdam Climate Proof vastgesteld. Eén van de belangrijkste resultaten van dit programma is het opstellen van een klimaatadaptatiestrategie voor Rotterdam. Deze strategie is eind 2013 vastgesteld. De klimaatadaptatiestrategie geeft aan welke aanpak wordt gevolgd om de stad aan te passen aan de klimaatverandering. De strategie geeft aan waarom Rotterdam zich aanpast en welke stappen hiervoor gezet worden. Aanpassing aan de klimaatverandering is een zaak van lange adem die echter nu moet starten, omdat de stad voortdurend verandert en zich verder ontwikkelt. De effecten van klimaatverandering zijn de toe- en afname van waterhoeveelheden in de rivier, de verhoging van waterstanden in de zee, toe- en afname van neerslag en hogere temperaturen.
Deze klimaateffecten hebben gevolgen die van betekenis zijn voor de stad, zoals: 1. Een toename van het risico op overstroming en schade als gevolg van een dijkdoorbraak; 2. extra benodigde ruimte voor dijkversterking; 3. vaker wateroverlast op straat en/of in gebouwen als gevolg van hevige neerslag; 4. versterkte inklinking van de bodem en afname van de water- en groenkwaliteit als gevolg van drogere perioden; 5. hittestress als gevolg van hogere temperaturen, met name in verharde gebieden. De klimaatverandering biedt ook kansen, zoals: * Mogelijkheden voor nieuwe ontwerpen die de stad aantrekkelijker maken; * integratie van dijkversterking en gebiedsontwikkeling; * waterpleinen en vergroenen van de buitenruimte; * het ontwikkelen van nieuwe producten en deze vermarkten. In de strategie voor een klimaatbestendig Rotterdam wordt onderscheid gemaakt in een strategie voor de 'stad achter de dijk' en de 'stad buiten de dijk'. Het plangebied ligt achter de primaire waterkering. Hierop is de strategie voor de 'stad achter de dijk' van toepassing. Het binnendijkse deel van Rotterdam staat bloot aan de risico's van overstroming, extreme neerslaggebeurtenissen of juist een tekort aan water en langere perioden met hoge temperaturen.
Conclusie Door de toenemende risico's van overstroming, extreme neerslag en periodes van droogte dient in overleg met het Hoogheemraadschap gekeken te worden naar de inrichting van de nieuwe wijk om eventuele effecten zoveel mogelijk in te perken.
42/138
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
5.2
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren). Voor het te hanteren kencijfer wordt het minimale kencijfer gehanteerd en een ligging in de schil van het centrum aangehouden, de gemeente heeft een zeer sterk stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018). Voor de te hanteren norm ligt het plangebied in zone B. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt getoetst aan de wegencategorisering en de daarin bepaalde grenswaarde voor de verkeersintensiteit per wegcategorie en expert judgement. Beschrijving wegenstructuur Het plangebied is gelegen aan de Overschiese Kleiweg.
Deze weg is voor een groot deel gelegen op een oud dijklichaam. De weg vormt een 3,2 kilometer lange verbinding tussen de stedelijke wegenstructuren. Vanuit oostelijke richting kan tot 1,2 kilometer worden doorgereden tot de kruising met de Van der Duijn van Maasdamweg. In westelijke richting is een verbinding naar de Zestienhovensekade. De eigenschappen van de Kleiweg als een kronkelend dijklichaam met aanpalende woningen biedt een voor Rotterdam relatief uniek karakter. Aanpassingen of uitbreiding van de weg is lastig mogelijk door de aanwezigheid van een waterloop en oude woningen. Om snelheid te minderen zijn enkele versmallingen geplaatst, welke ook functioneren als indicator van parkeerplaatsen.
43/138
Binnen de wegencategorisering geldt de weg als een erftoegangsweg. Verkeerstellingen uit 2018 tonen dat ter hoogte van de ontwikkeling 2.000 motorvoertuigen per etmaal aanwezig zijn op de straat. Autonome groei van het autoverkeer zorgt voor een kleine verhoging ten opzichte van dit getal. Voor een erftoegangsweg geldt dat er maximaal 6.000 motorvoertuigen per etmaal kunnen afgewikkeld. De voorgenoemde beperkingen op breedte en obstakels maken dat de maximale verkeersbelasting van de Overschiese Kleiweg lager ligt dan deze algemene kentallen. De inschatting is dat de functionaliteit van de weg in zijn huidige opzet vanaf 2.500 motorvoertuigen per etmaal begint af te nemen. Verkeersgeneratie en Routering Om een inschatting te maken van de verandering van verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de kentallen opgenomen in CROW publicatie 317 Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie. Daarbij wordt allereerst gekeken naar de huidige functies van het plangebied. De ontwikkeling komt te liggen op een voormalig voetbalveld en een gemengd bedrijventerrein dat zich profileert als valetparking voor het nabijgelegen Rotterdam-The Hague Airport. De voetbalvelden zijn niet meer in gebruik en kennen daarom geen verkeersaantrekkende werking. Voor de bedrijfsfunctie is het oppervlak opgemeten en is gerekend met de kentallen voor een gemengd bedrijventerrein.
Dit resulteert in een berekening van 82 voertuigbewegingen per dag in de huidige situatie. 0,67 hectare (oppervlakte) x 0,77 (bruto naar netto oppervlakte) x 158 (norm I Gemengd terrein) = 82 voertuigbewegingen De berekening van de verwachtte verkeersbewegingen door de nieuwbouw is gestart met de kentallen voor een zeer stedelijke gemeente. Vervolgens is de kolom benut voor een ontwikkeling in de 'resterend bebouwde kom'. Dit geeft uiting aan de locatie buiten de ruit van Rotterdam. Anderzijds is gekozen om aan de onderkant van de bandbreedte te blijven gelet op het gemeentelijk mobiliteitsbeleid. De berekening van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling valt als volgt uit. Tabel 5.1 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Woningtype
Aantal woningen
Ritgeneratie
Verkeersbewegingen
Koop, vrijstaand
22
7.5
165
Koopappartementen
60
5.1
306
Tiny Houses
17
2
34
Totaal
99
505
De transformatie van het plangebied levert bij saldering van de verkeersgeneratie van huidig naar toekomstig gebruik een groei van circa 505 extra autoritten per etmaal op in het gebied. Gelet op de kentallen zijn er kanttekeningen te maken op deze landelijke kencijfers. Daarbij speelt de nabijheid tot het stedelijk weefsel van Rotterdam een belangrijke rol. De ontwikkeling heeft plaats op 1,1 km afstand van metrostation Blijdorp. Dit biedt mogelijkheden tot reductie van de parkeernorm. Het is daarnaast een indicatie voor een verlaging van het verwachtte autogebruik gestimuleerd door het gemeentelijk mobiliteitsbeleid.
44/138
Daarnaast is de ontwikkeling gelegen in de zuidoostelijke hoek van Overschie. De toekomstige bewoners zullen zich sneller richten op de voorzieningen in Hillegersberg of Rotterdam-Noord dan de verder gelegen voorzieningen in Overschie. Eerdergenoemde stadsdelen kennen een meer stedelijk infrastructuur en bijbehorend mobiliteitsgedrag onder meer afgedwongen door parkeerregulering. Voorgaande overwegend is de fiets een nuttig vervoersmiddel voor bewoners van de nieuwe ontwikkeling. De nabijheid van het aangrenzende regionale fietspad van Berkel en Rodenrijs naar Rotterdam Centraal biedt veilige en comfortabele fietsinfrastructuur. De routering richting Hillegersberg en Noord via GK van Hogendorpweg is ook voorzien van moderne fietsinfrastructuur.
Hlllfů|ribìin
■tui d
RSCHtE
Lds-p w-ar liti
Klnifiťiů Idri1
ŭ-äldfŕ ūuŭa S c i r rï b n
Figuur 5.1 Hemelsbrede afstand van 800m vanuit de ontwikkeling Routering De verwachtte groei van circa 400 motorvoertuigen per etmaal verdeelt zich naar verwachting niet gelijk over het wegennet. Het is de verwachting dat een merendeel via Overschiese Kleiweg en Dwarskleiweg richting de GK van Hogendorplaan rijdt bij het wegrijden van de locatie. Tussen de Dwarskleiweg en Melanchthonweg zijn over 200m versmallingen toegepast middels parkeervakken om de snelheid van het verkeer te begrenzen. Vanwege de functie van het netwerk heerst een relatief hoge verkeersdruk. Dit komt onder meer door verkeersstromen richting het Franciscus Gasthuis. In de directe nabijheid van de ontwikkeling Voetbalvelden zijn ook versmallingen in de Overschiese Kleiweg geplaatst over een lengte van 350m. Dit krappere profiel is gecombineerd met de buiging van het dijklichaam. Verkeer moet hier voorzichtig manoeuvreren tussen de versmallingen wat de rijtaak bemoeilijkt.
45/138
Figuur 5.2 Verwachtte routering van voertuigen uit de ontwikkeling De organisatie van het parkeren op de rijweg beperkt in de huidige situatie de stroomfunctie van de wegen. Hiervoor is gekozen doordat de combinatie van dijklichaam met oudere woningbouw geringe mogelijkheden biedt voor snelheidsremming. De combinatie van functies als parkeren en versmallingen is daarnaast een goede invulling van een erftoegangsweg. Dit type weg kenmerkt zich als rustige route waar de stroomfunctie niet voorop staat. De inschatting is dat de verwachtte toename van verkeer passend is voor de huidige indeling van voorgenoemde straten. De verkeersintensiteiten groeien naar circa 2.400 voertuigen per etmaal. Ondanks de versmallingen op deze wegen kan deze verkeersgroei naar verwachting zonder problemen worden afgewikkeld. Conclusie verkeersgeneratie en routering De woningbouw van de Voormalig Voetbalvelden is gepland in een weinig stedelijk gebied van Rotterdam. De toeleidende wegenstructuur hangt voor een belangrijk deel samen met de historische Overschiese Kleiweg. Vanuit het netwerk bekeken heeft de weg voornamelijk een functie als toegang tot de bebouwing gelegen aan de weg. De huidige inrichting van deze weg is door de tijd heen gegroeid met het oogpunt om verschillende functies te faciliteren. De functie als erftoegangsweg is hierbij door bewoners meermaals benoemd als gewenst wegbeeld.
Dat betekent dat in de huidige situatie het parkeren wordt benut om versmallingen op de rijbaan te creëren en daarmee de snelheid te remmen. De versmallingen verminderen de capaciteit van de weg, waardoor het kental voor erftoegangswegen van 6.000 voertuigen per dag niet realistisch is voor de Overschiese Kleiweg. De verwachtte verkeersgroei tot 2.400 voertuigen per dag kan worden afgewikkeld binnen de huidige verkeersinrichting. Mocht richting de toekomst de stroomfunctie van de weg voorrang krijgen in de opinie kan middels een andere opzet van de versmallingen snel resultaat worden behaald.
46/138
Parkeren Parkeerbehoefte Het uitgangspunt is dat de benodigde parkeerplaatsen voor auto's en fietsen op eigen terrein worden ingepast. De initiatiefnemer bepaalt aan de hand van gebiedsindeling en de daar geldende parkeernormen de parkeereis per functie (gebruiksvloeroppervlak per wooneenheid en bruto vloeroppervlakte vloer niet-woonfuncties) voor het gehele programma. Er is onder voorwaarden geheel of gedeeltelijk van de gestelde parkeereis op eigen terrein af te wijken: * Toepassing van dubbelgebruik van (een deel van) de parkeervoorziening mogelijk en wenselijk is voor verschillende functies, onderbouwd met een parkeerbalans; * Toepassing van een bijzondere vrijstellingen om de parkeereis te verlagen indien wenselijk voor ontwikkelaar, bewoners, gebruikers van de ontwikkeling en de stad. Dit kan op basis van de nabijheid van OV-stations, realisatie van extra fietsparkeerruimte, aanbieden van deelauto's, aanbieden van Mobility as a Service. De toepassing van een of meerdere bijzondere vrijstellingen op de parkeereis leidt tot uitsluiting van het recht op vergunning voor straat parkeren. Ook indien er ten tijde van verlenen van de omgevingsvergunning nog geen sprake is van betaald parkeren; * Soms is saldering van de oude functie(s) mogelijk.
Door het salderen wordt de parkeerbehoefte van de nieuwe functie verminderd met die van de oude functie, waarvan dan wordt aangenomen dat daarvoor al voldoende parkeergelegenheid aanwezig was. Indien het maatgevend moment van de nieuwe functie op een (heel) ander tijdstip ligt, is er feitelijk sprake van een nieuwe parkeerbehoefte die niet gesaldeerd kan worden. * In sommige gevallen is er af te wijken omdat er structureel alternatieve parkeervoorzieningen beschikbaar zijn binnen een bepaald loopafstand. In het beginsel is dit niet op straat maar op ander privéterrein of in een andere garage gelegen. Voor bewoners en personeel dient er een overeenkomst te worden afgesloten voor de huur van deze plekken. Voor bezoekers volstaat aangetoonde beschikbaarheid; * Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid een lagere parkeernorm te hanteren voor zorgwoningen en sociale huurwoningen, indien ze voldoen aan specifieke voorwaarden; * Onder voorwaarden kennen kleine projecten een mogelijkheid tot vrijstelling van de parkeereis. Omdat het plan nog niet volledig is uitgewerkt is er in de regels een 11.2 Voorwaardelijke verplichting over parkeren opgenomen. Hiermee wordt het aantal parkeerplaatsen gewaarborgd in de regels. Verder moet het aantal parkeerplaatsen getoetst worden aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018'.
Fietsparkeren De fietsparkeervraag van gebruikers (bewoners, werknemers, etc.) dient binnen de plangrenzen van de ontwikkeling te worden gefaciliteerd. Dit geldt tevens voor de fietsparkeervraag voor bezoekers van de voorzieningen in de ontwikkeling, niet zijnde bewoners of werknemers. Het fietsparkeren voor bezoekers van het gebied is het belangrijk dat deze stallingsplaatsen openbaar toegankelijk zijn en op loopafstand liggen van de bestemming conform uitgangspunten van de Beleidsregeling. Het realiseren van een werkbare oplossing voor fietsparkeren is een oplossing op maat waarbij soort gebruiker, gebruikersduur, loopafstand, locatie, bestemming, kwaliteit, ligging, sociale veiligheid, karakter gebied belangrijke onderdelen zijn. Indien de combinatie van factoren niet meegewogen worden zal de fietsparkeeroplossing niet of onvoldoende gebruikt worden en zal "overlast" en verrommeling van de buitenruimte, aantasting groen veroorzaakt worden in betreffend gebied.
47/138
Hiernaast is het (financieel) van belang dat de fietsparkeeroplossing voorafgaand aan de (gebieds)ontwikkeling meegenomen wordt en niet achteraf pas in beeld komt. Oplaadpunten voor elektrische voertuigen De groei van elektrische voertuigen wordt gestimuleerd door voldoende laadinfrastructuur. Het uitgangspunt is dat de benodigde parkeerplaatsen met oplaadpunten voor elektrische voertuigen op eigen terrein worden opgelost. Als men geen eigen parkeerplaatsen heeft, plaatst de gemeente (op aanvraag) een laadpaal bij een parkeerplaats in de openbare ruimte voor algemeen gebruik: hier kan iedereen met een elektrisch voertuig laden. Het Bouwbesluit geeft minimumeisen. Het cluster Rotterdam Elektrisch adviseert om toekomstbestendig te bouwen door rekening te houden met de verwachte laadvraag. Daarnaast is het advies om de oplaadpunten geschikt te maken voor 'smart charging' en 'load balancing'. Hierdoor wordt tegen relatief beperkte kosten voorkomen dat bij uitbreiding van het aantal oplaadpunten een verzwaring van de elektriciteitsaansluiting nodig is. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
5.3
Verkeerslawaai
Toetsingskader Langs alle wegen (met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven) bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones. Voor geluidgevoelige functies die binnen deze geluidzones mogelijk worden gemaakt dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een stedelijke- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/uur-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Binnen de wettelijke geluidzone van een spoorlijn geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.
Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan.
48/138
Onderzoek en conclusie Om de akoestische situatie vanwege het weg- en railverkeer in kaart te brengen is er een akoestisch onderzoek opgesteld. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt het volgende: * N471: de voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. Er zijn voor deze weg vanuit de Wet geluidhinder geen bezwaren tegen de realisatie van woningen. * Rijkswegen: de voorkeursgrenswaarde wordt voor het hele plangebied overschreden. Afhankelijk van de hoogte wordt voor een beperkt of groot deel van het plangebied ook de maximale ontheffingswaarde overschreden. * 30km^-wegen: Voor vrijwel het hele plangebied is sprake van een zeer goede akoestische kwaliteit. * Railverkeer: De voorkeursgrenswaarde wordt voor een groot deel van het plangebied overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Hogere waarden Voor het plan zijn hogere waarden vanwege de rijkswegen en spoorlijnen nodig. Het ontwerpbesluit hogere waarden is in de bijlage van de regels van dit bestemmingsplan toegevoegd. Geluidluwe gevel Er kan worden voldaan aan de gemeentelijke geluideisen. Bij de planuitwerking moet dat getoetst worden. Borging bestemmingsplan Bij de verdere uitwerking van de woningen dient rekening gehouden te worden met maatregelen om tot een goed woon- en leefklimaat te komen.
Dit is geborgd in de planregels en het ontwerpbesluit hogere waarden behorende bij dit plan.
5.4
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: * bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; * vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
49/138
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Onderzoek
.\
'ff
\
^ A
r.
i
Figuur 5.3 Uitsnede risicokaart met het plangebied (zwart gecirkeld) Overeenkomstig de professionele risicokaart (figuur 5.3) blijkt dat er in de nabije omgeving van het plangebied geen sprake is van risicovolle inrichting met een externe werking. Ook vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het water of door buisleidingen waarvan het invloedsgebied tot het plangebied reikt.
50/138
Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het spoortraject Rotterdam Blijdorp - Gouda. Hierover vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Maatgevend is het vervoer van de stofcategorie D4 met een invloedsgebied van 4 kilometer. De afstand van het plangebied tot deze spoorweg bedraagt circa 117 meter. De afstand van het plangebied tot dit spoortraject is kleiner dan 200 meter, waardoor er inzicht gegeven moet worden in het groepsrisico. Het 10"6 per jaar plaatsgebonden risico van het traject bevindt zich op 7 meter uit het hart van de spoorbundel. Het plasbrandaandachtsgebied komt tot 30 meter van de rand van het spoor. Bij de realisering van (beperkt) kwetsbare objecten moet rekening worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Het plangebied bevindt zich hier niet in de PR-contour of plasbrandaandachtsgebied. Uit het vigerende bestemmingsplan Franciscus (vastgesteld op 12-05-2016) blijkt dat het groepsrisico 0,16 maal de oriëntatiewaarde is. Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 20 woningen binnen de 200 meter beoogd.
Omdat het groepsrisico momenteel al onder de oriëntatiewaarde is gelegen, de beperkte ontwikkeling binnen de 200 meter vanaf het spoor en de minimale afstand van 117 meter, is de verwachting dat het groepsrisico door de beoogde ontwikkeling niet boven de oriëntatiewaarde zal uitkomen of met meer dan 10% zal toenemen. Er kan daardoor worden volstaan met een beknopte verantwoording waarin wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Over de weg A20, ten zuiden van het plangebied, vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Maatgevend hierin is het vervoer van stofcategorie LT3 met een invloedsgebied van 4 kilometer. De afstand van het plangebied tot deze weg bedraagt circa 286 meter. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Over de regionale weg N471, ten westen van het plangebied, wordt onder andere de stofcategorie LT2 vervoerd met een invloedsgebied van 880 meter. De afstand van deze weg tot het plangebied bedraagt 1,45 kilometer. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden voor de N471.
Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Overschiese Kleiweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Rotterdam, zoals de N471 die zich aansluit op de A20. Dit wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
51/138
Zelfredzaamh eid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Rotterdam Blijdorp - Gouda en de weg de A20. Omdat er binnen de 200 meter van het spoortraject slechts 20 woningen zijn beoogd, het groepsrisico momenteel al ruim onder de oriëntatiewaarde is gelegen en de afstand van minimaal 117 meter, is de verwachting dat het groepsrisico niet toeneemt. De afstand tot de A20 is circa 286 meter. Hierdoor kan voor beide bronnen worden volstaan met een beknopte verantwoording. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.2 weergegeven. Tabel 5.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 pg/m3
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 pgZm3
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 pg Z m3
jaargemiddelde concentratie
25 pg /m3
fijn stof (PM2,5)
52/138
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: * een plan heeft een effect van minder dan 3^! van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ^ 1,2 pg/m3); * een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 99 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Overschiese Kleiweg, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 21,2 pg^3 voor NO2, 16,7 pg^3 voor PM10 en 9,0 pg^3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,0 dagen. Deze concentraties vallen onder de grenswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
5.6
Trillingshinder
Toetsingskader Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het noodzakelijk zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast (hinder of verstoring) daarvan. Conform artikel 3.1.6 onder d van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) moet een motivering worden opgenomen omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
53/138
Onderzoek Het bestemmingsplan maakt trillingsgevoelige functies mogelijk, waaronder woningen. Het plangebied is gelegen op circa 40 meter van het tracé Rotterdam - Amsterdam van de hogesnelheidstrein (HSL). Railverkeer geldt als mogelijke trillingsbron. De SBR-richtlijn onderscheidt drie typen effecten door trillingen en daarbij corresponderende functies: schade aan gebouwen, hinder voor personen in gebouwen en storing aan apparatuur. De mate van trillingshinder is afhankelijk van de aard en de constructiewijze van het bouwwerk en de aard, de sterkte en de frequentie van de trillingen. Naast de specifieke gebouweigenschappen zijn de precieze opbouw en kenmerken van de bodem (soort (onder-) grond, lagenstructuur, grondwaterstand en dergelijke) sterk van invloed op de overdracht van de trillingen door de bodem. Bij de aanvraag voor omgevingsvergunning dient te worden vastgesteld of wordt voldaan aan de beoordelingskaders. Indien uit onderzoek blijkt dat niet wordt voldaan aan de richtlijnen van de SBR moet worden vastgesteld of het realiseren van het bouwplan door toepassen van maatregelen technisch haalbaar is. Hiervoor zijn diverse maatregelen denkbaar, waaronder het over-dimensioneren van palen en het gebruik maken van draagassen haaks op het spoor in combinatie met het gebruik van stijve wanden, waardoor de trillingsgolf wordt onderbroken.
Conclusie In het plangebied wordt een afstand aangehouden tussen trillingsgevoelige functies en de trillingsbron. Bij de aanvraag voor omgevingsvergunning dient te worden vastgesteld of maatregelen noodzakelijk zijn om de beoogde trillingsgevoelige functies mogelijk te maken, zodat (conform de SBR-richtlijn) sprake is van een acceptabel niveau van trillingshinder. In artikel 11.3 van de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen alleen kan worden verleend wanneer is aangetoond dat wordt voldaan aan de streefwaarden uit de SBR richtlijn deel B met betrekking tot het aspect trillingshinder.
5.7
Bodem
Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Onderzoek Voor het plangebied Overschiese Kleiweg heeft de gemeente Rotterdam een verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingsverandering en herinrichting van de onderzoekslocatie. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 2 van dit bestemmingsplan.
In deze paragraaf wordt enkel een samenvatting met conclusies beschreven van het onderzoek.
54/138
Vooronderzoek Op basis van de verschillende bedrijfsactiviteiten uit het verleden en ophoging van de locatie zijn er meerdere verontreinigingen in de bodem bekend, met name in de omging van het huidige HSL-tunnelgebouw, de voetbalvelden en het zuidelijk gelegen bedrijventerrein. De bodem is plaatselijk verontreinigd met onder andere zware metalen, minerale olie, asbest, vluchtige aromatische koolwaterstoffen (VAK), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en bestrijdingsmiddelen (drins). In het verleden hebben, met name ter hoogte van het huidige HSL-tunnelgebouw, saneringen plaatsgevonden. In verband met de gekozen saneringsvarianten zijn er restverontreinigingen achtergebleven in de bodem. Hypothese Bodemkwaliteit Op basis van de beschikbare informatie uit het vooronderzoek is de locatie verdacht voor het voorkomen van diffuse bodembelasting, waarbij wordt uitgegaan van een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming. Bodemkwaliteit - asbest Op basis van de gegevens uit het vooronderzoek wordt de locatie deels als asbestverdacht aangemerkt. Hergebruik van asfalt In het gemeentelijke GIS (GISweb) is niet aangegeven wanneer het parkeerterrein en de asfaltpaden zijn aangelegd. Dit zal waarschijnlijk na de bouw van de kantine/kleedkamers in de jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw zijn gebeurd.
Het asfalt is op basis van de ouderdom (voor 1995) mogelijk teerhoudend. Conclusie Algemeen De hypothese verdacht voor heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek bevestigd. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt een belemmering voor het toekomstige gebruik. Bodemkwaliteit Deellocatie 1 Uit het onderzoek blijkt dat de kleilaag ter plaatse van het zuidelijke voetbalveld diffuus licht tot sterk verontreinigd is met zink van gemiddeld 0,5 tot 1,1 m-mv. Op het noordelijke voetbalveld is alleen plaatselijk een sterke verontreiniging met zink van 0,5 tot 1,0 m-mv aangetoond. Deellocatie 2.1 Deellocatie 2.1 was niet toegankelijk voor onderzoek.
55/138
Deellocatie 2.2 Uit de boorprofielen blijkt dat de bodem tot een diepte van circa 1 à 2 m-mv uit zeer tot uiterst fijn zand bestaat. De onderliggende bodem bestaat tot de boordiepte van circa 2 à 3 meter uit klei en/of veen. De bovengrond is niet verontreinigd met de parameters van het Rijnmond pakket. De ondergrond is (plaatselijk) matig tot sterk met koper, nikkel en/of zink verontreinigd. Voor de overige mengmonsters van de ondergrond zijn licht verhoogde gehaltes voor enkele metalen en PCB aangetroffen. Grondwater In het grondwater is een licht verhoogd bariumgehalte aangetroffen, hetgeen als een verhoogde achtergrondwaarde wordt beschouwd. Deellocatie 3 Het zand onder het verhardingsmateriaal van het parkeerterrein is sterk verontreinigd met koper, lood en/of zink van gemiddeld 0,46-0,68 m-mv. Deellocatie 5 Ter plaatse van deellocatie 5 is alleen plaatselijk een sterke verontreiniging aangetoond. Grondwater deellocaties 1, 2.2, 3 en 5 Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en/of naftaleen. Ter plaatse van het parkeerterrein is het grondwater, ter plaatse van de boring, waar een verfgeur is waargenomen, sterk verontreinigd met arseen, barium, kwik, lood, zink, xylenen en minerale olie.
Gezien de onderzoeksresultaten en de geplande herontwikkeling waarbij voor het bouwrijp maken de locatie nog voorbelast en opgehoogd gaat worden is ter plaatse van deellocatie 1 geen nader bodemonderzoek noodzakelijk. De omvang van de verontreiniging met zware metalen ter plaatse van deellocatie 3 is voldoende vastgelegd. Bodemkwaliteit - asbest Uit het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de onverdachte delen van de locatie blijkt dat er sporadisch puin wordt aangetroffen. In het onderzochte puinhoudende grondmonster is geen asbest aangetoond. De hypothese dat de locatie onverdacht is voor asbest wordt hiermee bevestigd. Deellocatie 2.2 Asbest Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 - 0,5 m-mv) visueel geen asbest aangetroffen. Bij het analytisch onderzoek van twee mengmonsters van de bovengrond is geen asbesthoudend materiaal aangetoond. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) wordt niet overschreden.
56/138
Hergebruik van grond Op basis van de beschikbare analyses uit dit onderzoek is een toets uitgevoerd op indicatieve hergebruikmogelijkheden. Toetsing aan het generieke beleid wijst uit dat de bovengrond over het algemeen indicatief voldoet aan de generieke kwaliteitsklasse Industrie en aan de gebiedsspecifieke kwaliteit wonen Indien grond wordt afgevoerd van de locatie, bestaan er op basis van het voorliggende onderzoek naar verwachting mogelijkheden voor hergebruik. Veiligheid bij grondwerkzaamheden Indien werkzaamheden worden verricht, waarbij grond wordt verplaatst of afgevoerd, moet ter plaatse van de sterke verontreiniging op het parkeerterrein rekening worden gehouden met een pakket aan maatregelen om veilig te kunnen werken. Ter plaatse van de sterke verontreinigingen op het overige terrein is geen veiligheidsklasse van toepassing. Aanbevelingen Bodemkwaliteit Er is nog onderzoek noodzakelijk op deellocatie 2.1 en 4 welke niet toegankelijk waren. De omvang van de verontreiniging met zware metalen, aromaten en minerale olie in het grondwater ter plaatse van deellocatie 3 dient nader bepaald te worden. Bij herinrichting, verandering naar een gevoeliger gebruik of het aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) dient (een deel van) de locatie te worden gesaneerd.
Voorafgaand aan eventuele werkzaamheden in de bodem die de aanwezige sterk verontreinigde grond verplaatsen dan wel verminderen, dient een saneringsplan te worden opgesteld of een BUS- melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag Wbb (de DCMR Milieudienst Rijnmond). De saneringswerkzaamheden mogen pas aanvangen nadat het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan of de BUS-melding. Saneringswerkzaamheden in de bodem mogen alleen worden uitgevoerd door BRL SIKB 7000 gecertificeerde aannemers onder BRL SIKB 6000 gecertificeerde milieukundige begeleiding. Bodemkwaliteit - asbest Er is geen vervolgonderzoek voor asbest noodzakelijk. Hergebruik van grond Gelet op het indicatieve karakter van de toetsingsresultaten wordt aanbevolen de definitieve hergebruikmogelijkheden te bepalen in overleg met de Circulaire MaterialenBank van het Ingenieursbureau van de Gemeente Rotterdam. Een partijkeuring kan noodzakelijk zijn om de definitieve hergebruikmogelijkheden te bepalen. Veiligheid bij grondwerkzaamheden De definitieve veiligheidsklasse wordt onder verantwoordelijkheid van de aannemer conform CROW publicatie 400 [lit. 28] vastgesteld. Aanvullend bodemonderzoek De aanleiding voor het aanvullend onderzoek zijn de resultaten van het verkennend bodemonderzoek. Het volledige aanvullend bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 3 van dit bestemmingsplan.
57/138
Doel van het aanvullend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op het nog niet onderzochte deel van de locatie, het bepalen van de omvang van de in voorgaand onderzoek aangetoonde verontreiniging met zware metalen, aromaten en minerale olie in het grondwater, het uitvoeren van een in-situpartijkeuring op het funderingsmateriaal en het uitvoeren van een heranalyse van een verhoogd PFAS-gehalte. Conclusie Algemeen De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt een belemmering voor de geplande nieuwbouw van woningen op de locatie. Bodemkwaliteit Uit het onderzoek blijkt dat het grondwater op deellocatie 3 sterk verontreinigd is met zink, arseen, barium, kwik, lood en xylenen. De omvang van de verontreiniging is minder dan 100 m3. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De grond op deellocatie 4 is sterk verontreinigd met koper, lood, zink, minerale olie en/of PAK van maaiveld tot circa 2,0 m-mv. De omvang is groter dan 25 m3. De verontreiniging maakt onderdeel uit van een reeds bekend geval van ernstige bodemverontreiniging. Uit de herplaatste boringen op deellocatie 5 blijkt dat er ter plaatse van één boring een verhoogd PFOA gehalte wordt gemeten. Deze grond is niet herbruikbaar indien dit vrijkomt. De overige onderzochte monsters voldoen aan de hergebruiksnorm.
Bodemkwaliteit - asbest Uit het verkennend onderzoek blijkt dat er geen asbest in de verdachte lagen is aangetoond. Veiligheid bij grondwerkzaamheden Voor het onderhavige bodemonderzoek is vastgesteld dat in er in de grond/grondwater interventiewaarde overschrijdingen voorkomen voor minerale olie of xylenen. Er is sprake van voldoende ventilatie. Op basis hiervan is conform CROW publicatie 400 indicatief de veiligheidsklasse rood-vluchtig vastgesteld. Voor het onderhavige bodemonderzoek is vastgesteld dat de grond de SRC-arbo overschrijdt én dat het kookpunt van de verontreinigingen met zware metalen boven de 350 C ligt. Er is geen sprake van carcinogene of mutagene stoffen > 1000 mg/kg of 1000 ug/l. Op basis hiervan is conform CROW publicatie 400 de veiligheidsklasse rood van toepassing. Beschikking Het verkennend en het aanvullend bodemonderzoek, zoals hiervoor beschreven, zijn aanleiding geweest om een melding te doen op grond van de Wet bodembescherming. In deze melding is verzocht om de ernst van de verontreiniging en de noodzaak van spoedige sanering vast te stellen. Op 25 april 2022 is hiertoe een beschikking betreffende de vaststelling van de ernst van het geval van bodemverontreiniging en de noodzaak van spoedige sanering voor de locatie Overschiese Kleiweg 629 te Rotterdam vrijgegeven (zie bijlage 4).
58/138
In de beschikking wordt aangegeven dat op de onderzoekslocatie sprake is van twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen, PAK en minerale olie. Het gaat om deze twee verontreinigingen: 1. Met zware metalen in de grond (diffuus) ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, met uitzondering van deellocatie 4. 2. Met zware metalen, PAK en minerale olie in de grond ter plaatse van deellocatie 4, deze maakt onderdeel uit van de verontreiniging bekend onder locatiecode (AA059904322). De verontreiniging met deze locatiecode betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen, minerale olie, Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (VAK) en PolyChloorBifenylen (PCB) in de grond en/of het grondwater vanaf maaiveld tot maximaal 6,0 m-mv. Voor deze verontreinigingen geldt dat een spoedige sanering niet noodzakelijk is. Verder volgt uit de beschikking dat bij herinrichting een nader onderzoek noodzakelijk is verontreiniging met minerale olie ter plaatse van deellocatie 3 op vluchtige olie en oplosmiddelen.
naar de sterke
Aanbevelingen Bodemkwaliteit Bij herinrichting, verandering naar een gevoeliger gebruik of het aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) dient (een deel van) de locatie te worden gesaneerd. Daarbij wordt opgemerkt dat het eerste geval van ernstige bodemverontreiniging, zoals benoemd in de beschikking, zich bevindt ter plaatse van de voormalige voetbalvelden. De meest effectieve methode om deze verontreiniging met zware metalen in de grond (diffuus) te saneren is het aanbrengen van een leeflaag, gelet op de diepte van de verontreiniging, de hoogte van het huidige maaiveld en de hoogte van het toekomstige maaiveld en ook de te verwachten zetting. Het tweede geval van ernstige bodemverontreiniging is bekend onder locatiecode AA059904322. Gezien de locatie, de stoffen van (een deel van) het geval van ernstige bodemverontreiniging en de vermoedelijk minder standaard aanpak van saneren, zal er op deze locatie vermoedelijk gesaneerd gaan worden door middel van een combinatie van ontgraven en aanbrengen van een leeflaag. Het opstellen van een saneringsplan voorafgaand aan de herinrichting is noodzakelijk. Bij herinrichting is een nader onderzoek noodzakelijk naar de sterke verontreiniging met minerale olie ter plaatse van deellocatie 3 op vluchtige olie en oplosmiddelen.
Op basis van dit nader onderzoek kan bepaald worden welke aanpak het meest effectief is om met de verontreiniging om te gaan en welke meldingen hiervoor nodig zijn. Voorafgaand aan deze en eventuele andere werkzaamheden in de bodem die de aanwezige sterk verontreinigde grond verplaatsen dan wel verminderen, zoals hierboven beschreven, dient een saneringsplan te worden opgesteld of een BUSmelding te worden gedaan bij het bevoegd gezag Wbb (de DCMR Milieudienst Rijnmond). De saneringswerkzaamheden mogen pas aanvangen nadat het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan of de BUS-melding. Bodemkwaliteit - asbest Uit het asbestonderzoek blijkt dat er geen reden is voor nader onderzoek.
59/138
Veiligheid bij grondwerkzaamheden De definitieve veiligheidsklasse wordt onder verantwoordelijkheid van de aannemer conform CROW publicatie 400 [lit. 28] vastgesteld. Bouwrijp maken plangebied Omdat het gebied zettingsgevoelig is, is een voorbelasting noodzakelijk. Door gebruik te maken van een voorbelasting kan deze maatregel mogelijkerwijs zowel voor de zetting als voor de vervuiling als oplossing gezien. Zoals hierboven beschreven, moet dit blijken uit een saneringsplan of een BUS-melding. In samenwerking met de grondbank wordt onderzocht of de locatie geschikt is als definitieve verwerkingslocatie. De opzet is om binnen een jaar de locatie geschikt te maken als voorbelasting. De grond moet van diverse projecten uit Rotterdam komen. Op de voetbalvelden is sterk verontreinigde grond aangetroffen op een diepte van 0,5 m-mv (NAP -4,2 m). Het nieuwe maaiveld wordt NAP -2,1 m. Uit het geotechnisch advies blijkt dat de zetting ter plaatse van de verontreiniging circa 0,7 m is. In de toekomstige situatie is de verontreiniging derhalve vanaf NAP -4,9 m (2,8 m-mv) in de bodem aanwezig. Het toekomstige waterpeil in het gebied is NAP -3,3 m, uitgaande van een waterdiepte van 1,0 m, komt de waterbodem op NAP -4,3 m. Bij het graven van toekomstige sloten/waterpartijen wordt er hiermee niet in de sterk verontreinigde grond gegraven.
5.8
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden Natura2000-gebieden zijn gebieden die onderdeel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. In een aanwijzingsbesluit om gebieden als Natura2000-gebied aan te merken, zijn de voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) vastgelegd. Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.