CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb002963] Bijlage behorende bij 23bb002962 over DCMR Rapportage 'Effect Rotterdamse klimaataanpak 2023'

Commissie Mobiliteit, Haven, Economie en Klimaat (2022-2026) 17 mei 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken12.106 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Effect Rotterdamse Klimaataanpak 2023 Beoordeling CO2-reductie van maatregelen

Effect Rotterdamse Klimaataanpak 2023 Beoordeling CO2-reductie van maatregelen

Kwaliteitstoets

Paraaf

Autorisatie

Paraaf

Naam

Andries Snijder

Naam Functie

Marieke Alleblas Unitmanager Advies

Auteur(s)

: Sef van den Elshout, Roger Hakke Michael Ameling, Rafael Nurmohamed : Reguleren Advies en Omgeving : 22353987 : 8-5-2023

Afdeling Documentnummer Datum DCMR Milieudienst Rijnmond Parallelweg 1 Postbus 843 3100 AV Schiedam T

010 - 246 80 00

F

010 - 246 82 83

E

info@dcmr.nl

W www.dcmr.nl

Samenvatting In het najaar van 2019 is voor het eerst, overeenkomstig de landelijke aanpak van het klimaatakkoord, voor verschillende sectoren onderzocht welke maatregelen en projecten worden uitgevoerd om de CO2-uitstoot op Rotterdams grondgebied te verminderen. Op verzoek van Rotterdam heeft DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR) opnieuw bepaald hoeveel CO2 er door elk van de sectoren werd uitgestoten in 1990, wat het effect van de aangeleverde maatregelen was en of daarmee het beoogde doel van 55% reductie in 2030 ten opzichte van 1990 wordt bereikt. De gemeente Rotterdam heeft in 2022 een nieuw coalitieakkoord gepresenteerd en er zijn voor de begroting van 2023 meerdere collegetargets geformuleerd. Een van deze targets is gericht op de CO2-reductie. Deze luidt: "We zetten in op minimaal 25% CO2-reductie in 2025 voor het stedelijk gebied, gemeten ten opzichte van 1990." Deze target voor het stedelijk gebied maakt dat er op een andere wijze naar CO 2-emissies moet worden gekeken dan tot op heden het geval was. De doorrekening is uitgebreid ten opzichte van eerdere jaren doordat nu ook scope 2 effecten (de indirecte uitstoot) worden bepaald. Maatregelen werden tot op heden alleen beoordeeld op de gevolgen voor de directe emissies – de zogenaamde scope 1 effecten.

Met name in het stedelijk gebied is ook de indirecte uitstoot (scope 2) van CO2 van belang die het gevolg is van het gebruik van onder andere elektriciteit, warmte en koude in Rotterdam. Daarbij is het niet van belang of deze vormen van energie worden opgewekt op Rotterdams grondgebied of daarbuiten. Voor de doorrekening van de effecten en voor dit rapport betekent dit dat er 2 beoordelingen zijn, elk met een eigen benadering voor het bepalen van de uitstoot en verschillende doelstellingen: 1. De directe CO2-uitstoot van alle beschouwde thema’s (sectoren) op het grondgebied van Rotterdam te weten de gebouwde omgeving, mobiliteit, haven en industrie en schone energie inclusief de energiesector. De gebruikte rekenmethode is de bronbenadering zoals die ook in eerdere doorrekeningen werd gebruikt. Er wordt getoetst aan de landelijke doelstelling van 55% reductie in 2030 ten opzichte van 1990. De effecten van de maatregelen worden berekend voor verschillende zichtjaren. Er is een vergelijking gemaakt met eerdere doorrekeningen; 2. De directe en indirecte CO2-uitstoot van uitsluitend de thema’s gebouwde omgeving en stedelijke mobiliteit op het grondgebied van Rotterdam. Emissies en effecten worden berekend met de verbruiksbenadering. Er wordt bepaald of de collegetarget voor de stad wordt behaald en daarnaast wordt getoetst aan de landelijke doelstelling van 55%.

De effecten van de maatregelen worden bepaald voor de verschillende zichtjaren. Resultaten voor alle thema’s volgens de bronbenadering Het totale effect van alle genomen maatregelen met een status zeker, verwacht of beoogd1 zal in 2030 een reductie opleveren van 11.496 kton CO2. Het beoogde doel van 55% emissiereductie in 2030 wordt niet behaald met het huidige maatregelenpakket. Er blijft een restopgave over van 4.449 kton CO2. Dat betekent dat er aanvullende maatregelen moeten worden getroffen om de doelstelling te behalen. Haven en industrie kan waarschijnlijk het grootste deel van de restopgave invullen omdat deze sector de meeste uitstoot levert. 1 Zekere maatregelen zijn gestart of gaan starten of zijn wettelijk verplicht, voor verwachte maatregelen is nog geen definitief be-

sluit over de uitvoering, bij beoogde maatregelen zijn er plannen op hoofdlijnen en is het effect van de maatregel bepaald maar de exacte uitwerking en financiering zijn nog niet zeker.

Klik hier als u tekst wilt invoeren.

Blad 3 van 38

•

•

•

•

Bij de gebouwde omgeving leveren zekere maatregelen een bijdrage van 18% aan de emissiereductie van dit thema in 2030. Maatregelen met de status verwacht leveren 48% bijdrage en beoogde maatregelen 34%. De maatregelen zorgen voor een emissiereductie van 96 kton CO2 in 2030, dit is 0,8% van het totale effect op de uitstoot; Bij mobiliteit leveren zekere maatregelen een bijdrage van 60% aan de emissiereductie van dit thema in 2030. Maatregelen met de status verwacht leveren 22% bijdrage en beoogde maatregelen 18% De maatregelen zorgen voor een emissiereductie van 439 kton CO2 in 2030, dit is 4% van het totale effect op de uitstoot; Bij haven en industrie leveren verwachte maatregelen een bijdrage van 4% aan de emissiereductie van dit thema in 2030. Beoogde maatregelen leveren 96% van de bijdrage. De maatregelen zorgen voor een emissiereductie van 5.183 kton CO2 in 2030, dit is 45% van het totale effect op de uitstoot. Vrijwel alle maatregelen worden uitgevoerd na 2025. Het project met de grootste impact op de CO2-uitstoot is Porthos. Dat project heeft vertraging opgelopen door de uitspraak van de Raad van State; Bij de energiesector zorgt sluiting van de kolencentrales voor een emissiereductie van 5.778 kton CO2 in 2030, dit is 50% van het totale effect op de uitstoot. Dit is een zekere maatregel.

Resultaten voor de stedelijke omgeving volgens de verbruiksbenadering Voor 2025 betekent dit dat het totale effect van alle genomen maatregelen, met een status zeker, verwacht of beoogd, een reductie zal opleveren van 587 kton CO2. Dit betekent dat de collegetarget van 25% reductie in 2025 kan worden behaald: • De grootste bijdrage (52%) in de gebouwde omgeving wordt in 2025 geleverd door vergroening van de elektriciteitsmix als gevolg van nationaal beleid. De CO 2 reductie bedraagt naar verwachting 307 kton CO2 • Maatregelen voor mobiliteit leveren eveneens een aanzienlijke bijdrage (42%) van 246 kton CO2 • Maatregelen gericht op isolatie en aardgasvrij maken van gebouwen in de gebouwde omgeving leveren een bijdrage (10%) van 58 kton • In 2025 levert bijmengen van groengas een beperkte bijdrage (2%) voor de gebouwde omgeving Voor 2030 betekent dit dat het totale effect van alle genomen maatregelen, met een status zeker, verwacht of beoogd, een reductie zal opleveren van 1449 kton CO2. Dit betekent dat de doelstelling van 55% reductie in 2030 niet wordt behaald. Er blijft nog een restopgave van 89 kton over. • De grootste bijdrage (50%) in de gebouwde omgeving wordt geleverd door vergroening van de elektriciteitsmix als gevolg van nationaal beleid.

De CO 2 reductie bedraagt naar verwachting 727 kton CO2 • Maatregelen voor mobiliteit leveren een aanzienlijke bijdrage (30%) van 439 kton CO2; • Maatregelen gericht op isolatie en aardgasvrij maken van gebouwen in de gebouwde omgeving leveren een bijdrage (17%) van 245 kton • Bijmengen van groengas levert in 2030 eveneens een aanzienlijke bijdrage (10%) voor de gebouwde omgeving. De CO2-reductie bedraagt 149 kton. Het behalen van de doelen blijkt grotendeels afhankelijk van de snelheid waarmee de elektriciteitsmix wordt vergroend. Voor 2030 is het zeker dat er een groter aandeel hernieuwbare energie zal zijn, voornamelijk door wind op zee en doordat de kolencentrales worden gesloten, maar ook Rotterdam draagt bij aan het vergroenen van de elektriciteitsmix (zie ook hieronder). De emissiefactor waarmee in 2030 wordt gerekend is redelijk zeker. Voor 2025 is dit allerminst het geval. Een groter aandeel stroom uit kolen en/of gas in dat jaar kan er voor zorgen dat de collegetarget niet wordt behaald. Over de bijmengverplichting groen gas bestaat nog geen zekerheid. Als het aandeel groen gas in 2030 niet wordt behaald, wordt de restopgave groter.

Mogelijkheden om de restopgave in te vullen en om eventuele tegenvallers op te vangen zijn er bijvoorbeeld door extra inzet op isolatie van gebouwen, alternatieven voor aardgas zoals stadsverwarming, restwarmte, bodemwarmte en inzet van warmtepompen.

Blad 4 van 38

Schone energie, walstroom en luchtkwaliteit in Rotterdam Net als in eerdere doorrekeningen is bepaald wat de CO 2-effecten zijn van projecten voor schone energie en wat de invloed van de maatregelen op de luchtkwaliteit is. Schone energie omvat de inzet op hernieuwbare energie uit wind en zon. Voor wind betreft het de projecten die al in procedure zijn of die naar verwachting de komende jaren uit worden gevoerd. Grootschalige projecten in Rotterdam dragen bij aan de vergroening van de landelijke energiemix, doordat er minder fossiele bronnen hoeven worden ingezet voor de opwekking van elektriciteit. De reductie van CO2-uitstoot vindt plaats in scope 2. Voor 2025 bedraagt de vermindering van de uitstoot 340 kton CO2 en voor 2030 is dit 365 kton CO2. Walstroomprojecten worden alleen meegeteld voor de CO2-effecten als het walstroom voor binnenvaartschepen betreft. Dit is het gevolg van afspraken gemaakt over het meetellen van emissies door de zeescheepvaart. Walstroominstallaties hebben direct positieve invloed op de luchtkwaliteit (zie hieronder) en dat is vooral van belang bij schepen die aanleggen in de stedelijke omgeving. Het effect van de maatregelen is ook voor de luchtkwaliteit bepaald. De totale uitstoot van luchtvervuiling daalt met 1626 ton NO x en 57 ton fijnstof. Mobiliteit is verantwoordelijk voor 21% van de NOx-daling en 63% van die voor fijnstof.

Dit is een belangrijke reductie omdat die voor een flink deel plaatsvindt op korte afstand waar mensen worden blootgesteld. De grotere reducties bij de kolencentrales (en de overige industrie) hebben verhoudingsgewijs weinig effect op de blootstelling van mensen in de Rijnmond. De reductie verlaagt de blootstelling aan NO2 iets, maar wel in het hele land (en daarbuiten). Ook voor de deken van stikstofdepositie die over het land ligt is dit een kleine verbetering, maar wederom in een heel groot gebied.

blad 5 van 38

Inhoud Samenvatting

3

1

Inleiding

7

2

Totaal effect van de maatregelen

12

3

Effect per thema

19

Bijlage 1 Mobiliteit

28

Bijlage 2 Haven en Industrie

30

Bijlage 3 Schone Energie

33

Bijlage 4 Bebouwde omgeving

36

Blad 6 van 38

1

Inleiding

1.1

Doelstelling

De Rotterdamse Klimaataanpak is voortgekomen uit de ambitie van Rotterdam om bij te dragen aan de landelijke reductiedoelstelling van 55% minder CO 2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. De gemeente Rotterdam heeft voor de begroting van 2023 meerdere collegetargets geformuleerd. Een van deze targets is CO2-reductie. Deze target van het programma Energietransitie luidt: “We zetten in op minimaal 25% CO2-reductie in 2025 voor het stedelijk gebied, gemeten ten opzichte van 1990.”2 Rotterdam heeft DCMR gevraagd om de maatregelen van de Rotterdamse Klimaataanpak te beoordelen op het CO2-effect.

1.2

Indeling per thema

In deze rapportage worden 4 thema’s beschouwd: Haven & Industrie, Gebouwde omgeving, Mobiliteit en Schone energie.

1.3

Zichtjaren

Voor doorrekening van de effecten zijn de volgende jaartallen relevant: • • • • • •

1.4

1990: Dit is het referentiejaar waar de doelstelling voor 2030 aan is gerelateerd; 2021: Dit is het meest recente jaar waarvan de emissiecijfers zijn gerapporteerd in de klimaatmonitor voor Rotterdam en het referentiejaar voor het bepalen van de opgave voor de CO2-reductie in relatie tot het doel in 2030 en de overige zichtjaren; 2023: Tussenjaar; 2024: Tussenjaar; 2025: Het jaar waarin het stedelijk collegetarget van 25% moet zijn behaald; 2030: het jaar waarin de 55% CO2-reductie ten opzichte van 1990 bereikt moet zijn.

Werkwijze doorrekening

Voor de analyse van de data is gebruik gemaakt van een aantal bronnen. Hoofdzakelijk is de bronlijst betreffende de maatregelen van de gemeente Rotterdam gebruikt. Deze lijst bevat maatregelen ten behoeve van CO2-reductie in de regio. De maatregelen in de lijst zijn onderscheiden naar status; zeker, verwacht en beoogd. Op basis van de onderbouwing zijn de maatregelen beoordeeld en geanalyseerd. Bij de analyse is bepaald tot welke categorie (scope) de CO2-emissies volgens het “Greenhouse gas protocol”3 (zie § 1.1.5) behoren. Op basis van de status (§1.1.8) van de maatregel en indeling in scopes zijn de maatregelen gegroepeerd en is het totale effect op de CO 2-emissie bepaald. Emissies in scope 3 zijn buiten beschouwing gelaten.

2

Collegetargets 2022-2026 | Begroting Rotterdam 2023

3 https://ghgprotocol.org

blad 7 van 38

1.5

Greenhouse Gas Protocol

Het Greenhouse Gas Protocol (GHG Protocol) is de internationale standaard voor het categoriseren en kwantificeren van (uitstoot van) broeikasgassen. Er worden verschillende emissies 4 onderscheiden. Deze worden ingedeeld in drie categorieën ofwel scopes. Hieronder is aangegeven hoe dit is toegepast voor Rotterdam: • Scope 1 betreft de ‘directe’ uitstoot van CO2. Het gaat om alle uitstoot die door verbranding van fossiele brandstoffen bij de industrie, door voertuigen of in gebouwen plaatsvindt. Als dit binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam plaatsvindt, worden de emissies aan Rotterdam toegekend. Conform het landelijk Klimaatakkoord zijn de emissies van internationale scheepvaart en de luchtvaart niet in deze doorrekening meegenomen5. • Scope 2 omvat de ‘indirecte’ uitstoot van CO2 door het gebruik van elektriciteit, stoom, warmte en koude. Het gebruik wordt dan vertaald naar de uitstoot die noodzakelijk was om bijvoorbeeld elektriciteit of warmte te produceren. Dit is niet plaatsgebonden aan Rotterdam, maar kan ook elders. Scope 2 emissies tellen mee voor het bepalen van de CO2 voetafdruk van de stad in de zogenaamde verbruiksbenadering (zie hieronder). Scope 2 is ook relevant voor het bepalen van de bijdrage van zon- en windprojecten. De opwekking van elektriciteit met zon en wind in Rotterdam draagt bij aan het vergroenen van de landelijke elektriciteitsmix.

• Scope 3 emissies zijn de zogenaamde keteneffecten. Deze omvatten alle emissies die vrijkomen bij productie, transport en gebruik van goederen bij activiteiten door personen of organisaties.

Figuur 1. De drie scopes van het GHG protocol De CO2-reductiedoelstelling van de gemeente Rotterdam heeft betrekking op zowel scope 1 als scope 2. Scope 3 zal buiten beschouwing worden gelaten. Maatregelen die het energieverbruik verminderen zorgen voor een reductie van de emissie in scope 1 en/of scope 2. Zo leidt isoleren van een gebouw tot minder verbruik van aardgas of stadswarmte en dus minder emissie in scope 1 of 2. Toepassing van LED-verlichting in plaats van TL geeft een lager elektriciteitsverbruik en dus een emissiereductie in scope 2. Maatregelen in het kader van energietransitie zorgen voor een verschuiving van de emissies. In veel 4 Er zijn verschillende broeikasgassen, alleen de uitstoot van CO

2 wordt in deze rapportage beschouwd. In de jaarlijkse CO2 monitor die DCMR opstelt in opdracht van Rotterdam worden emissies van scheepvaart en luchtvaart wel meegenomen. 5

Blad 8 van 38

gevallen vindt deze verschuiving plaats van scope 1 naar scope 2. Zo leidt verwarming met een warmtepomp in plaats van cv-ketel tot minder aardgasverbruik terwijl het elektriciteitsverbruik toeneemt. Als de samenstelling van de (landelijke) elektriciteitsmix of gasmix wijzigt en het aandeel fossiele brandstof in de mix afneemt zorgt dit indirect voor een afname van de CO2-uitstoot.

1.6

Bronbenadering, verbruiksbenadering en schone energie

Er bestaan 2 verschillende methoden voor het bepalen van CO 2-emissies; de bronbenadering en de verbruiksbenadering. Bij de bronbenadering worden alle emissies bepaald die binnen de gemeentegrenzen worden uitgestoten. Bij deze benadering wordt de volledige uitstoot van de energiesector, haven en industrie toegekend aan Rotterdam, ook al wordt de geproduceerde elektriciteit, stoom, warmte en koude niet (volledig) gebruikt in Rotterdam. Bij het berekenen van het effect voor alle thema’s samen wordt gerekend via de bronbenadering. Deze benadering sluit aan bij de landelijke aanpak 6 voor het klimaatakkoord en de betreffende emissies worden ook volgens de bronbenadering gerapporteerd in het jaarlijkse CO2 monitoringrapport van DCMR voor de gemeente Rotterdam. Bij de verbruiksbenadering wordt alleen energie die wordt gebruikt in Rotterdam toegekend aan Rotterdam. Het gaat daarbij niet alleen om de verbranding van brandstof maar ook om bijvoorbeeld warmte en elektriciteit. De verbruiksbenadering is voor de emissies in de stedelijke omgeving relevant. De emissies tellen zowel in scope 1 als scope 2 mee voor de te behalen doelen. Voor schone energie (wind en zon) geldt dat er niet zozeer doelstellingen zijn voor de te bereiken CO2-effecten maar wel voor het totaal opgesteld vermogen.

Dit opgesteld vermogen zorgt vervolgens voor een elektriciteitsproductie door zon en wind en dit vertaalt zich naar vermeden CO2-uitstoot in scope 2. Opgesteld vermogen in Rotterdam draagt bij aan de vergroening van de landelijke elektriciteitsmix.

1.7

Invloed van emissiefactoren op de CO2-uitstoot

Voor het bepalen van de emissies bij de bronbenadering wordt gerekend met de hoeveelheid brandstof (bijvoorbeeld aardgas) die wordt verbrand en de emissiefactor die voor die brandstof van toepassing is. Deze emissiefactoren zijn in de loop der jaren slechts weinig veranderd. Bij de verbruiksbenadering ligt de invloed op de CO2-uitstoot niet alleen bij de gebruiker. De gebruiker is afhankelijk van de emissiefactor van de afgenomen energie. Zo geldt voor elektriciteit dat het aandeel fossiele energie van grote invloed is op de emissiefactor. Opwekking door een kolencentrale levert in het algemeen een hogere emissiefactor op dan bij opwekking door aardgas. Elektriciteit uit waterstof heeft een emissiefactor die nagenoeg gelijk is aan nul. Hetzelfde geldt voor elektriciteit uit hernieuwbare energie. Omdat de herkomst van elektriciteit vanuit het landelijke net niet bekend is wordt daar een emissiefactor volgens de “elektriciteitsmix” – alle opwekkers samen – aan toegekend. De emissiefactoren voor jaren die (ver) in de toekomst liggen zijn gebaseerd op aannames over de samenstelling van elektriciteitsmix gebaseerd op voorgenomen beleid. Bij warmte is ook van belang welke bronnen worden ingezet voor de opwekking. Een inschatting van emissiefactor voor de toekomst is moeilijk te geven. Anders dan bij elektriciteit is er 6

Op (inter)nationaal niveau geldt bijvoorbeeld ook dat emissies voor de productie van elektriciteit worden toegewezen aan het land waar de centrale staat en niet waar de elektriciteit wordt verbruikt.

blad 9 van 38

geen sprake van een landelijk net en een landelijke mix maar is de emissiefactor afhankelijk van het plaatselijk warmtenet waar de gebruiker op is aangesloten en bepalen (economische) overwegingen van leveranciers van warmte de uiteindelijke samenstelling van de mix. Voor zowel elektriciteit als warmte geldt dat de emissiefactoren in de afgelopen jaren flink zijn gedaald en naar verwachting in de toekomst verder zullen dalen. Zo was de emissiefactor voor elektriciteit in 2005 gelijk aan 0,51 kg CO2 per kWh. In 2019 was deze afgenomen tot 0,37 kg per kWh. De verwachting in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2021 is dat de emissiefactor in 2025 zal zijn gedaald tot 0,21 kg per kWh en in 2030 tot 0,09 kg per kWh. Ook de emissiefactor voor warmte daalt. In 2018 werd volgens het warmte-etiket van Eneco 22,33 kg CO2 per geleverde GJ uitgestoten, in 2021 was dat 18,31 kg per GJ. De verwachting is dat de emissiefactor voor warmte in de toekomst niet veel zal veranderen, omdat er nog geen concrete plannen zijn bij de leveranciers om de warmtenetten te verduurzamen. Warmte afkomstig uit een warmtenet levert nu al een CO2-reductie op van bijna 70% ten opzichte van warmte opgewekt met aardgas.

Voor zowel de bronbenadering als de verbruiksbenadering geldt dat een wijziging in de samenstelling van de brandstof, bijvoorbeeld door bijmengen van biogas bij aardgas maakt dat er gerekend mag worden met een andere emissiefactor op basis van (aannames over) de samenstelling. Het rekenen met voorlopige emissiefactoren of aannames over die factoren heeft grote gevolgen voor de berekende emissie(reductie) en het behalen van de doelstellingen. Hierover nog het volgende: 1. Voor het referentiejaar 2021 zijn de emissies in scope 2 bepaald op het moment dat er nog geen definitieve emissiecijfers beschikbaar waren. Ook nu is dat nog niet het geval. Het is goed mogelijk dat de cijfers achteraf moeten worden bijgesteld; 2. Voor het bepalen van de emissiereductie in de toekomst wordt voor een deel gebruik gemaakt van berekeningen die eerder zijn uitgevoerd en de daarbij gehanteerde emissiefactoren. Voor nieuwe berekeningen wordt gebruik gemaakt van emissiefactoren voor elektriciteit volgens de KEV 2021. Deze zijn ook gebruikt door CE Delft in het advies over de collegetarget.

1.8

Status van de maatregelen

Binnen de thema’s is een groot aantal maatregelen benoemd. Sommige daarvan zijn al gestart, andere zijn voorzien over vijf tot tien jaar. Het verwachte effect hangt daarom af van de omvang en verwachte impact van een maatregel, maar ook van de mate van (on)zekerheid of deze uitgevoerd gaat worden. Maatregelen zijn daarom ingedeeld in vier categorieën die aangeven in welke fase een maatregel zit en daarmee ook hoe ‘hard’ het geschatte CO2-effect is. • Zeker: De maatregel is al gestart of gaat zeker starten. Er is al een besluit over de maatregel genomen, de financiering is geregeld en/of de maatregel is wettelijk verplicht. • Verwacht: Er is overeenstemming over de maatregel, maar het definitieve besluit over de uitvoering van de maatregel is nog niet genomen. • Beoogd: Er zijn plannen voor de maatregel, de uitvoering is op hoofdlijnen bekend, een schatting van het verwachte effect is gemaakt, maar partijen zijn het nog niet volledig eens over de exacte invulling ervan. Ook de financiering moet nog geregeld worden. • Onvoldoende concreet: Voor deze maatregelen is nog veel onduidelijk. Soms is wel een geschat CO2-effect benoemd maar is niet duidelijk waar dat op gebaseerd is. Hiervan is het effect (vooralsnog) op ‘nul’ gesteld.

Blad 10 van 38

1.9

Opzet rapportage

Deze rapportage beschrijft het verwachte CO2 -effect van alle maatregelen. Hoofdstuk 2 geeft een totaal overzicht waarbij de impact van alle maatregelen over alle thema’s worden beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een uitwerking per thema met daarin een omschrijving van het thema, de belangrijkste verschillen met de vorige doorrekening, het effect van de maatregelen en een toelichting daarop. In de bijlage is per thema en per maatregel de uitkomst van de berekeningen gegeven en toegelicht.

1.10 Verantwoording Dit document is tot stand gekomen in samenwerking met DCMR en de gemeente Rotterdam.

blad 11 van 38

2 2.1

Totaal effect van de maatregelen Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de doelstelling gegeven voor alle sectoren (thema’s) samen in het jaar 2030 volgens de bronbenadering (scope 1). Vervolgens wordt uiteengezet wat de opgave voor de CO2 -reductie in 2030 is ten opzichte van het referentiejaar 2021 en hoeveel van de opgave door de verschillende maatregelen kan worden behaald. Daarnaast wordt voor de stedelijke omgeving beschreven hoe invulling kan worden gegeven aan het bereiken van het collegetarget van 25% reductie in 2025 ten opzichte van 1990 en het bereiken van het einddoel in 2030. Het totaaleffect van alle maatregelen wordt beschreven voor de zichtjaren 2023, 2024, 2025 en 2030 met een uitsplitsing per thema.

2.2

Doel, opgave en invulling CO2-reductie Totaal effect thema’s - bronbenadering

De landelijke doelstelling van 2030 is 55% CO2-reductie te realiseren ten opzichte van 1990. Voor de scope 1 emissies op Rotterdams grondgebied betekent deze doelstelling een maximale uitstoot van 10.440 kton CO2 in scope 1. Het referentiejaar voor het bepalen van de uitstoot is 2021. Als de uitstoot ongewijzigd blijft ten opzichte van dat jaar zal de uitstoot in 2030 gelijk zijn aan 26.385 kton. De reductieopgave in 2030 zal dan 15.945 kton CO2 bedragen. Het totale effect van alle genomen maatregelen zal in 2030 een reductie opleveren van 11.496 kton CO2. Voor wat betreft de status van de maatregelen geldt dat alle maatregelen met de status zeker, verwacht en beoogd zijn meegerekend voor de bepaling van het totale effect. Bij de gebouwde omgeving heeft het grootste deel van de maatregelen de status verwacht of beoogd, bij mobiliteit is dit zowel zeker, verwacht als beoogd en bij haven en industrie betreft het vrijwel uitsluitend maatregelen met de status verwacht en beoogd. De energiesector betreft uitsluitend de kolencentrales en dat is een zekere maatregel. Schone energie uit wind en zon telt niet mee voor de bronbenadering. Met de uitvoering van al de hierboven genoemde maatregelen uiterlijk in 2030 blijft er in dat jaar een restopgave over van 4.449 kton CO2.

Om het doel voor 2030 toch te kunnen bereiken zullen er aanvullende maatregelen moeten worden gevonden of moeten de maatregelen die nu nog als onvoldoende concreet zijn beoordeeld alsnog worden uitgewerkt en uitgevoerd.

Jaar

1990

2019

2021

Gebouwde omgeving

1.088

873

919

Mobiliteit

1.166

1.400

1.352

Haven en industrie

13.146

14.922

14.272

Energiesector

7.800

11.115

9.842

Totaal

23.200

28.310

26.385

Doel 2030

Basispad 2030

Opgave 2030

45% van uitstoot in 1990

Uitstoot ongewijzigd t.o.v. 2021

Uitstoot basispad minus doel 2030

Effect 2030

Restopgave 2030

96 439 5.183

Opgave minus effect 2030

5.778 10.440

26.385

15.945

11.496

4.449

Tabel 1 – historische CO2 uitstoot in kton volgens de bronbenadering en de resultaten voor doeljaar 2030

Blad 12 van 38

Onderstaande grafiek maakt duidelijk dat het grootste effect pas wordt bereikt in de periode na 2025. In eerdere doorrekeningen was de verwachting dat er voor het thema haven en industrie in periode tot 2025 meerdere maatregelen zouden worden uitgevoerd met een grote impact op de uitstoot. Dat is nu niet meer het geval. Voor haven en industrie hebben de maatregelen de status verwacht en beoogd. Sluiting van de kolencentrales is een zekere maatregel.

Figuur 2 – historische CO2 uitstoot in kton volgens de bronbenadering en de resultaten voor de zichtjaren. Figuur 3 toont de bijdrage van elk thema aan het emissiedoel in 2030. De grootste bijdrage wordt geleverd door het sluiten van de kolencentrales, te weten 36%, gevolgd door de maatregelen van haven en industrie die 33% bijdragen. Het thema mobiliteit levert een bijdrage van 3% en maatregelen in de gebouwde omgeving dragen voor 1% bij. Er blijft in 2030 een restopgave van bijna 27% over.

Figuur 3 – Bijdrage van de thema’s aan het behalen van de doelstelling in 2030 Stedelijke omgeving - verbruiksbenadering De gemeente Rotterdam heeft als collegedoel een reductie van minimaal 25% CO2 in 2025 voor het stedelijk gebied ten opzichte van 1990. Deze reductie is ten opzichte van de 3437 kton CO2 uitstoot in scope 1 en scope 2 samen berekend voor referentiejaar 1990. In 2019 was de uitstoot met 5% gedaald ten opzichte van 1990 en in 2021 met 10% tot 3087 kton. Scope 1 emissies in de stedelijke omgeving worden vooral bepaald door verbranding van aardgas voor verwarming en fossiele brandstoffen in stedelijk verkeer. Scope 2 emissies zijn

blad 13 van 38

stadsverwarming voor gebouwen en elektriciteit voor gebouwen, processen, openbare voorzieningen en stedelijke mobiliteit. Om de target van 25% in 2025 te behalen mag de totale uitstoot in 2025 2578 kton bedragen. Dat is 510 kton minder dan in 2021. Om de doelstelling van 55% te behalen mag de CO 2 uitstoot in 2030 in totaal 1547 kton bedragen. De tabel hieronder laat zien dat met de voorziene maatregelen de target van 2025 kan worden behaald en dat er voor 2030 nog een restopgave van 91 kton is. In zowel 2025 als 2030 zijn bij het thema gebouwde omgeving de meeste effecten te zien. 2022

2023

2025

2030

Totaal effect gebouwde omgeving scope 1

1990

2019

2021

-10

-34

-58

-245

Totaal effect gebouwde omgeving scope 2

-1

-153

-301

-711

Totaal effect mobiliteit scope 1

0

-101

-246

-439

Totaal effect mobiliteit scope 2

0

-3

11

-55

-11

-290

-587

-1.449

2.797

2.499

1.638

2.578

1.547

Totaal effect GO+MOB scope 1 + scope 2 Resterende uitstoot Stad scope 1 + scope 2 Gerealiseerd 2019 en 2021 en target Stad in 2025 en 2030

3.437

3.268

3.087

100%

95%

90%

Tabel 2 – historische CO2 uitstoot in kton volgens de verbruiksbenadering en de resultaten voor de zichtjaren

Figuur 4 – historische CO2 uitstoot in kton volgens de verbruiksbenadering en de resultaten voor de zichtjaren Onderstaande figuur toont de bijdrage per thema van de verschillende maatregelen voor 2025 (links) en 2030 (rechts). De grootste bijdrage wordt zowel in 2025 als in 2030 geleverd door vergroening van de elektriciteitsmix als gevolg van nationaal beleid. Zekere en verwachte maatregelen voor mobiliteit leveren eveneens een aanzienlijke bijdrage voor beide zichtjaren. In 2030 levert bijmengen van groengas een aanzienlijke bijdrage voor de gebouwde omgeving die zelfs groter is dan het gezamenlijk effect van alle overige maatregelen in de gebouwde omgeving. De gele balk in de grafiek vertegenwoordigt de restopgave die in 2025 negatief is; de doelstelling wordt behaald. In 2030 is er nog wel een restopgave. Het is duidelijk dat het behalen van de doelstellingen voor het grootste deel wordt bepaald door landelijk beleid.

Blad 14 van 38

Figuur 5 – bijdrage van de thema’s aan de emissiereductie

2.3

2.3 CO2 reductie in detail Thema’s en bronbenadering in scope 1

De maatregelen met het grootste effect worden getroffen in de Energiesector en in de Haven en Industrie. In onderstaande tabel is het effect van de maatregelen in de verschillende zichtjaren gegeven met een onderverdeling in maatregelen die zeker of verwacht zijn en maatregelen die beoogd zijn. De sluiting van de kolencentrales is een zekere maatregel met het grootste effect op de uitstoot. Voor Haven en Industrie geldt dat er vanaf 2023 geen maatregelen met de status zeker zijn. De meeste maatregelen worden na 2025 uitgevoerd en de meeste maatregelen zijn geclassificeerd als beoogd. Dit geeft aan dat het nog niet zeker is of deze maatregelen gerealiseerd kunnen worden. Jaar Maatregel

2023

2025

2030

Kton CO2 Scope 1

Kton CO2 Scope 1

Kton CO2 Scope 1

Gebouwde omgeving – zeker/verwacht

34

43

62

Mobiliteit – zeker/verwacht

101

209

358

Haven en Industrie – zeker/verwacht

28

222

222

Sluiting kolencentrales

0

0

5.778

Gebouwde omgeving – beoogd

0

5

34

Mobiliteit – beoogd

0

36

81

Haven en Industrie – beoogd

0

215

4.961

Schone energie (kolencentrale) Totaal zeker/verwacht Totaal beoogd Totaal maatregelen

0

0

0

178

498

6.466

0

257

5.078

163

730

11.496

Tabel 3 – effect van de maatregelen volgens de bronbenadering per thema in kton CO 2 Overzicht effect scope 1 en 2 per thema In de onderstaande tabellen is per thema het effect uiteengezet van de maatregelen in de verschillende zichtjaren. Naast de effecten in scope 1 zijn voor een aantal thema’s ook de scope 2 effecten bepaald. Het gaat om maatregelen voor het thema Gebouwde omgeving en voor

blad 15 van 38

Mobiliteit. Maatregelen voor Schone Energie kunnen een effect hebben in scope 2 (zon en wind) of in scope 1 (kolencentrales). Jaar 2023 2025 2030 Zeker/verwacht 34 43 62 Beoogd 0 5 34 7 Vergroenen gasmix 0 10 149 Totaal 34 58 245 Tabel 4 – Effect van de maatregelen Gebouwde omgeving, CO2-reductie Scope 1 (kton) Jaar 2023 2025 2030 Zeker/verwacht -3 -4 -10 Beoogd 0 -2 -9 Vergroenen elektriciteitsmix8 156 307 727 Totaal 153 301 708 Tabel 5 – Effect van de maatregelen Gebouwde omgeving, CO2-reductie Scope 2 (kton) Van de maatregelen voor de gebouwde omgeving die zijn ingedeeld in de categorie zeker/verwacht in tabel 4 dragen de zekere maatregelen ongeveer 18% bij aan het effect in 2030 in deze categorie. In tabel 5 zou een uitsplitsing naar zeker verwacht er toe leiden dat effecten niet meer zichtbaar zijn (afgerond nul) als deze worden vermeld in kton CO2-uitstoot. Jaar 2023 2025 Zeker/verwacht 101 209 Beoogd 0 36 Totaal 101 246 Tabel 6 – Effect van de maatregelen Mobiliteit, CO2-reductie Scope 1 (kton) 2023 2025 Jaar -9 -34 Zeker/verwacht 0 -7 Beoogd 12 23 Vergroenen elektriciteitsmix 3 -18 Totaal Tabel 7 – Effect van de maatregelen Mobiliteit, CO2-reductie Scope 2 (kton)

2030 358 81 439

20309 0 0 55 55

Van de maatregelen voor mobiliteit die zijn ingedeeld in categorie zeker/verwacht in tabel 6 dragen de zekere maatregelen ongeveer 60% bij aan het effect in 2030 in deze categorie. Het vergroenen van de elektriciteitsmix geeft een positief Scope 2 effect dat met name de grootverbruikers van elektriciteit in deze sector (het OV) betreft maar ook het deel van de stedelijke mobiliteit dat in 2021 al elektrisch was. Als de elektriciteitsmix vergroent daalt hun CO 2uitstoot aanzienlijk. Jaar 2023 2025 2030 Zeker/verwacht 28 222 222 Beoogd 0 215 4.961 Totaal 28 436 5.1821 Tabel 8 – Effect van de maatregelen Haven en Industrie, CO2-reductie Scope 1 (kton) 7 Als aan het vergroenen van de gasmix een status zou worden toegekend dan is “verwacht” het meest passend. 8 Als aan het vergroenen van de elektriciteitsmix en de bijbehorende emissiefactor een status zou worden toegekend dan is “ze-

ker” het meest passend. 9 Geen scope 2 voor verkeer e.d. bepaald

Blad 16 van 38

Van de maatregelen voor haven en industrie die zijn ingedeeld in categorie zeker/verwacht in tabel 8 dragen de zekere maatregelen voor minder dan 1% bij aan het effect in 2030 in deze categorie. Jaar 2023 2025 Zeker/verwacht 297 307 Beoogd 6 22 Totaal 303 329 Tabel 9 – Effect van de maatregelen Schone energie, CO2-reductie Scope 2 (kton)

2030 359 6 365

Van de maatregelen voor schone energie die zijn ingedeeld in categorie zeker/verwacht in tabel 9 dragen de zekere maatregelen voor 80% bij aan het effect in 2030 in deze categorie. Jaar 2023 2025 2030 Zeker 0 0 5.778 Tabel 10 – Effect van de maatregel Sluiting kolencentrales, CO 2-reductie Scope 1 (kton) Stedelijk gebied - verbruiksbenadering Onderstaande tabel laat zien wat het effect is van de verschillende maatregelen voor de stad. Uit de tabel blijkt dat in 2025 de doelstellingen voor de stad kunnen worden behaald en dat er in 2030 nog een restopgave overblijft van 89 kton. 1990

2019

2021

2023

2025

2030

kton

kton

kton

kton

kton

kton

-3

-34

-43

-62

0

-5

-34

Effect maatregelen doorrekening tabellen scope 1 GO – zeker/verwacht Effect maatregelen doorrekening tabellen scope 1 GO – beoogd Effect gasmix scope 1 GO

0

0

-10

-149

Effect maatregelen doorrekening tabellen scope 2 GO EL

-1

-2

-3

-3

Effect transitie doorrekening tabellen scope 2 GO SV – zeker/verwacht

0

5

6

9

0

2

8

Effect transitie doorrekening tabellen scope 2 GO SV – beoogd Effect transitie doorrekening tabellen scope 2 GO EL – zeker/verwacht

0

1

1

1

Effect transitie doorrekening tabellen scope 2 GO EL – beoogd

0

0

0

1

Effect elektriciteitsmix scope 2 GO

-156

-307

-727

Effect maatregelen doorrekening tabellen scope 1 MOB – zeker/verwacht

-101

-209

-358

0,0

-36

-81

Effect maatregelen doorrekening tabellen scope 1 MOB – beoogd Effect maatregelen doorrekening tabellen scope 2 MOB – zeker/verwacht

9,0

34

0

Effect elektriciteitsmix scope 2 MOB

-12

-23

-55

Totaal effect GO+MOB scope 1 + scope 2

-290

-587

-1.449

2.797

2.499

1.638

2.578

1.547

Resterende uitstoot Stad scope 1 + scope 2. Target Stad en 2030

3.437

3.268

3.087

Tabel 11 – effect van de maatregelen volgens de verbruiksbenadering per thema en status in kton CO2 Het grootste deel van de emissiereductie wordt behaald door de vergroening van de elektriciteitsmix en de bijmengverplichting voor groen gas vanaf 2025. De emissiefactor 10 voor elektriciteit was in 2021 gelijk aan 0,32 ton CO2 per MWh. In 2025 zal deze zijn gedaald naar 0,21 ton 10

De emissiefactoren zijn gebaseerd op de KEV 2021. In de KEV 2022 worden iets lagere waarden voor 2025 en 2030 gehanteerd. Dat zou betekenen dat het effect elektriciteitsmix een onderschatting zou kunnen zijn.

blad 17 van 38

per MWh en in 2030 naar 0,09 ton per MWh. Maatregelen voor het thema schone energie dragen bij aan het vergroenen van de elektriciteitsmix. Dit betekent dat voor de emissies gerelateerd aan het elektriciteitsverbruik, deze met 330 kton zijn afgenomen in 2025 en met 782 kton in 2030. Daarmee is dit het grootste effect op de CO2-reductie van alle maatregelen voor de stedelijke omgeving. De verplichting om groen gas bij te mengen heeft in 2025 nog een beperkt effect, maar zal in 2030 tot een emissiereductie van 149 kton leiden. In totaal telt deze vergroening op tot een effect van 931 kton in 2030, bijna 60% van de reductie die nodig is om het doel in 2030 te halen. We classificeren dit beleid als een “verwachte maatregel”, omdat het op dit moment nog niet is vastgelegd in wetgeving. De emissies in scope 1 bepalen ook voor een belangrijk deel de totale uitstoot in de stedelijke omgeving. Met name op dit gebied kan Rotterdam bijdragen aan het behalen van de emissiedoelstellingen. Maatregelen betreffende het thema Mobiliteit leveren een CO2-reductie in scope 1 van 246 kton in 2025 en 439 kton in 2030. De maatregelen voor Gebouwde Omgeving leveren een CO2-reductie in scope 1 op van 48 kton in 2025 en 96 kton in 2030.

Voor het thema Gebouwde Omgeving geldt dat extra inzet op beleidsinterventies zou kunnen leiden tot een extra emissiereductie en dus een lagere emissie in doeljaren 2025 en 2030. Het aardgasvrij maken van woningen betreft nu 47.000 woningen van de 311.000 woningen in de woningvoorraad in de periode tot 2030. Vergroten van het aandeel woningen aardgasvrij heeft een grote impact op de CO2-emissies in scope 1. Als stadsverwarming in de toekomst een groter aandeel duurzame opwekking krijgt zijn er bovendien ook effecten voor scope 2. Voor kantoren geldt dat deze op dit moment een energielabel C of beter moeten hebben. In het verleden is bepaald11 dat het verbeteren van kantoren naar energielabel C een CO2-reductie van 10 kton oplevert. Als de totale voorraad kantoren en bedrijfspanden naar label A wordt verbeterd dan levert dat nog 70 kton op. Bij deze doorrekening is geen effect toegekend aan het afnemen van het aantal koude dagen in de toekomst. Dit is een effect dat wel wordt genoemd in de KEV, echter is het niet duidelijk op welke manier dit vertaald zou kunnen worden naar een reductie voor Rotterdam. Het landelijk klimaat waar mee wordt gerekend in de KEV wijkt af van de situatie in Rotterdam. Bovendien is het in een stad gemiddeld warm (stad als warmte-eiland) en daar staat in de zomer een grotere koelvraag tegenover.

11 Doorrekening door DCMR: Effect Update 2020 Rotterdamse Klimaataanpak van 3 maart 2021

Blad 18 van 38

3 3.1

Effect per thema Gebouwde Omgeving Omschrijving thema en maatregelen

Gebouwde Omgeving bestaat uit bestaande woningen en utiliteitsbouw. Utiliteitsbouw betreft panden zonder woonfunctie. Het gaat hierbij vooral om universiteiten, ziekenhuizen, bedrijfspanden, kantoren en scholen. Woningen worden onderverdeeld in huur- en koopwoningen. De nieuwbouwopgave wordt niet meegenomen in deze rapportage, dat geldt zowel voor de extra CO2-emissie door nieuwbouw als voor de reductie door duurzame maatregelen in nieuwbouw. Kenmerkend voor het thema Gebouwde Omgeving zijn maatregelen zoals, de gebiedsaanpak voor het aardgasvrij maken van woningen, het isoleren van woningen en de renovatie van woningen door woningcorporaties. Een deel van deze maatregelen is inmiddels in uitvoering. Dit betekent dat de effecten van die maatregelen al voor een deel zichtbaar zijn in de huidige cijfers waarover jaarlijks gerapporteerd wordt in de CO2 monitor. Voor het aardgasvrij maken van woningen zijn er gegevens aangeleverd over de fasering van de maatregelen in de periode tot en met 2030. Bij deze rapportage zijn voor het eerst de effecten voor scope 2 meegenomen. Het landelijk beleid is meegenomen in de berekeningen bij zowel scope 1 als 2. Bij deze berekeningen zijn de volgende afwegingen gemaakt en aannames gehanteerd: • Bij de maatregelen die betrekking hebben op het aardgasvrij maken van gebouwen is een andere vorm van verwarming nodig.

Er is uitgegaan van verwarming door stadswarmte, tenzij er informatie is aangeleverd waaruit blijkt dat er een andere warmtebron is. Voor woningen wordt er aangenomen dat de inductiekookplaat als vervangende techniek wordt gebruikt in plaats van kookgas. • Een verbetering van het energielabel betekent in de meeste gevallen isolatiemaatregelen en aanpassen van ventilatiesystemen, omdat verbetering van de gebouwschil en ventilatie (inclusief aanpassen van kieren en naden) de grootste invloed heeft op het label. Er is aangenomen dat een labelsprong invloed heeft op het gasverbruik en dus op directe emissies (scope 1). • Het installeren van zonnepanelen door eindgebruikers (woningen, utiliteit) zorgt er voor dat er per saldo minder elektriciteit van het openbare net wordt afgenomen. We rekenen voor de reducties in scope 2 met de landelijke elektriciteitsmix. • De maatregelen worden gefaseerd uitgevoerd. Bij het berekenen van de effecten in scope 2 is daarom rekening gehouden met de elektriciteitsmix en de warmtemix. Hiervoor zijn aannames gedaan. • In de toekomst zal het aandeel fossiele bronnen in de energiemix afnemen. Voor besparingsmaatregelen gericht op warmte en elektriciteit wordt het CO2-reducerend effect in de toekomst kleiner. Voor transitiemaatregelen (van het gas af) wordt het netto effect (scope 1 – scope 2) steeds groter.

• Het vergroenen van de elektriciteitsmix heeft directe gevolgen voor de emissies in scope 2. • De maatregel bijmengen groen gas uit de KEV12 heeft gevolgen voor de emissies in scope 1 van de Gebouwde Omgeving. Weliswaar verandert er niets aan de hoeveelheid gas die wordt verbrand, maar het heeft wel een rekenkundig effect omdat CO2emissies door verbranding van biogas niet meegeteld hoeven te worden in scope 1.

12

Bijmengen van groen gas komt ter sprake in de KEV 2021 en de bijmengverplichting in de KEV 2022 maar is nog niet vastgelegd in wetgeving. Wij baseren het effect op verschillende studies van CE-Delft.

blad 19 van 38

Belangrijkste verschillen t.o.v. eerdere doorrekening •

•

• • •

Het aantal woningen dat van het aardgas af gaat is groter dan in vorige doorrekeningen. Dit komt onder andere doordat er meer particulieren initiatieven zijn gestart en woningcorporaties plannen concretiseren. Aanvullende maatregelen betreffende “van het aardgas af” ontbreken; In vorige doorrekeningen was het effect van de maatregel “woningen van het gas af” kleiner (23 kton) en daarnaast was er een maatregel “aanvullend gemeentelijk beleid van het gas af”. In totaal betrof dit circa 85.000 woningen. Nu is het aantal woningen van het gas in concrete maatregelen veel groter (47.000 woningen) en is de reductie 62 kton in scope 1; De maatregel “Energielabel C voor kantoorgebouwen” is een wettelijke verplichting en wordt geacht nu uitgevoerd te zijn. Het effect wordt zichtbaar in 2023 en uit controles zal dit jaar blijken of dit daadwerkelijk is uitgevoerd; Energievouchers, stimulerende maatregelen voor bedrijventerreinen, ondernemers en VvE’s zijn al voor een deel uitgevoerd en als zodanig opgenomen in de lijst (zie bijlage). Deze maatregelen tellen mee in het totaal; Er is voor het eerst een berekening uitgevoerd voor effecten in scope 2. Daardoor moet er ook specifiek gekeken worden naar de emissiefactoren die van toepassing zijn. De verbetering van de emissiefactor voor aardgas en elektriciteitsopwekking levert door vergroening het grootste CO2 effect op. Effect maatregelen

Status 2023 2025 2030 ‘Zeker + Verwacht’13 34 53 212 ‘Beoogd’ 0 5 34 Totaal 34 58 245 Tabel 12 – Effect van de maatregelen Gebouwde omgeving, CO 2-reductie Scope 1 (kton) Status 2023 2025 2030 ‘Zeker + Verwacht’ 153 303 717 ‘Beoogd’ 0 -2 -9 Totaal 153 301 708 Tabel 13 – Effect van de maatregelen Gebouwde omgeving, CO 2-reductie Scope 2 (kton) De maatregelen “vergroening elektriciteitsmix” en “bijmengen groen gas” leveren de meeste CO2-reductie op. Deze maatregelen vallen onder de categorie zeker/verwacht. Door de maatregel “van het gas af” wordt in 2030 ook een CO2-reductie in scope 1 bereikt. Daar staat een toename van stadsverwarming tegenover, echter de verwachting is dat het aandeel duurzame warmte in stadsverwarming op termijn zal toenemen door een groter aandeel van restwarmte uit de industrie en minder inzet van fossiele brandstoffen.

3.2

Mobiliteit Omschrijving thema en maatregelen

Mobiliteit bestaat vooral uit wegverkeer maar ook uit mobiele werktuigen, railtransport en binnenvaart binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam. Mobiele werktuigen die gebruikt worden in de haven zijn verwerkt in paragraaf 3.3. Het landelijk beleid is meegenomen in de berekeningen.

13

Het onderscheid tussen zeker en verwacht is niet altijd even scherp. Daarom zijn de categorieën samengevoegd. Zekere maatregelen bepalen ongeveer 20% van de reductie in scope 1 in 2030

Blad 20 van 38

Kenmerkend voor Mobiliteit is dat niet alleen Rotterdamse, maar ook nationale en Europese maatregelen effect hebben op de uitstoot. Hierdoor ontstaan dubbeltellingen. Waar dit duidelijk is wordt het totale effect over lokale en bovenlokale maatregelen verdeeld. Een tweede vorm van dubbeltelling ontstaat als de ene maatregel de andere vervangt: bijv. het effect van het bijmengen van biobrandstoffen vervalt bij toenemende elektrificatie. Evenzeer nemen volumemaatregelen (bijvoorbeeld stimuleren thuiswerken) een deel van de andere effecten weer weg. Van deze interacties is een inschatting gemaakt waarmee het totaal gecorrigeerd is. Hiervoor is gebruik gemaakt van relevante eerdere studies die ook aandacht aan dubbeltelling besteedden. Voor de zekere en verwachte maatregelen lijkt de correctie een reële schatting. Met name in de categorie beoogd zou de dubbeltelling tussen diverse maatregelen groter kunnen zijn dan hier ingeschat. Tot slot zijn er ‘autonome ontwikkelingen’ die de Mobiliteit beïnvloeden en die op enig moment hun weerslag krijgen in het ‘MRDH verkeersmodel’ (de beschrijving van de verkeersintensiteiten en -samenstelling op alle wegsegmenten). Dergelijke verschuivingen (bijv. aanpak Coolsingel, Maastunnelcorridor) beïnvloeden de veranderende totale uitstoot waardoor het zogenoemde basispad tussen opeenvolgende rapportages iets verandert.

Een tweede consequentie is dat het effect van bepaalde maatregelen (bijvoorbeeld stimuleren thuiswerken) niet meer als zodanig berekend kan worden omdat het al is opgenomen in de gewijzigde verkeersprognoses. Maatregeleffecten zijn veelal overgenomen van eerdere rapportages, maar waar relevant wel toegepast op de meest recente 2030 prognose van het verkeersmodel. Inzicht over de snelheid van de verschoning van de vloot is overgenomen uit de KEV 2022. Sommige maatregelen hebben een hogere status (zeker/verwacht/beoogd) gekregen. De berekeningen zijn voor 2030 gedaan en voor de tussenliggende jaren is over het algemeen lineair geïnterpoleerd tussen 2019 en 2030 tenzij er andere informatie aanwezig was.14 De maatregeleffecten zijn alleen geschat voor het Rotterdamse grondgebied. In werkelijkheid zullen de effecten veelal groter zijn. Verkeer dat de Rotterdamse ‘ZE zone bestel en vrachtauto’s’ in wil zal immers vaak ook buiten die zone rijden en de werkgeversaanpak zal niet alleen werknemers wonend binnen de gemeentegrenzen betreffen. Van de ZE zone wordt buiten die zone een vergelijkbaar effect verwacht als in de zone. Scope 2 Bij deze rapportage is Scope 2 meegenomen, waarbij de emissies bij het produceren van elektriciteit in rekening worden gebracht.

Voor personenmobiliteit is de gemiddelde uitstoot van een benzine auto 0,204 kg CO2/km, voor een vergelijkbare elektrische auto op de gemiddelde stroommix 0,069 kg/CO2/km. Voor 2023 is dus ongeveer een derde (34,5%) van de elektrificatiewinst als negatief scope 2 effect meegenomen.15 Dit is indicatief ook voor 2025 gedaan. Voor 2030 zijn voor mobiliteit zijn er vooralsnog geen scope 2 effecten bepaald. Het vergroenen van de elektriciteitsmix is een positief Scope 2 effect dat met name de grootverbruikers van elektriciteit (o.a. RET) betreft. Als de elektriciteitsmix vergroent daalt hun CO 2-uitstoot aanzienlijk. Scope 2 effecten staan in de bijlage 1. Voor veel initiatieven wordt geclaimd dat er alleen groene stroom gebruikt wordt. Dit is aanbevelingswaardig, omdat het de productie van groene stroom stimuleert. Momenteel is er echter een tekort aan groene stroom. Voor het elektriciteitsgebruik in de regio geldt dus de gemiddelde CO2 uitstoot. Als een partij meer groene stroom claimt in zijn berekeningen, zal de mix voor de anderen stroomgebruikers ongunstiger worden. Per saldo verandert daarmee de CO 2uitstoot van het gebied dus niet.

14 Bij enkele maatregelen is door Rotterdam een inschatting gemaakt over de ingroeisnelheid 2023-2025. Die schattingen pakken

laag uit t.o.v. de overigens toegepaste generieke interpolatie. 15 Zie www.co2emissiefactoren.nl/lijst-emissiefactoren/#elektriciteit.

blad 21 van 38

Effect maatregelen In 2025 is de verwachting dat de CO2 besparing 246 kton is en in 2030 439 kton CO2. Er zijn kleine verschillen met de eerdere prognoses, die deels zijn terug te voeren op wijzigingen in het verkeersmodel (het aantal gereden kilometers). Van enkele maatregelen is de status veranderd. De 2025 prognose is iets lager, maar de 2030 prognose iets hoger. Status ‘Zeker + Verwacht’ Dubbeltelling Netto maximaal ‘Beoogd’ netto maximaal*) Totaal

2023 110 9 101 101

2025 229 20 209 36 246

2030 392 34 358 81 439

*) ‘Beoogd’ is niet bepaald voor 2023. Ook is geen mogelijke dubbeltelling gegeven. De uitwerking van de maatregelen is nog te onzeker.

Tabel 14 – Effect van de maatregelen Mobiliteit, CO2-reductie Scope 1 (kton) Net als in eerdere analyses zijn de effecten het grootst voor de verdere gelegen zichtjaren. De onzekerheid over het effect van die maatregelen en over eventuele dubbeltelling is ook groter. In een verkennende studie voor de gemeente wordt nog verder gekeken dan 2030 waaruit blijkt dat er potentieel is om tot verdere emissiereductie te komen. Hier wordt met name de potentie van verschoning van mobiele werktuigen genoemd. Enerzijds gaat het dan om elektrificatie van containerhandeling in de haven, anderzijds om mobiele werktuigen bijv. bij de bouw. Onder druk van het stikstofdossier zou ‘emissiearm bouwen’ al de komende jaren een grote(re) vlucht kunnen nemen. De benoemde potentiële winst van 30 kton is hier als 'beoogd’ meegenomen omdat er nog geen vastgestelde aanpak is voor dit onderwerp. Bij de zekere en verwachte maatregelen16 levert het bronbeleid op personenstelverkeer meer op dan eerder geschat. Dit komt door een actuelere en hogere schatting van het aantal gereden kilometers. Omgekeerd blijkt uit het meest recente verkeersmodel dat er minder vrachtverkeer rondrijdt. Dat maakt het effect van maatregelen gericht op vracht kleiner.

3.3

Haven en Industrie Omschrijving thema en maatregelen

Haven en industrie omvat bedrijfsmatige activiteiten in de Haven van Rotterdam. Deze activiteiten zijn o.a. chemie, afvalverwerking, raffinaderijen en overige industrie. Ook de voorzieningen voor walstroom zijn ingedeeld bij dit thema. Transport in de haven is ondergebracht in het thema Mobiliteit. Zeescheepvaart valt buiten de scope van de Rotterdamse Klimaataanpak. De energiesector valt onder het thema Schone Energie. Het thema Haven en Industrie had bij de start al maatregelen in onder meer de volgende categorieën: • Elektrolysers bij verschillende industriële bedrijven; • CO2 afvang en opslag (CCS) – Porthos; • Fabrieken voor waterstof met CO2 afvang – H-Vision; • Stoomuitwisseling – stoompijp Botlek; • Elektrificatie industrie – elektrodeboilers en warmtepompen in plaats van aardgas; • Walstroomvoorzieningen

16

Het onderscheid tussen zeker en verwacht is niet altijd even scherp, daarom zijn de categorieën samengevoegd. Ongeveer 60% van de maatregelen in deze categorie is zeker.

Blad 22 van 38

Belangrijkste verschillen t.o.v. vorige doorrekening De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de eerdere doorrekeningen zijn: • Het aantal elektrolysers is toegenomen, het opgesteld vermogen neemt toe en er zijn wijzigingen in de waterstofproductie en uitgangspunten voor het aantal vollasturen dat de elektrolysers kunnen worden ingezet. • Er is geen sprake meer van Porthos 2 of een uitbreiding van Porthos en dat wil zeggen dat de volledige opslagcapaciteit van dit project benut wordt. Er is een nieuw CCS project aangekondigd onder de naam Aramis. Veel details zijn niet bekend maar uit de eerste berichten van HBR blijkt dat de CO2 reductie grotendeels buiten de Rotterdamse haven zal liggen en CO2 mogelijk per binnenvaartschip of zeeschip wordt aangevoerd. Er is eventueel een koppeling met de landleiding van Porthos mogelijk. • H-Vision was eerder een visie, maar is nu een concreet project dat bij BP is gepland. We zien dit als beoogd. • De mogelijkheden voor stoomuitwisseling zijn groot maar over dit project is geen nieuwe informatie beschikbaar dus we blijven bij onze eerdere inschatting. • Elektrificatie door middel van elektrodeboilers en warmtepompen. Met name voor de elektrische boilers zien we veel vergunningaanvragen bij de industrie. Uit eerdere doorrekeningen door DCMR volgt een potentieel van 300 kiloton per maatregel, dus totaal 600 kiloton.

Naar verwachting is de realisatie na 2025 dus deze maatregelen tellen alleen op voor het effect in 2030. • Er worden steeds meer walstroomvoorzieningen gerealiseerd of komen dichter bij de uitvoering. Alleen walstroom voor de binnenvaart telt mee voor de CO 2-Reductie.Walstroom voor de zeescheepvaart (waaronder cruiseschepen en containerschepen geldt als internationale zeevaart en telt daarom niet mee. Het effect van walstroomvoorzieningen op de CO2-uitstoot is ongewijzigd ten opzichte van de vorige doorrekening. Effect maatregelen Voor Haven en Industrie zijn alleen effecten in scope 1 bepaald. Er zijn echter wel degelijk gevolgen voor scope 2 emissies. Met name de elektrolysers en elektrificatie van industriële projecten zorgen voor een toename van het elektriciteitsverbruik en hebben impact op de infrastructuur (elektriciteitsnetten). Als er niet voldoende aanbod van wind op zee is zullen deze projecten leiden tot een toename van emissies in scope 2. Voor de berekening van scope 1 effecten is er van uitgegaan dat het aantal vollasturen dat elektrolysers worden ingezet zal zijn afgestemd op het aanbod van windenergie. Status 2023 2025 ‘Zeker + Verwacht’ 22 222 ‘Beoogd’ 6 215 Totaal 28 436 Tabel 15 – Effect van de maatregelen Haven en industrie, CO 2-reductie Scope 1 (kton)

2030 222 4961 5182

Er wordt een beperkt aantal projecten voor 2025 gerealiseerd. De eerste grote elektrolysers worden in 2025 en 2026 gerealiseerd en projecten voor afvang en opslag van CO2 zullen pas na 2026 of later tot CO2-reductie leiden. De CO2-effecten op de lange termijn (2030) zijn groter (5.182 kton) dan bij de eerdere berekeningen is bepaald (3.708 kton). Dat is vooral toe te rekenen aan het project H-Vision. Inmiddels is voor dat project het traject voor de milieueffectrapportage gestart. Project Porthos en alle daaraan gerelateerde afvanginstallaties bij de klanten hebben als gevolg van de uitspraak van de Raad van State inzake stikstofbeleid vertraging oplopen en zullen daardoor pas na 2025 effect hebben op de CO2 uitstoot. Bij het thema Haven en Industrie zijn er de meeste mogelijkheden om de restopgave voor 2030 in te vullen. Het potentieel van de aanvullende maatregelen is groot, zo blijkt uit diverse

blad 23 van 38

publicaties van het havenbedrijf17. Niet alle maatregelen die het havenbedrijf daarbij benoemt hebben invloed op de CO2-uitstoot van Rotterdam. Zo voorziet het project Aramis net als Porthos in de opslag van CO2 in reservoirs onder de Noordzee. De CO2 wordt echter voor het grootste deel aangevoerd met (zee)schepen van buiten de haven en zorgt dus niet voor een CO2-reductie binnen Rotterdam (of de haven). Voor toekomstige doorrekening is het zinvol deze maatregelen nader tegen het licht te houden als de maatregelen zijn uitgewerkt in concrete plannen.

3.4

Schone Energie Omschrijving thema en maatregelen

Schone energie omvat de inzet op hernieuwbare energie uit wind en zon. Voor wind betreft het de projecten die al in procedure zijn of die naar verwachting de komende jaren uit worden gevoerd. Grootschalige projecten in Rotterdam dragen bij aan de vergroening van de landelijke energiemix, doordat er minder fossiele bronnen hoeven worden ingezet voor de opwekking van elektriciteit. De reductie van CO2-uitstoot vindt plaats in scope 2. Ook de energiesector valt onder dit thema. Tot de energiesector behoren de kolencentrales en de warmtekracht centrales (WKK’s) die worden ingezet voor levering aan het landelijk elektriciteitsnet. Er zijn ook WKK’s die voornamelijk leveren aan de industrie, echter deze vallen onder het thema Haven en Industrie. Uitstoot in de energiesector valt onder scope 1. Effect maatregelen Energie uit hernieuwbare bronnen Status 2023 2025 ‘Zeker + Verwacht’ 297 307 ‘Beoogd’ 6 22 Totaal 303 329 Tabel 16 – Effect van de maatregelen Schone energie, CO2-reductie Scope 2 (kton)

2030 359 6 361

Volgens de berekeningen zal de vermeden CO2-uitstoot door fossiele bronnen in 2030 totaal 367 kton bedragen. Bij de berekeningen is aangenomen dat schone energie een gasgestookte elektriciteitscentrale vervangt. De projecten voor wind die de grootste bijdrage leveren aan het behalen van de doelstellingen zijn “Repowering landtong Rozenburg” en “Harde en zachte zeewering”

Voor zon betreft dit “Zonnepark slufter” Voor het thema Schone energie worden de doelen voor de zichtjaren niet uitgedrukt in een CO2-effect maar in aantallen installaties of opgesteld vermogen. De ambitie is om een opgesteld vermogen te hebben van 350 MW wind op land en 750 MW zon-PV. In het coalitieakkoord zijn verder onder andere doelstellingen opgenomen voor de oppervlakte zon-PV op daken in 2026 (3,2 miljoen m 2 zonnepanelen). Omdat er geen doelstellingen zijn voor de CO2-reductie kan daar in het kader van deze doorrekening ook niet aan worden getoetst. Toetsing van gerealiseerd geïnstalleerd vermogen aan ambities voor 2030 valt niet binnen de kaders van deze doorrekening.

17 https://www.portofrotterdam.com/nl/haven-van-de-toekomst/energietransitie

Blad 24 van 38

Sluiting Kolencentrales Het betreft de sluiting van de twee kolencentrales op de Maasvlakte. Bij de vorige doorrekening werd een ander referentiejaar gebruikt. Status 2023 2025 2030 Zeker 0 0 5.778 Totaal 0 0 5.778 Tabel 17 – Effect van de maatregel Sluiting kolencentrales, CO2-reductie Scope 1 (kton) Sluiting van de kolencentrales in 2030 betekent dat de uitstoot van de centrales in het referentiejaar wegvalt. Bij deze doorrekening geldt 2021 als referentiejaar met een aanzienlijk hogere uitstoot dan in de jaren daarvoor als gevolg van een toegenomen productie van elektriciteit. Er is een aantal omstandigheden die invloed hebben op de CO2 -uitstoot van de kolencentrales. Zo was een wettelijke beperking (van 35%) op inzet van kolen voor de elektriciteitsproductie van kracht. Deze is echter in 2022 opgeheven om het dreigend tekort aan aardgas op te vangen. De geplande verkoop van Power Plant Rotterdam is teruggedraaid. Tegelijkertijd was dit bedrijf in de zomer van 2022 gesloten vanwege groot onderhoud. Gezien de grote invloed van externe omstandigheden op de productie van de kolencentrales is er grote onzekerheid is over de CO2-uitstoot van die centrales in de komende jaren. We rekenen daarom (net zoals bij de andere thema’s) met een scenario waarbij de uitstoot in 2030 gelijk blijft aan de uitstoot in het referentiejaar.

De totale uitstoot van de kolencentrales bedroeg 5.778 kton. De verwachting is wanneer de kolencentrales sluiten in 2030 de CO2-uitstoot daalt met 5.778 kton. Omdat dit vastgelegd is in wetgeving is er sprake van een zekere maatregel.

3.5

Effect voor lucht Inleiding

De effecten van de CO2-maatregelen voor de luchtkwaliteit worden hier kort beschreven. Als achtergrondinformatie wordt verwezen naar de eerdere rapportages18. Twee algemene uitgangspunten worden hier nog herhaald: • Voor CO2 maakt het niet uit waar de winst geboekt wordt, voor luchtkwaliteit gaat het om de blootstelling van mensen. Bronnen als binnenstedelijk verkeer zijn dan belangrijk ook al zijn de tonnen vermeden emissie vaak beperkt. • Elektrificatie van verkeer verlaagt de uitstoot van CO2 en van verbrandingsemissies. Echter, voor de uitstoot van fijnstof is dat veel minder relevant, omdat de slijtage van wegen en voertuigen en het opwervelen van wegenstof inmiddels een belangrijkere factor is dan fijnstof afkomstig van verbranding. Volumebeleid en modal shift beleid zijn dan belangrijkere maatregelen. In deze rapportage vermelden we alleen tonnen vermeden emissies en niet geschatte of berekende luchtkwaliteitseffecten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=06e8b1e1-9f3c-4e12-892a-574946c95a81