CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb002643] Bijlage behorende bij 23bb002642 over Hoogbouwvisie inclusief addendum

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 17 mei 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen12.623 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Circulair systeem Het hierboven beschreven systeem levert een veel groter circulair systeem op dan het huidige afvalsysteem. Essentieel hierbij is dat er vooraf wordt nagedacht over het inzamelingsysteem in het gebouw én dat hier ruimte voor wordt gemaakt (of gereserveerd) in leidingen en ruimtes. 51

IWPlwl

4.4. ENERGIE EN KLIMAAT Energie Wie tegenwoordig een bijzondere toren wil maken, maakt een slimme toren met een goed klimaat door natuurlijke en slimme energiezuinige elementen in te bouwen. Het gebouw presteert hoog door keuzes in de manier waarop het gebouw energie krijgt, hoe de systemen voor verwarming en koeling worden gehanteerd en hoe en in welke mate de natuur wordt gebruikt in de klimaatbeheersing en de verblijfskwaliteit van een gebouw. De oriëntatie, vorm en schil van een gebouw spelen een belangrijke rol in de energiehuishouding, evenals de installaties, de inrichting en de manier waarop een gebouw wordt gebruikt. De inval van zonlicht moet een belangrijke rol spelen bij de vormgeving van gebouwen. Ramen die open kunnen zorgen voor natuurlijke ventilatie. Wind kunnen we gebruiken om energie op te wekken en voor natuurlijke koeling. Hemelwater kan dienstdoen als secundaire watervoorziening. Diepliggende ramen leveren zon in de winter en schaduw in de zomer. Een dubbele gevel zorgt voor stilstaande lucht en maakt op grote hoogte aangename buitenruimtes mogelijk. Duurzame verwarmingssystemen zoals geothermische energie, warmte- en koudeopslag en gebruik van restwarmte kunnen worden toegepast, mits hiervoor ruimte is in de directe ondergrond. Plantenkassen en vides kunnen worden ingezet ten behoeve van het klimaat.

Mits strategisch geplaatst en op eigenschap geselecteerd dragen ze daadwerkelijk bij aan bijvoorbeeld een juiste vochtigheidsgraad en CO2-reductie. Daarnaast leveren groene daken een energiereductie op doordat ze koelen in de zomer. Het toepassen van vernieuwende maatregelen voor het opwekken van energie in hoogbouw wordt gestimuleerd. Door de hoogte van het gebouw kan mogelijk wind gebruikt worden om energie op te wekken, maar ook geïntegreerde en mee-ontworpen zonnepanelen in de (zuid)gevel kunnen bijdragen aan de energievraag van het gebouw. Daarnaast heeft hoogbouw een mix aan functies die op verschillende momenten of gelijktijdig, warmte óf koeling of beide tegelijk, nodig hebben. Slim schakelen tussen warmte en koude binnen een gebouw kan het energieverbruik verder terugdringen.

52

Klimaat In alle gebieden waar hoogbouw mogelijk wordt gemaakt zijn oplossingen nodig voor klimaatproblemen. Op alle locaties is er actie nodig op het bergen van hemelwater. Uitgangspunt is dat een gebied een bui van 70 millimeter per uur moet kunnen bergen. De plot waar hoogbouw wordt gerealiseerd draagt hieraan bij. Dit betekent dat er een ruimte is die kan dienen als waterbuffer; dit kan het dak zijn of/ en een oplossing in de directe buitenruimte die mede vanuit het gebouw wordt gerealiseerd als compensatie zoals een waterplein of een wadi. Daarnaast is er in (hoog)stedelijk gebied sprake van hitte-eilanden. Door het gebrek aan (grootschalig) groen en veel verharding is de temperatuur hier hoger, op sommige plekken zelfs bijna 10 ^ warmer dan in andere gebieden in Rotterdam. Vergroenen van daken met intensieve beplanting helpt hierbij, maar ook de eerdergenoemde natuurlijke ventilatie van gebouwen helpt om uitstoot van airco’s te beperken.

Elk nieuwe hoogbouwontwikkeling moet waar mogelijk rekening hou­ den met een maximale benutting van wind, zon, vergroening en syner­ gie tussen functies om een bijdrage te leveren aan de energie opgave en de klimaatdoelen van de stad.

' ft tf

-

■

'1 in ai i .

I ff B I F"

dakakker Schieblock 53

4.5. MULTIFUNCTIONEEL DAKLANDSCHAP Er zijn veel voorbeelden te vinden van fantastische multifunctionele daklandschappen. Dit hoeft niet altijd te betekenen dat het dak compleet vergroend wordt, maar het contrasteert wel met de harde materialen van de stad. In een stad waar verdichting zorgt voor concurrentie op ruimte is het daklandschap, en daarmee de vijfde gevel, essentieel om zaken zoals speelplekken, waterberging, tegengaan hitte stress, etc. goed op te lossen. Gelaagde stad In Rotterdam is er sprake van een gelaagde stad; verschillende hoogtes maken de stad. Dit betekent automatisch dat hogergelegen programma (wonen of kantoren) uitkijkt op het daklandschap van de lagergelegen gebouwen. Het merendeel van deze daklandschappen bestaat nu uit grind, liftopbouwen, airco’s en andere utilitaire zaken. Voor de vormgeving van daken moet meer aandacht komen bij nieuwe ontwikkelingen. Laagbouw Delen van hoogbouw zijn lager dan de toren zelf (zie verschijningsvorm h2). Voor deze lagergelegen daken moet een volwaardige inrichting komen die een toevoeging is voor de omgeving én diverse functies combineert. In een binnenstad met hogere temperaturen (hittestress), een tekort aan waterberging, plekken om te spelen, sporten of verblijven en weinig ecologische diversiteit zijn deze lagergelegen daken een essentiële toevoeging om deze problemen op te lossen.

Een goede investering in een multifunctioneel dak is een toevoeging voor zowel bewoners als de omgeving. Denk aan een koelere omgeving, minder energieverbruik, een aantrekkelijker vormgegeven daklandschap, groen dichter bij huis, reducering van geluid en fìjnstof én een grotere biodiversiteit. Hoogbouw Het dak van de top van de toren van hoogbouw, is vooral waarneembaar van een afstand. Dit deel van hoogbouw draagt nadrukkelijk bij aan de skyline van de stad. De beëindiging van de toren is hiervoor cruciaal. Technische zaken moeten niet zichtbaar zijn. Waar er op de laagbouw sprake is van een mogelijk gebruik van het dak en zicht op het dak, ligt dit voor de top van een toren anders. Een combinatie van opvang van water (wellicht met een opvang op het lagere deel van het gebouw) en het gebruiken van zon en wind voor energie, levert hier ook mogelijke koppelingen op die kunnen helpen bij een multifunctioneel daklandschap dat bijdraagt aan een gezonde en klimaatbestendige stad.

VOOR MEER INFORMATIE OVER DE BATEN EN VOORDELEN VAN DAKEN ZIE: www.multifunctioneledaken.nl

54

m m

rìi

ī)

W

Am

Collectieve buitenruimte versus prive buitenruimte Bij het inrichten van hoogwaardige openbare ruimtes in en op hoogbouw die toegankelijk zijn voor elke gebruiker in een hoogbouwinitiatief, is het niet verplicht om privébuitenruimte aan te bieden. Het daklandschap moet een combinatie van functies bevatten, waar vanzelfsprekend alle noodzakelijke technische zaken goed zijn ingepast. Voor de gebieden in de hoogbouwzone ligt de focus vooral op: groen, gebruik, water en energie. Er is een duidelijk verschil tussen het lage(re) dak en het hoge(re) dak.

‘UW®

ĽĴ3

LI ^

I.1. " 1

ļjįľiLI

įjļįmįį^

am , ... - T

f '

schoolplein op dak: Jan Prinsschool Rotterdam rm

mm iįùĄl.'/ tŵ Ki*-------

!nlimn ir.......

verkoeling, waterberging en groene verblijfsplek Erasmus MC 55

4.6. PARKEREN Om aantrekkelijke openbare ruimtes te kunnen waarborgen die van groot belang zijn voor de leefbaarheid van de stad, stelde de afdeling mobiliteit de Beleidsregeling parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018 vast. Het gebruik van de fiets blijft toenemen en dit vraagt om voldoende voorzieningen van goede kwaliteit. Met het vaststellen van het nieuwe parkeerbeleid is de parkeernorm voor fietsen geïntroduceerd. De nieuwe parkeernorm kan als instrument dienen om te bepalen hoeveel fiets- en autoparkeerplaatsen er moeten worden gerealiseerd voor transformatie- en nieuwbouwprojecten. Tot de mogelijkheden behoort dubbelgebruik voor de auto met andere al gerealiseerde programma’s of het gebruiken van (al dan niet openbare) parkeergarages. Zo hoeven in de nieuwe ontwikkeling minder parkeerplaatsen gerealiseerd te worden en benutten we een deel van de leegstand in bestaande parkeergarages. Het nieuwe parkeerbeleid maakt het mogelijk bijzondere vrijstellingen toe te kennen waardoor minder autoparkeerplaatsen gerealiseerd hoeven te worden. Onder andere de nabijheid van OV-stations is een criterium om een bijzondere vrijstelling te krijgen; dit is afhankelijk van de afstand tot het OV en het type. Daarnaast wordt er voor het realiseren van extra fietsparkeerruimte bovenop de fietsparkeernorm een bepaald percentage aan vrijstelling verleend.

Een opkomende trend is de deelauto: niet iedere bewoner heeft een eigen auto in bezit maar ze gebruiken deelauto’s. In verhouding kunnen vijf gewone parkeerplaatsen vervangen worden door één parkeerplaats voor een deelauto. Het structureel aanbieden van Mobility as a Service (MaaS) voor alle gebruikers verlaagt de parkeereis eveneens. Het toepassen van een of meerdere van deze concepten in een ontwikkeling leidt tot het naar beneden bijstellen van de parkeereis. Vrijstellingen leiden wel tot het uitgangspunt dat nieuwe bewoners en gebruikers van deze gebouwen géén vergunning meer kunnen krijgen voor parkeren op straat. Naast de vermindering van het aantal autoparkeerplaatsen en het stellen van een fietsparkeernorm moeten de parkeerplaatsen die gerealiseerd worden wel van goede kwaliteit zijn. Dit houdt in dat fietsparkeren functioneel en goed toegankelijk moet zijn. Dus geen te steile helling en fietsstallingen die voor alle verschillende types fietsen zoals de bakfiets, bruikbaar en bereikbaar zijn. De fietsenstalling moet goed te bereiken zijn vanaf de straat zodat deze goed gebruikt zal worden en er geen ophoping van fietsen in de openbare ruimte ontstaat. Indien er opstelplaatsen nodig zijn dan moeten deze een plek binnen het gebouw krijgen zodat dit geen ruimteclaim legt op de openbare ruimte.

56

fì

Am

Het nieuwe beleid voor de parkeernormen maakt het mogelijk om vrij­ stellingen te krijgen voor het aantal te realiseren autoparkeerplaatsen. Hierdoor kan er een verduurzaming van mobiliteit plaatsvinden en kan de leefbaarheid van de stad gewaarborgd blijven. De dominante rol van parkeren in de openbare ruimte kan hiermee beperkt wor­ den. Tevens introduceert deze regeling ook een fìetsparkeernorm: de stijging in fìetsverkeer vraagt om het realiseren van kwalitatief goede fietsenstallingen.

57

IJ-

l

PRINCIPES

HOOGBOUW: STAD

HOOGBOUWZONE

HOOGTE

ONDERGROND

BRANDVEILIGHEID

60

De grens van de hoogbouwzone voor de binnenstad blijft en wordt uitgebreid met Pompenburg en de omgeving Rijnhaven. Daarnaast worden nog drie gebieden toegevoegd waar ook hoogbouw mogelijk wordt gemaakt. Het gaat hier om Feyenoord City, Hart van Zuid en Alexanderknoop.

Er is sprake van hoogbouw als een gebouw hoger is dan 70 meter. Voor de binnenstad wordt er in deze hoogbouwvisie een maximumhoogte van circa 250 meter gesteld langs de stadsas. Voor de andere gebieden waar hoogbouw mogelijk wordt gemaakt is de maximale hoogte 150 meter.

Per gebied moet er vooraf een quickscan worden gemaakt op een aantal aspecten. Hierdoor is het mogelijk snel een uitspraak te doen over de mate waarin de ondergrond kansen biedt voor hoogbouw. Hierbij gaat het om zaken zoals: te verwachten zettingsgedrag als gevolg van lokale omstandigheden, eventueel aanwezige gevoelige objecten in de directe omgeving, Geohydrologische omstandigheden en in de omgeving aanwezige KWO’s.

Bij iedere ontwikkeling zal in een vroeg stadium van het ontwerptraject een gesprek met de Gemeente moeten worden aangegaan omtrent de brandpreventie. Zo kan vanaf het begin in kaart gebracht worden welke vraagstukken er liggen in het kader van de brandveilig­ heid. De benodigde ingrepen kunnen dan tijdig worden meegenomen in de ontwikkeling.

61

İİ-

l

HOOGBOUW: STRAAT

DE GROUNDSCRAPER

CULTUURHISTORIE

ARCHITECTUUR

VERSCHIJNINGSVORM

62

Het patroon van straten, pleinen en kades is leidend voor de nieuwe bebouwing. Hoogbouw dient onderdeel te zijn van een (groter) ste­ delijk weefsel en specifiek aan te sluiten op de Rotterdamse laag. De Rotterdamse laag en de invulling van de plint vormen en activeren de stedelijke ruimte.

Hoogbouw zal zich door opbouw, geleding, materialisatie en positionering met respect moeten voegen in de bestaande stad. Uitgangspunt is hierbij: niet slopen, tenzij.

De architectuur van de hoogbouw moet de kwaliteit nastreven die zowel in de welstandsnota Rotterdam als in het architectuurbeleid wordt omschreven. De beëindiging van een toren moet zo vormgegeven worden dat de technische zaken aan het zicht worden onttrokken. Er moet extra aandacht besteed worden aan de kwalitatieve afwerking van de gemeenschappelijke ruimtes binnen de hoogbouw.

De plint moet transparant en verticaal geleed zijn en meerdere ruim­ tes (met deuren) hebben om recht te doen aan de stad op ooghoogte. Daarnaast hangt de hoogte van de onderbouw af van de zogenoem­ de Rotterdamse laag. Deze Rotterdamse laag kan per gebied ver­ schillen en is de gemiddelde bebouwingshoogte in een gebied, meest­ al tussen de 15 en 25 meter.

63

IJ-

l

64

fì

rin

Vloeroppervlakte Boven de Rotterdamse laag (onderbouw) mag maximaal 50 procent van de totale onderbouw als toren bebouwd worden. Boven de Rotterdamse laag mag de diagonaal van de toren niet groter zijn dan 56 meter (40 x 40 meter, een oppervlakte van 1.600 m2). Door een diagonaal te gebruiken, wordt gestimuleerd dat er daadwerkelijk torens worden gemaakt in plaats van andere gebouwvormen. Bij gebouwen onder de 150 meter is er vanaf 70 meter een diagonaal van 42 meter (30 x 30 meter, een oppervlakte van 900 m2). Het kan voorkomen dat er, bij een plot die kleiner is dan 3.200 m2 BVO, een initiatief is voor een hoogbouwontwikkeling waarbij boven de 70 meter metrages gewenst zijn van meer dan 900 m2 BVO. Een belangrijk uitgangspunt is dat het programma van de plint nadrukke­ lijk bijdraagt aan de kwaliteit van de omgeving van het gebouw. Dit betekent tenminste een plint waarvan een substantieel gedeelte een (semi)publiek karakter heeft. Dit uitgangspunt bepaalt mede de hoe­ veelheid programma die mogelijk gerealiseerd kan worden binnen de toren. Vanzelfsprekend blijven alle andere eisen zoals voor wind, zon, flexibiliteit en dergelijke van toepassing.

XXL regeling Er zijn een paar plekken in Rotterdam waar meer aaneengesloten ruimte beschikbaar is. Hier is meer ruimte en flexibiliteit om op een goede manier de utilitaire functies in te passen. Daarnaast is er op deze plekken sprake van een relatief grote onderbouw. Deze verschaft een grotere vrijheid voor het plaatsen van hoogbouw. Bij een grondoppervlakte groter dan 3.200 m2 BVO (2 x 1.600 m2) is het toegestaan 50 procent van het grondvlak te nemen als uitgangspunt voor het volume boven de Rotterdamse laag, zonder dat er een maximumdiagonaal wordt gesteld; hiervoor is wel een vrijstelling van het college van B en W nodig.

PROGRAMMA EN PLINT

WIND

66

riM

Utilitaire functies moeten zo goed mogelijk ingepast worden binnen de rooilijnen van het gebouw en aan de minst publieke zijdes van het gebouw. Dit geeft de mogelijkheid om de publieke zijdes van het gebouw onderdeel te maken van de stad. De Rotterdamse laag dient gehandhaafd te blijven en een beperkt deel van de oppervlakte mag gebruikt worden om daadwerkelijk hoogbouw te realiseren. Op deze manier wordt er een grotere plint toegevoegd die bijdraagt aan de stad op ooghoogte. Daarnaast is het van belang dat hoogbouw bijdraagt aan de stedelij­ ke mix van de stad. Dit houdt in dat niet alleen commerciële maar ook maatschappelijke functies een plek kunnen krijgen in de plint.

Wind Algemeen Voor windonderzoek moet de NEN 8100 worden gebruikt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar; deze worden allebei gemeten. Windgevaar is nooit toegestaan. Wind en gebieden Om ervoor te zorgen dat het windklimaat binnen de grenzen blijft, zijn aan de voorkant van het ontwerpproces oriënterende windonderzoeken verplicht. Deze metingen worden op basis van studies of masterplannen gedaan en geven een eerste beeld waar zich mogelijke knelpunten bevinden. Wind en gebouwen Tijdens het ontwerpproces van een gebouw worden vóór het vaststellen van een voorlopig ontwerp oriënterende windonderzoeken gedaan. Door deze maatregelen is bij een uiteindelijke realisatie van hoogbouw de kwaliteit gegarandeerd en kan worden aangetoond wat de aandachtsgebieden zijn rond nieuwe hoogbouwinitiatieven. Vorm en hoogte kunnen op deze manier in een vroegtijdig stadium onderzocht worden en de uitkomsten kunnen worden meegenomen in het ontwerpproces. De finale check gebeurt met een windonderzoek op basis van het definitief ontwerp. Windkwaliteitsklassenkaarten Als vooraf bekend is wat de ambitie is op een plek, kan dit op tijd meegenomen worden in het ontwerpproces en kan er tussentijds en achteraf getoetst worden. Het ambitiniveau is daarom op windkwaliteitsklassenkaarten weergegeven. De kaartlegenda is gebaseerd op de windkwaliteitsklassen uit de NEN 8100.

Deze kaarten (met toelich­ ting) moeten voor verschillende gebieden binnen de hoogbouwzone (met een straal van 300 meter rond het gebied) worden opgesteld en worden vastgesteld door het college.

67

IJ-

l

ZON

HOOGBOUW: GEBOUW

ONTMOETING

68

riM

Per gebied zijn er sunspots en/of representatieve ruimtes aangewezen. Deze zijn gekozen op basis van loopstroomdata, tijden van gebruik en verblijfscijfers. Ook is er per plek een tijd weergegeven waarbinnen er geen, dan wel geringe afname mag zijn van zon.

Het stimuleren van ontmoeting moet een van de speerpunten zijn bij de ontwikkeling van hoogbouw. Dit gaat de eenzaamheid van bewoners tegen, is een goed middel om ondermijning te bestrijden en draagt bij aan een verhoogde woonkwaliteit en betrokkenheid. Uitgangspunt voor elk gebouw is dat er een multifunctioneel plein moet zijn waar uitwisseling tussen personen en functies centraal staat. In het gebouw moeten routes zo vormgegeven worden dat vanuit elke entree (ook parkeren) het plein onderdeel van die route is. Het is niet mogelijk direct vanuit de parkeergarage naar de woonverdieping te gaan. Iedere bewoner komt eerst door de hal voordat hij/ zij naar de woonverdieping kan gaan. Zo gaan we anonimiteit tegen en stimuleren we ontmoeting. Elk nieuw hoogbouwinitiatief moet naast een ruimtelijke onderbouwing ook een onderbouwing geven over hoe ontmoeting wordt georgani­ seerd in het gebouw. Uitgangspunt hierbij is dat anonimiteit pas achter de voordeur begint. Dit moet bij het begin van de ontwikkeling helder zijn. De gemeenschappelijke ruimtes in een gebouw moeten hoogwaardig en kwalitatief vormgegeven worden. Het moeten plekken zijn die uit­ nodigen tot ontmoeten en verblijven.

69

IJ-

l

FLEXIBILITEIT

AFVAL

ENERGIE EN KLIMAAT

MULTIFUNCTIONEEL DAKLANDSCHAP

PARKEREN

70

Bij nieuwe hoogbouwinitiatieven moet er een check zijn op de flexibiliteit van een gebouw. Is het in de toekomst mogelijk om een gebouw een andere functie te geven zonder dat er majeure (en meestal te dure) ingrepen nodig zijn.

Circulair systeem Het hierboven beschreven systeem levert een veel groter circulair systeem op dan het huidige afvalsysteem. Essentieel hierbij is dat er vooraf wordt nagedacht over het inzamelingsysteem in het gebouw én dat hier ruimte voor wordt gemaakt (of gereserveerd) in leidingen en ruimtes.

Elk nieuwe hoogbouwontwikkeling moet waar mogelijk rekening hou­ den met een maximale benutting van wind, zon, vergroening en syner­ gie tussen functies om een bijdrage te leveren aan de energie opgave en de klimaatdoelen van de stad.

Het daklandschap moet een combinatie van functies bevatten, waar vanzelfsprekend alle noodzakelijke technische zaken goed zijn ingepast. Voor de gebieden in de hoogbouwzone ligt de focus vooral op: groen, gebruik, water en energie. Er is een duidelijk verschil tussen het lage(re) dak en het hoge(re) dak.

Het nieuwe beleid voor de parkeernormen maakt het mogelijk om vrij­ stellingen te krijgen voor het aantal te realiseren autoparkeerplaatsen. Hierdoor kan er een verduurzaming van mobiliteit plaatsvinden en kan de leefbaarheid van de stad gewaarborgd blijven. De dominante rol van parkeren in de openbare ruimte kan hiermee beperkt wor­ den. Tevens introduceert deze regeling ook een fìetsparkeernorm: de stijging in fìetsverkeer vraagt om het realiseren van kwalitatief goede fìetsenstallingen.

71

IJ-

l

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=2b1d4682-30e3-497a-9b75-7a40918e90f0