CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb002624] Bijlage 1 behorende bij 23bb002623 over ontwerpbestemmingsplan "Hoogvliet Zuidwest"

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 6 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Hoorzitting ontwerpbestemmingsplan Hoogvliet Zuidwest34.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

Plangebied Het bestemmingsplan "Hoogvliet Zuidwest" maakt het mogelijk dat op een aantal locaties circa 600 woningen worden toegevoegd. Deze locaties waren veelal al mogelijk in de bestemmingsplannen "Hoogvliet Noordwest" en "Hoogvliet Maasranden". Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moeten deze locaties, daar waar de ontwikkelingen nog niet zijn gerealiseerd, op grond van de Wet geluidhinder als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden onderzocht. Het betreft de op onderstaande kaart aangegeven locaties, waarbij wordt opgemerkt dat de locaties ZW6, ZW9, ZW10 en ZW11 na het verrichte milieuonderzoek bij nader inzien niet in het bestemmingsplan worden opgenomen.

47

!J®ļ itEi

Htíogvliet

ļ Ito*

Figuur: globale ligging van locaties voor nieuwe woningen.

6.4.1

Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied

Stedelijk- -gebied

Aantal rijstroken

1 of 2

3 of meer

1 of 2

3 of 4

5 of meer

200 meter

350 meter

250 meter

400 meter

600 meter

Zonebreedte

Buiten-

-stedelijk-

-gebied

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

48

Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek zijn weergegeven in onderstaande tabel. Weg

Locatie

Reken punt

Hoogte rekonpunt

Hoogste Lden

[m]

[dB]

Overschrijding [ja/nee] Voorkeur [48 dB]

Maxiniaal [53/63 dB5]

Aveling

76-82

7,5

51

Ja

(63) Hee

Baarsweg

93-94

1,5-7,5

59

Ja

(63) Hee

ZW2

Groene Kruisweg

26-42

7,5-16,5

59

Ja

(63) Hee

ZW3

Alle

alle

alle-

sM8

Hee

Hee

ZW4

Groene Kruisweg

75-76

7,5

53

Ja

(63) Hee

Baarswog

13-16. 20

1,5-4,5

56

Ja

(63) Hee

Posweş

23-26

1,5-4,5

51

Ja

(63) Hee

Kruisnetlaan

29-31,35

4,5-19,5

50

Ja

(63) Hee

A15

6

7,5

52

Ja

(53) Hee

Mosoel straat

18

1,5-10,5

53

Ja

(53) Hee

AI5

10-12, 14, 18, 29-36, 52-55, 66,67

7.5

52

Ja

(53) Hee

ZW1

ZW5 ZW6 ZW7

ZW8

ZW9

Alle

alle

alle-

^48

Hee

Hee

ZWlo

Aveling

1-7, 34-37

7,5

58

Ja

(63) Hee

Tabel Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige situaties per zoneplichtige weg.

Stedelijke wegen Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting op de locaties ZW1, ZW2, ZW3, ZW4, ZW5, ZW6, ZW7 en ZW10 vanwege één of meerdere voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen de voorkeurswaarde (48 dB) wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) wordt daarbij niet overschreden.

Rijksweg A15 Uit de tabel blijkt dat bij locatie ZW7 en ZW8, die zich binnen de geluidszone van de Rijksweg A15 bevindt, de voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor een buitenstedelijke weg (53 dB) wordt daarbij niet overschreden.

6.4.2

Railverkeer

Spoor Het havenspoor ten noorden van het plangebied is relevant. Dit spoortraject is aangegeven op de landelijke Geluidplafondkaart. De geluidszone van dit spoortraject is afhankelijk van de hoogte van de geluidproductieplafonds (GPP's) op de betrokken referentiepunten (art. 1.4a Besluit geluidhinder). De GGP's langs het spoortraject PM ter hoogte van het plangebied variëren van 57 dB tot 72 dB. De geluidszone langs deze spoorlijn is 900 meter. De ontwikkellocaties ZW7 en ZW8 (waar nieuwe geluidsgevoelige functies kunnen worden toegevoegd) die binnen de geluidszone van 900 meter vanaf het spoor zijn gelegen zijn onderzocht op de geluidsbelasting veroorzaakt door het railverkeer. De maximaal toegestane geluidsbelasting, die bij railverkeer 68 dB bedraagt, wordt op locaties ZW7 en ZW8 niet overschreden. Alle berekende geluidsbelastingen vanwege railverkeer kunnen daarom door het college van Rotterdam als hogere waarden worden vastgesteld.

49

6.4.3

Industrielawaai

Geluidscontour In het Rijnmondgebied zijn reeds in de jaren 90 rond meerdere industrieterreinen, waarop de zogeheten ‘grote lawaaimakers’ zich bevinden, geluidcontouren van 50 dB(A) vastgesteld. Een vastgestelde geluidcontour mag door de op het industrieterrein gelegen bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidszone. Alle ontwikkellocaties in het plangebied liggen binnen de geluidszone van het industrieterrein “Botlek-Pernis”. De ontwikkellocaties ZW7 en ZW8 liggen binnen de geluidszone van het industrieterrein “Vettenoord, Vulcaanhaven”. Beide industrieterreinen zijn daarom in dit onderzoek relevant.

Zeehavennorm Voor industrieterreinen is standaard een maximaal te ontheffen geluidniveau mogelijk tot en met 55 dB(A). Conform artikel 60 van de Wgh kan in een gebied gelegen binnen een bestaande zone van een industrieterrein met activiteiten die zeehavengebonden zijn en die noodzakelijkerwijs in de open lucht plaatsvinden, voor woningen waarvan de geluidbelasting in hoofdzaak wordt bepaald door die activiteiten, een waarde worden vastgesteld van ten hoogste 60 dB(A), indien deze woningen worden gebouwd in het kader van een herstructurering, of planmatige verdichting van een bestaand woongebied, of wanneer de woningen worden gebouwd aansluitend aan het bestaande woongebied en slechts sprake is van een beperkte uitbreiding van het bestaande woongebied. Op de industrieterrein "Botlek-Pernis" vindt veel containeropslag en containeroverslag plaats. Deze activiteiten worden noodzakelijkerwijs in de openlucht verricht. Er is in Hoogvliet Zuidwest sprake van een beperkte uitbreiding van het bestaande woongebied. Voor de geplande woningen op deze locaties is daarom de zeehavennorm van toepassing.

Regionaal Afsprakenkader geluid en ruimtelijke ordening (RAK) Op 8 juli 2015 hebben verschillende partijen waaronder de gemeenten in de Rijnmondregio en het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) het “Regionale afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling” (RAK) getekend. In dit convenant zijn afspraken gemaakt over de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de geluidzones van "Europoort - Maasvlakte" en "Botlek - Pernis". Doel van het convenant is om geluidoverlast vanwege activiteiten in het havengebied te beperken en het realiseren van een zo hoog mogelijke woon- en leefkwaliteit bij woningbouwontwikkelingen in het havengebied zonder daarbij de milieugebruiksruimte van de haven te beperken. Woningbouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom zo vroeg mogelijk in het planproces te worden afgestemd met de betrokken partijen (HbR en DCMR). In het RAK zijn onder andere procesafspraken gemaakt met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Binnen de geluidzone worden de 1 dB geluidcontouren (60 tot 55 dB(A) en 55 tot 48 dB(A)) gehanteerd voor het vaststellen van hogere waarden. Voor gevels hoger dan 5 meter boven maaiveld gelden de volgende toeslagen: a. Voor de vierde, vijfde en zesde woonlaag wordt de hogere waarde met 1 dB verhoogd. b. Voor de zevende en hogere woonlagen wordt de hogere waarde met 2 dB verhoogd.

Vettenoord, Vulcaanhaven De voorkeurswaarde vanwege dit industrieterrein wordt niet overschreden. Botlek-Pernis Op de locaties ZW2 t/m ZW4 en ZW7 t/m ZW10 de voorkeurswaarde van 50 dB(A) vanwege het industrieterrein Botlek-Pernis overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een gezoneerd industrieterrein voor nieuwe woningen bij toepassing van de zeehavennorm (60 dB(A)) wordt daarbij echter niet overschreden

50

6.4.4

Scheepvaartlawaai

Voor Scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidsbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs scheepvaartroutes. De bijdrage van afgemeerde schepen van het industrieterrein "Botlek - Pernis" in de Vettenoord/Vulcaanhaven zijn voor dit bestemmingsplan relevant. De maximaal berekende geluidbelasting van afgemeerde schepen is 54 dB op locatie ZW8. In het kader van het bestemmingsplan is de geluidbelasting van afgemeerde schepen op industrieterrein Botlek-Pernis berekend. Daarmee is de bijdrage van nestgeluid bepaald in relatie tot de geluidweringstoets onder de regels van de Crisis- en herstelwet en de Omgevingswet. Onder de Crisis­ en Herstelwet is geen extra geluidwering nodig bij een ligplaatsbezetting van 30oZo. In geval van een ligplaatsbezetting van 70oZo zou op twee locaties een hogere benodigde geluidwering van 1 tot en met 2 dB nodig zijn. Onder de Omgevngswet zou er vanwege de bijdrage nestgeluid op beide locaties extra geluidwering van 1 tot en met 2 dB nodig voor zowel de situatie met 30oZo ligplaatsbezetting als de situatie met 70oZo ligplaatsbezetting.

Indien een ontwikkeling daadwerkelijk wordt mogelijk gemaakt op deze locatie dan zal om de binnenwaarde onder de Chw en de Omgevingswet te garanderen extra benodigde geluidwering toegepast dienen te worden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het voor Botlek-Pernis maatgevende spectrum voor nestgeluid.

6.4.5

Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige situaties), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: » « » » »

de hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); de hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen); de gecumuleerde geluidsbelasting; maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie; de regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB).

6.4.5.1 Wegverk eerslawaai Op diverse locaties wordt de voorkeurswaarde als gevolg van één of meerdere wegen overschreden. Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. Hieronder wordt ingegaan op de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen. Bronmaatregelen:

Rijksweg A15 Op de A15 geldt, ter hoogte van het plangebied, op dit moment een maximum snelheid van 100 km/u. Naar verwachting is een verlaging van de maximum snelheid op deze weg binnen een afzienbare termijn niet aan de orde. Gelet op de (toekomstige) ontwikkelingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied is een vermindering van (vracht)verkeer op de A15 niet aan de orde. Het huidige wegdek van de A15, met uitzondering van de op- en afritten die uit DAB bestaan, bestaat uit 2 laags ZOAB. Door vervanging van 2 laags ZOAB door 2 laags ZOAB-fijn kan een geluidreductie worden behaald van circa 1 dB. Deze maatregel geeft onvoldoende reductie om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeurswaarde. De bevoegdheid voor het aanleggen van dubbellaags ZOAB-fijn op de rijkswegen ligt bij Rijkswaterstaat.

Aveling, Groene Kruisweg, Posweg, Kruisnetlaan en Mosoelstraat

51

Op deze wegen ligt ter hoogte van de geluidbelaste locaties momenteel DAB. Met het toepassen van stillere asfalttypes, bijvoorbeeld akoestisch geoptimaliseerd Steenmastiekasfalt (SMA-NL 8G+), op deze weg is het mogelijk een geluidreductie van 2 á 3 dB te bereiken. Door de aanleg van een stiller wegdek op deze wegen kan de geluidbelasting vanwege de op locaties ZW2, ZW4, ZW7 en ZW10 niet tot de voorkeurswaarde worden gebracht.

Baarsweg Op de Baarsweg ter hoogte van de locatie liggen momenteel klinkers in keperverband. Met het toepassen van een (stiller) wegdektype, bijvoorbeeld stille klinkers of akoestisch geoptimaliseerd Steenmastiekasfalt (SMA-NL 8G+), op deze weg is het mogelijk een geluidreductie van ca. 3 tot 5 dB te bereiken. Door de aanleg van een stiller wegdek op deze wegen kan de geluidbelasting vanwege de Baarsweg op locaties ZW1 en ZW5 niet tot de voorkeurswaarde worden gebracht.

Overdrachtsmaatregelen:

Rijksweg A15 Langs de A15 zijn reeds geluidwallen en schermen gerealiseerd, het verhogen van deze schermen zal gezien de hoogte van de geluidbelasting niet doelmatig zijn. Gezien de afmetingen van de geluid belaste locaties en de afstand tot de weg is afstand vergroting niet aan de orde. De bevoegdheid voor een eventuele verhoging van de geluidschermen ligt bij Rijkswaterstaat.

Gemeentelijke wegen Door een verdubbeling van afstand tot de weg kan de geluidbelasting met 3 dB worden gereduceerd. Het vergroten van afstand kan bij het stedenbouwkundig ontwerp van de locaties worden overwogen. De wegen bevnden zich in een stedelijk gebied. Het plaatsen van een geluidscherm langs deze wegen is vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk/wenselijk.

30-km/u-wegen: Conform het gemeentelijke ontheffingsbeleid alsmede ten behoeve van een Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO) van een ruimtelijk plan dient de geluidbelasting vanwege niet-zoneplichtige geluidbronnen bij dat plan inzichtelijk te worden gemaakt. Uit indicatief onderzoek is gebleken dat de geluidbelastingen als gevolg van 30kmZu wegen met maximale verkeersintensiteiten van 600 mvt/etmaal bij klinkers, 900 mvt/etmaal bij klinkers in keperverband en 1400 mvt/etmaal bij asfalt over het algemeen kleiner dan of gelijk aan 53 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh) zijn. Met de DCMR is in maart 2009 afgesproken dat dergelijke wegen niet in een geluidonderzoek betrokken hoeven te worden. De geluidbelasting vanwege relevante 30 km/u wegen met etmaalintensiteiten boven de genoemde waarden wordt wel inzichtelijk gemaakt. De Haifaweg is in dit opzicht relevant, want heeft een etmaalintensiteit van 1575 mvt/etmaal. De geluidsbelasting is echter kleiner dan 53 dB.

6.4.5.2 Railverk eerslawaai De voorkeurswaarde vanwege railverkeerslawaai wordt niet overschreden, er hoeven geen maatregelen te worden overwogen.

6.4.5.3 Industrielawaai Botlek-Pernis De voorkeurswaarde van 50 dB(A) wordt op de locaties ZW2, ZW3, ZW4, ZW7, ZW8, ZW9 en ZW10 vanwege het industrieterrein "Botlek-Pernis" overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege dit industrieterrein met toepassing van de zeehavennorm (60 dB(A)) wordt daarbij niet overschreden. Maatregelen bij de ontvanger zijn wenselijk.

52

Voor het industrieterrein "Botlek-Pernis" is reeds een saneringsprogramma vastgesteld en uitgevoerd. Daarin zijn de relevante bronmaatregelen onderzocht en uitgevoerd. Overdrachtsmaatregelen, zoals het plaatsen van een lang scherm langs de industrieterreinen heeft weinig tot geen effect, omdat het hierbij om een uitgestrekt industrieterrein gaat waarop de geluidbronnen verspreid liggen. Tevens zijn er wegens de aanwezigheid van hoge geluidbronnen hoge geluidschermen nodig. Het plaatsen van een hoog scherm nabij het plangebied is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Bovendien is het plaatsen van lange en hoge schermen langs het industrieterrein of het plangebied niet doelmatig en financieel niet haalbaar. Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 50 dB(A) (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels.

Het realiseren van een binnenwaarde van 35 dB(A) bij de beoogde locaties is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

6.4.5.4 Cumulatie geluid De gecumuleerde geluidsbelasting wordt bepaald als er sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde bij een geluidsgevoelige locatie door meer dan één soort geluidbron. Binnen het plangebied is er sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde bij locaties als gevolg van wegverkeer en industrie. Op meerdere locaties is op een aantal rekenpunten sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van zowel wegverkeer als industrielawaai. Uit de resultaten blijkt dat de locaties beschikken over minimaal 1 geluidluwe zijde. Indien de te realiseren woningen niet eenzijdig georiënteerd worden kunnen deze voldoen aan het ontheffingsbeleid.

6.4.5.5 Ontheffingsb eleid Rotterdam Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidsbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB. Bij woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidskwaliteit hebben, ook als de geluidsbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai. Bij de nieuwbouwwoningen is de locatie, de oriëntatie en de vormgeving nog vrij. Een nieuwbouwwoning zal daarom altijd over een geluidluwe gevel kunnen beschikken. Daarom worden de hogere waarden voor de nieuwbouwwoningen verleend onder voorwaarde dat deze woningen over ten minste één geluidluwe gevel beschikken.

Wegverkeer Alle locaties beschikken vanwege wegverkeerslawaai over minimaal één geluidluwe zijde. Indien de beoogde woningen op de locatie niet eenzijdig georiënteerde worden, kunnen deze voldoen aan het ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam.

Industrie Alle locaties beschikken vanwege industrielawaai over minimaal één geluidluwe zijde. Indien de beoogde woningen op de locatie niet eenzijdig georiënteerde worden, kunnen deze voldoen aan het ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam.

53

Realisatie geluidluwe zijde Voor de geluidsbronnen wegverkeer en industrie geldt dat bij de indeling van de woningen rekening gehouden moeten worden met de eis uit het Rotterdamse geluidbeleid dat per woning minimaal één geluidluwe zijde is, met zo mogelijk aan die zijde een slaap- en woonkamer en indien van toepassing een buitenruimte.

6.4.5.6 Hogere waarden Vanwege de bovenstaande redenen zal aan het college worden voorgesteld de hoogste berekende geluidsbelasting van een geluidsbron (een weg, een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein) op een locatie als hogere waarde vast te stellen. Deze hogere waarde geldt dan als maximaal toegestane geluidsbelasting vanwege de betreffende geluidsbron op de betreffende locatie. Een uitzondering hierop vormen de situaties waarin de hoogste berekende geluidsbelasting hoger is dan de maximaal toegestane geluidsbelasting. Bij gevels waar dit speelt kan mogelijk de geluidsbelasting worden teruggebracht door het aanbrengen van een vliesgevel (een geluidscherm aan de woningen), of een loggia of binnenbalkon. Een andere mogelijkheid om bij een overschrijding van de wettelijk maximale geluidsbelasting woningen te kunnen realiseren is het toepassen van een 'dove gevel'. Deze goed geïsoleerde gevels hoeven niet aan de normen uit de Wet geluidhinder voor de geluidsbelasting op de gevel te worden getoetst (maar moeten wel aan de norm voor de binnenwaarde voldoen). In de bestemmingen Wonen en Wonen - 1 is opgenomen dat woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder (Bijlage 2 bij de planregels), uitsluitend zijn toegestaan als wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen voorwaarden. Locatie

Bestemming

Zoneplichtige bron Wegverkeer

Industrie [dB(A)ĵ

Aveling Wonen

Baarsweg Groene Kruisweg

Wonen Wonen

Botlek-Pernis Botlek-Pernis Groene Kruisweg

Wonen

Botlek-Pernis Baarsweg

Wonen

Posweg

ZW6

Wonen Wonen

Kruisnetlaan Kruisnetlaan

50

ZW7

Wonen Wonen

A15

52

Mosoelstraat

53

-

Botlek-Pernis

-

5821

A15

52

-

Botlek-Pernis

-

602'

Botlek-Pernis

-

562)

Aveling

58

-

Botlek-Pernis

-

53

ZW8

Wonen

ZW9

Wonen

ZW10

Wonen

1) Deze waarden zijn inclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. 2) Met toepassing van zeehavennorm.

54

6.5

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: « » » » »

er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

55

6.5.1

Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkeling die in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt betreft de realisatie van 309 woningen. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (307o van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan "Hoogvliet Zuidwest" blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde. Enkele bestemmingen staan kinderdagverblijven en scholen toe.

Conform de "Beleidsregel buitenklimaat: luchtkwaliteit bij scholen en kinderdagverblijven" zijn nieuwe kinderdagverblijven en scholen echter niet toegestaan binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg of binnen 100 meter vanaf de rand van de snelweg. In artikel Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang van de planregels is geregeld dat binnen de gemengde en maatschappelijke bestemmingen geen nieuwe kinderdagverblijven en scholen zijn toegestaan binnen 50 meter vanaf de rand van de Aveling en binnen 100 meter vanaf de rand van de A15.

6.5.2

Conclusie

Het bestemmingsplan "Hoogvliet Zuidwest" zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan "Hoogvliet Zuidwest".

6.6

Geur

Beleid en Normstelling Er is geen wettelijk kwantitatief beoordelingskader voor geur. Het beperken van bestaande geurhinder en het voorkomen van nieuwe geurhinder vindt in het havengebied vooral plaats via de milieuvergunningverlening aan bedrijven. De aanpak van geur is vastgelegd in het 'Geurbeleid kerngebied Rijnmond' (provincie Zuid-Holland, 2005) en de Beleidsnota geurhinderbeleid (provincie Zuid-Holland, 2010). Deze aanpak kan als volgt worden samengevat: Het streven is dat geen geur van de inrichting buiten de terreingrens waarneembaar mag zijn. Dit streven wordt via maatregelen en een algemene zorgplicht voor bedrijven om continu te werken aan vermindering van (kans op) geuremissies vastgelegd in de vergunning. Aan het uitgangspunt 'het voorkomen van additionele bijdragen van geur(hinder) aan de aanwezige hoge geurbelasting van het Rijnmondgebied' wordt invulling gegeven door het toepassen van de Best Beschikbare Technieken (BBT) volgens de Europese richtlijn Industriële Emissies (2010-75-EC), onder in beschouwing nemen van de specifieke bedrijfssituatie en geurhindersituatie. Daarbij wordt in de praktijk een indeling in drie maatregelniveaus onderscheiden, die als 'vangnet-voorschrift' worden opgenomen in de vergunning: » »

Maatregelniveau I: 'buiten de terreingrens mag geen geur afkomstig van de inrichting waarneembaar zijn'. Maatregelniveau II: ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geur afkomstig van de

56

inrichting waarneembaar zijn'. Maatregelniveau III: ter plaatse van een geurgevoelige locatie mag geen geuroverlast veroorzaakt worden door de inrichting'.

»

In de praktijk streeft de DCMR namens de provincie Zuid-Holland naar het realiseren van maatregelniveau I en valt slechts in specifieke situaties waar dit niveau niet haalbaar blijkt terug op maatregelniveau II.

Onderzoek en conclusie In het Rijnmondgebied is sprake van een mate van geurbelasting. De geurcontouren van 1 ge/m3 als 98-percentiel (als richtwaarde voor een goede milieukwaliteit) liggen tot op een afstand van circa 10 km vanaf de industriële bronnen in het havengebied. Op onderstaande figuur is af te lezen dat het plangebied zowel binnen 3 ge/m3 als 98-percentiel ligt. Binnen dit gebied is niet uitgesloten dat af en toe geur waarneembaar is. Omdat het plangebied nauw aansluit op de bestaande woonbebouwing en er sprake is van een geringe toevoeging aan de woningvoorraad wordt de geurhinder ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar geacht. Daarnaast wordt verwacht dat een verdergaande dalende trend in geurbelasting en daarmee in geurhinder en geurklachten, als gevolg van verdergaande maatregelen bij de industrie en de scheepvaart, zal zijn. Bij effectieve uitvoering van de Geuraanpak Rijnmondgebied bij vergunningverlening, mag verwacht worden dat geen nieuwe geurhinder ontstaat.

Cl 1ÜQiňtiJW-P

I

I lļtfm'ffl-11

1

I i OBím158-P

Geurconloure

Brrr- ūCMFt Figuur: Geurcontouren Rijnmondgebied

57

6.7

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.7.1

Plangebied

Maasranden De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Op de kaart is op basis van historische gegevens over het gebruik van de grond een inschatting gemaakt over de potentiële bodemverontreiniging. In Hoogvliet-Maasranden is in 1958 begonnen met woningbouw op de Meeuwenplaat, nadat de locatie bouwrijp is gemaakt met een meter zand gewonnen in het Haringvliet. In 1964 worden de eerste woningen in de woonwijk Zalmplaat gebouwd, dat volledig is opgehoogd met schoon zand en gebiedeigen grond. De contactzone is licht verontreinigd. De ondergrond is schoon. Er is een geringe kans op puntbronnen. Voor de bestemming woningbouw vormt bodem geen belemmering. De overgebleven buitendijkse delen van de vroegere opgeslibte en bekade zandplaat langs de Oude Maas. Het buitendijkse gebied heeft steeds onder invloed gestaan van eb en vloed in de periode 1950 - 1985, toen de rivier sterk vervuild was en sterk verontreinigd slib kon sedimenteren. Dit geldt niet voor de vroegere Visserspolder, dat is opgespoten met onderhoudsbaggerslib. De contactzone is sterk verontreinigd. De ondergrond is er licht verontreinigd. De bodem is geschikt voor de huidige bestemmingen.

Voor eventuele bouwplannen in het woongebied dient in het kader van een omgevingsvergunning nader verkennend bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Noordwest

58

Zone 92a: De eerste woonbebouwing in Digna Johanna/Nieuw Engeland verscheen in de jaren ’30. In de zuidwestkant van de polder Nieuw Engeland tegen de Noordzijdsedijk aan werd het “Shell-dorp” gebouwd. Tussen 1950 en 1956 werd in hoog tempo de rest van de wijk Nieuw Engeland gerealiseerd. Om zetting te beperken werden met een mengsel van zand en koolas de sloten gedempt en het gebied verder opgereden. Tussen 1955 en 1960 werd ook de polder Digna Johanna op een soortgelijke manier volgebouwd.Vanaf 1995 begon een omvangrijk stadsvernieuwings-programma waarbij op sommige bouwlocaties koolasplekken werden verwijderd. De contactzone (bovenste 1 meter) is licht verontreinigd. De ondergrond is hier matig verontreinigd. Er is matige kans op puntbronnen (concentraties met plaatselijk een hogere verontreiniging). Zone 92c: In 1954-1955 werd de Westpunt opgespoten met onderhoudsbaggerspecie uit de havens. Tussen 1958 en 1962 werd de wijk Westplaat gerealiseerd op de loswal. Er werd verder opgehoogd met teelaarde, waarbij deze werd gemengd met de onderliggende baggerspecie. Bijna het gehele gebied is opgehoogd met sterk vervuild materiaal, de contactzone is matig verontreinigd. De kans op puntbronnen is klein. Zone 92c1: In de oorlog werden in de Hoogvlietse haven munitieresten gestort.

Tussen 1945 en 1963 werd de haven en de noordelijke kade gebruikt als stortplaats van afval, waaronder chemisch afval. In 1968 werd de haven en het Hoogvlietse kanaal verder gedempt en opgehoogd met zand. In 1982 vond een gedeeltelijke bodemsanering plaats, gevolgd door een tweede tussen 1991 en 1993. Daarbij werd de stort helemaal verwijderd. De bodem is nu geschikt voor gebruik Zone 92h: Het Ruigeplaatbos is tussen 1935 en 1952 opgehoogd met nieuw baggerwerk, waarschijnlijk schone grond uit de haven en de rivier. Er wordt aangenomen dat zowel de ondergrond als de contactzone schoon zijn. Er is een geringe kans op puntbronnen.

6.7.2

Conclusie

De bodem is geschikt voor de huidige bestemmingen. Voor eventuele bouwplannen dient in het kader van een omgevingsvergunning eerst een geschiktheidverklaring te worden verkregen, o.a. door het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek.

59

6.8

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

6.8.1

Transport gevaarlijke stoffen over weg

Ten noorden van het plangebied ligt de snelweg A15, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het plangebied ligt binnen de 200 meter zone van het Bevt van de snelweg A15. Dit betekent dat (de verandering van) het groepsrisico van deze risicobron verantwoord moet worden. De ontwikkelingen liggen, met uitzondering van ZW8, die op 170 meter ligt, op meer dan 200 meter van deze transportroutes wat erop duidt dat de bijdrage aan het groepsrisico van de A15 gering zal zijn.

Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtgebied van dit wegdeel van de A15 voor nieuwe bouwwerken bedraagt een afstand van 30 meter.

60

Alle ontwikkelingen vallen buiten de contouren van het plaatsgebonden risico 10-6 van alle risicobronnen.

6.8.2

Transport gevaarlijke stoffen over rail

Ten noorden van het plangebied ligt de spoorlijn Betuwelijn, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het plangebied ligt binnen de 200 meter zone van het Bevt van deze doorgaande spoorlijn. Dit betekent dat (de verandering van) het groepsrisico van deze risicobron verantwoord moet worden. De ontwikkelingen liggen op meer dan 200 meter van deze transportroute wat erop duidt dat de bijdrage aan de groepsrisico's van het spoor gering zal zijn.

6.8.3

Transport gevaarlijke stoffen over water

Ten zuiden en westen van het plangebied ligt de Oude Maas, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het plangebied is gelegen binnen de 200 meter zone die genoemd wordt in artikel 8 lid 1 van het Bevt, van de Oude Maas. Voor de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen over de Oude Maas (zeevaart route) is echter geen vastgestelde rekenmethodiek beschikbaar. Daarom moeten de risico’s van het transport over de Oude Maas kwalitatief beschouwd worden.

6.8.4

Leidingen

6.8.4.1 Aardgas De volgende hogedrukleidingen van de Gasunie gaan door het noordelijk gedeelte van het plangebied: A517, A536, A537 en A 559. Binnen de 10 letaliteitszone liggen de volgende ontwikkelingen: « » * *

A517: ZW8; A536: geen; A537: ZW9; A559: ZW8.

De leidingen hebben geen 10-6 contour. De groepsrisico's van de A-537-deel-1 en de A-517-deel-1 zijn kleiner dan 300 van de oriëntatiewaarde, die van A-536-deel-1en A-559-deel-1 zijn nagenoeg nul.

6.8.4.2 Leiding voor propyleen De propyleenleiding loopt oostelijk van Hoogvliet en buiten het plangebied Hoogvliet Zuidwest. De 10 letaliteitszone schampt het plangebied. Binnen de 1o zone heeft het gebied een landelijk karakter, er zijn geen (beperkt) kwetsbare gebouwen. Alle ontwikkelingen van Hoogvliet Zuidwest liggen buiten deze zone. Deze leiding is dus niet relevant en is daarom niet verder onderzocht.

6.8.4.3 Leiding voor chloor Deze leiding loopt buiten het plangebied. De 10-6 plaatsgebonden ricisocontour ligt buiten het plangebied. De 10 letaliteitszone van de chloorleiding gaat wel over het plangebied. Deze leiding is dus relevant en is onderzocht in het kader van dit bestemmingsplan. De 10-6-plaatsgebonden risicocontour is berekend op het hart van de chloorleiding. De norm voor het plaatsgebonden risico levert daarom geen beperking op voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maak, omdat die buiten de contour zijn gelegen. De hoogte van het groepsrisico wordt met name bepaald door de afstand van personen tot de risicobron (de chloorleiding) en de (lage) persoonsdichtheid in het gebied aan weerszijde van de risicobron. Het richtinggevende scenario is het vrijkomen van toxische stoffen in geval van een lekkage van de buisleiding, waarbij mensen die hieraan bloot worden gesteld gewond kunnen raken of overlijden. Het betreft 10 van het aantal blootgestelden binnen een afstand van 1250 meter van de buisleiding. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie 1,78 maal de oriëntatiewaarde bedraagt en dat planrealisatie een toename tot 1,92 maal de oriëntatiewaarde tot gevolg heeft.

61

6.8.5

Inrichtingen

Bedrijven met invloedsgebieden die over het plangebied heen gaan zijn: Hexion, het emplacement van Prorail in Pernis, de Raffinaderij van Shell en Koole. Door de grote afstanden tot het plangebied spelen de plaatsgebonden 10-6 contouren van deze bedrijven geen rol. De invloed van de ontwikkelingen binnen Zuidwest op het groepsrisico van deze bedrijven is wel onderzocht.

Groepsrisico Hexion Door de ontwikkelingen neemt het groepsrisico van 0,0043 niet toe en blijft kleiner dan 1o0o van de oriëntatiewaarde.

Groepsrisico Emplacement Pernis (Prorail) Door de ontwikkelingen neemt het groepsrisico van 0,01417 niet toe en blijft kleiner dan 10 van de oriëntatiewaarde.

Groepsrisico Shell Raffinaderij Alleen door de ontwikkelingen in "Hoogvliet Midden" en "Hoogvliet Zuidwest" neemt het groepsrisico van de raffinaderij van Shell toe van 0,635 tot 0,751 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico blijft dus kleiner dan de oriëntatiewaarde.

Groepsrisico Koole Het groepsrisico is 17,7 in de huidige situatie. Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het groepsrisico van Koole niet toe.

6.8.6

Conclusie

Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende groepsrisico's van belang gebleken: » » » «

de basisnetroutes A15, het spoor en Oude Maas; de hoge druk aardgasleidingen A517, A536, A537 en A559; de chloorleiding; de bedrijven Hexion, Koole, het emplacement van Prorail in Pernis en de Raffinaderij van Shell.

Alle ontwikkelingen vallen buiten de contouren van het plaatsgebonden risico 10-6 van alle risicobronnen. Dit geldt ook voor alle plasbrandaandachtsgebieden (Basisnet) en de belemmeringstroken van alle leidingen.

Groepsrisico's rijksweg A15, het spoor en Oude Maas Door de ontwikkelingen binnen het plangebied nemen de groepsrisico's van de A15 en het spoor minimaal toe. De groepsrisico's blijven kleiner dan 100 van de oriëntatiewaarde. De toename valt onder de categorie licht van het Rotterdams groepsrisicobeleid. Binnen de 200 meter zone van de rand van Oude Maas liggen alleen deels de locaties ZW3 en ZW4 met tezamen 68 woningen. Het risico van het transport over de Oude Maas is kwalitatief beschouwd volgens de Handleiding Risicoanalyse Transport, omdat de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen met zeeschepen niet kunnen worden berekend.

Groepsrisico aardgasleidingen De ontwikkelingen binnen het plangebied dragen niet bij aan de groepsrisico's die onder 0,3 maal de oriëntatiewaarde blijven. Het groepsrisico verandert niet door de planontwikkelingen.

Groepsrisico chloorleiding Door de ontwikkelingen binnen het plangebied neemt het groepsrisico van de chloorleiding toe van 1,78 tot 1,92 maal de oriëntatiewaarde. Door cumulatie met de twee andere bestemmingsplannen neemt het groepsrisico verder toe tot 2,73. Daarmee is het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde.

Groepsrisico Inrichtingen Door de ontwikkelingen binnen het plangebied blijven de groepsrisico's van Hexion, het Emplacement

62

Pernis en Koole onder 0,3 maal de oriëntatiewaarde en vallen onder de categorie licht van het Rotterdamse beleid ten aanzien van de verantwoordingsplicht. Door de ontwikkelingen binnen het plangebied neemt het groepsrisico van de raffinaderij van Shell toe van 0,635 tot 0,751 maal de oriëntatiewaarde. Door cumulatie met de twee andere Hoogvlietse bestemmingsplannen neemt het groepsrisico verder toe tot 0,88. Daarmee blijft het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. De toename van het groepsrisico valt onder de categorie middel van het Rotterdams groepsrisicobeleid.

Verantwoording groepsrisico Er zijn vanuit wet- en regelgeving en beleid geen belemmeringen om de voorgenomen nieuwe kwetsbare bestemmingen mogelijk te maken. Ten aanzien van het groepsrisico wordt het volgende overwogen. 1. op grond van het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam betekent het voor de risicobronnen van de aardgasleidingen, Hexion, het Emplacement Pernis en Koole dat het groepsrisico geen beperkingen voor de ruimtelijke ontwikkelingen in dit bestemmingplan geeft. Bij de definitieve inrichting van de te ontwikkelen locaties dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Hiermee is het groepsrisico voor deze risicobronnen verantwoord. 2.op grond van het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam betekent het voor de risicobron Oude Maas dat het groepsrisico geen beperkingen voor de ruimtelijke ontwikkelingen in dit bestemmingplan geeft. De omvang van de twee ontwikkelingen, die op een afstand van circa 200 meter van de Oude Maas zijn gelegen, is beperkt en de ontwikkelingen geven geen toename van het groepsrisico, omdat over de vaarlengte van 1 kilometer de populatiedichtheid hierdoor niet significant verandert. De ruimtelijke afscherming van het dijklichaam is hierbij relevant. Hiermee is het groepsrisico voor deze risicobron kwalitatief verantwoord. 3.

op grond van het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam zijn voor de chloorleiding en Shell Raffinaderij de toenames van de groepsrisico’s aanvaardbaar vanwege de volgende redenen: « » » «

het ruimtelijke- en economische belang van de ontwikkelingen voor Hoogvliet is groot en met name de noodzaak tot het bouwen van meer woningen; de populatietoename is beperkt ten opzichte van de bestaande populatiedichtheid; de zelfredzaamheid (vluchtroutes) in het gebied is groot vanwege de wegeninfrastructuur; alle ontwikkellocaties zijn van minimaal twee kanten goed bereikbaar voor hulpdiensten.

Over deze aspecten is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en als Bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Hiermee is het groepsrisico voor deze risicobronnen verantwoord.

6.9

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet

63

natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar1 betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

6.9.1

Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Op de natuurkaart is te zien dat het hele westelijk deel van het plangebied buiten de bebouwde kom is aangewezen als Getijdennatuur of Polder met natuurbeheer. Binnen deze gebieden liggen kleine delen Groene wijkdooradering. Het Ruigeplaatbos is op de kaart aangewezen als natuurparel. De noordrand en zuidoostrand langs de bebouwde kom zijn aangewezen als Parkbos. Verspreid door het plangebied zijn daarnaast zones met Groene wijkdooradering aanwezig. Binnen ontwikkellocaties ZW3, ZW4 en ZW10 ligt aangewezen Groene wijkdooradering. Dit betreffen bomen (populieren) langs de naastgelegen wandelpaden en houtopstanden.

6.9.2

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd va het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Het Natura 2000-gebied Oude Maas is gelegen binnen het plangebied en betreft de Oude Maas en aangrenzende buitendijkse gebieden en grienden. Verschillende onderdelen van dit Natura 2000-gebied liggen in de directe omgeving. Binnen dit Natura 2000-gebied zijn geen aangewezen habitattypen gelegen. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied buiten de Oude Maas betreft het Haringvliet op circa 7,6 kilometer ten zuiden van het plangebied.

64

Het plangebied met een rode contour aangegeven en het Natura2000-gebied in groen.

In en rondom het plangebied liggen meerdere onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN): ^ De Oude Maas en aangrenzende oevers zijn volledig aangegeven als NNN-gebied. Het open water bestaat uit het beheertype N02.01 Rivier- en Moeraslandschap. Op de oevers zijn binnen 1 kilometer tot de grens van het plangebied de beheertypen N01.03 Rivier- en Moeraslandschap, N14.01 River- en Beekbegeleidend bos en N05.04 Dynamisch Moeras, N14.03 Haagbeuken- en Essenbos en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland aanwezig. Het dichtstbijzijnde belangrijk weidevogelgebied ligt op een afstand van circa 3,6 km ten zuidwesten van het bestemmingsplangebied en betreft polder Simonshaven. Dichtstbijzijnd onderdeel ‘strategische reservering natuur’ is aanwezig op een afstand van 17,6 kilometer ten westen van het plangebied en betreft de Schapengors grenzend aan Rockanje.

Voortoets stikstofdepositie Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effecten ontstaan op Natura 2000 gebieden. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende Natura 2000 gebieden aanwezig, te weten naast de ‘Oude Maas’, de ‘Solleveld en Kapittelduinen’, ‘Westduinpark à Wapendal’, ‘Nieuwkoopse Plassen’ en Broekvelden Vettenbroek à Polder Stein’. Natura 2000-gebieden waar nu al sprake is van overbelasting als gevolg van stikstofdepositie betreffen ‘Solleveld en Kapittelduinen’, ‘Westduinpark à Wapendal’, ‘Nieuwkoopse Plassen’. Deze gebieden liggen op meer dan 10 km afstand. De aanleg en het gebruik van de ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Het Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ ligt weliswaar gedeeltelijk binnen dit plangebied, maar het Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ is niet gevoelig voor de depositie van stikstof. Om inzicht te geven in de eventuele bijdrage van stikstofdepositie binnen de genoemde Natura 2000-gebieden is met behulp van het programma AERIUS Calculator een berekening uitgevoerd voor de beoogde eindsituatie met bijhorende verkeersgeneratie en de aanlegfase.

65

6.9.3

Soortbescherming

Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: « »

strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.

Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. Voor uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het Flora en faunaonderzoek.

6.9.4

Conclusie

Beschermde soorten: »

«

» »

In het plangebied zijn potenties voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig, te weten huismus en gierzwaluw. Aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus zijn reeds aangetoond; In het plangebied zijn potenties aanwezig voor de Habitatrichtlijnsoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis; In het plangebied zijn potenties aanwezig voor Nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld van ontheffing zoals steenmarter; In het plangebied zijn potenties aanwezig voor van ontheffing vrijgestelde zoogdieren en amfibieën.

Voor de ontwikkelingen op ZW6, ZW10 zijn negatieve effecten op vleermuizen op voorhand niet uitgesloten indien de aanwezige bomen worden gekapt en/of de naastgelegen bebouwing meer wordt aangelicht dan in de huidige situatie het geval is. Het verlichtingsplan en/of de te rooien bomen dienen voorgelegd te worden aan een deskundig ecoloog ter beoordeling. De gevolgen voor de aanwezige beschermde soorten door de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt dienen in de bouwplanfase (voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden) nader te worden onderzocht. Wellicht blijkt uit die onderzoeken dat een ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig is. Omdat het ontwikkelingen in een stedelijk gebied betreft wordt voor het bestemmingsplan aangenomen dat deze ontheffingen kunnen worden verkregen Op de locaties ZW3 en ZW5 zijn vleermuiskasten aanwezig. Indien de bomen dienen te worden gekapt dient uitgezocht te worden onder welke voorwaarden de vleermuiskasten geplaatst zijn en dienen de vleermuiskasten, al dan niet na goedkeuring van bevoegd gezag, verplaatst te worden. Voor alle ontwikkellocaties is de aanwezigheid van broedvogels niet uitgesloten.

Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette voortplantingsplaatsen van algemene vogels en categorie 5 soorten vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door onder andere buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart - 31 juli). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt in het plantsoen is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Beschermde natuurgebieden: » »

»

Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen nadelige invloed op het Natuurnetwerk Nederland binnen en nabij het plangebied gelegen; Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand niet uitgesloten. De effecten van het planvoornemen op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden dienen nader te worden getoetst; Binnen ontwikkellocaties ZW3, ZW4 en ZW10 ligt aangewezen Groene wijkdooradering. Dit betreffen bomen (populieren) langs de naastgelegen wandelpaden en houtopstanden. Het is onzeker of deze bomen door de ontwikkelingen worden aangetast. Indien dit het geval is dient contact opgenomen te worden met de stadsecologen van de gemeente Rotterdam om af te stemmen of en zo ja, op welke wijze dient te worden gehandeld;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=61d7d06e-e0b2-45d9-a4d5-7d2b51d8c287