[23bb002614] Bijlage 1 behorende bij 23bb002613 over Rapport Gelijke Kansen op toegang tot onderwijs
Tekst van het document
Over de bij de schoolkeuze zo belangrijke eerste contacten met ouders die een school zoeken, hebben de in Rotterdam geïnterviewde directeuren veelal uitgesproken ideeën. De één wil zelf een uitgebreid een-op-een-gesprek voeren, de ander organiseert regelmatig rondleidingen voor groepjes ouders. Veel directeuren geven na de eerste contacten een aanmeldformulier mee, bij sommige scholen staat dat op de website. Nadat zij van de ouders een aanmeldformulier hebben ontvangen, winnen veel scholen op enig moment informatie in bij de VVE-voorziening waar het kind naartoe gaat (en een aantal geïnterviewde directeuren meldt dat dat niet altijd even tijdig en soepel gaat). Die informatie kan leiden tot nadere gesprekken, een enkele keer ook tot nader onderzoek, maar uiteindelijk leidt dit er volgens de directeuren zelden toe dat zij leerlingen niet inschrijven.
Wachtlijsten en inschrijven vóór het derde jaar Enkele van de geselecteerde scholen werken met een wachtlijst. Om een goed beeld te geven van de manieren waarop scholen met hun wachtlijst omgaan, volgt hier een aantal voorbeelden.
26
Op school N2 kunnen ouders na een individueel kennismakingsgesprek aangeven of ze hun kind al dan niet op de wachtlijst willen zetten. Als ze dat willen, vullen ze een contactformulier in. Zodra het kind drie jaar is geworden, is het de bedoeling dat de ouders weer contact met de school opnemen – hun situatie kan immers gewijzigd zijn. Zo kan de school een jaar van tevoren aangeven of er plek is. Dat is afhankelijk van de datum waarop je als ouder op de wachtlijst bent gezet. Broertjes/zusjes en kinderen uit de opvang in de school hebben voorrang. Als er plek is, gaat de school over tot inschrijven. Met andere woorden: wanneer je je kind van bijvoorbeeld één jaar op de wachtlijst laat zetten, dan kom je eerder in aanmerking voor een plaats op de school dan iemand die een kind van twee jaar aanmeldt voor de wachtlijst. Deze werkwijze is in strijd is met de wet: een school mag wél interesselijsten hebben, maar mag ouders daarmee niet automatisch een plaats bieden (zoals op deze school gebeurt). Zie ook het analysekader in hoofdstuk 1. Automatisch een plaats bieden (zoals school N2 doet) mag wettelijk ook niet wanneer er formeel geen wachtlijst is. Dit gebeurt wel op een aantal scholen in dit onderzoek. School N1 heeft een eigen peuteropvang en kinderen die daarop zitten, kunnen ook direct voor de basisschool worden ingeschreven.
De directeur geeft aan dat deze werkwijze niet tot problemen leidt ‘omdat alle kinderen geplaatst kunnen worden’. Maar: inschrijven voordat kinderen drie jaar zijn is hoe dan ook in strijd met de wet, zo merken wij op. Een vergelijkbare situatie is er op school A1. Daar kunnen ouders hun kind na de kennismaking direct inschrijven via een formulier dat ze dan krijgen. De directeur van deze school geeft aan dat dit ook vóór het derde jaar al kan, ‘al is dit niet volgens het officiële beleid’. Maar omdat er geen wachtlijst is ‘maakt dat niet uit’ - het komt zelden tot nooit voor dat een kind niet geplaatst wordt - en ‘voor de prognose is het fijn’, aldus de directeur. School D2 laat kinderen toe op volgorde van aanmelding. Voor zover die aanmelding plaatsvindt vóór de leeftijd van drie jaar is dat in strijd met de wet. Dat geldt ook voor school Y2. Die heeft meer aanmeldingen dan plekken en hanteert het principe ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’. De directeur weet: ‘inschrijven mag officieel vanaf drie jaar’ en vertelt dit ook aan de ouders. Maar de directeur doet ‘niet ingewikkeld; als een kind tweeënhalf jaar is, dan schrijven we het ook in. Dan staat het in het systeem, maar dat systeem is dan nog niet actief. Het kind kan dan wel komen als het vier jaar is.
Ouders hebben niet zo in de gaten dat we meer aanvragen hebben dan plekken.’ In principe worden kinderen op deze school gewoon ingeschreven. En wanneer er kinderen bij de school weggaan, dan belt de school ouders van de wachtlijst om te zeggen dat er een plekje is vrijgekomen. Op school H2 nemen ouders meestal contact op als kinderen anderhalf of twee jaar zijn. Met twee of tweeënhalf jaar nodigt de school deze ouders uit voor een persoonlijk gesprek met iemand van de directie. Daar krijgen ouders een inschrijfformulier mee, meestal melden zij 27
zich dan ook aan. De ouders krijgen volgens de directeur na het aanmelden een bewijs van inschrijving, maar formeel schrijft de school kinderen pas in als die vier jaar zijn. Daarbij merken wij op dat er op deze school in feite sprake is van voorinschrijving, wat in strijd is met de wet. Sommige scholen werken met een loting omdat er structureel een (te) hoog aantal aanmeldingen is. Op één zo’n school in dit onderzoek maken ouders hun interesse doorgaans telefonisch of per mail kenbaar. Vervolgens worden zij uitgenodigd voor een rondleiding, waarvan er ongeveer drie per maand zijn. Als de ouders na de rondleiding enthousiast zijn, kunnen zij hun kind aanmelden voor de loting. Die is vier keer per jaar, na afloop van elk kwartaal. Kinderen worden meegenomen in de loting ná het kwartaal waarin zij drie jaar zijn geworden. Per keer wordt geloot tussen 15 à 30 kinderen, terwijl er steeds plek is voor 8 kinderen. Het programma dat wordt gebruikt bij de loting maakt een willekeurige rangorde. Broertjes en zusjes van kinderen die al op school zitten, krijgen voorrang. De administratie informeert ouders of hun kind is ingeloot of uitgeloot. Als ouders na het inloten nog steeds interesse hebben, wordt het kind ingeschreven.
Deze school biedt daarmee volgens het Kenniscentrum Gemengde Scholen op een aantal punten het goede voorbeeld: de inschrijving vindt plaats ná loting en pas vanaf de wettelijk toegestane minimumleeftijd van drie jaar, de voorrangsregels van de school zijn helder en deze worden goed gecommuniceerd. Onder de scholen die met loting werken is er een, die zo loot dat er in elke klas evenveel jongens als meisjes zitten. Dat wordt gedaan ‘om een evenredige groepsdynamiek te stimuleren’, aldus de directeur. In hoofdstuk 6 komen we daarop terug wanneer we bespreken welke voorrangsregels wel of niet zijn toegestaan. Van de 19 geselecteerde scholen zijn er in totaal 6 die kinderen jonger dan drie jaar inschrijven of voor de derde verjaardag van het kind al een garantie op inschrijving geven (waaronder een school met een officiële wachtlijst). Die werkwijze is in strijd met de wet. De hierboven als tweede besproken school, die met een wachtlijst werkt met een loting onder kinderen die drie jaar zijn, handelt wel conform de wet.
Knelpunten en dilemma’s De geïnterviewde directeuren noemen verschillende knelpunten bij het aanmelden van kinderen voor groep 1. Vaak genoemd worden de dubbele aanmeldingen, dat wil zeggen dat ouders hun kind op meerdere scholen aanmelden. Die dubbele aanmeldingen maken het scholen moeilijk om goed te plannen, omdat je niet zeker weet of leerlingen die zijn aangemeld ook daadwerkelijk komen. Andere knelpunten worden maar enkele keren genoemd, bijvoorbeeld dat ouders afzien van keuze omdat de leerlingpopulatie op een school overwegend een niet-westerse migratieachtergrond heeft (directeur H3), of dat het 28
moeilijk is om een buurtschool te blijven als er aanmeldingen van buiten de buurt komen (directeur N2). Veel genoemd is het knelpunt dat ouders bij het aanmelden niet alle informatie delen over de zorgbehoeften van hun kind en/of dat de informatie uit de overdracht van voorschoolse voorzieningen vaak pas laat komt of onvolledig is. Daarmee hangt het eveneens veelgenoemde knelpunt samen, dat andere scholen in de buurt zorgleerlingen niet aannemen. Dit is een punt waar nu vaak niet transparant mee wordt omgegaan, volgens sommige directeuren. Dat heeft ook te maken met het dilemma dat tussen scholen speelt rond samenwerken of concurreren. Vaak is er wel een vorm van wijkoverleg tussen de schooldirecteuren en hoewel die daar in het algemeen tevreden over zijn, geven zij aan dat het aanmelden voor groep 1 meestal niet op de agenda staat en dat daarover ook geen informatie wordt gedeeld. ‘We zeggen dat we transparant zijn, maar we zijn ook elkaars concurrenten’, aldus de directeur van school N1. Een andere directeur licht dat iets uitgebreider toe: “Er is gewoon concurrentie, scholen zijn zeker niet altijd transparant in waarom een kind niet wordt aangenomen. Ik krijg de indruk dat scholen soms om de ‘verkeerde’ reden weigeren, zoals op basis van achtergrond (migratie, opleiding) of een kleine zorgondersteuning waarin de school makkelijk zou kunnen voorzien.
Dat is mijn ervaring.” (Directeur school D1) Het komt ook voor dat één van de scholen in een wijk niet als concurrent wordt ervaren door de andere directeuren. Dat heeft dan meestal te maken met dat die betreffende school zich op een andere en bredere doelgroep ouders richt, zoals kinderen van buiten de wijk en/of van hogeropgeleide ouders die de hoge ouderbijdrage kunnen betalen. Andere scholen in de buurt klagen er dan wel over dat het op die manier moeilijker wordt om te zorgen dat hun eigen scholen gemengd worden en blijven (en zo een afspiegeling vormen van de buurt of het grotere gebied).
3.2 Aanmelden van zij-instromers Met betrekking tot de vragen over de gang van zaken rond het aanmelden van zij-instromers zijn de verhalen van twee directeuren in Noord illustratief voor de reacties van alle 19 ondervraagde directeuren Wanneer ouders zich aanmelden voor zij-instroom, is de eerste vraag van de directeur op school N2 altijd: is de huidige school ervan op de hoogte dat u hier zit? Daarna wordt pas een afspraak gemaakt. Dat hebben de scholen in de buurt zo met elkaar afgesproken. Ook vraagt deze directeur waarom ouders willen overstappen. Als ouders echt willen overstappen, dan start de formele, zes weken durende, onderzoeksperiode, waarbij onder 29
andere informatie van de huidige school wordt opgevraagd. De rol van de huidige school is volgens de directeur van school N2 om daarbij open kaart te spelen, bijvoorbeeld om ‘ook je handelingsverlegenheid bloot te leggen. Het gaat om het kind, een kind moet altijd beter worden van een overstap, nooit minder. Soms kunnen wij dat bieden, soms niet. En soms denken ouders dat kleinschaligheid zoals bij onze school het antwoord op alles is, maar dat is het natuurlijk niet.’ Na zes weken overleggen school en ouders samen over de opties wat te doen. ‘Het gaat om maatwerk, om wat een kind nodig heeft. Daarnaast moet het kind passen in de groep waar het heengaat.’ Op school N1 maakt men onderscheid tussen leerlingen die uit de wijk komen of niet. Als ouders uit de wijk willen wisselen van school (of zoals de directeur ze noemt; ‘hoppers’) en zich bij school N1 melden, stuurt de directeur hen eerst terug naar de huidige school om aan te geven dat zij willen wisselen en het gesprek daarover aan te gaan. Dat hebben de schooldirecteuren in de buurt zo afgesproken. Als dat gebeurd is, dan kunnen de ouders een rondleiding krijgen op school N1. Daarna is er overleg tussen de beide scholen en hun intern begeleiders. In de rondleiding gaat de school ook het gesprek aan met de ouders over waarom zij de keuze maken om van school te wisselen.
Ook vraagt de school toestemming om contact te leggen met de andere school. ‘Dan gaan wij de school bellen om te kijken of de verhalen met elkaar kloppen. Wat is nu de echte reden van de ouder om de switch te maken?’, aldus de directeur (N1). Bij ouders die naar deze wijk zijn verhuisd, werkt het aanmelden van kinderen die willen wisselen van school iets anders volgens deze directeur. Dan wordt ook informatie uitgewisseld met de huidige school, maar worden ouders minder bevraagd. Bij alle ‘hoppende’ leerlingen, zowel van binnen als van buiten de wijk, gaat de school (N1) na of de zorgbehoefte van het kind past binnen het schoolondersteuningsprofiel. Het contact met de school waar de zij-instromers vandaan komen is cruciaal volgens alle 19 geïnterviewden. Meestal is er eerst contact tussen de directeuren en daarna tussen de intern begeleiders. De enige uitzondering daarop is bij kinderen uit een blijf-van-mijn-lijf huis, zo vertelt een geïnterviewde directeur. Dan mag de school niet weten waar de kinderen eerder op school zaten (en de oude school niet waar ze naartoe gaan). Er is volgens de geïnterviewden een verschil tussen ouders die een andere school in de buurt zoeken en ouders die vanuit een andere buurt of stad verhuizen naar de buurt van de school.
In het contact met ouders die binnen de wijk willen wisselen en hun huidige school wordt vaak nagegaan of wisselen niet te voorkomen is, met het belang van het kind voor ogen. Een veelgehoorde zorg bij de directeuren is namelijk, dat ouders soms vrij makkelijk overstappen als het op een school ‘niet gaat zoals zij willen’. Dat zie je volgens sommige geïnterviewden vaak vlak voor de zomervakantie, wanneer de eindgesprekken worden gehouden en ouders bijvoorbeeld horen dat hun kind blijft zitten. ‘Je wilt voorkomen dat ouders met hun kind gaan ‘shoppen’; dat is niet helpend voor het kind’, aldus de directeur 30
van school Y3. Kinderen uit de buurt ‘hebben immers al een plaats op een goede school’, geeft de directeur van school Y2 aan. Bij verhuizingen uit een andere buurt of stad is dat anders, dan spelen dergelijke afwegingen meestal geen rol en verloopt het traject veelal sneller. Het knelpunt van het verstrekken van juiste en volledige informatie door ouders en de oude school speelt hier ook een rol (net zoals bij het aanmelden voor groep 1 bij ouders en de voorschoolse voorziening). Die informatie is bij kinderen die van school wisselen volgens de directeuren des te belangrijker omdat ‘je met het oog op passend onderwijs wil dat de plaatsing een succes is; het is voor een kind heel ingrijpend als het wéér moet wisselen,’ stelt de directeur van school A2. De school heeft informatie nodig om zorgvuldig na te gaan of die kan bieden wat de leerling nodig heeft. ‘Dat is, behalve van de zorgbehoefte van het kind, ook afhankelijk van de groepsgrootte, de zorgbehoefte in de hele groep en van de leerkracht’, volgens de directeur van school H1. Andere directeuren vullen daarop aan dat het er ook om gaat dat een kind ‘mee kan doen in de routine van de klas’ (H3) en dat het niet alleen gaat om de leerkracht van de huidige groep maar ook van volgende klassen (F3). Ook speelt de vraag mee ‘of er een match is tussen de leerling en de klas, omdat dit invloed kan hebben op beide partijen.
Daarbij gaat het om de emotionele en sociale klik en niet om het cognitieve niveau’ (D3). Het dilemma van samenwerken of concurreren speelt bij zij-instromers opnieuw een duidelijke rol volgens de ondervraagde directeuren. Soms noemen geïnterviewden dat ze behoefte hebben aan meer overleg over zij-instromers, met heldere afspraken en ook aan meer helderheid over de regels rond zorgplicht (en wanneer die begint). Soms noemen geïnterviewden voorbeelden van geslaagd overleg over zij-instromers. Zo wijst de directeur van F3 ter inspiratie naar het PPO-overleg over passend onderwijs: een netwerkoverleg van het Samenwerkingsverband Passend Primair Onderwijs Rotterdam (PPO) tussen de wijkscholen en een PPO-medewerker, waarin een casus anoniem besproken kan worden, om na te gaan welke school iets voor het kind kan betekenen (directeur F3). Maar de directeuren noemen soms ook voorbeelden waarbij scholen hun rol en verantwoordelijkheid niet pakken en ouders van zij-instromers (te) snel doorsturen naar een andere school. In sommige wijken ontstaat dan de situatie dat vooral één school de zij-instromende leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften opvangt. Dat leidt dan bij die ontvangende school bijvoorbeeld tot de genoemde behoefte aan meer overleg en meer helderheid over (de start van) de zorgplicht.
3.3 Overige vragen rond aanmelden De geïnterviewde directeuren geven deels vergelijkbare antwoorden op de vraag wat ‘eerlijk en transparant toelatingsbeleid’ voor hen inhoudt. Vaak beginnen ze met wat dat níet is: 31
beleid dat eruit bestaat dat scholen een hoge ouderbijdrage vragen en dat scholen geen afspiegeling zijn van de buurt en wijk, ook ‘omdat bepaalde ouders de wijk uit fietsen’. Zowel het wel of niet toelaten van leerlingen door scholen als het keuzegedrag van ouders spelen daarbij volgens de directeuren dus een rol . Dat zijn volgens een directeur allemaal manieren waarmee je voorsorteert op een bepaalde populatie leerlingen: “Ouders zonder migratieachtergrond zoeken elkaar op en fietsen de wijk uit naar andere scholen. Dit is de grootste vraag die bij de gemeente neergelegd moet worden en er moet ook met elkaar gekeken worden hoe we dit kunnen tackelen.” (Directeur van school N1) Wanneer de geïnterviewden een positieve omschrijving geven van eerlijk en transparant aanmeldbeleid, dan gaat het vaak over gelijke kansen. ‘Eerlijkheid en transparantie betekent dat elk kind zich optimaal kan ontwikkelen op de plek waar hij of zij het beste past. We moeten meer in het belang van het kind denken’ vindt de directeur van school D1. Een positief argument voor eerlijk en transparant aanmeldbeleid is ‘dat kinderen nooit de dupe mogen zijn van dingen die wij als volwassenen bepalen, daarom moet aanmeldbeleid transparant zijn’, aldus de directeur van school N2.
Wat is er nodig om dat transparante en eerlijke toelatingsbeleid te voeren? De drie ondervraagde directeuren uit de wijk Prins Alexander benoemen dat de gewenste gelijke kansen er niet altijd zijn doordat scholen soms te gemakkelijk een leerling (kunnen) afwijzen. Daarbij zien zij een rol voor de besturen, die in gesprek moeten gaan met deze scholen die in hun ogen bijvoorbeeld de zorgplicht niet nakomen. Die rol van schoolbesturen wordt ook door andere directeuren genoemd. Daarnaast wil een directeur dat ook scholen samen overleggen over ‘hoe we het doen hier in Rotterdam en hoe we elkaar hierop aanspreken’. Als het gaat om wat er nodig is voor een gelijk speelveld, dan zou de directeur van school N1 graag zien dat er een duidelijk beleid en wettelijke kaders komen voor het omgaan met wachtlijsten en loten. Het centraal regelen van het toelatingsbeleid en de inschrijving zoals in Utrecht vindt deze schoolleider goed klinken. Scholen moeten de afgesproken regels dan opvolgen. Zo krijgen ouders volgens deze directeur een heel ander en meer gelijk speelveld. Er zijn ook geïnterviewden zoals de directeur Y1, die hopen dat er geen nieuw systeem komt, zoals een centraal aanmeldbeleid, omdat een nieuw systeem vooral bij laaggeletterde ouders voor moeilijkheden kan zorgen. Twee andere directeuren benoemen dat extra hulp voor ouders kan helpen om kansengelijkheid te bevorderen.
Bijvoorbeeld begeleiding voor ouders die het lastig vinden om een school te kiezen en zich in te schrijven, vanwege de taal of gebrek aan kennis over het onderwijssysteem. Als het gaat over voorlichting aan ouders, verwijzen directeuren regelmatig naar de rol van de gemeente hierin, ook omdat die neutraal is. Directeur Y3 geeft bijvoorbeeld aan, dat het goed zou zijn als er vanuit de gemeente een flyer is met informatie over alle scholen in de 32
wijk. Dergelijke informatie is volgens deze directeur ook goed voor het gelijke speelveld, biedt openheid die kan helpen bij de schoolkeuze en kan aansporen dat ouders zich tijdig oriënteren. De directeur van school H2 zou het goed vinden als de gemeente de plaatsing van kinderen regelt en kinderen met verschillende achtergronden over de scholen in de wijk verdeelt, maar heeft niet de verwachting dat dit in Nederland mogelijk is. Andere directeuren noemen stappen die helpen om in die richting te bewegen. Als eerste stap zou het bijvoorbeeld goed zijn als transparant is hoeveel leerlingen er op een school terecht kunnen (directeur H1), dat is nu meestal niet helder. En ‘als je het aanmelden digitaliseert, dan ben je het schaduwcircuit al kwijt’ (zoals dubbele inschrijvingen en interesselijsten die automatisch tot plaatsing leiden). Dat is mogelijk wanneer gemeente en schoolbesturen zich actief opstellen om dat te organiseren (directeur D1). Daarnaast zou het goed zou zijn als er een meldpunt komt waar ouders terecht kunnen met klachten over aanmelden en toelaten (directeur Y1). Een andere mogelijke stap is een postcodebeleid, ‘en als dat voor alle scholen zo is, wat is dan het probleem?’, aldus directeur F3, die ervoor pleit dat alle kinderen in de buurt naar school gaan en dat de buurtscholen een paar keer per jaar collectief een oudercarrousel organiseren.
(Een oudercarrousel of scholentocht houdt in dat een groepje ouders samen verschillende scholen in een buurt bezoekt, met ruimte voor een algemene inleiding, een nagesprek en onderlinge uitwisseling.) Loting als middel om bij te dragen aan meer gemengde scholen is niet gemakkelijk, volgens één respondent: “Als je echt wilt inzetten op gemengde scholen en je trekt willekeurig tien namen, dan heb je nog je doel niet bereikt. Of je moet gaan loten met een bepaalde verhouding [van hoog en laag opgeleide ouders], bijvoorbeeld 70-30, maar daar moet je dan heel transparant in zijn. Misschien is zo wel het doel van een gelijk speelveld te bereiken, maar hoe doen we het dan met de individuele kennismakingsgesprekken?” (directeur N2) Het uitgangspunt bij dit alles moet zijn: ‘wat is goed voor onze kinderen? Zoals een school in nabijheid, elkaar kennen in de buurt’ (directeur F4).
Op de voorgelegde casus wordt door de drie geïnterviewde directeuren in de wijk in Prins Alexander hetzelfde gereageerd: zij herkennen dit niet uit de eigen school en vinden het onacceptabel. Wel kennen ze, soms van een eerdere werkplek, dit soort verhalen van andere scholen in Rotterdam. De directeuren noemen vooroordelen (over taalachterstand) als mogelijke oorzaak van het ‘wegsturen’ van ouders, of de angst om andere (potentiële) ouders af te schrikken, als die vrezen voor lagere scores als meer leerlingen met een lagere sociaaleconomische status (SES) op de school komen. Eén directeur zegt: ‘Het systeem houdt dit in stand. De druk die er ligt op het presteren door de scholen is heel hoog’. 33
Deze reacties zijn illustratief voor de meeste geïnterviewden. Vaak herkennen zij de beschreven informele praktijk en geven ze aan dat die ook in Rotterdam voorkomt. De directeur van school N1 ziet het als een typisch voorbeeld van selecteren, ‘waardoor de gelijke kansen van het kind worden ontnomen'. Ook de directeur van school H3 herkent dit van ouders die naar deze school zijn verwezen: ‘het gebeurt regelmatig, ik krijg ouders binnen die precies met dit verhaal komen'. Op één van de ondervraagde scholen melden zich soms ouders aan die eerst op een andere school in de wijk wilden inschrijven (die niet aan dit onderzoek deelneemt), maar zonder duidelijke reden werden geadviseerd een andere school te zoeken. De directeur vermoedt dan dat de migratieachtergrond een reden is, maar navraag hiernaar levert ‘vooral sociaal wenselijke antwoorden op’. Een andere directeur werkte eerder op een (‘witte’) school in een andere wijk, waar vaker kinderen werden afgewezen.
‘Zelfs als je dan als moeder met een hoofddoek wél in het juiste postcodegebied woont, ga je daar gewoon geen plekje krijgen.’ De directeur van school F4 stelt ook dat je goed kunt zien ‘dat hierbij iets niet goed gaat in Rotterdam’ en dat kun je volgens die directeur ook zo laten zien: “Zo’n 70 procent van de Rotterdammers heeft een migratieachtergrond, dus dan zou je alleen gemengde scholen verwachten.” Een hoge ouderbijdrage wordt ook regelmatig genoemd als manier die sommige scholen zouden gebruiken om ouders informeel te selecteren. Formeel is de ouderbijdrage vrijwillig, maar de vraag is hoe ouders dat ervaren: “Er zijn natuurlijk scholen met een ‘toegangskaartje’ van 80 euro per jaar. Die weten op die manier ouders buiten de deur te houden. En ik weet ook dat ouders zich op dat soort scholen niet altijd even welkom voelen. De ouderbijdrage wordt gepresenteerd als vrijwillig, maar dat is ‘ie niet, er zit een bijsmaakje aan.” (Directeur school F3) Wat niet alleen bij het onderstaande voorbeeld maar in veel interviews opvalt, is de grote betrokkenheid van geïnterviewde directeuren bij kansengelijkheid en een gelijk speelveld. Bijvoorbeeld: “Ik ben het onderwijs ingegaan om het verschil te maken. Ik vind de stand van zaken omtrent het aanmelden in Rotterdam een groot probleem. Jammer dat het zo is. Ik wil daar iets mee, maar dan heb ik wel hulp nodig.
Je hebt daar meer partijen voor nodig. Meer directeuren willen dit, maar wij weten de weg niet.” (Directeur van school D1)
34
4 Interviews met ouders Op 14 van de 19 scholen die meededen aan dit onderzoek is een interview gehouden met één of meer ouders. Op de overige vijf scholen is het ondanks de inspanningen van onder meer de directeuren niet gelukt om met ouders te spreken. Dit hoofdstuk bevat de bevindingen uit de gehouden gesprekken, geordend per cluster vragen uit de vragenlijst. (Zoals toegelicht in hoofdstuk 3 had ordenen naar wijk enkele nadelen.) De geselecteerde scholen hebben in verband met de anonimiteit een code gekregen, waarnaar in de tekst wordt verwezen. De letter verwijst naar de wijk waar de onderzochte buurt in staat, het cijfer naar de daar onderzochte school. Op de scholen die hieronder tussen haken staan, is het niet gelukt een ouder te spreken. Buurt in welke wijk
Code ouder
Noord
N1, N2
IJsselmonde
Y1, [Y2], Y3
Prins Alexander
A1, A2, A3
Hillegersberg-Schiebroek
[H1], H2, H3
Delfshaven
D1, D2, [D3]
Feijenoord
[F1], F2, F3, F4, [F5]
4.1 Aanmelden voor groep 1 Keuzemotieven en eerste contacten Veel geïnterviewde ouders zoeken een school in de buurt, omdat dat gemakkelijk is met halen en brengen of bij afspreken met vriendjes. Daarnaast spelen ook andere motieven een rol. Een moeder van school A1 noemt er een aantal: de sfeer, de kleinschaligheid, het feit dat het een gemengde school is, omdat ze zich als ouders zich welkom voelden en een fijn gesprek hadden met de directeur. Andere ouders noemen ook als motief dat er ‘leuke dingen georganiseerd worden’, dat hun kind ‘zich er thuis voelt en vrij’, of dat er een continurooster is. Het motief kan ook zijn dat er een fijne groep leerkrachten is, waarbij soms ook wordt vermeld dat die groep gemengd is (met mannen en vrouwen en/of mensen 35
met verschillende migratieachtergronden). Tot slot is voor sommige van de geïnterviewde ouders ook belangrijk dat een school goede resultaten heeft en dat anderen er tevreden over zijn, zoals buurtgenoten, familie en vrienden. Een aantal geïnterviewde ouders noemt als keuzemotief ook wensen rond een gemengde schoolpopulatie (net als de moeder van school A1) en vertelt daarbij over het aanbod in de buurt, dat daarop wel of juist niet aansluit. Bijvoorbeeld een vader van school N2, die vertelt dat er een brief van de gemeente kwam over aanmelden en dat de ouders daarna veel scholen in de buurt hebben bezocht: “We schrokken van het aanbod: of het was helemaal ‘zwart’ of helemaal ‘wit’ – ik hoop dat je geen aanstoot neemt aan die termen. Dat was een dilemma, want we wonen hier in Rotterdam Noord en we willen onze zoon niet op een helemaal ‘zwarte of witte’ school doen. Ik gun hem minder vooroordeel dan ik; ik ben opgegroeid in een ‘witte’ omgeving. Dat wilden we anders doen. Toen werden we getipt over een school waar een ouderinitiatief was en dat sprak ons aan. Daar is de oudste toen naar school gegaan, tot volle tevredenheid. De groep waarin hij terechtkwam was echt ‘fiftyfifty’. (Vader van school N2) Een moeder van school F4 vertelt eveneens over een ouderinitiatief als middel om het aanbod te helpen vormen: ’Wij hadden vanaf het begin een warm gevoel bij deze school.
Wij hebben ons niet laten ontmoedigen door mensen die zeggen dat dit een zwarte school is en zijn een ouderinitiatief gestart voor deze school.’ Dit was omstreeks 2011. De moeder vertelt dat zij tijdens het lobbyen voor het initiatief een anonieme negatieve reactie kreeg en ook een aantal positieve reacties, waarna het initiatief van start kon gaan. ‘Het werd een gezellig clubje. Mijn dochter zat in een klas die nog niet heel gemengd was, maar mijn tweede en derde kind zitten in klassen die heel gemengd zijn. Het ouderinitiatief heeft zo een doorbraak gebracht.’ Ook los van ouderinitiatieven is er een aantal ouders met wensen over gemengde scholen. Bijvoorbeeld een moeder van school D2: ‘De wijk bestaat uit verschillende mensen en culturen en ik vind het belangrijk dat mijn kinderen dat ook leren kennen. Daarom heb ik ook niet gekozen voor een islamitische basisschool, ik wil een gemengde school voor mijn kind.’ Enkele ouders praten over gemengde scholen in termen van opleidingsniveau en uitstroomniveau. Bijvoorbeeld een moeder van school D1, die een school kiezen lastig vond omdat aan de ene kant de gemiddelde cito-scores (op de eindtoets) en het gemiddelde opleidingsniveau van ouders op bepaalde scholen ‘zichtbaar lager lagen’, maar ze aan de andere kant ook de wens had om meer te mengen.
’De gemiddelde uitstroom op onze school is vrij hoog, op andere scholen ligt die score een stuk lager. Je wilt eigenlijk gemiddeld, maar dat is er niet qua schoolaanbod.’
36
De eerste contacten met de school zijn, afgaande op de verhalen van de ouders, heel belangrijk bij de schoolkeuze. Is er ‘een klik’ met de directeur in het kennismakingsgesprek, voelt men zich welkom tijdens dat gesprek en de rondleiding? Als dat zo is en ouders ook verder enthousiast zijn over een school, melden sommigen zich direct aan. Andere ouders kijken ook nog naar andere scholen. Als ouders zich niet welkom voelen op een school, is dat juist een reden om de school niet te kiezen. Een rondleiding ‘zegt meer dan een school op papier laat zien’ (ouder van school A3).
Wachtlijsten en inschrijven vóór het derde jaar Een moeder van school D1 hoorde toen haar oudste kind twee jaar was dat je als ouder op tijd moet beginnen aan de zoektocht naar een basisschool. ‘Als we voor lotingsscholen wilden meedoen, moesten we al aangemeld zijn voordat ze drie jaar was.’ De gemeente stuurt wel een brief over het aanmelden, maar die komt volgens deze moeder eigenlijk veel te laat: ‘Als je als ouder onwetend bent en je wacht op deze brief, dan ben je echt het haasje in Rotterdam.’ Voor de zekerheid meldde deze moeder zich daarom op vijf of zes scholen aan, die allemaal wachtlijsten hadden of met loting werkten. Ook andere ouders zijn soms ontevreden over de aanmeldprocedure, wachtlijsten, het niet geplaatst worden op de school van eerste keus, of over de kennismaking. Een moeder van school A2 denkt dat goede informatievoorziening van de scholen over procedures dit deels zou kunnen ondervangen: ‘Het is belangrijk dat scholen duidelijke uitleg geven over hoe de procedure werkt, want als ouders die niet kennen, gaat het daar al mis.’
Knelpunten en dilemma’s Het belangrijkste knelpunt dat ouders noemen bij aanmelden en inschrijven is heldere informatie over de spelregels die daarbij worden gehanteerd. Het ontbreken daarvan maakt het proces van schoolkeuze lastig en stressvol. Een ander knelpunt is eerder genoemd: een gebrek aan gemengde scholen in de buurt (waarbij ‘gemengd’ op verschillende manieren wordt ingevuld, vooral naar migratieachtergrond of opleidingsniveau). Daarbij kan de afweging van verschillende aspecten van de schoolkeuze dan tot dilemma’s leiden. Bijvoorbeeld bij een moeder van school D1. Zij moest kiezen tussen lotingsscholen, waar de gemiddelde cito-score (op de eindtoets) hoog is maar de populatie niet gemengd, of meer gemengde scholen waar het gemiddelde van de cito-score een stuk lager lag. Er zijn volgens deze moeder geen scholen die daar tussenin zitten. Deze moeder vindt het belangrijk dat een school een weerspiegeling is van de samenleving en dat die zo dichtbij is dat haar kind naar school kan fietsen. Al die aspecten afwegen maakt de zoektocht naar een basisschool stressvol.
37
Deze moeder van school D1 is zich ervan bewust dat ze met het kiezen van een lotingsschool als hoogopgeleide ouder de huidige situatie in stand houdt, ook omdat loting voor sommige ouders een drempel kan zijn. De school van haar uiteindelijke keuze vraagt bovendien een hoge vrijwillige ouderbijdrage en de moeder geeft aan te begrijpen dat dat een drempel kan vormen voor ouders, omdat niet iedereen zich dat kan veroorloven. ‘Daarmee trek je de mensen aan die wat meer te besteden hebben.’ De dilemma’s en afwegingen van deze moeder van school D1 zijn hier uitgebreid weergegeven omdat ze goed samenvatten wat andere geïnterviewde ouders op onderdelen ook vertellen.
4.2 Aanmelden van zij-instromers Enkele van de geïnterviewde ouders hebben ervaring met zij-instromen van hun kind. Sommigen omdat ze van een andere stad of vanuit het buitenland naar Rotterdam kwamen. Zij zijn over het algemeen tevreden en blij met de manier waarop de school inspeelde op hun situatie (zoals met het maken van afspraken en het meedenken). Zo ervaarde een moeder van school F3 de schoolleider als ‘heel respectvol en geïnteresseerd’, zij voelde zich ‘heel welkom’, en geeft aan dat de directeur gepassioneerd vertelde over de school en heel behulpzaam was. Dit was de derde school die de ouders bezochten en na afloop wisten ze dat ze daarheen wilden; het bezoek aan een vierde school zegden ze af. Andere ouders woonden al in Rotterdam toen ze een andere school gingen zoeken. Een moeder van school F2 overwoog, toen ze binnen de stad verhuisde, om haar kinderen op een school in de nieuwe wijk te plaatsen. ‘Ik vind het toch belangrijk dat ze na school kunnen spelen met kinderen in de straat.’ Die bewuste school gaf aan geen plek te hebben voor zijinstromers. ‘Dat was wel een gek verhaal, mijn vriendin heeft het namelijk in dezelfde periode voor dezelfde groep ook geprobeerd en haar dochter mocht wel beginnen. Ik dacht toen ‘laat maar zitten’ en heb mijn kinderen hier [op de oude] school gehouden.
Vooral mijn jongste dochter wilde dat ook graag.’ Een andere moeder werd na een paar jaar ontevreden over de school waar haar kind op zat. Ze geeft aan dat haar zoon gepest werd, dat ze zich niet gehoord voelde en dat afspraken niet werden nagekomen. Daarnaast vond ze dat de school veranderd was door een nieuwe directeur ‘die alleen maar aandacht had voor de advocaten en consultants op het schoolplein’. Daarom is de moeder overgestapt naar school N1. Zij informeerde eerst bij school N1 en heeft toen een afspraak gemaakt om te gaan kijken. Ze heeft daar een rondleiding gehad en gesproken met de schoolleider. Het bezoek maakte haar heel enthousiast over de school. Na het bezoek heeft zij op de oude school gemeld dat ze wilde overstappen en een gesprek gehad met de directeur van de oude school. Daarna ging ze met haar twee kinderen bij de nieuwe school kijken. Die werden daar ‘heel leuk opgevangen’ en 38
waren blij met hun nieuwe school. Vervolgens is in gezamenlijk overleg (van ouders, de oude en de nieuwe school) gekeken hoe de overstap het beste geregeld kon worden. De moeder heeft daarbij ook toestemming gegeven voor het uitwisselen van gegevens.
4.3 Overige vragen rond aanmelden De beelden die de geïnterviewden hebben van eerlijk en transparant aanmeldbeleid, komen vergaand overeen. Voor een moeder van school H2 zou het eerlijk zijn als ieder kind, onafhankelijk van de achtergrond, wordt toegelaten. Dat wil volgens een vader van school H3 ook zeggen dat ouders die een school gevonden hebben, daar terecht kunnen en niet worden doorgestuurd: “Ik vind dat als ouders een school hebben gevonden die zij willen, dat de school dan ouders niet mag afwimpelen met ‘U past eigenlijk niet in het plaatje van wat wij zoeken’. Het is geen Voice of Holland!” (Vader van school H3) Bij eerlijk toelatingsbeleid hoort volgens een vader van school N2 ook dat de school, zoals de wet aangeeft, kinderen pas vanaf drie jaar inschrijven en geen wachtlijst van daarvóór hebben Want ‘als je eerder wachtlijsten inzet, dan werkt het niet eerlijk en hebben andere ouders geen gelijke kansen. Wees eerlijk en houd je aan de wet.’ De vader denkt dat er meer aandacht kan komen voor het inschrijven vanaf drie jaar en over hoe het daarvóór zit. Transparantie vindt ook een moeder van school Y1 belangrijk: sommige scholen zitten vol en dat moet volgens deze moeder dan gelijk duidelijk zijn: ”Zorg dat het aanmeldbeleid duidelijk is, zodat mensen weten waar ze aan toe zijn.
Bied duidelijke informatie.” Wanneer een school een buurtschool wil zijn en meer belangstelling heeft dan plaatsen, dan zou voor een vader van school N2 afstand een criterium kunnen zijn. Ook vindt hij dat ‘je als school een coherent verhaal moet hebben over aanmelden’. Deze vader zegt: “Ik heb mijn eigen vooroordelen en daar kom ik niet meer vanaf. Maar als je van jongs af aan opgroeit in gemengde groepen, dan ga je het anders zien en wordt het meer van jezelf. Dan is het niet meer ‘die Indiër’ die te laat komt, maar de persoon. Ik gun mensen dat ze die vooroordelen niet hebben en denk dat je dan aan de basis moet beginnen en dat doe je door samen op school te zitten. Het is weerbarstig en moeilijk, maar ik denk dat het helpt wanneer je jong leert samenwerken en onbevooroordeeld leert blijven. Als je in Rotterdam Noord woont dan moet je jezelf niet in zo’n enclave zetten. Maar dat is moeilijk om voor elkaar te krijgen.” (Vader van school N2)
39
De casus De voorgelegde casus uit een andere stad leidt bij de geïnterviewde ouders vooral tot reacties van zowel afschuw (‘discriminatie’, ‘verschrikkelijk’) als herkenning. Zo kent een moeder van school A3 andere ouders die werden ‘geadviseerd om elders te gaan kijken’. Deze moeder noemt twee concrete gevallen hiervan uit de nabije omgeving, beide van kinderen die geen extra ondersteuning nodig hadden (en een met ‘een andere achtergrond’). Een moeder van school A1 denkt dat bij een casus als deze ‘het stigma meespeelt dat kinderen met een anderstalige achtergrond mindere resultaten hebben en dat veel scholen de resultaten vooropstellen en niet de ontwikkeling van het kind’. Ze noemt dit een ‘foute aanname’ en vindt het ‘kwalijk’ als scholen daar hun beleid op aanpassen, maar benoemt ook dat het een probleem is van de hele samenleving: “Rotterdam is niet wit, Rotterdam is gemengd, en dat is onze samenleving, dat is ook leerzaam en interessant voor kinderen. Het is waardevol dat mijn kinderen dat meekrijgen, ook op school. Het zou fijn zijn dat dat voor alle kinderen zo is. Ik hoop dat andere kinderen dezelfde kansen krijgen als hier.” (Moeder van school A1) Sommige ouders komen na het horen van de casus ook met verhalen die ze uit de tweede hand hebben gehoord. Bijvoorbeeld over iemand die lager op de wachtlijst stond maar eerder een plaats kreeg.
Dat dit soort verhalen er zijn, verklaart volgens een moeder de spanning bij het proces van het kiezen van een school. Die spanning is er volgens haar ook omdat elke school een ander aanmeldbeleid hanteert (postcodebeleid, loting etc.).
Verbeteringen Veel geïnterviewde ouders hebben duidelijke ideeën over een betere aanpak van het aanmeldproces. Een moeder van school N1 zegt daar bijvoorbeeld over: “Elk kind moet gelijk zijn en ongeacht zijn afkomst evenveel kans hebben om op een school te komen als ieder ander kind. Het zou goed zijn als er een vast beleid is voor de regels voor toelaten. De aanmelding kan bijvoorbeeld via de gemeente lopen zodat het voor iedereen eerlijk is. Dan heeft iedereen overal een gelijke kans.” (Moeder van school N1) Het zou volgens deze moeder mooi zijn als kinderen met elkaar in de buurt naar school gaan, omdat kinderen uit de buurt dan ook makkelijker met elkaar spelen. Dit zou niet ‘dwingend’ moeten zijn, maar ouders en kinderen zouden er wel een voorkeur voor moeten kunnen aangeven.
40
Veel ouders noemen betere voorlichting over het aanmeldproces als verbeterpunt. Bijvoorbeeld een ouder van school F4, die ook de suggestie heeft dat ouders het advies zouden moeten krijgen om verschillende scholen te bezoeken, en om zelf te gaan kijken en niet blindelings ‘af te gaan op een ‘buzz’ of op een school met een ‘grote bek’. Deze ouder vindt het van belang dat mensen daadwerkelijk een kijkje gaan nemen en hun eigen oordeel vellen. Dat kan leiden tot ‘een passender keuze en meer gelijkwaardigheid tussen scholen’. Wat daarbij niet helpt is wat een andere ouder vertelt over een van de scholen waar zij ging kijken toen ze een school moest kiezen: ‘Ouders werd daar actief afgeraden om voor onze huidige school te kiezen. Zo’n bewuste tegenlobby vind ik heel kwalijk, het vergroot de ongelijkheid.’ Een moeder van school A1 vindt dat de schoolbesturen en de gemeente heel duidelijk moeten maken ‘dat Rotterdam voor een open aannamebeleid is’ en dat ook scholen moeten benadrukken dat ze dat belangrijk vinden.
Verder raadt zij scholen met ‘aarzelingen over bepaalde gezinnen of kinderen’ aan, om goed na te denken waar die aarzeling uit bestaat en te kijken wat nodig is om kind wél te kunnen aannemen: “Want, waar zit het hem in dat je dat niet wil, welke angst is er voor het kind? Er zijn natuurlijk altijd redenen dat een kind echt niet past op een school, Maar de vraag moet zijn: wat is de beste plek voor dit kind. Dus niet: je bent Marokkaans, dus ga maar naar die andere school.” (Moeder van school A1) Een moeder van school A3 sluit daarop aan met de opmerking dat scholen voor eerlijke toelating ‘zo min mogelijk contra-indicaties’ moeten hanteren, ‘zoals op afkomst’ en ‘vanuit vooroordelen’. Deze moeder noemt ook de optie van een meldpunt bij de gemeente, voor wanneer scholen geen eerlijke toelating hebben, zodat de gemeente goed op de hoogte is en er ‘actief mee aan de slag kan’. Scholen zouden dat meldpunt verplicht op de site moeten noemen. De gemeente en de scholen kunnen volgens een moeder van school H2 voorkomen dat er wachtlijsten ontstaan waarvoor ouders zich al heel vroeg moeten inschrijven: een lotingsysteem (‘zoals in Kralingen’) lijkt haar eerlijker. Daarnaast zou zij het goed vinden als er controle is op hoe een wachtlijst gebruikt wordt, zodat dit eerlijk gebeurt. Het is deze moeder niet duidelijk waarom het proces anders is op verschillende scholen in Rotterdam.
Zij kan zich goed voorstellen dat ouders hierdoor niet weten wat ze moeten doen. Ook andere ouders vinden dat de gemeente goed moet kijken naar de scholen die een wachtlijst hebben en dan in het bijzonder naar de manier waarop de wachtlijst wordt afgewerkt of de loting ervoor wordt geregeld. Het zou volgens deze ouders goed zijn wanneer dat op elke school hetzelfde gaat. Sommige ouders noemen een postcodebeleid als manier om naar school gaan in de buurt te stimuleren. En scholen die veel kinderen van buiten de buurt trekken, zouden volgens een 41
moeder van school D1 een aantal plaatsen op hun school voor kinderen uit de buurt moeten reserveren. Ouders uit de buurt kunnen dan lopend met hun kind naar school, wat ook zorgt voor minder auto’s in de straat. ‘De school is belangrijk voor de wijk en als je dan geen kindjes hebt die uit de buurt komen, zou dat heel vreemd zijn. Ik denk ook dat het daardoor meer zou mixen en dat de verschillen tussen scholen niet zo groot worden.’ Sommige ouders noemen vormen van centraal aanmeldbeleid als middel om een gelijk speelveld te verkrijgen. Vaak wordt daaraan gekoppeld dat de grote verschillen in leerlingpopulatie dan ook kleiner kunnen worden, dat ‘bubbels’ worden doorbroken en dat leerlingen van verschillende achtergronden van elkaar kunnen leren en zich aan elkaar op kunnen trekken. Een ouder hoopt ook dat het vinden van leerkrachten dan ook evenrediger wordt tussen scholen, zodat dat het lerarentekort meer gelijk verdeeld wordt. Nu is het immers zo dat het lerarentekort groter is op scholen met veel ouders met een lager opleidingsniveau. Tot slot noemt een moeder van school F4 ook het instrument van onderwijshuisvesting. Een andere school in haar buurt heeft inmiddels meer vestigingen, er is ingezet op groei. Als de gemeente die groei had kunnen remmen, ‘dan had dat onze school kunnen helpen meer leerlingen te krijgen’, aldus de moeder.
42
Deel 2 Conclusies en aanbevelingen 5 Conclusies 5.1 Het onderzoek Dit onderzoek is gedaan in opdracht van de gemeente Rotterdam. De hoofdvraag van dit onderzoek is: Hoe zien het beleid en de praktijk van aanmelden en inschrijven eruit bij basisscholen in Rotterdam en is er daarbij sprake van een gelijk speelveld voor ouders bij de wettelijke inschrijving van hun kind op 3-jarige leeftijd en bij zijinstroom? De hoofdvraag wordt in dit hoofdstuk beantwoord. Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, is het onderzoek opgesplitst in twee delen: een documentanalyse en een deel met interviews. In de documentanalyse is het formele toelatingsbeleid van de Rotterdamse basisscholen in kaart gebracht, in de interviews met schooldirecteuren en ouders de praktijk van het toelaten. De documentanalyse is deels uitgevoerd op alle scholen, waarvan de websites zijn onderzocht. Voor een ander deel is die analyse uitgevoerd bij de besturen van de voor interviews geselecteerde scholen. De gemeente heeft als opdrachtgever een selectie gemaakt van te interviewen scholen. Deze scholen liggen in de zes buurten waar het grootste verschil is tussen de buurt- of wijkpopulatie en de schoolpopulatie (met betrekking tot de kans op onderwijsachterstanden, waarbij onder meer het opleidingsniveau van ouders is meegenomen).
Over de resultaten van de selectie is met schoolbesturen overlegd, wat tot aanpassingen heeft geleid. Uiteindelijk zijn interviews gehouden op 19 scholen. Om de bevindingen uit de documenten en interviews te analyseren, heeft het Kenniscentrum een analysekader opgesteld (hoofdstuk1). In dat kader is het proces vanaf de aanmelding totdat een kind daadwerkelijk in de klas zit, in vier stappen opgedeeld: aanmelden, toelaten, inschrijven en plaatsen. Bij deze stappen zijn drie juridische punten specifiek van belang in het kader van een gelijk speelveld voor ouders: - aanmelding op een basisschool mag pas vanaf de dag dat een kind 3 jaar wordt (Wet op het Primair Onderwijs); - vooraanmelding, waarna kinderen automatisch worden geplaatst wanneer ze 3 jaar zijn, 43
is in strijd met deze wet; - bij meer aanmeldingen dan beschikbare plekken mag een school voorrangsregels toepassen, mits die tijdig en transparant zijn gecommuniceerd.
5.2 Conclusies over het beleid Beleid op websites Wanneer ouders informatie zoeken over scholen voor hun kind, kijken ze vaak eerst op de website van een of meer scholen. Idealiter vinden ze daar ook heldere informatie over het proces van aanmelden, toelaten, inschrijven en plaatsen. Om na te gaan of dat ook zo is, heeft het Kenniscentrum Gemengde Scholen die informatie op de websites van alle 167 basisscholen in Rotterdam bekeken. Bij de beoordeling van de informatievoorziening is een lijst van aandachtspunten gebruikt (hoofdstuk 2). Uit de analyse blijkt, dat 15,6% van de 167 websites complete informatie bevat over het proces van aanmelden (26 websites); 49,7% biedt enige informatie (83 sites) en 34,7% biedt geen informatie (58 sites). Ouders die nadere informatie willen over een school kunnen ook de schoolgids raadplegen. Op 107 van de 167 websites (64%) bleek een schoolgids te vinden met informatie over aanmelden, op 17 websites (10%) staat een verouderde schoolgids of een gids met onjuiste informatie en op 43 websites (26%) staat geen schoolgids. De conclusie is dat bij veel scholen ruimte is voor verbetering van de informatievoorziening: het overgrote deel (84%) van de websites bevat geen of te weinig informatie. Ook inhoudelijk is er verbetering mogelijk, omdat de meeste scholen de aanmeldleeftijd van 3 jaar niet juist vermelden.
Op 25% van de websites klopt deze informatie wel. Ook de informatie over de termijn van zes weken waarbinnen een school over toelating moet beslissen, is op weinig websites correct (29%). Daarnaast is ook de toegankelijkheid van de taal een aandachtspunt, zo blijkt uit het onderzoek. Dat de informatie over aanmelden op de websites vaak onvolledig of onjuist is, draagt bij aan het vormen van een ongelijk speelveld. Dat de informatie qua taal en vindbaarheid minder toegankelijk is, draagt nog verder bij aan kansenongelijkheid, omdat hogeropgeleide ouders daar minder last van zullen hebben dan lageropgeleide ouders – digitale geletterdheid en opleidingsniveau gaan immers goeddeels gelijk met elkaar op. Voor een gelijk speelveld is goed vindbare, heldere en volledige informatie over het aanmeldproces op de websites van alle basisscholen nodig.
44
Beleid besturen Schoolbesturen zijn eindverantwoordelijk voor wat er op scholen gebeurt, ook als het gaat om het proces van aanmelden. Het Kenniscentrum Gemengde Scholen heeft daarom het beleid onderzocht van de vijf besturen van de (19) scholen die zijn geselecteerd voor het interview-gedeelte van dit onderzoek. Uit onze analyse van het toegestuurde materiaal blijkt, dat twee schoolbesturen geen beleid hebben waaraan de basisscholen zich moeten houden als het gaat om aanmelden. Eén schoolbestuur werkte tijdens het onderzoek aan het actualiseren van het aanmeld- en toelatingsbeleid; om die reden was het op dat moment weinig zinvol om nader inhoudelijk op dat beleid in te gaan. Het vierde bestuur is een zogenoemde ‘eenpitter’, met slechts één school. Daar valt het beleid van het bestuur en de school dus samen. Het laatste schoolbestuur werkt met een zogenoemde kwaliteitskaart waarmee alle aangesloten scholen hun aanmeldproces kunnen vastleggen en borgen. De drie besturen met beleid werken ook met centraal vastgestelde aanmeldformulieren (die scholen soms op onderdelen kunnen aanpassen). Geen van deze schoolbesturen heeft (afgaande op het ons toegestuurde materiaal) specifiek bestuurlijk beleid geformuleerd en op papier gezet voor de toelating van leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte.
Dat is in dit geval ook niet nodig, want hiervoor hebben de scholen ieder een eigen beleid, waarin het schoolondersteuningsprofiel een belangrijke rol speelt. Daarin wordt beschreven welke extra ondersteuning de school kan geven. Het profiel wordt in beginsel jaarlijks geactualiseerd, geplaatst op de schoolwebsite en gedeeld met het PPO Rotterdam. Uit navraag blijkt, dat geen enkele ouder de afgelopen jaren een klacht heeft ingediend bij één van de vijf besturen. Ook zijn er geen juridische procedures geweest over het aanmelden en toelaten van kinderen. Daarbij is niet duidelijk of de mogelijkheid om klachten in te dienen voldoende bekend zijn (gemaakt). Samenvattend blijkt dat twee van de vijf onderzochte schoolbesturen geen specifieke richtlijnen of formeel beleid hebben voor het aanmeld- en toelatingsbeleid. Zij laten dat beleid over aan hun scholen. Schoolbesturen hebben echter wel een (wettelijke) eindverantwoordelijkheid als het gaat om aanmelden, toelaten, inschrijven en plaatsen van leerlingen op hun scholen. Voor deze besturen geldt dat onduidelijk is hoe zij deze verantwoordelijkheid kunnen waarmaken zonder beleid en zonder inzicht in de praktijk. De overige drie besturen hebben wel beleid: het ene bestuur werkte aan het actualiseren van het aanmeldbeleid, bij het andere bestuur wordt geloot en het derde werkt met een kwaliteitskaart.
Afgaande op ervaringen in Rotterdam en elders kan beleid van schoolbesturen die daarop toezien variëren van uniforme aanmeldformulieren, via vastgestelde kaders over bijvoorbeeld de vraag wanneer er sprake is van een ‘aanname’ van een leerling, tot het bieden van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen beslissingen rond het aanmelden. 45
Voorrangsregels bij loting Er is in Rotterdam een aantal basisscholen waar wordt geloot. Zoals aangegeven bij ons analysekader, mag een school met meer aanmeldingen dan plaatsen voorrangsregels hanteren (bijvoorbeeld voor broertjes/zusjes) en kan er geloot worden. Naar aanleiding van de aangetroffen voorrangsregels kwam de vraag op welke voorrangsregels wel en niet zijn toegestaan. Daar willen we hier aan de hand van een voorbeeld nader op ingaan. Op een van de onderzochte scholen gebeurt de loting zo, dat in elke klas evenveel jongens als meisjes komen. Om een evenredige groepsdynamiek te stimuleren, aldus de directeur. Ouders die op de wachtlijst staan, accepteren deze manier van werken met dubbele wachtlijsten op basis van geslacht. Mogelijk omdat ze menen dat hier sprake is van een gelijk speelveld voor de twee groepen kinderen. Maar mag deze manier van loten wel? De gemeentelijke kinderombudsman van Rotterdam wees er terecht op, dat het hier gemaakte onderscheid tussen meisjes en jongens in strijd is met het discriminatieverbod, omdat het gaat om direct onderscheid (dat wil zeggen op grond van een persoonskenmerk). En direct onderscheid is verboden. Werken met dubbele wachtlijsten die uitgaan van het opleidingsniveau van ouders is wél toegestaan.
Dan is er namelijk sprake van indirect onderscheid (niet gebaseerd op een persoonskenmerk), dat onder voorwaarden gerechtvaardigd kan zijn. Eén Rotterdamse basisschool heeft in de periode rond 2010 een aantal jaren gewerkt met dubbele wachtlijsten op basis van opleidingsniveau, om een betere afspiegeling te worden van de buurt. De toenmalige Commissie Gelijke Behandeling (de voorloper van het huidige College voor de Rechten van de Mens) oordeelde dat in dit geval het indirecte onderscheid was toegestaan. De gemeentelijke kinderombudsman begrijpt die uitspraak: het doel van afspiegeling is legitiem, het middel draagt bij aan het doel en het middel is proportioneel en evenredig. De loting is verder willekeurig en daarmee niet discriminatoir, want het systeem maakt geen onderscheid tussen wie uit de groep hoger of lager opgeleiden wordt gekozen. Met andere woorden: er is voor beide groepen sprake van een gelijk speelveld. Deze analyse van de loting op een school maakt twee dingen duidelijk. Ten eerste dat de loting zoals die nu gaat op basis van het directe onderscheid tussen jongens en meisjes niet is toegestaan.
En ten tweede dat een loting op basis van het indirecte onderscheid in opleidingsniveau wel is toegestaan bij toelating op basisscholen; vandaar dat we daar bij de aanbevelingen rond het bevorderen van kansengelijkheid en het bestrijden van segregatie op terugkomen (in hoofdstuk 6).
46
Analysekader In de documentanalyse voor dit onderzoek bij de vijf schoolbesturen en met name de analyse van de websites van alle scholen is (zoals eerder aangegeven) vanuit ons analysekader specifiek gekeken naar drie juridische aspecten binnen het proces van aanmelden op de Rotterdamse basisscholen. Aanmelding vanaf drie jaar. Het eerste punt, dat aanmelding pas mag vanaf de dag dat een kind drie jaar wordt, is erg belangrijk om een gelijk speelveld voor ouders te creëren. Zoals eerder vermeld, wordt die minimumleeftijd nu op 41 van de 167 schoolwebsites genoemd. Daaraan kan worden toegevoegd dat 100 websites geen enkele leeftijd vermelden en 26 de (onjuiste) leeftijd van 0-2 jaar. Daarin is voor veel scholen dus nog verbetering nodig. Vooraanmelding en wachtlijsten. Het tweede juridische punt is, dat vooraanmelding (vóór de derde verjaardag), waarna kinderen automatisch worden geplaatst wanneer ze drie jaar zijn, in strijd is met de wet. Op 18 van de 167 onderzochte websites wordt nu een wachtlijst genoemd, maar uit deze websites is niet op te maken of die ook tot automatische plaatsing leidt. Wel is uit eerder onderzoek in Utrecht bekend, dat dergelijke vooraanmeldingen daar veelal tot automatische plaatsing leiden (Walraven e.a., 2020) en het is mogelijk dat dat op sommige van de 18 Rotterdamse scholen ook het geval is.
Daarnaast is uit de interviews (hoofdstuk 3 en 4) naar voren gekomen, dat er ook scholen zijn met een wachtlijst zonder dat ze dat op hun website vermelden. Hierbij kan het dus voorkomen dat niet alle ouders weten dat er een wachtlijst is. Al dergelijke onduidelijkheden leiden ertoe dat er geen gelijk speelveld is voor ouders. Voorrangsregels. Het derde juridische aspect dat is meegewogen, is dat een school bij meer aanmeldingen dan beschikbare plekken voorrangsregels mag toepassen, mits die tijdig en transparant zijn gecommuniceerd (daar is jurisprudentie over). Op 35 van de 167 onderzochte websites zijn (na goed zoeken) criteria voor toelating te vinden. Op basis van de beschikbare informatie op de websites is echter niet vast te stellen of alle scholen met meer aanmeldingen dan plaatsen bij die 35 horen. Daarnaast zijn er ook scholen die als toelatingscriterium kunnen hebben dat de grondslag van de school wordt onderschreven door ouders. Toepassing van de drie punten uit het analysekader op de bevindingen over het formele beleid levert samenvattend het volgende beeld op: Bij het punt van de aanmeldleeftijd van drie jaar vermelden 126 van de 167 websites niet de (juiste) leeftijd en bij de andere twee punten is de informatie gebrekkig (en het beeld dus niet helder). Dat is een zorgelijke situatie.
Heldere en transparantie informatie over het proces van aanmelden is een voorwaarde voor een gelijk speelveld, maar ontbreekt bij een groot aantal scholen. Wat het formele beleid betreft, is er afgaande op de websites van alle scholen zodoende geen sprake van een gelijk speelveld voor ouders in het Rotterdamse basisonderwijs.
47
5.3 Conclusies over de praktijk De interviews met de 19 schooldirecteuren en 14 ouders hebben een rijk beeld opgeleverd van de praktijk van het aanmelden op basisscholen in Rotterdam, de knelpunten waar zij tegenaan lopen en de dilemma’s waar zij mee moeten omgaan. In deze paragraaf worden de resultaten op hoofdlijnen samengevat en worden conclusies getrokken (onder meer met behulp van het analysekader). Een algemeen punt dat bij de interviews te signaleren viel, is de betrokkenheid van de respondenten bij het onderwerp en bij het beter realiseren van gelijke kansen op plaatsing op de school van voorkeur. Men vindt dat er met betrekking tot die gelijke kansen iets aan de hand is en dat daar iets aan gedaan moet worden. Een voorbeeld als dat uit een andere stad over doorverwijzing zou in Rotterdam niet voor mogen komen.
Directeuren Aanmelden voor groep 1 Het proces van aanmelden, toelaten, inschrijven en plaatsen voor groep 1 toont bij de onderzochte scholen grote overeenkomsten. Er zijn ook verschillen. Die hebben bijvoorbeeld te maken met wanneer scholen aanmeldformulier beschikbaar stellen (al op de website of pas na een rondleiding) en of rondleidingen individueel of groepsgewijs plaatsvinden. De leeftijd waarop ouders zich informeren en bij een school langsgaan, loopt sterk uiteen (grofweg tussen een en vier jaar) en ook in Rotterdam hebben hogeropgeleide ouders, net als in andere steden, de neiging hun kinderen eerder aan te melden dan lageropgeleide ouders. Zolang scholen zich houden aan de wettelijke aanmeldleeftijd van drie jaar is dat eerder aanmelden geen probleem. Maar wanneer scholen voor kinderen jonger dan drie jaar het principe hanteren van ‘wie het eerst komt het eerst maalt’, dan handelen ze in strijd met de wet. Dat geldt ook als een school kinderen van de eigen peuteropvang vóór de leeftijd van drie jaar accepteert, of als een school die alle leerlingen kan plaatsen, aanmeldingen van kinderen onder de drie jaar accepteert en ze alvast inschrijft. Al deze situaties, waarbij geen sprake is van een gelijk speelveld voor ouders, doen zich voor binnen de groep scholen in Rotterdam die aan het onderzoek meedoen.
Bij zes van de 19 geselecteerde scholen worden kinderen jonger dan drie jaar ingeschreven of krijgen zij een een garantie op inschrijving. Er zijn twee knelpunten rond aanmelden voor groep 1 die de geïnterviewde directeuren regelmatig noemen. Het eerste is de soms trage of gebrekkige informatieoverdracht vanuit voorschoolse voorzieningen, die maakt dat de ondersteuningsbehoefte van een kind moeilijker is in te schatten zodat het ingewikkelder is te bepalen of de school daaraan kan 48
voldoen. Het tweede knelpunt is, dat ouders zich regelmatig op meerdere scholen tegelijk aanmelden, waardoor scholen niet goed kunnen inschatten of een klas al vol zit of niet, omdat er vaak op het laatst nog kinderen, die al geplaatst zijn, toch naar een andere school gaan waar ze ook ingeschreven stonden. Op deze dubbele aanmeldingen is moeilijk zicht te krijgen. Directeuren in een buurt of wijk overleggen weliswaar regelmatig, maar in dat overleg komen aanmeldingen in groep 1 nauwelijks ter sprake volgens de respondenten. Dat heeft ook te maken met het feit dat scholen concurrenten van elkaar zijn, zo laten meerdere respondenten weten: ze willen allemaal leerlingen binnenhalen uit eenzelfde gebied. Dan is het ingewikkeld om informatie te delen over leerlingen die misschien ook op andere scholen zijn aangemeld (iets dat inmiddels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming ook niet meer mag). Concurreren of samenwerken tussen scholen vormt een dilemma, ook als het gaat om aanmeldbeleid en het verdelen van zorgleerlingen, of om het overkoepelende thema kansengelijkheid. Om dat dilemma van samenwerken of concurreren te kunnen doorbreken, zijn niet alleen de directeuren zelf van belang maar vooral ook de schoolbesturen (volgens de respondenten).