CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb002389] Bijlage 1 behorende bij 23bb002388 over Ontwerpbestemmingsplan OSBS de Kameleon

Gemeenteraad 11 mei 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘OSBS de Kameleon’.32.540 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Vastgesteld op 16 december 2021 door de Rotterdamse Gemeenteraad De beleidsregeling 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' is het instrument om het aantal auto- en fietsparkeerplaatsen te bepalen bij nieuwe bouwontwikkelingen en transformaties. De regeling waarborgt dat initiatiefnemers voldoende parkeercapaciteit realiseren voor auto en fiets bij ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Voorafgaand aan de 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' waren de 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018' van kracht.

3.3.5.1 Relatie tot het plangebied Binnen het plangebied wordt voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein ten behoeve van het personeel. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de oude parkeernormen 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018' van toepassing. Tussen ontwikkelaar en de gemeente zijn overeenkomsten gesloten, waardoor gebruik gemaakt kan worden van het overgangsrecht in artikel 20 (lid 2) van de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022. Met de beoogde invulling kan aan het van toepassing zijnde parkeerbeleid worden voldaan. In paragraaf 6.4 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. 3.3.6

Erfgoedverordening Rotterdam 2020

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet omvat het cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). In artikel 3.16 van de Erfgoedwet staat dat de gemeenteraad een eigen erfgoedverordening kan vaststellen, die zich richt op beheer en behoud van cultureel erfgoed, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. De voorliggende Erfgoedverordening Rotterdam 2020 is gebaseerd op het model Erfgoedverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en vervangt de Archeologieverordening Rotterdam 2009 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010.

3.3.6.1 Relatie tot het plangebied Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' op basis van het bestemmingsplan 'Zuiderpark'. In paragraaf 6.8 wordt nader ingegaan op de archeologisch waarden. Archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied geldt op basis van het bestemmingsplan 'Zuiderpark' geen dubbelbestemming waarmee eventuele cultuurhistorische waarden worden geborgd. In paragraaf 6.8 wordt nader ingegaan op de cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.3.7 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020"en de Monumentenverordening Rotterdam 2010

Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad

26

Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.

3.3.7.1 Relatie tot het plangebied Ter plaatse van het plangebied geldt op basis van het bestemmingsplan 'Zuiderpark' geen dubbelbestemming waarmee eventuele cultuurhistorische waarden worden geborgd. In paragraaf 6.8 wordt nader ingegaan op de cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

27

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

In voorliggend hoofdstuk wordt het plan nader toegelicht. Er wordt ingegaan op de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt alsmede de juridische planbeschrijving.

4.2

Ontwikkelingen

Het bestemmingsplan 'OSBS de Kameleon' maakt de realisatie van een onderwijsgebouw met speelplein en gymzaal mogelijk. De gymzaal wordt geïntegreerd in de nieuwbouw, maar is eveneens opzichzelfstaand te gebruiken als sportvoorziening voor de wijk. Beoogd wordt om onder de gymzaal kleedkamers en parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast is het mogelijk om onder de gymzaal ruimte te creëren voor technische installaties ten behoeve van bijvoorbeeld stadsverwarming. In de toekomstige situatie geldt een bouwvlak over het gehele plangebied. De gronden krijgen de bestemming 'Maatschappelijk'. Daarnaast wordt de bestemming ten behoeve van archeologische waarden overgenomen uit het bestemmingsplan 'Zuiderpark'. De gebiedsaanduiding 'geluidzone industrie' wordt eveneens overgenomen. Het plangebied maakt onderdeel uit van het Carnisse-eiland. Het voornemen is om het Carnisse-eiland te transformeren naar een woon-werkgebied. Hiertoe wordt een separate planologische procedure doorlopen. In dit bestemmingsplan wordt dan ook niet inhoudelijk ingegaan op de herontwikkeling van Carnisse-eiland. Daar waar nodig, is deze ontwikkeling in acht genomen.

4.3

Juridische planbeschrijving

In deze paragraaf wordt ingegaan op de (nieuwe) bestemmingen/functies die binnen het plangebied van toepassing zijn. 4.3.1

Geluidzone

Een geluidzone 'geluidzone - industrie' is opgenomen voor het aangrenzende industrieterrein Waal-/Eemhaven. Binnen deze zone mogen geen geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, tenzij de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van geluidsgevoelige objecten niet meer bedraagt dan in de Wet geluidhinder aangegeven voorkeursgrenswaarde of, hogere waarde kunnen worden vastgesteld of, op een andere manier aan de Wet geluidhinder kan worden voldaan. 4.3.2

Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn. In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming "Maatschappelijk" zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie. 4.3.3

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen

28

meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's en fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Deze beleidsregeling is momenteel verouderd, echter is deze nog wel van toepassing op de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 9 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken verleend mag worden als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze.

Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. 4.3.4

Waarde - Archeologie 2

Het plangebied kent een archeologische verwachtingswaarde. In lijn met het vigerende bestemmingsplan is vanwege deze archeologische verwachtingswaarde een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Deze dubbelbestemming geldt ter plaatse van het gehele plangebied.

29

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2

Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3

Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: » » »

Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta (WSHD). WSHD is de waterkwaliteit- en -kwantiteitbeheerder voor alle binnendijks oppervlaktewater aan de linker Maasoever. De strategie en het beleid van waterschap Hollandse Delta is vooral gericht op: het bieden van veiligheid tegen wateroverlast; veilige (vaar)wegen en voldoende en schoon oppervlaktewater. Daarnaast werkt het waterschap ook actief aan de ruimtelijke inbedding van “water”, met oog voor de ecologie en het landschap en zo dat water meebepalend wordt voor de gewenste ruimtelijk economische ontwikkelingen.

30

Waterbeheerprogramma 2016-2021 [WSHD 2014] Waterschap Hollandse Delta heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Daarnaast wordt gewerkt aan het nieuwe programma voor de periode 2022-2027. Het huidige programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Nota toetsingskadersen beleidsregels voor het watersysteem [WSHD 2014] In deze nota zijn toetsingskaders en beleidsregels opgenomen die het uitgangspunt vormen voor plantoetsing en vergunningverlening.

Relevant voor het bestemmingsplan zijn onder meer de regels over watercompensatie. Dempingen van oppervlaktewaterlichamen moeten volledig gecompenseerd worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Een toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door het aanleggen van water met een oppervlakte van 100Zo van de verharding. Voor de compensatie voor demping of extra verharding is er sprake van een voorkeursvolgorde: » » «

nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename; nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen sprake van (primaire) oppervlaktewater. Aan de oostzijde van het plangebied is overig water gelegen. Binnen dit water zullen geen werkzaamheden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling plaatsvinden.

31

Legenda

ĩľľ* ptengeäed

043İŠēŕ

»I®ST

Figuur 5.1 Uitsnede legger WSHD

5.3.2

Grondwater

Voor grondwater is een peilbuis in de nabije omgeving van het plangebied gelegen (buiscode 129562-15). Deze peilbuis bevindt zich aan de Carnissesingel op circa 115 meter van het plangebied. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de peilbuis is -0.96 meter t.o.v. NAP. Deze peilbuis meet de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de meting d.d. 21 april 2021 blijkt dat het grondwater zich op -2.31 meter t.o.v. NAP bevindt. Dit betekent dat het grondwater zich ter plaatse van de peilmeter op 1.35 meter onder het maaiveld bevindt. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Op diverse plaatsen binnen het plangebied zal de kans op grondwateroverlast beperkt blijven. 5.3.3

Waterkering

Er liggen geen primaire of secundaire waterkeringen in, of direct aangrenzend aan, het plangebied. Tevens is het plangebied niet gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Waterkwantiteit

De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloopt van de huidige schoolbebouwing, dat ten westen van de projectlocatie is gelegen en nieuwbouw ten behoeve van de school. In de huidige situatie is sprake van 4.252 m2 aan verharding. In de toekomstige situatie is sprake van 2.103 m2 aan verharding. Dit leidt ertoe dat sprake is van een afname van verharding van circa 2.149 m2. In dit kader is geen compensatie nodig. Verder worden geen oppervlaktewateren gedempt ten behoeve van de ontwikkeling. 5.4.2

Waterkwaliteit

Ten behoeve van de ontwikkeling worden geen uitlogende materialen gebruikt, waardoor geen verslechtering in waterkwaliteit plaatsvindt.

32

5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Aangezien geen waterkeringen in de nabije omgeving van het plangebied zijn gelegen heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op eventuele primaire en secundaire waterkeringen.

Waterveiligheid De ontwikkeling in het gebied heeft geen invloed op de waterkering die het plangebied bescherming geeft. Daarmee is geen sprake van een significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. 5.4.4

Riolering

De ontwikkeling zal worden aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel. Ten aanzien van de belasting van het bestaande rioolstelsel worden geen belemmeringen verwacht.

33

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

6.2.1

Algemeen

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.-boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

34

m.e.r.-plicht Drempelwaarde C-lijst

m.e.r.-beoordelina (bij besluiten uit kolom 4) plan-m.e.r. (bij plannen uit kolom 3) Drempelwaarde D-lijst

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Met het op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging Besluit m.e.r. dient bij elk plan waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde een aanmeldingsnotitie te worden opgesteld. 6.2.2

Plangebied

Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een onderwijsgebouw met gymzaal en buitenruimte mogelijk. De ontwikkeling vindt niet plaats in een bestaand gebouw. De huidige school en gymzaal worden gesloopt en er komt een nieuwe school met gymzaal voor terug. De toekomstige planologische situatie (maatschappelijk) is gedeeltelijk gelijk aan huidige planologische situatie (maatschappelijk, tuin, sport en speelterrein en groen. De impact van de toekomstige situatie is niet groter dan van de huidige situatie. De ontwikkeling past binnen de directe omgeving. Het is geen gebiedsvreemde ontwikkeling. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals vermeld in de bijlage bij het Besluit M.e.r. onder categorie D11.2. Er is daarom geen m.e.r. beoordelingsbesluit nodig. 6.2.3

Conclusie

Er is geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals vermeld in de bijlage bij het Besluit M.e.r. onder categorie D11.2. Er is daarom geen m.e.r. beoordelingsbesluit nodig.

6.3

Milieuzonering

6.3.1

Algemeen

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen.

35

6.3.2

Plangebied

De gemeente Rotterdam heeft de VNG-lijst vertaald naar de Rotterdamse situatie en heeft daarbij een verdeling aangegeven in woongebied, gemengd woongebied/overgangsgebied en industriegebied I, II, III. De gedachte hierachter is dat de indicatieve afstanden van de VNG bedoeld zijn vanaf een bedrijf van gemiddelde omvang tot woningen in een woonwijk. Voor gemengde gebieden of bij industriegebieden, en/of bedrijven die aanzienlijk kleiner zijn dan een gemiddeld bedrijf biedt het Rotterdamse beleid een standaard om gemotiveerd af te wijken van de indicatieve afstanden. In gebieden met functiemenging wordt een andere systematiek gehanteerd en is vaak een combinatie van wonen en werken mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als gemengd gebied. Dit is tevens benoemd in het bestemmingsplan 'Zuiderpark'. Gemengd gebied houdt in dat binnen het plangebied activiteiten in de milieucategorieën 1,2 en 3 zijn toegestaan.

Bedrijven binnen en om het plangebied Een onderwijsinstelling behoort tot de activiteiten met milieucategorie 2 (SBI-code: 85). Dit leidt tot een richtafstand van 30 meter, echter kan deze richtafstand met één trede verlaagd worden vanwege de ligging in gemengd gebied. Dit leidt ertoe dat sprake is van een richtafstand van 10 meter. In de huidige situatie zijn geen woningen gelegen binnen 10 meter van het plangebied, waardoor geen sprake is van belemmering van woningen door de voorgenomen ontwikkeling. In de toekomstige situatie wordt het gehele Carnisse-eiland herontwikkeld. De toekomstige inrichting van het eiland is nog niet bekend. Met de gemeente vindt nauwe afstemming plaats om een goed woonen leefklimaat te garanderen voor de toekomstige woningen in de omgeving en om de OSBS de Kameleon niet te beperken in haar activiteiten. Waar nodig worden maatregelen getroffen. Vooralsnog is de voorgenomen ontwikkeling van een onderwijsinstelling geen belemmering voor omliggende woningen. 6.3.3

Conclusie

Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

6.4

Verkeer en parkeren

6.4.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Momenteel is de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" het geldende parkeerbeleid, zie ook paragraaf 3.3.5. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt getoetst aan de voornoemde beleidsregeling. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. 6.4.2

Plangebied

Autoparkeren De normen zijn gebiedsafhankelijk en bij de gebiedsindeling. In de gebiedsindeling zijn drie gebieden te onderscheiden. a. b.

Hoogstedelijk gebied. Stadswijken.

36

c.

Overige gebieden.

Uit parkeerbeleid van Rotterdam volgt dat het plangebied is gelegen in 'zone C - overige gebieden'. Op basis van de beleidsregeling dienen 0,5 parkeerplaatsen per leslokaal van 30 leerlingen aanwezig te zijn. In onderhavig geval worden 23 lokalen gerealiseerd in de basisschool. Dit betreffen 18 groepen van 30 leerlingen en 5 groepen van 15 leerlingen. Op basis van de parkeernorm leidt dit tot een parkeerbehoefte van 11 parkeerplaatsen (20,5*0,5=10,25). Voor een peuterspeelzaal is sprake van een norm van 1 parkeerplaats per 100 m2 bvo. In onderhavig geval is sprake van 127 m2 bvo aan peuterspeelzaal, dit leidt tot een behoefte van 1,27 parkeerplaatsen. De parkeernorm voor een gymzaal is 2 per 100 m2 bvo. In onderhavig geval wordt circa 660 m2 aan gymzaal gerealiseerd. Dit leidt tot een parkeernorm van 13,2 parkeerplaatsen. Voor de parkeerbehoefte van de gymzaal geldt dat er geen aparte parkeerplaatsen gerealiseerd hoeven te worden, hier is sprake van dubbelgebruik. Op momenten dat de school open is, wordt de gymzaal in gebruik genomen door de school. Indien de school gesloten is, dient de gymzaal als sportvoorziening voor de buurt. Op dit moment kunnen de parkeerplaatsen van de school gebruikt worden. De totale parkeerbehoefte voor de ontwikkeling is 13,2 parkeerplaatsen.

Echter zijn er binnen het gemeentelijk parkeerbeleid meerdere normcorrectiefactoren benoemd waarmee (gedeeltelijke) vrijstelling van de parkeernorm kan worden verkregen. Op een afstand van circa 530 meter (hemelsbreed) van het plangebied is het metrostation Station Zuidplein gelegen. In onderhavig geval kan vanwege de ligging nabij een metrostation de autoparkeereis met 100Zo verlaagd worden. Dit leidt tot een behoefte van 12 parkeerplaatsen (13,2*9007o^1,88). Fietsparkeren In de beleidsregeling geldt voor basisonderwijs een parkeernorm van 5 fietsparkeerplaatsen per lokaal van 30 leerlingen. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van 103 fietsparkeerplaatsen (20,5*5=102,5). Voor een peuterspeelzaal geldt dat voor fietsparkeren minimaal 1,9 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo gerealiseerd dienen te worden. Dit leidt tot 2,4 fietsparkeerplaatsen. Daarnaast dienen minimaal 3 bakfietsplaatsen gerealiseerd te worden. Bij een gymzaal dienen 2,5 parkeerplaatsen per 100 m2 gerealiseerd te worden. Uitgaande een oppervlakte van 660m2, is er sprake van een parkeerbehoefte van 16,5 fietsparkeerplaatsen. In dit kader geldt eveneens dat middels dubbelgebruik wordt voorzien in de fietsparkeerbehoefte van de gymzaal. De totale parkeerbehoefte is 105 fietsparkeerplaatsen en 3 bakfietsplaatsen. Verkeersgeneratie De exacte verkeersgeneratie bij onderwijsfuncties is moeilijk te bepalen.

Voor basisscholen zijn in de CROW-publicatie 381 dan ook geen kengetallen opgenomen om de verkeersgeneratie te berekenen. Daarnaast geeft de online CROW-rekentool hier ook geen kengetallen voor. Het aantal kinderen dat met de auto wordt gebracht en opgehaald is sterk afhankelijk van verschillende externe factoren zoals weersomstandigheden, het haal- en brengbeleid van de school of opvang en de agenda van ouders (gaan ze bijvoorbeeld meteen door naar hun werk). Uit onderzoek in opdracht van het CROW-KpVV blijkt dat gemiddeld 1/3 deel van de kinderen in Nederland met de auto naar school wordt gebracht. Het aantal voertuigen dat in dit bestemmingsplan is aangehouden voor de verkeersgeneratie is een verwachting op basis van 1/3 van het aantal leerlingen. Het aantal kan door omstandigheden in de feitelijke situatie afwijken. Om de toename in verkeersgeneratie inzichtelijk te maken, is een vergelijking gemaakt tussen de huidige en toekomstige situatie. In de huidige situatie worden 275 leerlingen gehuisvest op OSBS de Kameleon aan de Carnissedreef 2-4. 1/3 van 275 leerlingen is 92 leerlingen. De leerlingen worden gebracht en opgehaald. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 184 motorvoertuigen op een doordeweekse dag ((275*1/3^2=184). Op de nieuwe school worden 424 leerlingen gehuisvest.

Het aantal leerlingen op scholen neemt normaliter in de loop van het jaar toe, vanwege instroom in groep 1 en leerlingen die wisselen van

37

school. In onderhavig geval wordt rekening gehouden met maximaal 450 leerlingen na toename. 1/3 van 450 leerlingen is 150 leerlingen. De leerlingen worden gebracht en opgehaald. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigen op een doordeweekse dag ((450*1/3^2=300). Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een toename in verkeersgeneratie van 116 motorvoertuigen op een doordeweekse dag. Enkel op bepaalde tijdstippen op doordeweekse dagen is sprake van verkeersgeneratie vanwege scholen. De vervoersbewegingen op locatie zijn hier van korte duur (brengen/ophalen). Daarnaast is het basisuitgangspunt dat leerlingen te voet of met de fiets naar school komen. Daarnaast zullen de kinderen op het OSBS de Kameleon gebruik maken van de gymzaal, waardoor geen sprake is van extra vervoersbeweging, omdat de kinderen zich immers al op de school bevinden en naar de gymzaal zullen lopen. Op het moment dat de gymzaal buiten schooltijden wordt gebruikt, vallen deze vervoersbewegingen niet samen met de vervoersbewegingen ten behoeve van het brengen naar en ophalen van school, waardoor dit niet leidt tot extra belasting. Verder is sprake van vervangende nieuwbouw, hierdoor wordt geen toename in verkeerbewegingen verwacht ten opzichte van de bestaande gymzaal.

De verwachting is dat de omliggende wegenstructuur de toename van verkeersgeneratie kan opvangen en de toename niet leidt tot belemmeringen in de omgeving. 6.4.3

Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.5

Geluid

6.5.1

Algemeen

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid Wanneer in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen mogelijk wordt gemaakt moet onderzocht worden of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar is om de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

38

6.5.2

Plangebied

Door Cauberg Huygen B.V. is het omgevingslawaai op de gevels van de beoogde basisschool de Kameleon inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. De rapportage bij het akoestisch onderzoek van 8 september 2022 (referentie: 07785-54788-04) is opgenomen in Bijlage 2 bij dit bestemmingsplan. De resultaten uit het onderzoek zijn hieronder opgenomen. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszones van de volgende geluidsbronnen: «

Wegverkeerslawaai: 1. Zuiderparkweg (50 km/uur weg); 2. Ahoyweg (50 km/uur weg).

»

Industrielawaai: 1. Gezoneerd industrieterrein Maas-/Rijnhaven 2.

Gezoneerd industrieterrein Waah/Eemhaven.

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de geluidsbelastingen ten gevolge van de 30 km/uur wegen rondom het plangebied bepaald. Rekenresultaten wegverkeer

Wegen met een zone: Zuiderparkweg (50 km/uur) Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting (na aftrek ingevolge art. 110g Wgh) vanwege de Zuiderparkweg maximaal 41 dB bedraagt op gevels van de planlocatie. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Het vaststellen van hogere waarden is hiermee niet nodig.

Wegen met een zone: Ahoyweg (50 km/uur) Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting (na aftrek ingevolge art. 110g Wgh) vanwege de Ahoyweg maximaal 34 dB bedraagt op gevels van de planlocatie. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Het vaststellen van hogere waarden is hiermee niet nodig.

Wegen zonder zone: 30 km/uur wegen (Carnissedreef/Singel) Uit de berekeningen blijkt dat de verschillende 30 km/uur wegen rondom de planlocatie resulteren in een optredende geluidbelasting (cumulatief, na aftrek) van maximaal 41 dB op de gevel van de planlocatie. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. Wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Metro Het metrospoor langs de Zuiderparkweg is aangegeven op de zonekaart en wordt daarmee beschouwd als spoorweg. Het betreft traject 625 en heeft een zonebreedte van 100 m. De projectlocatie is gesitueerd op ca. 170 m van het spoor en ligt buiten de zone van 100 meter. Derhalve is de geluidbelasting ten gevolge van de metro is niet verder beschouwd. Rekenresultaten industrielawaai Het plangebied ligt binnen het gebied van de 'Standaard methode'. In figuur 6.1 zijn in detail de 1 dB(A) contouren rond het plangebied aangegeven. Uit het figuur blijkt dat het plangebied tussen de 51 en 50 dB(A) contouren ligt. De school is drie bouwlagen hoog. De maximale geluidbelasting is 51 dB(A) op de gevel. Deze geluidbelasting van 51 dB(A) is aanwezig op de noord-, zuid- en westgevel. Op de oostgevel mag conform stap 2 van de standaard rekenmethode 10 aftrek worden toegepast. De geluidbelasting zal overigens na de realisatie van de nieuwbouw aan de westzijde lager zijn.

Waar de bestaande laagbouw ten westen van het gebied ligt, is de geluidbelasting op het plangebied hoger. De geprojecteerde nieuwbouw aan de westzijde zal meer afscherming bieden en de geluidbelasting op het plangebied verlagen met circa 1 dB(A).

39

Figuur 6.1 Detail 1dB contouren WaalVEemhaven

Cumulatie Cumulatie is niet aan de orde, aangezien alleen ten gevolge van de Waak/Eemhaven een overschrijding van de voorkeurgrenswaarde aanwezig is. Wanneer de individuele geluidbelasting wordt beoordeeld volgens de beoordelingsmethode voor gecumuleerde waarden, blijkt dat de maximale geluidbelasting van 51 dB(A) als redelijk beschouwd kan worden.

Maatregeling Ten gevolge van het gezoneerd industrieterrein Waak/Eemhaven wordt de voorkeursgrenswaarde 50 dB(A) met 1 dB(A) overschreden. Voor onderdelen van het plan waarbij de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai en industrielawaai boven de voorkeurgrenswaarde, maar niet boven de maximale ontheffingswaarde ligt, kunnen hogere waarden worden aangevraagd. De hogere waarden kunnen door het B en W worden verleend wanneer is vastgesteld dat maatregelen onvoldoende doelmatig zijn. Gezien de aard van de bron, een gezoneerd industrieterrein, zijn bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk/wenselijk en niet financieel doelmatig. De geluidbelasting van 51(A) dB is zonder ingrijpende maatregelen bij de ontvanger goed te reduceren tot een binnenniveau van 35 dB(A), zodat het treffen van maatregelen bij de ontvanger in de vorm van een adequate gevelgeluidwering de voorkeur heeft.

Beoordeling gemeentelijk beleid Het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam stelt geen voorwaarden voor scholen. De maximale geluidbelasting van 51 dB(A) kan volgens de beoordelingsmethode voor gecumuleerde waarden als redelijk beschouwd worden. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening Daarnaast zal de nieuwe wijk aan de westzijde aanvullende afscherming bieden zodra deze gerealiseerd is. In het kader van de 1dB overschrijding wordt hogere waarden van 51 dB(A) aangevraagd voor het gezoneerde industrieterrein Waak/Eemhaven.

Nestgeluid Aangezien de locatie binnen de zone van de industrieterreinen Maas-ZRijnhaven en Waal-Eemhaven en enkele lokale wegen, is de bijdrage van nestgeluid van schepen in de havens van de industrieterreinen en het geluid van varende schepen op de Nieuwe Maas onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd door dBvision d.d. 2 april 2022 (kenmerk: GEM103-34-036rz) en is opgenomen in Bijlage 3 bij dit

40

bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat het nestgeluid en het geluid van varende schepen niet relevant is. Ook als rekening wordt gehouden met de bijdrage van nestgeluid en het geluid van varende schepen, blijft de geluidbelasting zodanig laag dat in alle gevallen volstaan kan worden met de minimale karakteristieke geluid wering van 20 dB.

6.5.3

Conclusie

PM - Hogere waarden besluit dient nog genomen te worden

6.6

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheidt tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde.

De definitie van 'niet in betekenende mate' is 30Zo van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 30Zo komt overeen met 1,2 microgram/mtè (gg/mtè). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: » «

woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

41

6.6.1

Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreft de realisatie van een basisschool. Deze ontwikkeling past niet binnen één van de voornoemde voorbeelden van de NIBM-tool. Onderzocht is wat het effect van deze mogelijke ontwikkelingen op het aantal verkeersbewegingen per etmaal is. Uit deze analyse blijkt dat sprake is van een toename van 116 verkeersbewegingen. In het kader van luchtkwaliteit is tevens gekeken naar een worst-case toename van verkeersbewegingen. In de worst-case situatie is ervan uitgegaan dat 10007o van de leerlingen gebracht en gehaald wordt. In de huidige situatie zal dit leiden tot 550 verkeersbewegingen. In de toekomstige situatie zal dit leiden tot 900 verkeersbewegingen. Geconcludeerd kan worden dat in een worst-case situatie sprake is van een toename van 350 verkeersbewegingen. De NIMB-tool is ingevuld met de worst-case situatie en het uitgangspunt dat de realisatie in 2023 plaatsvindt. In tabel 6.3 is zichtbaar dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemīddelde)

350

Aandeel vrachtverkeer

5,0*70

N02 in pg/m3

0,31

PM10 in pg/m3

D,06

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate” in pg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Tabel 6.2

Uitsnede NIBM-tool

Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (30Zo van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. Volledigheidshalve is wel gekeken naar de totale waarde ter plaatse van een meetpunt nabij het plangebied. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige totale concentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 ug/mtè voor stikstofdioxide NO2, 40 ug/mtè voor fijnstof PM10 en 25 ug/mtè voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 19 mei 2021).

GCN-totate conceiìlraiie locatie 1D 15953156 NO2 (ļjg/frv 24.119

19.476

11.863

17.184

17.208

9.782

Grenswaarden Tabel 6.3

Jaarlijkse totale concentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl)

42

In de tabel is zichtbaar dat de grenswaarden ter plaatse van het plangebied niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is niet van dusdanige omvang dat hierdoor een overschrijding te verwachten is.

Luchtkwaliteit bij scholen Kinderen zijn extra gevoelig voor luchtvervuiling. Daarom zijn scholen aangewezen als ‘gevoelige bestemming’ in het Besluit Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit. Het besluit gevoelige bestemmingen schrijft voor dat scholen tenminste 50 meter van provinciale en 300 meter van rijkswegen verwijderd moeten zijn als sprake is van (dreigende) overschrijding van normen voor luchtkwaliteit. De gemeente Rotterdam heeft ook een eigen beleidsregel inzake het buitenklimaat "luchtkwaliteit bij scholen en kinderdagverblijven". De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg. Het plangebied ligt niet binnen 50 meter van een weg, hierdoor is de beleidsregeling niet van toepassing. 6.6.2

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.7

Bodem

6.7.1

Algemeen

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.2

Plangebied

Door Kwinfra B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Carnissedreef 2-4 te Rotterdam d.d. 18 februari 2021. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 bij dit bestemmingsplan. Aanleiding voor de uitvoering van een bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van het OSBS de Kameleon. Hieronder zijn de resultaten van het onderzoek samengevat opgenomen. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan een oordeel worden gegeven over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. De sterk koolashoudende ondergrond ter plaatse van boring 02 is sterk verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. In totaal is naar verwachting maximaal circa 7 m2 grond boven de interventiewaarde verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. Op basis van de omvangsbepaling is ter plaatse geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Derhalve bestaat er geen meldingsplicht voor graafwerkzaamheden in deze verontreinigde grond. Wel dient bij eventuele graafwerkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van deze sterke verontreiniging. Eventueel vrijkomende sterk verontreinigde grond dient afgevoerd te worden naar een erkende verwerker/acceptant. Verder is de zintuiglijk schone bovengrond (zand) licht verontreinigd met barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink.

De zintuiglijk schone bovengrond (klei) is licht verontreinigd met zink. De zintuiglijk schone ondergrond (klei) is plaatselijk matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met diverse overige zware metalen.

43

Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en zink. Gezien de aangetoonde verontreinigingen wordt de hypothese onverdacht niet bevestigd. De onderzoeksresultaten geven een representatief beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en er is geen aanleiding tot het uitvoeren van verder aanvullend onderzoek. De onderzoeksresultaten van onderhavig bodemonderzoek vormen volgens onderzoeksbureau Kwinfra geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning. De uiteindelijke beslissing voor afgifte van een omgevingsvergunning ligt echter bij het bevoegd gezag. Bij het aanleggen van onverharde delen wordt rekening gehouden met de verontreinigde gronden ter plaatse van boring 2. Daarnaast wordt bij de aanleg van de zandbak schoon zand gebruikt, waardoor de leerlingen enkel in aanraking komen met het schone zand. 6.7.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.8

Archeologie en cultuurhistorie

6.8.1

Algemeen

Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het archeologische beleid van de gemeente Rotterdam is vastgelegd in de Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's) en de Archeologieverordening Rotterdam. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats.

Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

Cultuurhistorie De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium - Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde - Cultuurhistorie”.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden

44

om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. 6.8.2

Plangebied

De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van een basisschool op de gronden nabij de Carnissedreef 2-4 te Rotterdam. De gronden binnen het plangebied zijn grotendeels onbebouwd en niet in gebruik. In onderstaand figuur is zichtbaar waar het plangebied zich bevindt en waar de bestaande bebouwing en in gebruikzijnde gronden zich bevinden.

Legenda rľĴ ŕbwjcfcied Cl ToctonìsOţĶ scftodbebotiwnq C I Bestaande wliodbetauwliig i

XT

Figuur 6.2 Globale ligging plangebied en toekomstige bebouwing (eigen bewerking Qgis)

6.8.2.1 Archeologie Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Rotterdam is te zien dat het plangebied een redelijk tot hoge archeologische verwachting kent, zie figuur 6.3.

45

Legenda rrĵplanņetwd 3.1 Fkŭrigk w ittgt ThKlílįWtl rtr-KNfřJ

Űf«ļ «h*ttrnm ü

Figuur 6.3 Uitsnede archeologische verwachtingskaart (bron: Gemeente Rotterdam)

Daarnaast kent het plangebied op grond van het bestemmingsplan 'Zuiderpark' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', waardoor een archeologisch onderzoek benodigd is indien graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 2,5 meter beneden NAP en tevens een groter terreinoppervlak beslaan dan 200 m2 meter. Vanwege de archeologische verwachtingswaarde en de omvang van de ontwikkeling is een archeologische plantoets uitgevoerd door het Archeologie Rotterdam (BOOR). Uit de plantoets volgt een beleidsbesluit d.d. 4 mei 2021, opgenomen in Bijlage 4 bij dit bestemmingsplan. Onderzocht is of er noodzaak is om een (voor)onderzoek uit te voeren in het kader van de grondwerkzaamheden ter plaatse van het plangebied. Uit het beleidsbesluit volgt dat voorafgaand aan de grondwerkzaamheden eventueel archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Momenteel zijn nog geen definitieve bouw- en/of inrichtingsplannen bekend. De uitgewerkte (deel)plannen en het palenplan dienen te zijner tijd aan de afdeling Archeologie te worden voorgelegd, waarna definitief beoordeeld kan worden of onderzoek noodzakelijk is. Ten tijde van de bouwaanvraag zullen definitieve bouw- en/of inrichtingsplannen aan BOOR worden voorgelegd. Naar aanleiding hiervan zal indien nodig een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Ten behoeve van de planologische procedure wordt de dubbel bestemming 'Waarde - Archeologie' zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Zuiderpark' overgenomen. Hiermee blijven eventuele archeologische waarden geborgd. Voor de planologische procedure vormt archeologie geen belemmering.

6.8.2.2 Cultuurhistorie Voor de wijk Carnisse is een cultuurhistorische verkenning vastgesteld, de locatie van dit bestemmingsplan is hierin opgenomen. Het huidige schoolgebouw is hierin niet gewaardeerd als beeldbepalend object, dus behoeft geen dubbelbestemming te krijgen. Het plangebied kent hierdoor volgens het vigerende bestemmingsplan dan ook geen dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' en is niet gelegen binnen beschermde stads- of dorpsgezichten. Daarnaast is de gemeentelijke monumentenkaart geraadpleegd. In figuur 6.4 is een uitsnede van de monumentenkaart opgenomen, het plangebied is hierop aangegeven met een rood kader. Zichtbaar is dat binnen het plangebied geen monumenten aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor veranderingen aan of in een monument.

46

Legenda

fľĴ píanņŵled

Figuur 6.4 Uitsnede monumentenkaart (bron: gemeente Rotterdam)

In onderhavig geval worden geen wijzigingen aangebracht binnen beschermd stads- en dorpsgebied. Daarnaast worden ook geen monumenten aangetast. Cultuurhistorie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 6.8.3

Conclusie

De archeologische waarden worden gewaarborgd middels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' die is opgenomen ter plaatse van het plangebied. Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

6.9

Externe veiligheid

6.9.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e5187170-b865-4039-929d-a62eea7d35cd