[23bb002389] Bijlage 1 behorende bij 23bb002388 over Ontwerpbestemmingsplan OSBS de Kameleon
Tekst van het document
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik.
47
Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.
Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.9.2
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een school en gymzaal. Een school is een kwetsbaar object, zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Om de omliggende risicobronnen in kaart te brengen is de risicokaart Nederland geraadpleegd. In figuur 6.5 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart. Het voorgenomen initiatief is geen risicovolle activiteit.
Figuur 6.5 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart Nederland)
Plaatsgebonden risico
48
Gekeken is of het plangebied gelegen is binnen de risicocontouren. Het plangebied is niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren 10-6, zie figuur 6.4. Hiermee vormen dergelijke contouren geen belemmering voor de realisatie van kwetsbare objecten, zoals een school, binnen het plangebied. Groepsrisico
Transport gevaarlijke stoffen over het water Aan de noordzijde van het plangebied is, op een afstand van circa 1,9 kilometer, de Nieuwe Maas gelegen. De Nieuwe Maas is een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Over de Nieuwe Maas lopen de transportroutes: » »
Corridor Rotterdam - Moerdijk; Corridor Rotterdam - Duitsland.
Indien het plangebied binnen 200 meter van een transportroute ligt, binnen het effectengebied, dient een groepsrisicoberekening uitgevoerd te worden. Het plangebied ligt hier niet binnen, waardoor geen groepsrisicoberekening nodig is. De verschillende stoffen die over de transportroute vervoerd kunnen worden hebben invloedsgebieden van diverse omvangen. Het invloedsgebied is groter dan het effectengebied. Indien het plangebied binnen het effectengebied is gelegen, dient een groepsrisicoverantwoording plaats te vinden. Voor gevaarlijke stoffen geldt een maximaal invloedsgebied van 1.070 meter (voor de stof GT3). Aangezien het plangebied op een afstand van 1,9 kilometer van de transportroute over het water is gelegen, is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied. In dit kader is geen beperkte groepsrisicoverantwoording benodigd.
Transport gevaarlijke stoffen over de weg Aan de zuidzijde van het plangebied, op een afstand van minimaal 2,4 kilometer, worden gevaarlijke stoffen getransporteerd over de A15. Voor transportroutes over wegen geldt eveneens dat een groepsrisicoberekening uitgevoerd dient te worden, mits het plangebied binnen 200 meter van de transportroute is gelegen. Dit is niet het geval, derhalve hoeft geen groepsrisicoberekening uitgevoerd te worden. Voor transportroutes over de weg geldt eveneens dat de diverse gevaarlijke stoffen een invloedsgebied met zich meebrengen. Het invloedsgebied is groter dan het effectengebied. Indien het plangebied binnen het effectengebied is gelegen, dient een groepsrisicoverantwoording plaats te vinden. Voor gevaarlijke stoffen over de weg geldt een maximaal invloedsgebied van M.000 meter, dit geldt voor de stoffen LT3, LT4, GT4 en GT5. Dit zijn toxische stoffen, waarbij een gifwolk kan ontstaan die verder reikt dan 4 kilometer. Voor de overige gevaarlijke stoffen geldt maximaal een invloedsgebied van 880 meter, waardoor in het kader van deze stoffen in ieder geval geen beperkte groepsrisicoverantwoording benodigd is. Gekeken is of over de A15 één of meer van de stoffen met een invloedsgebied van M.000 meter worden vervoerd. Dit is het geval, waardoor een beperkte groepsrisicoverantwoording benodigd is.
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Aan de oost- en zuidzijde van het plangebied, op een afstand van minimaal 2,4 kilometer, worden gevaarlijke stoffen getransporteerd over het spoor. Voor transportroutes over het spoor geldt wederom dat een groepsrisicoberekening uitgevoerd dient te worden, mits het plangebied binnen 200 meter van de transportroute is gelegen. Dit is niet het geval, derhalve hoeft geen groepsrisicoberekening uitgevoerd te worden. Voor transportroutes over het spoor geldt eveneens dat de diverse gevaarlijke stoffen een invloedsgebied met zich meebrengen. Het invloedsgebied is groter dan het effectengebied. Indien het plangebied binnen het effectengebied is gelegen, dient een groepsrisicoverantwoording plaats te vinden. Voor gevaarlijke stoffen over het spoor geldt een maximaal invloedsgebied van M.000 meter, dit geldt voor de stoffen B3 en D4. Dit zijn zeer toxische stoffen, waarbij een gifwolk kan ontstaan die verder reikt dan 4 kilometer. Voor de overige gevaarlijke stoffen geldt maximaal een invloedsgebied van 995 meter, waardoor in het kader van deze stoffen in ieder geval geen beperkte groepsrisicoverantwoording benodigd is. Op basis van de risicokaart Nederland is te concluderen dat de stoffen B3 en D4 over het spoor worden vervoerd, waardoor een beperkte groepsrisicoverantwoording benodigd is.
49
Buisleiding De dichtstbijzijnde buisleiding ligt, in zuidwestelijke richting, op een afstand van 1,7 kilometer van het plangebied. Voor buisleidingen is sprake van een letaliteitscontour. Indien het plangebied binnen de letaliteitscontour is gelegen, dient een groepsrisicoberekening uitgevoerd te worden. De grootste 1%-letaliteitsgrens ligt op 580 meter. Het plangebied is hiermee niet binnen de 100 letaliteitscontour gelegen, derhalve is geen groepsrisicoberekening benodigd.
Beperkte groepsriscioverantwoording transportroute - toxische gassen Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en over het spoor is een beperkte groepsrisicoverantwoording nodig. Bij de beperkte groepsrisicoverantwoording is gekeken naar rampbestrijding en zelfredzaamheid ten aanzien van een ramp met toxische gassen.
Bestrijdbaarheid Bij een ongeval met toxische vloeistoffen of gassen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De aanwezigen binnen het plangebied zullen met name minderjarige kinderen zijn. Meerderjarigen zijn minder zelfredzaam dan volwassenen. Binnen het onderwijsgebouw zullen ten alle tijde volwassenen aanwezig zijn die de minderjarige begeleiden. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op het spoor of de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. In onderhavig geval wordt binnen de ontwikkeling afsluitbare ventilatie gerealiseerd. Dit wordt gedaan in de vorm van te openen en te sluiten ramen. Daarnaast wordt een mechanisch ventilatiesysteem gerealiseerd. 6.9.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.10
Natuur
6.10.1 Algemeen Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; » « » »
het behouden en ontwikkelen van natuur, het behouden en herstellen van de biodiversiteit, het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen
50
vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied, omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan).
Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: « »
strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Op grond van de Natuurkaart maakt het plangebied geen deel uit van kerngebieden, (onderdelen van) van binnenstedelijke ecologische verbindingen en ambitielocaties. 6.10.2 Plangebied Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een overtreding van de natuurwetgeving, is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd door onderzoeksbureau de Bouwecoloog d.d. 29 maart 2021. De quickscan is opgenomen in Bijlage 6 van dit bestemmingsplan. De resultaten zijn hieronder gedeeltelijk overgenomen.
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op circa 1,6 km. Het plangebied bevindt zich op circa 5 km van Natura 2000-gebied 'Oude Maas'. Onderzoek naar stikstofdepositie is uitgevoerd door Mees Ruimte en Milieu. De rapportage van 15 september 2021 is opgenomen in Bijlage 7. Hieruit blijkt dat negatieve effecten door stikstofdepositie uitgesloten zijn. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. PM: nieuwe stikstof calculator per 22 nov, wordt t.z.t. uitgevoerd.
Soortenbescherming Op basis van het bronnenonderzoek en het oriënterend locatiebezoek worden behalve voor vleermuizen geen vaste rust- of verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden van beschermde soorten zonder vrijstelling verwacht. In dit kader is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk om te bepalen of een ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig is. Vervolgonderzoek vleermuizen Door Eco-Niche is een vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De rapportage van april 2022 is opgenomen in Bijlage 8. Hieronder is de conclusie uit het onderzoek overgenomen.
51
Als gevolg van het project gaan er op de planlocatie geen verblijfplaatsen verloren, omdat deze ontbreken. Wel kan het project een externe werking hebben, welke leidt tot verstoring of kwaliteitsverlies van een essentieel foerageergebied buiten de planlocatie. De meervleermuis is namelijk één van de vleermuissoorten die gevoelig is voor verstoring door verlichting. Indien het project leidt tot vermindering van de verduistering van de waterpartij, kan het essentiële foerageergebied - al dan niet tijdelijk - in kwaliteit achteruitgaan. Van vermindering van de verduistering is sprake indien de mate van verlichting aanzienlijk toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. De opdrachtgever is voornemens een aanzienlijk deel van de groenstrook tussen het schoolgebouw en de waterpartij te rooien ten behoeve van de geplande nieuwbouw. Hierdoor resteert minder begroeiing om een eventuele lichtuitstraling vanaf de planlocatie op de waterpartij af te schermen. Om lichtverstoring richting de waterpartij te voorkomen dienen maatregelen te worden genomen. Vervolgstappen zijn nodig om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen: « » «
Behoud van een dichte groenstrook met bomen en struiken tussen de nieuwe sporthal en de waterpartij, zodat de waterpartij verduisterd blijft. Of tref alternatieve maatregelen om lichtuitstraling te voorkomen, waaruit blijkt dat de mate van verduistering van de waterpartij niet afneemt, zowel tijdens de bouw als tijdens de gebruiksfase. Werk bovenstaande maatregelen uit in een ecologisch werkprotocol.
Naar aanleiding van het vervolgonderzoek is door Eco-Niche een ecologisch werkplan opgesteld d.d. april 2022. Het werkplan is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting. Het werkplan beschrijft de concrete stappen die nog nodig zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming tijdens de uitvoering van het verwijderen van (een deel van) de vegetatie / kappen van de bomen, de sloop van de bestaande school en de nieuwbouw van de school en sporthal te voorkomen. Wanneer al deze stappen opgevolgd worden, is overtreding niet aan de orde en een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet nodig.
6.10.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
6.11
Duurzaamheid
6.11.1 Algemeen Rotterdam ambieert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de regio en de haven. Binnen de stad speelt het streven naar duurzaamheid op alle schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad als geheel, als op het niveau van de verschillende stadsdelen: de binnenstad, wijken en buurten en op het niveau van een gebouw. Deze duurzaamheidsambitie is uitgewerkt in een aantal beleidsplannen, zoals het Programma Duurzaam, Rotterdamse Woningkwaliteit (RWK), het Waterplan Rotterdam, Gezond in de stad, de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit (RAL) en het Rotterdam Climate Initiative (RCI).
Duurzame energie Eén van de meest ambitieuze doelstellingen is om de CO2-uitstoot in 2025 met 5007o te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Ook wordt in 2025 gestreefd naar een energie neutrale gebouwde omgeving. Om een substantiële bijdrage aan deze doelstelling te leveren en energie te besparen, is het beleid van de gemeente Rotterdam er op gericht zoveel mogelijk woningen, bedrijven en voorzieningen aan te sluiten op een collectief warmtenet. Dit warmtenet omvat een stelsel van leidingen waardoor warm water wordt gepompt voor verwarming en warm tapwater. Daarbij wordt als warmtebron gebruik gemaakt van industriële restwarmte. Bij grootschalige toepassing, op gemeentelijk niveau, wordt een grote milieuwinst behaald op het gebied van het broeikaseffect (CO2) en de lokale luchtkwaliteit (NOx). Dankzij de in 2007 doorgevoerde aanpassing van de bouwverordening wordt aansluiting op het warmtedistributienet bevorderd. Indien ter plaatse een warmtedistributienet aanwezig is, dan dient een
52
te bouwen bouwwerk te worden aangesloten op dat net. Dit is aan de orde als het bouwwerk minder dan 40 meter van de dichtstbijzijnde leiding ligt, of als de kosten van de aansluiting niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter. De gemeente bevordert het opwekken van duurzame energie in de gebouwde omgeving. Kleine windmolens ('urban wind') en photovoltaïsche zonnepanelen (PV) zijn nu nog niet concurrerend met netstroom, maar dat wordt in de nabije toekomst wel verwacht. Naast bovengenoemde maatregelen moeten nieuw op te richten gebouwen of gebouwen die gerenoveerd worden daarom wat betreft daklast ook geschikt zijn voor het (na)plaatsen van zonnepanelen, zonneboiler of een groen dak. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam dient bij het ontwerp van gebouwen rekening te worden gehouden met duurzaam bouwen principes en de energieprestatie eisen. Zo is het reeds langer het verplicht om een EPC-berekening (EnergiePrestatieCoëfficiënt) in de dienen in het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning.
Duurzaam bouwen Bij duurzaam bouwen is de insteek om er zorg voor te dragen dat tijdens de hele kringloop van bouwen, renoveren en beheren van bouwwerken, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het Bouwbesluit geeft aan welk kwaliteitsniveau ten minste is vereist. In Rotterdam geldt daarnaast 'De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema's: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort.
Groene daken De gemeente Rotterdam stimuleert de aanleg van groene daken in Rotterdam. Zo is er een aantrekkelijke subsidie voor huiseigenaren en heeft de stad inmiddels een aantal gemeentelijke gebouwen voorzien van een groen dak. Wanneer groene daken op grote schaal worden toegepast dragen ze bij aan een duurzame en gezonde stad. Groene daken vangen regenwater op en voeren het vertraagd af. Hierdoor wordt het riool minder belast als het hard regent. Groene daken nemen stofdeeltjes op uit de atmosfeer en vormen zo een buffer tegen luchtvervuiling. Daarmee leveren groene daken een bijdrage aan de vermindering van CO2-uitstoot. Een beplant dak isoleert het pand eronder. Daardoor blijft het vooral in de zomer koeler in huis. Bovendien stralen groene daken bij hogere temperaturen minder warmte uit waardoor het ook een gunstige invloed heeft op de omgevingstemperatuur. En natuurlijk wordt de stad groener, waardoor er meer kansen komen voor flora en fauna en de leefbaarheid wordt verbeterd. 6.11.2
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in nieuwbouw ten behoeve van OSBS de Kameleon, de nieuwbouw wordt aardgasvrij gerealiseerd. Binnen het plangebied worden faciliteiten ten behoeve van waterberging gerealiseerd, met als doel om het water bij (hevige) neerslag tijdelijk vast te houden en te voorkomen dat het water te snel afstroomt en het waterpeil snel stijgt. Daarnaast wordt een WKO-installatie geplaatst, om het gebouw op duurzame wijze te verwarmen en verkoelen middels bodemenergie. Op het gebouw worden tevens zonnepanelen geplaatst, om zonne-energie om te zetten naar elektriciteit. 6.11.3 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Rotterdam.
53
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
54
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. De beoogde ontwikkeling betreft een initiatief van Stichting BOOR, maar de gemeente Rotterdam is verantwoordelijk voor de bekostiging van nieuw te bouwen schoolgebouwen en nieuw te bouwen gymzalen. Het project is, conform artikel 74 onder 3 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) onderdeel van het gemeentelijk Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2015-2019 en zal hieruit bekostigd worden. Na oplevering van het gebouw blijft de gemeente eigenaar van de gronden en het gebouw. Het gebouw wordt in gebruik gegeven aan de school. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.
55
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal eenieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar eenieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is er op 21 april 2022 een informatiebijeenkomst geweest, hier zijn geen belangstellende op af gekomen.
9.2
Vooroverleg
De conceptversie van het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het (voor)overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorgelegd aan de aan de gebruikelijke vooroverlegpartners van de gemeente Rotterdam. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en het Waterschap Hollandse Delta hebben gereageerd op het bestemmingsplan. De reactie van de veiligheidsregio heeft geen gevolgen gehad voor het bestemmingsplan. De reactie wordt meegenomen bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Naar aanleiding van de reactie van het Waterschap Hollandse Delta heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Hollandse Delta en is de waterparagraaf aangepast. De overige vooroverlegpartners hebben geen opmerkingen op het plan kenbaar gemaakt.
56
Bijlagen
57
Bijlage 1
Verkennend en nader bodemonderzoek
58
KWINFRA Opdrachtgever Contactpersoon Postbus of adres Postcode + plaats
Datum Rapportnummer Status
Stichting BOOR Dhr. L. van den Berg Schiekade 34 2032 AJ Rotterdam
: : :
18 februari 2021 20231-RAP-01 Definitief Kwinfra BV Helderseweg 54 g-h 1817 BB Alkmaar 072 - 751 3930 www.kwinfra.nl milieu@kwinfra.nl
Adviesbureau Postadres Postcode+plaats Telefoon Website E-mail
Opgesteld door: Handtekening
Dhr. M.V. Oortwijn
Gecontroleerd door: Handtekening
dhr. T. Schilder
RAPPORT VERKENNEND EN NADER BODEMONDERZOEK Carnissedreef 2-4 te Rotterdam
KWINFRA WM SAMENVATTING onderzoekslocatie kadastraal oppervlakte gebruik locatie aanleiding Doel
Carnissedreef 2-4 te Rotterdam Gemeente Charlois sectie I, nummer 1442 (gedeeltelijk) circa 3.150 m2 Groenstrook / braakliggend Voorgenomen nieuwbouw van OSBS de Kameleon en de daarmee samenhangende aanvraag van een omgevingsvergunning - Vastleggen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) - Vaststellen van de aard en omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging met zware metalen in de ondergrond. - Vaststellen of op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen in grond.
Onderzoek soort onderzoek hypothese onderzoeksopzet
Verkennend en nader bodemonderzoek Onverdacht NEN 5740+A1:2016 - strategie "onverdacht" (ONV-NL). Nader onderzoek: NTA5755:2010 'Onderzoeksstrategie voor het bepalen van de aard en omvang van bodemverontreiniging'.
Resultaten, conclusie en advies analyseresultaat grond
analyseresultaat grondwater conclusies en advies
De sterk koolashoudende ondergrond ter plaatse van boring 02 is sterk verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. In totaal is naar verwachting maximaal circa 7 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. Verder is de zintuiglijk schone bovengrond (zand) licht verontreinigd met barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De zintuiglijk schone bovengrond (klei) is licht verontreinigd met zink. De zintuiglijk schone ondergrond (klei) is plaatselijk matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met diverse overige zware metalen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en zink. Op basis van de omvangsbepaling is ter plaatse geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Derhalve bestaat er geen meldingsplicht voor graafwerkzaamheden in deze verontreinigde grond. Wel dient bij eventuele graafwerkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van deze sterke verontreiniging. Eventueel vrijkomende sterk verontreinigde grond dient afgevoerd te worden naar een erkende verwerker/acceptant. Gezien de aangetoonde verontreinigingen wordt de hypothese onverdacht niet bevestigd. De onderzoeksresultaten geven een representatief beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en er is geen aanleiding tot het uitvoeren van verder aanvullend onderzoek.
De onderzoeksresultaten van onderhavig bodemonderzoek vormen ons inziens geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning. De uiteindelijke beslissing voor afgifte van een omgevingsvergunning ligt echter bij het bevoegd gezag.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 2
KWINFRA INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING
4
1.1 1.2
Kwaliteitsborging........................................................................................................................................ 4 Leeswijzer..................................................................................................................................................... 4
2.
VOORONDERZOEK
5
2.1 Locatiebeschrijving..................................................................................................................................... 5 2.2 Historische informatie................................................................................................................................ 6 2.2.1 Bodem belastende activiteiten 6 2.2.2 Bodeminformatie 6 2.2.3 Bodemkwaliteitskaart 6 2.2.4 Demping/ophoging/halfverharding/funderingslaag (asbest) 6 2.2.5 Bodemopbouw 7 2.3 Onderzoeksopzet (hypothese enstrategie)............................................................................................ 7 2.4 Terreinverkenning.......................................................................................................................................8
3.
VELDWERKZAAMHEDEN EN LABORATORIUMONDERZOEK
9
3.1 Veldonderzoek............................................................................................................................................. 9 3.1.1 Zintuiglijke waarnemingen 9 3.1.2 Veldwaarnemingen asbest 10 3.1.3 Afwijkingen op vigerende protocollen 10 3.2 Monsterselectie laboratorium................................................................................................................... 10
4.
INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN
12
4.1 4.2 4.3 4.4
Toetsingskader ............................................................................................................................................ 12 Grond............................................................................................................................................................. 12 Grondwater.................................................................................................................................................. 13 Verontreinigingssituatie grond ................................................................................................................. 13
5.
CONCLUSIES EN ADVIES
14
6.
REFERENTIES
15
BIJLAGEN Bijlage 1: Regionale ligging en situatietekening Bijlage 2: Boorstaten met zintuiglijke waarnemingen Bijlage 3: Toetsingskader Bijlage 4: Analyse- en toetsingsresultaten grond Bijlage 5: Analyse- en toetsingsresultaten grondwater
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 3
KWINFRA 1.
INLEIDING
In opdracht van Stichting BOOR is door Kwinfra B.V. een verkennend bodemonderzoek en nader uitgevoerd ter plaatse van de locatie Carnissedreef 2-4 te Rotterdam. Aanleiding voor de uitvoering van een bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van een school en de daarme samenhangende aanvraag van een omgevingsvergunning. Doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Doel van het nader bodemonderzoek is het vaststellen van de aard en omvang van de aangetoonde sterke verontreinigingen met enkele zware metalen in de ondergrond. Daarnaast is het doel vast te stellen of op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen in de grond. Wij streven naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Grond- en grondwatermonsters worden steekproefsgewijs genomen. Lokale afwijkingen in de bodem kunnen daarom niet worden uitgesloten. Ook is het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname.
Na de uitvoering van het onderzoek kan de kwaliteit van bodem (grond en grondwater) beïnvloed worden door onder andere het bouwrijp maken van een terrein, de aanvoer/toepassing van grond van buiten de onderzoekslocatie zonder kwaliteitsgegevens of door de verspreiding van een verontreiniging via het grondwater vanaf een naburig terrein(deel). De onderzoeksresultaten hebben daarom een beperkte geldigheidsduur
1.1 Kwaliteitsborging Het veldwerk is uitgevoerd volgens de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" en de bijbehorende protocollen 2001 en 2002. Kwinfra BV is hiervoor door Normec Certification gecertificeerd. De veldwerkers staan geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. Tussen Kwinfra BV (zusterbedrijven of het moederbedrijf) en de opdrachtgever is op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze een relatie die de onafhankelijkheid van het resultaat van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek beïnvloedt. De analyses van de grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn uitgevoerd een RvA geaccrediteerd laboratorium.
1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 1 is de inleiding met kwaliteitsborging weergegeven. Het vooronderzoek met de onderzoeksopzet is beschreven in hoofdstuk 2. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 zijn de analyseresultaten getoetst en besproken. De conclusies met eventueel advies zijn beschreven in hoofdstuk 5. Tot slot worden in hoofdstuk 6 enkele referenties weergegeven.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 4
KWINFRA 2.
VOORONDERZOEK
Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek conform de NEN 5725:2017 uitgevoerd. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt een hypothese opgesteld met een daarbij behorende onderzoeksstrategie waarmee de hypothese getoetst wordt. In het vooronderzoek wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. In onderstaande tabel zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven en is aangegeven of hier relevante informatie is aangetroffen. Tabel 1. Geraadpleegde bronnen
Bron:
Bronvermelding:
Geschikte informatie:
Website gemeente Rotterdam
https:||www.gis.rotterdam.nl|
Ja
Vigerende bodemkwaliteitskaart
https:||www.gis.rotterdam.nl|
Ja
Website PDOK/BAG viewer
pdokviewer.pdok.nl
Ja
Website kadaster
www.kadaster.nl
Ja
www.topotijdreis.nl Google Earth Pro
www.google.nl|intl|nl|earth|
Ja
Dino loket
www.dinoloket.nl
Ja
Archief Kwinfra B.V.
Diverse onderzoeken
Geen informatie bekend
2.1 Locatiebeschrijving Locatie Oppervlakte Kadaster Coördinaten Huidig gebruik Toekomstig gebruik
: Carnissedreef 2-4 te Rotterdam : circa 3.150 m2 : gemeente Charlois, sectie I, nummer 1442 (gedeeltelijk) : X: 92536 | Y: 43334 : groenstrook/braakliggend : nieuwbouw OSBS de Kameleon
De onderzoekslocatie is gelegen net ten oosten van de huidige locatie|bebouwing OSBS de Kameleon aan de Carnissedreef 2-4 te Rotterdam. De locatie is langs de huidige bebouwing deels verhard met tegels. Het overgrote deel van de locatie is verder onverhard en begroeid met bosschages, groenstroken en bomen. De regionale ligging en situatietekening van de onderzoekslocatie zijn opgenomen in bijlage 1.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 5
KWINFRA 2.2 Historische informatie 2.2.1 Bodem belastende activiteiten Over de locatie zijn geen bijzonderheden (in gebruik zijnde brandstoftanks, asbest, calamiteiten e.d.) naar voren gekomen, die kunnen wijzen op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging.
2.2.2 Bodeminformatie Op de website van de gemeente Rotterdam (https://www.gis.rotterdam.nl/) zijn geen gegevens bekend inzake de bodemkwaliteit en verdachte activiteiten ter plaatse en in de directe omgeving ^ 25 meter) van de locatie.
2.2.3 Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rotterdam (https://www.gis.rotterdam.nl/) heeft de locatie een bodemfunctie landbouw. De bovem/ondergrond is hierbij naar verwachting maximaal zeer licht verontreinigd.
2.2.4 DemDina/oDhoaina/halfverhardina/funderinaslaaa (asbest) Voor zover bekend zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen (asbest)verdachte dempingsVophoog/halfverhardingsVfunderingslagen aanwezig. Verder zijn voor zover bekend zijn op de onderzoekslocatie geen gedempte sloten aanwezig.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 6
KWINFRA 2.2.5 Bodemopbouw Voor de algemene bodemopbouw is informatie geraadpleegd uit het Dinoloket welke is weergegeven in onderstaande figuur. Boormonsterprofiel Litnologie
dentificatie
337H0372
Coördinaten :
9245U , 4òòòlb (KD)
Maaiveld:
0.55 m t.o.v. NAP
Beschikbare informatie: Digitale opnamegegevens Beschrijfmethode:
Onbekend
Litnologie
Zand grove categorie
Figuur 1. Algemene bodemopbouw
De locatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied. Er bevinden zich in de nabijheid van de onderzoekslocatie geen grondwateronttrekkingen die de stromingsrichting van het grondwater ter plaatse kunnen beïnvloeden.
2.3 Onderzoeksopzet (hypothese en strategie) Op basis van de verkregen resultaten uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie onverdacht op de aanwezigheid van bodemverontreinigende stoffen. Verwacht wordt dat met een onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie uit de NEN 5740+A1:2016 (ONVNL) voldoende wordt geanticipeerd op de locatie specifieke omstandigheden. In verband met de aangetoonde sterke verontreinigingen met zware metalen ter plaatse van boring 02 is aanvullend een nader onderzoek naar metalen in de grond uitgevoerd gebaseerd op de NTA5755:2010 'Onderzoeksstrategie voor het bepalen van de aard en omvang van bodemverontreiniging'.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 7
KWINFRA Met ingang van 2 juli 2020 is het (geactualiseerde) Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van kracht. Hierin zijn o.a. toepassingsnormen opgenomen met betrekking tot het hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit houdt onder meer in dat bij afvoer van grond vanaf de onderzoekslocatie naar een erkende verwerker/acceptant deze aanvullend onderzocht dient te zijn op PFASverbindingen. Op onderhavige onderzoekslocatie wordt naar verwachting geen grond afgevoerd, derhalve zijn er geen aanvullende analyses van PFAS in grond uitgevoerd.
2.4 Terreinverkenning De terreinverkenning is direct voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk uitgevoerd door de heer Arvid Dol. Uit de terreinverkenning is geen aanvullende informatie naar voren gekomen ten opzichte van de reeds bekende informatie.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 8
KWINFRA 3.
VELDWERKZAAMHEDEN EN LABORATORIUMONDERZOEK
3.1 Veldonderzoek De boringen zijn verricht met de gangbare boorsystemen (edelmanboor, gutsboor, riverside boor, zuigerboor, schep e.d.). Het veldwerk is door dhr. A. Dol en dhr. P. de Ruijter op 20 januari 2021 uitgevoerd. Op 27 januari 2021 is het grondwater door dhr. P. de Ruijter bemonsterd. Het nader bodemonderzoek is door de heer A. Dol uitgevoerd op 11 februari 2021. In onderstaande tabel zijn de verrichte veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 2. Verrichte veldwerkzaamheden
Werkzaamheden
Aantal
Coderingen
Boring tot ca. 0,5 m-mv
8
04, 05, 06, 07, 08, 11, 12, 13
Boring tot ca. 1,0 m-mv
2
09, 10
Boring tot ca. 2,0 m-mv
6
02, 03, 101, 102, 103, 104
Peilbuis
1
01
De opgeboorde grond is zintuiglijk beoordeeld op de bodemkundige samenstelling en eventueel aanwezige verontreinigingen (incl. asbest). De peilbuis is direct na plaatsing afgepompt voor het verwijderen van eventueel aanwezig sediment en circa 1 week na plaatsing bemonsterd voor laboratoriumonderzoek. Tijdens de grondwaterbemonstering is het grondwater zintuiglijk beoordeeld en zijn de zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid (Ec) en troebelheid (NTU) bepaald. De locatie van de boringen en peilbuis zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 1, blad 2 van 2.
3.1.1 Zintuiglijke waarnemingen De profielbeschrijvingen met de bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn verwerkt tot boorstaten. Deze boorstaten zijn opgenomen in bijlage 2. Op basis van de verrichte boringen kan de lokale bodemopbouw als volgt worden omschreven. Tabel 3. Lokale bodemopbouw
Diepte in m-mv
Textuur
0,0-0,5
Overwegend zandige klei en plaatselijk zand
0,5-1,0
Zandige klei
1,0-2,5
Overwegend kleiig zand en plaatselijk klei/veen
* maximale boordiepte
Ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden is het grondwater op circa 0,6 tot 0,8 m-mv vastgesteld. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn enkele zintuiglijke waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een mogelijk verontreiniging van de bodem. Een overzicht van de zintuiglijke waarnemingen is opgenomen in de tabel op de volgende pagina.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 9
KWINFRA Tabel 4. Zintuiglijke waarnemingen
Boring
Diepte (m -mv)
Grondsoort
Bijmenging/waarneming
02
0,45-0,8
klei
Sterk koolashoudend
In het veld zijn de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) van het bemonsterde grondwater bepaald. In onderstaande tabel zijn de gegevens van de veldmetingen van het grondwater weergegeven. Tabel 5. Grondwaterbemonstering
Peilfilter
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH
EC (pS/cm)
Troebelheid (NTU)
Zintuiglijke waarnemingen
01
1,35-2,45
0,3
6,8
1060
52
Troebel
Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn geen aanwijzingen voor de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen waargenomen. De gemeten zuurgraad en elektrische geleidbaarheid zijn voor grondwater als normaal te beschouwen. De gemeten troebelheid van het grondwater uit peilbuis 01 is groter dan de norm voorschrijft (norm < 10 ntu). Opgemerkt wordt dat de voorpompprocedure met de langzaamste snelheid is uitgevoerd. Aangezien de detectiegrens van de organische parameters zelf niet is verhoogd, wordt aangenomen dat de verhoogde troebelheid niet heeft geleid tot verhoogde analysewaarden en kunnen de analyseresultaten derhalve als representatief worden beschouwd.
3.1.2 Veldwaarnemingen asbest Bij de maaiveldinspectie en bij de inspectie van het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte materialen en/of puinbijmengingen aangetroffen.
3.1.3 Afwijkingen op vigerende protocollen Tijdens het plaatsen van de peilbuis is een grondwaterstand van 0,7 m-mv gemeten. Volgens de richtlijn NEN 5740 dient de filterstelling van het peilfilter zich 0,5 m onder de freatische grondwaterspiegel te bevinden. Tijdens de bemonstering is een grondwaterstand van 0,3 m-mv gemeten. Hierdoor is de filterstelling niet meer conform de norm. Het filter is echter gesitueerd in het bovenste gedeelte van het freatisch grondwater. Verwacht wordt dat de gehanteerde filterstelling geen invloed heeft op de kwaliteit van het grondwatermonster. Verder zijn er geen afwijkingen op de uitvoeringsvoorschriften (BRL-SIKB 2000, protocol 2001, 2002 NEN-normen).
3.2 Monsterselectie laboratorium Vier grond(meng)monsters zijn geanalyseerd op de parameters uit het standaard NEN pakket grond bestaande uit: - voorbehandeling AS3000; - humus en lutum; - (zware) metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; - polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK); - polychloorbifenylen (PCB); - minerale olie.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 10
KWINFRA Het grondwater is geanalyseerd op het standaard NEN pakket grondwater, bestaande uit: - voorbehandeling AS3000; - (zware) metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; - vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEX, inclusief naftaleen en styreen); - vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen; - minerale olie. In verband met de aangetoonde matige verontreiniging met nikkel in grondmengmonster MM4 zijn de afzonderlijke vijf deelmonsters aanvullend geanalyseerd op nikkel, organische stof en lutum. Ten behoeve van het nader bodemonderzoek zijn vier grondmonsters aanvullend geanalyseerd op zware metalen, organische stof en lutum.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 11
KWINFRA 4.
INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN
4.1 Toetsingskader De uitkomsten van de chemische analyses van de grond en het grondwater zijn getoetst aan de toetsingsnormen uit de circulaire bodemsanering 2013 en de regeling bodemkwaliteit. Toetsing heeft plaatsgevonden met behulp van het door de overheid beschikbaar gestelde programma BoToVa (Bodem Toets & Validatieservice) versie 3.0.0 (grond) en 2.0.0 (grondwater). De interventiewaarden voor grond zijn bodemtype-afhankelijk en gebaseerd op standaardbodem met lutum percentage van 250Zo en een organisch stof percentage van 100Zo. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de gemeten gehalten middels een bodemtypecorrectie omgerekend naar de standaardbodem. Voor grondwater zijn de streef- en interventiewaarden voor zowel anorganische als voor organische verbindingen onafhankelijk gesteld van de grondsoort. Voor eventuele verontreiniging van grond en/of grondwater worden de volgende categorieën onderscheiden: ^ voldoet aan achtergrondwaarde: geen overschrijding achtergrondVstreefwaarde ^ verontreiniging/verhoging: overschrijding achtergrondVstreefwaarde ^ sterke verontreiniging/verhoging: overschrijding interventiewaarde In bijlage 3 is een beschrijving gegeven van het toetsingskader waaraan de resultaten zijn getoetst.
4.2 Grond De analyse- en toetsingsresultaten van de grond zijn opgenomen in bijlage 4. In onderstaande tabel zijn de toetsingsresultaten van de geanalyseerde grond(meng)monsters weergegeven. Tabel 6. Toetsingsresultaten grond
(Meng)monster
Boringen
Diepte (m-mv)
Bodem laag
Zintuiglijke waarnemingen
>AW
VT
>I
MM1
1 t/m 07, 11, 12, 13
0,0-0,5
Zand
-
Cd, Co, Cu, Hg,
-
-
MM2
08, 09, 10
0,0-0,5
Klei
-
Zn
-
-
M3
02
0,45-0,8
Klei
Sterk koolashoudend
Cd, Co, Hg, Mo
-
MM4
01, 02, 03, 09, 10
0,5-1,3
Klei
-
Co, Cu, Pb, Mo, Zn
Ni
-
DM01
01
0,3-0,8
Klei
-
-
-
-
DM02
02
0,8-1,3
Klei
-
-
-
-
DM03
03
0,5-1,0
Kei
-
-
-
-
DM04
09
0,3-0,8
Klei
-
-
-
-
DM05
10
0,3-0,8
Klei
-
-
-
-
M5
101
0,5-1,0
Klei
-
Co, Pb, Ni
-
M6
102
0,5-1,0
Klei
-
Co, Cu, Pb, Zn
Ni
M7
103
0,5-1,0
Klei
-
Co, Cu, Pb, Zn
Ni
-
M8
104
0,5-1,0
Klei
-
Co, Ni
-
-
Pb, Ni, Zn Cu, Pb, Ni, Zn
-
Verklaring
Zware metalen Cursief
: geen overschrijdingen : concentratie > Achtergrondwaarde : concentratie > Tussenwaarde : concentratie > Interventiewaarde : cadmium (Cd), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni) en zink (Zn)
: resultaten uitsplitsing MM4
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 12
KWINFRA 4.3
Grondwater
De analyse- en toetsingsresultaten van het grondwater zijn opgenomen in bijlage 5. Uit de toetsingsresultaten blijkt dat het grondwater licht verontreinigd is met barium, nikkel en zink.
4.4 Verontreinigingssituatie grond De sterk koolashoudende ondergrond ter plaatse van boring 02 is sterk verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. De aangetoonde sterke verontreinigingen zijn zowel verticaal als horizontaal afgeperkt tot onder de tussenwaarde. In totaal is naar verwachting maximaal circa 7 m3 grond over een oppervlakte van circa 20 m2 boven de interventiewaarde verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. De (globale) interventiewaarde contour van koper, lood, nikkel en zink is weergegeven op de situatietekening opgenomen in bijlage 1, blad 2 van 2.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 13
KWINFRA 5.
CONCLUSIES EN ADVIES
Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan een oordeel worden gegeven over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. De sterk koolashoudende ondergrond ter plaatse van boring 02 is sterk verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. In totaal is naar verwachting maximaal circa 7 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd met koper, lood, nikkel en zink. Op basis van de omvangsbepaling is ter plaatse geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Derhalve bestaat er geen meldingsplicht voor graafwerkzaamheden in deze verontreinigde grond. Wel dient bij eventuele graafwerkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van deze sterke verontreiniging. Eventueel vrijkomende sterk verontreinigde grond dient afgevoerd te worden naar een erkende verwerker/acceptant. Verder is de zintuiglijk schone bovengrond (zand) licht verontreinigd met barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De zintuiglijk schone bovengrond (klei) is licht verontreinigd met zink. De zintuiglijk schone ondergrond (klei) is plaatselijk matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met diverse overige zware metalen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en zink. Gezien de aangetoonde verontreinigingen wordt de hypothese onverdacht niet bevestigd.
De onderzoeksresultaten geven een representatief beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en er is geen aanleiding tot het uitvoeren van verder aanvullend onderzoek. De onderzoeksresultaten van onderhavig bodemonderzoek vormen ons inziens geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning. De uiteindelijke beslissing voor afgifte van een omgevingsvergunning ligt echter bij het bevoegd gezag.
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 14
KWINFRA 6.
REFERENTIES
[1]
NEN 57407A1:2016 nl, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Publicatiedatum: februari 2016. NEN 5725:2017, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek Publicatiedatum: oktober 2017. Circulaire bodemsanering 2013, Staatcourant Nr. 16675, 27 juni 2013. Besluit bodemkwaliteit (Bbk) op 1 januari 2008 is de eerste fase van het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. NTA5755:2010, Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging.
[2] [3] [4] [5]
Rapport: 20231-RAP-01 Verkennend en nader bodemonderzoek Carnissedreef 2-4 te Rotterdam 15
KWINFRA
BIJLAGE 1.
REGIONALE LIGGING EN SITUATIETEKENINGEN
BIJLAGE
Spangen Middelland Noordereilond Fetjenoord Bospolder
Rotterdam
Katendrėchť
Tarwe buurt Chadois
Afrikaanderbuu Ŵ
Bloemhof
H'ittesiuts
! Vreewijk De Vaan
Wielewaal OLDEGI^ Yaalhaven
2
ALBERT PLLSM*
SLINGC
Pendrecbt
gs^nrrTinrati 1000 rr
L 1:48000
8 ' X: 91136 64. Y: 432936.00
Locatie:
Carnissedreef 2-4 te Rotterdam
Titel:
Verkennend en nader bodemonderzoek
Opdrachtgever:
Stichting BOOR
Projectnr:
20231
Regionale ligging
KWINFRA
Jchūūl
Bovenaanzicht ondenzoekslocatie
LEGENDA nieuwk kiou'ìng kiiik 0,5 n-nv
Inuring tnt g n-nv ~t,Iu,v, noden liiodemondenzoek lUitoun koper', lood, nikkel y nuncl
liiūU'ìng kiiik gu'onclwater zto nel puil I Jljí U ci pi per' vl ei kkt'wei der
Locatie Titel
Carnissedreef ï-k te Rotterdam Verkennend bodemonderzoek
Opdrachtgever
Stichting Boor Datum februari 2021
Tek.nr
20231-TEK-01
Schaal
1:750
KWINFRA
KWINFRA
BIJLAGE 2.
BOORSTATEN MET ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN
BIJLAGE
Pagina 1 I 3
Boring:
01
Boring:
02
Datum:
20-1-2021
Datum:
20-1-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
Referentievlak:
maaiveld
Referentievlak:
maaiveld
GWS:
60
GWS:
50
0
bosschage
1 - 3757407AA
50-'
100
100-
2 - 3757442AA
100-,
150
130 150-
170 Klei, sterk zandig, grijsblauw, Edelmanboor
250
250-
Boring:
03
Boring:
04
Datum:
20-1-2021
Datum:
20-1-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
Referentievlak:
maaiveld
Referentievlak:
maaiveld
GWS:
60
0
bosschage
- 3757432AA
1 2 - 3757431 AA
0
0
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbeige, Edelmanboor 50
jiH
„nn
200Zand, matig siltig, grijsblauw, Edelmanboor
5 - 3757433AA
ļļļj
Klei, sterk zandig, grijsblauw, Edelmanboor
4 - 3757447AA
5 - 3757438AA 200
Edelmanboor, Verbrandings resten Klei, sterk zandig, grijsblauw, Edelmanboor
3 - 3757444AA
Zand, zeer fijn, matig siltig, grijsblauw, Edelmanboor, Iets kleiige
4 - 375742 5AA 200-
Klei, sterk zandig, sterk koolashoudend, grijsbruin,
A. 80__
Zand, kleiïg, grijsbeige, Edelmanboor
3 - 3757405AA
Ï. 150-
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbeige, Edelmanboor
1 - 3757437AA
Klei, zwak zandig, matig gleyhoudend, grijsbeige, Edelmanboor
2 - 3757400AA
bosschage
45
50
50-
0
Klei, sterk zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
bosschage Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
1 - 3757435AA 50
50 Klei, zwak zandig, grijsbeige, Edelmanboor
100
Zand, kleiïg, grijsblauw, Edelmanboor
3 - 3757434AA 150
Zand, sterk siltig, grijsblauw, Edelmanboor
5 - 3757429AA 200
Boring:
05
Boring:
06
Datum:
20-1-2021
Datum:
20-1-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
Referentievlak:
maaiveld
Referentievlak:
maaiveld
0
0
50
0
0
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
1 - 3757430AA 50
bosschage
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
1 - 3757419AA 50
bosschage
50
Projectnaam: Carnissedreef 2-4 te Rotterdam Projectcode: 20231
KWINFRA
Pagina 2 I 3
Boring:
07
Boring:
08
Datum:
20-1-2021
Datum:
20-1-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
Referentievlak:
maaiveld
Referentievlak:
maaiveld
0
0
bosschage
1 - 3757913AA 50
50
0
0
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
1 - 3757928AA 50
50
Boring:
09
Boring:
10
Datum:
20-1-2021
Datum:
20-1-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
Referentievlak:
maaiveld
Referentievlak:
maaiveld
tegel
o
50
B
0
0
tegel
30__
Zand, zeer fijn, matig siltig, grijsbeige, Edelmanboor
Edelmanboor, Tegels ( schoolplein )
Edelmanboor, Tegels ( schoolplein )
2 - 3757424AA
2 - 3757413AA 30__
3 - 375742 3AA
Zand, zeer fijn, matig siltig, grijsbeige, Edelmanboor Klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, Edelmanboor
50
3 - 3757417AA
80
11
Boring:
12
Datum:
20-1-2021
Datum:
20-1-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
Referentievlak:
maaiveld
Referentievlak:
maaiveld
0
bosschage
50
50
0
0
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
1 - 375742 0AA
50
50
13
Boring:
Datum:
20-1-2021
Datum:
11-2-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
Referentievlak:
maaiveld GWS:
80
1 - 3757422AA
101
bosschage
0
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
50-
bosschage Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin, Edelmanboor
1 - 3757426AA
Boring:
0
Klei, zwak zandig, matig humeus, grijsbruin, Edelmanboor 80
Boring:
0
erf Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, Edelmanboor
- 3632142AA
bosschage Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin
50- 3632149AA
Klei, sterk zandig, zwak gleyhoudend, grijsbeige
100Zand, kleiïg, grijsblauw - 3632110AA 150- 3757652AA
Zand, zeer fijn, matig siltig, grijsblauw
Projectnaam: Carnissedreef 2-4 te Rotterdam Projectcode: 20231
KWINFRA
Pagina 3 I 3
Boring:
102
Boring:
Datum:
11-2-2021
Datum:
11-2-2021
Boormeester:
Arvid Dol
Boormeester:
Arvid Dol
GWS:
80
GWS:
80
o
bosschage
50
2 - 3757642AA
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin
1 - 3757646AA 50
50Klei, sterk zandig, zwak gleyhoudend, grijsbeige
^
100
100
bosschage
0
Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin
1 - 3757650AA
103
2 - 3632099AA
Klei, sterk zandig, zwak gleyhoudend, grijsbeige
^
100
100-
Zand, kleiïg, grijsblauw
Zand, kleiïg, grijsblauw
3 - 3757623AA
3 - 3757647AA 150
50
150Veen, roodbruin, Planten resten
4 - 3757648AA 200
Boring:
Zand, zeer fijn, matig siltig, grijsblauw
4 - 3632122AA 200-
200
104
Datum:
11-2-2021
Boormeester:
Arvid Dol
GWS:
80
0
bosschage Klei, zwak zandig, zwak humeus, grijsbruin
1 - 375762 9AA 50
Klei, sterk zandig, zwak gleyhoudend, grijsbeige
2 - 3757645AA 100
Zand, kleiïg, grijsblauw 3 - 3632134AA 150
150
Zand, zeer fijn, matig siltig, grijsblauw
4 - 3757641AA 200
Projectnaam: Carnissedreef 2-4 te Rotterdam Projectcode: 20231
KWINFRA
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
ro”o”o~o~o” c oooooo
1
OOOOOO0 5000000
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
wv
Klei, matig siltig
lOOOOOC3. . oooooo 5 O O O O O Cr *
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
)OOOOOC
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
O
geen geur
-0-
zwakke geur
-0
matige geur
■Q-
sterke geur uiterste geur
olie oooooo
Grind, uiterst zandig
o o o o o c'
5 0 0 0 0 0.
Klei, zwak zandig
zand ^
Zand, kleiïg
o
Zand, zwak siltig
s
^
geen olie-water reactie
■H-
zwakke olie-water reactie
■S
matige olie-water reactie
-H-
sterke olie-water reactie
Klei, matig zandig
V
uiterste olie-water reactie
Klei, sterk zandig
p.i.d.-waarde
leem Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
I Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
1
-O
0 0 0 0
zwak humeus
veen
Veen, zwak kleiïg
^000 ^0000
geroerd monster
overige toevoegingen
z
^00
monsters
Zand, uiterst siltig
Veen, mineraalarm
^0
ongeroerd monster o
volumering
overig
I matig humeus
A
bijzonder bestanddeel
sterk humeus
4
Gemiddeld hoogste grondwaterstand
^
grondwaterstand
A
Gemiddeld laagste grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
slib
water .7.
peilbuis blinde buis
casing
ĩ
hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand zand afdichting SI bentoniet/mikoliet/klei afdichting
grind afdichting
Uil
filter
KWINFRA
BIJLAGE 3.
TOETSINGSKADER
BIJLAGE
Toelichting toetsingskader bodemonderzoek De verkregen analyseresultaten van het bodemonderzoek zijn conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de streefwaarde voor grondwater en interventiewaarden bodemsanering, zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering 2013 (geldend vanaf 1 juli 2013) en de toetsingswaarden zoals vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit (geldend vanaf 24 mei 2016) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit (geldig vanaf 30 november 2018).
Circulaire bodemsanering 2013 De toetsingswaarden uit de circulaire bodemsanering 2013 dienen voor de beoordeling van de chemische kwaliteit van grond en grondwater waarbij de onderstaande categorieën worden onderscheiden.
ś achtergrond-Zstreefwaarde
:
Betreft het ijkpunt voor de milieukwaliteit op lange termijn, uitgaande van
(niet verontreinigd)
verwaarloosbare risico's voor het ecosysteem.
» achtergrond-Zstreefwaarde
Geeft aan wanneer de milieukwaliteit, waarbij risico's voor het ecosysteem verwaarloosbaar zijn, wordt overschreden
(licht verontreinigd) > tussenwaarde (matig verontreinigd)
Formeel heeft de tussenwaarde geen status in de Circulaire bodemsanering 2013. De tussenwaarde wordt gebruikt als toetsingskader voor de noodzaak tot het verrichten van nader onderzoek naar de aard en omvang van een aangetoonde verontreiniging. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek dient te worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat. Voor grond betreft dit het rekenkundig gemiddelde van de AW-waarde en de I-waarde van een verontreinigde stof. Voor grondwater betreft dit het rekenkundig gemiddelde van de S-waarde en de I-waarde van een verontreinigende stof.
> interventiewaarde (sterk verontreinigd)
Betreft overschrijding van het verontreinigingsniveau waarbij formeel middels nader onderzoek vastgesteld dient te worden of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Indien de interventiewaarde wordt overschreden is sprake van een vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant.
Bodemtypecorrectie De achtergrondwaarden en interventiewaarden voor grond zijn bodemtype-afhankelijk en gebaseerd op standaardbodem met lutum percentage van 250Zo en een organisch stof percentage van 100Zo. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de gemeten gehalten middels een bodemtypecorrectie omgerekend naar de standaardbodem.
Een aeval van ernstige verontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof (uitgezonderd asbest) de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. In bijlage 2 zijn dergelijke gevoelige situaties beschreven in stap 1 van het saneringscriterium. Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Voor specifieke situaties kan het bevoegd gezag in overleg treden met het RIVM.