CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb002284] Bijlage 3 behorende bij 23bb2281 - Advies Commissie voor Welstand en Monumenten

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 19 april 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Projecten2.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

COMMISSIE VOOR WELSTAND EN MONUMENTEN ROTTERDAM Adres Zaaknummer Betreft Datum

: : : :

Museumpark 18 OMC.22.09.00042 Renovatie en uitbreiding Museum Boijmans van Beuningen (rijksmonument) 8 februari 2023

Inleiding De opdrachtgever heeft de commissie gevraagd te reageren op de haalbaarheid en hoofdprincipes van het ontwerpvoorstel. Daartoe is een conceptaanvraag ingediend die op onderdelen al gedetailleerde ruimtelijke uitwerkingen kent. Op 11 januari 2023 is het ontwerp -op verzoek van de opdrachtgever in besloten vergaderingdoor de architect op hoofdlijnen gepresenteerd aan de commissie. Omschrijving van het conceptplan De opgave voor de renovatie en uitbreiding van het museumcomplex is gericht op het creëren van een toekomstbestendig museum. De opgave omvat vier hoofdonderdelen: goede entrees voor bezoekers, een goede logistiek, de verbinding met het Museumpark en de stad en het opnieuw in hun kracht zetten van de Van der Steuren Bodonvleugel. In het ontwerp wordt een nieuwe verbindende tijdlaag voorgesteld. Deze bestaat uit een nieuw entreevolume aan de Museumparkstraat, uitwaaierend ter plaatse van de poortdoorgang, het deel van de museumvleugel waar zich oorspronkelijk de conciërgewoning bevond en de buitenhof. Het entreevolume loopt via de voorzijde van de Bodonvleugel door tot aan de Westersingel. Het volume ter plaatse van de nieuwe entree en in de buitenhof wordt in het ontwerpvoorstel de ‘belly’ genoemd. Hier ontstaat ruimte voor ontvangst, ticketverkoop etc.

Om dit mogelijk te maken wordt het bouwdeel Robbrecht en Daem gesloopt, wordt de voormalige conciërgewoning in de Van der Steurvleugel gesloopt en wordt de bij het museum horende villa Westersingel 83 aangepast en uitgebreid. De aanpassing van het museum betreft ook het introduceren van een halfverdiept ‘loading dock’ onder de museumtuin. Hiertoe wordt bovengronds een aan de oorspronkelijke belvedère refererende situatie teruggebracht. Onder het gekozen adagium ‘in ere herstellen van Bodon en Van der Steur’ wordt tevens voorgesteld het paviljoen van Henket te slopen en op deze plek de oorspronkelijke buitenterrassen en trappartijen te reconstrueren om zodoende het zicht op de Van der Steurvleugel vanuit de museumtuin te herstellen en de routing te verbeteren. Daarnaast wordt aangegeven dat dit paviljoen technisch problematisch is en daarbij lastig te programmeren.

Het conceptplan betreft verder de volgende deelaspecten: Verwijderen Oud-Hollandse trap in de Van der Steurvleugel en hier plaatsen van een lift met trappenhuis; Verwijderen trap Robbrecht en Daem in de Van der Steurvleugel en dichtleggen vloersparing; Herinrichting kelder onder de buitenhof van de Van der Steurvleugel ten behoeve van de entreezone; Het wijzigen van de begane grond van de Bodonvleugel naar een volledige tentoonstellingsruimte; Het verplaatsen van de goederenlift in de Bodonvleugel, het verwijderen van de personenlift en de diensttrap in de kern en het behouden en opnieuw indelen en vernieuwen van de toiletgroep en kleedruimten; Het verwijderen van de huidige inbouwen in de Hannemazaal in de Van der Steurvleugel en deze zaal onderdeel maken van de entreeroute naar het oude museumdeel met nieuwe doorgangen aan de koppen; Het verwijderen van het oorspronkelijke kanalenstelsel in de kelder van de Van der Steurvleugel ten behoeve van nieuwe installaties en kanalen; In het de Van der Steurvleugel wordt nabij de rotunda op de begane grond en eerste verdieping een rondgang geïntroduceerd ten behoeve van een optimalisatie van de toegankelijkheid; Herstel gebreken en restauratie van de beide museumvleugels Van der Steur en Bodon; Opgemerkt wordt dat de inrichting van de museumtuin (onderdeel rijksmonument) in een separaat project wordt voorbereid, het is niet duidelijk

hoe hierin onder meer de buitenterrassen bij de Van der Steurvleugel worden gereconstrueerd, hoe er wordt omgegaan met het 17de eeuwse hek van de voormalige boerderij Muyden (onderdeel rijksmonument) en hoe de voorgenomen belvedère vorm zal krijgen. Daarnaast zijn geen bouwfysische, installatietechnische en constructieve gegevens in samenhang aanwezig waardoor niet volledig inzichtelijk is welke fysieke consequenties voor de monumentwaarden hieruit voort zullen komen. De Welstandsnota Rotterdam is het gemeentelijke welstandsbeleid waaraan bouwplannen worden getoetst. De nota kan worden geraadpleegd via www.rotterdam.nl/welstand. Daarnaast kan om een nadere toelichting worden gevraagd bij het secretariaat van de Commissie voor Welstand en Monumenten Rotterdam.

Tenslotte begrijpt de commissie dat het rijk overweegt om de Bodonvleugel eveneens aan te wijzen als rijksmonument. Vanuit die situatie beschouwt zij de ingrepen aan dit bouwdeel als ware het een monument. Reactie op de basisprincipes van de conceptaanvraag De commissie is door de opdrachtgever gevraagd om te reageren op de haalbaarheid van de hoofdprincipes zoals gepresenteerd door de architect. De commissie reflecteert daarom op hoofdlijnen en gaat niet gedetailleerd in op alle deelaspecten uit de conceptaanvraag. De commissie is positief over de ambitie om de museumvleugels Van der Steur en Bodon ‘in ere te herstellen’. Om de interventies in het monumentale museumcomplex te kunnen beoordelen heeft zij eerder gevraagd om dit uitgangspunt om te zetten in een coherente visie en onderbouwing vanuit de cultuurhistorische waardenstellingen. Deze visie ontbreekt, evenals een doorkijk op de visie van het museum zelf op bezoekersstromen, programma, opstelling, routing etc. Hierdoor kunnen ingrepen niet voldoende in samenhang beoordeeld worden. De commissie beschouwt het museum als een historisch gegroeid complex van gebouwen. Daarvoor heeft Van der Steur de basis gelegd en heeft Bodon de reeds door Van der Steur voorziene uitbreiding tot stand gebracht. Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Het paviljoen van Henket en de uitbreiding van Robbrecht en Daem zijn meer incidentele, losstaande interventies geweest om de entreeproblematiek, bezoekersstromen en nieuwe programmaonderdelen te huisvesten c.q. te optimaliseren. Eerder had Henket in samenwerking met Bodon al een nieuwe entree gemaakt, later afgebroken om plaats te maken voor de uitbreiding van Robbrecht en Daem. Achteraf beschouwd kan gesteld worden dat het museum nooit goed uit deze opgave is gekomen. De commissie begrijpt dat een rigoureuze ingreep in het monument onvermijdelijk is, een ingreep die tevens ook een sublieme stap voorwaarts kan en moet zijn, maar deze is alleen te omarmen wanneer de ‘winst en verliesrekening’ van oud en nieuw in balans is. Met deze vraag heeft de commissie zich gebogen over het huidige voorstel voor de entree en logistiek: is dit dé ultieme oplossing die tientallen jaren meekan én de museumvleugels Van der Steur en Bodon hun zeggingskracht weer teruggeeft? Zo komt de commissie tot de volgende reactie op de hoofdprincipes van het voorstel: Entreegebied De ontvangst en logistieke afwikkeling die met de beoogde nieuwbouw de huidige situatie dient te verbeteren, blijft voor de commissie een nogal onontwarbaar geheel. Zij ziet niet de ultieme oplossing die het geheel overzichtelijk, ruimtelijk en logisch maakt.

De nu voorgestelde entree schuift nagenoeg terug naar dezelfde positie waar deze voor de bouw van de uitbreiding van Robbrecht en Daem zat en kennelijk niet voldeed. Hierbij worden nu ook belangrijke monumentwaarden geraakt. Er gebeurt behoorlijk veel op een relatief klein plot, dat de ‘belly’ van de beoogde nieuwbouw wordt genoemd. Verschillende bezoekersstromen alsook de start van de museale route komen hier samen. De commissie heeft ernstige twijfels of dit functioneert en wat er van de ruimte overblijft. Zij ziet voorlopig veel complexiteit en onvoldoende logica. De buitenhof, die een belangrijke monumentwaarde vertegenwoordigt, krijgt een ongedefinieerd karakter. Onduidelijk is wat het karakter en de programmering van de buitenhof wordt door deze ingreep. De karakteristieke en met hoge monumentwaarden gekwalificeerde heldere ruimtelijke opbouw van het museumcomplex met de rechthoekige hoven wordt met het daarin toe te voegen volume in ernstige mate verstoord. De rol van de poortdoorgang wordt onduidelijk, door de sloop van de voormalige conciërgewoning wordt de Van der Steurvleugel onherstelbaar aangetast en grote constructieve dilemma’s lijken zich hier aan te kondigen.

De commissie vindt de gedachte om het buitenhof als zoekgebied te zien voor een nieuwe hoofdentree interessant, maar vraagt zich af of er niet meer terughoudende oplossingen kunnen ontstaan die meer recht doen aan de monumentale waarden. In de nu voorgestelde oplossing wordt de representatieve hoofdmassa van het monument te ingrijpend aangetast. De commissie ziet nog niet hoe de beoogde nieuwbouw zich aan de zijde van de Westersingel gemakkelijk gaat verhouden tot de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht en de belendende historische panden. Doordat de Westersingel in het voorstel als belangrijk startpunt wordt beschouwd, is er een langgerekt eenlaags volume nodig om de afstand naar de hoofdentree te overbruggen. De commissie ziet in het voorgestelde volume, ook al is dit minder hoog, een vergelijkbare oplossing als in de bestaande uitbreiding van Robbrecht en Daem. Hieraan relaterend stelt de commissie ook een algemene vraag over het uitgangspunt dat de Westersingel de hoofdroute naar het museum zou moeten zijn. Zij acht het zelf niet onwaarschijnlijk dat de aanwezige musea in het Museumpark samen met de meer recente ontwikkelingen, waaronder het Depot, de parkeergarage en de herinrichting van het profiel, leiden tot meerdere aanlooproutes waarvan de Westersingel er slechts één is.

Een andere kijk op het vraagstuk van de hoofdroute kan ook een ander licht werpen op het voorstel om de uitbreiding van Robbrecht en Daem te slopen. De ontmanteling van dit bouwdeel blijft in de ogen van de commissie namelijk een pijnlijk gegeven. Toch kan zij hierin meedenken, omdat hiermee kansen ontstaan om de Bodonvleugel weer een gezicht te geven naar de straat. Het is de commissie echter nog niet duidelijk wat de sloop van de uitbreiding van Robbrecht en Daem en het toevoegen van het nieuwe entreevolume werkelijk zullen gaan betekenen voor de oorspronkelijke gevel van de Bodonvleugel aan de Museumparkstraat. De uitbreiding van Robbrecht en Daem heeft de Bodonvleugel destijds constructief onaangetast gelaten. Het nieuw voorgestelde volume zal volgens de commissie op vergelijkbare principes moeten worden gebaseerd om de bijzondere waarden van de Bodonvleugel optimaal te kunnen respecteren. Architectuur De commissie stelt vragen bij de architectonische signatuur van de voorgestelde nieuwbouw. Alhoewel de beoogde architectuurtaal nu nog schetsmatig is weergegeven, constateert de commissie dat door de voorgestelde rondingen en diagonalen een uitgesproken expressie ontstaat die een breuk betekent met de orthogonale opzet en de onderscheidende en ingetogen monumentale architectuur van de gebouwdelen Bodon en Van der Steur. De onderbouwing van deze keuze ontbreekt.

Routing Anno 2023 beweegt een museumbezoeker zich logischerwijs anders door een museum dan in de tijd waarin Van der Steur en Bodon hun gebouwen ontwierpen. De commissie acht het dan ook evident dat in het voorstel gezocht wordt naar mogelijkheden om de routing door het complex te optimaliseren. Zij onderscheidt met betrekking tot die routing echter een belangrijk en karakteristiek verschil tussen de gebouwdelen van Van der Steur en Bodon. Daar waar Van der Steur zijn museum concipieerde vanuit een lineaire route, ging Bodon vooral uit van de zaalbeleving. Dit karakteristieke onderscheid dient goed afleesbaar te blijven in de oplossing omdat het tot de belangrijke beschermde waarden van het monument behoort. Aan de logica en overzichtelijkheid van de oorspronkelijke routing wordt volgens de commissie in het huidige voorstel afbreuk gedaan met negatieve gevolgen voor de monumentwaarden tot gevolg. De commissie is niet op de hoogte van de opvattingen van het museum over de bezoekersstromen, programma, opstelling, routing etc., maar het ontwerp lijkt in haar optiek geen logische route te ontsluiten. Met een aantal grote ingrepen worden bezoekers naar de oorspronkelijke entree in de Van der Steurvleugel geleid. Deze route wordt gekenmerkt door het in een aantal stappen verheffen van de bezoeker van het maaiveld naar de eerste verdieping.

Hoe deze barrière daarbij door minder validen genomen moet worden, is niet duidelijk. De enige liftverbinding tussen de tentoonstellingsvloeren is bedacht op de plaats van de Oud-Hollandse trap die daarvoor moet wijken. De oorspronkelijk in het gebouw geïntegreerde laat 17de eeuwse trap kent geen gelijke in Nederland en daarbuiten en het verwijderen ervan op de oorspronkelijke positie, vormt in de ogen van de commissie een ernstige aantasting van de monumentwaarden. De nieuwe functie van de boven de voormalige conciërgewoning gesitueerde Hannemazaal is in de beoogde routing onduidelijk. Het lijkt eerder een corridor naar de rotunda in de Van der Steurvleugel te worden. Deze zaal zal door het verwijderen van het bouwdeel eronder en het toevoegen van nieuwe elementen ernstig van karakter gaan veranderen, waarbij de benodigde constructieve ingrepen naar verwachting groot zullen zijn. Het monument wordt hiermee overvraagd. Daarnaast vraagt de commissie om meer inzicht en onderbouwing van de voorgestelde herindeling van de begane grond van de Bodonvleugel en de wijzigingen in de kelders onder de Van der Steurvleugel, gezien de monumentale waarden van deze ruimten.

Museumtuin Hoewel een half verzonken ‘loadingdock’ in de museumtuin als verwijzing naar de vroegere belvedère een interessante gedachte is, heeft deze ingreep aanzienlijke gevolgen voor de eveneens onder de rijksbescherming vallende museumtuin en de huidige aanleg ervan alsook voor het afzonderlijk beschermde 17de eeuwse hekwerk dat hier is geplaatst en dat voor de inrit zal moeten wijken. Naast de vraag of een half verzonken ‘loadingdock’ in de monumentale tuin haalbaar is, merkt de commissie op dat het programma ervan wordt uitgebreid met werkruimtes, tijdelijke kunstopslag, containerruimtes etc. Hierdoor is een fors volume nodig dat dicht op de museumvleugel komt te liggen en ruim boven het maaiveld uitkomt. Als gevolg hiervan worden moeizame en storende aansluitingen

zichtbaar en zijn er consequenties voor de oorspronkelijke poldersloten en de landschappelijke structuur. Rond het auditorium lijkt een grondpakket noodzakelijk dat hoger is dan de aanwezige keermuurtjes en voor schade kan zorgen aan het museumgebouw. De expeditiegang wordt voor het grootste deel in de oorspronkelijke poldersloot gesitueerd. Deze minimaliseert in breedte en zal aan de zijde van de museumtuin worden voorzien van een zichtbaar hoge damwand die ongetwijfeld van de zachte oever een harde rand zal maken. De poldersloot is het laatst overgebleven landschappelijke element van de vroegere polder van het Land van Hoboken en ook de toenmalige grens tussen Rotterdam en Delfshaven die door Van der Steur werd opgenomen als natuurlijke begrenzing van de oorspronkelijke aanleg. De monumentwaarde hiervan is hoog. De te overbruggen hoogteverschillen, de vormgeving en de verschijningsvorm van de tuin, alsook de haalbaarheid van het groen op de belvedère zijn nog onderbelicht door het ontbreken van een landschapsontwerp. Ook de gevolgen voor het gebruik van de tuin worden door het wegvallen van de natuurlijke scheiding tussen het museumdeel en het publieke deel van de tuin niet duidelijk. De commissie meent dat er geen knip tussen het ontwerpproces van het gebouw en dat van het landschapsplan kan worden gemaakt.

Voor de geloofwaardigheid en haalbaarheid dient het voorstel in samenhang te worden vormgegeven. Paviljoen Henket De commissie is niet overtuigd van de aangegeven noodzaak tot het slopen van het paviljoen van Henket en is van mening dat de sloop van het paviljoen leidt tot het verlies van een cultuurhistorisch waardevol onderdeel van het museum. In het herstel van de oorspronkelijk op deze plek aanwezige bordessen en trappen worden kansen gezien, maar tegelijkertijd gaat hiermee een voor de ontwikkelgeschiedenis van het museum belangrijk gebouw met een specifiek programma verloren. Conclusie De commissie concludeert dat op een definitieve aanvraag overeenkomstig de nu voorliggende conceptaanvraag vooralsnog geen positief advies aan het bestuur afgegeven kan worden. Het concept van de ‘belly’ met een expeditietoegang in de monumentale tuin overtuigt niet als een duurzame interventie die de grote vraagstukken waar het museum zich mee geconfronteerd ziet, oplost. Alhoewel de commissie de complexiteit van de opgave onderkent en grote waardering heeft voor de ambitie die spreekt uit de voorgestelde zorgvuldig uit te voeren restauratie van de Van der Steur- en Bodonvleugel, worden de monumentwaarden op een aantal plekken ingrijpend aangetast, zonder dat daar toegevoegde waarden voor het rijksmonument tegenover lijken te staan.

Het getoonde concept is daarmee suboptimaal; zowel de samenhang en de integraliteit tussen de opgaven als de haalbaarheid zijn onvoldoende aangetoond.

Hoogachtend, namens de Commissie voor Welstand en Monumenten,

drs. Esther Agricola voorzitter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=bb0f4b28-ff07-4277-92b5-b0401376bda0