[23bb002066] Bijlage behorende bij 23bb002065 over Rapport ‘Onderzoek effecten werkpremie’, september 2022
Tekst van het document
tage deeltijdwerkers. Voor dit onderzoek is dat
deeltijdwerkers zien. Verder wordt in kaart ge-
een minder geschikte meetmethode, omdat jonge-
bracht wat het effect is van de werkpremie op een
ren tot 26,5 jaar niet in aanmerking komen voor de
aantal achtergrondkenmerken van deeltijdwer-
werkpremie. Kortom, om het percentage deeltijd-
kers.
werkers en het effect van de werkpremie daarop zo nauwkeurig mogelijk te bepalen, gaan we in dit onderzoek uit van het bijstandsvolume in personen vanaf 26,5 jaar. Om een eerste zicht te bieden op de ontwikkeling van het Rotterdamse percentage deeltijdwerkers presteren we onderstaande figuur, gebaseerd op de W&I-monitor.
29
Arsieni, Nadia, et al., (2019) Werkbonus, Werken moet lonen, Initiatiefvoorstel, gemeente Rotterdam.
Onderzoek effecten werkpremie
21
Figuur 3.1
Percentage deeltijdwerkers, W&I-monitor, mei 2019- september 2022
6,80%
6,64%
6,60%
6,20%
6,41%
6,36%
6,40%
6,27%
6,27% 6,13%
6,56%
6,16%
6,08%
6,00% 5,61%
5,80% 5,41% 5,60% 5,40% 5,20%
Bron: W&I-monitor, cluster W&I, gemeente Rotterdam . Deze figuur wijst uit dat het percentage deeltijdgaat dan om de samenstelling van de bijstandspowerkers de laatste jaren grofweg schommelt tus-
pulatie. In de grote steden is de gemiddelde af-
sen de 5,5 en 6,5 procent. Dat komt overeen met
stand tot de arbeidsmarkt groter, de gemiddelde
circa 2.000 deeltijdwerkers op een gemiddeld bij-
leeftijd hoger, het opleidingsniveau lager en de
standsvolume van een kleine 34.000 huishou-
uitkeringsduur langer. Daardoor hebben grote
dens.
steden een hogere bijstandsdichtheid en vermoedelijk dus ook een lager percentage deeltijdwer-
3.3
De Divosa-benchmark
Het streven naar een percentage deeltijdwerkers van acht procent, zoals genoemd in de motie die ten grondslag ligt aan de werkpremie, is gebaseerd op het landelijk gemiddelde dat wordt genoemd in de Divosa-benchmark 2018. Daarin wordt melding gemaakt van een landelijk percentage deeltijdwerkers van 8,2 procent. In de motie wordt echter voorbijgegaan aan de constatering in de benchmark dat het percentage deeltijdwerkers samenhangt met gemeentegrootte. Hoe groter de gemeente, des te lager het percentage deeltijdwerkers. Een verklaring voor dit fenomeen wordt in de benchmark helaas niet gegeven. Vermoedelijk geldt hier dezelfde verklaring als voor
kers. De percentages deeltijdwerkers in de benchmark zijn gebaseerd op het gemiddelde aantal personen met inkomsten uit (deeltijd)arbeid in een kalenderjaar als percentage van het totaal aantal personen met een Participatiewetuitkering, inclusief jongeren tot 26,5 jaar. Dat gemiddelde in een kalenderjaar is wat nauwkeuriger dan een percentage op een peildatum, omdat het aantal deeltijdwerkers door de tijd heen (sterk) varieert. Specifiek Rotterdamse gegevens zijn helaas niet beschikbaar in de benchmark. Rotterdam valt in de categorie 100.00-plus gemeenten. De benchmarkgegevens leveren voor de periode 2014-2021 de volgende figuur op.
de hoge bijstandsdichtheid in de grote steden. Het
22
Onderzoek effecten werkpremie
Figuur 3.2
Percentage deeltijdwerkers naar gemeentegrootte, Divosa Benchmark 2014-2021
13,0% 12,0% 12,0% 11,0% 10,0% 10,0% 9,0% 9,0% 8,6%
8,0% 8,0%
8,0%
7,0%
7,2% 6,6%
6,0% 2014
2015 Landelijk
2016
2017
<50.000 inw
2018 50-100.000 inw
2019
2020
2021
> 100.000 inw.
Bron: Divosa Benchmark Werk & Inkomen, jaarrapportage 2021. De figuur laat zien dat het percentage deeltijd-
Participatiewet in 2015 niet heeft geleid tot meer
werkers samenhangt met de gemeentegrootte;
deeltijdwerkers, ondanks een florerende econo-
hoe groter de gemeente, des te lager het percen-
mie in de jaren vóór de corona-uitbraak in maart
tage deeltijdwerkers. Daarnaast blijkt uit de fi-
2020.
guur dat het percentage deeltijdwerkers door de jaren heen afneemt. De conclusie luidt hier dat het
Naast de openbare jaarrapportage Benchmark
streven naar het landelijk gemiddelde van acht
Werk & Inkomen, biedt Divosa toegang tot de on-
procent deeltijdwerkers in Rotterdam op voor-
derliggende data aan de deelnemers van de ben-
hand niet realistisch lijkt. Wel wijst bovenstaande
chmark middels een persoonlijk account. Dit biedt
figuur uit dat het verschil in het percentage deel-
de mogelijkheid om de percentages deeltijdwer-
tijdwerkers tussen grote en kleinere gemeenten
kers in de G4 in beeld te brengen voor de periode
gaandeweg de tijd afneemt. Was het verschil tus-
2013-2022. Het resultaat vormt de volgende fi-
sen 100.000-plus gemeenten en gemeenten tot
guur. In deze figuur is het percentage deeltijdwer-
50.00 inwoners in 2014 nog vier procentpunten, in
kers voor de vier grote steden weergegeven, plus
2021 is dat gehalveerd tot twee procentpunten.
de landelijke ontwikkeling minus de G4.
Verder zien we dat de komst van de
Onderzoek effecten werkpremie
23
Figuur 3.3
Percentage deeltijdwerkers G4, Divosa Benchmark 2013-2022
13,0% 12,0% 11,0% 10,4% 10,0% 9,0% 8,0% 7,0%
7,2%
7,5% 7,2%
6,9%
6,2% 6,0%
6,4%
5,3%
5,0% 4,0%
Rotterdam
Amsterdam
Den Haag
Utrecht
Nederland-minus G4
Bron: Divosa Benchmark Werk en Inkomen Het eerste dat opvalt is dat het percentage deel-
procent lijkt dan op de korte termijn haalbaar, ze-
tijdwerkers gedurende de periode 2013-2022
ker gezien de krappe arbeidsmarkt en de grote
overal is afgenomen, behalve in Utrecht. Daar
vraag naar arbeid. De meest recente gegevens uit
steeg het percentage deeltijdwerkers licht van 6,9
de Divosa Benchmark laten voor juni 2022 een
naar 7,2 procent. Wat ook opvalt is dat het verschil
percentage deeltijdwerker zien van 5,5 procent.
tussen de grote steden en elders stevig is afgenomen. Was het verschil in 2013 tussen Rotterdam en het landelijk percentage deeltijdwerkers nog vier procentpunten, in 2022 is dat bijna gehalveerd tot 2,2 procentpunten. Verder zien we dat het Rotterdamse percentage deeltijdwerkers over de gehele periode lager ligt dan in de andere drie grote steden. De verschillen tussen Rotterdam en de andere drie grote steden zijn zelf iets toegenomen. Voor Rotterdam merken we nog op dat het percentage deeltijdwerkers lange tijd rond de zes procent heeft gelegen, maar dat de lockdownmaatregelen ten gevolge van de corona-uitbraak begin 2020 hebben geleid tot een afname van percentage deeltijdwerkers naar vijf procent. Daarna herstelt het percentage deeltijdwerkers in Rotterdam weer langzaam. Het streven naar een percentage deeltijdwerkers van zes
24
3.4
Resumé
Op basis van de beschikbare gegevensreeksen, zoals besproken in dit hoofdstuk, kan het volgende worden vastgesteld: •
De bestaande gegevensreeksen bieden een algemeen beeld van de ontwikkeling van het percentage deeltijdwerkers, maar zijn minder geschikt om de volume-effecten van de werkpremie te monitoren. Er wordt uitgegaan van huishoudens in plaats van personen en de percentages deeltijdwerkers omvatten ook jongeren tot 26,5 jaar die niet in aanmerking komen voor de werkpremie. Desalniettemin bieden de beschikbare gegevensreeksen een prima algemeen beeld van de ontwikkeling
Onderzoek effecten werkpremie
•
van deeltijdwerk in de bijstand op verschil-
Rotterdam is de laatste tien jaar op ieder mo-
lende aggregatieniveaus.
ment lager dan in de drie andere grote steden.
Specifiek Rotterdamse gegevens, afkomstig
•
Gedurende de periode 2013-2022 neemt het
uit de W&I-monitor, laten zien dat het percen-
Rotterdamse percentage deeltijdwerkers af
tage deeltijdwerkers de laatste drie jaar vari-
van 6,4 naar 5,3 procent. Daarmee ligt het
eert tussen de 5,5 en 6,5 procent. Gedurende
Rotterdamse percentage deeltijdwerkers
een periode zien we relatief grote schomme-
bijna een procentpunt lager dan in Amster-
lingen in het percentage deeltijdwerkers. Het
dam en Den Haag (6,2 procent).
lijkt erop dat lockdownmaatregelen in het voorjaar van 2020 en begin 2021 remmend hebben gewerkt op het percentage deeltijdwerkers. De lockdownmaatregelen van 2022 lijken minder effect te hebben gehad. Wellicht is dat te verklaren door de groeiende krapte op de arbeidsmarkt. •
Met het vorige punt is tegelijkertijd aangegeven dat er sprake is van een conjunctuureffect. Hoogconjunctuur met een bijbehorende krappe arbeidsmarkt, leidt tot een hoger percentage deeltijdwerkers dan een periode van laagconjunctuur waarin de vraag naar arbeid beperkt is.
•
De Divosa Benchmarkgegevens laten zien dat het percentage deeltijdwerkers gedurende de periode 2014-2021 is afgenomen. Landelijk gaat het dan om een afname van negen naar ruim zeven procent.
•
Een belangrijke constatering is dat het percentage deeltijdwerkers samenhangt met gemeentegrootte; hoe groter de gemeente, des te lager het percentage deeltijdwerkers.
•
De doelstelling van de werkpremie, zoals verwoord in de motie die ten grondslag ligt aan de werkpremie, om het Rotterdamse percentage deeltijdwerkers naar het landelijk gemiddelde te brengen, is dan op voorhand niet realistisch.
•
De verschillen tussen grote en kleine gemeenten nemen gedurende de periode 2014-2021 wel aanzienlijk af. In 2014 was het verschil tussen gemeenten kleiner dan 50.000 inwoners en 100.000-plus gemeenten vier procentpunten. In 2021 is dat nog twee procentpunten.
•
G4-gegevens uit de Divosa Benchmark laten zien dat het percentage deeltijdwerkers in
Onderzoek effecten werkpremie
25
4 4.1
Bestandsanalyse Uit de tabel blijkt dat het percentage deeltijdwer-
Inleiding
kers gemeten in personen uitkomt op 4,5 procent. In het vorige hoofdstuk hebben we laten zien dat
Als we uitgaan van huishoudens is dat 4,6 pro-
bestaande gegevensreeksen minder geschikt zijn
cent. Dat is een klein verschil, maar als we uitgaan
om effecten van de werkpremie nauwkeurig in
van huishouden, mis je 171 deeltijdwerkers, dat is
beeld te brengen. Om dat wel te bewerkstelligen,
een kleine 10 procent van het totaal aantal deel-
is een bestandsanalyse uitgevoerd op basis van
tijdwerkers. Het gaat hier om het bijstandsvolume
een tweetal bestanden van de Rotterdamse bij-
inclusief jongeren tot 26,5 jaar. In de volgende ta-
standspopulatie met als peildatum:
bel laten we zien wat het verschilt in deeltijdpercentage is tussen jongeren tot 26,5 jaar en dege-
•
1 april 2021, de dag waarop de werkpremie is geïntroduceerd.
•
1 maart 2022, elf maanden na de start van de werkpremie.
nen die ouder zijn. Tabel 4.2 Deeltijdwerk mét en zonder jongeren tot 26,5 jaar, 1 april 2021 < 26,5 jaar
Vanaf 26,5 jaar
Totaal
Aantal
2.781
34.626
37.407
%
94,2%
95,6%
95,5%
Aantal
172
1.603
1.775
%
5,8%
4,4%
4,5%
Aantal
2.953
36.229
39.182
%
100,0%
100,0%
100,0%
Op 1 april 2021 had Rotterdam 39.182 personen met een Participatiewetuitkering. Het aantal huishoudens met een uitkering bedroeg op dat mo-
Geen deeltijd
ment 35.086. Het verschil tussen huishoudens en personen is dus 4.096 personen. Onderstaande tabel laat zien wat het verschil in deeltijdpercentage is tussen huishoudens en personen. Tabel 4.1 Deeltijdwerk huishoudens versus personen, inclusief jongeren tot 26,5 jaar, 1 april 2021
Geen deeltijd
Huishoudens
Partners
Personen
Aantal
33.482
3.925
37.407
%
95,4%
95,8%
95,5%
Aantal
1.604
171
1.775
%
4,6%
4,2%
4,5%
Aantal
35.086
4.096
39.182
%
100,0%
100,0%
100,0%
Deeltijd
Totaal
Deze tabel laat zien dat 4,5 procent van de totale bijstandspopulatie in deeltijd werkt. Van de jongeren tot 26,5 jaar is dat 5,8 procent, dat ligt dus wat
Deeltijd
Totaal
26
hoger dan voor de hele bijstandspopulatie. Van de groep die 26,5 jaar of ouder is werkt 4,4 procent in deeltijd. Het aantal personen vanaf 26,5 jaar vormt de doelgroep van de verdere analyse, waarbij we steeds de stand van zaken op 1 april 2021 vergelijken met die van 1 maart 2022.
Onderzoek effecten werkpremie
4.2
Leeftijd
De eerste variabele die we in beschouwing nemen is leeftijd. Onderstaande figuur laat de ontwikkeling van het percentage deeltijdwerkers zien op de twee peildata.
Figuur 4.1
Deeltijdwerk naar leeftijdscategorie, 1 april 2021 – 1 maart 2022 (N=35.563) 6,3% 6,4%
26,5 tot 35 jaar 5,2%
35 tot 45 jaar 4,6%
45 tot 55 jaar
5,2%
2,8% 2,8%
55 tot 65 jaar 1,9%
65 jaar of ouder
2,3% 4,4%
Totaal 0,0%
6,2%
1,0%
2,0%
3,0% 1-apr-21
4,0%
4,8%
5,0%
6,0%
7,0%
1-mrt-22
Veruit de belangrijkste constatering is dat het per-
procentpunt en bij 65-plussers een toename van
centage deeltijdwerkers elf maanden na de intro-
0,4 procentpunt.
ductie van de werkpremie is toegenomen van 4,4 procent naar 4,8 procent. In absolute aantallen is
Op basis van deze uitkomsten stellen we vast dat
dat een toename van 94 deeltijdwerkers. Dat is
het percentage deeltijdwerkers onder de totale
weliswaar een stijging, maar van een substantiële
doelgroep van de werkpremie is toegenomen met
toename van twee procentpunten zoals genoemd
0,4 procentpunt. Een bovengemiddelde stijging
in motie die ten grondslag ligt aan de werkpremie
zien we vooral bij 35-45-jarigen en in mindere
is geen sprake. De conclusie luidt dat de werkpre-
mate bij 45-55-jarigen. Overall typeren we de toe-
mie niet heeft geleid tot de gewenste toename
name van het percentage deeltijdwerkers als mar-
van het percentage deeltijdwerkers.
ginaal, mede gelet op de zeer krappe arbeidsmarkt.
Per leeftijdscategorie zien we verschillende effecten optreden. Voor 26,5-35-jarigen is er nauwelijks verschil met de eerste meting. Bij 55-65-jarigen zien we geen effect. De grootste toename van het percentage deeltijdwerkers zien we bij 35-45jarigen, deze komt uit op een plus van één procentpunt. Bij de 45-55-jarigen is dat 0,6
Onderzoek effecten werkpremie
4.3
Geslacht
Indien we het percentage deeltijdwerkers op de twee peildata uitsplitsen naar geslacht, ontstaat de volgende figuur.
27
Figuur 4.2
Deeltijdwerk naar geslacht, 1 april 2021-1 maart 2022 (N=35.563)
Mannen
4,4% 4,5%
Vrouwen
4,4%
Totaal
4,4%
0,0%
5,0%
4,8% 1,0%
2,0%
3,0% 1-apr-21
De figuur laat zien dat mannen nauwelijks vaker
4,0%
5,0%
6,0%
1-mrt-22
4.4
Huishoudenssamenstelling
in deeltijd zijn gaan werken sinds de introductie van de werkpremie. Vrouwen zijn daarentegen wel wat vaker in deeltijd gaan werken (+0,6 procentpunt). Dit hangt onder meer samen met een toename van het percentage deeltijdwerkers on-
Ook hier maken we de vergelijking tussen 1 april 2021 en 1 maart 2022. Dat levert de volgende figuur op.
der alleenstaande ouders die voor het overgrote deel uit vrouwen bestaat, zie de volgende sub-paragraaf. Figuur 4.3
Deeltijdwerk naar huishoudenssamenstelling, 1 april 2021-1 maart 2022 (N=35.563) 3,7% 3,9%
Onbekend
3,6% 3,5%
Alleenstaanden
5,6%
Alleenstaand ouder
6,1% 6,4%
Gehuwden en samenwonenden 4,4% 4,8%
Totaal 0,0%
1,0%
2,0%
3,0%
1-apr-21
1-mrt-22
4,0%
5,0%
6,0%
7,0%
8,0%
Bovenstaande figuur wijst uit dat het vooral al-
alleenstaande ouders relatief vaak in deeltijd wer-
leenstaande ouders zijn die vaker in deeltijd wer-
ken, hangt samen met de langere periode van vrij-
ken dan elf maanden eerder. Voor deze groep zien
lating van inkomsten uit arbeid, namelijk 30
we een relatief grote toename van het percentage
maanden in plaats van de reguliere zes maanden,
deeltijdwerkers van 1,7 procentpunt. Dat
zie paragraaf 2.2.30 Een verklaring voor de relatief
30
28
7,3%
De vrijlatingsperiode voor alleenstaande ouders is weliswaar langer dan de reguliere vrijlatingsperiode, maar de het percentage dat niet wordt verrekend met de uitkering is lager, namelijk 12,5 procent tegen 25 procent voor reguliere bijstandsgerechtigden.
Onderzoek effecten werkpremie
grote toename van het percentage deeltijdwer-
procent van de doelgroep van de werkpremie. An-
kers onder alleenstaande ouders vormt deze spe-
ders geformuleerd: de grootste doelgroep van de
cifieke regeling echter niet. Wel laat het relatief
werkpremie, namelijk alleenstaanden, is door de
hoge percentage deeltijdwerkers onder alleen-
werkpremie niet vaker in deeltijd te gaan werken.
staande ouders zien dat wetgeving middels de Participatiewet effect heeft op de mate waarin in deeltijd wordt gewerkt in de bijstand. Bovenstaande figuur laat verder zien dat gehuwden en samenwonenden marginaal vaker in deeltijd zijn gaan werken (+0,3 procentpunt). Opmerkelijk is de marginale afname van het percentage deeltijdwerkers onder alleenstaanden (-0,1 procentpunt). Dit is met name van belang, omdat alleenstaanden veruit de grootste groep vormen, op
4.5
Opleidingsniveau
De registratie van het opleidingsniveau laat te wensen over. In het bestand van 2021 ontbrak dit gegeven bij 30,5 procent, in 2022 is dat opgelopen naar 31,5 procent. Indien we deeltijdwerkers desalniettemin uitsplitsen naar opleidingsniveau en wederom de vergelijking maken tussen de twee peildata ontstaat de volgende figuur.
1 maart 2022 waren het er 21.244, dat is bijna 60 Figuur4.4
Deeltijdwerk naar opleidingsniveau, 1 april 2021-1 maart 2022 (N=35.563) 5,4%
Laag
5,8% 6,2%
Middelbaar
Hoog
5,6%
6,1%
1,6% 1,7%
Onbekend
4,4%
Totaal 0,0%
7,2%
1,0%
2,0%
3,0%
4,0%
1-apr-21
1-mrt-22
4,8%
5,0%
6,0%
7,0%
8,0%
We zien dat het vooral middelbaar opgeleiden zijn
name bij personen met een relatief grote afstand
die vaker in deeltijd zijn gaan werken (plus één
tot de arbeidsmarkt ontbreekt, het gaat dan grof-
procentpunt). Ook laagopgeleiden werken wat va-
weg om de doelgroep van Prestatie010. Voor deze
ker in deeltijd (plus 0,4 procentpunt). Opmerkelijk
groep wordt vrijwilligerswerk het hoogst haalbare
genoeg zien we bij hoogopgeleiden afname van
geacht, dat zij relatief weinig in deeltijd werken is
het percentage deeltijdwerkers (min 0,5 procent-
dan logisch.
punt). De groep waarvan het opleidingsniveau ontbreekt, werkt evenals elf maanden geleden zelden in deeltijd, de mutatie van het percentage deeltijdwerkers is marginaal (plus 0,1 procentpunt). Het ontbreken van het opleidingsniveau bij de groep die zelfden in deeltijd werkt, komt ver-
4.6 Uitkeringsduur We vergelijken wederom de situatie op de twee peildata, dat levert de volgende figuur op.
moedelijk doordat het opleidingsniveau met
Onderzoek effecten werkpremie
29
Figuur 4.5
Deeltijdwerk naar uitkeringsduur, 1 april 2021-1 maart 2022 (N=35.563)
Korter dan een jaar 5,2%
1-2 jaar 4,5%
2-3 jaar
8,3%
5,5%
4,8% 5,2%
3-4 jaar
4,5%
4-5 jaar 2,9%
Langer dan 5 jaar
5,2%
3,5% 4,4% 4,8%
Totaal 0,0%
8,8%
6,6%
1,0%
2,0%
3,0%
4,0%
1-apr-21
We zien dat het percentage deeltijdwerkers met een uitkeringsduur korter dan een jaar fors is afgenomen (min 2,2 procentpunt). Dat betekent dat nieuwe instromers minder vaak in deeltijd werken dan vóór de start van de werkpremie. Kennelijk is de werkpremie geen stimulans voor instromers om in deeltijd te gaan werken. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat nieuwe instromers onbekend zijn met de werkpremie. Wel is het zo dat nieuwe instromers in de bijstand nog altijd vaker in deeltijd werken dan degenen die twee jaar of
5,0%
6,0%
7,0%
8,0%
9,0%
10,0%
1-mrt-22
4.7
Gemiddeld bedrag inkomsten uit werk
De kwantitatieve doelstellingen van de werkpremie zijn enerzijds meer deeltijdwerkers en anderzijds urenuitbreiding van degenen die bij de introductie van de werkpremie op 1 april 2021 al in deeltijd werkten. We merken hierbij op dat W&I niet het aantal uur dat men in deeltijd werkt registreert, maar de inkomsten uit arbeid die men ge-
langer bijstandsafhankelijk zijn.
nereert. Dit is immers nodig om de inkomsten te
Bij de groep met een uitkeringsduur van 1-2 jaar is
dus niet bepalen of deeltijdwerkers onder invloed
het percentage deeltijdwerkers wél aanzienlijk gestegen (plus 3,1 procentpunt). Dit zou erop kunnen duiden dat de werkpremie voor relatief kort zittende klanten wel een stimulans is geweest om deeltijdarbeid te gaan verrichten. Verder zien we voor de groepen met een uitkeringsduur van 2-5 jaar ook een toename van het percentage deeltijdwerkers. Dit varieert van een plus van 0,7-1,0 procentpunt. Tot slot is het percentage deeltijdwerkers ook toegenomen voor de groep die langer dan vijf jaar een uitkering heeft (plus 0,6 procentpunt).
kunnen verrekenen met de uitkering. We kunnen van de werkpremie meer uren zijn gaan werken, maar wel of ze meer inkomsten hebben na de introductie van de werkpremie. Zowel voor het bestand met als peildatum 1 april 2021 als voor het bestand van 1 maart 2022 is berekend hoe hoog de gemiddelde inkomsten van de deeltijdwerkers waren. In beide gevallen zijn de gemiddelde inkomsten genomen over de drie maanden voorafgaand aan de peildatum. Voor 2021 zijn dat de maanden januari tot en met maart en voor 2022 de maanden december 2021 en januari tot en met februari 2022. In de volgende figuur zijn de resultaten weergegeven, het gaat om
30
Onderzoek effecten werkpremie
de gemiddelde inkomsten over drie maanden en de mediaan. 31 Figuur 4.6
Gemiddelde inkomsten uit arbeid en de mediaan (n2021=1.972, n2022=2.123)
€ 315
Mediaan
€ 336
€ 382
Gemiddelde inkomsten
€ 407 €0
€ 50
€ 100
€ 150 1-apr-21
€ 200
€ 250
€ 300
€ 350
€ 400
€ 450
1-mrt-22
De figuur laat zien dat zowel de mediaan als het
‘’Leidt de werkpremie tot meer
gemiddelde elf maanden na de introductie van de
verdiensten voor de groep die
werkpremie iets hoger liggen. Voor de mediaan is
vóór de start van de pilot al in
dat € 21 en voor het gemiddelde €25. Dit beschou-
deeltijd werkte?’’
wen we als een marginale toename, die deels kan worden toegeschreven aan gestegen lonen en niet
Voor beantwoording van deze vraag moeten we
aan urenuitbreiding. Bovendien gaat het om een
dus de groep selecteren die vóór de introductie
maandbedrag, per week is de toename dus onge-
van de werkpremie al in deeltijd werkte en vervol-
veer een kwart van de zojuist genoemde bedra-
gende kijken of ze na de komst van de werkpre-
gen. Op basis van deze gegevens stellen we vast
mie meer inkomsten hadden. De groep die gedu-
dat de werkpremie niet heeft geleid tot een sub-
rende drie maanden vóór de start van de werkpre-
stantiële stijging van de inkomsten per maand en
mie, minimaal één maand inkomsten had, omvat
dus ook niet van een substantiële toename van
1.972 personen. Koppeling van deze groep aan het
het aantal uren dat deeltijders werken.
bestand van 2022 resulteert in 963 personen die gedurende december 2021 – februari 2022, mini-
In bovenstaande grafiek gaat het om deeltijdwer-
maal één maand inkomsten hadden. De vergelij-
kers die gedurende drie maanden minimaal één
king van de gemiddelde inkomsten over drie
maand inkomsten uit arbeid hadden. De tweede
maanden voor de periode voor de werkpremie en
onderzoeksvraag luidt echter:
tijdens de werkpremie levert het volgende op.
31
De mediaan is de waarde van een dataset die precies in het midden ligt. 50 procent van de gevallen is dus lager en 50 procent hoger.
Onderzoek effecten werkpremie
31
Figuur 4.7
Gemiddelde inkomsten uit arbeid vóór de werkpremie en na de introductie van de werkpremie
€ 315
Mediaan
€ 449
€ 382
Gemiddelde inkomsten
€ 475 €0
€ 50
€ 100
€ 150
n=1.972 jan-maart 2021
€ 200
€ 250
€ 300
€ 350
€ 400
€ 450
€ 500
n=963 dec 2021-feb 2022
De figuur laat zien dat de inkomsten van de groep
maand of enkele maanden niet om vervolgens
die voor de werkpremie al in deeltijd werkte, na
weer aan de slag te gaan, enzovoorts. We zien dus
de komst van de werkpremie hoger ligt. De medi-
wisselende inkomsten en discontinuïteit van in-
aan ligt € 134 hoger, het gemiddelde € 93. De ho-
komsten. In het volgende hoofdstuk, waarin de re-
gere mediaan duidt op een stijging van de gemid-
sultaten van de enquête onder deeltijdwerkers
delde inkomsten. Deze liggen dus € 93 per maand
worden gepresenteerd, komen we hierop terug. In
hoger. Dat lijkt een forse toename, maar het komt
deze paragraaf laten we zien hoe de inkomsten-
neer op een kleine € 25 per week. Bovendien is de
patronen er grofweg uitzien.
tweede meetperiode (december 2021 – februari 2022) bijna een jaar later dan de eerste meetperi-
Wisselende inkomsten brengen we in kaart door
ode (januari – maart 2021) zodat hier ook loonstij-
inkomsten van twee maanden met elkaar te ver-
ging een rol speelt.
gelijken. In dit geval gaat het om januari en februari 2022, de meest recente maanden waarover we
Op basis van het voorafgaande constateren we
gegevens beschikbaar hebben. Dit is een arbi-
dat de groep die voor de werkpremie al in deeltijd
traire keuze, als je twee andere maanden kiest,
werkte, bijna een jaar later iets meer inkomsten
komt er waarschijnlijk net iets anders uit, maar
heeft en dat ze naar alle waarschijnlijkheid gemid-
het gaat hier om de mate waarin inkomsten per
deld iets meer uren zijn gaan werken, groot is dat
maand verschillen.
verschil in uren niet. Gedurende de twee maanden van 2022 hebben
4.8 Tweeledige variatie van inkomsten uit arbeid De voortschrijdende flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft ook gevolgen voor de aard van het deeltijdwerk dat bijstandsgerechten verrichten. Afroep- en nulurencontracten dragen bij aan (sterk) wisselende inkomsten uit arbeid per maand. Daarnaast leiden tijdelijke contracten tot discontinuïteit van inkomsten uit arbeid. Men werkt bijvoorbeeld een paar maanden, dan een
32
2.068 bijstandsgerechtigden inkomsten uit arbeid. Vervolgens hebben we het verschil in inkomsten tussen de twee maanden berekend. Uit de gegevens blijkt dat de verschillen nogal eens beperkt zijn tot een paar euro. We veronderstellen dat dergelijke kleine bedragen niet voortkomen uit een substantiële verandering van de omvang van het deeltijdwerk. Om die reden beschouwen we verschillen tot € 25, dat is grofweg € 6 per week, niet als een wezenlijke verandering van inkomsten. Het resultaat van de analyse vormt onderstaande figuur.
Onderzoek effecten werkpremie
Figuur 4.8
Inkomstenverschillen januari – februari 2022 (n=2.068)
€ 1.000 of meer
1%
€ 900-999
1%
€ 800-899
1%
€ 700-799
2%
€ 600-699
3%
€ 500-599
3%
€ 400-499
4%
€ 300-399
4%
€ 200-299
7%
€ 100-199
15%
€ 25-99
21%
€ 00-25
39% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
De figuur laat zien dat er bij een kleine 40 procent
Een tweede patroon dat we zien, betreft disconti-
geen verschil is in de hoogte van de inkosten uit
nuïteit van inkomsten uit deeltijdarbeid door de
arbeid. Bij ruim een vijfde ligt dat verschil tussen
tijd heen. Om hier een beeld van te schetsen gaan
de € 25 en € 100. Bij nog eens 15 procent zien we
we uit van personen die een jaar voorafgaand aan
een verschil van € 100-€ 200. Voor de overige 25
de peildatum van het bestand, dat is 1 maart 2022,
procent zien we aanzienlijke inkomensverschillen
inkomsten uit arbeid hadden. In maart 2021, blij-
tussen de twee maanden, de verschillen variëren
ken dat er 1.130 te zijn. Vervolgens hebben we ge-
van € 200 tot meer dan € 1.000. Alles overziend
keken, hoeveel maanden zij gedurende een jaar
stellen we vast dat 40 procent van de deeltijdwer-
hebben gewerkt. De volgende figuur laat het re-
kers te maken heeft met maandelijkse inkomens-
sultaat zien.
verschillen die boven de € 100 liggen. Figuur 4.9
Aantal maanden inkomsten uit deeltijdwerk, maart 2021 – februari 2022 (n=1.130)
11,00
59%
10,00
8%
9,00
5%
8,00
3%
7,00
3%
6,00
1%
5,00
3%
4,00
3%
3,00
3%
2,00
3%
1,00
4%
,00
4% 0%
10%
Onderzoek effecten werkpremie
20%
30%
40%
50%
60%
70%
33
Vanaf maart 2021 kan men maximaal elf maanden
2021 met dien verstande dat degenen die jonger
werken tot en met februari 2022. De figuur laat
dan 26,5 jaar waren buiten beschouwing zijn gela-
zien dat bijna 60 procent van de deeltijdwerkers
ten. De bijstandspopulatie omvatte op 1 april 2021
permanent inkomsten uit arbeid had. We zien ook
derhalve 36.229 personen. Het aantal uitstromers
dat vier procent in geen enkele maand heeft ge-
naar werk omvatte 2.923 personen. Dat betekent
werkt, dit zijn degenen die kennelijk zijn gestopt
dat ruim acht procent van de bijstandspopulatie
met deeltijdwerk. Voor de rest zien we dat een
vanaf 26,5 jaar in een jaar tijd is uitgestroomd
vijfde minimaal zes maanden heeft gewerkt, voor
naar werk. Uitstroom naar werk is bepaald op ba-
eveneens een vijfde is dat minder dan zes maan-
sis van drie geregistreerde uitstroomredenen, na-
den. Alles overziend stellen we vast dat een kleine
melijk uitstoom in verband met inkomsten regu-
60 procent permanent in deeltijd heeft gewerkt,
lier werk, inkomsten gesubsidieerde arbeid en in-
dat 20 procent zes tot 10 maanden heeft gewerkt
komsten uit zelfstandig beroep of bedrijf.
en dat nog eens 20 procent minder dan een half jaar heeft gewerkt.
Vervolgens is gekeken wie er de laatste drie maanden voorafgaand aan de peildatum inkomsten uit arbeid hadden. Er is gekozen voor de laat-
4.9 Uitstroom naar werk
ste drie maanden, omdat lang niet alle deeltijdwerkers iedere maand werken. Een deeltijdwerker
Een belangrijke vraag in dit onderzoek is of deel-
is dus gedefinieerd als iemand die gedurende drie
tijdwerkers vaker volledig uitstromen naar werk
maanden minimaal één maand inkomsten uit ar-
dan niet-deeltijdwerkers. Om hier een antwoord op te krijgen, zijn alle uitstromers naar werk gedurende de periode 1 april 2021 – 1 april 2022 gekoppeld aan het totale bijstandsbestand op 1 april Figuur 4.10
beid had. De combinatie van al dan niet deeltijdwerk versus al dan niet uitstroom naar werk levert de volgende figuur op.
Uitstroom naar werk, deeltijdwerkers versus niet-deeltijdwerkers
Minimaal één maand inkomsten, gedurende laatste drie maanden (n=1.986)
30%
70%
Geen deeltijdwerk laatste drie maanden (n=34.243)
7%
93%
Totaal (N=36.229)
8%
92%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Uitstroom naar werk
Geen uitstroom naar werk
De figuur maakt duidelijk dat deeltijdwerkers
deeltijdwerkers in absolute aantallen met 2.333
ruim vier keer vaker uitstromen naar werk dan
veel hoger ligt dan de 590 uitstromers naar werk
niet-deeltijdwerkers. Van de 1.986 deeltijdwer-
onder deeltijdwerkers.
kers stromen 590 personen, ofwel 30 procent in
34
een jaar tijd uit naar werk. Van de 34.243 niet-
Bovenstaande gegevens kunnen we ook uitsplit-
deeltijdwerkers stromen er 2.333 uit naar werk,
sen naar diverse geregistreerde achtergrondken-
dat komt overeen met zeven procent. Wel is het zo
merken. Als voorbeeld doen we dit naar leeftijds-
dat de uitstroom naar werk van niet-
categorieën. Dat levert de volgende figuur op.
Onderzoek effecten werkpremie
Geen deeltijdwerk
Deeltijdwerk
Figuur 4.11
Uitstroom naar werk, leeftijdscategorieën, deeltijdwerkers versus niet-deeltijdwerkers
26,5-35 jaar (n=529) 35-45 jaar (n=572) 45-55 jaar (n=534) 55-65 jaar (n=329) 65 jaar of ouder (n=22) Totaal (N=1.986)
43% 31% 22% 21% 9% 30%
26,5-35 jaar (n=5.426) 17% 35-45 jaar (n=7.947) 9% 45-55 jaar (n=9.620) 5% 55-65 jaar (n=10.130) 2% 65 jaar of ouder (n=1.120) 0% Totaal (N=34.243) 7% 0%
10%
20%
30%
Uitstroom naar werk
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Geen uitstroom naar werk
Het bovenste gedeelte van de figuur bevat de
procent. Voor 55-65-jarigen geldt dat van de deel-
deeltijdwerkers, dat wil zeggen personen die ge-
tijdwerkers 21 procent is uitgestroomd naar werk,
durende de laatste drie maanden vanaf de peilda-
bij de niet-deeltijdwerkers is dat 2 procent. De
tum van het bestand minimaal één maand inkom-
conclusie luidt dat deeltijdwerk in alle leeftijdsca-
sten hadden. Het onderste gedeelte bevat perso-
tegorieën leidt tot een (veel) hogere uitstroom
nen die gedurende die drie maanden geen inkom-
naar werk.
sten uit arbeid hadden. Wat we zojuist hebben gezien voor leeftijdscateDe figuur wijst uit dat de uitstroom naar werk voor
gorieën kan ook voor andere achtergrondkenmer-
alle leeftijdscategorieën (veel) hoger ligt bij de
ken zoals geslacht, opleidingsniveau, uitkerings-
deeltijdwerkers. Voor de leeftijdscategorie 26,5-
duur en huishoudenssamenstelling. Dat levert
35 jaar geldt dat van degenen die in deeltijd werk-
voor alle kenmerken hetzelfde beeld op. Deeltijd-
ten maar liefst 43 procent is uitgestroomd naar
werkers stromen in alle categorieën significant
werk, voor de niet-deeltijdwerkers is dat 17
vaker uit naar werk.
Onderzoek effecten werkpremie
35
5 5.1
Enquêteresultaten Selectie, respons en representativi-
49 e-mailadressen niet bleken te kloppen. De uit-
teit
nodiging voor het invullen van de enquête heeft
Uitgangspunt is de bijstandspopulatie vanaf 26,5 jaar met als peildatum 1 maart 2022. Het gaat dan om ruim 35.500 personen. In het vorige hoofdstuk zagen we al dat veel deeltijdwerkers een grillig inkomstenpatroon hebben. Men werkt bijvoorbeeld twee maanden, dan een maand niet, dan weer drie maanden wel, dan weer twee maanden niet, enzovoort. Om deze reden is in eerste instantie iedereen die gedurende drie maanden minimaal één
deze respondenten dus niet bereikt. Als we dat verdisconteren, komt het responspercentage uit op 26 procent. Om te bepalen of de responsgroep representatief is voor alle deeltijdwerkers kijken we naar de verdeling van leeftijdscategorieën en geslacht in beide groepen. Dat levert het volgende op. Tabel 5.1 Onderzoekspopulatie en responsgroep naar leeftijd en geslacht
maand heeft gewerkt geselecteerd voor de inter-
Onderzoekspopulatie
Responsgroep
Aantal
%
Aantal
%
Man
808
43
188
40
Vrouw
1.061
57
280
60
26,5-35 jaar
419
22
88
19
35-45 jaar
603
32
152
32
45-55 jaar
549
29
136
29
werkpremie van € 12,50, ook niet echt een sub-
55-65 jaar
298
16
92
20
stantieel bedrag.
Totaal
1.869
100
468
100
De selectieprocedure heeft geleid tot 1.869 poten-
Als we eerst naar de man/vrouw-verhouding kij-
tiële respondenten, die gedurende de periode 9-
ken zien we dat mannen (traditioneel) zijn onder-
23 juni 2022 in de gelegenheid zijn gesteld om de
vertegenwoordigd in de responsgroep. De onder-
vragenlijst in te vullen. We merken hierbij op dat
vertegenwoordiging komt uit op drie procentpun-
dus het niet gaat om een steekproef, maar om alle
ten, dat is een minimale afwijking. Iets dergelijks
deeltijdwerkers die voldoen aan de selectiecrite-
geldt voor de verdeling van de leeftijdscatego-
ria.
rieën. De leeftijdscategorie van 26,5-35 jaar is iets
netenquête. Daarnaast is gebleken dat sommige deeltijdwerkers erg lage inkomsten hebben, maar ook dat varieert per maand. Om deze reden zijn deeltijdwerkers die gedurende drie maanden geen enkele maand meer dan € 100 verdienden niet geselecteerd voor de enquête. Het gaat dan om inkomsten van grofweg € 25 per week, dat is circa twee uur werk. Dit beschouwen we niet als substantieel werk dat effect zou kunnen hebben op de diverse belevingsaspecten van werken, zoals positieve effecten op de fysieke en mentale gezondheid, het zelfvertrouwen, de mate van zelfontplooiing en het verbeteren van de eigen sociaal-maatschappelijk positie. Bovendien betekent € 100 inkomsten per maand een opbouw van de
ondervertegenwoordigd in de responsgroep. De
36
Uiteindelijk hebben 468 personen de enquête in-
leeftijdscategorie 55-65 is wat oververtegenwoor-
gevuld, waarmee het responspercentage uitkomt
digd. Ook dat is een traditioneel beeld dat we in
op 25 procent. Aanvullend vermelden we nog dat
veel onderzoek terugzien. De conclusie luidt dat
Onderzoek effecten werkpremie
de responsgroep nauwelijks afwijkt van de steek-
5.2
Algemene kenmerken deeltijdwerk
proef en dat we dit niet corrigeren door de responsdata te wegen. De responsgroep is voldoende representatief voor de groep geselecteerde deeltijdwerkers.
Figuur 5.1
Aan de respondenten is ten eerste gevraagd sinds wanneer zij in deeltijd werken. Dat levert het volgende beeld op.
Gestart met deeltijdwerk (N=468) 2022
13%
2021
42%
2020
14%
2019
10%
2018
7%
2017
3%
2016
2%
2015
2%
Eerder dan 2015
9% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
We zien dat 55 procent met deeltijdwerk is ge-
veruit de meesten in 2021 zijn begonnen met deel-
start in 2021 of 2022. Langdurig in deeltijd werken
tijdwerk. Als we het aantal starters vanaf 1 januari
komt veel minder vaak voor, 16 procent werkt
2021, in absolute aantallen, op een rijtje zetten
sinds 2017 of eerder. We zien overduidelijk dat
dan ontstaat de volgende figuur.
Figuur 5.2
Aantal gestarte deeltijdwerkers 1 januari 2021 t/m mei 2022
40 35 30 25 20 15 10 5 0
De vraag bij deze figuur is of de werkpremie heeft
geleid tot wat meer startende deeltijdwerkers.
geleid tot meer deeltijdwerkers. De werkpremie is
Eerder hebben we al betoogd dat het aantal deel-
gestart op 1 april 2021 en vanaf 1 april 2022 is de
tijdwerkers mede wordt bepaald door de vraag
nieuwe instroom gestopt. Als we dan naar de fi-
naar arbeid. Zo, was er begin 2021 nog sprake van
guur kijken, lijkt het erop dat de werkpremie heeft
lockdownmaatregelen en dus minder vraag naar
Onderzoek effecten werkpremie
37
arbeid. Alles overwegende stellen we vast dat de
Figuur 5.3 Deeltijdwerkers met een vast aantal uur per week (N=468)
werkpremie heeft geleid tot een bescheiden toename van het aantal startende deeltijdwerkers. De bestandsanalyse heeft uitgewezen dat de inkomsten van een aanzienlijk deel van de deeltijd-
48%
werkers sterk wisselen. Daarom is aan de respon-
52%
denten gevraagd of ze iedere week hetzelfde aantal uren werken. Dat levert het volgende op.
Ja
Nee
Deze figuur laat zien dat iets meer dan de helft een vast aantal uur per week werkt, voor 48 procent geldt dat niet. Vervolgens is gevraagd naar het aantal uur dat men gemiddelde per week werkt. Dat levert onderstaande figuur op.
Figuur 5.4
Gemiddeld aantal uur werk per week (N=468)
0 tot 4 uur
13%
5 tot 8 uur
17%
9 tot 12 uur
16%
13 tot 16 uur
22%
17 tot 20 uur
16%
21 tot 24 uur
10%
Meer dan 25 uur
7% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
De figuur wijst uit dat 30 procent maximaal een
met leeftijdscategorieën levert dat de volgende fi-
dag in de week werkt. Voor bijna 40 procent is dat
guur op. Hierbij geldt het volgende. Bij een op-
maximaal twee dagen per week, zeven procent
roep- of nulurencontract werkt men alleen als de
werkt meer dan drie dagen.
werkgever dat vraagt en het aantal uur per week kan (sterk) variëren. Een tijdelijk contract bestaat
Voor de continuïteit van het deeltijdwerk en een
uit een vast aantal uur per week met een eindda-
vast aantal uur per week is uiteraard het arbeids-
tum. Een vast contract kent uiteraard geen eind-
contact dat men heeft van belang. Ook dat is in de
datum.
enquête gevraagd. Als we die vraag combineren
38
Onderzoek effecten werkpremie
Figuur 5.5
Aard arbeidscontract naar leeftijdscategorieën (n=429)
26,5-35 jaar
29%
35-45 jaar
26%
45-55 jaar
23%
55-65 jaar
47%
47%
10%
30%
Een oproep- of nulurencontract
13%
39%
40% 20%
9%
32%
32%
23% 0%
7%
18%
33%
16%
Totaal
18%
40%
14%
27% 50%
60%
Een tijdelijk contract
70%
80%
Een vast contract
11% 90%
100%
Anders:
Het verband tussen leeftijd en het soort arbeids-
dan bij mannen. Van de vrouwen heeft 31 procent
contract blijkt statistisch significant. Ouderen, in
een vast contract, bij mannen is dat 19 procent.
dit geval 55-65-jarigen, hebben aanzienlijk vaker
Deze uitkomsten hangen ook samen met het ge-
een vast contract, met een vast aantal uren per
geven dat vrouwen langer in deeltijd werken dan
week dan 26,5-45-jarigen. Bovenstaande figuur
mannen. Aanvullend vermelden we nog dat de
wijst uit dat 55-65-jarigen ruim twee keer vaker
aard van het arbeidscontract geen verband laat
een vast contract hebben dan 26,5-45-jarigen.
zien met opleidingsniveau.
Van alle deeltijdwerkers heeft ruim een kwart een vast contract. De aard van het arbeidscontract blijkt ook significant samen te hangen met geslacht. Van de mannen heeft 37 procent een oproep- of nulurencontract, bij vrouwen is dat met 14 procent ruim de helft minder. Tijdelijke contracten komen bij vrouwen iets vaker voor dan bij mannen, groot is dat verschil met zeven procentpunten niet. Vaste contracten komen bij vrouwen beduidend vaker voor
Onderzoek effecten werkpremie
5.3
Bekendheid werkpremie
Aan de respondenten is gevraagd of zij bekend zijn met de werkpremie en zo ja, hoe zij hiervan op de hoogte zijn gekomen. Deze vraag is gesteld, omdat men automatisch de werkpremie krijgt als men gedurende de periode 1 april 2021 – 1 april 2022 in deeltijd werkt, men hoefde er zich dus niet voor aan te melden.
39
Figuur 5.6
Bekendheid werkpremie (N=468)
werkpremie kenbaar is gemaakt bij de bijstandspopulatie. Kennelijk hebben velen de beschikbaar gestelde informatie niet tot zich genomen. Aan de groep die wel bekend is met de werkpremie is gevraagd hoe zij bekend zijn geworden met
47%
de werkpremie.32 Het resultaat hiervan vormt de
53%
volgende figuur. Deze moet als volgt worden gelezen: 53 procent van de respondenten is op de hoogte van de werkpremie, dat zijn 250 personen. De percentages in onderstaande figuur zijn echter berekend op de totale responsgroep van 468, Nee
waardoor de percentages niet optellen tot 100
Ja
procent. Zo zegt 41 procent van alle respondenten Nevenstaande figuur laat zien dat iets meer dan
dat ze over de werkpremie zijn geïnformeerd door
de helft van de deeltijdwerkers op de hoogte is
middel van een brief van W&I. Verder tellen de
van de werkpremie. Dat is een enigszins verba-
percentages ook niet op tot 53 procent, omdat de-
zingwekkend resultaat, zeker omdat de werkpre-
zelfde persoon op verschillende manieren kennis
mie aan de meesten al minimaal één keer is uitge-
kan hebben genomen van de werkpremie.
keerd. Het zegt ook iets over de wijze waarop de Figuur 5.7
Informatiekanalen werkpremie (n=250)
Ik heb er een brief over gekregen
41%
Gelezen in 010werkt
8%
Contactpersoon W&I heeft het verteld
7%
Dat weet ik niet meer
4%
Gelezen op website gemeente Rotterdam
4%
Anders
1% 0%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
De conclusie luidt dat de werkpremie, ondanks
thuiskrijgen, heeft een matig bereik, slechts acht
een brede communicatiestrategie (zie onder-
procent noemt dit informatiekanaal. Contactper-
staande voetnoot), slechts matig bekend is onder
sonen van werkzoekenden, zoals klantmanagers,
deeltijdwerkers, iets meer dan de helft van de
inkomensconsulenten en werkcoaches, worden
deeltijdwerkers die recht heeft op de werkpremie,
door zeven procent genoemd als informatiebron.
is zich daar ook van bewust. 010werkt, het blad
Ook dat is een laag percentage. Als deeltijdwer-
van de gemeente Rotterdam dat werkzoekenden
kers al slecht op de hoogte zijn van de
32
40
5%
De communicatie, c.q. voorlichting aan werkzoekenden over de werkpremie omvatte een aantal onderdelen. Ten eerste zijn er drie brieven verstuurd; eenmaal naar de totale doelgroep van de werkpremie, dat zijn circa 36.000 werkzoekenden en tweemaal een brief naar alle deeltijdwerkers. Ten tweede was er een webpagina beschikbaar Werkpremie | Rotterdam.nl . Ten derde bevatte de nieuwsbrief 010werkt, het blad dat werkzoekenden thuis ontvangen, een coverstory over de werkpremie. Verder zijn de werkcoaches voorgelicht over de werkpremie, zodat ze werkzoekenden konden informeren over de werkpremie om zodoende het percentage deeltijdwerkers te verhogen en het aantal uur deeltijdwerk uit te breiden. Tot slot is de werkpremie onder de aandacht gebracht op diverse banenmarkten.
Onderzoek effecten werkpremie
werkpremie, moet worden gevreesd dat degenen
de volgende paragraaf laten we zien in welke
die niet in deeltijd werken nog minder bekend zijn
mate de respondenten door de werkpremie zijn
met de werkpremie. Van een stimulans om in deel-
gestimuleerd om in deeltijd te gaan werken of
tijd te gaan werken is dan nauwelijks sprake. In
meer uren zijn gaan werken.
5.4
De werkpremie als stimulans voor
Aan de respondenten is ten eerste gevraagd of de
deeltijdwerk?
werkpremie de aanleiding is geweest om in deeltijd te gaan werken. De volgende figuur laat het resultaat zien.
Figuur 5.8
Door werkpremie gestart met deeltijdwerk (n=444)
7%
0%
36%
10%
20%
56%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Ja, door werkpremie begonnen met deeltijdwerk Nee, na 1 april 2021 begonnen met deeltijdwerk, maar werkpremie speelt daarbij geen rol Nee, ik werkte vóór 1 april 2021 al in deeltijd
De figuur laat zien dat zeven procent van de res-
geen rol bij speelt. De overig 56 procent werkte
pondenten aangeeft met deeltijdwerk te zijn be-
voor de komst van de werkpremie al in deeltijd.
gonnen vanwege de werkpremie. Ruim een derde
Aan deze groep, die 250 personen omvat, is ge-
is weliswaar na 1 april 2021 in deeltijd gaan wer-
vraagd of ze door de werkpremie meer uren zijn
ken, maar laat weten dat de werkpremie daar
gaan werken.
Figuur 5.9
Door werkpremie meer uur gaan werken? (n=250)
10%
0%
90%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
Ja
Nee
die vóór de komst van de werkpremie al in deeltijd
5.5
70%
80%
90%
100%
De figuur laat zien dat tien procent van degenen werkte meer uren is gaan werken onder invloed van de werkpremie. We bestempelen dit als een klein effect van de werkpremie. In deze paragraaf hebben we gezien dat de werkpremie heeft geleid tot iets meer deeltijdwerkers en dat eveneens een kleine groep bestaande deeltijdwerkers door de werkpremie meer uren is
Effecten van werken op gezondheidsbeleving
Een belangrijk idee achter de werkpremie is dat werken een positief effect heeft op gezondheid. Om erachter te komen of deeltijdwerkers dat ook vinden zijn drie stellingen voorgelegd. De resultaten vormen de volgende figuur.
gaan werken. Er zijn dus effecten van de werkpremie, maar groot zijn die niet.
Onderzoek effecten werkpremie
41
Figuur 5.10
Werk en gezondheid (n=461) Werken is goed voor mijn gezondheid
27%
41%
26%
4% 2%
Sinds ik werk, voel ik me gezonder
16%
31%
41%
10%2%
Mensen die werken zijn gezonder dan mensen die niet werken
18%
27%
41%
11% 3%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal eens
Eens
Neutraal
Oneens
Helemaal oneens
Dat werken goed is voor de gezondheid wordt in
significant samen met het belang dat men aan
meer of mindere mate onderschreven door ruim
werken hecht. Hoe belangrijker men werken vindt,
twee derde van de respondenten (68 procent).
des te vaker men een positief effect ziet van werk
Ruim een kwart heeft zijn twijfels en 14 procent is
op gezondheid.
het (helemaal) oneens met de stelling. Kortom, een ruime meerderheid erkent dat werken een po-
Voorts hangt het erkennen van een positief effect
sitief effect heeft op de gezondheid.
van werk op gezondheid significant samen met opleidingsniveau. Hoe hoger het opleidingsni-
De beantwoording van de tweede stelling laat
veau, des te vaker men een positief effect van
zien dat een verbetering van de gezondheid door
werken op gezondheid ervaart. Dit heeft waar-
te gaan werken door 47 procent wordt onder-
schijnlijk te maken met het gegeven dat hoger op-
schreven. Ruim 40 procent kiest een neutraal ant-
geleiden veelal kwalitatief beter werk hebben dan
woord en ruim 10 procent ervaart geen gezond-
laagopgeleiden en het werk daarom leuker vinden
heidsverbetering vanaf het moment dat ze zijn
en dan vaker een positief gezondheidseffect van
gaan werken.
werken ervaren. Tot slot is nog nagegaan of er samenhang is met geslacht, leeftijd, huishoudenssa-
De derde stelling, dat mensen die werken gezon-
menstelling en uitkeringsduur. Dit blijkt niet het
der zijn dan mensen die niet werken, laat nage-
geval te zijn.
noeg hetzelfde resultaat zien als de tweede stelling. Bijna de helft vindt dat werken goed is voor de gezondheid, ruim 40 procent kiest voor een neutraal antwoord en ruim 10 procent is het on-
5.6
Effecten van werken op het welbevinden
eens met de stelling. Naast de betekenis van werk voor de gezondheid Aanvullend is onderzocht of het erkennen van een
is nagegaan of de respondenten ook positieve ef-
positief effect van werken op gezondheid samen-
fecten ervaren op het welbevinden. Welbevinden
hangt met andere variabelen uit het onderzoek.
is een containerbegrip, in dit onderzoek is onder
Hieruit komt naar voren dat dit significant samen-
meer gevraagd of men zich door te werken nutti-
hangt met arbeidssatisfactie. Hoe leuker men zijn
ger voelt, gelukkiger is en meer wordt gewaar-
of haar werk vindt, des te vaker men een positief
deerd. De resultaten zijn weergegeven in de vol-
effect op de gezondheid ervaart. Verder hangt het
gende figuur.
erkennen van een positief effect op gezondheid
42
Onderzoek effecten werkpremie
Figuur 5.11
Werk en welbevinden (n=455) Omdat ik werk, voel ik me nuttiger.
29%
49%
18%
4%
Omdat ik werk, ben ik gelukkiger.
16%
43%
34%
6%1%
Omdat ik werk, word ik meer gewaardeerd.
18%
43%
29%
8%1%
Omdat ik werk, verveel ik me minder.
21%
24%
8% 3%
44%
Omdat ik werk, heb ik minder stress.
13%
25%
35%
Omdat ik werk, heb ik minder zorgen over geld.
11%
26%
33%
0% Helemaal eens
Eens
22% 22%
5% 7%
10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Neutraal
Oneens
Helemaal oneens
Het zich nuttiger voelen door werk, is de meest
stellingen uit bovenstaande figuur het geval te
onderschreven stelling in bovenstaande figuur.
zijn. Hoe leuker men zijn of haar werk vindt, des te
Bijna 80 procent herkent dit gevoel. De volgende
vaker ervaart men een positief effect van werken
drie stellingen leveren ongeveer hetzelfde beeld
op het welbevinden. Hetzelfde geldt voor het be-
op. Een ruime meerderheid van circa 60 procent
lang dat men aan werken hecht. Hoe belangrijker
voelt zich door te werken, gelukkiger, meer ge-
men werken vindt, des te vaker men positieve ef-
waardeerd en verveelt zich minder. De laatste
fecten van werk op het welbevinden ziet. Tot slot
twee stellingen, die gaan over minder stress en
is onderzocht of er een significant verband is met
geldzorgen door te werken, laten ook een verge-
geslacht, leeftijd, huishoudenssamenstelling en
lijkbaar patroon zien. Een kleine 40 procent er-
opleidingsniveau. Dat blijkt niet het geval te zijn.
kent deze effecten van werken, een derde neemt
Met andere woorden: mannen en vrouwen, jonge-
een neutrale positie in en ongeveer een kwart is
ren en ouderen, alleenwonenden en samenwonen-
het (helemaal) oneens met deze stellingen.
den en laag- en hoogopgeleiden hebben de stellingen van deze paragraaf niet significant anders
Alles overziend vindt een meerderheid van de res-
beantwoord.
pondenten dat werken diverse positieve effecten heeft op het welbevinden. Men voelt zich nuttiger, gelukkiger, meer gewaardeerd en men verveelt zich minder. Dat werken leidt tot minder stress en geldzorgen wordt onderschreven door een kleine
5.7
Effecten van werken op zelfvertrouwen en zelfontplooiing
40 procent, een kwart ervaart deze effecten niet.
Onderzocht is of werken effect heeft op het zelf-
Ook voor de positieve effecten van werken op het
wikkelt. Om dit te meten is een achttal stellingen
welbevinden is nagegaan of er een significant verband is met andere variabelen uit het onderzoek.
vertrouwen en het gevoel dat men zichzelf ontvoorgelegd, waarvan de resultaten de volgende figuur vormen.
Ten eerste is onderzocht of er significante samenhang is met arbeidssatisfactie. Dat blijkt voor alle
Onderzoek effecten werkpremie
43
Figuur 5.12
Werk en zelfvertrouwen en zelfontplooiing (n=445)
Omdat ik werk, heb ik meer zelfvertrouwen
18%
43%
Omdat ik werk, kan ik beter laten zien wat ik kan
17%
50%
Werken is belangrijk, omdat je nieuwe mensen leert kennen
27%
Ik leer veel van mijn collega’s op het werk
17%
Ik werk voor het geld, maar ook om dingen te leren
20%
Omdat ik al werk, heb ik meer kans op een beter betaalde baan
16%
Omdat ik al werk, heb ik meer kans om een baan te vinden waardoor ik geen uitkering meer nodig heb
18%
Ik leer dingen op mijn werk die mij ook helpen in mijn privéleven
12%
31% 28% 53%
36% 45%
9% 2% 30%
4% 1%
34%
9% 2%
29%
9% 3%
41% 34%
5% 17% 3% 0%
36%
39%
7%1%
38%
14% 2%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal eens
Eens
Neutraal
Oneens
Helemaal oneens
De stelling die het meest wordt ondersteund door
hun huidige baan geen opstap is naar een beter
de respondenten is dat werken belangrijk is, om-
betaalde baan of volledige uitstroom naar werk.
dat dat je sociale netwerk vergroot, 80 procent is het daar (helemaal) mee eens. Slechts drie pro-
Alles overziend onderschrijven de respondenten
cent laat weten dat werken niet leidt tot een gro-
een aantal positieve effecten van werken op het
ter sociaal netwerk. Verder zien we dat ruim 60
zelfvertrouwen en de mate van zelfontplooiing.
procent meer zelfvertrouwen krijgt door te wer-
Grofweg de helft ziet deze effecten. De groep die
ken. Van een instrumenteel arbeidsethos, alleen
dergelijke effecten niet herkent, varieert per stel-
werken voor het geld, is bij twee derde geen
ling van vier tot veertien procent.
sprake. Zij geven aan ook te werken om dingen te leren, om zichzelf te ontwikkelen, zie de vijfde
Aanvullend is onderzocht of de beantwoording
stelling van boven.
van bovenstaande stellingen samenhangt met geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, huishoudenssa-
Een belangrijke veronderstelling met betrekking
menstelling en uitkeringsduur. Dat blijkt niet het
tot deeltijdwerk door bijstandsgerechtigden is dat
geval te zijn. Wel is er een significante samenhang
werken de kans op uitstroom naar werk vergroot.
met arbeidssatisfactie en het belang dat men aan
Hierover zijn twee stellingen voorgelegd, namelijk
werken hecht. Hoe leuker men zijn of haar werk
de tweede en derde stelling van onderen in boven-
vindt, des te vaker ontleent men meer zelfvertrou-
staande figuur. Ruim de helft denkt dat hun hui-
wen aan werken. Hoe belangrijker men werken
dige baan een opstap vormt voor een beter be-
vindt, des te vaker men meer zelfvertrouwen krijgt
taalde baan. Nog iets meer, namelijk bijna 60 pro-
van werken. Dit alles geldt ook voor zelfontplooi-
cent, denkt dat hun huidige baan kan leiden tot
ing; er is geen significant verband met persoons-
volledige uitstroom naar werk. Voor beide stellin-
en achtergrondkenmerken, maar wel met arbeids-
gen geldt dat ruim 10 procent van mening is dat
satisfactie en het belang dat men hecht aan werken.
44
Onderzoek effecten werkpremie
Als we tot slot kijken naar de stellingen die gaan
De conclusie is dat het krijgen van meer zelfver-
over deeltijdwerk als opstap naar een beter be-
trouwen en zelfontplooiing door werken over het
taald baan en uitstroom uit de bijstand zien we
algemeen niet samenhangen met persoons- en
wederom dat dit niet samenhangt met geslacht,
achtergrondkenmerken. Arbeidssatisfactie en het
opleidingsniveau, huishoudenssamenstelling en
belang dat men aan werken hecht, laten wel een
uitkeringsduur. Er is echter wel een significant
significante samenhang zien met de stellingen die
verband met leeftijd. Hoe ouder men is, des te
in deze paragraaf zijn behandeld.
minder kans men denkt te hebben op een beter betaalde baan en volledige uitstroom uit de bij-
5.8
stand. Een min of meer logische uitkomst.
stand
Verder zien we ook hier weer dat arbeidssatisfac-
In deze paragraaf behandelen we een aantal fi-
tie en het belang dat men hecht aan werk signifi-
nanciële aspecten van werken met een bijstands-
cant samenhangen met de ingeschatte kans op
uitkering en de rol daarbij van de werkpremie.
een beter betaalde baan en uitstroom uit de bij-
Hierover is een viertal stellingen voorgelegd,
stand. Hoe leuker men het huidige werk vindt, des
waarvan de resultaten in onderstaande figuur zijn
te vaker denkt men kans te hebben op een beter
weergegeven.
betaalde baan en uitstroom uit de bijstand. Figuur 5.13
Werken en rondkomen in de bij-
Werken en de werkpremie (n=441)
Ik moet werken naast mijn uitkering. Anders heb ik iedere maand te weinig geld
18%
Ook met het extra geld van de Werkpremie heb ik iedere maand te weinig geld
13%
33% 34%
30%
15% 4%
39%
12% 2%
Ik wil wel meer werken. Maar ik denk dat ik dan minder kinder-, zorg- of huurtoeslag krijg
7%
15%
44%
26%
8%
Ik wil niet meer uren werken, want ik krijg er niet genoeg extra geld voor
7%
14%
42%
28%
9%
0% Helemaal eens
Eens
10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%
Neutraal
Oneens
Helemaal oneens
Op de eerste plaats is nagegaan in welke mate
werkpremie zegt een bijna even groot percentage,
men zich gedwongen voelt om in deeltijd te wer-
in dit geval 47 procent, problemen te hebben met
ken naast een bijstandsuitkering, omdat men an-
rondkomen. Ook het percentage dat het (hele-
ders niet rondkomt. De eerste stelling laat zien dat
maal) oneens is met de stelling dat men ook met
ruim de helft problemen heeft met rondkomen van
de werkpremie iedere maand te weinig geld heeft,
een bijstandsuitkering en om die reden deeltijdar-
daalt slechts marginaal in vergelijking met de eer-
beid verricht. Bijna een derde twijfelt en kiest voor
ste stelling.
een neutraal antwoord en bijna een vijfde laat weten dat men niet in deeltijd werkt, omdat men an-
Werken in de bijstand kan tot gevolg hebben dat
ders niet rondkomt. De tweede stelling is voorge-
toeslagen van de Belastingdienst worden ver-
legd om erachter te komen of de werkpremie de
laagd, dat kan een belemmering vormen om meer
financiële krapte enigszins verruimt. Dat blijkt
uren in deeltijd te gaan werken. De beantwoor-
nauwelijks het geval te zijn, ook mét de
ding van de derde stelling wijst uit dat ruim een
Onderzoek effecten werkpremie
45
vijfde van de respondenten verrekening met de
van de stellingen hangen niet samen met leeftijd,
toeslagen ziet als belemmering voor urenuitbrei-
geslacht, huishoudenssamenstelling, opleidings-
ding. Een grote groep van ruim 40 procent weet
niveau en uitkeringsduur. Daarop is één uitzonde-
kennelijk onvoldoende hoe het zit en kiest voor
ring, namelijk de vierde stelling dat men niet meer
een neutraal antwoord. Ruim een derde laat we-
uren wil werken, omdat het te weinig extra geld
ten dat een eventuele verlaging van toeslagen
oplevert. Mannen en mensen jonger dan 45 jaar
geen belemmering vormt om meer uur te gaan
zijn significant vaker van mening dat meer werken
werken. De beantwoording van de laatste stelling
onvoldoende loont. Verder zien we dat alle vier de
laat nagenoeg eenzelfde resultaat zien als voor de
stellingen samenhangen met arbeidssatisfactie en
derde stelling. Een vijfde wil niet meer uren gaan
het belang dat men aan werken hecht. Hoe leuker
werken, omdat dat te weinig oplevert, een grote
men het werk vindt en hoe belangrijker men wer-
groep van ruim 40 procent kiest voor een neutraal
ken vindt, des te vaker men van mening is dat
antwoord en 37 procent is niet van mening dat
urenuitbreiding wel voldoende loont.
een urenuitbreiding te weinig oplevert. Los van de zojuist behandelde stellingen is geVoor de vier zojuist besproken stellingen is onder-
vraagd in welke mate men kan rondkomen van
zocht of er significante verbanden zijn met andere
een bijstandsuitkering plus de werkpremie. Dat le-
variabelen uit het onderzoek. Daaruit komt het
vert het volgende op.
volgende beeld naar voren. De beantwoording Figuur 5.14
2%
Rondkomen (n=426)
12%
0%
10%
58% 20%
Heel makkelijk
30%
40%
Makkellijk
20% 50%
60%
Niet makkelijk/niet moeilijk
70%
80%
Moeilijk
8% 90%
100%
Heel moeilijk
Deze figuur wijst uit dat bijna 60 procent kiest
werkpremie zal leiden tot een verbeterde relatie
voor een neutraal antwoord. Bijna 30 procent laat
tussen werkzoekenden die in aanmerking komen
weten dat rondkomen (heel) moeilijk is en 14 pro-
voor de werkpremie en de overheid. Het begrip
cent geeft aan dat men goed kan rondkomen.
‘overheid’ is erg ruim en niet goed bruikbaar om te meten of de respondenten positiever zijn gaan
Ook hier is nagegaan of er significante verbanden
denken over hun relatie met ‘de overheid’. Om het
zijn met andere variabelen uit het onderzoek.
concreter te maken is gevraagd of ze door de
Hieruit blijkt dat alleen huishoudenssamenstelling
komst van de werkpremie positiever zijn gaan
samenhangt met rondkomen. Alleenstaanden en
denken over W&I, zie de derde stelling van boven
alleenstaande ouders blijken moeilijker rond te
in onderstaande figuur.
komen dan echtparen en samenwonenden. Daarnaast is een paar stellingen voorgelegd over
5.9
Effecten werkpremie en waardering W&I
In de motie die ten grondslag ligt aan de werkpremie wordt gesteld dat de invoering van de
46
mogelijke effecten van de werkpremie en twee stellingen betreffende verrekening van inkomsten met de uitkering, zie de laatste twee stellingen in onderstaande figuur. We merken hierbij op dat bij deze stellingen een extra antwoordcategorie is toegevoegd, namelijk ‘weet niet/geen mening’.
Onderzoek effecten werkpremie
Figuur 5.15
Effecten werkpremie en waardering W&I (n=431)
Omdat ik meer geld mag houden, maak ik geen of minder schulden.
10%
30%
Omdat ik meer geld mag houden, heb ik minder zorgen over geld.
9%
27%
Omdat ik door de werkpremie meer geld mag houden, ben ik positiever gaan denken over de afdeling Werk en Inkomen.
10%
28%
Ik ben tevreden over de manier waarop ik word geholpen door de afdeling Werk en Inkomen.
10%
38%
36%
7%2%7%
De mensen van de afdeling Werk en Inkomen helpen mij goed.
7%
39%
35%
9% 3%6%
35%
12% 5% 9%
35%
19%
43%
4% 7%
9%1%9%
Omdat ik geld verdien met werken, begrijp ik het bedrag van mijn uitkering vaak niet.
16%
30%
28%
16% 3%7%
Omdat ik geld verdien met werken, weet ik vaak niet hoe hoog mijn uitkering zal zijn.
16%
35%
22%
16% 2%8%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal eens
Eens
Neutraal
Oneens
Helemaal oneens
Weet niet/geen mening
De eerste stelling wijst uit dat 40 procent aan-
over de algemene waardering van W&I. Beide
geeft dat de werkpremie bijdraagt aan het voor-
stellingen lijken heel veel op elkaar en de beant-
komen van schulden. Bijna 45 procent kiest voor
woording laat dan ook nauwelijks verschillen zien.
een neutraal antwoord of kiest voor ‘weet
Bijna de helft is tevreden over W&I en vindt dat ze
niet/geen mening’. Ruim 15 procent laat weten dat
goed wordt geholpen. Grofweg tien procent vindt
de werkpremie geen effect heeft op schuldvor-
dat (helemaal) niet. Tot slot is nagegaan of deel-
ming. De tweede stelling laat zien dat ruim een
tijdwerkers weten waar zij maandelijks aan toe
derde door de werkpremie minder geldzorgen
zijn als het gaat om de hoogte van de uitkering re-
heeft. Dit leidt tot de constatering dat grofweg
kening houdend met hun inkomsten uit (deel-
ruim een derde van de respondenten aangeeft dat
tijd)arbeid. De laatste twee stellingen laten zien
de werkpremie leidt tot minder schuldvorming en
dat de helft het nettobedrag van hun uitkering
geldzorgen. We benoemen dat als een meer-
vaak niet begrijpt en dat ze de hoogte van de uit-
waarde van de werkpremie.
kering lastig kunnen inschatten.