[23bb002039] Reactie Directeurenoverleg op Brief Werkgroep Cultuurplan inzake Input Uitgangspuntennota Cultuurplan 2025-2028
Tekst van het document
Bijdrage DO commissievergadering ZWCS 29 maart 2023 Inleiding Op 15 maart jl. heeft de werkgroep nieuwe cultuurplanperiode van de commissie ZWCS (van Dommelen, Nunnely, Engberts en Schalm-Civile) een brief gepubliceerd met als onderwerp “Input voor de uitgangspuntennota nieuwe cultuurplanperiode (2025-2028). Hier volgt vanuit het Directeurenoverleg van de Rotterdamse Kunstinstellingen (het DO) de reactie op de brief. Het DO signaleert dat de werkgroep in de brief een ambitieus kader lijkt te na te streven. Deze betrokkenheid en ambitie vanuit de politiek waarderen wij als sector zeer. Er komen wel nieuwe elementen bij die nog echt uitgewerkt moeten worden, zoals bijvoorbeeld “impact”. Daarnaast lijkt het document een grote opdrachtverzwaring voor de sector te impliceren voor de periode 20252028. Verder merkt het DO op dat op een aantal onderdelen suggesties worden gedaan en wensen worden uitgesproken, maar dat de uitvoerbaarheid nog achterwege blijft. Waarbij het DO zich afvraagt of een aantal van deze onderwerpen niet te vroeg komt, en eigenlijk onderdeel moet zijn van de transitie richting 2029. Wat het DO opvalt, is dat er door de werkgroep wel wordt gesproken over gebiedsontwikkeling, maar (nog) niet over internationaliseringsbeleid en de rol van kunst en cultuur hierin.
Tot slot spreekt het DO grote verbazing uit dat de werkgroep ervan uitgaat dat het financiële kader niet groter wordt. Gezien het aanzienlijke gat tussen het accres en de werkelijke inflatie (9,35%) levert de sector al bijna 10% aan budget in dat ten koste gaat van de programmering voor Rotterdammers. Gezien de ambities van dit college en de beoogde input van de werkgroep is het niet meer dan logisch dat het kader wel degelijk zal moeten groeien. In de brief van de werkgroep worden vanaf punt 5 de aandachtspunten besproken. In deze notitie wordt de reactie vanuit het DO langs die zelfde lijn weergegeven. De Culturele Codes en de 3 I’s De werkgroep is van mening dat er scherper toegezien wordt moet worden op fair pay en de breedte hiervan. Belangrijk is om aan te geven dat deze code (net als governance en inclusie diversiteit) in en door de sector zelf is ontwikkeld. De sector kaart het onderwerp aan en wijst dus ook naar randvoorwaarden die nodig zijn om dit te laten slagen. Het DO vraagt zich dan ook af wat de werkgroep hier bedoelt? Wie moet wat doen voor fair pay en vervolgens toezien op wat? Een belangrijke vraag hierbij is of de gevraagde c.q. gewenste output wel haalbaar als dit fair pay gebeurt, zelfs niet alleen in salaris, maar ook in de zogenoemde breedte (opleidingsmogelijkheden, veiligheid, ontwikkelkansen etc).
Hoe hangen voorwaarden, middelen en beoordeling hier samen? In het stuk van de werkgroep wordt gesteld dat slechts 2 instellingen uit de RCB voldoen aan de opgestelde 3 I’s. Op welk onderzoek is dit gebaseerd en hoe worden volgens de werkgroep hiervoor meetcriteria gehanteerd voor de RCB en de overige instellingen in het cultuurplan?
De I van Impact Voordat we het überhaupt over I’s hebben, wordt volgens de Raad van Cultuur artistieke kwaliteit gedefinieerd als een samenkomst van Oorspronkelijkheid, Zeggingskracht en Vakmanschap. Onderliggend aan alle I’s zou dat de basis moeten zijn. Kwaliteit is immers wat we moeten nastreven, als basis voor meer praktische/toegepaste eisen als Innovatie, Inclusie en Interconnectiviteit. Dat leest het DO (nog) niet terug in de input van de werkgroep. De werkgroep voegt een 4e I toe, namelijk die van Impact. Het DO merkt op dat in de vorige periode er al wel degelijk een 4e I is toegevoegd, die wat het DO betreft overeind blijft staan: de I van Investeren. Dus impact zou de 5e I worden. Afrekenen op Impact is wenselijk voor de toekomst, dit vergt alleen wel een hele goede uitwerking oftewel toetsingskader. Het DO vraagt zich af of er voldoende tijd is om dit uit te werken voor de komende periode? De werkgroep spreekt in deze paragraaf ook over “doelen”. Het DO stelt dat de kunstensector er niet alleen maar is om doelen van de gemeente te bereiken en vraagt zich af wat de werkgroep bedoelt met het formuleren van wat voor soort doelen? Overige toetsingscriteria Hier verwijst het DO naar de inleiding van deze notitie.
De werkgroep benoemt hier nog een aantal thema’s, die door de sector zouden moeten worden opgepakt, zonder concretere doelen (het waarom en waarvoor) uit te spreken. Er wordt gesproken over “meer” ondernemerschap (wanneer is het goed genoeg?) en zaken als: grotere organisaties dienen gekoppeld te worden aan talenten uit de stad en dienen talenten te ontwikkelen. Wat wordt hiermee opgelost? Huidige nota van UPN versus nieuwe nota van UPN De 'verantwoordelijkheid' voor talentontwikkeling lijkt door werkgroep bij de grotere instellingen te worden gelegd die 'daartoe uitgedaagd' dienen te worden, en een 'gelijkwaardige relatie' moeten aan te gaan. Kleine(re) organisaties en makers zitten hier echter niet altijd op zitten te wachten. Zorg ervoor dat daar waar nu talentontwikkeling plaats vindt en er echt sprake is van een gelijkwaardige relatie en een natuurlijke ontwikkeling, daar echt in geïnvesteerd wordt. En leg het niet bij de (grotere) instellingen neer door het weg te halen bij de instellingen waar het nu al op een natuurlijke manier gebeurd. Ten aanzien van de zzp-ers merkt het DO op: De trend binnen de sector is juist dat veel werknemers meer eigen zeggenschap willen over tijd en geld en dus zzp-er willen worden, terwijl de overheid aanstuurt op het aangaan van vaste contracten, die moeilijk te creëren zijn voor met name de creatieven in de sector.
Ook omdat die zich vaak niet op die manier willen binden aan ‘ instituten’. Het is een complex vraagstuk, dat in elk geval niet meer regeldruk vraagt, maar juist vrijheid. Impulsregeling Het DO onderschrijft het belang van de Impulsregeling, maar vindt dat de uitwerking van de regeling snel verbeterd dient te worden. De werkgroep lijkt te suggereren dat de impulsregeling als voorportaal voor het cultuurplan zou moeten dienen. Hoe ziet de werkgroep de criteria hiervoor? Worden de impulsregeling instellingen van de eerste periode hierbij betrokken?
Verwatering Het DO onderschrijft het risico op verwatering en onderschrijft dat de uitgangspuntennotitie helder moet zijn in de keuzes die gemaakt worden: Wat willen we als stad? Benoem prioriteiten, aansluitend bij het DNA van de stad. Dit staat voor het DO echter los van het financiële kader. Hoe ruim of strak dit ook is, een heldere visie op kunst en cultuur is hoe dan ook van belang. Het DO ziet dit punt dan ook als onderdeel van de transitie en vraagt zich af of er voldoende tijd is om voor de aankomende periode de verwatering te ondervangen. Cultuur als onderdeel bij de ontwikkeling van gebiedsontwikkeling Niet de ‘wat vraag’, maar de ‘waarom vraag’ en ‘hoe vraag’ voordat je over de ’wat vraag’ gaat praten. ‘Wat’ is immers de uitwerking van de visie in Waarom en Hoe. Tot slot Het DO spreekt nogmaals de waardering uit voor de betrokkenheid en ambitie van de werkgroep van de commissie ZWCS ten aanzien van de sector. Dat betreft nu specifiek ten aanzien van de uitgangspuntennotitie. Het DO ervaart dit echt breder dan op dit aspect en herkent zich dan ook in de referentie van de werkgroep aan de gesprekken met het DO, die als constructief worden ervaren.
Als laatste willen wij op dit moment meegeven dat in aanloop richting de nieuwe cultuurplanperiode het DO reeds hun zorgen al heeft uitgesproken richting de gemeente ten aanzien van het krappe tijdspad waar het de beoordeling betreft. Immers, het bureau of organisatie die de beoordeling op zich zal nemen is nog niet in stelling gebracht. Dat maakt nauwe(re) afstemming en goede communicatie essentieel in dit proces. Het DO zal dan ook graag de ingezette lijn voortzetten door zowel ambtelijk als bestuurlijk in gesprek te blijven, zowel over het proces als inhoudelijke input.