[23bb002017] Burgerbrief over Opmerkingen Uitvoeringsprogramma NPRZ
Tekst van het document
Aan de voorzitter, de griffie en de NPRZ-woordvoerders van de Raadscommissie WIOSANN, Binnenkort behandelt u het Uitvoeringsplan NPRZ. Dat stuk geeft me geen aanleiding ook maar iets terug te nemen dan de vele kritische kanttekeningen die ik u de afgelopen jaren mondeling en schriftelijk onder de aandacht gebracht heb. Daarom houd ik het kort. Zie www.pedeng.nl/rdom Wel maak ik nog drie aanvullende opmerkingen. 1. De vragen naar aanleiding van de Midterm review NPRZ zijn niet de beantwoord. Eind augustus 2022 heb ik u bijgaande vragen aangereikt naar aanleiding van de Midterm review NPRZ. Die zouden volgens een tussenbericht van wethouder Versnel medio november 2022 worden beantwoord maar tot op heden is het College in gebreke gebleven. Zelfs heb ik uit betrouwbare bron begrepen dat de ambtenaren die vragen ook niet willen beantwoorden. Het is uiteraard aan u wat u als leden van het hoogste democratische orgaan van de gemeente met dit gegeven wilt, maar het lijkt me niet dat ambtenaren de dienst uitmaken in onze stad. Het is bovendien in strijd met de motie ‘Voor Zuid Door Zuid’ waarin het College aangespoord wordt meer te doen met de deskundigheid van de bewoners van Zuid. Want ik verbeeld me dat ik zo’n bewoner ben. 2. Het NPRZ zaagt aan de boomtak waar het op zit.
Er is bij de gemeente en het NPRZ een ernstig gebrek aan besef dat het de mensen van de dagelijkse praktijk zijn, en niemand anders, die het verschil maken bij de vorming en de kansen van de kinderen en jongeren op Zuid. Dat blijkt uit het feit dat ouders worden arm, dom en onmondig worden gehouden. En dat de mensen die zich vrijwillig en beroepshalve inzetten voor de jeugd, in alle relevante disciplines en domeinen, als oud vuil worden behandeld. Een van de vele illustraties daarvan vindt in deze column. https://dagblad010.nl/Columns/on-nederlandse-proporties-. Want de werkers van de dagelijkse pedagogische praktijk worden geteisterd met de targets en prestatieindicatoren van het oubollige en achterhaalde new public management wat funest uitpakt voor hun intrinsieke motivatie. Of ze worden door de aanbestedingen zorg en welzijn buitenspel en aan de dijk gezet. Of de financiële armslag die ze nodig hebben voor hun belangrijke werk wordt hen onthouden of zelfs afgepakt. De gemeente en NPRZ beseffen niet dat ze daardoor bezig zijn de boomtak af te zagen waarop ze zitten. Immers, door de algehele krapte op de arbeidsmarkt die ook allerlei pedagogische disciplines treft, neemt het aantal personen dat zich vrijwillig en professioneel inzet voor de kinderen en jongeren jeugd af.
Dat wordt nog eens versterkt door moeilijkheidsgraad van het werk in de NPRZ-wijken; werkers voor de jeugd kunnen het elders gemakkelijker krijgen. Wie hen dan ook nog eens zo maltraiteert als nu het geval is verstaat de tekenen des tijds niet, schaadt de belangen van de bewoners op Zuid en schendt de rechten van hun kinderen. Dit heb ik ook laten weten aan SER-voorzitter Kim Putters en zijn toehoorders, nadat die afgelopen vrijdag in Amsterdam de Kohnstamm-lezing uitsprak. Hij toonde zich gevoelig voor deze hartenkreet. 3. Maar wat is dan uw alternatief, meneer
?
Dat kunt u vinden in de perspectiefschets in paragraaf 7 van de set aan vragen die ik u heb aangereikt en die u kunt vinden in de bijlage. Die grijpt ook terug ook de oorspronkelijke opzet van de Children’s Zone. Ik raad u aan de wethouder te vragen wat hij van het geschetste perspectief vindt en waarom het NPRZ het niet heeft overgenomen. Want hij heeft er niet schriftelijk op gereageerd. Vriendelijke groet,
Pedagogisch Collectief Feijenoord Rotterdam www.pedeng.nl 010 5118119
1 Vragen van de Gemeenteraad voor het College en het NPRZ Aanleiding Deze vragen zijn opgesteld naar aanleiding van de Midterm Review NPRZ en zijn er op gericht meer inzicht te krijgen in het gevoerde jeugdbeleid in de afgelopen 10 jaar. Ze bieden ook aanknopingspunten voor het jeugdbeleid op Zuid voor de resterende 10 jaar van het NPRZ. De vragen hebben dus niet betrekking op het hele NPRZ maar op belangrijke onderdelen ervan, te weten: 1. de vorming van de jeugd in de focuswijken van de gebieden Feijenoord en Charlois en in de voor het NPRZ relevante wijken van het gebied IJsselmonde. De vragen betreffen het gemeentelijk jeugdbeleid in combinatie met de ‘pijler School’ van het NPRZ. 2. de burger- en wijkdemocratie in de betreffende wijken, en in het bijzonder de positie van burgers met opgroeiende kinderen, ook wel ouders genoemd. Leeswijzer Deze vragen zijn onderverdeeld in de volgende rubrieken. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
De betrokkenheid van de Gemeenteraad en de Wijkraden bij het jeugdbeleid voor Zuid Betrokkenheid bij de Midterm Review Betrokkenheid bij de voortzetting van het NPRZ Het wetenschappelijk gehalte van de Midterm review Financiële verantwoording van het jeugdbeleid op Zuid De burger- en wijkdemocratie op Zuid Het jeugdbeleid op Zuid in de praktijk Resultaten na 10 jaar NPRZ De Children’s Zone Beschermende factoren als maatstaven voor goed jeugdbeleid Onderwijs onder druk Explosieve toename van het beroep op de jeugdzorg De funeste werking van het ‘new public management’ Schets van een toekomstperspectief voor het jeugdbeleid op Zuid
1. De betrokkenheid van de Gemeenteraad en de Wijkraden bij het NPRZ-beleid 1.1 Betrokkenheid bij de Midterm Review Op 12 juli 2022 is de Gemeenteraad op de hoogte gesteld van de midterm review, hierna MTR genoemd. -
Is de Gemeenteraad eerder geïnformeerd over de opzet van deze MTR? Zo ja, wanneer en hoe?
-
Waarom zijn de Wijkraden en Gebiedscommissies indertijd niet op de hoogte gesteld van het voornemen tot deze MTR?
-
Wie waren wel op de hoogte van deze opdracht?
-
Is deze opdracht openbaar aanbesteed? Zo nee, waarom niet?
-
Wat heeft deze midterm review gekost?
-
Uit welk budget is dit betaald?
2
-
Is het niet een gemiste kans om de Wijkraden en Gebiedscommissies onkundig te houden van het voornemen tot deze MTR? Zij hadden bijvoorbeeld de bewoners kunnen consulteren of ze aansporen de Burgertop te bezoeken.
-
Wat zegt deze omissie over de mate waarin het College en het NPRZ deze bestuurscommissies ziet staan en ziet zitten als vertegenwoordigers van de bewoners van Zuid? En dit juist in een periode waar het vorige College er alles aan deed om Wijk aan Zet aan de man te brengen? Of zitten deze bestuurscommissies er vanuit de optiek van het College en het NPRZ maar een beetje voor spek en bonen bij?
-
Waarom is de Burgertop pas in mei 2022 georganiseerd, en niet in de periode voorafgaand aan de Gemeente- en Wijkraadverkiezingen? Zodat ook de kandidaten voor de Gemeenteraad en de Wijkraden acte de presence hadden kunnen geven. Dan had het beleid voor Zuid ook meer onderwerp geweest van politiek debat. En had het wellicht de dramatisch lage opkomst voor de verkiezingen op 16 maart kunnen voorkomen. We wijzen er in dat verband op dat er ook een voorstel van die strekking lag, dus daar kan het niet aan liggen1.
1.2 Betrokkenheid bij de voortzetting van het NPRZ De voortzetting van het NPRZ zal plaatsvinden in het kader van het Nationale Programma Leefbaarheid en Veiligheid, zo hebben we begrepen. -
Welke procedure geldt daarvoor? Moeten de partners van het NPRZ daarvoor een aanvraag of voorstel indienen?
-
Zo ja, wat is daarvoor de uiterste datum van indiening?
-
Hoe en wanneer wordt de Gemeenteraad betrokken bij het in te dienen voorstel of aanvraag?
-
Hoe en wanneer worden de Wijkraden betrokken bij het in te dienen voorstel of aanvraag?
2. Het wetenschappelijk gehalte van het MTR Het NPRZ kost veel belastinggeld en heeft een behoorlijke impact op de bewoners. Dat geldt zeker voor de burgers met opgroeiende kinderen, die kinderen en jongeren zelf en verder iedereen die zich vrijwillig en beroepsmatig inzet voor de vorming van de jeugd. -
Gezien deze impact en de hoeveelheid publieke middelen, hebben dan niet alle betrokkenen, en zeker de bewoners en hun volksvertegenwoordigers in de Wijkraden en de Gemeenteraad het volste recht op een ordentelijke en deugdelijke wetenschappelijke beleidsevaluatie, zo halverwege de looptijd van het NPRZ?
-
Inclusief een goed inzicht in de wijze, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de van de financiele inzet?
-
Vindt het College dat met deze MTR, die opgesteld is door consultants aan dat recht tegemoet wordt gekomen?
1 Zie voorstel 6 van dit betoog aan de Raad, dat ook naar het vorige College gegaan is.
www.pedeng.nl/gericht
3
-
Waarom heeft men voor de documentatie uitsluitend die van het NPRZ gebruikt en niet documentatie uit andere bronnen? Zoals de brochure over de Children’s Zone en het advies van het Expertteam Children’s Zone (beiden uit 2012), artikelen in Vers Beton, en andere media, verslagen gemeenteraad, nota’s als Menskracht voor Zuid en de motie Van Zuid Voor Zuid?
-
Gelden voor het jeugdbeleid op Zuid ook beleidsdocumenten als ‘Rotterdam Groeit’ (het beleidskader Jeugd van het Kendoecollege), ‘Heel de Stad’ en andere beleidsdocumenten die betrekking hebben op de vormgeving van het integrale jeugdbeleid? Zo ja, waarom zijn deze documenten, en de concrete doorwerking daarvan op de dagelijkse praktijk van het jeugdbeleid op Zuid, niet bij de MTR betrokken?
-
Waarom is in de MTR niet de brief van de Wijkraad Feijenoord aan de minister Ollongren meegenomen en -gewogen? www.pedeng.nl/kajsa
-
Waarom is in de MTR wel het essay van Tops en van Winkel meegenomen, maar niet de uitgebreide reactie daarop, die ook meegestuurd is met de bovengenoemde brief aan minister Ollongren? www.pedeng.nl/vals
-
Had het betrekken van documentatie als hierboven beschreven niet bijgedragen aan een veel completer beeld van hoe het jeugdbeleid voor de ouders, kinderen en jongeren van Zuid heeft uitgepakt? En een voorstelling van zaken die veel meer recht doet aan de werkelijkheid dan uit deze MTR naar voren komt?
-
In het bericht aan minister Ollongren verzoekt de Wijkraad Feijenoord de minister om het “NPRZ aan te sporen te komen met een robuust wetenschappelijk programma dat voorziet in onbevangen en deugdelijk onderzoek naar de relatie tussen het gevoerde beleid van het NPRZ op alle drie de pijlers en de effecten daarvan, op een zodanige wijze dat het beleid ook op een verstandige en verantwoorde manier kan worden bijgesteld.” In de reactie op dit verzoek verwijst het ministerie van BZK naar de op handen zijnde MTR. Lijkt het er niet heel sterk op dat het NPRZ het ministerie van BZK op het verkeerde been gezet heeft, nu blijkt dat het wetenschappelijk gehalte van de MTR uitermate pover is?
-
Gaat een beleidsevaluatie als beschreven in het citaat hierboven alsnog plaatsvinden? Zo ja, wanneer en hoe? Zo nee, waarom niet?
-
Heeft het College kennisgenomen van de reactie op de MTR om dit artikel van dr. Gijs Custers in Sociale Vraagstukken. Een artikel waarvan de titel boekdelen spreekt, en de inhoud ook?2
-
Geeft ook dit artikel het College aanleiding tot een grondiger wetenschappelijke reflectie op het NPRZ?
3. Financiële verantwoording van het jeugdbeleid op Zuid -
Wie is in Rotterdam de baas als het gaat om de inzet van publieke middelen?
2 https://www.socialevraagstukken.nl/onvoldoende-wetenschappelijke-onderbouwing-voor-nationaal-
programma-rotterdam-zuid/?
4 Er gaat in de focuswijken veel publiek geld om dat bestemd is voor de vorming van de jeugd. Zonder uitputtend te zijn: - De extra NPRZ middelen van het Rijk; - De extra middelen die de gemeente in het kader van de cofinanciering NPRZ heeft vrijgemaakt; - De reguliere middelen van de gemeente in budgetten als sport, cultuur, welzijnswerk, jeugdhulpverlening, kinderopvang, gezondheidszorg, en andere budgetten die de vorming van de jeugd in de focuswijken ten goede komen. - Aanvullende rijksmiddelen van in elk geval OCW (NPO-budget) en VWS, vooral met het oog op de post-coronaperiode. Vragen: -
Kan het College inzage geven is het totaal aan middelen wat aan de vorming van de jeugd besteed is, in de NPRZ-wijken van Feijenoord, Charlois en IJsselmonde?
-
Wat de bestemming van de middelen was?
-
Zijn die middelen rechtmatig en doelmatig besteed?
-
Klopt het dat in de tijd van de deelgemeente Feijenoord ongeveer 7 mln. op jaarbasis beschikbaar was voor het welzijnswerk en nu nog ongeveer 5 mln. op jaarbasis?
-
Hebben er de afgelopen 10 jaar ook bezuinigingen plaatsgevonden op andere voor de vorming van de jeugd op Zuid relevante budgetten? Zo ja, welke zijn dat en in welk mate was dat het geval?
-
Is de cofinanciering door de gemeente van het NPRZ ten koste gegaan van zulke budgetten? Zodat dus de extra middelen voor de cofinanciering vooral een sigaar uit eigen doos zijn?
4. De burger- en wijkdemocratie op Zuid In de MTR wordt voorgesteld de bewoners van Zuid als ‘bondgenoten’ aan te merken. Het NPRZ heeft de Wijkraden meegedeeld met een nader voorstel te komen voor de invulling van dit bondgenootschap. Vragen: -
Is ‘bondgenoten’ in overeenstemming met de formele positie van burgers als dragers van de democratie en de rechten die daarbij horen?
-
Ligt het niet meer voor de hand de burgers als opdrachtgever van het NPRZ te beschouwen en er alles aan te doen dat zij zich ook eigenaar weten van dit programma?
-
Ligt het, gezien de formele positie en de intenties van Wijk aan Zet niet meer voor de hand dat de Wijkraden een formele adviesaanvraag krijgen over de positie van de burger en het NPRZ-idee van bondgenoten?
-
Hoe verhoudt zich het idee van bondgenoten zich tot de motie Van Zuid Voor Zuid?
5 -
Hoe gaat het College de motie van Zuid voor Zuid uitvoeren?
Sinds enige tijd wordt de wijk Carnisse wekelijks bezocht door burgemeester. Het is ook de focuswijk met het de laagste opkomt bij de recentste verkiezingen, namelijk 18%. Vragen: - Is het ondanks of dankzij de bezoeken van de burgemeester dat die opkomst zo laag is? - Was de opkomst nog lager geweest als de burgemeester deze inzet niet gepleegd had? - Of bestaat er geen verband tussen de beide feiten? - Als het laatste het geval is, wat is dan de zin en het nut van deze inzet van de burgemeester? -
Zijn ouders burgers, die net als iedere andere burger democratische rechten heeft?
-
Geldt dit democratische recht dan niet in het bijzonder voor ouders, omdat zij de primaire verantwoordelijkheid hebben voor de vorming van hun kinderen, een opdracht waarmee ze essentieel zijn voor de toekomst van de stad?
-
Die verantwoordelijkheid van ouders komt ook daarin tot uitdrukking dat ze hun kostbaarste bezit met een gerust hart toe kunnen vertrouwen aan mensen die zich vrijwillig dan wel professioneel inzetten voor de jeugd. Is dat vertrouwen gerechtvaardigd als de sturing op deze vrijwilligers en professionals zodanig is dat hun intrinsieke motivatie en de kwaliteit van hun werk ernstig onder druk staat? Zie ook rubriek 6.
-
Komt burgers met opgroeiende kinderen dan niet versterkt het opdrachtgeverschap toe, zoals hierboven gesuggereerd?
-
Hebben zij dan ook niet het recht op een stevige inbreng in het jeugdbeleid? En dat ze dus veel meer subject van beleid zijn dan object, zoals nu het geval is?
Op 23 april 2022, dat is bijna 5 maanden geleden, heeft Ype Akkerman aan het College en het NPRZbestuur een reeks van vragen gesteld over de betrokkenheid van de Wijkraden. Die hebben vooral betrekking op de mate waarop de Wijkraden op de hoogte worden gehouden van het beleid op Zuid. Ondanks meerdere herinneringen heeft hij nog steeds geen antwoord gekregen. Vragen: - Waarom heeft het College niet laten weten dat hij deze vragen in goede orde heeft ontvangen en wanneer een inhoudelijke reactie te verwachten is? Was zelfs die moeite al te veel? - Waarom heeft dhr. Akkerman, ondanks diverse keren rappelleren, geen inhoudelijke reactie gekregen? - Vindt het College deze vragen irrelevant? - Is de uiterst trage behandeling van dit bericht in lijn met de motie Van Zuid voor Zuid? - Wanneer kan dhr. Akkerman die reactie wel krijgen? - Wilt u die reactie dan ook in afschrift sturen aan de Gemeenteraad en aan de Wijkraden van de NPRZ-wijken op Zuid?
5. Het Jeugdbeleid op Zuid in de praktijk 5.1 Resultaten na 10 jaar NPRZ Het NPRZ is voor 25% geslaagd aldus de MTR. Vragen:
6
- Geldt dat ook voor het jeugdbeleid op Zuid? - Zo ja, 25 % waarvan? - Onderschrijft het College deze waarnemingen, die het rooskleurige beeld wat uit de MTR naar voren komt, weerspreken of op zijn minst relativeren? a. Een explosieve toename van het beroep op de jeugdzorg. Wat niet alleen vanuit financieel oogpunt onwenselijk is maar ook vanuit een oogpunt van persoonlijk leed onder de jeugd. Leed dat zich gemakkelijk kan omzetten in onverschilligheid of zelfs wrok jegens de gemeenschap, met alle gevolgen van dien. b. Dat de Cito-scores slechts licht verhoogd zijn ten opzichte van de ambitie, en dat je die bovendien ook met een korrel zou moet nemen. Zie daarvoor het eerdergenoemde artikel van dr. Gijs Custers. c. Dat voor die lichte stijging wel eens een hoge prijs betaald zou kunnen zijn, doordat Cito-scores als prestatieindicator op de scholen een pedagogisch klimaat in de hand werken dat een opdrijvend effect heeft richting de jeugdzorg. d. En ook bij leraren een toenemende zorgbehoefte omdat het hanteren van zo’n prestatieindicator hen hun werk laat doen op een manier die indruist tegen hun persoonlijke en professionele geweten? Met burn-out tot gevolg en uitval als ultieme ‘way out’. e. Dat uit onderzoek blijkt dat in het gebied Feijenoord 1770 jeugdige bewoners (leeftijd 8-23 jaar) vatbaar zijn voor de criminele verleiding of daar inmiddels al voor gezwicht zijn. f.
Toegenomen verboden wapenbezit onder jongeren, een groot aantal schietincidenten en de avondklokrellen op de Beijerlandselaan.
g. De jeugd is er bekaaid vanaf gekomen, zo bericht de vorige Wijkraad Feijenoord in zijn testament (2022). Dit terwijl de kinderen en jongeren op Feijenoord 10 jaar geleden een ‘succesvolle toekomst’ beloofd is (zie 5.2). h. Het feit dat dit College klaarblijkelijk zijn toevlucht moet nemen tot allerlei repressieve maatregelen zoals cameratoezicht, Boa’s op pleintjes, mosquito’s en het toepassen van de Rotterdamwet. i.
Of dat verlegenheidsoplossingen worden opgezet als jeugdhubs en ‘Geweldig Rotterdam’ die eerder een vorm van symptoombestrijding en symboolpolitiek zijn dan goed doordachte programma’s om de jeugd weer op een spoor te krijgen die hen voert naar de menselijke waardigheid die iedere Rotterdammer toekomt.
j.
Dat sprake is van toenemende personeelstekorten in vitale jeugddisciplines als onderwijs, kinderopvang, jeugdhulp en jongerenwerk. Tekorten die stellig niet alleen te maken hebben met algemene arbeidsmarktontwikkelingen maar ook in de hand worden gewerkt door de contraproductieve sturing en bejegening van deze professionals door de gemeente en het NPRZ. Zie daarvoor de rubrieken 5 en 6.
-
Is het dan ook niet gerechtvaardigd te stellen dat de jeugd voor diens vorming juist sléchter af is dan 10 jaar geleden? In plaats van ietsje beter, zoals de MTR suggereert?
7
-
Dat dit voor een belangrijke deel veroorzaakt wordt door falend beleid op het gebied van bestaanszekerheid, huisvesting, vormende vrijetijdsbesteding, sociale cohesie in wijken en een sturing die gebaseerd is op systemische minachting van iedereen die zich met hart en ziel voor de vorming van de jeugd op Zuid inzet?
-
Dat ook de condities voor de vorming van de jeugd verslechterd zijn, waardoor het zeer onwaarschijnlijk is dat de verheffing van de jeugd op Zuid in de resterende NPRZ-periode zal slagen als het beleid niet drastisch gewijzigd wordt? Zie daarvoor rubriek 7.
-
Dat van alle problemen waar de jeugd op Zuid en de ouders mee te kampen hebben het gemeentelijk beleid en dat van het NPRZ de grootste zijn?
5.2 De Children’s Zone “Onze belofte: we stomen jou klaar voor een succesvolle toekomst”. Dat was de titel van een brochure die in 2012 breed in de focuswijken verspreid is 3. Deze brochure was op zijn beurt een uitwerking van het advies van een Expertteam Children’s Zone; een advies dat er op neer komt dat iedereen die er toe doet in de vorming van de jeugd een gewaardeerde plek heeft in het geheel. En dat gericht is op de vorming van een pedagogische wijkgemeenschap waarin iedereen die vorming ook als een gezamenlijke opdracht ziet en daarvoor diens beste beentje voorzet. Vragen: -
Kan de Raad een exemplaar krijgen van deze brochure en van het advies van het Expertteam wat eraan ten grondslag ligt?
-
In hoeverre vindt het College dat de belofte van 10 jaar geleden waargemaakt is?
-
In hoeverre vindt het College dat het in de brochure en in het advies geschetste perspectief waargemaakt is?
-
Waarom is het NPRZ (in casu Marco Pastors) van meet af van dat advies en die brochure afgeweken door de term Children’s Zone uitsluitend voor te behouden aan schooltijduitbreiding en samenwerking tussen de school en jeugdzorg met het oog op ‘ontzorging'’? Waardoor andere relevante wijkpartijen buitengesloten zijn?
-
In plaats van het genoemde advies op te volgen heeft Marco Pastors zich uitsluitend toegelegd op de schooltijduitbreiding en naderhand op dagprogrammering. Is die exclusieve focus daarop verstandig geweest, daar waar in het advies en de brochure een veel bredere en meer integrale aanpak in het vooruitzicht wordt gesteld?
-
Waarom hebben achtereenvolgende Colleges hem daarop niet aangesproken en gecorrigeerd?
5.3 Beschermende factoren als maatstaven voor goed jeugdbeleid Het Kendoecollege heeft indertijd “Rotterdam Groeit” uitgebracht, het Beleidskader Jeugd 20152020. Deze nota is toen raadsbreed verwelkomd. Belangrijke basis voor het voorgestelde beleid zijn de 10 beschermende factoren, die door het Nederlands Jeugdinstituut zijn opgesteld op basis van 3 Zie deze verwijzing op de website van het NPRZ. Die uiterst summier en doet geen recht aan de brochure, laat
staan aan het adveis van het Expertteam Children’s Zone.
8 breed en grondig wetenschappelijk onderzoek. https://www.nji.nl/sites/default/files/2021-05/Toptien-positieve-ontwikkeling-jeugd_0.pdf Vragen -
Gelden deze 10 beschermende factoren ook nu nog als basis voor het jeugdbeleid, en dus ook voor Zuid?
-
Als het gaat om de mate waarin deze factoren recht gedaan wordt in de focuswijken op Zuid, zijn die wijken er dan de afgelopen 10 jaar op vooruitgegaan, op achteruitgegaan, of is het gelijk gebleven?
-
Waar baseert het College het antwoord op de bovenstaande vraag op?
-
Zijn de volgende beslissingen in overeenstemming met het streven om ook in de focuswijken die beschermende factoren tot zijn recht te laten komen? a. het beëindigen door het Kendoecollege van het kinderwerk in het gebied Feijenoord, dit bij de eerste aanbestedingsbeslissing welzijnswerk nadat de gemeente het welzijnsbeleid van de deelgemeente Feijenoord heeft overgenomen? b. het stopzetten door het Kendoecollege van de Proeftuin Feijenoord in de gelijknamige wijk, bij de tweede aanbesteding welzijn van de gemeente? Waarmee een veelbelovende ontwikkeling in de richting van een -ook voor de vorming van de jeugd profijtelijkewijkgemeenschap om zeep geholpen is? c. Het vervangen door het Kendoecollege van het totale welzijnsaanbod in het gebied Feijenoord door dat van Humanitas? Dit bij de derde aanbesteding welzijn? d. Dit ook inclusief het verdwijnen van Thuis op Straat uit het gebied Feijenoord? e. De beslissingen die Humanitas, met medeweten en instemming van de gemeente, genomen heeft over Monteirogym, de jeugdactiviteiten ’s avonds in het Huis van de Wijk Feijenoord, en het niet ondersteunen van de stichting Helderheid en om zelf slechts minimale inzet op het gebied van jeugdwelzijn te plegen? f.
De verplaatsing door het Kendoecollege van de Buurtsportaccomodatie van de Hockeyclub Feijenoord naar een plek zodanig ver van het gebied Feijenoord, dat daardoor de deelname van de aantal kinderen voor wie de HCF is opgericht aanzienlijk teruggelopen is? g. De weigering van het vorige College om zo’n buurtsportaccomodatie te realiserenop het parkeerterrein bij de Jumbo op Feijenoord? Zoals voorgesteld door de Wijkraad Feijenoord? h. Het stopzetten door het vorige College van de subsidie aan Jeugdcentrum CJV op Feijenoord, ook nadat de Wijkraad Feijenoord gepleit heeft voor voortzetting van die subsidie? i. De negatieve beslissing van het vorige College op het advies van Wijkraad Feijenoord om voor de Speeltuin de Middenstip geld beschikbaar te stellen zodat een betaalde kracht kan worden aangesteld, en het speeltuingebouw een opknapbeurt kan krijgen? j. De negatieve beslissing van het vorige College op het pleidooi van de heer Akkerman, om voor kleinere organisaties in de wijk Feijenoord, die hun sporen hebben verdiend op een goede aanpak van de jeugd, een aparte aanbestedingstraject welzijn te realiseren. Een pleidooi dat ook in lijn is met de intentie van openbare aanbesteding, nl. een gelijk speelveld voor iedere organisatie, ook kleinere? k. De beslissing van het vorige College om de opdracht aan Thuis op Straat stop te zetten in het gebied Charlois? l.
De beslissing van het vorige College om de subsidie van De Katrol in het gebied Charlois te beëindigen?
9 m. De weigering, tot drie keer toe, van het aanbod van het Pedagogisch Collectief Feijenoord aan vorige Colleges, om gezamenlijk en met de wijkpartners te komen tot een duurzaam en gedragen programma voor de vorming van de Jeugd? n. De weigering van het vorige College om een gesprek te hebben met de vorige Wijkraad Feijenoord over een voorstel tot een ‘Wijkafspraak Jeugd op Feijenoord?’ -
Waarom hebben de Colleges bij geen van deze beslissingen de Gebiedscommissies en de Wijkraden op Zuid geraadpleegd?
-
In de regeling Couleur Locale is als subsidievoorwaarde opgenomen dat er een voorkeur is voor ‘effectieve interventies’ zoals erkend door het Nederlands Jeugdinstituut. Nu hoort Thuis op Straat ook tot die interventies. Waarom is deze organisatie dan zijn opdracht kwijtgeraakt, recentelijk in het gebied Charlois en eerder in het gebied Feijenoord?
-
Is dit een voorbeeld ervan dat in het Rotterdamse beleidsapparaat de ene hand niet weet wat de andere doet?
5.4 Onderwijs onder druk 5.4.1 Resultaten en leraren -
De afgelopen 10 jaar zijn de Cito-scores licht gestegen, zeker in vergelijking met de geformuleerde ambities. Hoe beoordeelt het College tegen die achtergrond de opmerkingen van dr. Gijs Custers in het eerder aangehaalde artikel, die relativerend zijn over Cito-scores als maat voor succes van beleid?
-
Cito-scores zijn een effect van de combinatie van de situatie thuis, vormende activiteiten buitenshuis en goed onderwijs. Ze zijn bedoeld als hulpmiddel om te bepalen voor welk vervolgonderwijs de leerling geschikt is. Gezien deze bedoeling van Cito-scores, is het dan terecht dat ze worden gebruikt als graadmeter of outputvariabele voor goed onderwijs of succes van beleid?
-
Wordt daarbij ook rekening gehouden met perverse effecten, zoals teaching to the test (‘leren, toetsen, vergeten’), een straf pedagogisch klimaat en een uit de hand lopende bijlespraktijk?
-
Is het denkbaar dat met deze indicator een hoge prijs betaald wordt zoals een toenemend beroep op de jeugdzorg?
-
Of een hoge prijs doordat deze sturing de intrinsieke motivatie en het professionele geweten van leraren onder druk zet, met burn-out en uitval als gevolg?
-
Landelijk onderzoek wijst uit dat ca. 25% van de leraren kampt met burn-out klachten. Hoe is dat percentage bij de leraren die werken op de scholen in de focuswijken?
-
Is het gezien de oplopende lerarentekorten niet spelen met vuur om dan toch vast te houden aan deze vorm van sturing op het onderwijs?
-
Wat zou er gebeuren als Cito-scores als prestatieindicator wordt losgelaten, zonder die door een andere te vervangen?
10 Amerikaans onderzoek maakt aannemelijk dat lage schoolprestaties voor 46% toe te rekenen zijn aan structurele armoede4. Ook de Atlas van Afgehaakt Nederland5 suggereert dat hier sprake is van een causaal verband. Daarnaast zijn er goede redenen om aan te nemen dat slechte huisvesting, tekorten in vormende vrijetijdsbesteding en gebrekkige sociale cohesie de schoolprestaties drukken. Deze factoren zijn geen natuurwetten maar het gevolg van beleidskeuzes van andere overheid en instanties.6 Vragen: -
Is het College zich ervan bewust dat leraren daardoor moeten dweilen waar anderen de kraan openlaten? En dat dit in belangrijke mate bijdraagt aan burn-out, uitval en het lerarentekort?
-
Welke beleidsconsequenties trekt het College daaruit voor het vervolg van het onderwijsbeleid op Zuid?
5.4.2 De Dagprogrammering “Wij doen niet wat ouders willen, maar wat we vinden dat ze zouden moeten willen.” Aldus Marco Pastors op een landelijke bijeenkomst, vorig jaar. Dit als argument voor de verplichte dagprogrammering, want “kinderen uit meer gefortuneerde gezinnen wordt immers na schooltijd ook gestimuleerd om aan allerlei vrijetijdsactiviteiten mee te doen”. Vragen: -
Wie worden in deze uitspraak met ‘we’ bedoeld? Valt het College daar ook onder? Zo ja, waarom is het College het dan met Marco Pastors eens?
-
Ouders zijn burgers met kinderen en democratische rechten, waaronder stemrecht. Gaat het aan om ze zo te benaderen zoals blijkt uit de uitlating van Marco Pastors hierboven?
-
Komt het de empowerment en hun burgerschapsvorming ten goede als ouders zulke belangrijke keuzes voor hun kinderen op deze manier wordt ontnomen?
-
Wat betekent dit voor het vertrouwen van burgers met kinderen, die zo’n tweederde van de stemgerechtigde populatie op Zuid uitmaken, in de overheid?
-
Ouders zijn burgers, die gezien hun verantwoordelijkheid voor de vorming van de jeugd van groot belang zijn voor de toekomst voor de wijken en de stad, extra aanspraak maken op de democratische rechten die elke burger toekomt. Draagt deze bejegening door Marco Pastors daaraan bij?
-
Worden de kinderen uit meer gefortuneerde gezinnen inderdaad verplicht tot vrijetijdsbesteding buitenshuis, op de manier zoals Marco Pastors dat stelt? Waarop baseert hij zich?
-
Vinden die activiteiten dan ook uitsluitend aansluitend aan de school plaats, vijf dagen in de week en in totaal voor 10 uur?
4 https://christienken.com/wp-content/uploads/2013/01/PISA_ProblemsAASA.pdf 5 https://kennisopenbaarbestuur.nl/rapporten-publicaties/atlas-van-afgehaakt-nederland/ 6 Zie deze graphic, getoond en toegelicht aan de Raadscommissie Veiligheid en Bestuur op 4 november 2021.
https://nepc.colorado.edu/sites/default/files/publications/balloons-nepc-infographic.pdf
11 -
Zo nee, waarom worden de kinderen uit de focuswijken en hun ouders daartoe wel verplicht?
-
Wat is de juridische basis voor deze verplichting?
-
Wat zijn de sancties als ouders zich aan deze verplichting onttrekken?
-
Zijn die sancties al eens toegepast of is er al eens mee gedreigd?
-
Is de dagprogrammering een vorm van vrijetijdsbesteding of van verlenging van de onderwijstijd?
-
Als het eerste het geval is, waarop is dan de verplichting gebaseerd? Als het tweede het geval is, gelden dan ook de grondwettelijke eisen van toezicht, deugdelijkheid en bekwaamheid?
-
Is bij de dagprogrammering rekening gehouden met de mogelijkheid dat kinderen zo afgepeigerd thuiskomen dat hun ouders niet meer toekomen aan een praatje met hun kinderen of voor het slapen gaan even voorlezen?
-
Zo nee, is dan de dagprogrammering dan ook niet haast een vorm van uithuisplaatsing?
-
Is rekening gehouden met de mogelijkheid dat kinderen een hekel krijgen aan op zich leuke en nuttige activiteiten, als ze daartoe verplicht worden?
-
Wat betekent die verplichting voor de identiteitsvorming van de jeugd en het vermogen om zelf keuzes te kunnen en mogen maken voor hun eigen leven en toekomst?
-
Wat zou er gebeuren als het beschikbare geld voor de dagprogrammering meer gespreid over de week wordt aangewend, bijvoorbeeld deels aansluitend aan de school, deels in de avond (voor oudere kinderen) en deels in het weekend? Zou dat niet veel meer lijken op de situatie in meer gefortuneerde gezinnen? Zeker ook in combinatie met een onverplicht karakter?
-
Is het College bereid de middelen voor de dagprogrammering meer in lijn met bovenstaande vragen in te zetten?
-
Op dit moment vindt onderzoek plaats naar de dagprogrammering. Worden daarin ook de bovenstaande vragen meegenomen? Waarbij de merites van de dagprogrammering worden afgezet tegen alternatieven, zoals onverplicht en meer gespreid over de week? Zodat vergelijking mogelijk is?
5.5 Een explosieve toename van het beroep op de jeugdzorg -
In welke mate is in de focuswijken op Zuid het beroep op de jeugdzorg toegenomen? In aantallen personen die er gebruik van maken en in gestegen kosten?
-
Kent het College de dissertatie van dr. Laura van Duin, tevens jongerenwerker is bij De Nieuwe Kans?7 Hieruit komt naar voren dat het van het padje raken van jongens in de hand gewerkt wordt door een dysfunctionele thuissituatie en negatieve ervaringen in de loop van hun jonge leven. Het uit zich in ‘externaliserend’ (jeugdcriminaliteit en rottigheid) en ‘internaliserend gedrag’ (depressie, passiviteit, zich onttrekken aan de samenleving).
7 https://vu.nl/nl/agenda/2021/promotie-l-van-duin
12
-
Heeft het College een zodanig zicht op beide categorieën jongens dat hij in staat is tot goed beleid jegens hen?
-
De dissertatie richt zich op jongens. Acht het College het denkbaar dat ook bij meisjes veel verborgen dan wel manifest leed is, maar dat zich dat anders uit dan bij jongens? En heeft het College voldoende inzicht om ook voor hen goed beleid te voeren?
-
Uit onderzoek8 is ook gebleken dat in het gebied Feijenoord 1770 jongens vatbaar zijn voor de criminele verleiding of daar al aan hebben toegegeven, dus voor ‘externaliserend gedrag’. Daarmee valt dit gebied onder de hoogst scorende op landelijk niveau. Als je daar de jongens met ‘internaliserend gedrag’ bij optelt, en de meisjes die onder vergelijkbare omstandigheden opgroeien, moeten we er dan niet vanuit gaan dat het aantal jongeren met forse problematiek in het gebied Feijenoord een veelvoud is van die 1770?
-
Er zijn goede redenen om aan te nemen dat deze jeugdproblematiek voortvloeit uit structurele armoede, slechte huisvesting, mishandeling en verwaarlozing. gebrek aan vormende vrijetijdsbesteding, gebrek aan sociale cohesie in de wijken en prestatiegericht onderwijs. Is het College bereid dit nader te onderzoeken? Tip: pak de 10 beschermende factoren er nog eens bij.
-
De hierboven beschreven omstandigheden en factoren zijn goeddeels door beleid te beïnvloeden. Is het College bereid verantwoordelijk te nemen voor zulk beleid, met als kenmerken dat het doordacht is, deugt en duurzaam is?
-
Acht het College het beleidsapparaat is staat tot zulk beleid, gezien de kwalificatie van voormalig wethouder Arjan van Gils in zijn afscheidsinterview?9 Daaruit dit citaat: “De gemeente moet nieuwsgierig moet zijn, openstaan voor signalen van de buitenwereld - deze organisatie is daar niet toe in staat. In de loop der jaren is alles hier naar binnen gericht. Het is verkokerd en iedereen wijst naar elkaar”.
- Deelt het College deze kwalificaties van het beleidsapparaat, ook als het gaat over de competentie tot jeugdbeleid dat doordacht is, deugt en duurzaam is? - Zo ja, wat gaat de gemeente daaraan doen? - Zo nee, mogen de bewoners van Zuid, vooral die met opgroeiende kinderen, van het College verwachten dat die op afzienbare termijn met zulk jeugdbeleid komt? Kent het College het artikel van Thijs Janssen en Radboud Engbersen over personele discontinuïteit in aandachtswijken, en dat dit een negatieve invloed heeft op de vorming van de jeugd?10 Immers, werken voor de jeugd is bij uitstek relationeel, en dan is het heel slecht als ouders en kinderen vaak met een wisseling van de wacht te maken krijgen. Vragen:
8 https://dagblad010.nl/rotterdam%20%26%20regio/in-feijenoord-en-delfshaven-meeste-kans-op-jonge-
criminelen 9 https://www.ad.nl/politiek/topwethouder-haalt-uit-stevige-kritiek-op-aboutaleb-en-stadsbestuur-
van-al-die-visies-word-je-toch-gestoord~a49536ca/
10 https://www.zorgwelzijn.nl/discontinuiteit-is-de-olifant-in-het-sociaal-domein/
13 - Ziet het College ook dat dit een probleem is? - In hoeverre is dit in de focuswijken van Zuid aan de hand? - Wat gaat College doen om personele continuit op het niveau van de dagelijkse praktijk te versterken en te borgen? Als onderdeel van doordacht, deugdelijk en duurzaam jeugdbeleid? -
Is het enorme beroep op de jeugdzorg niet een voorbeeld van het paard achter de wagen spannen, als je weet dat de oorzaken ervoor gelegen zijn door beleid waarbij de hand gelicht wordt met de eerdergenoemde 10 beschermende factoren van goed jeugdbeleid?
6. De funeste werking van het new public management De vorming van de jeugd is geheel en al afhankelijk van ouders en van diegenen aan wie de ouders hun kinderen toevertrouwen vrijwilligers en professionals. Die maken in de praktijk van alle dag immers het verschil. Die slagen daarin beter naarmate ze intrinsiek gemotiveerd zijn, naar mate ze deugen en naarmate ze goed zijn in hun vak 11. Nu wordt de sturing van de gemeente en het NPRZ op het jeugdbeleid sterk gedomineerd door het new public management, gekenmerkt meten en monitoren, targets en prestatieindicatoren. Dat geldt het onderwijs, maar ook andere jeugdprofessies zoals het jeugdwelzijn en de jeugdhulpverlening. Er is toenemend besef dat deze vorm van ‘goede werk’ sterk onder druk zet. Waardoor de arbeidssatisfactie afneemt en burn-out en uitval onder personeel toenemen 12. Vragen: - Vindt er ook reflectie plaats op de effectiviteit van deze sturingsvorm en op de negatieve uitwerkingen die deze heeft op het werk van de dagelijkse praktijk? -
Is het College zich bewust van de contraproductieve en perverse uitwerking van deze vorm van sturing?
-
Is dit deze sturing niet een slechte besteding van belastinggeld, nu steeds meer blijkt dat het de uitvoeringspraktijk onnodig stroef maakt?
-
En aangezien deze sturing wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden door ambtenaren, is dat dan niet een dubbele verspilling van belastinggeld?
-
Is het in het belang van burgers, vooral die met opgroeiende kinderen, dat een sturing op de jeugdprofessionals en -vrijwilligers plaatsvindt waardoor jeugdprofessionals zo onder druk worden gezet?
-
Is dit niet spelen met vuur, nu juist in de focuswijken de personeelstekorten in allerlei jeugdprofessies toenemen en veel jeugdprofessionals het elders beter kunnen krijgen?
-
Wat zou er gebeuren als het College en het NPRZ stoppen met deze sturing?
-
Wat zou er gebeuren als de sturing in plaats daarvan uitging van de vraag wat jeugdprofessionals en vrijwilligers nodig hebben om te kunnen floreren in hun opdracht?
11 Dit zijn de drie dimensies van Goed Werk, zoals vastgesteld in een uitgebreid onderzoeksprogramma van
Howard Gardner c.s. 12 Zie onder meer de bundel Beroepseer van de Janssen, van den Brink en De Meetmaatschappij van Berend van der Kolk
14
-
Past dit ook niet goed in de ambitie van het College om meer in te zetten op uitvoering en minder op beleidsnota’s?
7. Schets van een toekomstperspectief voor het jeugdbeleid op Zuid -
Wat vindt het College van een toekomstperspectief van de vorming van de jeugd op Zuid, dat bestaat uit de volgende bestanddelen?
-
Is het College bereid dit ook tot inzet te maken van de volgende tranche van het NPRZ?
1. Een heldere, gedragen en aansprekende visie op wijkniveau op de vorming van de kindern en jongeren op Rotterdam Zuid. Wat willen we ze bijbrengen, waartoe willen we dat, wie zijn daarvoor verantwoordelijkheid en hoe realiseren we dat? En ‘we’, dat is iedereen die zich in de praktijk van alle dag inzet voor de vorming van de jeugd: als ouder, informeel, vrijwillige en beroepshalve. Die visie kan worden ontwikkeld in wijkdialogen, te initiëren door de Wijkraden en ondersteund door beleidsambtenaren van het Timmerhuis. En dan vervolgens per wijk worden omgezet in een duurzaam wijkprogramma.
2. Bestaanszekerheid door een toereikende en stabiele financiële positie. Zodat ouders de gemoedsrust en de tijd hebben die de basis vormt voor een goede opvoeding. En ook meer ruimte hebben om te werken aan hun eigen vorming, door maatschappelijke participatie en scholing. Concreet betekent dit het verhogen van het minimumloon en de bijstand, terugdringen flexwerk en belastingmaatregelen waardoor het verschil tussen bruto en netto kleiner wordt. En actueel, dat voorzien wordt in de toenemende inflatie en energiekosten. Hier ligt een opdracht voor de Regeringspartner in het NPRZ.
3. Behoorlijke huisvesting die ruimte biedt voor spel, hobby’s, huiswerk, studie en een ongestoorde nachtrust. Kortom een thuis. Dit betekent uitbreiding van het aantal woningen in de sociale huur en dat is een taak van het Rijk, de gemeente en de woningcorporaties.
4. Wijken waarin het wemelt van gemotiveerde en goede mensen van de dagelijkse praktijk die elk vanuit hun eigen metier hun beste beentje voorzetten voor de vorming van de jeugd. Eerst en vooral de ouders. En verder iedereen die zich inzet voor ‘vorming buitenshuis’: zoals in de geboortezorg, de kinderopvang, het onderwijs, de speeltuinen en kinderboerderijen, sport, cultuur en natuur, kind- en jongerenwerk, jeugdhulpverlening, wijkpolitie en boa’s, en in de (leer)bedrijven. Concreet betekent dit dat zij volop worden gewaardeerd voor hun inzet en dat beleid gevoerd wordt om de personeelstekorten in te dammen. En dat ze zich langdurig kunnen en willen verbinden aan de wijk; minimaal 10 jaar als vuistregel. Hier ligt een taak voor de gemeente en voor de besturen van de betrokken instellingen.
15 5. Sturing en bejegening die uitgaat van de vraag wat ouders, professionals en vrijwilligers nodig hebben om de kunnen floreren bij de uitvoering van hun opdracht. Dit betekent ook per direct stoppen met de sturing op targets en prestatieindicatoren. Hier ligt een taak voor de gemeente.
6. Elke wijk is een ‘village to raise a child’, waarin iedereen de vorming van de jeugd als een gezamenlijke opdracht ziet. Een vriendelijke wijkgemeenschap waarin elk kind zich geliefd weet om wie die is en wordt uitgedaagd op wat die kan. 24 uur per dag, 7 dagen in de week en alle weken van het jaar. Dus niet a priori en uitsluitend aansluitend aan de school, zoals bij de verplichte dagprogrammering het geval is, maar ook ‘s avonds en in het weekend. Dit betekent werken aan samenlevingsopbouw of zoals dat tegenwoordig heet: sociale basis. De gemeente heeft hierbij het primaat door per wijk een goede ‘wijkburgemeester’ aan te stellen die het geheel met wijsheid en gevoel voor de verhoudingen bestiert.
7. De ‘Pijler School’ heet voortaan ‘Pijler Vorming’. Daarmee wordt recht gedaan aan alles wat we de jeugd bij willen brengen en aan iedereen die zich daarvoor inzet.
Rotterdam, 24 augustus 2022
16