[23bb001707] Collegebrief over Juridische richtlijn Internetonderzoek
Tekst van het document
Gemeente Rotterdam
Bezoekadres: Stadhuis Coolsingel 40 3011 AD Rotterdam Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Website: www.rotterdam.nl E-mail: et.vanhemert@rotterdam.nl Inlichtingen: E.T. van Hemert Telefoon: 06-12092738
Aan de Gemeenteraad
Portefeuillehouder: Cluster: BCO Ons kenmerk: 23bo3457 Uw kenmerk: Datum: B&W 14 maart 2023 Betreft: Juridische richtlijn Internetonderzoek
Onderwerp:
Juridische richtlijn Internetonderzoek Op welke gronden deze brief? Waarom nu voorgelegd?
In de raadsbrief van 7 juli 2021 hebben wij uw raad geïnformeerd (21 bb9658) dat het college de concerndirecteur BCO heeft opgedragen om een vervolgonderzoek van online monitoring binnen de gemeente te verrichten. Tussentijds bent u op 20 april 2022 per brief geïnformeerd over de voortgang van online monitoring. Uit dat vervolgonderzoek is een Juridische richtlijn Internetonderzoek opgesteld waarover wij u graag informeren. Relatie met eerder gedane toezegging:
In 2021 en begin 2022 is zowel in het college als in uw raad aandacht geweest voor het gebruik van zogenaamde Online monitoring bij de uitoefening van de verschillende taken van o.a. het cluster Werk & Inkomen en de directie Veilig. Daarbij is stilgestaan bij de vraag of inzet van zo'n instrument juridisch is toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. Juridische richtlijn Internetonderzoek
De Juridische richtlijn Internetonderzoek geeft kaders wanneer en onder welke voorwaarden de inzet van internetonderzoek/online monitoring is toegestaan en wanneer niet. De gemeente kan pas overgaan tot internetonderzoek als blijkt dat de reeds bestaande bronnen ontoereikend zijn om een inschatting te geven van een bepaalde (vermoedelijke/dreigende) situatie. Het internetonderzoek moet dus noodzakelijk (proportionaliteit/subsidiariteit eis) zijn. Vanuit het oogpunt van proportionaliteit mogen alleen die gegevens worden onderzocht die noodzakelijk zijn om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen voor de concrete situatie die zich voordoet. Subsidiariteit brengt met zich mee dat als er een minder ingrijpend middel voor handen is om het doel van het onderzoek te bereiken, dit middel in eerste instantie dient te worden gebruikt. De inzet van dit middel moet berusten op een wettelijke grondslag. Daarnaast dient de verwerking van de persoonsgegevens in het kader van online monitoring te voldoen aan de privacywetgeving.
Blad:
2/3
In de praktijk betekent dat er altijd een Data Protection Impact Assessment (DPIA) wordt opgesteld. De DPIA dient aan de Functionaris Gegevensbescherming (FG) te zijn voorgelegd, voordat het internetonderzoek kan plaatsvinden. Als voor de inzet van internetonderzoek geen wettelijke grondslag is, dan is internetonderzoek niet toegestaan Daarbij zijn drie domeinen uitgewerkt waarbinnen internetonderzoek rechtmatig kan plaatsvinden. Deze zijn: - online monitoring in het kader van openbare orde en veiligheid, toezicht en handhaving op grond van de participatiewet en - webcare. Dit is niet limitatief. Ook buiten deze domeinen is de inzet van internetonderzoek mogelijk mits daarvoor een wettelijke grondslag bestaat en wordt voldaan aan alle voorwaarden die zijn beschreven in het juridisch kader. Bij het inzetten van internetonderzoek is het in beginsel niet toegestaan gebruik te maken van privé en/of fictieve accounts. Er is nog geen wettelijke grondslag voor het gebruik hiervan en daarnaast is gebruik op die manier in strijd met het transparantiebeginsel. Voor de burger is het account immers niet herkenbaar als een account van de gemeente. De gemeente moet transparant zijn in haar handelen tegen over de burger en het gebruik van privé en/of fictieve accounts kan wantrouwen scheppen bij de burgers.
Alleen binnen het domein van de Participatiewet kan op dit moment met terughoudendheid het gebruik van fictieve accounts onder voorwaarden worden toegestaan. Zo hebben de toezichthouders die zijn belast met de controle- en rechtmatigheidsonderzoeken in het kader van de Participatiewet een ruimere bevoegdheid (dan andere ambtenaren met controle bevoegdheden) en kunnen deze bijvoorbeeld een beroep doen op artikel 76a PW. De toezichthouder heeft in dat geval de mogelijkheid om het internetonderzoek met een fictief account uit te voeren, mits er geen interactie plaatsvindt die leidt tot uitlokking. De toezichthouders zullen dit alleen doen als minder ingrijpende middelen onvoldoende inzicht geven, inclusief een te prefereren Rotterdam account. De toezichthouders werken op basis van een handreiking (die gebaseerd is op de "Handreiking internetonderzoek Participatiewet" van de VNG) die uitgaat van het principe 'alleen Rotterdam accounts tenzij'. Te allen tijde dient de uitoefening van alle controlebevoegdheden te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tot slot
Geconstateerd is dat de regelgeving en jurisprudentie over de toelaatbaarheid van internetonderzoek op dit moment nog veel onduidelijk laat. In dat grijze gebied kan een cluster besluiten toch internetonderzoek in te zetten (als alle andere bestaande bronnen ontoereikend blijke te zijn), maar dan wel in afstemming en met akkoord van de verantwoordelijk directeur dan wel de betrokken wethouder. Op die manier wordt een mogelijk risico vooraf op de juiste plek geadresseerd. De Juridische richtlijn Internetonderzoek en de beslisboom zullen gedurende de komende periode met enige regelmaat worden beoordeeld en waar nodig worden aangepast. De ministers van BZK en van Rechtsbescherming hebben aangegeven om in de loop van 2023 met een handreiking over dit onderwerp voor gemeenten te komen. Deze ontwikkeling wordt gevolgd. Indien aan de orde, zal dan ook de Rotterdamse richtlijn internetonderzoek worden aangepast. Op de gemeentelijke website zal worden opgenomen op welke wijze en in welke gevallen de gemeente gebruik kan maken internetonderzoek.
Blad:
3/3
Wij gaan er vanuit u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, is,