CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001705] Bijlage 3 behorende bij 23bb001702 over zienswijzerapportage Nota bodembeheer Rotterdam

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 17 mei 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: VERVALLEN - Nota bodembeheer Rotterdam8.801 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zienswijzenrapportage ontwerp-Nota bodembeheer Rotterdam

16 februari 2023

Aanleiding Op 22 maart 2022 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam de ontwerp-Nota bodembeheer Rotterdam (inclusief de Bodemkwaliteitskaart) vastgesteld en ter inzage gelegd. De ontwerp-Nota heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen van 4 april 2022 tot en met 16 mei 2022. Zienswijzen Op de ontwerp-Nota bodembeheer Rotterdam zijn door 3 partijen zienswijzen ingebracht: A. Per brief, d.d. 11 mei 2022 van ATM B.V.; B. Per brief, d.d. 16 mei 2022 van Deltalinqs; C. Per brief, d.d. 16 mei 2022 van Havenbedrijf Rotterdam N.V. De zienswijzen zijn tijdig kenbaar gemaakt en zijn derhalve ontvankelijk. In totaal gaat het om 3 zienswijzen. Vanwege de omvang en het technisch inhoudelijke karakter van de zienswijzen is ervoor gekozen deze in de voorliggende zienswijzenrapportage te behandelen. In deze rapportage worden de zienswijzen besproken en wordt u voorgesteld welke zienswijzen gegrond c.q. ongegrond te verklaren. Tevens is aangegeven welke aanpassingen als gevolg van deze zienswijze in de ontwerp-Nota worden voorgesteld. Daarnaast zijn in deze rapportage ambtelijke wijzigingen opgenomen van de bodemkwaliteitskaart zoals gevoegd bij het ontwerp dat ter visie is gelegd. In een enkel geval bleek een Ruimtelijke Eenheid (RE) op een kaart niet juist te zijn weergegeven.

In drie gevallen heeft dit geleid tot een wijziging van de toepassingseisen op de kaart. Deze wijzigingen zijn conform de toepassingsregels.

1

A. Beantwoording zienswijze ATM ATM heeft de volgende zienswijzen ingebracht: Geacht College, Hierbij dien ik namens ATM B.V. ("ATM"), gevestigd aan de Vlasweg 12 te 4782 PW Moerdijk, een zienswijze in tegen de Nota Bodembeheer die vanaf 4 april 2022 tot en met 16 mei 2022 ter inzage is gelegd (de "Nota"). ATM licht haar zienswijze hieronder toe. Zienswijze A1: 1. Inleiding 1.1. ATM heeft met name bezwaar tegen het gestelde in paragraaf 7.1 en 7.2 van de Nota. In deze paragrafen is het beleid weergegeven ten aanzien van Grootschalige Bodemtoepassingen ("GBT") en de toepassing van thermisch gereinigde grond ("TGG"). De kern van het bezwaar van ATM is dat deze beleidsregels onvoldoende onderbouwd en niet rechtmatig zijn. ATM is een grondreiniger en ondervindt als gevolg daarvan ingrijpende, nadelige gevolgen. Zienswijze A2: 2. De beleidsregels zijn in strijd met de wet 2.1. De beleidsregels zijn in de eerste plaats in strijd met de wet en daarmee onverbindend. Op grond van de beleidsregels verbindt uw college voorwaarden aan GBT en de toepassing van TGG die (veel) verder gaan dan toegestaan op grond van de wet. 2.2. Op grond van de wet is de toepassing van TGG toegestaan indien wordt voldaan aan de eisen in het Besluit bodemkwaliteit ("Bbk"), de Regeling bodemkwaliteit ("Rbk") en de zorgplichten.

Degene die de TGG wil toepassen moet dat voornemen ten minste vijf dagen van tevoren melden in overeenstemming met artikel 42 Bbk. Een melder behoeft vervolgens geen formele goedkeuring van het bevoegd gezag alvorens met de toepassing van TGG wordt aangevangen. De wet voorziet niet in het vereiste van een formeel besluit op de melding. Uw college kan, indien daar in een specifiek geval aanleiding toe bestaat, wel (a) nadere informatie vorderen op grond van haar algemene toezichtsbevoegdheden om te verifiëren of aan de wettelijke eisen wordt voldaan; en (b) handhavend optreden tegen de toepassing van TGG indien sprake is van een (dreigende) overtreding van de wettelijke eisen. Zienswijze A3: 2.3. In de beleidsregels staan de volgende eisen die in strijd zijn met dit wettelijke kader: a) In de beleidsregels wordt gesteld dat de toepassing van TGG in beginsel alleen is toegestaan in een GBT. Deze (standaard) beperking is in strijd met de wet. Andere toepassingen zijn toegestaan indien wordt voldaan aan eisen genoemd in randnummer 2.2. Uw college kan eventueel handhavend optreden naar aanleiding van een (voorgenomen) toepassing. Daarvoor is echter vereist dat in een specifiek geval aantoonbaar sprake is van een (dreigende) overtreding van de wettelijke voorschriften. U onderbouwt niet dat daarvan altijd sprake zal zijn bij een toepassing van TGG buiten een GBT.

Zienswijze A4: b) In de Nota wordt gesteld dat de realisatie pas kan starten "na beoordeling en goedkeuring van het plan [van aanpak]" c.q. nadat "de gemeente met het plan heeft ingestemd". 2

U bent echter niet bevoegd om de toepassing van TGG te verbieden omdat (de goedkeuring voor) een plan van aanpak ontbreekt. Zoals gezegd kan uw college handhavend optreden naar aanleiding van een (voorgenomen) toepassing, maar uitsluitend als sprake is van een (dreigende) overtreding van de wettelijke voorschriften. Of daarvan sprake is moet van geval tot geval worden vastgesteld en onderbouwd. U onderbouwt ten onrechte niet op grond van welke wettelijke bepaling beoordeling en goedkeuring van het plan van aanpak zou moeten worden afgewacht. Zienswijze A5: 3. De beleidsregels zijn onvoldoende onderbouwd 3.1. De beleidsregels zijn onvoldoende onderbouwd en daarmee in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsvereiste. Zienswijze A6: 3.2. In de beleidsregels is een aantal (standaard) voorwaarden voor toepassing van TGG opgenomen: o De beleidsregels verplichten tot een onderzoek op een aantal aanvullende stoffen. Voor die stoffen worden normen gesteld in bijlage 8 bij de Nota. o Grond van buiten het beheergebied die wordt toegepast in een GBT moet daarnaast voldoen aan "de uitlogingseisen." Hiermee lijkt een afwijking van Į aanvulling op artikel 4.12.2 lid 2 Rbk te zijn beoogd. o De nota eist verder dat de toepassing boven de grondwaterspiegel blijft, niet mengt met de bodem en na functieverlies wordt verwijderd.

o Ten slotte wordt de eis gesteld dat de eigenaar expliciet toestemming geeft voor de toepassing. Dit lijkt een nadere invulling van de zorgplicht. Zienswijze A7: 3.3. U onderbouwt echter niet waarom deze voorwaarden in alle gevallen geschikt en/of noodzakelijk zijn om te voldoen aan de zorgplicht. U onderbouwt evenmin dat partijen die grond willen toepassen door de eisen niet onevenredig worden benadeeld. Daarvoor is wel degelijk aanleiding. De eisen beperken de toepassingsmogelijkheden van TGG ingrijpend en zijn bovendien zeer kostbaar. Zienswijze A8: 3.4. U onderbouwt ook niet waarom u bevoegd zou zijn om standaard de informatie met betrekking tot de stoffen genoemd in bijlage 8 te eisen. U kunt uitsluitend nadere informatie vorderen indien dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van uw toezichthoudende taak (5:13 Awb). U zul derhalve per geval (en per stof) moeten onderbouwen dat nadere informatie nodig is om te kunnen vaststellen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Uw college motiveert echter niet waarom zij de wettelijke bevoegdheid zou hebben om deze informatie standaard te vorderen. Zienswijze A9: 3.5. Voor wat betreft de eis dat een eigenaar expliciet toestemming geeft voor toepassing is de vraag welk milieubelang daarmee is gemoeid. De eis lijkt daarmee in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Zienswijze A10: 3.6.

Daarbij heeft steeds te gelden dat de beleidsregels ten onrechte geen onderscheid maken naar gelang van de aard van de TGG die wordt toegepast. De vereiste voorwaarden voor toepassing zullen immers afhangen van de aard en samenstelling van de TGG. ATM produceert bijvoorbeeld vanuit thermisch gereinigde grond FORZ®Sand-T. Dit zand heeft 3

een uitgebreide nabehandeling ondergaan en heeft een volstrekt andere aard en samenstelling dat de TGG die in het verleden is toegepast. Toch wordt FORZ®Sand-T aan exact dezelfde voorwaarden onderworpen als TGG. Zienswijze A11: 4. De beleidsregels zijn onduidelijk 4.1. De beleidsregels zijn onduidelijk en daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 4.2. Het is met name niet duidelijk welke wettelijke bevoegdheid nader wordt ingevuld door middel van de beleidsregels. Een beleidsregel betreft op grond van artikel 1:3 lid 4 Awb een algemene regel, "omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan". 4.3. Het is echter niet duidelijk welke wettelijke bevoegdheid nader wordt ingevuld met de (ingrijpende) eisen die uw college stelt. Zoals gezegd heeft uw college immers niet de algemene wettelijke bevoegdheid om medewerking te verlenen of onthouden aan de toepassing van TGG. Op zichzelf is de Nota mede opgesteld gelet op de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet. U onderbouwt echter evenmin dat de beleidsregels betrekking hebben op de bevoegdheden die uw college onder de Omgevingswet zal verkrijgen, noch dat onder de Omgevingswet ruimte bestaat om de regels op te nemen in het omgevingsplan. Zienswijze A12: 5. Slot 5.1.

Gelet op het voorgaande verzoekt ATM uw college om hoofdstuk 7.1 en 7.2 van de Nota niet in de voorgestelde vorm vast te stellen. De geformuleerde eisen zijn te algemeen van aard. Uw college zal van geval tot geval en op basis van een deugdelijke motivering invulling moeten geven aan de zorgplicht. Reactie zienswijzen A1 tot en met A12: Het college vat de zienswijzen van ATM aldus samen dat sprake is van voorschriften die verder reiken dan de wettelijke regelingen en die daardoor niet vooraf verplichtend kunnen worden opgelegd, maar slechts in individuele gevallen en/of omstandigheden kunnen worden gehanteerd indien op grond van de zorgplicht concrete milieuschade is geconstateerd of is te verwachten. In zoverre is deze zienswijze niet onjuist. Conclusie: De zienswijzen zijn gegrond. Voorstel: In de ontwerp-Nota de paragrafen 7.1 en 7.2 aan te passen naar aanleiding van de zienswijzen. En wel als volgt: 7.1 Grootschalige bodemtoepassing (GBT) In het kader van het Bbk 1is het mogelijk een GBT te realiseren. De initiatiefnemer meldt de GBT voorafgaand aan de werkzaamheden aan via het landelijk meldpunt bodemkwaliteit. Daarna worden alle afzonderlijke toe te passen partijen gemeld. Door ervaringen uit het verleden ziet de gemeente Rotterdam streng toe op de uitvoering van een GBT. De 1

Bbk, hfdst. 4, par. 3

4

gemeente adviseert voor een GBT te werken met een vrijwillig opgesteld werkplan. Dit kan vertraging in de aanvraag voorkomen. Dit geldt ook voor situaties waarin werkzaamheden worden verricht in of aan een voltooide GBT. De afzonderlijke partijen grond dienen bij het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit te worden gemeld onder vermelding van het kenmerk van de beoordelingsbrief van het werkplan. Het werkplan bevat: 1. de functie van de toepassing; 2. situatietekening van de GBT inclusief dwarsprofiel; 3. de herkenbaarheid van de toepassing na realisatie; 4. een berekening van de hoeveelheid benodigde grond in de kern en de leeflaag; 5. de wijze waarop de controle op hoeveelheid wordt uitgevoerd; 6. de benaming van de GBT zoals die vermeld zal worden bij alle meldingen van toe te passen partijen; 7. de wijze van borging hoe de maximaal aangemelde hoeveelheid niet wordt overschreden; 8. de omvang van de GBT (inclusief begrenzing) in het veld en een beschrijving van de wijze waarop toezicht op deze grenzen plaatsvindt; 9. de ligging, kwaliteit en de dikten van de leeflaag of afdeklagen en een beschrijving van de wijze waarop borging van deze aspecten plaatsvindt; 10. een berekening van de zettingen, die onder meer aangeeft welk deel van de toepassing onder het grondwaterniveau zal komen te liggen.

In deze berekening dient de toepassingseis voor PFAS onder het grondwaterniveau (conform het handelingskader PFAS) te zijn meegenomen; 11. het uitpersen van (zout) grondwater, indien dit kan optreden, met een beschouwing van de effecten hiervan op de omgeving en waterkwaliteit; 12. de referenties voor de melding in het kader van het bestemmingsplan; 13. de terreininrichting en de afsluiting van het terrein na werktijd; 14. de verantwoordelijke voor de juiste aanvoer van grond en bagger; 15. de verantwoordelijke partij tijdens de aanleg en realisatie; 16. op welk moment de verantwoordelijkheid van de aannemer naar de gebruiker verschuift. Ook dient het werkplan inzicht te geven op de situatie na voltooiing van de aanleg van de GBT: 1. de verantwoordelijke voor onderhoud en controle van de GBT; 2. de verantwoordelijke voor de GBT tijdens de gebruiksfase; 3. de wijze waarop het (blijvende) beheer van de toepassing plaatsvindt met name wat betreft de integriteit van de GBT (het volume van enig deel van de GBT mag in beginsel niet kleiner dan 5.000 m3 zijn en lager dan 2 meter) en de dikte van leef- en afdeklagen2. Het toepassen van grond op basis van de Bodemkwaliteitskaart (kaartlaag bodemkwaliteit) is toegestaan zonder aanvullend uitlogingsonderzoek. Aan de uitlogingseis wordt voldaan doordat metalen in de Rotterdamse bodem vrijwel altijd immobiel zijn.

Grond van buiten het beheergebied en grond van binnen het beheergebied waarvan de kwaliteit door middel van een partijkeuring is bepaald dient te voldoen aan de generieke MW Industrie en aan de uitlogingseisen.

2

Bbk, art. 63 lid 1 en lid 5

5

7.2 Richtlijn voor het toepassen thermisch gereinigde grond (TGG) In 2018 en 2019 bleek op meerdere toepassingslocaties dat de milieuhygiënische kwaliteit van toegepaste thermisch gereinigde grond (TGG) afweek van de kwaliteit die op grond van de productcertificaten werd verwacht. De voornaamste problemen die daarbij optraden waren de verspreiding van sulfaat, zware metalen, benzeen en hoge pH-waarden. Hierdoor nam de vraag naar TGG af en ontstonden voorraden TGG bij de reinigers. DCMR heeft in samenwerking met onder meer de ILT en RWS een tijdelijke onderzoeksrichtlijn TGG opgesteld, waarin een toetsingskader voor niet genormeerde stoffen was opgenomen. Op basis van deze onderzoeksrichtlijn hebben de twee grootste producenten in opdracht van ILT opnieuw hun voorraden TGG gekeurd. Deze keuringen3 leverden betrouwbare informatie op over de kwaliteit van de TGG. De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft deze verificatieonderzoeken4 beoordeeld en was positief over de betrouwbaarheid van de uitkomsten.

Indien er een voornemen bestaat om TGG uit de hiervoor bedoelde voorraden toe te (laten) passen, vragen wij de melder om het totaal aan informatie (productiecertificaat met bijbehorende MHV, de rapportages van het verificatieonderzoeken inclusief oplegnotities en een invulling van de zorgplicht) te overleggen, zodat de gemeente een adequate afweging op basis van de zorgplicht kan maken of een aangeboden partij toepasbaar is. Inmiddels zijn er nieuwe producten uit het thermisch reinigingsproces op de markt. Deze materialen hebben een andere aard en samenstelling dan de TGG die in het verleden is geproduceerd. De gemeente adviseert om voor de toepassing van TGG en de invulling van de zorgplicht te werken met een vrijwillig opgesteld werkplan. Voor meer informatie over toepassingsmogelijkheden van TGG en de invulling van de zorgplicht kunt u contact opnemen met DCMR.

3 4

Het betreft hier keuringen van voorraden TGG die tot oktober 2019 is geproduceerd. https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht/thermisch-gereinigde-grond

6

B. Beantwoording zienswijze Deltalinqs Deltalinqs heeft de volgende zienswijzen ingebracht: Geacht College, Hierbij maakt Deltalinqs gebruik van de gelegenheid onze zienswijze kenbaar te maken op de Ontwerp-Nota bodembeheer Rotterdam zoals op 29 maart 2022 door Burgemeester en wethouders van Rotterdam is vastgesteld (inclusief bijbehorende Bodemkwaliteitskaart). De Nota bodembeheer Rotterdam (de Nota) geeft aan welke aanvullende regels de gemeente Rotterdam stelt op het gebied van bodembeheer. Deltalinqs behartigt de gezamenlijke belangen van meer dan 95 % van alle logistieke, haven- en industriële bedrijven in de mainport Rotterdam. Namens onze leden zetten wij ons in voor het versterken van de concurrentiekracht van Rotterdam, voor duurzame groei en voor maatschappelijk c.q. politiek draagvlak voor alle activiteiten in het haven- en industriegebied. Voor Deltalinqs is het realiseren van de energie- en grondstoffentransitie de grote opgave waar we als mainport Rotterdam voor staan. Dit zal gepaard gaan met een sociale transitie, gericht op het onderwijs en een aantrekkelijke arbeidsmarkt. Dit biedt vele kansen en mogelijkheden voor de Rotterdamse haven én regio. Voldoende fysieke- en milieugebruiksruimte is daarvoor een randvoorwaarde.

Dat noemen wij ‘ruimte voor ondernemen’, maar dan wel binnen een gezonde en veilige omgeving, want dat zien we als de ‘licence to operate and to grow’ voor haven- en industriële activiteiten. Goed bodembeheer maakt daar onderdeel van uit. Zienswijze B1: Het Rotterdamse beleid voor bodembeheer richt zich op de bescherming van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen, het evenwichtig toedelen van functies aan locaties en het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende (historische) verontreinigingen. Daarnaast geeft het beleid aan hoe (her)gebruik van grond, bagger en bouwstoffen in en op de bodem plaats kan vinden. U geeft daarbij terecht aan dat dit van alle partijen die met de bodem en ondergrond te maken hebben een actieve rol vraagt om nieuwe verontreinigingen van de bodem te voorkomen of ongedaan te maken. Het beleid geeft hiervoor de kaders aan. Als Haven- en industriële bedrijven hebben we daar volop mee te maken en wij missen ons dan ook in het rijtje genoemde spelers in de uitvoeringspraktijk. Wij hebben met bodemverontreiniging en/of (her)gebruik van grond, bagger of bouwstoffen te maken. Binnen Deltalinqs is de Commissie bodem actief waar de bodemspecialisten van onze leden hun kennis en ervaring delen.

We waren graag betrokken geweest bij de totstandkoming van deze nota, zodat deze beter had kunnen aansluiten bij de specifieke uitvoeringspraktijk waarmee we in het haven- en industriecomplex te maken hebben. We hadden dan graag onze kennis en ervaring in deze met u gedeeld. Dat zien wij als een gemiste kans en zullen dat middels deze zienswijze alsnog doen. Reactie B1: Het Havenbedrijf Rotterdam N.V. is als gebiedsbeheerder van het havengebied actief betrokken geweest bij de totstandkoming van de ontwerp-Nota met o.a. als doel het beleid aan de uitvoeringspraktijk in het havengebied te toetsen. De ontwerp-Nota is daarnaast mondeling toegelicht aan Deltalinqs. De openbare procedure (verzoek tot zienswijzen) heeft tot doel om derden zoals Deltalinqs en individuele bedrijven in het havengebied de gelegenheid te bieden hun zienswijzen duidelijk te maken. Wij zijn blij dat u van dit recht gebruik maakt. 7

Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze B2: We hebben de nota doorgenomen. Als eerste willen we aangeven dat we verheugd zijn dat deze actualisatie van het lokale bodembeleid met bijbehorende kaarten heeft plaatsgevonden. Dat schept duidelijkheid naar alle partijen en is belangrijk gezien recente ontwikkelingen en inzichten bijvoorbeeld rondom PFAS. Inhoudelijk hebben we de volgende punten en verzoeken: Graag werkbare afspraken over de uitvoering van de meldingsplicht over bodemverontreinigingen In de inleiding bij paragraaf 1.5 ‘meldingen en informatie over bodemverontreinigingen’ staat dat er een wettelijke meldingsplicht geldt bij werkzaamheden met sterk verontreinigde grond en het toepassen van grond en bagger en dat deze melding bij de DCMR kan worden gedaan. Leden hebben aangegeven dat zij dagelijks bodemonderzoeken doen voor bijvoorbeeld (a) bepalen (voorlopige) veiligheidsklasse; (b) afvoerbestemming overblijvende grond bij grondverzet of (c) ten behoeve van afhandeling bodemincidenten. Het is ondoenlijk (en leidt tot een aanzienlijke administratieve last) als ieder bodemonderzoek aan DCMR gemeld moet worden. Daarbij is het digitaal aanleveren van boor- en analysegegevens bij DCMR ongewenst, omdat daarmee de hele bodemgesteldheid van een bedrijfsterrein integraal inzichtelijk wordt voor derden.

Dit integraal overzicht wordt gezien als bedrijfsgevoelige informatie. We gaan graag met de gemeente en de DCMR in overleg om tot werkbare en acceptabele afspraken te komen. Reactie B2: De wet verplicht tot het melden van werkzaamheden in verontreinigde grond en het melden van het toepassen van grond en baggerspecie inclusief de daarbij behorende bewijsstukken zoals vastgelegde bodemkwaliteit door onderzoek. Er is vanzelfsprekend geen verplichting tot het indienen van bodemonderzoeken waarvoor geen wettelijke grondslag aanwezig is. Een Locatiebeheerplan (LBP) wordt gezien als en gelijkgesteld aan een saneringsplan. Het indienen van een LBP kan in voorkomende gevallen worden beschouwd als een melding zoals de wet verplicht. In het LBP en de bijbehorende beschikking zijn vaak specifieke regels of afspraken opgenomen over meldingen richting DCMR Milieudienst Rijnmond. Deze afspraken zoals vastgelegd in het LBP en de beschikking, bijvoorbeeld over werken met sterk verontreinigde grond, gaan boven de generieke afspraken zoals vastgelegd in de nota Bodembeheer. De gemeente Rotterdam heeft de voorkeur om alle bodemonderzoeken (digitaal) te ontvangen, o.a. om een beter en betrouwbaarder beeld te krijgen van de algemene bodemkwaliteit (voor het opstellen van (toekomstige) bodemkwaliteitskaarten). Conclusie: De zienswijze is niet gegrond.

Wel zal in de Nota meer verwezen worden naar het LBP. Zienswijze B3: Kwaliteitsklasse natuur in Europoort vraagt om maatwerk Op de bodemkwaliteitskaart in bijlage 1 is een belangrijk deel van Europoort functieklasse Industrie, maar een kwaliteitsklasse natuur (voor top- en onderlaag). Dit betekent dat alleen grond met kwaliteit natuur toegepast mag worden in Europoort. Dit is niet in lijn met feit dat ter plaatse van Europoort wel degelijk bedrijven zijn gevestigd waar de grond tot boven kwaliteitsklasse industrie verontreinigd is (of kan zijn) en waar in kader van stand-still 8

principe grond met kwaliteitsklasse industrie toegepast kan worden (duurzaamheidsaspect). Hier zou maatwerk (op basis stand-still-principe) mogelijk moeten zijn en is de nu voorgeschreven aanpak (veel) te generiek en kan daarbij leiden tot niet duurzame aanvullingen (schone grond op verontreinigde grond). Reactie B3: De bodemkwaliteitskaart legt de gemiddelde kwaliteit van de bodem vast. Deze kaart kan gebruikt worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem. Het staat een toepassende partij vrij om geen gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart, maar middels een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 strategie ONV de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen. Als blijkt dat er sprake is van een andere kwaliteit (bijvoorbeeld kwaliteitsklasse industrie), dan is toepassing van deze kwaliteit mogelijk, mits dit overeenstemt met de functie (in dit geval industrie). Indien er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, dan is sprake van een saneringssituatie en gelden niet de regels uit het Besluit bodemkwaliteit. In dergelijke gevallen dienen de werkzaamheden conform een saneringsplan, BUS melding of binnen de regels gesteld in het LBP te worden uitgevoerd. De kwaliteit van de bodem op saneringslocaties en binnen saneringsgevallen wordt niet gebruikt bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart.

Indien de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter is dan de klasse industrie, zonder dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, dan kan de kwaliteit van de ontvangende bodem als klasse industrie worden beschouwd. Immers, niet toepasbare grond mag niet worden toegepast. Als de kwaliteit van de ontvangende bodem klasse industrie is, dan is de kwaliteit van grond die afkomstig is van deze locatie natuurlijk ook industrie. Ook dan wordt de bodemkwaliteitskaart daarmee dus voor deze specifieke locatie overruled. Conclusie De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze B4: PFAS-verontreinigingen niet enkel zien als zorgplicht In 3.1.5 is gesteld dat een verontreiniging met PFAS ontstaan na 1987 gezien moet worden als een nieuw geval van verontreiniging waarvoor de zorgplicht geldt. Voor een industriegebied als het Haven en industriecomplex is dat in onze ogen geen gewenste aanpak. Zeker ook omdat het totale milieurendement hiermee sterk negatief wordt beïnvloed als de hergebruikgrond actief afgevoerd dient te worden. Dit gaat gepaard met een enorme hoeveelheid aan vervoersbewegingen met alle C02 en NOx-emissies van dien. Wij stellen voor het PFAS beleid in de Nota zo aan te passen dat terugsaneren tot aan de functieklasse mogelijk wordt (in plaats van terugsaneren tot de kwaliteitsklasse zoals nu in de nota is opgenomen).

Daarnaast willen wij het gehanteerde jaartal 1987 ter discussie stellen. Dat gaat er namelijk van uit dat je ‘wist of behoorde te weten’ dat je bodem verontreinigde en daarom worden verontreinigingen veroorzaakt na die tijd streng aangepakt. De vraag is of de risico’s van PFAS in die tijd al voldoende bekend waren. Voor asbest is om die reden een ander jaartal gekozen dan 1987 en het lijkt reëel dit ook voor PFAS te doen. Daarnaast staat in de nota terecht dat het landelijk beleid rondom PFAS nog sterk in ontwikkeling is. Deltalinqs is van mening dat er zo snel mogelijk een landelijke toetsingskaders moet komen voor PFAS. Reactie B4: De gemeente Rotterdam onderschrijft het belang van een spoedig vast te stellen landelijk toetsingskader via een definitief landelijk beleid rondom PFAS. Voorlopig is ervoor gekozen 9

om 1987 aan te houden tot de komst van landelijk beleid. Nadrukkelijk wordt gewezen op paragraaf 3.1.6 waar staat dat in overleg met de DCMR maatwerkoplossingen mogelijk zijn. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze B5: Specifieker aangeven welke kades asbestverdacht zijn. Overslag locaties van stukgoed en/of droge bulk daterend van vóór 1965 zijn potentieel asbestverdacht (naast asbestverdachte puntbronnen). Op de kaart van verdachte gebieden asbest in bijlage 5 wordt dit ‘vertaald’ naar nagenoeg alle kades waar overslag heeft plaatsgevonden (zonder differentiatie naar stukgoed en/of droge bulk). Bijvoorbeeld alle kades van Shell Pernis zijn aangemerkt als asbest verdacht gebied, terwijl hier nooit overslag van stukgoed en/of droge bulk heeft plaatsgevonden, alleen maar van olie en brandstoffen. Reactie B5: Voor de locaties waar voor 1965 stukgoed en droge bulk werd overgeslagen wordt inderdaad verwezen naar bijlage 5. Aldaar worden de betreffende kades als overslaghaven vermeld. Het is inderdaad niet zonder meer duidelijk of langs al deze “lijnen” stukgoed en/of droge bulk is overgeslagen. Over het algemeen gaat het om de oudere havens, maar uitzonderingen zijn mogelijk. De kaart zal in de legenda worden verduidelijkt dat het hierbij gaat om “potentiële overslaghavens voor stukgoed en droge bulk”.

Het is verder aan de initiatiefnemer om in het vooronderzoek aannemelijk te maken dat hier geen sprake is van dergelijke verdenking. Voor een kade zoals bij Shell is het aannemelijk dat er alleen vloeibare producten zijn gelost. Nota bene: opgemerkt wordt dat petrochemische en chemische industrie inclusief de opslag van olieproducten en chemicaliën conform UBI wel verdacht zijn op het voorkomen van asbest, maar niet specifiek voor losse vezels zoals het geval is bij overslaghavens. Conclusie: De zienswijze is gegrond. In de legenda bij bijlage 5 wordt toegevoegd dat het hier gaat om: “potentiële overslaghavens voor stukgoed en droge bulk”. Zienswijze B6: Meer nauwkeurigheid bij puinbijmengingen op de (diffuse) asbestverdenkinqskaart Ervaring (op basis van veel onderzoek) leert dat een puinbijmenging veelal niet leidt tot asbest in de bodem. We zien het als correct dat in paragraaf 3.3.2. wordt gesteld dat puinbijmenging zonder zichtbare asbestverdachte materialen niet leidt tot asbestgehaltes boven de interventiewaarde. In de alinea die daarop volgt wordt generiek aangegeven dat hele gebieden verdacht zijn op asbest (tot de interventiewaarde). Het zal onze voorkeur hebben om ook in de (diffuse) asbestverdenkingskaart in bijlage 5 aan te geven dat dit alleen van toepassing is wanneer in de puinbijmenging asbestverdachte materialen worden aangetroffen.

Reactie B6: In de opvolgende alinea wordt gesproken over ”verdenking voor diffuse verontreinigingen met asbest tot de interventiewaarde”. De gebieden zoals aangegeven in bijlage 5 zijn dus niet verdacht voor verontreinigingen boven de interventiewaarde. Conclusie De zienswijze is gegrond. 10

Voorstel: Voorstel om de legenda van de kaart in bijlage 5 als volgt aan te passen:  Niet diffuus asbestverdacht (puinhoudende grond ≤ 50 mg/kg ds)  Diffuus asbestverdacht (puinhoudende grond ≤ 100 mg/kg ds) Zienswijze B7: Terughoudendheid bij lokale norm voor TBA (tert-butvl-alcohol) In paragraaf 4.2 wordt een lokale norm voor TBA gesteld: bij het aantreffen van methyl-tertbutylether (MTBE) en ethyl-tert-butylether (ETBE) in de bodem, geldt in Rotterdam dat ook een analyse moet plaatsvinden op de aanwezigheid van het afbraakproduct tert-butylalcohol (lit. 2). Bij jaarlijkse grondwatermonitoring van tankstations is in de Activiteitenregeling art 2.2 lid 4 opgenomen op welke stoffen geanalyseerd moet worden. TBA (tert-butyl-alcohol) is hier niet in opgenomen. De Nota Bodembeheer gaat hier verder dan landelijk beleid zonder dat dit goed gemotiveerd is. Reactie B7: De Nota is niet van toepassing op het Activiteitenbesluit. De Nota kan dus ook niet “verder” gaan dan het landelijk beleid dat is beschreven in het Activiteitenbesluit. De Nota is ook niet van toepassing op monitoring van (bijvoorbeeld) tankstations in het kader van dit Activiteitenbesluit. Indien uit een dergelijke monitoring vanuit het Activiteitenbesluit bijvoorbeeld blijkt dat er sprake is van een verontreiniging, dan is de Nota wel van toepassing.

Dit niet vanwege de activiteit, maar vanwege de aangetroffen verontreiniging. Als blijkt dat er sprake is van een verontreiniging met MTBE en/of ETBE, dan is onderzoek naar de aanwezigheid van TBA ook nodig. TBA is namelijk een afbraakproduct en daarmee een relevante parameter om de verontreinigingssituatie in beeld te krijgen. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. De nota wordt op dit punt niet aangepast. Zienswijze B8: Onterechte verzwaring van de toetsingsqrondslag voor eindsituatieonderzoek In paragraaf 5.4 staat dat als geen nulsituatie bodemonderzoek beschikbaar is, moet als toetsingsgrondslag voor het eindsituatie bodemonderzoek uitgegaan worden van de LMW (lokale maximale waarden) of anders de AW (achtergrondwaarde) of de detectiegrens. In de NRB 2012 (Nederlandse Richtlijn Bodembescherming) is ten aanzien van dit aspect (geen nulsituatie beschikbaar) het volgende gesteld: "Is het nulsituatieonderzoek niet of niet juist uitgevoerd dan moet de vergunninghouder op een andere wijze een referentieniveau vaststellen dat kan worden gebruikt als toetsingsgrondslag. De wijze waarop dit wordt vastgesteld heeft de instemming nodig van het bevoegd gezag. Het vaststellen van een juist referentieniveau kan gebeuren door het reconstrueren van de bodemtoestand voordat er sprake was van een verontreiniging. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van de best beschikbare informatie.

Een en ander volgens artikel 17.6 van de Wet milieubeheer. ” In de Nota is het niet meer mogelijk om - op basis van beschikbare informatie - een referentieniveau vast te stellen (nu moet LMW- of AW-waarde als referentieniveau worden gehanteerd). Dit is (1e) een verzwaring van de huidige mogelijkheid (zoals beschreven in NRB) en (2e) wanneer een activiteit (zonder nulsituatie bodemonderzoek) plaatsvindt op een historische verontreiniging resulteert de wijze waarop dit nu in de Nota is vastgelegd tot een (onterechte en) complete sanering van de bodem. Dit is een niet-acceptabele verzwaring. Reactie B8: 11

Er is geen sprake van een verzwaring van de toetsingsgrondslag, maar een versoepeling, en dit sluit aan bij de regels zoals deze onder de Omgevingswet van toepassing worden. Indien er geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is, maar er kan met terugwerkende kracht een referentieniveau worden bepaald op een wijze die voldoet aan de NRB en instemming heeft van het bevoegd gezag, dan maakt de Nota dit niet op voorhand onmogelijk. Het wordt alleen niet als zodanig expliciet als mogelijkheid vermeld. Als geen nulsituatie aanwezig, dan hoeft in ieder geval niet te worden aangesloten bij de achtergrondwaarde (zoals ook vermeld in de NRB) of detectielimiet, maar kan worden aangesloten bij de LMW. Dit is de versoepeling zoals in de Nota is vermeld. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze B9: Meer duidelijkheid in de Nota voor locaties met een goedgekeurd LPB bij onverwachte bodemverontreinigingen. In paragraaf 5.6 staat dat, als bij onverwachte bodemverontreinigingen de nieuw aangetroffen verontreiniging zich bevindt binnen de saneringsgrenzen van een goedgekeurd saneringsplan of een BUS-melding, het noodzakelijk is de nieuw aangetroffen verontreiniging als een wijziging op het plan te melden. Voor de beoordeling van de wijziging is een inkadering van de nieuw aangetroffen verontreiniging noodzakelijk.

Wij wijzen u erop dat de nodige locaties binnen het Havengebied een LocatieBeheerPlan (LBP) hebben dat de status heeft van een saneringsplan. Binnen een LBP is het niet voorzien dat iedere aangetroffen verontreiniging wordt gemeld aan de DCMR, moet worden uitgekarteerd en dat het LPB moet worden aangepast. Graag zouden we zien dat in de Nota duidelijk wordt aangegeven dat deze verplichting niet geldt wanneer voor een locatie sprake is van een goedgekeurd LBP. Reactie B9: Uit de diverse vragen blijkt dat er onduidelijkheid is in de relatie tussen de Nota en LBP’s. Feitelijk is dit reeds goed beleidsmatig geregeld. Toch wordt voorgesteld om dit beter te duiden in de nota. Door de volgende aanpassingen tekstueel door te voeren wordt beoogd discussie te voorkomen: Conclusie: De zienswijze is niet gegrond, maar de nota zal wel op twee punten worden verduidelijkt. Voorstel: Aanvulling in paragraaf 1.4.  Indien voor een locatie reeds een saneringsplan of locatie beheer plan (LBP) is beschikt door het bevoegd gezag dan zijn de voorwaarden en eisen in dat plan leidend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij procesafspraken zoals de benodigde meldingen en de omgang met onverwachte bodemverontreiniging. Bij onduidelijkheden of ongewenste consequenties wordt geadviseerd in overleg te treden met de DCMR. Toevoeging in paragraaf 5.6 (2e alinea).

 Nieuw aangetroffen verontreinigingen dienen te worden gemeld. Indien afspraken zijn gemaakt over niet eerder bekende verontreinigingen binnen een LBP en deze afspraken zijn beschikt, dan gaan deze afspraken boven de regels en afspraken in de Nota. 12

Zienswijze B10: Ongewenste verzwaring van de bewijsmiddelen voor toe te passen grond Hoofdstuk 6 beschrijft de verschillende bewijsmiddelen die gebruikt kunnen worden voor het aantonen van de kwaliteit van toe te passen grond en/of bagger en de ontvangende grond. Dit is in onze ogen te generiek gesteld voor grond die van buiten een locatie wordt aangevoerd om te worden toegepast. Voor veel locaties is een LBP beschikbaar waarin is beschreven op welke wijze grond binnen de locatie kan worden herschikt/toegepast zonder dat de rest van dit hoofdstuk 6 (partijkeuringen, bodemkwaliteits-kaarten en dergelijke) van toepassing is. Tijdelijke uitname is momenteel ook mogelijk met sterk (boven interventiewaarde) verontreinigde grond. In de Nota wordt gesuggereerd dat dit niet (meer) geldt voor sterk verontreinigde grond. Dit is een verzwaring van de huidige situatie zonder deugdelijke motivatie en daarmee niet in lijn met de uitgangspunten van de Nota. Dit geldt ook voor het gestelde in paragraaf 7.4.2 bij aanleg en onderhoud van kabels en/of leidingen. Reactie B10: Hoofdstuk 6 van de Nota beschrijft inderdaad de algemene regels en is inderdaad van toepassing op grond die van buiten een locatie wordt aangevoerd om te worden toegepast. Dit wordt in het Bbk voorgeschreven. Het herschikken en/of tijdelijk uitplaatsen van grond valt niet onder het Bbk, maar wordt mogelijk gemaakt in de Wbb.

Dit wordt in Hoofdstuk 8 beschreven. Het herschikken en/of tijdelijk uitplaatsen van sterk verontreinigde grond is mogelijk op basis van een goedgekeurd saneringsplan, LBP of een BUS-melding. Daarom is voor locaties met een LBP waarin is beschreven op welke wijze grond binnen de locatie kan worden herschikt en/of tijdelijk uitgeplaatst, voldaan aan deze voorwaarde en kan dus conform dat goedgekeurde plan gewerkt worden. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze B11: Graag bestaande afspraken tussen de DCMR en Deltalinqs handhaven ten aanzien van het melden van grondverzet zonder sanerinqsooqmerk. In de Nota is geen sprake (meer) van de afspraken tussen DCMR en Deltalinqs ten aanzien van het melden van grondverzet zonder saneringsoogmerk (artikel 28 Wbb) zie onderstaande tabel. Zoals de melding nu verwoord is in de Nota (paragraaf 8.1 en 8.6) leidt dit tot een aanzienlijke (administratieve maar ook kostentechnische) lastenverzwaring. We zouden graag zien dat de bestaande afspraken tussen Deltalinqs en DCMR gehandhaafd blijven.

13

Reactie B11: In de tabel wordt een overzicht gegeven van de diverse meldingsacties die nodig zijn bij grondverzet, afhankelijk van de omvang van de ontgraving en de verontreinigingssituatie. Deze tabel is bedoeld als standaard en hulpmiddel bij het opstellen van een LocatieBeheerPlan (LBP). De inhoud van de tabel is gelijk aan het bestaande beleid (en huidige wetgeving) en is daarom niet apart opgenomen in de Nota. De tabel is van kracht, als deze in een LBP is opgenomen en het LBP is vastgesteld middels een beschikking. Ook voor nog op te stellen LBP’s binnen het havengebied kan deze tabel worden gebruikt. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond Zienswijze B12: Ongewenste verzwaring van de werkwijze bij herschikken van sterk verontreinigde grond Momenteel is herschikken binnen een geval van bodemverontreiniging (vastgelegd in het LBP) mogelijk ook voor mobiele verontreinigingen, mits voldaan wordt aan het standstillprincipe (ontvangende bodem slechter van kwaliteit dan de aan te brengen grond). In de Nota (paragraaf 8.2) wordt dit alleen nog maar mogelijk voor in-situ saneringen. Dit is een verzwaring van de huidige situatie. Wij zien dat dit een belemmering gaat vormen voor effectief/efficiënt omgaan met licht verontreinigde grond binnen een LBP-locatie. Dit is voor Deltalinqs een niet-acceptabele belemmering op van hetgeen binnen de huidige LBP’s (wel) mogelijk is.

Ook voor paragraaf 9.1 dat gaat over spoedreparaties zonder milieuschade, geldt dat voor locaties met een LBP is dit een verzwaring ten opzichte van de huidige werkwijze Reactie B12: Zoals eerder gemeld: Een saneringsplan, BUS-melding of LBP gaat boven de algemene regels zoals vastgelegd in de Nota. In de nota zal ter verduidelijking meer verwezen worden naar het LBP (mits van toepassing): daar waar naar een goedgekeurd saneringsplan of BUS-melding wordt verwezen wordt ook opgenomen ‘goedgekeurd LBP’. Aan hoofdstuk 8 wordt paragraaf 8.7 toegevoegd waar het locatiebeheerplan en het raamsaneringsplan nader worden toegelicht. In de lijst van definities wordt het LBP ook opgenomen. Conclusie: De zienswijze is inhoudelijk niet gegrond, maar het LBP wordt wel beter tekstueel toegelicht. Tekstvoorstel: 8.7 Locatiebeheerplan (LBP) en raamsaneringsplan (RSP) Het is mogelijk een locatiebeheerplan (LBP) of raamsaneringsplan (RSP) op te stellen voor grote of actieve locaties waar bijvoorbeeld veel (grond)werkzaamheden plaatsvinden en tegelijkertijd sprake is van een verontreinigingssituatie die niet direct aangepakt kan worden. Bij een LBP is sprake van een verontreinigingssituatie die voor een langere tijd beheerst wordt. Van een RSP is sprake wanneer de verontreinigingen uiteindelijk gesaneerd of tijdelijk uitgenomen worden. Een LBP en RSP hebben dezelfde status als een saneringsplan.

Een LBP en RSP bieden de mogelijkheid maatwerkafspraken op te nemen. Ook als de verontreinigingssituatie nog niet volledig in beeld is kan gebruik gemaakt worden van een LBP of RSP. Dan zal wel aangegeven moeten worden hoe omgegaan wordt met nieuwe verontreinigingen. Een eenmaal vastgesteld LBP of RSP veranderen kan alleen door middel van een nieuwe beschikking.

14

Gebruikelijk is dat op basis van LBP of RSP specifieke werkzaamheden via deelplannen nader worden uitgewerkt in een plan van aanpak (PvA). Het PvA wordt beoordeeld via een kwaliteitstoets en ook de evaluatie van de werkzaamheden gebeurt via een kwaliteitstoets. Deze hebben een kortere procedure. Meer informatie over LBP en RSP is via de DCMR Milieudienst Rijnmond te krijgen. Bijlage 9: Raamsaneringsplan - Plan dat de sanering beschrijft van een grote of uitgestrekte locatie, waarbij verschillende gevallen van bodemverontreiniging worden aangepakt. Locatiebeheersplan - Plan dat de werkzaamheden in de bodem beschrijft voor een locatie waar gedurende een lange periode de aanwezige, historische verontreiniging wordt beheerst. Zienswijze B13: Aandacht voor specifieke vergunningafspraken met de bedrijven met betrekking tot ongewone voorvallen met milieuschade. Over ongewone voorvallen met milieuschade (paragraaf 9.2) zijn in de vergunning van een bedrijf vaak specifieke afspraken gemaakt. We gaan er vanuit dat deze specifieke afspraken ‘voorrang’ hebben op deze generieke eis in de Nota. Momenteel vindt geen overleg vooraf plaats bij incidenten met mobiele stoffen. Hierover zijn afspraken gemaakt met DCMR. Het vooraf overleg hebben met DCMR levert een administratieve en kostentechnische lastenverzwaring op en vertraagt de afhandeling van een bodemincident onnodig.

Ook DCMR schriftelijk informeren over het resultaat van de uitgevoerde bereddering (voor sanering) levert een onnodige lastenverzwaring op. Hierover zijn door veel bedrijven al afspraken gemaakt met DCMR en deze generieke eisen komen daar niet mee overeen. Reactie B13: Specifieke vergunningvoorschriften gaan altijd voor algemene regels. Bij inrichtingen met een Wabo-vergunning gaan de vergunningvoorschriften van de Wabo dus ook voor algemene regels, ook die van de nota. In hoofdstuk 9 zal dit nader worden aangegeven. Conclusie: De zienswijze is inhoudelijk niet gegrond, maar dit wordt wel beter tekstueel toegelicht in hoofdstuk 9. Tekstvoorstel: Inleiding hoofdstuk 9: Calamiteiten die spoedeisend ingrijpen en graafwerkzaamheden noodzakelijk maken, zijn onder te verdelen in voorvallen zonder milieuschade (9.1) en voorvallen met milieuschade (9.2). Voor het omgaan met beide situaties gelden binnen de gemeente Rotterdam specifieke vastgestelde procedures. Voor inrichtingen waarvoor een Wabo vergunning is afgegeven, gelden de voorschriften die in die vergunning zijn vastgelegd en de algemene regels van de Wabo. In gevallen waarin de Wabo niet van toepassing is, gelden navolgende regels.

Deltalinqs gaat ervan uit dat u onze bevindingen ter harte neemt. We zijn uiteraard bereid tot een nadere toelichting en treden graag met u in overleg over de genoemde punten.

15

C. Beantwoording zienswijze Havenbedrijf N.V. Havenbedrijf N.V. heeft de volgende zienswijzen ingebracht: Hierbij ontvangt u onze zienswijze op de Ontwerp Nota bodembeheer Rotterdam zoals op 29 maart 2022 door Burgemeester en wethouders van Rotterdam is vastgesteld, inclusief de bijbehorende Bodemkwaliteitskaart. De Nota bodembeheer Rotterdam (de Nota) geeft aan welke aanvullende regels de gemeente Rotterdam stelt op het gebied van bodembeheer. We willen de gemeente Rotterdam allereerst graag bedanken voor onze betrokkenheid in het proces naar de nieuwe Nota. Wij vinden het resultaat een duidelijk en prettig leesbaar document. In de bijlage bij deze brief hebben wij enkele kleine tekstuele aanvullingen en/of opmerkingen opgenomen. Ten aanzien van de onderstaande punten willen wij graag een zienswijze indienen: Zienswijze C1: In hoofdstuk 2 wordt de nieuwe bodemkwaliteitskaart behandeld. In de nieuwe kaart is de huidige contour van Maasvlakte 2 opgenomen. In deze contour zijn echter nog wijzigingen te verwachten omdat de landaanwinning op Maasvlakte 2 nog niet volledig is afgerond. Het is onwenselijk als eventuele nieuwe delen van Maasvlakte 2 niet zijn opgenomen in de bodemkwaliteitskaart omdat dit het hergebruik van grond uit deze gebieden belemmert.

Daarom verzoeken wij u om in de Nota een zinsnede op te nemen waardoor het mogelijk wordt dat als er delen ‘land’ aan Maasvlakte 2 worden toegevoegd, deze automatisch onderdeel gaan uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Reactie C1: De landaanwinning zal vermoedelijk plaatsvinden binnen het gebied wat nu omsloten wordt door ruimtelijke eenheid 08e. Ter plaatse van het nieuw aan te winnen land zal hetzelfde hergebruiksbeleid gaan gelden als ruimtelijke eenheid 08e. De contouren van het gebied zijn nog niet exact bekend en de kaart wordt hierop aangepast zodra de landaanwinning is gerealiseerd en de contour vaststaat. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze C2: In hoofdstuk 3 zijn de regels voor PFAS opgenomen. PFAS betreft een stof die al lang wordt gebruikt, maar waarvan men pas sinds enige jaren bewust is van de aanwezigheid en de risico’s. Inmiddels zijn er voor PFAS normen opgesteld. Echter ondanks het feit dat PFAS pas sinds kort als een risico wordt gezien voor mens en milieu, wordt als formeel jaartal waarop men ‘wist of behoorde te weten dat PFAS een risico vormde voor het milieu’ (definitie van een nieuw geval van bodemverontreiniging) het jaartal 1987 door de overheid gehanteerd. Reactie C2: De gemeente Rotterdam onderschrijft het belang van een spoedig vast te stellen landelijk toetsingskader via een definitief landelijk beleid rondom PFAS.

In afwachting van landelijke beleid is ervoor gekozen om 1987 aan te blijven houden. Zoals in 3.1.6 staat opgenomen blijven in overleg met de DCMR wel maatwerkoplossingen voor aanpak mogelijk. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. 16

Zienswijze C3: In de Nota is opgenomen dat in gevallen die ontstaan zijn na 1987 moet worden terug gesaneerd tot de kwaliteitsklasse (‘LMW’) die geldt voor het gebied. Aangezien het merendeel van de gebieden in het havengebied zijn ingedeeld in de kwaliteitsklasse wonen of natuur, leidt dit er in de praktijk toe dat grote hoeveelheden hergebruiksgrond met de kwaliteit ‘klasse wonen en/of industrie’ moeten worden verplaatst naar andere locaties. Dit terwijl de aanwezigheid van deze grond op de oorspronkelijke locaties in overeenstemming is met het gebruik en de functie van het gebied (industrie). Het heen en weer rijden van hergebruiksgrond veroorzaakt naast hoge kosten ook extra uitstoot van o.a. fijnstof, stikstof en CO2 waardoor het totale milieurendement negatief is. Voor een industriegebied is dit ongewenst. Dit probleem is op te lossen door in de Nota de mogelijkheid op te nemen om in industriegebieden in het havengebied PFAS terug te saneren tot aan het niveau van de functieklasse (industrie). Reactie C3: Zie reactie C2 Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze C4: In hoofdstuk 7 worden de voorwaarden voor de toepassing van onder meer immobilisaten en TGG (thermisch gereinigde grond) besproken. Registratie van een dergelijke toepassing is niet in de Nota opgenomen.

Gezien het afwijkende karakter van immobilisaten en TGG en de verplichte terugneembaarheid van de materialen, is registratie van een dergelijke toepassing wenselijk. We zien graag dat dit in de Nota wordt opgenomen. Wij verzoeken u de Nota op grond van bovenstaande aan te passen. Ook zijn wij graag bereid tot een (mondelinge) toelichting van onze zienswijze. Reactie C4: Het gebruik van TGG valt onder de toepassing grond en wordt slechts geregistreerd als TGG wordt hergebruikt in een GBT (zie paragraaf 7.2 en 7.3.5). Hergebruik elders is toegestaan met een melding en wordt daarmee niet geregistreerd. Bij de melding wordt getoetst of hergebruik toegestaan is, zie hoofdstuk 7. Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Zienswijze C5: Bijlage bij Zienswijze Ontwerp Nota bodembeheer: In deze bijlage treft u een voorstel t.a.v. enkele tekstuele aanpassingen in de Nota en enkele kleine opmerkingen/aanvullingen: a. De datum en versienummer van de Nota ontbreken op het voorblad. Ons voorstel is om dit aan te vullen. b. Pag. 10, 1e zin: ………… gemaakt of andersom (door graven watergang) of andersom, dan wijzigt ook het bevoegd gezag. De tekst is dubbel, wij stellen voor om het onderstreepte deel te verwijderen. c. Pag. 27, Boor verontreiniging lijkt weinig voor te komen.

Waarom is er dan toch specifiek voor het toevoegen van Boor gekozen? En waarom wordt in het geval van een nieuwe geval met Boor terug gesaneerd tot de LAW en niet tot aan de LMW (vergelijkbaar met PFAS)? 17

d. Pag. 29, par. 4.2: titel Lokale norm voor TBA. Waar de afkorting TBA voor staat, wordt pas verder in de tekst uitgelegd. Ons voorstel is om dit al in de titel op te nemen. e. Pag. 30, figuur 3: Titel figuur is ’grenzen havengebied’. Wij vermoeden gezien de weergegeven grenzen dat de titel ‘gemeentegrens Rotterdam’ zou moeten zijn. Ons voorstel is om de titel aan te passen. f. Pag. 35, par 5.6, 3e alinea: …..… mogelijk is, is het nodig bij graafwerkzaamheden in de toekomst een afperkend onderzoek en een saneringsplan of BUS melding ter beoordeling in te dienen. Voorstel 1 keer ‘is’ laten vervallen. g. Pag. 38, par 6.3, voorstel om laatste woord (vermelden) te vervangen door vermeldt. h. Pag. 60 t/m 63: In de bodemkwaliteitskaarten is de kleur van de snelwegen niet te onderscheiden van de kleur die gebruikt is voor ‘klasse Wonen’. Dit is verwarrend. Ook wordt niet duidelijk uit de bijlage dat de snelwegen als klasse Industrie worden gezien (dit is alleen in de tekst opgenomen). Voorstel om voor snelwegen de kleur rood (klasse industrie) te gebruiken met hierin een merkteken (b.v. streepjes of kruisjes) om het verschil te benadrukken met andere gebieden met klasse industrie. i. In bijlage 3 (PFAS verdachte locaties) ontbreken de locaties van de gezamenlijke brandweer. Voorstel om deze locaties toe te voegen. j. In bijlage 2 ontbreken de eenheden.

Dit maakt de interpretatie lastig. Voorstel is om de eenheden toe te voegen aan de tabel.

Reactie C5: a. b.

c.

d. e.

f.

g.

h. i. j.

Niet overgenomen, gegevens zijn opgenomen in het colofon op de achterpagina. Pag. 10, 1e zin wordt aangepast tot: Wanneer op een locatie van een waterbodem een landbodem (door demping watergang) wordt gemaakt of andersom (door graven watergang), dan wijzigt ook het bevoegd gezag. Terugsaneren tot LAW volgt uit de Wbb die voorschrijft dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen volledig verwijderd dienen te worden. Indien opnieuw een geval met Boor voorkomt kunnen de eerder afgeleide normen worden gehanteerd. Zoals eerder vermeld wordt voor PFAS het landelijk handelingskader afgewacht. Pag. 29, par. 4.2: titel Lokale norm voor TBA. Voorstel wordt overgenomen: in de titel wordt Tert-butylalcohol (TBA) uitgeschreven Pag. 30, figuur 3: Titel figuur is ’grenzen havengebied’ Titel wordt iets aangepast. Het gaat hier echter niet om de gemeentegrens maar om de grens waar de GGA aanpak geldig is: dus De grens van het Havengebied voor aanpak GGA. Pag. 35, par 5.6, 3e alinea: …..… mogelijk is, is het nodig bij graafwerkzaamheden in de toekomst een afperkend onderzoek en een saneringsplan of BUS melding ter beoordeling in te dienen.

Tekst is niet volledig duidelijk en wordt aangepast naar: Als de initiatiefnemer ervoor kiest om de verontreiniging niet als een nieuw geval van verontreiniging te saneren en er ook geen goedgekeurd saneringsplan of BUSmelding is, waarbinnen sanering van de nieuw aangetroffen verontreiniging mogelijk is, dan dient de initiatiefnemer een afperkend onderzoek en een saneringsplan of BUS-melding ter beoordeling in te dienen. Het onderzoek en het saneringsplan mag beperkt blijven tot het projectgebied van het initiatief. Pag. 38, par 6.3, voorstel om laatste woord (vermelden) te vervangen door vermeldt. Voorstel om laatste woord (vermelden) te vervangen door vermeldt: akkoord Snelwegen zullen duidelijker worden aangeven (verwijzen naar klasse Industrie) Deze locaties worden opgenomen in de puntbronnenkaart. In bijlage 2 ontbreken de eenheden. Dit maakt de interpretatie lastig. Voorstel is om de eenheden toe te voegen aan de tabel. Onder elke pagina van de tabel van bijlage 2.1 wordt opgenomen: Alle normwaarden zijn vermeld in mg/kg ds. 18

Conclusie Nota wordt aangepast conform bovenstaande zienswijzen en daaruit volgende tekstuele aanpassingen. De aangepaste nota wordt ter besluitvorming voorgelegd aan college en raad.

19

Wijziging bodemkwaliteitskaarten Bij controle van de bodemkwaliteitskaarten zijn een aantal onjuistheden geconstateerd die zijn gewijzigd. Deze ambtelijke wijzigingen hebben bij drie RE’s invloed op de toepassingskaart. In één geval worden de eisen strenger (RE95b). In rood staat aangegeven welke veranderingen van de bodemkwaliteitskaart (van ontwerp naar definitief) zijn doorgevoerd. RE 42d (bovengrond) Nota bodembeheer Kaart functieklasse Kaart kwaliteitsklasse tot 1 m -mv Eis voor toe te passen grond en of bagger

Ontwerp Industrie Industrie Wonen

Definitief Industrie Wonen Wonen

Toelichting: de kwaliteitsklasse op de ontwerp kaart betrof de statistische kwaliteit. Dit betreft echter een loswal die is afgedekt met schone en hergebruiksgrond. Deze grond voldoet aan de klasse wonen. Bij de toepassingskaart was deze aanpassing al doorgevoerd.

RE56c (bovengrond) Nota bodembeheer Kaart functieklasse Kaart kwaliteitsklasse tot 1 m -mv Eis voor toe te passen grond en of bagger

Ontwerp Wonen Wonen Landbouw

Definitief Wonen Wonen Wonen

Toelichting: de toepassingskaart was waarschijnlijk nog gebaseerd op kwaliteitsgegevens uit 2012. De kwaliteitsklasse is echter veranderd in wonen en aangezien de functieklasse ook wonen is heeft de toepassingskaart ook kwaliteit wonen.

RE66c (lintbebouwing) Nota bodembeheer Kaart functieklasse Kaart kwaliteitsklasse tot 1 m -mv Eis voor toe te passen grond en of bagger

Ontwerp Wonen Natuur Natuur

Definitief Wonen Onbekend Natuur

Toelichting: op de ontwerp kaart stond een lijn en dit is veranderd in vlakken, waarvan de exacte kwaliteit niet bekend is.

RE68 (bovengrond) Nota bodembeheer Kaart functieklasse Kaart kwaliteitsklasse tot 1 m -mv Eis voor toe te passen grond en of bagger

Ontwerp Wonen Landbouw Natuur

Definitief Wonen Natuur Natuur

Toelichting: de kwaliteitsklasse op de ontwerp kaart betrof de statistische kwaliteit. Bij het bouwrijp maken is het gebied opgehoogd met zand met de kwaliteit natuur.

RE78c (bovengrond) Nota bodembeheer Kaart functieklasse Kaart kwaliteitsklasse tot 1 m -mv Eis voor toe te passen grond en of bagger

Ontwerp Industrie Landbouw Natuur

Definitief Industrie Landbouw Landbouw

Toelichting: de toepassingskaart correspondeerde niet met de combinatie van de functie- en kwaliteitsklasse. 20

RE95b (bovengrond) Nota bodembeheer Kaart functieklasse Kaart kwaliteitsklasse tot 1 m -mv Eis voor toe te passen grond en of bagger

Ontwerp Industrie Onbekend Wonen

Definitief Industrie Onbekend Natuur

Toelichting: Voor deze RE zijn te weinig actuele gegevens (data) aanwezig om de kwaliteit te bepalen. De kwaliteitsklasse is daarmee onbekend en de regels stellen dat de toepassingseis dan verandert in de kwaliteit natuur. De verwachting is echter dat de werkelijkheid slechter is dan natuur. Bij het toepassen van grond in dit gebied kan overwogen worden om eerst de kwaliteit van de ontvangende bodem te bepalen middels een onderzoek conform NEN 5740 strategie ONV.

RE99b (ondergrond) Nota bodembeheer Kaart kwaliteitsklasse van 1-2 m - mv

Ontwerp natuur

Definitief wonen

Toelichting: De statistische kwaliteit is natuur. Omdat het aantal analyses en de dekking voor barium, kobalt, molybdeen en PCB lager is dan gewenst (niet statistisch verantwoord), is aan deze RE de kwaliteit wonen toegekend. Dit is de P90 van de ondergrond.

Conclusie Bovenstaande wijzigingen worden doorgevoerd in de diverse kaarten van de bodemkwaliteitskaart die bij de definitieve nota Bodembeheer gevoegd is. Noot Per RE is vastgelegd hoe de indeling, zoals op de kaarten weergegeven, tot stand is gekomen. Dit is verwoord in een apart document (Ingenieursbureau Rotterdam, nummer IB2020-0243) als toelichting op de bodemkwaliteitskaart. Dit document is, naast de nota Bodembeheer, via de website van de DCMR Milieudienst Rijnmond toegankelijk. Bovenstaande onderbouwing is daarin opgenomen. Dit document is met name van belang voor professionele gebruikers op bodemgebied.

21

De aanpassing van de indicatieve niveaus van ernstige verontreiniging PFAS In de nota Bodembeheer Rotterdam is in paragraaf 3.1.4. aangegeven hoe omgegaan wordt met de verandering in normstelling voor PFAS. Op het moment dat nieuwe INEV’s of interventiewaarden worden vastgesteld, zijn deze ook van toepassing voor (het beleid van) de gemeente Rotterdam. Op 2 mei 2022 is door staatssecretaris Heijnen (ministerie van IenW) aan de Tweede Kamer gemeld dat nieuwe INEV’s voor PFAS zijn vastgesteld. In de nota zijn deze INEV’s opgenomen in tabel 6. In paragraaf 3.1.4 luidt tabel 6 derhalve: INEV’s voor PFAS

Grond µg/kg ds

Grondwater

Grondwater (zonder

(drinkwater) ng/l

drinkwater) ng/l

9,9

2.700

PFOS

59

PFOA

60

20

8.600

FRD-903 (GenX)

57

330

60.000

Voor alsnog wordt met vaststellen van deze nieuwe INEV’s de LMW voor PFAS in grond niet gewijzigd.

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=135b28fa-02ba-4087-95c1-ad76cb423c73