CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001704] Bijlage 2 behorende bij 23bb001702 over Nota bodembeheer Rotterdam

Gemeenteraad 1 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van de Nota bodembeheer Rotterdam.35.114 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

24

ļmmu

U-U LLU iL 'i

.«i"

rŞfiéf *! 11. |gr|

p !l n ■im II 1

ÎW'te *. w-v jfciT

3.3 Asbest

het uitvoeren van een verkennend of nader asbest­

Voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden in

onderzoek volgens NEN 5707;

bodem en ondergrond is het noodzakelijk in het voor­

3.

onderzoek altijd het aspect asbest mee te nemen. Het is

als op een locatie mogelijk respirabele asbestvezels (vezels die kunnen worden ingeademd) aanwezig

hierbij van belang rekening te houden met beschikbare

kunnen zijn, dienen de monster hierop geanalyseerd

informatie. In hoeverre in een bepaalde situatie

te worden;

verkennend of nader asbestonderzoek verplicht nodig is,

4.

bij sanering van een asbestverontreiniging met

is afhankelijk van het precieze doel van de werkzaam­

respirabele asbestvezels vindt ook analyse plaats

heden. Uitgangspunt is dat er voor onverdachte gebieden

van de controlemonsters op respirabele vezels.

geen onderzoeksplicht op asbest geldt, mits er geen asbestverdachte materialen zoals plaatmateriaal

3.3.1 Puntbronnen asbest

(dus anders dan puin) zijn waargenomen tijdens de

Puntbronnen kunnen aanleiding zijn om verontreini­

(onderzoeks)werkzaamheden.

gingen tot boven de interventiewaarde te verwachten. Als uit het vooronderzoek blijkt dat een locatie asbest­

Het vooronderzoek naar asbest dient onderscheid te

verdacht is op basis van een puntbron, dan dient voor

maken naar puntbronnen (zie paragraaf 3.3.1) en diffuse

het vaststellen van de kwaliteit een verkennend of nader

verontreinigingen (zie paragraaf 3.3.2).

asbestonderzoek (NEN 5725 en NEN 5707) plaats te vinden. Asbestverdachte puntbronnen betreffen locaties

Bij het onderzoek of bij aantreffen van asbest gelden de

waar (voormalige) activiteiten en gebeurtenissen hebben

volgende aanvullende eisen:

plaatsgevonden die de bodem asbestverdacht maken.

1.

als een locatie op basis van het vooronderzoek niet

Deze locaties zijn in het kader van het opstellen van het

asbestverdacht is, kan het aantreffen van asbest­

landsdekkend beeld geïdentificeerd en opgenomen in

verdachte materialen tijdens het bodemonderzoek

het Historische bodembestand, waarbij gebruik is

alsnog aanleiding zijn voor een verkennend of nader

gemaakt van de Uniforme Bron Indeling (UBI).

asbestonderzoek. De vigerende NEN 5725 geeft

Als aanvulling hierop gelden voor Rotterdam de volgende

echter het volgende aan: 'indien er sporadisch

locaties:

asbestverdacht materiaal op de locatie wordt

1.

aangetroffen, zonder een duidelijke kern of bron van bodemverontreiniging, is er geen sprake van een

daterend van vóór 1965; 2.

asbestverdachte situatie.' Het is daarbij wel nood­ zakelijk een en ander duidelijk te beargumenteren in

overslaglocaties van stukgoed en/of droge bulk plaatsen waar regenwater van asbestdaken in de grond is gelopen;

3.

lintbebouwing.

het onderzoeksrapport; 2.

wanneer er meer dan sporadisch asbestverdacht

Toelichting:

(plaat)materiaal op de locatie aanwezig is, is er sprake

Bij bedrijven waar vóór 1965 stukgoed en/of droge bulk

van een asbestverdachte locatie of een mogelijk

werd op- en overgeslagen (bijlage 5) kunnen asbest­

geval van ernstige verontreiniging met asbest. Het is

vezels als stukgoed (juten en/of plastic zakken) zijn

mogelijk deze verdenking weg te nemen door aan te

overgeslagen en mogelijk ook als droge bulk. Voor deze

tonen dat het materiaal geen asbest bevat of door

locaties geldt dat deze verdacht zijn voor asbest.

Nota bodembeheer Rotterdam

3 Gemeentelijk beleid voor PFAS, lood, asbest en boor.

25

Bij oude gebouwen en schuren kunnen asbesthoudende

Wanneer uit vooronderzoek blijkt dat grond afkomstig is

plaatmaterialen in gebruik zijn als dakbedekking. Door

van een onverdachte locatie, kan de grond op basis van

verwering van de daken kunnen asbestvezels en stukjes

de Bodemkwaliteitskaart elders worden toegepast.

asbesthoudend materiaal loskomen. Dit kan leiden tot bodemverontreiniging. Op plaatsen waar het regenwater

Als uit het vooronderzoek blijkt dat de grond afkomstig

van deze daken is gebruikt voor begieting of in de bodem

is van een puntbron, moet de grond verkennend en zo

infiltreert (breedte in het algemeen 1 meter, diepte 0,1 m)

nodig nader op asbest onderzocht zijn. De resultaten

rust een verdenking van het voorkomen van asbest in de

van dit asbestonderzoek bepalen mede de klasse van de

bodem. Deze locaties zijn niet op de kaart met asbest-

grond.

verdachte activiteiten weergegeven, omdat deze niet worden geregistreerd. Binnen de Uniforme Bron Indeling

Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat de grond

(UBI) is er geen 'activiteit' asbestdak. En de mogelijke

alleen verdacht is voor diffuse verontreinigingen met

verontreinigingen zijn niet geïnventariseerd in het kader

asbest (zonder puntbron), kan de grond op basis van de

van het Landsdekkend beeld.

Bodemkwaliteitskaart als klasse Industrie elders worden toegepast. Voorwaarde is wel dat deze grond ook op

3.3.2 Diffuse asbestverontreinigingen

basis van andere parameters toepasbaar is. Deze

Gebieden die potentieel verdacht zijn voor diffuse

vrijstelling van onderzoek geldt alleen voor grond

verontreinigingen met asbest zijn geïdentificeerd op

afkomstig uit het beheergebied van de gemeente

basis van bouwhistorie (gesloopt, gebouwd of aangelegd

Rotterdam. Via de website van DCMR wordt aangegeven

in de periode tussen 1945 en 1998). De verdenking

welke gemeenten buiten Rotterdam binnen het beheer­

betreft met name grond waarin puinbijmengingen

gebied van de Bodemkwaliteitskaart liggen.

voorkomen. In beginsel zijn puinbijmengingen in deze gebieden diffuus verdacht voor de aanwezigheid van

Uitsluitend voor toepassingen op locaties met een func­

asbest. Uitzondering hierop zijn duidelijk onverdachte

tieklasse Industrie is het toegestaan dat grond zicht­

bijmengingen, zoals slakken, koolassen, asfalt, bakstenen,

baar asbesthoudende stukjes bevat.

dakpannen, cement, klinkers, straatstenen en/of trottoir­ Het aantreffen van asbestverdachte materialen tijdens

banden (lit. 8 en 14).

ontgraving kan aanleiding zijn voor een verkennend of Bij diffuse verontreinigingen is het aannemelijk dat

nader asbestonderzoek.

puinbijmengingen zonder zichtbare asbestverdachte materialen, niet leiden tot gehalten boven de interventie­

3.3.4 Lokale Maximale Waarden voor asbest

waarde op basis van lokaal onderzoek.

Er geldt voor de gemeente Rotterdam een LMW voor de klassen Natuur, Landbouw en Wonen van 50 mg asbest/

Voor de gemeente Rotterdam is een asbestverwachtin-

kg ds. Het Rotterdamse beleid sluit hiermee aan bij het

genkaart beschikbaar (bijlage 5). Hierop is aangegeven

beleid van de andere gemeenten in het Rijnmondgebied.

of er binnen een RE (of een uit verschillende RE's samen­

De genoemde LMW geldt ook als terugsaneerwaarde.

gestelde grotere RE) sprake is van een verdenking voor waarde. Deze kaart is samengesteld op basis van

3.3.5 Tijdelijke uitname en tijdelijke uitplaatsing asbesthoudende grond

historische gegevens (van de meest verdachte bodem­

Op basis van de Richtlijn tijdelijke uitname asbest en

diffuse verontreinigingen met asbest tot de interventie­

laag) en in het verleden aangetroffen asbestgehalten

puin (lit. 10) is asbest geen belemmering voor tijdelijke

(bodemlaag tot 1 m-mv).

uitname en tijdelijke uitplaatsing van (puinhoudende) grond. De tijdelijke uitplaatsing kan plaatsvinden als

3.3.3 Toepassen van niet sterk verontreinigde asbesthoudende grond

'tijdelijk uitnemen' binnen het Bbk14. of als 'tijdelijk

Voor asbest vindt bij toepassen van grond geen dubbele

wanneer tijdelijke uitname, of tijdelijke uitplaatsing

toets plaats. Er wordt alleen getoetst aan de functieklasse

voldoet aan de eisen en randvoorwaarden die de richtlijn

van de locatie.

beschrijft.

Nota bodembeheer Rotterdam

uitplaatsen' in het kader van het BUS15. Dit echter alleen

14

Bbk, art 36, lid 3

15

BUS, art. 7, lid 1b

3 Gemeentelijk beleid voor PFAS, lood, asbest en boor.

26

Verwijdering van toegepaste asbesthoudende materialen

gebruikt voor het toepassen van grond vanuit verdachte

uit de bodem, dient overeenkomstig de regelgeving van

locaties.

asbestsloop plaats te vinden. Bij vragen kan contact worden opgenomen met de zogeheten 'asbesttelefoon'

Een geval van ernstige verontreiniging kan worden

van DCMR. Hiervoor zijn het telefoonnummer

bepaald met de jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm

010 - 246 86 56 en het e-mailadres

voor langdurige blootstelling (JG-MKN) als de feitelijke

info@dcmr.nl beschikbaar.

interventiewaarde. De LMW kunnen worden gebruikt als terugsaneerwaarde. Voor verontreinigingen boven de

Als aanvulling op de richtlijn geldt in Rotterdam dat bij

LAW die zijn ontstaan na 1987 geldt dat er sprake is van

het aantreffen van intacte asbestbuizen waarbij de

een nieuw geval van verontreiniging. In dergelijke ge­

omliggende grond geen visueel zichtbare buis- en/of

vallen geldt ook dat de bodem moet worden gesaneerd

kitresten bevat, voortzetting van het werk mogelijk is.

tot de LAW.

Voorwaarde hierbij is dat hiervan melding plaatsvindt bij DCMR. Ook wanneer tijdens de werkzaamheden onverhoopt blijkt dat de buis kapot is, of wanneer deze tijdens het graafwerk kapot gaat, dan dient hiervan direct melding plaats te vinden bij DCMR. In overleg worden dan de vervolgstappen bepaald.

3.4 Boor De aanwezigheid van boor in de bodem is over het algemeen geen gevolg van menselijke activiteiten. Alleen bij enkele specialistische bedrijven in de haven is boor toegepast en verhandeld. Als referentie zijn voor boor LAW vastgesteld om aan te kunnen tonen welk deel wel afkomstig is van menselijk handelen en wat de natuurlijke achtergrondwaarde is. Deze LAW kan wor­ den gebruikt als LMW Natuur. Ook zijn er LMW voor Landbouw, Wonen en Industrie vastgesteld. In tabel 8 zijn deze waarden gegeven. In bijlage 6 is beschreven hoe deze normen zijn afgeleid. De LMW kunnen worden

Tabel 8 Normwaarden boor

grondwater (^g/l) opper­ havengebied grond (mg/kg ds)

zoet/brak polders

zout

brak

zoet

vlakte­ water (zoet)

LAW

25

300

2.000

1.000

500

26

LMW Landbouw

55

LMW Wonen

100

LMW Industrie

200

I-waarde/JG-MKN

200

630

6.300

6.300

6.300

[206]

normwaarde

MAC-MKN

Nota bodembeheer Rotterdam

[476]

3 Gemeentelijk beleid voor PFAS, lood, asbest en boor.

27

4 Gemeentelijk beleid grondwater. Samenvatting Grond en grondwater maken deel uit van één systeem: de bodem. Wanneer verontreinigingen zijn opgelost in het grondwater, kunnen deze zich in de bodem verspreiden. Het is daarom bij de aanwezigheid van bodemverontreiniging altijd noodzakelijk om de samenhang met het grondwater te onderzoeken. Andersom gerede­ neerd is het vanuit de zorg voor de kwaliteit van het grondwater van belang een goed beeld te hebben van de bodem - en de eventueel daarin aanwezige verontreinigingen - waarin het grondwater zich 'beweegt'. De Omgevingswet kent een scheiding in bevoegdheden voor grond en grondwater. Ook de Nota Bodembeheer maakt duidelijk dat er in zekere zin sprake is van gescheiden werelden. Grondwater komt slechts zijdelings aan bod. De reden hiervan is onder meer dat de grondwaterkwaliteit vaak een ondergeschikte rol speelt bij grondverzet en grondgebruik. Dit hoofdstuk gaat specifiek in op een aantal aspecten die direct met grondwater te maken hebben. Bij de Gebiedsgerichte Aanpak in het Rotterdamse Havengebied is de aanpak specifiek gericht op de verbetering van de kwaliteit van het grondwater. Op het snijvlak van grond en grondwater is specifieke aandacht nodig voor het bepalen van zogeheten drijf- en zaklagen en daarnaast is voor de stof tert-butylalcohol een lokale norm en achtergrondwaarde voor grondwater bepaald.

Nota bodembeheer Rotterdam

4 Gemeentelijk beleid grondwater.

28

Inleiding

een snijdende als een diepe peilbuis te gebruiken. Het

Grond en grondwater maken deel uit van één systeem: de

verdient de voorkeur dergelijk onderzoek gefaseerd uit

bodem. Wanneer verontreinigingen zijn opgelost in het

te voeren.

grondwater, kunnen deze zich in de bodem verspreiden. In de volgende paragrafen komt een aantal specifieke

Omdat het onderzoeken van drijf- en zaklagen zeer

aandachtspunten met betrekking tot het grondwater

complex is, dient de voorbereiding hiervan in overleg

aan de orde.

met DCMR plaats te vinden.

4.1 Bepalen drijf- en zaklagen

4.2 Lokale norm voor Tert-butylalcohol (TBA)

Stoffen die lichter zijn dan water en mogelijk op het grondwater drijven en/of een drijflaag vormen, zorgen

Bij het aantreffen van methyl-tert-butylether (MTBE) en

ervoor dat de kwaliteit van het grondwater te positief

ethyl-tert-butylether (ETBE) in de bodem, geldt in

wordt ingeschat bij monstername uit een filter onder de

Rotterdam dat ook een analyse moet plaatsvinden op de

grondwaterspiegel (peilbuis conform NEN 5740). Het

aanwezigheid van het afbraakproduct tert-butylalcohol

gaat hierbij allereerst om matig tot slecht in wateroplos­

(lit. 2).

bare stoffen zoals benzine en andere lichtere oliesoorten van minerale en/of plantaardige oorsprong. Daarnaast

Voor historische verontreinigingen met TBA, die zijn

bestaan er stoffen die de oppervlaktespanning van het

ontstaan voor 1 januari 1987, hanteert de gemeente

grondwater kunnen verlagen terwijl deze stoffen

Rotterdam een interventiewaarde van 7.000 pg/l en een

vanwege hun soortelijk gewicht verdacht zijn voor dicht-

terugsaneerwaarde van 3.500 pg/l in het grondwater. De

heidstroming (bijvoorbeeld vluchtige organochloor-

terugsaneerwaarde geeft de concentratie van een stof aan

verbindingen en PFAS). Door de verlaging van de opper­

die na sanering nog maximaal aanwezig mag zijn (lit. 2).

vlaktespanning (zeepgedrag) kunnen deze stoffen bij contact met het grondwater een film met puur product

Nieuwe verontreinigingen met TBA, die zijn ontstaan

vormen in combinatie met een zaklaag in de kern. Deze

vanaf 1 januari 1987, dienen zoveel mogelijk ongedaan

kan daarna geheel of gedeeltelijk in oplossing gaan. Met

gemaakt te worden tot beneden de terugsaneerwaarde

een snijdend filter kunnen deze stoffen ook buiten de

voor nieuwe verontreinigingen (zie tabel 9).

kern gedetecteerd worden. Het onderzoek van stoffen, die (in pure vorm) lichter zijn

Tabel 9 Normwaarden TBA grondwater in pg/l

dan water, vindt plaats met behulp van peilbuizen met Terugsaneerwaarde

een filterlengte van 2 meter. Door de bovenkant van het

Stof

Nieuwe veront­ reiniging

Historische veront­ reiniging

Interventie­ waarde

MTBE

15

4.600

9.400

ETBE

15

4.600

9.400

TBA

15

3.500

7.000

filter 0,5 meter boven de gemiddelde grondwaterstand te positioneren, is het mogelijk om drijvende stoffen op te sporen (snijdend filter).

Om te voorkomen dat het snijdend filter een effect heeft op de grondwaterkwaliteit (door oxidatie en het ver­ vliegen van de verontreiniging), is extra aandacht nodig voor de juiste wijze van voorpompen en bemonsteren volgens de BRL SIKB 2000.

Stoffen die (in pure vorm) zwaarder zijn dan water en via

4.3 Lokale Achtergrondwaarden grondwater

het grondwater dieper in de bodem zakken, kunnen op

Regelmatig worden er bij onderzoek verhoogde concen­

enige diepte onder de grondwaterspiegel mogelijk een

traties in het grondwater aangetroffen voor arseen,

zogeheten zaklaag vormen. Het onderzoek van deze

barium, boor, bromide, chloride, lood, nikkel en zink.

stoffen vindt plaats met een peilbuis waarvan de onder­

Als in de grond geen overschrijding van de tussen­

zijde is geplaatst op de eerste slecht doorlatende bodem­

waarden (gemiddelde van de Achtergrondwaarde en de

laag. Bij deze stoffen gaat het onder meer om zware

Interventiewaarde) van de betreffende stof wordt

oliesoorten en chlooroplosmiddelen.

aangetroffen en de verhoogde concentraties niet door menselijk handelen zijn veroorzaakt, is er sprake van

Van creosoot is bekend dat het zowel drijf- als zaklagen

natuurlijke verhoogde achtergrondconcentraties. Verder

vormt. Dit betekent dat het voor bepaalde stoffen met

onderzoek naar en sanering van deze verhoogde

een grotere dichtheid dan water zinvol kan zijn, zowel

concentraties zijn dan niet noodzakelijk.

Nota bodembeheer Rotterdam

4 Gemeentelijk beleid grondwater.

29

waarden ten opzichte van de MW zoals die zijn opgeno­

4.4 Gebiedsgerichte Aanpak bodem en grondwater in het havengebied (GGA)

men in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (lit.

De Europese Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn

17) en in bijlage 2 deel II van deze Nota. Voor verschil­

Water stellen voorwaarden aan de kwaliteit van het

In brak en zout grondwater kan sprake zijn van verhoogde

lende parameters zijn verhoogde LAW afgeleid.

grondwater. Vanwege de grootschalige en complexe verontreinigingen heeft het Rotterdamse havengebied

Freatisch grondwater is het bovenste deel van het

hierin een bijzondere positie. Bedrijven hebben hier de

grondwater waar de grondwaterspiegel aanwezig is. Brak

mogelijkheid om vrijwillig deel te nemen aan de zoge­

of zout freatisch grondwater komt voor in de meeste

heten Gebiedsgerichte Aanpak (GGA). Deze aanpak

onderhoudsbaggerspecieloswallen, de westelijke helft

bestaat uit het - onder gecontroleerde omstandigheden

van het Rotterdamse havengebied (Botlek, Europoort,

- bieden van meer tijd en ruimte om verontreinigingen

Maasvlakte I/II) en in delen van de deelgebieden Hoek

binnen een aangewezen beheergebied te beheersen ten

van Holland, Hoogvliet en Rozenburg.

opzichte van de gevalsgerichte aanpak. Bovendien biedt

Op locaties waar recent kassen zijn verwijderd, is in de

verontreinigingen in combinatie met een bronaanpak.

deze aanpak meer kansen voor de natuurlijke afbraak van bodem geregeld sprake van verhoogde waarden voor arseen, kobalt, nikkel en/of zink in het freatisch grond­

Deelname aan GGA is alleen mogelijk met een bedrijfs­

water. Deze grondwaterverontreiniging is het gevolg van

terrein als geheel, dus niet per geval van verontreiniging.

overbemesting in de glastuinbouw met stikstofverbin­

Om mee te doen stelt een bedrijf een Locatiebeheerplan

dingen. Bodembacteriën zetten nitraat om in stikstof,

GGA op (LBPg). Na goedkeuring van het plan door het

terwijl in de bodem tevens oxidatie plaatsvindt van

bodemloket GGA, volgt indiening van het plan bij het

pyriet (ijzersulfiden). Behalve sulfaten komen hierbij ook

bevoegd gezag. Het bodemloket is een werkgroep waarin

arseen, kobalt, nikkel en/of zink vrij. Beëindiging van de

de gemeente Rotterdam, DCMR, Rijkswaterstaat en het

glastuinbouw leidt tot herstel van het chemisch evenwicht

Havenbedrijf Rotterdam zijn vertegenwoordigd. Het

in de bodem. Binnen enkele jaren dalen de concentraties

bodemloket ziet erop toe dat een juiste afweging

van de genoemde stoffen weer tot onder de Achtergrond-

plaatsvindt van alle belangen, kansen en verplichtingen.

waarden. Verder onderzoek en grondwatersanering zijn

Uiteraard worden de individuele bedrijven bij deze

daarom in deze gevallen niet nodig.

afwegingen betrokken. De gebiedscoördinator GGA organiseert, ontwikkelt, faciliteert en controleert de GGA in het gehele havengebied.

Figuur 3 De grens van het Havengebied voor aanpak GGA

tu'epoařl

— Gemeentegrens — Havengebied waar GGA mogelijk is

Nota bodembeheer Rotterdam

4 Gemeentelijk beleid grondwater.

30

Naast afspraken in het kader van het Locatiebeheerplan GGA dienen de individuele bedrijven bij deelname aan GGA separate afspraken te maken met het Havenbedrijf Rotterdam. Deze afspraken betreffen onder meer de aanpassing van de contractuele eisen voor de teruggave van de terreinen bij het verlaten van de locatie.

De GGA is gestart in de Botlek en is eind 2021 uitgerold over het gehele havengebied (uitgezonderd Maasvlakte I en II en de woonkernen Heijplaat, Pernis en Rozenburg). Aan welke eisen een bedrijf moet voldoen bij deelname aan GGA staat beschreven in de Beleidsregel gebieds­ gerichte aanpak van bodem en grondwater havengebied Rotterdam. Voor vragen of nadere informatie kunt contact opnemen via qqaqrondwater@dcmr.nl (lit. 11).

Nota bodembeheer Rotterdam

4 Gemeentelijk beleid grondwater.

31

5 Specifieke vereisten bodem­ onderzoek. Samenvatting Voorafgaand aan werkzaamheden in of op de bodem is vaak onderzoek naar de kwaliteit van de bodem gewenst of verplicht. Dit onderzoek is van belang om te bepalen of de betreffende locatie geschikt is voor de beoogde functie, om te bepalen wat de gevolgen zijn van het verplaatsen van verontreinigde grond, of om te bepalen of sanering van verontreinigingen nodig is. De bodemkwaliteit is daarnaast van belang met het oog op de veiligheid van mensen die grondwerk verrichten. De gemeente Rotterdam stelt specifieke eisen aan bodemonderzoek en de uitvoering ervan. Dit hoofdstuk gaat in op deze eisen die aan­ vullend zijn op de wettelijke eisen (onderzoeksen meldingsplichten uit onder andere de Wet bodembescherming, de Woningwet en de Bouwverordening. Ook geeft dit hoofdstuk de minimale eisen weer waaraan een actualisatieonderzoek moet voldoen wanneer een bestaand onderzoek te oud is.

Nota bodembeheer Rotterdam

5 Specifieke vereisten bodemonderzoek.

32

'//j.'/sŞ

rsssj '/X V///'

niKw*

Inleiding

is deze informatie overzichtelijk gerangschikt16. Het is

Dit hoofdstuk gaat in op de specifieke eisen die de

verplicht om bij het uitvoeren van een vooronderzoek de

gemeente Rotterdam stelt aan uit te voeren bodem­

volgende informatie te raadplegen:

onderzoek dat moet plaatsvinden voorafgaand aan

1.

de Bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2);

werkzaamheden in bodem en ondergrond. Die eisen

2.

verdachte historische activiteiten uit het historisch

betreffen onder meer de begrenzing van het onderzoeks­ gebied, het gebruik van de beschikbare informatie en

bodembestand (Hbb) van de gemeente; 3.

het uitbreiden van het pakket aan te onderzoeken stoffen

van de baggerspecieloswallen inclusief bijbehoren­

wanneer de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Daarnaast gaat dit hoofdstuk in op het bepalen van de

kaarten met historische gegevens zoals de ligging

de informatie hierover; 4. vooronderzoeken, bodemonderzoeken, sanerings­

risico's voor mens en ecologie, op het omgaan met

plannen, evaluatieverslagen, nazorgplannen en

onverwachte verontreinigingen, en op de minimale eisen

dergelijke die bij DCMR ter beoordeling zijn

waaraan een actualiserend bodemonderzoek moet

ingediend;

voldoen.

5.

beschikkingen en beoordelingen van onderzoeken door de gemeente.

5.1 Definitie onderzoeksgebied Bij ruimtelijke ontwikkelingen gelden eisen ten aanzien

Sommige oudere documenten zijn niet online beschik­

van de omvang van het onderzoeksgebied. Zo is het

baar. Het is wel mogelijk deze op afspraak in te zien bij

verplicht een voor- en verkennend onderzoek uit te

DCMR.

voeren voor: 1.

2.

3.

het gehele plangebied bij de ontwikkeling/her­

5.3 Uitbreiding standaardpakket

inrichting van woonwijken, bedrijventerreinen of

Een vooronderzoek volgens NEN 5725 of NEN 5717

infrastructuur. Het plangebied betreft bijvoorbeeld

bepaalt op welke stoffen het bodemonderzoek (of de

de bouwvlakken, de omliggende tuinen, de straten

keuring van een partij grond) zich moet richten. In een

met parkeerplaatsen en de groenstroken;

aantal situaties is het sowieso nodig op meer stoffen te

de gehele kavel bij een bouwplan voor een woning.

onderzoeken. In bijlage 7 is opgenomen om welke stoffen

De kavel betreft het bouwvlak en de (toekomstige)

het gaat. Uitbreiding van het stoffenpakket is nodig bij:

tuin;

1.

het gehele gebied waar herinrichting gaat plaats­ vinden bij overige herinrichtingen.

het ontbreken van voorinformatie en voor grond uit het buitenland (zie bijlage 7.1);

2.

baggerspecieloswallen en onderhoudsbagger uit haven of rivier (zie bijlage 7.2);

5.2 Beschikbare informatie

3.

oude boomgaarden (zie bijlage 7.3);

Er is veel informatie beschikbaar die kan worden ge­

4.

(glas)tuinbouwgebieden (zie bijlage 7.4).

16

www.dcmr.nl/vooronderzoek

bruikt bij het vooronderzoek. Op de website van DCMR

Nota bodembeheer Rotterdam

5 Specifieke vereisten bodemonderzoek.

33

5.4 Toetsingsgrondslagvoor eindsituatieonderzoek Bij een eindsituatieonderzoek wordt een onderzoek dat

grond plaatsvinden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de SIKB-handreiking 8102 (lit. 16); 2.

uitdamping van vluchtige verbindingen uit de

eerder is uitgevoerd (het zogeheten nulsituatie-onder-

bodem onder woningen of kantoorpanden. Daarbij

zoek) gebruikt als de toetsingsgrondslag. Als er geen

gaat het bijvoorbeeld om lichte oliesoorten [c6-c10],

nulsituatie-onderzoek beschikbaar is, is het toegestaan

naftalenen en chlooroplosmiddelen). In dergelijke

de LMW als toetsingsgrondslag te gebruiken van de

gevallen is een kwaliteitsonderzoek van de lucht in

plaatselijke klasse op de kaartlaag kwaliteitsklasse. Deze staat vermeld in bijlage 2. Als toetsingsgrondslag

leef- en/of kruipruimtes noodzakelijk; 3.

de aanwezigheid van diffuse loodverontreiniging in

voor parameters (verontreinigende stoffen) waarvoor

de contactzone bij gevoelig gebruik (zie paragraaf

geen LMW beschikbaar is, geldt de Achtergrondwaarde

32).

uit de Landelijke regeling of de detectielimiet. Voor vinylchloride (monochlooretheen) ligt de grondwa-

5.5 Bepalen risico's

ternorm voor uitdamping (0,4 ļjg/l) onder de interventie­

Op basis van wetenschappelijk onderzoek is bepaald

waarde (5 ļug/L). Vinylchloride blijkt zelden in binnenlucht

wat een onaanvaardbaar risico is. Dit is in de landelijke

aantoonbaar, ook niet als dat volgens modelberekeningen

regelgeving vastgelegd (Circulaire bodemsanering per

(bijvoorbeeld Sanscrit) te verwachten is. Het RIVM heeft

1 juli 2013). Bij een onaanvaardbaar risico is sprake van

in een verkennende studie onderzocht of dit ligt aan de

overschrijding van het saneringscriterium. De sanering

meetmethoden of aan de modelberekeningen (lit. 1).

van deze verontreiniging is daarmee spoedeisend.

Er zijn sterke aanwijzingen dat vinylchloride afbreekt en om die reden niet in de binnenlucht is terug te vinden.

Het bodembeleid is erop gericht om risico's zoveel

Het Rotterdamse beleid verplicht onderzoek van de

mogelijk te verminderen en in ieder geval tot een aan­

binnenlucht daarom alleen op basis van een VOLASOIL-

vaardbaar niveau terug te brengen. Wat aanvaardbaar

berekening bij een overschrijding van de interventie­

is, is het resultaat van een afweging tussen enerzijds de

waarde voor vinylchloride in het grondwater.

mogelijke (gezondheids)gevolgen, de technische moge­ lijkheden en de maatschappelijke kosten die gemoeid

Voor grondverontreinigingen met vluchtige verbindingen

zijn met het voorkomen van de (gezondheids)gevolgen.

in de onverzadigde zone is de kans voor uitdamping en

Risico's hebben een directe relatie met het gebruik van

accumulatie van damp in afgesloten ruimten vele malen

de bodem en daarmee met de functie die de bodem

groter dan wanneer deze verontreinigingen alleen in het

heeft. De risico's die aanleiding kunnen zijn om met spoed

grondwater worden aangetroffen. Het onderzoeken van

te saneren, zijn verdeeld in verschillende categorieën:

de binnenlucht is daarom noodzakelijk in afgesloten

1.

risico's voor de mens (humane risico's);

ruimten als overschrijding plaatsvindt van de interventie­

2.

risico's voor het ecosysteem;

waarden voor vluchtige verbindingen in de grond boven

3.

risico's van verspreiding van verontreiniging.

de grondwaterstand.

De volgende paragrafen gaan nader in op aandachts­

Voor het bepalen van de actuele humane risico's biedt

punten bij het uitvoeren van bodemonderzoek binnen

de notitie Toetsingskader actuele gezondheidsrisico's

de gemeente Rotterdam.

bij bodemverontreiniging van de GGD Rotterdam-

5.5.1 Bepalen humane risico's

via website) (lit. 11) een handvat.

Rijnmond van 20 februari 2020 (meest actuele versie In specifieke situaties kan er al sprake zijn van humane risico's wanneer er (nog) geen overschrijding van de

5.5.2 Bepalen ecologische risico's

interventiewaarde plaatsvindt. Aanvullend onderzoek is

De ontwikkelingsmogelijkheden voor ecologie en bio­

dan vereist. Het gaat om situaties waar humane risico's

diversiteit in een stedelijk gebied zijn beperkt door het

ontstaan door:

intensieve menselijke ruimtegebruik. De (chemische)

1. inname van stoffen (zoals cadmium, lood en/of drins)

bodemkwaliteit is zelden de beperkende stressfactor.

als gevolg van gewasconsumptie van knol- en/of

Binnen de gemeente Rotterdam is het dan ook niet nodig

bladgewassen uit moestuinen, volkstuinen,

om met het oog op ecologie in onder meer woongebieden,

stadslandbouwtuinen of tuinbouwpercelen. Hier is

glastuinbouwgebieden, volkstuinen en moestuinen,

het nodig het gemiddelde gehalte van de stof op

industriegebieden, en op sportvelden en golfbanen

basis van 20 steken uit de bovenste 50 centimeter in

beschermende of sanerende maatregelen te treffen.

de contactzone te bepalen. Zo nodig kan er een

Ook is een maatschappelijke afweging niet verplicht.

analyse van gewassen, geteeld op de verontreinigde

Nota bodembeheer Rotterdam

5 Specifieke vereisten bodemonderzoek.

34

.VřW "ì

H CM

•X'ŞśşWį &/ŽT ;'

__ _

Een maatschappelijke afweging van de ecologische

Voor de beoordeling van de wijziging is een inkadering

risico's is wel verplicht wanneer er sprake is van:

van de nieuw aangetroffen verontreiniging noodzakelijk.

1.

2.

specifieke natuurdoelstellingen (NATURA 2000

Nieuw aangetroffen verontreinigingen dienen te worden

gebieden, Natuurnetwerk Nederland of ecologische

gemeld. Indien afspraken zijn gemaakt over niet eerder

verbindingszones);

bekende verontreinigingen binnen een LBP en deze

een ecologisch gevoelige bodemfunctie. Daarbij

afspraken zijn beschikt, dan gaan deze afspraken boven

gaat het bijvoorbeeld om terreinen in de stad met

de regels en afspraken in de Nota.

bestemming natuur, grotere (deels) ecologisch beheerde stadsparken, buiten-stedelijke recreatie­ gebieden en landbouwgebieden.

Als de initiatiefnemer ervoor kiest om de verontreiniging niet als een nieuw geval van verontreiniging te saneren en er ook geen goedgekeurd saneringsplan, locatiebeheer­

Voor het beantwoorden van de vraag of het zinvol dan

plan (LBP) of BUS-melding is, waarbinnen sanering van

wel noodzakelijk is om de ecologische risico's (in stap 3

de nieuw aangetroffen verontreiniging mogelijk is, dan

van de risicobepaling van het webbased computer­

dient de initiatiefnemer een afperkend onderzoek en

programma Sanscrit) locatiespecifiek te bepalen, is de

een saneringsplan of BUS-melding ter beoordeling in te

NEN 5737 beschikbaar. Voor het locatiespecifiek bepalen

dienen. Het onderzoek en het saneringsplan mag beperkt

van ecologische risico's heeft het RIVM een handleiding

blijven tot het projectgebied van het initiatief.

opgesteld (lit. 5) en is door SIKB protocol 2301 opgesteld (lit. 16).

In alle gevallen is het verplicht binnen drie maanden na het afronden van de sanering, een saneringsverslag ter

5.6 Onverwachte bodemverontreiniging

beoordeling in te dienen. Het is mogelijk dit verslag

Tijdens de uitvoering van graafwerkzaamheden kunnen

- indien van toepassing - te combineren met het verslag

onverwachte bodemverontreinigingen aan het licht

van de overige saneringswerkzaamheden.

komen, zoals bijvoorbeeld olieproducten, asbest, puin, vaten, tanks. Wanneer dit het geval is, is het noodzakelijk

5.7 Actualisatieonderzoek

deze situatie met DCMR te bespreken. Soms is het

Bodemonderzoeken zijn altijd geldig, maar na een

mogelijk de onverwachte bodemverontreiniging als een

bepaalde tijd niet meer actueel genoeg om als basis te

nieuw geval van verontreiniging af te handelen en de

dienen voor de bepaling van de ernst van verontreini­

verontreiniging volledig te verwijderen. Hiervoor is dan

gingen, de noodzaak om te saneren of om te bepalen of

geen saneringsplan noodzakelijk. De initiatiefnemer

een locatie geschikt is voor een bepaalde functie. In die

kan vooraf een plan van aanpak laten beoordelen.

gevallen is het nodig het onderzoek eerst te actualiseren. Er kunnen namelijk nieuwe verontreinigingen op de

Wanneer de nieuw aangetroffen verontreiniging zich be­

locatie zijn ontstaan, of het kan zijn dat er verspreiding

vindt binnen de saneringsgrenzen van een goedgekeurd

en/of afbraak van de eerder aangetroffen verontreiniging

saneringsplan, locatiebeheerplan (LBP) of een BUS­

is opgetreden.

melding, dan is het noodzakelijk de nieuw aangetroffen verontreiniging als een wijziging op het plan te melden.

Nota bodembeheer Rotterdam

5 Specifieke vereisten bodemonderzoek.

35

1ÇJ

i IKr'' .w

. ’tmA: ï

-~ * .

-

V/ ’ -

r- Wľ' ‘ - 1

. j JCKĮL Uf

; "V "

WÜĮWÍ4

■KSÎ

. nMH åÉl '•m ftř v.ĩ u K lí

'

rd'wWF. "jP ri ' •3.' Vis.1!

jy . «f,7;

-‘: ìBv^"5 -

íįa'A T»

.

/ä -V- i' ļkF^

'

- » Kwr» ',, :»- ’ ľr’iSiT' ‘ *?'JcīZļZ

K.&í' WiPlS*

. *

'

■vįÄţî-,

Ook wanneer een saneringsplan is goedgekeurd en er een

^

lange tijd is voorbijgegaan voordat de daadwerkelijke

k-

. :n

'Sè

í "-V

voor zover er sprake is van een immobiele veront­ reiniging, zijn de volgende aandachtspunten voor de

sanering van start gaat, is het nodig de verontreinigings-

actualisatie van belang:

situatie te actualiseren.

-

de rapportage van een veldinspectie met actuele foto's. Hierbij dient gekeken te worden

Indien er sprake is van een immobiele bodemveront­

naar aanwijzingen die kunnen duiden op nieuwe

reiniging dient een onderzoek 5 jaar na het laatste

verontreinigingen. Deze aanwijzingen zijn bij

veldwerk geactualiseerd te worden. Voor mobiele

voorbeeld brand- en olie vlekken, dumpingen en

bodemverontreinigingen geldt een periode van 2 jaar na

lozingen;

de laatste grondwaterbemonstering.

-

indien de veldinspectie en/of het aanvullend historisch onderzoek bodembedreigende

Bij het actualiseren van een oud onderzoek kunnen de

activiteiten doen vermoeden, is het noodzakelijk

volgende richtlijnen als leidraad dienen:

deze activiteiten conform de NEN 5740 te

^

onderzoeken;

het oude onderzoek moet zijn beoordeeld. Zo niet, dan dient het onderzoek ter beoordeling te worden

^

-

aanwezig was of de verharding nu verdwenen is,

het oude onderzoek dient te voldoen aan de huidige

is een bemonstering noodzakelijk conform

richtlijnen. Aanvullend onderzoek is nodig als het

NEN 5740 van alleen de bovengrond (maaiveld

oude onderzoek hieraan niet voldoet. Met name is in

tot 0,5 m-mv);

oude onderzoeken vaak onvoldoende aandacht

^

-

indien tijdens het oude onderzoek wel een

besteed aan de aanwezigheid van asbest of PFAS in

verharding aanwezig was en de inrichting van

de grond;

de locatie nadien niet is veranderd, dan is geen

er dient een aanvullend historisch onderzoek plaats te vinden over de periode tussen het laatste historische

^

indien bij het oude onderzoek geen verharding

aangeboden samen met de actualisatie;

verdere monstername van de grond nodig; ^

indien de resultaten van het bovengenoemde onder­

onderzoek en het heden;

zoek hiertoe aanleiding geven, kan het uitvoeren van

indien er sprake is van een mobiele verontreiniging

grondwateronderzoek noodzakelijk zijn.

(in het grondwater wordt de ^(S+I) overschreden), is het noodzakelijk de mobiele verontreiniging opnieuw in te kaderen. Ook wordt aanbevolen de kern van de verontreiniging opnieuw te bemonsteren. Door natuurlijke afbraak kan een mobiele veront­ reiniging zijn afgenomen of verdwenen;

Nota bodembeheer Rotterdam

5 Specifieke vereisten bodemonderzoek.

36

6 Bewijs­ middelen voor toepassen van grond. Samenvatting Hergebruik van vrijkomende grond en bagger is belangrijk vanuit milieu- en circulariteitsoogpunt. Dit kan echter alleen als de kwaliteit van grond en bagger voldoet voor de functie waar het hergebruik gewenst is en voldoet aan de huidige grondkwaliteit. Het Bbk en de Rbk en het Rotterdamse gebiedsspecifieke beleid zoals is vastgelegd in deze Nota, maken dit hergebruik onder voorwaarden mogelijk. De voorwaarden die de gemeente stelt worden beschreven in hoofdstuk 2 van deze Nota. Dit hoofdstuk beschrijft meerdere toelaatbare bewijsmiddelen om de kwaliteit van toe te passen grond en bagger aan te tonen. Daarbij is sprake van een hiërarchie in bewijskracht van deze bewijs­ middelen. De rangschikking van de paragrafen in dit hoofdstuk komt overeen met de volgorde van bewijskracht, waarbij het in de eerste paragraaf beschreven bewijsmiddel de grootste bewijskracht heeft.

Nota bodembeheer Rotterdam

6 Bewijsmiddelen voor toepassen van grond.

37

mi* 4 *

«.

|?ţ!şïįĩ*\į’ ^'.ŻT"*S? r -r.Tt' í'i v *k ņ

r*2ü;

ii İİĪ4İ fe*K

1 - I jl—

m

1__

SÍS»

1

JÊ

b ^ mmm

Inleiding

Het onderzoek moet uitgevoerd worden conform de

Dit hoofdstuk beschrijft de verschillende bewijsmiddelen

strategie TOETS-S, TOETS-S-GR of KEU-I-HE.

die gebruikt kunnen worden voor het aantonen van de kwaliteit van toe te passen grond en/of bagger en de

6.3 Kwaliteit ontvangende bodem

ontvangende grond. Deze bewijsmiddelen zijn gerang­

Om de kwaliteit van de ontvangende bodem te bepalen,

schikt naar afnemende bewijskracht in volgorde van de

is het mogelijk om een onderzoek conform de NEN 5740

paragrafen van dit hoofdstuk.

- strategie onverdacht - uit te voeren. Dit kan wanneer

6.1 Partijkeuring volgens de BRL SIKB 1000

andere kwaliteit heeft dan de Bodemkwaliteitskaart

het vermoeden bestaat dat de ontvangende bodem een vermelden.

Het toepassen van het BRL SIKB 1000 en protocol 1001 voor het keuren van een partij toe te passen grond

6.4 Bodemkwaliteitskaart

levert statistisch gezien het meest betrouwbare en

De Bodemkwaliteitskaart Rotterdam kan als bewijs­

representatieve beeld op van de kwaliteit van de toe te

middel dienen bij het toepassen van grond binnen het

passen grond.

beheergebied. Voorwaarde is dat er geen beter bewijs­

Een vooronderzoek NEN 5717 (in het geval van een

de grond verontreinigd is. Dit kan door na te gaan of de

middel voorhanden is én er geen aanwijzingen zijn dat waterbodem) dan wel NEN 5725 (bij een landbodem) is

grond eerder gekeurd is en of de herkomstlocatie

bij toepassing van dit protocol noodzakelijk om te

verdacht is voor verontreinigingen door een puntbron of

bepalen of het nodig is het standaardpakket uit te

andere oorzaken.

breiden. Soms is het niet mogelijk om op basis van het vooronderzoek een goede inschatting te maken van de

Bij grond afkomstig van een verdachte locatie is het

mogelijke verontreiniging. Bijvoorbeeld omdat dit voor­

alleen mogelijk om de Bodemkwaliteitskaart als bewijs­

onderzoek geen volledig inzicht geeft in de mogelijke

middel te gebruiken, wanneer er een verkennend onder­

verontreiniging van de partij en/of de herkomst van de

zoek is uitgevoerd. Dit verkennend onderzoek dient

grond onvoldoende bekend is. Dan is het noodzakelijk

volgens de NEN 5740 te zijn uitgevoerd. Uit dit onder­

de grond te onderzoeken op het uitgebreide stoffen-

zoek moet blijken dat de af te voeren grond voldoet aan

pakket (zie paragraaf 5.3). Dit is bijvoorbeeld het geval

de kwaliteit van de relevante kaartlaag kwaliteitsklasse.

bij partijen die niet volgens de regelgeving zijn samen­

Voldoet de kwaliteit hier niet aan dan dient een partij-

gevoegd of samengesteld en partijen grond uit het

keuring te worden uitgevoerd.

buitenland. Bij werkzaamheden ten behoeve van ondergrondse

6.2 In-situ-partijkeuring volgens de NEN 5740

infrastructuur, komt mogelijk grond vrij van een diepte groter dan 2 meter beneden het maaiveld. Voor zover

Een in sfŕu-partijkeuring (een keuring op de plek waar

het niet mogelijk is deze grond op dezelfde plaats en

de grond zich in de bodem bevindt) is volledig vergelijk­

diepte terug te plaatsen, is het noodzakelijk deze grond

baar met een partijkeuring volgens de BRL SIKB 1000.

af te voeren. Hergebruik binnen de gemeente Rotterdam

Nota bodembeheer Rotterdam

6 Bewijsmiddelen voor toepassen van grond.

38

is toegestaan op basis van bodemonderzoek van de

Bij samengevoegde partijen grond is het alleen mogelijk

diepere grondlagen.

de kwaliteit van de grond aan te tonen door middel van een certificaat van het erkende bedrijf dat de samen­

Wanneer de kwaliteit van de diepere grondlagen over­

voeging heeft uitgevoerd.

eenkomt met, of beter is dan de kwaliteit van de onder­ grond (van 1 tot 2 m-mv) volgens de Bodemkwaliteits-

Bij het vrijkomen van grote hoeveelheden grond, is het

kaart, dan is het toegestaan de grond toe te passen als

mogelijk om in overleg met DCMR een certificerings-

grond met de kwaliteitsklasse die gelijk is aan die van

traject af te spreken.

de grondlaag van 1 tot 2 m-mv. Bij het vrijkomen van grote hoeveelheden grond, is het mogelijk om in overleg met DCMR een certificeringstraject af te spreken.

6.5 Waterbodemonderzoek Het is mogelijk om al dan niet gerijpte bagger met een waterbodemonderzoek volgens de NEN 5720 als bewijs­ middel toe te passen als landbodem. Voorwaarde is dat de bagger ten minste op alle stoffen uit het standaard­ pakket voor landbodem is geanalyseerd en is getoetst aan de kwaliteitsklasse voor landbodem.

6.6 Waterbodemkwaliteitskaart Voor hergebruik van bagger als landbodem is het mogelijk een door het bevoegd gezag (waterschap of Rijkswaterstaat) goedgekeurde Waterbodemkwaliteits­ kaart te gebruiken. Voorwaarde is dat de bagger ten minste op alle stoffen uit het standaardpakket voor landbodem is geanalyseerd en is getoetst aan de kwaliteitsklasse voor landbodem. Een vooronderzoek is daarbij noodzakelijk om te bepalen of uitbreiding van het standaardpakket noodzakelijk is (zie paragraaf 5.3).

6.7 Certificaten Certificaten kunnen worden afgegeven: 1.

door BRL-gecertificeerde instellingen en grondreinigingsbedrijven. De basis voor deze certificaten is een partijkeuring. Deze certificaten hebben daarmee dezelfde betrouwbaarheid als partijkeuringen;

2.

door grondreinigingsbedrijven. De basis voor de certificaten is het bedrijfsproces en de interne kwaliteitsborging;

3.

en bij grondwinning.

Als bij een partijbemonstering blijkt dat de kwaliteits­ klasse niet voldoet aan de kwaliteitsklasse die genoemd is in het certificaat, dient men de kwaliteitsklasse van de partijbemonstering aan te houden.

Nota bodembeheer Rotterdam

6 Bewijsmiddelen voor toepassen van grond.

39

7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof. Samenvatting Zowel het Bbk en de Rbk, als het Rotterdamse gebiedsspecifieke beleid zijn erop gericht vrijgekomen grond en bagger zoveel mogelijk her te gebruiken. Het Rotterdamse gebieds­ specifieke beleid zoals opgenomen in deze Nota wijkt op een aantal punten af van het landelijke beleid. Deze punten komen in dit hoofdstuk aan de orde. Daarbij gaat het bijvoor­ beeld om de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een Grootschalige Bodemtoepassing (GBT) te realiseren of thermisch gereinigde grond of grondproducten (TGG) toe te passen. Ook als het gaat om het immobiliseren of stabiliseren van grond en het toepassen van lichte grondvervangers zoals schuimglas, kent Rotterdam aanvullende regels. Wanneer in grond verontreinigingen aanwezig zijn, maar de concentratie van deze verontreini­ gingen niet boven de interventiewaarden ligt, is sprake van niet sterk verontreinigde grond.

Nota bodembeheer Rotterdam

7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof.

40

Ń:K '*ŕS; '^Cr',C

IC:'-'

y-i,"-»-

iäŞf V. ' - -

HţŢry^; Şŗŗ,;. -

Inleiding

5.

Als het gaat om het werken met niet sterk verontreinigde grond wijkt het Rotterdamse beleid op een aantal punten

uitgevoerd; 6.

af van het landelijke beleid. Daarbij gaat het onder meer om het toepassen van niet sterk verontreinigde grond in

7

de wijze van borging hoe de maximaal aangemelde

8.

de omvang van de GBT (inclusief begrenzing) in het

hoeveelheid niet wordt overschreden;

hoofdstuk licht het beleid van de gemeente Rotterdam

veld en een beschrijving van de wijze waarop

toe, voor zover dit afwijkt van het landelijk beleid.

toezicht op deze grenzen plaatsvindt; 9.

7.1 Grootschalige bodemtoepassing (GBT) In het kader van het Bbk17 i is het mogelijk een GBT te

de benaming van de GBT zoals die vermeld zal worden bij alle meldingen van toe te passen partijen;

zogeheten Grootschalige Bodemtoepassingen (GBT) en het werken met thermisch gereinigde grond (TGG). Dit

de wijze waarop de controle op hoeveelheid wordt

de ligging, kwaliteit en de dikten van de leeflaag of afdeklagen en een beschrijving van de wijze waarop borging van deze aspecten plaatsvindt;

realiseren. De initiatiefnemer meldt de GBT voorafgaand

10. een berekening van de zettingen, die onder meer

aan de werkzaamheden aan via het landelijk meldpunt

aangeeft welk deel van de toepassing onder het

bodemkwaliteit. Daarna worden alle afzonderlijke toe te

grondwaterniveau zal komen te liggen. In deze

passen partijen gemeld. Door ervaringen uit het verleden

berekening dient de toepassingseis voor PFAS onder

ziet de gemeente Rotterdam streng toe op de uitvoering

het grondwaterniveau (conform het handelingskader

van een GBT. De gemeente adviseert voor een GBT te werken met een vrijwillig opgesteld werkplan. Dit kan vertraging in de aanvraag voorkomen. Dit geldt ook voor situaties waarin werkzaamheden worden verricht in of

PFAS) te zijn meegenomen; 11. het uitpersen van (zout) grondwater, indien dit kan optreden, met een beschouwing van de effecten hiervan op de omgeving en waterkwaliteit;

aan een voltooide GBT.

12. de referenties voor de melding in het kader van het

De afzonderlijke partijen grond dienen bij het Landelijk

13. de terreininrichting en de afsluiting van het terrein

bestemmingsplan; Meldpunt Bodemkwaliteit te worden gemeld onder vermelding van het kenmerk van de beoordelingsbrief van het werkplan.

na werktijd; 14. de verantwoordelijke voor de juiste aanvoer van grond en bagger; 15. de verantwoordelijke partij tijdens de aanleg

Het werkplan bevat:

en realisatie;

1.

de functie van de toepassing;

2.

situatietekening van de GBT inclusief dwarsprofiel;

3.

de herkenbaarheid van de toepassing na realisatie;

4.

16. op welk moment de verantwoordelijkheid van de aannemer naar de gebruiker verschuift.

een berekening van de hoeveelheid benodigde grond in de kern en de leeflaag;

17

Bbk, hfdst. 4, par. 3

Nota bodembeheer Rotterdam

7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof.

41

i

Ook dient het werkplan inzicht te geven op de situatie

Indien er een voornemen bestaat om TGG uit de hiervoor

na voltooiing van de aanleg van de GBT:

bedoelde voorraden toe te (laten) passen, vragen wij de

1.

melder om het totaal aan informatie (productiecertificaat

2.

3.

de verantwoordelijke voor onderhoud en controle van de GBT;

met bijbehorende MHV, de rapportages van het verifica­

de verantwoordelijke voor de GBT tijdens de

tieonderzoeken inclusief oplegnotities en een invulling

gebruiksfase;

van de zorgplicht) te overleggen, zodat de gemeente

de wijze waarop het (blijvende) beheer van de

een adequate afweging op basis van de zorgplicht kan

toepassing plaatsvindt met name wat betreft de

maken of een aangeboden partij toepasbaar is.

integriteit van de GBT (het volume van enig deel van de GBT mag in beginsel niet kleiner dan 5.000 m3

Inmiddels zijn er nieuwe producten uit het thermisch

zijn en lager dan 2 meter) en de dikte van leef- en

reinigingsproces op de markt. Deze materialen hebben

afdeklagen.18

een andere aard en samenstelling dan de TGG die in het verleden is geproduceerd.

Het toepassen van grond op basis van de Bodemkwaliteitskaart (kaartlaag bodemkwaliteit) is toegestaan

De gemeente adviseert om voor de toepassing van TGG

zonder aanvullend uitlogingsonderzoek. Aan de

en de invulling van de zorgplicht te werken met een

uitlogingseis wordt voldaan doordat metalen in de

vrijwillig opgesteld werkplan.

Rotterdamse bodem vrijwel altijd immobiel zijn. Grond van buiten het beheergebied en grond van binnen het

Voor meer informatie over toepassingsmogelijkheden

beheergebied waarvan de kwaliteit door middel van

van TGG en de invulling van de zorgplicht kunt u contact

een partijkeuring is bepaald dient te voldoen aan de

opnemen met DCMR.

generieke MW Industrie en aan de uitlogingseisen.

Overigens geldt voor toepassingen altijd de zorgplicht.

7.2 Richtlijn voor het toepassen thermisch gereinigde grond (TGG)

Voor een werk kan het noodzakelijk zijn om grond te

In 2018 en 2019 bleek op meerdere toepassingslocaties

immobiliseren of te stabiliseren. In het eerste geval is

7.3

Toepassen immobilisaat en stabilisaat

dat de milieuhygiënische kwaliteit van toegepaste ther­

het hoofddoel milieuhygiënisch van aard. In het tweede

misch gereinigde grond (TGG) afweek van de kwaliteit

geval is het hoofddoel civieltechnisch van aard. Voor het

die op grond van de productcertificaten werd verwacht.

toepassen van immobilisaat of stabilisaat is een Plan

De voornaamste problemen die daarbij optraden waren

van Aanpak noodzakelijk.

de verspreiding van sulfaat, zware metalen, benzeen en hoge pH-waarden. Hierdoor nam de vraag naar TGG af en ontstonden voorraden TGG bij de reinigers.

7.3.1 Werkzaamheden binnen een inrichting (mixed in plant) Voor het immobiliseren of stabiliseren van grond binnen

DCMR heeft in samenwerking met onder meer de ILT en

een inrichting (mixed in plant, off site) zijn binnen het

RWS een tijdelijke onderzoeksrichtlijn TGG opgesteld,

Bbk, de Wet milieubeheer en de vigerende beoorde­

waarin een toetsingskader voor niet genormeerde

lingsrichtlijnen de regels grotendeels voldoende vastge­

stoffen was opgenomen. Op basis van deze onderzoeks­

legd. Als deze werkzaamheden plaatsvinden buiten de

richtlijn hebben de 2 grootste producenten in opdracht

contouren van het saneringsplan of het Plan van Aanpak,

van ILT opnieuw hun voorraden TGG gekeurd. Deze

dan kan er sprake zijn van een vergunningplichtige

keuringen19 leverden betrouwbare informatie op over de

activiteit. Het advies is om in dat geval contact op te

kwaliteit van de TGG. De Inspectie Leefomgeving en

nemen met het bevoegd gezag Wabo.

Transport heeft deze verificatieonderzoeken20 beoordeeld en was positief over de betrouwbaarheid van de uitkomsten.

7.3.2 Werkzaamheden op locatie (mixed in place) Voor het immobiliseren of stabiliseren van grond op de locatie zelf (mixed in place, on site) is het nodig duidelijke afspraken met het bevoegd gezag te maken. Daarvoor zijn hieronder de uitgangspunten vastgelegd. Deze

18

Bbk, art. 63 lid 1 en lid 5

werkzaamheden kunnen op locatie zowel in- als ex-situ

19

Het betreft hier keuringen van voorraden TGG die tot oktober 2019

plaatsvinden. Bij grootschalige en/of langdurige bewer­

is geproduceerd.

kingen is het advies om contact op te nemen met het

20

https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht/thermisch-gerei-

bevoegd gezag Wabo, omdat er sprake kan zijn van een

nigde-grond

vergunningplicht.

Nota bodembeheer Rotterdam

7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof.

42

ãjįgį^S&ĩŞä&'S’į*»?

.:

. ŵ*-..

-t*

'ĩíį. -

«ŵŴ, ^-6-V «T’**

•*^.-Ŵ -: ŵĩ^įt. ŵŵ'v ■:

"

iįļSţį» -.W *

~

..

v-

- •*r\

1 '\

"

/.. »

'

- ”:.

’Į'fcw',

Wr ’. "

7.3.3 Immobiliseren

7.

na het toevoegen van bindmiddel en andere

Voorwaarden voor immobiliseren zijn:

noodzakelijke additieven is er sprake van een

1.

er moet sprake zijn van een nuttige toepassing;

bouwstof. Toepassing van het immobilisaat (het

2.

er is sprake van een verbetering van de milieu­

geïmmobiliseerde uitgangsmateriaal) moet daarom

hygiënische kwaliteit. Onderdeel hiervan is ook de

terugneembaar zijn. Bij terugname is melding

optimale receptuur (mengverhouding); 3.

4.

de opdrachtgever en (toekomstige) eigenaar van de

noodzakelijk aan het bevoegd gezag; 8.

(ingangsproducten) moeten voldoen aan de samen-

heden;

stellings- en emissiewaarden van een zogeheten

het te immobiliseren uitgangsproduct betreft (sterk)

niet-vormgegeven bouwstof uit het Bbk (stand-still).

verontreinigde grond. De immobilisatie van sterk

Hiervoor is een bewijsmiddel noodzakelijk volgens

verontreinigde grond binnen een geval van ernstige

Bbk (productcertificaat, kwaliteitsverklaring, etc.).

verontreiniging moet als onderdeel van een

Indien deze middelen voorafgaand aan de immobili-

saneringsplan zijn opgenomen. In andere gevallen

satie niet aan de emissiewaarden voldoen, maar als

(veelal zorgplicht) is vooraf een Plan van Aanpak

onderdeel van het immobilisaat wel, dan is het

noodzakelijk dat moet zijn goedgekeurd. De beoordeling van dergelijke plannen vindt plaats binnen een termijn van zes weken. In alle gevallen is 5.

6.

het bindmiddel en de noodzakelijke additieven

toepassing moeten akkoord gaan met de werkzaam­

noodzakelijk dit aannemelijk te maken; 9.

als het uitgangsmateriaal sterk verontreinigd was en onderdeel van een geval van ernstige verontreiniging,

een melding Bbk noodzakelijk;

dan mag het immobilisaat de maximale emissie-

het immobiliseren van (sterk) verontreinigde en Niet

waarden voor een niet-vormgegeven bouwstof niet

Toepasbare grond en bagger wordt aangemerkt als

overschrijden. Hiervoor is een onderzoek van

een bewerking. Deze bewerking valt echter niet

proefstukken via een schudproef voldoende. Als de

onder de reikwijdte van BRL SIKB 7500 almede van

schudproef - worst-case - een verhoogde waarde

protocol 7510. Wel is het noodzakelijk om bij het

oplevert, is het alsnog mogelijk voor een diffusieproef

opstellen van het Plan van Aanpak - waar relevant -

te kiezen. Een andere mogelijkheid is het monitoren

aan te sluiten bij de processtappen zoals deze in de

van het immobilisaat voor een bepaalde periode.

genoemde BRL'en staan beschreven;

De initiatiefnemer dient in dat geval in het Plan van

de gemiddelde kwaliteit van de grond voldoet aan

Aanpak een monitoringsplan op te nemen met een

de gehalten die in de Factsheet Koude Immobilisatie

terugvalscenario voor het geval er sprake blijkt van

grond (lit. 10) staan vermeld waarbij de fysische

ongewenste uitloging.

samenstelling 'goed' of 'mogelijk' is. Wanneer de kwaliteit van de grond hieraan niet voldoet, dient de initiatiefnemer aannemelijk te maken dat de aanwezige gehalten geen belemmering zijn voor een geslaagde immobilisatie;

Nota bodembeheer Rotterdam

7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof.

43

7.3.4 Stabiliseren

9.

het gestabiliseerde materiaal dient te voldoen aan

Voor het stabiliseren van grond gelden de volgende

de emissiewaarde voor een niet-vormgegeven

uitgangspunten:

bouwstof. Hiervoor is een onderzoek van proef­

1.

er moet sprake zijn van een nuttige toepassing.

stukken via een schudproef voldoende. Als de

Onderdeel hiervan is ook de optimale receptuur

schudproef (worst-case) een verhoogde waarde

2.

3.

(mengverhouding);

oplevert, is het mogelijk alsnog voor een kolomproef

de opdrachtgever en (toekomstige) eigenaar van de

te kiezen. Ook is het mogelijk het gestabiliseerde

toepassing moeten akkoord gaan met de werkzaam­

materiaal na toepassing voor een bepaalde periode

heden;

te monitoren. De initiatiefnemer moet in dat geval in

er moet sprake zijn van grondverbetering die

het Plan van Aanpak een monitoringsplan opnemen

civieltechnisch van aard is. Hieronder vallen niet

met een terugvalscenario voor het geval er sprake

alleen een verbeterde stabiliteit maar ook andere

blijkt van ongewenste uitloging;

aspecten als doorlatendheid, draagkracht en 4.

10. de totale hoeveelheid bodemvreemd materiaal mag

dergelijke;

na toevoeging van bindmiddel/toeslagstof de 20 %

het te stabiliseren uitgangsproduct kan zowel her te

(gewicht) niet overschrijden. Het is dus noodzakelijk

gebruiken grond als (sterk) verontreinigde grond

het bindmiddel/de toeslagstof als bodemvreemd

zijn. Het stabiliseren van sterk verontreinigde grond

materiaal in de berekening mee te nemen;

binnen een geval van ernstige verontreiniging moet

11. de toepassing van het gestabiliseerde materiaal

als onderdeel van een saneringsplan zijn opgenomen.

moet terugneembaar zijn, behalve wanneer op

In andere gevallen is het nodig een Plan van Aanpak

laboratoriumschaal is aangetoond dat de grond na

in te dienen bij DCMR. De beoordeling van dergelijke

stabilisatie grond blijft en niet meer afzonderlijk te

plannen vindt plaats binnen een termijn van zes

onderscheiden of te verwijderen is. Bij terugname is

weken. In alle gevallen is een melding Bbk nood­ zakelijk; 5.

het noodzakelijk dit te melden aan DCMR; 12. bij toepassing van het eindproduct is een melding

het stabiliseren van sterk verontreinigde grond

Bbk noodzakelijk.

wordt aangemerkt als een bewerking en is daarmee onder de reikwijdte van BRL SIKB 7500. Wel is het

7.3.5 Plan van Aanpak toepassen immobilisaat of stabilisaat

noodzakelijk om bij het opstellen van het Plan van

Voor het toepassen van immobilisaat of stabilisaat is het

erkenningsplichtig. Deze bewerking valt echter niet

Aanpak (waar relevant) aan te sluiten bij de proces­

nodig een Plan van Aanpak dan wel een saneringsplan

stappen zoals deze in de genoemde BRL'en staan

op te stellen. Het bevoegd gezag moet het betreffende

beschreven. Het stabiliseren van her te gebruiken

plan goedkeuren.

grond (zogeheten hergebruikgrond) binnen de kaders van het Bbk wordt aangemerkt als een

In het plan moet het volgende zijn opgenomen:

bewerking en is daarmee erkenningsplichtig. Deze

1.

activiteit valt onder de reikwijdte van BRL SIKB 9335, protocol 9335-1 eventueel aangevuld met 6.

2.

toepassing en nazorg zowel in aanlegfase als in de

de kwaliteit van het uitgangsmateriaal mag niet

gebruiksfase; 3.

de ligging en omvang van de toepassing dienen met

door het uitvoeren van een indicatief onderzoek voor

locatietekeningen en doorsneden helder in kaart te

en na stabilisatie. Hierbij dient analyse plaats te

zijn gebracht. Ook moeten de locatietekeningen

vinden op alle verdachte stoffen;

duidelijk maken waar de feitelijke toepassing

het bindmiddel en de noodzakelijke additieven dienen te voldoen aan de samenstellings- en

plaatsvindt; 4. wat de periode is waarin uitvoering van de

emissiewaarden van een niet-vormgegeven bouwstof uit het Bbk (stand-still). Hiervoor is een bewijsmiddel

8.

bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor de

protocol 9335-9; verslechteren. Het is noodzakelijk dit aan te tonen

7.

bewijsmiddelen dat de voorgenomen toepassing voldoet aan de genoemde uitgangspunten;

werkzaamheden plaatsvindt; 5.

het onderzoek van proefstukken (zie ook hierboven).

noodzakelijk volgens Bbk (productcertificaat,

In overleg met DCMR is het mogelijk de resultaten

kwaliteitsverklaring, et cetera);

van dit onderzoek ook op een later moment in te

als uit het onderzoek blijkt dat het gestabiliseerde

dienen.

materiaal uitloogt, is het noodzakelijk vooraf een monitoringsplan in te dienen en te laten goedkeuren.

Nota bodembeheer Rotterdam

7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof.

44

. EVAARLIJK! DRIJFZAND!

*r3SÍ.,

-

S-* ö2

Het bevoegd gezag kan aanvullende verplichtende

2.

eisen en maatregelen opnemen. Pas na goedkeuring

moeten gronddepots zijn afgesloten met deugdelijke

van het plan en een startmelding, is het toegestaan tot uitvoering over te gaan. De gemeente dient de gelegen­

om bijstort van grond of afvalstoffen te voorkomen

hekken van tenminste 1,8 meter hoog; 3.

het is noodzakelijk stofoverlast door verstuiving te

heid te krijgen om de toepassingslocatie te inspecteren

voorkomen. Dit kan - wanneer nodig - door het

en eventueel controleproeven uit te voeren. De initiatief­

nemen van maatregelen zoals het afdekken,

nemer/opdrachtgever dient deze controles te faciliteren.

bespuiten met preparaten of inzaaien van de depots;

Na afronding van de toepassing is het noodzakelijk een

4.

eindmelding te doen en een verslag van werkzaamheden (dan wel een evaluatieverslag) in te dienen bij DCMR.

5.

Dit verslag dient met name om de nieuwe situatie voor de toekomst vast te leggen in het bodembeheersysteem

bouwstoffen dienen gescheiden te zijn van ontgraven grond; verschillende kwaliteitsklassen grond dienen gescheiden te zijn;

6.

van DCMR.

bij het afronden van het werk is het noodzakelijk depots te verwijderen.

7.4 Tijdelijke uitname

Bij grote projecten kunnen de grondbewegingen worden

Bij sommige projecten wordt grond ontgraven en

beschreven in een Plan van Aanpak, een grondstromen­

tijdelijk21 opzijgezet voor hergebruik nabij of binnen

plan of een saneringsplan. Door de grondbewegingen op

hetzelfde werk. Onderstaande subparagrafen (7.4.1 en

basis van het plan te registreren in een kwaliteitssysteem,

7.4.2) gaan nader in op de specifieke eisen die hierbij

zijn separate meldingen van grond, die binnen het plan­

gelden.

gebied vrijkomt, tijdelijk wordt opgeslagen en wordt hergebruikt, niet noodzakelijk.

7.4.1 Bij bouwen of onderhoud binnen een werk Bouw- en onderhoudsprojecten kunnen lang duren, tot wel enkele jaren. Bij dergelijke projecten kunnen grote

7.4.2 Bij aanleg en onderhoud van kabels en/of leidingen

hoeveelheden grond vrijkomen. Voor het 'opzijzetten'

Het tijdelijk uitnemen van grond bij aanleg en onderhoud

van deze grond binnen een werk gelden de volgende

van kabels en/of leidingen is toegestaan op de volgende

aanvullende eisen:

voorwaarden:

1. op basis van bodemonderzoek of een ander geldig

1.

bewijsmiddel moet duidelijk zijn dat de grond niet

op basis van bodemonderzoek of een ander geldig bewijsmiddel moet duidelijk zijn dat de grond niet

boven de interventiewaarde verontreinigd is;

boven de interventiewaarde verontreinigd is; 2.

de grond dient teruggeplaatst te worden op dezelfde plaats en op dezelfde diepte. Hiervoor is het nodig de verschillende grondlagen separaat te ontgraven

21 Het Bbk spreekt over 'tijdelijke uitname' en het BUS over 'tijdelijk uitplaatsen'. Beide termen bedoelen hetzelfde: het tijdelijk verplaatsen, of uit de toepassing wegnemen, van grond/bagger en deze vervolgens zonder te bewerken op/nabij dezelfde plaats opnieuw - onder dezelfde condities - in de toepassing aanbrengen.

Nota bodembeheer Rotterdam

en op te slaan; 3.

depots dienen verwijderd te zijn bij het afronden van het werk.

7 Werken met niet sterk verontreinigde grond of bouwstof.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=93c66bce-a210-4de6-913e-f41b1bb4754f