CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001704] Bijlage 2 behorende bij 23bb001702 over Nota bodembeheer Rotterdam

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 5 april 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Buitenruimte35.114 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

6.2 Toepassing boraten door de mens Boor is weinig giftig voor mensen. De drinkwaternorm is hierdoor hoog (Nederland: 500 pg/l, WHO en EU: 1.000 pg/l). Ook de ADI is relatief hoog: 0,2 (RIVM) à 0,4 (WHO) mg/kg lg/dag. Omdat boor, in dit geval booroxiden en boraten, reprotoxisch zijn, staat ze op de lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Het gebruik van boor vindt op grote schaal toepassing in: 1.

houtverduurzamingsmiddelen, waaronder wolmanzouten (boraten);

2.

cosmetische producten: zeep, tandpasta, make-up, etc. (boraten);

3.

wasmiddelen als bleekmiddel (perboraten)l;

4.

geharde glassoorten, glasvezels en emaille (boor);

5.

staalsoorten (boor);

6.

nucleaire toepassingen.

Daarnaast komen er boraten vrij via de verbranding van steenkool; het meeste wordt afgevangen in de vliegas.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

83

Vanwege het algemene gebruik van boraten in wasmiddelen en cosmetische producten komen boraten ook in water­ zuiveringsinstallaties terecht. Ze worden deels afgevangen in het zuiveringsslib (indicatief: 10 à 50 mg/kg ds) en verder geloosd via het effluent (indicatieve concentraties: 1.000 à 6.500 pg/l). Belangrijke puntbronnen van bodemverontreiniging met boraten zijn: 1.

houtverduurzamingsbedrijven (in Overijssel tot 88.000 pg/l gemeten in grondwater);

2.

stortplaatsen van steenkoolvliegas;

3.

overslag- en verwerkingsbedrijven van boraten;

4.

opslagplaatsen van RWZI- en/of riool- en kolkenslib.

In het Rotterdamse havengebied (Botlek-Welplaathaven) vindt overslag van boor plaats en bewerking tot boorzuur, boortrioxide, boraten en perboraten. In het verleden hebben er op grote schaal morsingen plaatsgevonden op de bodem door de op- en overslag van boorerts, waardoor de bodem en het grondwater onder het terrein verontreinigd zijn geraakt met boraten.

6.3 Afleiding en voorstellen normen in grond Boraten komen van nature voor in de moedergesteenten, waaruit de sedimenten en bodems in Nederland zijn opgebouwd. Het gaat hierbij vooral om het mineraal toermalijn, een aluminium-boorsilicaat, waarin ongeveer 3,1 X boor aanwezig is. De boorgehalten boor in Europees gesteente variëren van 5 mg/kg ds in basalt tot 100 mg/kg ds in leisteen. De boorgehalten in Nederlandse gronden zijn in zijn algemeen laag: van minder dan 0,1 mg/kg ds in dal­ gronden tot mogelijk 200 mg/kg ds in zeekleigronden. In het kader van het 'exotenonderzoek' is in Rotterdamse antropogene bodems in 2002 - 2003 onderzoek gedaan naar de boorgehalten, met het volgende (statistische) resultaat:

aantal

min.

P50

rek.gem

P80

7,5

13

23

8,9

15

29

P90

P95

max.

Rolbezem 0 tot 1 m-mv (2002 - 2005): 2.508

2,5

Rolbezem 1 tot 2 m-mv (2002 - 2005): 2.510

2,5

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is een voorlopige achtergrondwaarde voor boor afgeleid van 25 mg/ kg ds. Deze is als indicatieve normwaarde vastgelegd in de Rotterdamse Nota 'Actief Bodem- en Baggerbeheer 2013'. Door TTE, die onderzoek deed naar boor in de provincie Gelderland, is een achtergrond-waarde van 20 mg/kg ds voorgesteld voor zandgronden. Op basis van expert-judgement is verondersteld dat in kleigronden de achtergrondgehalten mogelijk veel hoger zijn, tot 200 mg/kg ds. Daarnaast zijn door het RIVM humane en ecologische normen afgeleid. De humane risiconormen zijn veel hoger dan de ecologische, maar de onderbouwing van vooral de ecologische risiconormen is zwak. Op basis van de beschikbare normvoorstellen zijn in de Rotterdamse beheerNota van 2013 indicatieve normen voor de kwaliteitsklasse Land­ bouw, Wonen en Industrie afgeleid (zie bijlage 2). Op basis hiervan wordt een indicatieve interventiewaarde van 200 mg/kg ds voorgesteld.

6.4 Afleiding en voorstellen normen in grondwater Het adviesbureau TTE heeft in opdracht van de provincie Gelderland normwaarden voor boor in grondwater afgeleid. Zij doen de volgende voorstellen: 1.

streefwaarde grondwater: 100 pg/l;

2.

interventiewaarde grondwater: 750 pg/l.

Deze voorstellen zijn gebaseerd op expert-judgement (normering grond) en de statistische analyse van grondwaterdata uit Gelderland en Overijssel. De grondwaterdata zijn waarschijnlijk representatief voor de niet-mariene gronden in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

84

aantal

min.

P50

rek.gem

P80

P90

P95

max.

38

44

±60

±80

±97

261

27

29

±40

±60

±97

111

9,0

14

±17

±30

±38

41

Freatisch grondwater (5 m-mv): 49

2,4

Middeldiep grondwater (10 m-mv): 26

4,0

Diep grondwater (20 m-mv): 11

5,1

Deze normvoorstellen wijken aanzienlijk af van de streefwaarden voor grondwater, zoals deze voor 2000 door het RIVM in het kader van de Nota Integrale Normstelling Stoffen (INS) zijn afgeleid: 1.

Streefwaarde ondiep grondwater: 6,5 pg/l;

2.

Streefwaarde diep grondwater: 262 pg/l.

Deze voorstellen zijn hebben nooit een formele status gekregen in het kader van het bodemsaneringsbeleid. De normwaarde voor ondiep grondwater is zelfs veel lager dan de voorstellen van TTE voor de provincie Gelderland. Uit een statistische analyse van beschikbare grondwaterdata binnen Rotterdam, blijkt dat in (peri )mariene klei- en veengebieden de achtergrondwaarden aanzienlijk hoger zijn dan elders in Nederland. Dit is niet onlogisch, aangezien in zeewater de boorgehalten van nature zeer hoog zijn, zo'n 4.600 mg/l ^ 46.000.000 pg/l). In het kader van het Bijzonder Inventariserend Onderzoek (BIO) freatisch grondwater Rotterdam, zijn in 2005 alle beschikbare data uit geheel Rotterdam geanalyseerd. De staart van de statistische verdeling (P90 - maximum) levert zeer hoge waarden op; dit is niet onverwacht, aangezien ook de data van een verontreinigd bedrijfsterrein in de Botlek in deze dataset zijn opgenomen. Dit beïnvloedt de statistische verdeling in belangrijke mate, waardoor geen goed beeld ontstaat van de achtergrondwaarden voor boor in Rotterdam. Het BIO diep grondwater Rotterdam van 2015 levert wel een bruikbaar beeld op als op basis van de chloridengehalten een onderscheid wordt gemaakt tussen zoet (Cl s 300 mg/l), brak (300 > Cl s 1.000 mg/l) en zout (Cl > 1.000 mg/l) water.

Aanvullend inzicht leveren de monitorings-data, verzameld in het kader van Pilot Botlek voor Gebiedsgericht Grondwaterbeheer.

De data van grondwater in Rotterdam, gesorteerd op zoet (Cl s 300 mg/l), brak (300 < Cl s 1.000 mg/l) en zout (Cl > 1.000 mg/l), leveren voor boor het volgende beeld op:

aantal

min.

P50

rek.gem

P80

P90

P95

max.

37.200

650

46.000

190.000

780.000

421

440

510

530

570

162

160

290

380

1.800

737

960

1.000

1.100

1.200

BIO freatisch grondwater Rotterdam (2005): 44

25

320

Monitoring GGB-pilot Botlek, zoet (2014): 11

180

420

BIO diep grondwater Rotterdam, zoet (2015): 35

14

77

Monitoring GGB-pilot Botlek, brak (2014): 65

320

800

BIO diep grondwater Rotterdam, brak (2015): 15

44

210

202

290

310

330

aantal

min.

P50

rek.gem

P80

P90

P95

max.

1.105

1.500

2.000

2.100

2.400

Monitoring GGB-pilot Botlek, zout (2014): 86

310

1.000

BIO diep grondwater Rotterdam, zout (2015): 5

190

Nota bodembeheer Rotterdam

1.100

Bijlagen

924

[1.800]

2.000

85

Opvallend is dat in de zoete gebiedsdelen van Rotterdam de achtergrondwaarden voor freatisch en diep grondwater maar weinig verschillen. Dit is in het havengebied echter geheel anders, omdat hier het grondwater in de diepte steeds zouter wordt. In de randzones langs de rivier en het Hartelkanaal is door verzoeting van het grondwater ook op grotere diepte (holoceen) nog zoet water aanwezig, maar zijn de boorgehalten nog duidelijk hoger dan in het stedelijke gebied meer oostwaarts.

Op basis van de 90-percentielwaarden van de diverse onderzoeken worden de volgende streefwaarden voor boor in grondwater voor de Rijnmondregio voorgesteld: 1.

zoet en brak grondwater in de binnendijkse gebieden (tot in het 1e watervoerende pakket): 300 pg/l;

2.

zoet grondwater in het havengebied: 500 pg/l;

3.

brak grondwater in het havengebied: 1.000 pg/l;

4. zout grondwater: 2.000 pg/l.

Mogelijk zijn de normwaarden voor het havengebied ook van toepassing op Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee. Hiervoor is echter een nadere analyse nodig. Daarnaast zijn er door het RIVM voor boor normwaarden voor ernstig risico afgeleid, waarbij de laagste risicowaarde maatgevend is voor het interventiewaarde-voorstel: 1.

ernstig risico humaan: 30.000 pg/l;

2.

ernstig risico humaan via drinkwater: 6.280 pg/l;

3.

ernstig risico ecologie: 6.800 pg/l in 2010, in 2012 herzien tot 7.100 pg/l.

De voorgestelde interventiewaarde ligt daarmee op 6.300 pg/l, maar deze normwaarde is niet formeel vastgesteld.

Het ernstig risico humaan via drinkwater is bepaald op basis van volledige opvulling van de ADI (Acceptable Daily Intake). Omdat de WHO-opvulling van 10 X van de ADI via drinkwater-consumptie maximaal toelaatbaar acht, zou een landelijke interventiewaarde van 630 pg/l meer voor de hand liggen. Deze normwaarde ligt echter net onder de voorgestelde achtergrondwaarde voor freatisch grondwater in het havengebied en is daarmee dus niet hanteerbaar als interventiewaarde.

Voorgesteld wordt de volgende interventiewaarden voor boor in grondwater vast te stellen voor Rotterdam, gekoppeld aan het chloridegehalte (zoet-brak-zout) in het grondwater: 1.

voor zoet en brak grondwater in de poldergebieden 630 pg/l. Het gaat hier om het grondwater in de ophooglaag

2.

voor zout grondwater in de poldergebieden: 6.300 pg/l. Het gaat hier veelal om het 2e watervoerende pakket en

(freatisch), het holoceen en het pleistocene 1e watervoerende pakket; mogelijk ook om het 'zoutvenster van Zoetermeer'; 3.

voor alle grondwater (zoet, brak en zout) in het havengebied 6.300 pg/l.

6.5 Concentraties in oppervlaktewater Over de (natuurlijke) achtergrondwaarden in oppervlaktewater is relatief weinig bekend. De voorgestelde waarden variëren nogal: 1.

voor de Dommel: 17 pg/l (zoet water);

2.

door Deltares voorgesteld (P10 landelijke dataset) en overgenomen door Rijkswaterstaat: 26 pg/l voor zoet water en 3.000 pg/l voor zout water;

3.

voorgesteld door het RIVM in 1997: 62 pg/l (zoet water).

In de Nieuwe Waterweg (meetponton Maassluis) is in de periode 2009-2014 ±50 pg/l (range: 34 tot 77 pg/l) aan boor gemeten. Hoewel de invloed vanuit zee hier groot is, liggen deze waarden relatief dicht bij de natuurlijke achter­ grondwaarde van 26 pg/l, zoals deze waarschijnlijk van toepassing is op het watersysteem van Rijn en Maas. De concentratie in Noordzeewater ligt op 4.600 pg/l.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

86

In het kader van de Kaderrichtlijn Water zijn milieukwaliteitsnormen (MKN) vastgesteld voor zoet water, jaargemid­ deld (JG) en maximaal aanvaardbaar (MAC): 1.

JG-MKN: 180^AC) Ļig/l;

2.

MAC-MKN: 450^AC) ng/l.

Het oppervlaktewater in Rotterdam voldoet ruimschoots aan deze normen.

6.6 Voorstel normwaarden boor opper­

grondwater (pg/l) grond (mg/kg ds)

zoet/brak polders

zout

brak

zoet

vlakte­ water (zoet)

Achtergrondwaarde

25

300

2.000

1.000

500

26

LMW Landbouw

55

630

6.300

6.300

6.300

[206]

havengebied normwaarde

LMW Wonen

100

LMW Industrie

200

I-waarde/JG-MKN

200

MAC-MKN

[476]

6.7 Literatuur Onderstaande literatuur heeft specifiek betrekking op het onderwerp in deze bijlage en is daarom separaat opgenomen: 1.

A.B. Roeloffzen, 20 juni 2013, Nota Actief bodem- en Baggerbeheer Rotterdam 2013; Bijlagen, DCMR Milieudienst Rijnmond, Schiedam.

2.

P.O. de Vries, H.C.M. Koomen, 19 juli 2005, Voorkomen, gedrag en risico's van boor, TTE, Deventer (rapportnummer C0428).

3.

R. van Herwijnen, C.E. Smit, 2010, Environmental risk limits for boron, RIVM, Bilthoven (letter report 60178203/2010).

4.

L. Osté, G.J. Zwolsman, J. Klein, 2012, Methods to derive natural background concentrations of metals in surface water, Deltares, Utrecht.

5.

L. Osté, 2013, Derivation of dissolved background concentrations in Dutch surface water based on a 10th-percentile of monitoring data, Deltares, Utrecht.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

87

Bijlage 7: Uitbreiding standaardpakket. 7.1 Stoffenpakket, als geen voorinformatie beschikbaar is en voor grond uit het buitenland Wanneer geen voorinformatie over de aard en herkomst van partijen grond of baggerspecie beschikbaar is, is het niet mogelijk om uit te sluiten dat: 1.

de partij afkomstig is van een puntbronlocatie, waar de bodem met stoffen is belast, die niet in het standaard­

2.

de partij afkomstig is uit een oude ophoog/verhardingslaag, waarin stoffen (bijvoorbeeld asbest) voorkomen, die

3.

de partij afkomstig is van een baggerspecieloswal, zodat aanvulling op het standaardpakket nodig is met enkele

4.

de partij afkomstig is van een voormalig (glas)tuinbouw- of akkerbouwgebied of een oude boomgaardlocatie,

pakket zijn opgenomen; niet in het standaardpakket zijn opgenomen;

metalen, organotinverbindingen en persistente (chloor) bestrijdingsmiddelen; zodat aanvulling noodzakelijk is met diverse veel gebruikte persistente (chloor)bestrijdingsmiddelen. Een uitbreiding van het stoffenpakket is dan onvermijdelijk en omvat tenminste de volgende stoffenlijst:

Tabel 11 Stoffenpakket, als geen voorinformatie beschikbaar is

Anorganische stoffen

Organische stoffen

- droge stof - lutum - asbest - chloride

- organische stof

Metalen: - arseen - barium - cadmium - chroom - kobalt - koper - kwik - molybdeen - lood - nikkel - zink

Organische somparameters: - minerale olie - PAK's totaal (som 10) - PCB's (som 7) - DDT (som), DDD (som), DDE (som) - aldrin, dieldrin, endrin telodrin, isodrin - OCB-scan - PFAS Overige stoffen: - cyaniden-totaal

In feite is dit stoffenpakket een worst-casepakket voor de meest voorkomende gevallen van diffuse bodemveront­ reiniging. Door alsnog voorinformatie te verzamelen, is het mogelijk het stoffenpakket te beperken en daarmee keuringskosten te besparen.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

88

7.2 Stoffenpakket baggerspecieloswallen en onderhoudsbagger uit haven of rivier Als uit het vooronderzoek blijkt dat op de te onderzoeken locatie mogelijk uit de rivier of aanliggende havenbekkens afkomstig onderhoudsbaggerspecie aanwezig is, is het noodzakelijk het standaardpakket uit te breiden. Dit leidt tot de volgende stoffenlijst, waarin de extra stoffen zijn onderstreept:

Tabel 12 Stoffenpakket baggerspecieloswallen en onderhoudsbagger uit haven of rivier

Anorganische stoffen

Organische stoffen

- droge stof - lutum

- organische stof

Metalen: - arseen - barium - cadmium - chroom - kobalt - koper - kwik - molybdeen - lood - nikkel - zink

Organische somparameters: - minerale olie - PAK's totaal (som 10) - PCB's (som 7) Overige organische stoffen: - aldrin, dieldrin, endrin, telodrin, isodrin -PFAS(na 1980)

Dit aanvullende pakket is gebaseerd op dat wat bekend is van maatgevende stoffen in baggerspecie die afkomstig is van een groot aantal onderhoudsbaggerloswallen in de regio. Drins komen vanwege de regionale productie en lozing sterk verhoogd voor in de bodem (en grondwater) van oude baggerloswallen en zijn daarom toegevoegd aan de stoffenlijst.

7.3 Stoffenpakket oude boomgaarden Als uit het vooronderzoek blijkt dat een partij grond afkomstig is uit een (voormalige) oude boomgaard, die al voor 1980 aanwezig was, dan is aanvulling van het standaardpakket noodzakelijk. Dit omdat in oude boomgaarden op grote schaal DDT als insecticide werd gebruikt. Daarnaast werden voor 1940 mogelijk ook organisch arseen en koperverbindingen toegepast. Deze stoffen zullen inmiddels door biologische afbraak zijn omgezet in anorganische arseen- en koperverbindingen. Het stoffenpakket is dan als volgt:

Tabel 13 Stoffenpakket oude boomgaarden

Anorganische stoffen

Organische stoffen

- droge stof - lutum

- organische stof

Metalen: - arseen - barium - cadmium - kobalt - koper - kwik - molybdeen - lood - nikkel - zink

Organische somparameters: - minerale olie - PAK's totaal (som 10) - PCB's (som 7)

Nota bodembeheer Rotterdam

Overige organische stoffen: - DDT (som), DDD (som), DDE (som) - PFAS

Bijlagen

89

7.4 Stoffenpakket (glas)tuinbouwgebieden Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is van een oud (glas)tuinbouwgebied, dat aanwezig was tussen 1948 en 1980, is aanvulling op het stoffenpakket noodzakelijk. In oude glastuinbouwgebieden werden op grote schaal diverse persistente chloorbestrijdingsmiddelen gebruikt. De modernere bestrijdingsmiddelen zijn meestal niet chloorhoudend en goed/beter afbreekbaar, zodat de kans dat ze zijn geaccumuleerd in de bodem klein is. Daar­ naast is in de voegkit - die in kassen werd gebruikt - vaak asbestvezel toegepast en zijn asbestplaten gebruikt voor het isoleren van verwarmingsketels. Het stoffenpakket ziet er als volgt uit:

Tabel 14 stoffenpakket (glas)tuinbouwgebieden

Anorganische stoffen

Organische stoffen

- droge stof - lutum - asbest

- organische stof

Metalen: - barium - cadmium - kobalt - koper - kwik - molybdeen - lood - nikkel - zink

Organische somparameters: - minerale olie - PAK's totaal (som 10) - PCB's (som 7) - OCB's (som landbodem) - PFAS

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

90

Bijlage 8: Overzicht stoffen en normen ten behoeve van het hergebruik van thermisch gereinigde grond en grondproducten.

Parameter

Eenheid

Gemeten*

Samenstelling

Max.

AW

MW Industrie

emissiewaarde L/S 10

Emissie toetswaarde

Standaardpakket protocol 9335-2: lutum

Gewicht-%

< 1,0 - 9,2

organische stof

Gewicht-%

0,4 - 1,8

barium

mg/kg ds

< 20 - 3.000

190

920

4,1

413

cadmium

mg/kg ds

0,28 - 1,2

0,6

4,3

0,051

4,3

kobalt

mg/kg ds

3,8 - 30

15

190

0,24

130

koper

mg/kg ds

31 - 97

40

190

1,0

113

kwik

mg/kg ds

0,20 - 0,65

0,15

4,8

0,49

4,8

lood

mg/kg ds

23 - 151

50

530

15

308

molybdeen

mg/kg ds

< 1,5 - 5,2

1,5

190

0,48

105

nikkel

mg/kg ds

5 - 414

35

100

0,21

100

zink

mg/kg ds

151-551

140

720

2,1

430

minerale olie

mg/kg ds

20-244

190

500

PAK's totaal (som 10)

mg/kg ds

0,35 - 0,85

1,5

40

PCB's (som 7)

mg/kg ds

0,0049

0,020

0,5

9,5 - 12

[7,5]

[9,0]

< 1,1 - 3,0

4,0

22

0,070

9

- 0,0055 Aanvullend stoffenpakket: pH asbest

mg/kg ds

antimoon

mg/kg ds

100

arseen

mg/kg ds

8 - 125

20

76

0,61

42

chroom

mg/kg ds

28 - 211

55

180

0,17

180

seleen

mg/kg ds

< 1,5

[0,7]

[9]

[0,15]

tin

mg/kg ds

2,9 - 15

6,5

900

0,093

vanadium

mg/kg ds

30-137

80

250

1,9

146

chloride

mg/kg ds

230 - 1.550

200

[570]

616**

8.800**

[20]

20**

34**

55**

1.500**

2.430**

20.000**

bromide

mg/kg ds

<5-385

[1,5]

fluoride

mg/kg ds

5 - 152

[500]

fosfaat

mg/kg ds

109 - 730

[500]

sulfaat

mg/kg ds

1.540

[1.500]

450

- 10.200 natrium

mg/kg ds

kalium

mg/kg ds

1.480

[3.700]

- 4.100 2.000

[10.400]

- 5.400 calcium

mg/kg ds

12.800

[57.000]

- 69.000 benzeen

mg/kg ds

< 0,25 - 3,1

0,20

1,0

tolueen

mg/kg ds

< 0,25 - 2,4

0,20

1,25

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

91

Samenstelling

Parameter

Eenheid

Gemeten*

Max. emissie-

AW

MW Industrie

ethylbenzeen

mg/kg ds

s 0,25 - s 0,5

0,20

1,25

xylenen (som)

mg/kg ds

0,25 - 2,4

0,45

1,25

Fenol

mg/kg ds

0,25

1,25

monochloorfenolen

mg/kg ds

s 0,15

0,045

5,4

dichloorfenolen

mg/kg ds

s 0,3

0,20

6

trichloorfenolen

mg/kg ds

s 0,3

0,0030

6

tetrachloorfenolen

mg/kg ds

s 0,15

0,015

6

pentachloorfenol

mg/kg ds

s 0,05

0,0030

5

trimethylbenzenen

mg/kg ds

s 1,4 - 2,1

creosolen (som)

mg/kg ds

s 0,15

0,30

5

a-HCH

mg/kg ds

s 0,001 - 0,5

0,0010

0,5

p-HCH

mg/kg ds

s 0,002 - 1,1

0,0020

0,5

trichloorbenzenen

mg/kg ds

0,015

5

pentachloorbenzeen

mg/kg ds

0,0025

5

drins (som)

mg/kg ds

0,015

0,14

dioxines (I-TEQ)

ng/kg ds

2,8 - 31

55

55

PFOS

pg/kg ds

s0,1 - 1,3

[1,6]

[7]

PFOA

pg/kg ds

s0,1

1,9

7

overige PFAS (indiv.)

pg/kg ds

s0,1 - 2,4#

1,4

3

FRD-902/903 (GenX)

pg/kg ds

s 0,1

[1,0]

som BDE's

pg/kg ds

s 0,1 - 11,2

*

s 0,025

waarde L/S 10

Emissie toetswaarde

Gebaseerd op de analyseresultaten van de toepassingslocaties Westdijk, Perkpolder en Plas van Heenvliet, en partijkeuringsresultaten;

**

Emissiewaarden L/S 10 voor niet-vormgegeven bouwstoffen, vanwege het ontbreken van een normwaarde voor grond. Het gaat om een voorlopige invulling van normwaarden door DCMR, andere bevoegde gezagen kunnen hiervan afwijken;

[]

Door DCMR afgeleide normwaarden in het kader van invulling van de zorgplicht;

#

Hoogst gemeten concentratie betrof perfluorobutyrate (PFBA).

De partijen worden getoetst aan Bijlage B, behorende bij hoofdstuk 4 en tabel 1 van de Rbk Achtergrondwaarden en MW Industrie voor grond en baggerspecie en de zorgplicht.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

92

Bijlage 9: Definities en termen. Achtergrondwaarden (AW) - Gehalten aan stoffen zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouw­ gronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Activiteitenbesluit - Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Dit besluit bevat verplichtingen voor inrichtingen (bedrijven) ter bescherming van het milieu, waaronder verplichtingen bij uit te voeren bodemonderzoek en het herstellen van de bodemkwaliteit (sanering). Baggerspecie (of bagger) - Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater, of de voor dat water bestemde ruimte, en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en ook van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (artikel 1 Bbk). In deze Nota is gekozen voor het gebruik van de term bagger. Bbk - Besluit bodemkwaliteit. Beschikking ernst en spoed - Een beschikking volgens de Wbb waarin het bevoegd gezag vaststelt of er op een locatie sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en of de locatie volgens het saneringscriterium met spoed moet worden gesaneerd.

Bevoegd gezag - De gemeente Rotterdam is het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. DCMR Milieudienst Rijnmond voert namens de gemeente deze taak uit. DCMR is te bereiken via info@dcmr.nl en 010 246 8000. De website van DCMR is www.dcmr.nl. BIO - BIO staat voor bijzonder inventariserend onderzoek en wordt gebruikt voor specifieke onderzoeken, bijvoorbeeld bij het bepalen van achtergrondgehalten, of voor het opstellen van verwachtingskaarten zoals voor lood, asbest of PFAS. Bodem - Het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen (artikel 1 Wet bodembescherming). Volgens vaste jurisprudentie is een stortlaag die voor meer dan 50 % uit bodemvreemd materiaal bestaat geen bodem meer als bedoeld in de Wbb. Bodembedreigende stof - Stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in bijlage 4 van deel 3 van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, en stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels die de bodem kunnen verontreinigen.

Bodembeheergebied - Het gebied waarvoor het gebiedsspecifieke beleid is vastgesteld. Bodemfunctie - De bodemfunctie is een type gebruik van de bodem, zoals beschreven in de Rbk (art. 4.7.1) De Rbk onderscheidt zeven bodemfuncties, waaronder 'wonen met tuin', 'landbouw', 'ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie'. De bodemfuncties zijn gegroepeerd in (bodem)functieklassen.

Bodemkwaliteitskaart - De Bodemkwaliteitskaart van Rotterdam is een verzameling van kaartlagen met betrekking tot de functie en kwaliteit van de bodem en mogelijkheden voor hergebruik zoals gedefinieerd in paragraaf 2.1 van deze Nota. Bodemvreemd materiaal - Materiaal dat zich in de bodem of in een partij grond bevindt, maar dat niet voldoet aan de definitie van grond en ook niet van nature in de grond voorkomt (wortels, en schelpen in het geval van zeezand).

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

93

Besluit Uniforme Saneringen (BUS) - Wettelijke regeling om eenvoudige standaard saneringen uit te kunnen voeren. Er is geen goedgekeurd saneringsplan vooraf nodig, maar er moet aan standaard landelijke regels worden voldaan. Contactzone - De contactzone is het bovenste deel van het onbedekte deel van de bodem bij gevoelig gebruik. In normale situaties geldt voor de contactzone een dikte van 0,5 meter.

DCMR - DCMR Milieudienst Rijnmond voert de bevoegd gezagstaken uit voor de gemeente Rotterdam voor de Wbb en het Bbk. DCMR is te bereiken via info@dcmr.nl en 010 246 8000. De website van DCMR is www.dcmr.nl. Diffuse bodemverontreiniging - Bodemaantasting die zich uitstrekt over grote oppervlakten, vaak uit meerdere en niet duidelijk te lokaliseren bronnen.

Erkende bodemintermediairs in het kader van het Besluit bodemkwaliteit - Alle bedrijven en personen die voor specifieke bodemwerkzaamheden zijn erkend door Rijkswaterstaat en als zodanig zijn genoemd op de website www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu/. Functieklassen - De (bodem)functieklassen geven de op basis van de bodemfuncties gewenste kwaliteit aan. Er zijn generieke functieklassen Wonen en Industrie. De gemeente Rotterdam hanteert aanvullend Landbouw en Natuur.

Gebiedsspecifiek beleid - Door de gemeente vastgesteld bodembeleid op basis van het Besluit bodemkwaliteit. Dit beleid biedt de mogelijkheid om lokaal maatwerk te leveren voor een optimaal hergebruik van grond. Generiek beleid - Het kader dat is vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit met de landelijke Achtergrondwaarde (AW) en Maximale Waarden (MW). Dit kader geldt altijd tenzij gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld.

Geval van ernstige verontreiniging - Bij een geval van ernstige verontreiniging (grond- en grondwaterverontreiniging) wordt de interventiewaarde van één of meerdere stoffen overschreden of is er sprake van concentraties met stoffen waarbij er actuele risico's bestaan. We spreken over een geval van ernstige verontreiniging, wanneer het gemiddelde gehalte van 25 m3 de interventiewaarde overschrijdt of bij grondwater, meer dan 100 m3, gemeten als bodemvolume. Er zijn situaties waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden, maar toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (in zogenaamde gevoelige situaties). Ook bij verontreinigingen met stoffen zonder formele interventie­ waarde kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Voor bodemverontreiniging met asbest is het bovengenoemde volumecriterium niet van toepassing. Gevoelig gebruik - Gevoelig gebruik betreft drie functies, namelijk: plaatsen waar kinderen tot 7 jaar spelen (kinderspeelplaatsen), locaties waar gewassen worden gekweekt (moestuinen) en die plekken waar beide gebruiksvormen mogelijk zijn (wonen met tuin).

Grond - Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, en ook van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie (Bbk, art. 1).

Grootschalige bodemtoepassing - Toepassingen zoals dijken, terpen en geluidwallen, waarbij onder strikte voorwaarden geen rekening hoeft te worden gehouden met de kwaliteit van de ontvangende bodem. Herschikken - Het binnen een saneringslocatie op een andere plaats neerleggen van sterk verontreinigde grond. Herschikken is alleen mogelijk binnen het geval van verontreiniging (daarom wordt ook de term herschikken en niet de term hergebruik gehanteerd). Herschikken dient te worden vastgelegd in een saneringsplan. Interventiewaarden - Waarden voor het verontreinigingsniveau per stof of stofgroep waarboven de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier of plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De interventiewaarden droge bodem zijn gebaseerd risico's voor de mens of voor het ecosysteem Circulaire bo­ demsanering per 1 juli 2013.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

94

Locatiebeheersplan - Plan dat de werkzaamheden in de bodem beschrijft voor een locatie waar gedurende een lange periode de aanwezige, historische verontreiniging wordt beheerst. Lokale Maximale Waarden (LMW) - Door de gemeenteraad vastgestelde normen, die aangeven aan welke (milieu­ kundige) kwaliteit grond of baggerspecie moeten voldoen om te mogen worden toegepast. De Lokale Maximale Waarden fungeren ook als terugsaneerwaarde bij bodemsanering.

Onverdachte locatie - Locatie zonder concrete aanwijzingen op basis van historie, gebruik of bodemonderzoek voor één of meer verontreinigende stoffen in de bodem. Raamsaneringsplan - Plan dat de sanering beschrijft van een grote of uitgestrekte locatie, waarbij verschillende gevallen van bodemverontreiniging worden aangepakt.

Risicotoolbox - Door het RIVM ontwikkeld instrument om te bepalen of bij een gekozen Lokale Maximale Waarde sprake is van risico's. Het gebruik van de Risicotoolbox is verplicht bij het opstellen van gebiedsspecifiek beleid. Saneringscriterium - Systematiek waarbij locatiespecifiek kan worden bepaald of de verontreiniging van de bodem zorgt voor een zodanig risico voor mens (gezondheidseffecten), plant en dier (bio-accumulatie, doorvergiftiging, bedreiging van soorten en natuurlijke processen) en/of van risico's van verspreiding van verontreiniging, dat er spoedig moet worden gesaneerd. Het saneringscriterium is vastgelegd in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Op basis van de vastgestelde risico's wordt bepaald of maatregelen (beheersen, saneren) al dan niet met spoed moeten worden uitgevoerd. Saneringsdoelstelling - Bij overschrijding van het saneringscriterium dient een bodemsanering plaats te vinden. In het saneringsplan moet worden aangegeven wat het doel van de sanering is en welke terugsaneerwaarden daarbij horen. Saneringslocatie - Locatie waarop een saneringsplan, LBP of een BUS-melding betrekking heeft. Sanscrit - (afkorting van Saneringscriterium, zie boven) een webapplicatie om het saneringscriterium te berekenen.

Standaardbodem - bodem met 25 % lutum en 10 % organische stof. Toelichting: om concentraties in verschillende bodemtypen aan dezelfde normen te kunnen toetsen, worden de meetwaarden omgerekend naar standaardbodem. Stand-still principe - Uitgangspunt waarbij geldt dat de kwaliteit van een bepaalde milieucomponent, bijvoorbeeld bodem, als gevolg van activiteiten niet mag verslechteren. Onder het Besluit bodemkwaliteit geldt het stand-still principe voor het hele bodembeheergebied. Zolang grondverzet uitsluitend plaatsvindt met grond uit hetzelfde beheergebied wordt voldaan aan dit principe. Sterk verontreinigde grond - Grond waarin één of meer verontreinigingen in concentraties boven de interventie­ waarden aanwezig zijn.

Tijdelijke opslag - Opslag van grond van beperkte duur op een plaats voorafgaand aan het gebruik van de grond in een nuttige toepassing op een andere plaats. Zie art. 35 van het Besluit bodemkwaliteit.

Tijdelijke uitname (Besluit bodemkwaliteit) - Het tijdelijk verplaatsen, of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie en deze vervolgens zonder bewerking op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities, opnieuw in de toepassing aanbrengen.

Tijdelijk uitplaatsen (Besluit Uniforme Saneringen) - Het na uitplaatsen zoveel mogelijk terugbrengen van de tijdelijk uitgeplaatste grond in hetzelfde ontgravingsprofiel, onder dezelfde bodemomstandigheden, zonder dat de grond een bewerking heeft ondergaan. Eventueel kan het van de locatie afvoeren van de overtollige verontreinigde grond aan de orde zijn.

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

95

Verdachte locatie - Locatie waar concrete aanwijzingen zijn aanwijzingen op basis van historie, gebruik of bodemonderzoek voor één of meer verontreinigende stoffen in de bodem. VOLASOIL - Rekenmodel voor het bepalen van het risico van bodemverontreiniging met vluchtige stoffen. Het rekenmodel voert een actuele risicoanalyse uit in het geval van verontreiniging met vluchtige verbindingen. Voor de Nederlandse bouwpraktijk berekent VOLASOIL de binnenluchtconcentratie in huizen gebouwd op bodems die verontreinigd zijn met vluchtige stoffen. Het model wordt beschouwd als een optimum tussen een degelijke theore­ tische onderbouwing en de toepasbaarheid in de praktijk van het bodemonderzoek. Een combinatie van meten en rekenen is mogelijk. Het model berekent voor verschillende verontreinigingssituaties, zoals bij een drijflaag, puur product in de onverzadigde zone of gecontamineerd grondwater in de kruipruimte, de locatiespecifieke risico's. VOLASOIL kan worden gebruikt voor de onderbouwing van beslissingen over eventuele sanering (Wet bodem­ bescherming).

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

96

Bijlage 10: Vaststellen van het gewogen gemiddelde van de gemeten concentraties. 1.

stel vast welke analyses betrekking hebben op de te beoordelen laag (in in dit geval een tuin), of het te onderzoeken grondoppervlak, en uit hoeveel deelmonsters of grepen elk analysemonster is samengesteld. De monsters MM1, MM2 tot en met MMx;

2.

vermenigvuldig elke gemeten concentratie (C) met het aantal deelmonsters of grepen (n) waar het

3.

tel alle vermenigvuldigde concentraties bij elkaar op;

4.

deel het resultaat door het totale aantal deelmonsters/grepen (n). Dit is het gewogen gemiddelde van

analysemonster (MM) uit is samengesteld;

de concentraties. Onderstaand is dit in formulevorm weergegeven. In kader 1 zijn twee rekenvoorbeelden gegeven.

gewogen concentratie =

(n1 * C[MM1] + n2 * C[MM2] + - nx * C[MMx]) (n1 + n2 + ... nx)

n1

Aantal deelmonsters of grepen dat hoort bij monster 1

C

Concentratie mg/kg ds van een monster

MM1

(meng)monster 1

De contactzone van een tuin is geanalyseerd met een mengmonster van drie deelmonsters, een enkelvoudig monster en een oppervlakte-monster volgens SIKB Handreiking 8102 van 20 grepen.

Voorbeeld 1

Analysemonster

C

N

C*n 900

MM01

300

3

002-01

100

1

100

MM02

450

20

9.000

24

10.000

Som Gewogen gemiddelde

Som C/Som n

417

Voorbeeld 2

Analysemonster

C

N

C*n 1350

MM01

450

3

002-01

300

1

300

MM02

100

20

2000

24

3650

Som Gewogen gemiddelde

Som C/Som n

152

Kader 1 Voorbeelden van de bepaling van een gewogen gemiddelde

Nota bodembeheer Rotterdam

Bijlagen

97

Colofon Meer informatie: www.dcmr.nl: themapagina Bodem

Nota Bodembeheer Rotterdam, versie 2022 Documentnummer: BS21/01557 - 21bb014569 In ontwerp vastgesteld: 22 maart 2022 Deze nota vervangt de nota Actief Bodem- en Baggerbeheer van 20 juni 2013

Redactie: DCMR Milieudienst Rijnmond Gemeente Rotterdam - Afdeling Ruimte, Wonen en Milieu - Ingenieursbureau Rotterdam GGD Rotterdam-Rijnmond Havenbedrijf Rotterdam

Gemeente Rotterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=70a552a1-dd5d-454c-858b-36c760e8ef9f