[23bb001504] Bijlage behorende bij 23bb001503 over Ontwerpbestemmingsplan Kopblok Dordtsestraatweg-Sikkelstraat
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
34
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat
5.6
Bodem
Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Onderzoek en conclusie Het milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd door IDDS. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek en conclusies gegeven. Het volledige rapport staat in bijlage 4.
De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies gesteld: » In de bodem is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft plaatselijk zwakke bijmengingen met metselpuin en zwak tot matige bijmengingen met baksteen; » Ter plaatse van boring 01 en 03 zijn respectievelijk op het traject 1,5 á 2,0 en 1,0 á 2,0 resten slib waargenomen; » Visueel en analytisch is op indicatieve basis geen asbest aangetoond; » Het zand met resten slib is licht verontreinigd met PCB, zink, kwik en lood. De overige grond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; » Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Gelet op de onderzoeksresultaten kan de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie worden gehandhaafd. Op basis van de onderzoeksresultaten worden beperkingen ten aanzien van de voorgenomen sloop en nieuwbouw en het daaropvolgende gebruik wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Geadviseerd wordt om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden.
Rho adviseurs voor leefruimte
35
Het bodemonderzoek is steekproefsgewijs uitgevoerd. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat plaatselijk sprake kan zijn van een afwijkende bodemopbouw. Indien op de locatie graafwerkzaamheden worden uitgevoerd wordt derhalve aanbevolen om alert te blijven op plaatselijke afwijkingen in de bodem die kunnen wijzen op een eventuele bodemverontreiniging.
5.7
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming
Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden Natura2000-gebieden zijn gebieden die onderdeel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. In een aanwijzingsbesluit om gebieden als Natura2000-gebied aan te merken, zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) vastgelegd. Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3.
de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: » soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; » soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; » overige soorten.
Rho adviseurs voor leefruimte
36
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland
In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming
Binnen het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt op circa 5 kilometer van het plangebied en betreft de Oude Maas. Op ruim 2 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreffen polder de Esch en Brienenoord.
Rho adviseurs voor leefruimte
37
Krimpen
Ridderkerk
B.ireudrecht
k- «'--••1
Projectgebied NNN- gebied Natura 2000- gebied
Figuur 5.2 Plangebied ten opzichte van beschermde natuur Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor de realisatiefase geldt een vrijstelling vanuit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. De bijbehorende berekening van de gebruiksfase is opgenomen in bijlage 3. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden is berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Soortenbescherming
Voor de ontwikkeling aan de Dordtsestraatweg - Sikkelstraat is een ecologische quickscan uitgevoerd door E.C.O.-logisch. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1. In de paragraaf worden de conclusies van de quickscan besproken. De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw en de huismus. De bebouwing biedt daarnaast mogelijk verblijfplaatsen voor de steenmarter en gebouwbewonende vleermuizen. In de bomen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen mogelijk potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. De werkzaamheden kunnen in potentie leiden tot aantasting en vernietiging van vaste verblijfplaatsen van de steenmarter, vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van vogels. Daarnaast kunnen individuen van vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten worden verstoord en gedood. Tevens kunnen nesten van algemene broedvogels worden aangetast en vernield en kunnen algemene broedvogels en zoogdieren worden gedood.
Rho adviseurs voor leefruimte
38
Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter, vleermuizen en jaarrond beschermde nesten is nodig alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Dit onderzoek loopt. De resultaten hiervan worden voor vaststelling van dit bestemmingsplan verwerkt. Het aanvullend onderzoek naar vleermuizen zal gericht zijn op de te verwachte vleermuissoorten de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nesten zal gericht zijn op de boomvalk, gierzwaluw, huismus en de ransuil. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Conclusie Uit het stikstof-onderzoek blijkt dat voor de gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden is berekend. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Met betrekking tot soortenbescherming is er aanvullend onderzoek nodig naar verblijfplaatsen van de steenmarter, vleermuizen en jaarrond beschermde nesten.
De resultaten uit dit onderzoek worden voor vaststelling in dit bestemmingsplan verwerkt.
5.8
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: » ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; » rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In het gebied zijn verschillende functies gevestigd zoals bedrijven, maatschappelijke en gemengd bestemmingen.
Tevens is het plangebied aan de ontsluitingsweg Dordtsestraatweg gelegen waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Ten oosten bevindt zich een gemengde bestemming waar onder andere bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 2 gerealiseerd mogen worden. Grenzend hieraan bevindt zich een maatschappelijke bestemming welke tevens in milieucategorie 2 valt. Deze functies bevinden zich op ca. 70 meter van het plangebied. Ca. 12 meter ten zuiden bevindt zich de bestemming Gemengd - 1 waar bedrijven tot en met milieucategorie 2 mogelijk zijn. Er liggen geen overige bedrijven nabij het plangebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
39
Het plangebied bevindt zich binnen een gemengd gebied. Hierin zijn bedrijven tot en met milieucategorie in het algemeen direct naast woningen toelaatbaar geacht. Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er voor de woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.
5.9
Archeologie
Toetsingskader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.
De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Bewoningsgeschiedenis
In het gebied zijn momenteel geen resten bekend uit de prehistorie, Romeinse tijd (begin jaartelling350 na Chr.) en Vroege Middeleeuwen (350-1000). Juist ten noorden van het bestemmingsplangebied ligt een donk, even ten westen van het Feijenoordstadion. Een donk is een uit zand bestaand rivierduin. Donken, die vanaf de Midden-Steentijd (8000- 5300 voor Chr.) regelmatig door de mens als woonplaats werden gebruikt, zijn in latere fasen van de prehistorie in de meeste gevallen bedekt geraakt onder kleiafzettingen en veen. Uiteindelijk ontstond in de late prehistorie een vrijwel aaneengesloten veengebied. Op het veen en plaatselijk op dunne kleiafzettingen op het veen, werd gewoond in latere fasen van de prehistorie, de Romeinse tijd en tijden de (Vroege) Middeleeuwen. Op het jongere, laatmiddeleeuwse kleidek, kunnen zich sporen uit de Late Middeleeuwen (1000-1500) en Nieuwe tijd (vanaf 1500) bevinden. In de 10e-12e eeuw is het gehele veengebied ontgonnen en voor bewoning en landbouw geschikt gemaakt. Vóór 1300 is men met de bedijkingen gestart. Het plangebied maakte in deze periode deel uit van de Riederwaard, een rondom bedijkt gebied, dat centraal gelegen was op het eiland IJsselmonde. In 1373 gaat de Riederwaard door overstromingen ten onder, waarna het gebied in fasen wordt herbedijkt.
Door het bestemmingsplangebied lopen bewoningslinten die zijn gerelateerd aan de voormalige polder van Charlois. De Polder Charlois werd gevormd tussen 1425-1475.
Rho adviseurs voor leefruimte
40
Archeologische verwachting
Gelet op het voorgaande kunnen in het gehele plangebied archeologisch waardevolle relicten worden aangetroffen vanaf de Midden-Steentijd tot in de Nieuwe tijd. Eventuele donken, of rivierduinen geven een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Midden- en Nieuwe Steentijd. De zones waar zich op het veen in de ondergrond oudere klei-afzettingen in de ondergrond bevinden, hebben een hogere archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periodes IJzertijd, Romeinse tijd en de Middeleeuwen tot de laatmiddeleeuwse overstromingen van 1373. Bewoningssporen uit de 15e eeuw en later kunnen onder meer op en langs de dijken van de Polder Charlois voorkomen. De meeste van deze bewoningssporen zullen zich ter plaatse van de bebouwing bevinden, zoals die voor het eerst exact is weergegeven op de oudste kadastrale kaart van 1811- 1832. Deze terreinen hebben een hoge archeologische verwachting. Aanbevelingen Waarde - Archeologie 2 Voor het plangebied (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 vierkante meter. Conclusie Met betrekking tot archeologie wordt in dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming 'waarde- archeologie 2' opgenomen. Hiermee wordt het aspect archeologie gewaarborgd.
5.10
Mer-beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: » de kenmerken van de projecten; » de plaats van de projecten; » de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek M.e.r. -beoordelingsplicht
In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en meer dan 2.000 woningen omvat. Het voorgenomen plan bestaat o.a. uit de realisatie van maximaal drie grondgebonden woningen en maximaal zes appartementen. De ontwikkeling blijft hiermee ruim onder de drempelwaarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
41
De nieuwe woningen zijn vergelijkbaar met de planologische situatie. Het realiseren van de ieuwe woningen past daarom in de omgeving en is niet gebiedsvreemd. Daarnaast is de milieu-impact van de toekomstige situatie gelijk aan de bestaande situatie. Op basis van de kenmerken van het project kan dan ook worden geconstateerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2) zoals vermeld in bijlage 1 van het Besluit mer, of van een andere m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Er is daarom geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig, en er hoeft geen beoordelingsbesluit te worden vastgesteld. Conclusie Op basis van bovenstaande geldt dat dit bestemmingsplan uitvoerbaar is wat betreft milieuregelgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
42
Rho adviseurs voor leefruimte
43
Hoofdstuk 6
Financiële uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); 2. er geen kosten te verhalen zijn (art. 6.2.1a Bro). De 'grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden. De kosten voor de sloop en nieuwbouw worden gedragen door Havensteder. Er is geen sprake van gemeentelijke kosten. Het kostenverhaal is met oog op het bovenstaande verzekerd waardoor afgezien kan worden van een exploitatieplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
44
Rho adviseurs voor leefruimte
45
Hoofdstuk 7
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg
In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, is het concept bestemmingsplan toegezonden aan diverse bestuurlijke partners. Naar aanleiding hiervan zijn op het bestemmingsplan verschillende overlegreacties ontvangen. Een samenvatting van de overlegreacties worden in deze paragraaf beschreven. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) De Veiligheidsregio heeft met betrekking tot dit bestemmingsplan geen relevante fysieke veiligheidsaspecten geconstateerd. De VRR kan zich vinden in de gestelde maatregelen uit paragraaf 5.4 van de toelichting. De VRR adviseert bij deze ontwikkeling zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Reactie Dit wordt ter kennisgeving aangenomen. Provincie Zuid-Holland In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft de provincie een reactie gegeven op het voorliggende bestemmingsplan. De provincie geeft aan dat in de toelichting van het voorontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat nader onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van meerdere diersoorten. De noodzaak van een ontheffing van de Wnb kan daarom op voorhand niet worden uitgesloten.
Indien uit de aanvullende onderzoeken/inventarisaties blijkt dat het projectgebied functies bevat voor de steenmarter, vleermuizen en broedvogels met een jaarrond beschermd nest en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wbn te worden aangevraagd. Indien een ontheffingstraject nodig blijkt in deze procedure, verzoekt de provincie hierover contact op te nemen met de Omgevingsdienst Haaglanden. Reactie Het vervolgonderzoek met betrekking tot ecologie wordt op dit moment uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden opgenomen in dit bestemmingsplan. Evides Het Waterbedrijf Evides ziet geen knelpunten met de waterleidingen. Het Waterbedrijf heeft geen opmerkingen met betrekking tot het voorontwerpbestemmingsplan. Reactie Dit wordt ter kennisgeving aangenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
46
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan zal gelet op de wettelijke verplichtingen voor een periode van 6 weken ter inzage komen te liggen. Tijdens deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend door een ieder.
Rho adviseurs voor leefruimte
47
Hoofdstuk 8
8.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels. De regels bevatten regels voor gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking; maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In onderhavig hoofdstuk worden de planuitgangspunten naar de regels en verbeeldingen verder verwoord.
8.2
Opzet van de planregels
Voor het gehele plangebied is de huidige wijze van bestemmen binnen de gemeente Rotterdam in hoge mate richtinggevend voor de wijze waarop de bestemmingen zijn geregeld. De planuitgangspunten zoals verwoord in onderhavig hoofdstuk zijn vertaald op de verbeelding en in de planregels. Er is gekozen voor een gedetailleerde opzet van het plan. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 komen de inleidende regels aan bod. Het betreft hier de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 bestemmingsregels zijn de regels behorende bij de verschillende bestemmingen opgenomen (artikel 3 tot en met 5). De meeste bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen: » een bestemmingsomschrijving; » bouwregels; en indien van toepassing: » nadere eisen; » afwijking van de bouwregels; » specifieke gebruiksregels; » afwijking van de gebruiksregels; » omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Hoofdstuk 3 bevat verschillende algemene regels die van toepassing zijn (artikel 8 tot en met 12). Tot slot zijn de overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 13 en 14).
Rho adviseurs voor leefruimte
48
8.3
Artikelsgewijze toelichting op de planregels
Hoofdstuk 1 inleidende regels Artikel 1 Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hierin is tevens een wijze van meten opgenomen voor de hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdstuk 2 Bestemmingen De volgende bestemmingen komen voor: Tuin
De bestemming 'Tuin' is opgenomen voor de achtertuinen van de woningen. Hierin is tevens een regeling opgenomen voor de aanbouwen en bijgebouwen behorende bij de woningen. Verkeer- Verblijfsgebied
De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Wonen
De woningen aan het Kopblok hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. Hierbinnen zijn woningen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden toegestaan. In beginsel zijn binnen de bestemming alleen grondgebonden woningen toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn tevens gestapelde woningen toegestaan. Verder is er een maximale bouwhoogte van 11 meter toegestaan en een maximale goothoogte van 7,5 meter toegestaan. De voorgevels van de woningen dienen gebouwd te worden in de gevellijn ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'. Waarde - Archeologie 2
Een zogenaamde dubbelbestemming regelt een medegebruik van gronden naast het primaire gebruik. Een dubbelbestemming kan meerdere enkelbestemmingen overlappen. Vaak is dit een niet-tastbaar gebruik of een beschermende regeling zoals een archeologische verwachtingswaarde of de beschermingszone van een waterkering. Ook is er sprake van een rangorde tussen de enkel- en dubbelbestemming. In dit bestemmingsplan komen de volgende dubbelbestemmingen voor: 'Waarde - Archeologie 2' is opgenomen ten behoeve van de bescherming van eventuele archeologisch waardevolle resten in de bodem. De regeling gaat uit van een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek wanneer er vanaf een bepaalde diepte onder NAP bodemverstorende werkzaamheden met een bepaalde oppervlakte worden uitgevoerd. Deze onderzoeksverplichting geldt ter plaatse van Waarde - Archeologie 2 en dit is respectievelijk 100 m2 of groter én dieper dan 0,5 meter beneden NAP.
Rho adviseurs voor leefruimte
49
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
Hiermee is geborgd dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
In dit artikel is bepaald dat het gehele plangebied is aangewezen tot moderniseringsgebied als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening. Dit artikel bepaalt dat in een bestemmingsplan gebieden kunnen worden aangewezen waarbinnen de daar aanwezige bouwwerken dienen te worden gemoderniseerd of vervangen door gelijksoortige bebouwing van gelijke of nagenoeg gelijke bouwmassa. Artikel 10 Algemene bouwregels
Om te voorkomen dat kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt om af te wijken van de regel dat bouwgrenzen niet mogen worden overschreden (voor zover deze afwijkingen niet onder de regel 'algemene bouwregels' vallen te scharen). Om deze afwijking mogelijk te maken kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen. Ook biedt dit artikel de mogelijkheid om via een omgevingsvergunning af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. Daarnaast is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming Waarde - Archeologie geheel of gedeeltelijk van gronden kan worden verwijderd, indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn en het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregel Artikel 13 Overgangsrecht
Onderscheid wordt gemaakt tussen overgangsrecht voor bouwwerken en het gebruik. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk wanneer het bevoegd gezag afwijkt in het kader van een omgevingsvergunning. De overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 14 Slotregel
Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
Rho adviseurs voor leefruimte
50
Rho adviseurs voor leefruimte
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
RHO ADVISEURS
Bijlage 1
Quickscan Ecologie
Rho adviseurs voor leefruimte
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AIL. algemeen@eco logisch.com WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NL8602.84.529.B01 IBA N NL66 RABO 0123 9211 20
Quickscan Dordtsestraatweg-Sikkelstraat Rotterdam Conceptrapport
3 151 | iiľüi null |
_____ fifflļ
ISae&x!
. mm
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 30-12-2021
Verantwoording
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres:
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Rho adviseurs A. Mes Weena 505 3013 AL Rotterdam 010 2018524 aletta.mes@rho.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. J. Koorevaar
Auteur: Kwaliteitscontrole:
ing. F. van Wegen ing. J. Koorevaar
Projectcode: Status: Datum:
RANA2219 Concept 30-12-2021
N G B Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
Samenvatting De gemeente Rotterdam is voornemens de bebouwing aan de Dordtsestraatweg 426 - 438 te amoveren ten behoeve van de realisatie van woongelegenheid. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de geplande werkzaamheden gaan potentieel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen verloren en kunnen vleermuizen worden gedood. De bebouwing in het projectgebied is geschikt al (massa)winterverblijfplaats, zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats en als paarverblijfplaats.
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
De ruimten onder het dak in de bebouwing van het projectgebied zijn geschikt voor nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden potentieel aanwezige nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus vernietigd en kunnen individuen worden verstoord. In de bebouwing in het projectgebied zijn ruimten aanwezig welke geschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter. De potentieel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter raken verloren als gevolg van de geplande werkzaamheden. In de omgeving van het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermd nest aanwezig. Dit nest bevindt zich binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden en is mogelijk geschikt voor de boomvalk en de ransuil. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Doordat er een partiële vrijstelling geldt van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector is er geen berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter, vleermuizen en jaarrond beschermde nesten is nodig alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats.
Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
3
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlL.algem een@ eco-l09 isch.com WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N166 RABO 0123 9211 20
Inhoudsopgave 1 Inleiding........................................ 1.1 Aanleiding en doel.................... 1.2 Natuurbeschermingswetgeving 1.2.1 Gebiedsbescherming........... Soortbescherming ................. 1.2.2 1.2.3 Ontheffing en gedragscode .. 1.3 Leeswijzer..................................
5
2
Projectgebied en ontwikkelingen
8
2.1 2.2
Projectgebied.............................. Ontwikkelingen............................
8 8
3
5 5 5 6 7 7
Soortbescherming.....................................................................
10
Bronnenonderzoek................................................................... Habitatscan................................................................................ Zoogdieren............................................................................ Vogels.................................................................................... Amfibieën.............................................................................. Reptielen................................................................................ Vissen .................................................................................... Ongewervelden..................................................................... Vaatplanten ........................................................................... Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies....... Effecten..................................................................................... Effecten ontwikkelingen........................................................ Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming Aanvullende inventarisaties projectgebied.......................... Mitigerende maatregelen...................................................... Ontheffing Wet natuurbescherming.....................................
10 10 10 11 12 12 12 12 12 13 13 13 14 14 14 15
3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8 3.3 3.3.1 3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3 4
Gebiedsbescherming
16
4.1
Effecten ..................
16
5
Conclusies en aanbevelingen
17
5.1 5.2
Conclusies............................. Aanbevelingen......................
17 17
6
Literatuur
Bijlage 1: Bijlage 2:
Foto-impressie............................... Tabel mogelijk aanwezige soorten
18
19 20
4
1
Inleiding
i.i Aanleiding en doel De gemeente Rotterdam is voornemens de bebouwing aan de Dordtsestraatweg 426 - 438 te amoveren ten behoeve van de realisatie van woongelegenheid. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling.
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AILalgem een@ eco-logisch.com WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 1BAN N166 RABO 0123 9211 20
De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
1.2
Natuurbeschermingswetgeving
De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie.
1.2.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden
Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij'-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht
De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht)
1. 2.
a. b.
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
c. 3.
Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Europees beschermde soorten - Vogels
De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb.
1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen
De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb.
1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5 Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten
De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb.
1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
Ontheffing en gedragscode
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
Leeswijzer
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. in hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.
7
2
Projectgebied en ontwikkelingen
2.1
Projectgebied
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AILalgem een@ eco-logisch.com WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 1BAN N166 RABO 0123 9211 20
Het projectgebied is gelegen aan de Dordtsestraatweg in de gemeente Rotterdam in kilometerhok: X:93 Z Y:433 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
' ^
Inspiratis
De Startmotor
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied bestaat uit bebouwing, gelegen aan de Dordtsestraatweg 426 - 438. De bebouwing betreft zeven woningen die niet meer in gebruik zijn. De eerste tekenen van verval zijn zichtbaar in de vorm van scheuren en openingen in de bebouwing. De bebouwing bestaat uit drie verdiepingen en is opgebouwd uit bakstenen. De daken van de bebouwing bestaan uit dakpannen. De omgeving van het projectgebied bestaat uit geasfalteerde wegen, stoep en woningen. Er zijn enkele robinia bomen in de omgeving aangeplant. Langs de Dordtsestraatweg bevindt zich een laan van bomen. De bomen in de omgeving van het projectgebied bevatten geen boomholtes. Verder zijn er weinig groenstructuren aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN
In het projectgebied worden drie eengezinswoningen en zes appartementen gebouwd. Om dit te realiseren wordt de huidige bebouwing geamoveerd. In afbeelding 2 is een bovenaanzicht van de huidige situatie van het projectgebied weergegeven. In afbeelding 3 is de situatie van het projectgebied weergegeven, wanneer de geplande ontwikkeling heeft plaatsgevonden.
8
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlL.algem een@ eco-l09 isch.com WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N166 RABO 0123 9211 20
Afbeelding 2: Huidige situatie
LEGENDA RANDVOORWAARDENKAART Grondgebonden woningen Appartementen Achtertuinen Voorgevelrooilijn ----- Achtergevelrooilijn (indicatief) ■i ih Aan dacht voor zijgevel —^ Aansluiting op bestaand achterpad Entrees vanaf d e straat (ind icatief) -----Plangrens
TT
Afbeelding 3: Geplande ontwikkeling
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
Bronnenonderzoek
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO's, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling
De ‘Verordening vrijstellingen soorten' betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen. Voor de provincie Zuid-Holland zijn middels artikel 8.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
Habitatscan
Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 22 december 2021 en is uitgevoerd door ing. F. van Wegen. Tijdens de habitatscan was het droog en onbewolkt, met een temperatuur van circa -2^ en een windkracht van 2 Bft.
3.2.1
Zoogdieren
In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis. De bebouwing met baksteen en dakpannen in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Er bevinden zich enkele openingen in de muur die toegang geven tot de ruimtes in de bebouwing (afbeelding 4). De ruimtes achter de dakpannen bieden toegang tot de spouwmuur (afbeelding 5). De ruimtes kunnen door individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en de tweekleurige vleermuis. In het projectgebied is geen hoge bebouwing aanwezig. Derhalve kunnen paarverblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis worden uitgesloten. Vanwege de gevoeligheid voor verlichting, wordt de gewone grootoorvleermuis eveneens niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De bomen in de omgeving van het projectgebied bevatten geen boomholtes die ruimte bieden voor boombewonende vleermuizen. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en de watervleermuis worden uitgesloten. De bomen in de Dordtsestraatweg vormen een lijnvormig element die door vleermuizen als vliegroute kunnen worden gebruikt.
De bomen in de straat bieden luwte en insecten en kunnen door enkele vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt. In de omgeving van het projectgebied zijn lijnvormige elementen, groenstructuren en watergangen aanwezig die alternatieve mogelijkheden bieden voor foerageergebieden en vliegroutes.
10
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
Afbeelding 4: Opening in de muur
Afbeelding 5: Ruimte achter dakpannen
In de omgeving van het projectgebied is de bever bekend voor te komen. De bever is voor vaste rust- en verblijfplaatsen gebonden aan een waterrijke omgeving. Wegens het ontbreken van watergangen kan het voorkomen van de bever in het projectgebied worden uitgesloten. In de omgeving van het projectgebied is de steenmarter bekend voor te komen. De steenmarter kan een verblijfplaats hebben in de kelder van bebouwing. Aan de onderkant van de Dordtsestraatweg 430 zijn twee gaten aanwezig, welke de steenmarter toegang tot de bebouwing geeft. Hiervan is er één weergegeven in afbeelding 6.
Afbeelding 6: Opening voor verblijfplaats van de steenmarter
Binnen het projectgebied kunnen algemene zoogdieren voorkomen zoals de egel en verschillende algemene soorten muizen voorkomen.
3.2.2
Vogels
In de omgeving van het projectgebied is de gierzwaluw bekend voor te komen. De bebouwing biedt potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw. Er zijn ruimtes onder de dakpannen aanwezig die door gierzwaluwen als invliegopening kunnen worden gebruikt (afbeelding 5). De ruimte achter de dakpannen kan door de gierzwaluw als nestlocatie worden gebruikt. In de omgeving van het projectgebied is de huismus bekend voor te komen. De huismus heeft voor zijn habitat een combinatie van geschikte nestlocaties en voldoende dekking nodig. Voor voldoende dekking maken ze veelal gebruik van groenblijvende heesters binnen enkele honderden meters van de nestlocatie. De daken van de bebouwing in het projectgebied zijn geschikt als nestlocatie voor de huismus. Binnen 200 meter afstand tot het projectgebied is een park aanwezig, waar de huismus voldoende dekking kan vinden. In de één van de bomen op 10 meter afstand van het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermd nest aanwezig (afbeelding 7). De boomvalk en de ransuil kunnen gebruik maken van deze nestlocatie.
11
Afbeelding 7: Potentieel jaarrond beschermd nest
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
3.2.3
Amfibieën
Wegens het ontbreken van geschikt habitat worden beschermde amfibieën niet verwacht voor te komen in het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën bekend.
3.2.4
Reptielen
in de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde reptielen bekend. Wegens het ontbreken van geschikt habitat worden beschermde reptielen niet verwacht voor te komen in het projectgebied.
3.2.5
Vissen
in de omgeving van het projectgebied is de grote modderkruiper bekend voor te komen. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater worden vissen, waaronder de grote modderkruiper, uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
3.2.6
Ongewervelden
De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied is de platte schijfhoren bekend voor te komen. De platte schijfhoren leeft in stilstaande of zwak stromende wateren met een rijke onderwatervegetatie. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater in het projectgebied kan de platte schijfhoren worden uitgesloten.
3.2.7
Vaatplanten
In de omgeving van het projectgebied zijn de blaasvaren, blauw guichelheil, dreps, glad biggenkruid en het kruipend moerasscherm bekend voor te komen. De in de omgeving bekende exemplaren van het blauw guichelheil bevinden zich ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort en zijn vrijwel zeker adventief. De blaasvaren groeit alleen op oude, vochtige en kalkrijke muren. Op zonnige en open plaatsen op kalkarme zandgronden kan dreps worden aangetroffen. Op open en natte plaatsen op klei- en zandgronden kan kruipend moerasscherm groeien. Glad biggenkruid wordt aangetroffen op zonnige en open plaatsen op droge en voedselarme zandgronden. Wegens het ontbreken van geschikt habitat kunnen beschermde planten worden uitgesloten.
12
3.2.8
Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort Z soortgroep Functies Bescherming Wnb Broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Mogelijk aanwezig in: Struweel en bomen
Roofvogels en uilen
Nest
Artikel 3.1 (VR)
Bomen
Gierzwaluw
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Openingen bij dakrand
Huismus
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Onder dakpannen
Steenmarter
Verblijfplaats
Artikel 3.10 (Wnb, bijlage A)
Bebouwing
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Bebouwing spouwmuur/dakrand
Algemene zoogdieren*
Leefgebied
Artikel 3.10 (Wnb, bijlage A)
Kelder
ADRES. Waaier 72,2451 VW leimuiden T E L 0172 - 576072 E-M AlLalgem een@ ec 0 -l09 isch.c 0m WEB.www.eco-logisch.com KVK 75440741 BTW NI8602.84.529.B01 IBAN N16S RABO 0123 9211 20
* = Vrijstelling, echter geldt altijd de zorgplicht (Artikel 1.11)