CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001387] Bijlage behorende bij 23bb1386 - Algemeen ABC advies en samenvattend verslag hoorzittingen

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 8 maart 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Armoedebestrijding5.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Algemeen advies op bezwaarschriften inzake de Energietoeslag. Rotterdam, 9 november 2022 Aan het college van burgemeester en wethouders, De commissie heeft zich voor het uitbrengen van advies beraden over de bezwaarschriften die gericht zijn tegen uw besluiten waarbij aanvragen energietoeslag zijn afgewezen op de grond dat bezwaarmakers niet tot de doelgroep behoren, omdat zij student zijn en studiefinanciering ontvangen. Dit advies dient als bijlage bij de adviezen die naar aanleiding van de individuele bezwaarschriften worden uitgebracht. Regelgeving Op 15 maart 2022 is, met terugwerkende kracht, in werking getreden de Wet van 22 augustus 2022 tot wijziging van de Participatiewet in verband met het eenmalig categoriaal verstrekken van een energietoeslag aan huishoudens met een laag inkomen. Aan artikel 35 van de Participatiewet is een nieuw, vierde lid toegevoegd, dat het mogelijk maakt om tot en met 30 juni 2023 categoriale bijzondere bijstand in de vorm van een eenmalige energietoeslag toe te kennen aan huishoudens met een laag inkomen. De eenmalige energietoeslag heeft tot doel te voorkomen dat huishoudens met een laag inkomen als gevolg van de sterk gestegen energierekening ernstig in de financiële problemen raken. Op grond van dat nieuwe artikellid heeft het college op 19 mei 2022 de Beleidsregels energietoeslag Rotterdam 2022 (hierna: Beleidsregels) vastgesteld.

In artikel 2, eerste lid, was bepaald dat aan het huishouden dat in de maand januari van het jaar 2022 over inkomen beschikt dat niet meer bedraagt dan 140% van de op het huishouden van toepassing zijnde bijstandsnorm, genoemd in artikel 21 of 22 van de Participatiewet, op aanvraag een energietoeslag ter hoogte van € 800,00 kan worden toegekend. In artikel 2, vijfde lid, aanhef en onderdeel c, was bepaald dat de persoon van het huishouden die op de aanvraagdatum studiefinanciering ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000 is uitgesloten van het recht op energietoeslag. Per 1 oktober 2022 zijn de Beleidsregels gewijzigd. Zo is in het eerste lid van artikel 2 140% vervangen door 120% en € 800,00 door € 1300,00, en is het vijfde lid van artikel 2 vernummerd naar het zevende lid. Hoorzittingen Voordat wij dit advies hebben uitgebracht, hebben wij een aantal bezwaarmakers in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in onze vergaderingen van 26 oktober 2022, 2 november 2022 en 9 november 2022. Van deze hoorzittingen is een samenvattend verslag gemaakt, dat als bijlage bij dit advies is opgenomen.

Overwegingen van de commissie Hieronder wordt eerst stilgestaan bij de motivering van de uitsluiting van personen die studiefinanciering ontvangen, en vervolgens bij de vraag of artikel 2, zevende lid, aanhef en onderdeel c, van de Beleidsregels niet een onredelijke beleidsbepaling is.

blad: 2/6

Daarna wordt stilgestaan bij de vraag welk bedrag in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen uit studiefinanciering. Wetsgeschiedenis en jurisprudentie In de Wet van 22 augustus 2022 en in de memorie van toelichting bij die wet is niet bepaald dat studenten of studiefinanciering ontvangers van het recht op energietoeslag zijn uitgesloten of door de gemeente dienen te worden uitgesloten. Wel is in de memorie van toelichting opgenomen dat “Het feit dat de eenmalige energietoeslag onderdeel zal uitmaken van de categoriale bijzondere bijstand, betekent dat gemeenten beleidsvrijheid hebben ten aanzien van de vormgeving: het college bepaalt binnen het wettelijke kader de doelgroep van de eenmalige energietoeslag, hetgeen betekent dat het college bepaalt wat er onder een “laag inkomen” moet worden verstaan; het college bepaalt bij de formulering van de doelgroep of er groepen moeten worden uitgesloten van het recht op een eenmalige energietoeslag (bijvoorbeeld groepen waarvan vaststaat dat zij geen energierekening hebben, zoals personen die in een inrichting verblijven en dak- en thuislozen)” (Kamerstukken II 2021/22, 36057, nr. 3, p. 4).

Naar aanleiding van de uitspraak van 5 augustus 2022 van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2022:4263) heeft de minister in antwoord op Kamervragen op 5 oktober 2022 verklaard: “Het kan gebeuren dat individuele studenten in ernstige financiële problemen komen als gevolg van de stijgende energieprijzen. En ook studenten moeten in deze gevallen worden geholpen. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechter heb ik, in overleg met de VNG en gemeenten, meer richting gegeven aan hoe gemeenten kunnen omgegaan met deze individuele gevallen. Er bestaat naar mijn oordeel een gerechtvaardigde en in principe ook juridisch houdbare reden om studenten als groep uit te zonderen van de energietoeslag. De woonsituatie van studenten is namelijk zeer divers, ook voor wat betreft de energiekosten. Ongeveer de helft van de studenten woont nog thuis bij de ouders en heeft dus geen eigen energierekening. Voor een aanzienlijk deel gaat het bij uitwonende studenten bijvoorbeeld om kamerbewoners, met een huurprijs inclusief energiekosten of een gedeelde energierekening. Een groot deel van de studenten wordt daarmee niet of niet in dezelfde mate geraakt door de stijgende kosten. De generieke toeslag verstrekken zou eveneens betekenen dat alle studenten (vanaf 21 jaar) die binnen de doelgroep vallen de toeslag (van inmiddels 1300 euro) ontvangen, dus ook thuiswonende studenten.

Dit gaat aan het doel van de regeling voorbij, namelijk het ondersteunen van de laagste inkomens bij het betalen van de gestegen energierekening” (Aanhangsel Handelingen II 2021/22, 36057, nr. 178, p. 1). Op grond van artikel 2, zevende lid, aanhef en onderdeel c, van de Beleidsregels zijn personen die op de aanvraagdatum studiefinanciering ontvangen van het recht op energietoeslag uitgesloten. Is de uitsluiting deugdelijk gemotiveerd? De commissie plaatst allereerst vraagtekens bij de beperking van de uitsluiting van studenten tot personen die op de aanvraagdatum studiefinanciering ontvangen. Op de hoorzittingen is namens het college verklaard dat op aanvragen van studenten die geen studiefinanciering ontvangen toekennend is beslist. Zij zijn niet uitgesloten van het recht op energietoeslag. Zo is het ook bepaald in artikel 2, zevende lid, van de Beleidsregels: slechts personen die studiefinanciering ontvangen zijn uitgesloten. De commissie wijst erop dat deze

blad: 3/6

bepaling anders is geformuleerd dan bijvoorbeeld de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet. Naar het oordeel van de commissie valt niet in te zien dat de woonsituatie van studenten zonder studiefinanciering anders is dan de woonsituatie van studenten met studiefinanciering, ook niet voor wat betreft de energiekosten. De commissie plaatst voorts vraagtekens bij het in de Beleidsregels, in navolging van de Handreiking Energietoeslag van Stimulansz, aanmerken van studenten als personen die, volgens de memorie van toelichting, voor uitsluiting in gemeentelijke beleidsregels in aanmerking komen omdat zij behoren tot de ”groepen waarvan vaststaat dat zij geen energierekening hebben, zoals personen die in een inrichting verblijven en dak- en thuislozen …” Studenten, met of zonder studiefinanciering, horen niet in die opsomming thuis. Zij betalen in het algemeen wél voor energiegebruik, hetzij omdat zij een eigen energieaansluiting hebben, hetzij omdat zij een huurprijs inclusief energiekosten betalen. De commissie stelt vast dat de uitsluiting van personen met studiefinanciering in de Beleidsregels en in de toelichting op de Beleidsregels niet gemotiveerd is.

Voor zover het college in het verweerschrift en tijdens de hoorzittingen heeft verwezen naar motivering elders, zoals in de memorie van toelichting, de Handreiking en de beantwoording van Kamervragen, is die motivering ondeugdelijk. Is sprake van een redelijke beleidsbepaling? Het college heeft erop gewezen dat het een discretionaire bevoegdheid heeft en dat de uitsluiting van studenten met studiefinanciering daar onder valt. Inderdaad heeft het college een discretionaire bevoegdheid, maar dat ontslaat het college niet van het toepassen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Namens het college is uiteengezet dat met artikel 2, zevende lid, van de Beleidsregels beoogd wordt overcompensatie te voorkomen. Met overcompensatie wordt bedoeld dat een energietoeslag wordt toegekend aan huishoudens die niet of in geringe mate te kampen hebben met een gestegen energierekening. In het licht van dat oogmerk komt de commissie de uitsluiting van de personen die bedoeld zijn in de onderdelen a en b van dat artikellid gerechtvaardigd voor omdat zij door de aard van hun verblijf slechts in zeer incidentele gevallen te kampen hebben met (een stijging van) energielasten respectievelijk voor hun levensonderhoud (inclusief energiekosten) nog een beroep op hun ouders kunnen doen.

Anders is het met de in onderdeel c bedoelde groep personen die studiefinanciering ontvangt. Zij kan immers wel te maken hebben met (een stijging van) energielasten. Namens het college is tijdens de hoorzittingen met cijfermatige gegevens het standpunt toegelicht dat het risico van overcompensatie onder studenten aanmerkelijk groter is dan onder niet-studenten. Aan gegevens van de afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI) van de gemeente Rotterdam ontleent het college dat er in Rotterdam 20.000 uitwonende studenten zijn, van wie 40% een eigen energieaansluiting heeft, terwijl 60% is aan te merken als kamerbewoner/kostendeler. Volgens later overgelegde gegevens van OBI is het risico van potentiële overcompensatie onder studenten 45%, terwijl dat risico onder niet-studenten 13% bedraagt.

blad: 4/6

De commissie kent beperkte betekenis toe aan deze vergelijking. De cijfers zijn slechts summier onderbouwd en toegelicht, maar bovenal zijn geen gegevens beschikbaar van het aantal kamerbewoners/kostendelers onder de niet-studenten in de relevante inkomensgroep, dus met een inkomen tot 140% van de bijstandsnorm. De commissie acht aannemelijk dat zich onder die inkomensgroep relatief meer kamerbewoners/kostendelers bevinden dan in de groep met hogere inkomens. Wat echter zwaarder weegt, is de vraag of de uitsluiting van studenten het beste instrument is om overcompensatie te vermijden. Gelet op het - door de commissie juist geachte uitgangspunt van het college dat het risico van overcompensatie het grootst is onder degenen die niet een eigen energieaansluiting hebben - had het in de rede gelegen, en was het meer doelmatig geweest, om in de begripsbepaling van ‘huishouden’, die in artikel 1 van de Beleidsregels is opgenomen, vast te leggen dat het moet gaan om een alleenstaande of een gezin met een eigen energieaansluiting.

Met het oog op wat in het verweerschrift is aangevoerd naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Gelderland over nadere differentiatie van de doelgroep merkt de commissie op dat van die nadere differentiatie geen sprake is wanneer, zoals hierboven is beschreven, reeds in de begripsbepalingen in de Beleidsregels is opgenomen dat van een huishouden sprake is wanneer over een eigen energieaansluiting wordt beschikt. De commissie concludeert dat door de uitsluiting van personen met studiefinanciering het risico van overcompensatie niet adequaat en niet optimaal wordt beperkt. Onder de uitgeslotenen bevinden zich talrijke, waarschijnlijk duizenden studentenhuishoudens die, wat energielasten betreft, in dezelfde omstandigheden verkeren als huishoudens in de groep niet-studenten, terwijl zich in de groep niet-studenten talrijke, ook duizenden, huishoudens bevinden die niet of in geringe mate te maken hebben met een sterke stijging van energielasten. In het kader van laatstgenoemde groep wijst de commissie erop dat de gemeente Rotterdam aan alle bijstandsgerechtigden een energietoeslag toekent, zonder daarbij in ogenschouw te nemen of sprake is van een kostendeler/kamerbewoner. Tijdens de hoorzitting is namens het college ook bevestigd dat aan meerdere personen die op één adres woonachtig zijn een energietoeslag is toegekend.

Nu de categoriale uitsluiting van personen met studiefinanciering niet het meest effectieve instrument is om overcompensatie te voorkomen, en daarmee dus niet doelmatig is, vindt de commissie deze uitsluiting niet te rechtvaardigen. Zij gaat, naar het oordeel van de commissie, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling dan ook te buiten. Uitvoeringsaspecten In het verweerschrift heeft het college erop gewezen dat, samengevat, bij de totstandkoming van de wetgeving inzake de energietoeslag veel gewicht is toegekend aan de factoren doeltreffendheid en voortvarendheid. De grofmazige en categoriale opzet van de regeling is de uitkomst van de beleidsmatige afweging tussen enerzijds het snel ledigen van de nood bij de grootst mogelijke groep met een laag inkomen, en anderzijds een beperkte uitvoeringscapaciteit bij gemeenten. Er is, gelet op de beperkte uitvoeringscapaciteit, nauwelijks mogelijkheid voor individueel maatwerk. De commissie is er niet van overtuigd dat er niet een andere doeltreffend en voortvarend uit te voeren regeling is, die meer recht doet aan het doel van de Beleidsregels. Als de doelgroep

blad: 5/6

van de energietoeslag wordt beperkt tot huishoudens met een energieaansluiting kan de aanvragers gevraagd worden om een bewijsstuk van die aansluiting te uploaden, zoals een leveringsovereenkomst, een gebruiksoverzicht of een bankafschrift waaruit een betaling aan een energieleverancier blijkt, met betrekking tot het adres in de gemeente Rotterdam waarop het huishouden ingeschreven staat in de Basisregistratie Persoonsgegevens. De commissie realiseert zich dat dat een extra controle van de aanvragen vergt, een controle die mogelijk slechts in beperkte mate geautomatiseerd is uit te voeren, en die aanleiding kan geven tot het bieden van hersteltermijnen. Uit namens het college verstrekte inlichtingen blijkt echter dat de Suwi-controle van de aanvragen tot medio juli 2022 handmatig werd gedaan. De mogelijkheden van individueel onderzoek moeten dan ook niet worden onderschat, evenmin als de mogelijkheden van automatisering van de beoordeling van bewijsstukken van de energieaansluiting. Daarnaast overweegt de commissie dat de controle van deze bewijsstukken ook steekproefsgewijs kan worden uitgevoerd. De commissie realiseert zich dat daaraan het risico kan zijn verbonden dat niet aan de voorkant wordt voorkomen dat personen die niet aan alle voorwaarden voldoen toch een energietoeslag krijgen.

Dit kan mogelijk met controle achteraf worden ondervangen of als nevenschade worden geaccepteerd, waarbij de commissie verwijst naar het verweerschrift waarin wordt opgemerkt dat door vormgeving als categoriale bijzondere bijstandverlening overcompensatie en ondercompensatie weloverwogen wordt geduld. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de uitgesloten personen met studiefinanciering door de gemeente worden aangemoedigd om een aanvraag voor individuele bijzondere bijstand in te dienen. Dat kan zeer veel aanvragen opleveren waarvan de behandeling, in verband met het uitvoeriger en diepgaander onderzoek, aanmerkelijk meer beslag legt op de uitvoeringscapaciteit bij de gemeente dan de enkele controle op een energieaansluiting. Ook in dit licht vindt de commissie het aangevoerde capaciteitsgebrek, als onderbouwing voor de categoriale uitsluiting van personen met studiefinanciering, niet direct overtuigend.

De verwijzing van studenten naar de bijzondere bijstand verhoudt zich tevens niet zonder meer met hetgeen in de toelichting op de Beleidsregels staat, te weten: “De verstrekking via de categoriale bijzondere bijstand heeft nadrukkelijk ook tot doel het beroep op de individuele bijstand deels te voorkomen en de druk op gemeenten te verlichten.” Overige bezwaargronden met betrekking tot de uitsluiting Gelet op de hieronder te bereiken conclusie hoeven andere tegen de uitsluiting van personen met studiefinanciering aangevoerde bezwaargronden, waaronder gronden die betrekking hebben op artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het EVRM, niet besproken te worden. Conclusie met betrekking tot de uitsluiting In de Beleidsregels wordt tussen personen die studiefinanciering ontvangen en anderen een niet te rechtvaardigen onderscheid gemaakt. De Beleidsregels zijn naar het oordeel van de commissie op dat aspect ondeugdelijk gemotiveerd, onredelijk en niet doelmatig. De commissie adviseert daarom artikel 2, zevende lid, aanhef en onderdeel c, van de Beleidsregels buiten toepassing te laten en de energietoeslag alsnog toe te kennen aan

blad: 6/6

personen met studiefinanciering, tenzij er andere, in de Beleidsregel opgenomen, gronden zijn die zich verzetten tegen een toekenning daarvan. De commissie zal daaraan in de individuele adviezen aandacht besteden. Hoogte inkomen uit studiefinanciering Mede gelet op vorenstaande conclusie is het relevant om in te gaan op de vraag welk bedrag in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het inkomen uit studiefinanciering. Namens het college is gesteld dat niet het feitelijk ontvangen bedrag aan studiefinanciering in de maand januari 2022 in aanmerking moet worden genomen, maar het normbedrag zoals genoemd in artikel 33, tweede lid, van de Participatiewet. De commissie volgt dit standpunt niet. Daarbij acht zij van belang dat in de Beleidsregels niet is aangesloten bij de definitie van ‘inkomen’ in de Participatiewet, maar dat in artikel 1 een eigen begripsbepaling is opgenomen. Inkomen wordt gedefinieerd als: “totaal van inkomen van het huishouden uit of in verband met arbeid, sociale zekerheidsuitkeringen, onderneming, verhuur, studiefinanciering en partneralimentatie.” Daarbij wordt ‘studiefinanciering’ niet nader omschreven en wordt ook geen link gelegd naar artikel 33, tweede lid, van de Participatiewet, noch naar artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet.

Nu artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels spreekt over het inkomen waarover het huishouden in de maand januari 2022 “beschikt”, kan de commissie niet tot een andere uitleg komen dan dat het gaat om het bedrag aan studiefinanciering dat de persoon feitelijk heeft ontvangen en waarover hij dus daadwerkelijk heeft beschikt.

Addendum bij algemeen advies Algemene bezwaarschriftencommissie van 9 november 2022 In november 2022 is definitie van het begrip studiefinanciering aangevuld met verwijzing naar het normbedrag (artikel 33 Participatiewet). Deze wijziging is voorgelegd aan de Algemene Bezwaarschriftencommissie. De commissie heeft op 3 januari 2023 de volgende aanvulling gegeven op het onderdeel “Hoogte inkomen uit studiefinanciering” Namens het college is gesteld dat niet het feitelijk ontvangen bedrag aan studiefinanciering in de maand januari 2022 in aanmerking moet worden genomen, maar het normbedrag zoals genoemd in artikel 33, tweede lid, van de Participatiewet. In het algemene advies van 9 november 2022 heeft de commissie aangegeven dat dit standpunt niet wordt gevolgd en dat rekening moet worden gehouden met het bedrag aan studiefinanciering dat betrokkene feitelijk heeft ontvangen en waarover hij dus feitelijk heeft beschikt. Op 14 november 2022 zijn de gewijzigde Beleidsregels vastgesteld, die terugwerken tot 1 november 2022. Hierin is de definitie van inkomen in artikel 1 van de Beleidsregels aangepast, in die zin dat niet enkel wordt gesproken over 'studiefinanciering' maar van 'studiefinanciering naar het normbedrag als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Participatiewet'.

De commissie ziet hierin geen aanleiding om het algemene advies met betrekking tot de hoogte van het inkomen uit studiefinanciering te wijzigen. Immers, artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels spreekt nog steeds over inkomen waarover (feitelijk) is ‘beschikt’. Een wijziging van de definitiebepaling kan er derhalve niet toe leiden dat een bedrag aan studiefinanciering in aanmerking wordt genomen waarover betrokkene in januari 2022 feitelijk niet de beschikking heeft gehad’.

SAMENVATTEND VERSLAG Van de hoorzittingen op 26 oktober 2022, 2 november 2022 en 9 november 2022 naar aanleiding van bezwaarschriften inzake de Energietoeslag. Over de beoordeling van de aanvragen (26 oktober 2022) De commissie vraagt aan het college hoe een aanvraag energietoeslag wordt beoordeeld. Verder wordt gevraagd of homogeniteit bestaat in de doelgroep, bijvoorbeeld als het gaat om de woonsituatie en het hebben van een energieaansluiting. Is het mogelijk dat op één adres aan meerdere bewoners een energietoeslag is toegekend? Ook wordt gevraagd om de cijfers met betrekking tot het aantal kostendelers aan wie de energietoeslag is toegekend. geeft aan dat aan een huishouden de energietoeslag wordt toegekend als het huishouden voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Beleidsregels. In Rotterdam is aan meer mensen op één adres de energietoeslag toegekend. In totaal hebben 68.903 aanvragers de energietoeslag ontvangen, maar het is nog niet bekend hoeveel kostendelers/kamerbewoners de energietoeslag hebben ontvangen. zal dit nog nader opvragen en aan de commissie laten weten. (2 november 2022) geeft een aanvulling op de cijfers die op 26 oktober werden besproken. Naast de 20.000 uitwonende studenten zijn er 358.000 huishoudens in Rotterdam, waarvan 28% kamerbewoner/kostendeler.

Hij ziet daarin een bevestiging van de stelling dat de kans op overcompensatie onder studenten wezenlijk groter is dan bij de rest van de bewoners. Over de uitsluiting van studenten met studiefinanciering (26 oktober 2022) geeft verder aan dat de uitsluiting van studenten in de Beleidsregels is vastgelegd. Het Rijk heeft gemeentes opgedragen dit te doen. Het beschikbare budget is niet toereikend om ook studenten de energietoeslag te geven. De afgelopen maanden is veelvuldig contact met het ministerie geweest en is dit punt besproken, maar het ministerie weigert het budget te verhogen. In Rotterdam gaat het om 20.000 studenten. Als deze allemaal de energietoeslag zouden ontvangen, gaat het om een bedrag van 26 miljoen euro en dat geld is niet beschikbaar. Daarnaast is de woonsituatie van studenten zodanig dat zij vaak niet zelf de energienota betalen. Van de 20.000 uitwonende studenten is 60% kostendeler/kamerbewoner en 40% zelfstandig wonend. (26 oktober 2022) Het college wil overcompensatie voorkomen. verwijst naar de een na laatste alinea van het verweerschrift. Het college is van mening dat het gemaakte onderscheid binnen de discretionaire bevoegdheid valt en een redelijke en objectieve grond kent.

Over categoriale beoordeling (26 oktober 2022) De commissie vraagt waarom bijvoorbeeld niet als voorwaarde is gesteld dat een huishouden een energieaansluiting op zijn naam heeft staan.

blad: 2/5

geeft aan dat de aanvragen niet categoriaal beoordeeld kunnen worden als gecontroleerd moet worden of een huishouden een (eigen) energieaansluiting heeft. Informatie van de energieleveranciers, bijvoorbeeld wie een energierekening op zijn naam heeft staan, is niet gekoppeld aan de gemeentelijke systemen en is dus voor de gemeente niet inzichtelijk. Het feit dat het gaat om categoriale bijzondere bijstand, maakt dat keuzes moeten worden gemaakt. Het kenmerk van categoriale bijzondere bijstand is dat de aanvragen snel en simpel moeten worden afgehandeld. Ook een gebrek aan menskracht maakt een diepgravender individuele beoordeling onmogelijk. Desgevraagd wordt aangegeven dat de inkomenscheck via Suwinet gaat. Bij de aanvraag moet de hoogte van het inkomen worden ingevuld maar daarbij wordt niet gevraagd om bewijs van de hoogte van het inkomen. (9 november 2022) De aanvragen zijn tot juli 2022 handmatig gecontroleerd. Vanaf medio juli 2022 is een digitale snellere controle ingevoerd. Daarbij is opgemerkt dat ook sprake is van uitval en deze aanvragen worden handmatig gecontroleerd en beoordeeld. (26 oktober 2022) De commissie reageert op het genoemde cijfer dat 40% van de studenten een eigen energieaansluiting heeft.

Is het niet mogelijk om een extra vraag in de aanvraag op te nemen over de energieaansluiting, en om het bewijs daarvan te laten inscannen? Of erop te vertrouwen dat de vraag naar waarheid wordt beantwoord? antwoordt dat de gemeente beleidsvrijheid heeft en geen budget van het rijk heeft ontvangen om ook aan studenten de energietoeslag toe te kennen. Over het aanvragen van individuele bijzondere bijstand (26 oktober 2022) Het is, volgens , voor studenten wel mogelijk om individuele bijzondere bijstand aan te vragen. De aanvragen individuele bijzondere bijstand worden wel anders beoordeeld dan de aanvragen categoriale bijzondere bijstand voor energietoeslag. De commissie vraagt wat in Rotterdam precies de criteria zijn bij individuele bijzondere bijstand. geeft aan dat hij dat antwoord schuldig moet blijven. Hij kan wel in zijn algemeenheid aangeven dat bij de aanvraag individuele bijzondere bijstand wordt gekeken naar de draagkracht op basis van het inkomen. Verder moet worden aangetoond dat de energiekosten zijn gestegen met een bepaald bedrag of percentage. De commissie rekent voor dat het standpunt van het college met betrekking tot de individuele bijzondere bijstand kan leiden tot zo’n 8.000 aanvragen, ervan uitgaande dat alle zelfstandig wonende studenten, volgens het college 40% van 20.000, een dergelijke aanvraag indienen.

Deze aanvragen zullen individueel moeten worden beoordeeld. De commissie vraagt hoe dit zich verhoudt tot het eerdergenoemde capaciteitsgebrek c.q. gebrek aan menskracht. antwoordt dat die aanvragen zorgvuldig zullen worden beoordeeld maar dat die beoordeling meer tijd zal kosten dan de aanvragen in het kader van de categoriale bijzondere bijstand.

blad: 3/5

Over het onderscheid tussen studenten en kostendelers/niet-studenten (26 oktober 2022) De commissie vraagt of het te rechtvaardigen is dat onderscheid wordt gemaakt tussen studenten en kostendelers. geeft aan dat het een populatieverschil is. Hij verwacht dat dit op basis van de nog aan te leveren cijfers kan worden onderbouwd. (9 november 2022) verklaart dat door OBI cijfers zijn aangeleverd waaruit blijkt dat wanneer studenten de energietoeslag kunnen ontvangen, sprake zal zijn van een overcompensatie van 45%, ten aanzien van de niet-studenten is dit 13,9%. Dit is toegelicht door aan te geven dat studentenhuizen gemiddeld bewoond worden door 4 à 5 studenten. Van de studenten woont 60% op kamers. Dit zijn 12.000 studenten. Uitgaande van 4 studenten per woning, zijn dit 3.000 adressen die worden bewoond door studenten. Daarnaast woont 40% van de studenten in een een- of meerkamerwoning met eigen voorzieningen. Dat zijn 8.000 studenten. Dit maakt dat ongeveer 11.000 studenten mogelijk in aanmerking komen voor de energietoeslag. Van de totale bevolking zal de overcompensatie 15,7% zijn. Dit zijn 56.200 huishoudens gedeeld door de totale bevolking van 358.200.

Over de doelmatige verstrekking van de energietoeslag (26 oktober 2022) De commissie vraagt waarom in de Beleidsregels geen extra voorwaarde(n) is/zijn gesteld om ervoor te zorgen dat de energietoeslag zo doelmatig mogelijk wordt verstrekt. In dat kader wordt ook gewezen op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 augustus 2022, ECLI:NL: RBGEL:2022:4263, waarin is overwogen dat het college ook andere voorwaarden aan de verlening van de energietoeslag had kunnen stellen waardoor niet álle studenten zonder meer worden uitgesloten. antwoordt dat extra voorwaarden leiden tot een meer intensieve (lees: handmatige) beoordeling van de aanvragen en dat is niet mogelijk gelet op de beschikbare capaciteit aan menskracht en het feit dat de regeling snel moet worden uitgevoerd. Als de aanvragen niet digitaal hadden kunnen worden afgedaan, was het college waarschijnlijk maanden bezig geweest met de afhandeling van alle aanvragen en dat verhoudt zich niet tot de doelstelling van de regeling om de doelgroep snel te helpen. Bovendien ziet het college geen aanleiding om extra voorwaarden te stellen om zodoende de studenten met een eigen huishouding (40% van de studenten) in aanmerking te laten komen voor de energietoeslag. Aanvragen van deze doelgroep kunnen niet worden bekostigd en bovendien had het college bij het opstellen van de Beleidsregels vooral gezinnen op het oog.

Over aanvragers die geen studiefinanciering meer ontvangen (26 oktober 2022) De commissie vraagt waarom in vier van de acht zaken die voor de zitting van 26 oktober 2022 waren geagendeerd alsnog energietoeslag wordt toegekend. licht toe dat in die vier gevallen de aanvragers inmiddels geen studiefinanciering meer ontvangen. Volgens de Beleidsregels is de persoon die op het moment van de aanvraag studiefinanciering ontvangt, uitgesloten van het recht op energietoeslag. De vier aanvragers die inmiddels geen studiefinanciering meer ontvangen,

blad: 4/5

zouden dus een nieuwe aanvraag kunnen indienen. Omdat zij bezwaar hebben gemaakt, wordt in hun geval zo’n nieuwe aanvraag verondersteld en is onderzocht of zij in de maand januari 2022 een inkomen hadden dat niet meer was dan 140% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vier aanvragers voldoen aan die voorwaarde. Daarom wordt de energietoeslag alsnog toegekend. De commissie constateert dat het college bij deze werkwijze in het voordeel van betrokkenen afwijkt van artikel 2 lid 5 van de Beleidsregels, waarin staat dat de aanvraagdatum leidend is. bevestigt dit en geeft aan dat dit om proceseconomische redenen en burgervriendelijkheid gebeurt. Technisch is het niet mogelijk om digitaal opnieuw een aanvraag in te dienen (via het papieren aanvraagformulier kan dit wel), terwijl dit Awbtechnisch wel zou moeten. Over studenten met een niet-studerende partner (26 oktober 2022) De commissie heeft nog een vraag over artikel 2 lid 5 van de Beleidsregels, waarin staat dat de “persoon van het huishouden” die studiefinanciering ontvangt, is uitgesloten van het recht op energietoeslag. Hoe gaat het college om met een huishouden dat bestaat uit iemand die wel en iemand die geen studiefinanciering ontvangt? geeft aan dat de niet-studerende partner leidend is. Die moet de aanvraag indienen. In dat geval wordt uitgegaan van de helft van de bijstandsnorm voor gehuwden.

De commissie merkt op dat in de Beleidsregels staat dat getoetst wordt aan artikel 21 en 22 van de Participatiewet. De norm van een gehuwde met een niet-rechthebbende partner is geregeld in artikel 24 van de Participatiewet. antwoordt dat dit dan in het voordeel van de aanvragers is. Het totale inkomen wordt vergeleken met de norm gehuwden. Het maximale inkomen mag dan € 2.075,00 zijn. Over studenten die geen studiefinanciering ontvangen (26 oktober 2022) De commissie geeft aan dat de redactie van artikel 2 lid 5 sub c van de Beleidsregels afwijkt van artikel 13 lid 2 sub c van de Participatiewet. De commissie vraagt of het klopt dat een student die géén studiefinanciering ontvangt, níet is uitgesloten van het recht op energietoeslag. antwoordt dat dit juist is. Het wel of niet ontvangen van studiefinanciering is namelijk te zien in Suwinet. Vanwege de snelheid en de crisissituatie met betrekking tot de gestegen energielasten, moet de controle van aanvragen snel en simpel zijn. Het inkomen en het al dan niet ontvangen van studiefinanciering zijn simpel na te kijken in Suwinet, maar de hoogte van de ontvangen studiefinanciering is dat niet. Desgevraagd antwoordt hij dat het dus kan voorkomen dat een bij zijn ouders wonende student zonder studiefinanciering een energietoeslag krijgt.

(2 november 2022) verklaart dat als energietoeslag is toegekend aan studenten die geen studiefinanciering ontvangen, dat ten onrechte is gedaan. Zo zijn de Beleidsregels niet bedoeld. Zij wijst op de definitie van ‘studiefinanciering’ in de Wet Studiefinanciering: “door Onze Minister verstrekte toekenning in verband met het volgen

blad: 5/5

van een opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat”. Een reisproduct is ook studiefinanciering. neemt aan dat de zeldzame student die geen beurs heeft toch wel een Ovjaarkaart heeft, dus studiefinanciering. Over de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen uit studiefinanciering (2 november 2022) verklaart dat bij de vaststelling van het inkomen van studenten die studiefinanciering ontvangen het normbedrag als bedoeld in artikel 33 van de Participatiewet in aanmerking genomen moet worden. Ook als zij niet volledig van de financieringsmogelijkheid gebruik maken. De commissie houdt voor dat de Beleidsregels in artikel 1 en artikel 2, eerste lid, een eigen inkomensbegrip hebben. Naar artikel 33 van de Participatiewet wordt niet verwezen. Het gaat, volgens de Beleidsregels, om het inkomen waarover men beschikt, niet over inkomen waarover kan worden beschikt. verklaart dat voor haar geen verschil bestaat tussen beschikken en kunnen beschikken. Over de belangenafweging (26 oktober 2022) De commissie geeft aan dat het belang van de gemeente Rotterdam duidelijk is, net als het feit dat slechts een beperkt budget beschikbaar is. Echter, ook studenten kunnen te maken hebben met gestegen energiekosten. De commissie vraagt hoe het college die belangen tegen elkaar heeft afgewogen.

antwoordt dat niet elke burger te redden is en dat ook het belang van de gemeente Rotterdam is meegewogen. Categoriaal wil zeggen dat keuzes gemaakt moeten worden en dat de aanvragen snel moeten worden beoordeeld. Veel studenten werken naast hun studie en niet elke student heeft te maken met hogere kosten van energie. Studenten die wel met een kostenstijging worden geconfronteerd, kunnen een aanvraag voor individuele bijzondere bijstand indienen die dan individueel zal worden beoordeeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=b08a9b7c-f14d-4679-99f1-8c7f5cba4881