CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb001257] Bijlage 1 behorende bij 23bb001265 over Ontwerpbestemmingsplan Rijnhaven

Gemeenteraad 11 mei 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Rijnhaven’.44.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

4.3

Ontwikkelingen

4.3.1

Verdichten: drie hoogstedelijke bouwblokken langs de Posthumalaan

Het Masterplan Rijnhaven zet in op het realiseren van een nieuw, hoogstedelijk milieu, vooreen groot deel bestaande uit woningen, aangevuld met kantoren, bedrijfsruimtes, commerciële voorzieningen (horeca, winkels, en vrijetijdsvoorzieningen) en maatschappelijke voorzieningen. Voor de onderzoeken in het bestemmingsplan worden de nieuwste studies gebruikt waarin gerekend is met een programma, tot 350.000 m2 b.v.o. exclusief parkeren in drie blokken langs de Posthumalaan, met maximaal 3.000 woningen. De Posthumalaan wordt een echte centrumboulevard. De nieuwbouw bestaat uit drie samengestelde bouwblokken waarvan de basis (de Rotterdamse laag) maximaal 40 meter hoog is en waaruit zes hoogbouwtorens stijgen die een hoogte krijgen oplopend van maximaal 120 meter aan het park, 200 meter nabij metrostation Rijnhaven, tot maar liefst 250 meter nabij metrostation Wilhelminaplein.

42

Impressie met proefverkaveling van de gebiedsontwikkeling Rijnhaven (beeld februari 2022) 4.3.2

Vergroenen: twee pleinen en een stadsparkmet strandjes

Het masterplan geeft een nieuwe invulling aan het vooralsnog lege Rijnhavenbekken. Naast de bebouwing aan de Posthumalaan komen twee pleinen en een stadspark met strandjes. Het stadspark ‘Rijnhavenpark’ geeft invulling aan het programma Rivieroevers en hoort bij de grote stadsprojecten voor de buitenruimte van de stad.

LEGEND L LumrSquare 2. Railn» 2. Walsi Eŭga Pitft 4. Gangway 2 BosallTide Pools

a Qiao» 7. Centra framenaas

ft. Wals Ray B. Gtarel Beach IQ. Espifinsůä lLljb»n Bowl tZ-Tt» Bluft 13. Sanay Besef! lB.VaUļr in. Metro Plkii 12 Refill ™ Cents' 17. Roc tty Outcrop 18. Part South IB. freer»» ay 20. Communl ty Boatnauw 2LTempcrsy Mowing 23. Flatting Office 24. Part Komi

OWstETtUl

-Ŵ'

43

Impressie schetsontwerp park (2021) In het Masterplan is aangegeven dat de Rijnhaven bij uitstek een antwoord kan geven aan de behoefte van inwoners en bezoekers aan kleinschalige recreatieve activiteiten op het water, zoals zwemmen, varen en kleinschalige evenementen. Daarmee keert het gebruik van het water weer terug, maar dan op een hedendaagse manier. Voor de pleinen geldt dat ze direct verbonden zijn met de Rijnhaven. De pleinen zijn verschillend van karakter, inrichting en programmering. Het plein bij Luxor is meer formeel, gericht op cultuur en ontspanning met ruimte en voorzieningen voor evenementen. Het plein bij metrostation Rijnhaven is meer gericht op dagelijks gebruik en sluit aan op de behoeften van de omliggende stadswijken. Voor het strand geldt dat sprake is van een ultieme publieke ruimte! Het park is de ideale plek om te slenteren, om in de zon te zitten en/of naar het water van de Rijnhaven te staren. Het is een multifunctioneel park met zitgelegenheden, wandel- en fietspaden. Het park nodigt uit tot sportief bewegen, spelen, ontmoeten en ontspannen. Aansluitend op de pleinen en promenades rondom de bebouwing en op het programma in de plinten is ruimte voor kleinschalige evenementen. In het park kunnen verschillende kleine tot middelgrote festiviteiten georganiseerd worden.

Het Masterplan geeft verder aan dat in de programmering een belangrijk accent ligt op toegankelijke gratis events. En dat de geluidsbelasting voor omwonenden een aandachtspunt is. Het idee bestaat om delen van het Rijnhavenpark, zoals pleinen, het (drijvend) park en waterbekken te benoemen als specifieke evenementenlocatie. Dat kan nu niet gerealiseerd worden, omdat de inrichting van het terrein nog niet vaststaat. Zodoende kan dit terrein niet als locatieprofiel op basis van het Evenementenbeleid worden onderzocht en kunnen geen aantallen en typen evenementen worden vastgesteld. 4.3.3

Drijvend kantoorgebouw Klimaatcentrum

In 2021 is het Floating Office Rotterdam (FOR) opgeleverd. Het FOR is onderdeel van het tijdelijk toegestaan programma. Het is een drijvend paviljoen van drie bouwlagen, ontsloten vanaf de Antoine Platekade. Het paviljoen is gebouwd naar aanleiding van de wens om het hoofdkantoor van het Global Centre on Adaptation (GCA) te willen huisvesten in Rotterdam. Het GCA is een door de Verenigde Naties geïnitieerde en door het Rijk ondersteund internationaal klimaatadaptatienetwerk. Het paviljoen biedt ruimte voor kantoren (naast GCA ook andere gebruikers), een vergaderruimte en een restaurantfunctie. De omgevingvergunning voor het FOR is voor 10 jaar verleend.

.i

Foto 2021 FOR, met op de voorgrond eerste deel drijvend park

44

4.3.4

Publiekstrekker

Midden in de Rijnhaven is ruimte voor een publiekstrekker, die een (combinatie)bezoek aan het park en/of het gebied nog aantrekkelijker en interessanter maakt. Die een bestemming toevoegt in het rondje Rijnhaven met al zijn diverse functies/bestemmingen en een extra route mogelijk maakt in het stadspark. Het gebouw dient een iconische uitstraling/architectuur te hebben, daar midden op het water. De ontwikkeling van de publiekstrekker is onderdeel van bestemmingsplan Rijnhaven gaat uit van een maximaal bouwprogramma van 15.000 m2 b.v.o. 4.3.5

Horecagebiedsplan Feijenoord 2019-2021

In het huidige horecagebiedsplan voor Feijenoord is de ontwikkeling van de Rijnhaven nog niet opgenomen. Het nieuwe horecagebiedsplan Feijenoord 2022-2024 zal worden afgestemd met de wijkraden voor Katendrecht en Kop van Zuid en staat voor 2022 gepland. De oplevering van Rijnhaven zal naar verwachting na het Horecagebiedsplan Feijenoord 2022-2024 plaatsvinden. Het bestemmingsplan zal het Masterplan volgen voor wat betreft de ontwikkelwensen voor horeca. De typologie van de horeca wordt niet in het bestemmingsplan bepaald, maar aan de hand van het nog op te stellen en af te stemmen horecagebiedsplan. 4.3.6

Kades met aansluitingen op de omgeving

Langs de Antoine Platekade sluit het plangebied Rijnhaven aan op de Wilhelminapier, waarin de ontwikkeling van Philadelphia en Havana (The Sax) is opgenomen. Langs de Posthumalaan sluit het plangebied aan op de Zuidkade. Beide kades zijn onderdeel van bestemmingsplan Kop van Zuid. De herinrichting rond het Luxortheater en de Posthumalaan zijn in Kop van Zuid mogelijk gemaakt. De historische oostelijke kade nabij metrostation Rijnhaven is onderdeel van bestemmingsplan Afrikaanderwijk. Langs de Rijnhavenkade sluit het plangebied aan op de ‘pols’ van Katendrecht met daarin de ontwikkeling van The View 1 en 2 en ook op de gebiedsontwikkeling van Codrico. De Rijnhavenbrug is onderdeel van het bestemmingsplangebied Rijnhaven.

4.4

Mobiliteit, verbindingen en bereikbaarheid

4.4.1

Toename aandeel fiets en OV

Ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot meer verkeersbewegingen. Deze verkeersbewegingen worden afgewikkeld met de auto, fiets en het openbaar vervoer. Het beleid van de gemeente Rotterdam is erop gericht om een betere balans te krijgen tussen de verkeersmodaliteiten. En daarmee zo veel mogelijk van de verkeerstoename te laten plaatsvinden met de fiets en het openbaar vervoer (inclusief lopen) en om de groei van het autoverkeer te beperken. Waar we in het verleden ervoor kozen om de auto maximaal te faciliteren kiezen we er nu vaker voor om meer ruimte en prioriteit te geven aan langzaam verkeer en OV. Hiervoor heeft de gemeente begin 2020 de Rotterdamse Mobiliteitsaanpak (RMA) vastgesteld. De afgelopen tien jaar zijn de fietsverplaatsingen en verplaatsingen met het openbaar vervoer sterk toegenomen in de binnenstad. Het aantal autoverplaatsingen is in deze periode niet toegenomen. Het aandeel fiets en OV in het totaal aantal verplaatsingen neemt in de toekomst toe ten opzichte van het aandeel auto. Zo is in 2040 het aandeel fiets 380Zo (in 2016 290Zo), het aandeel OV 340Zo (in 2016 290Zo) en auto 280Zo (in 2016 420Zo). Dit betekent ook dat er een betere balans moet komen tussen deze vervoerswijzen en dat de ruimte voor het verkeer anders moet worden verdeeld.

45

4.4.2

Vrijstelling parkeereis

Gebiedsontwikkeling Rijnhaven zet dan ook in op duurzame gezonde mobiliteit. Rijnhaven is met de ligging langs de metrostations Wilhelminaplein en Rijnhaven zeer goed bereikbaar met het OV. Het gebied is door de aanwezige fietsinfrastructuur (en toekomstige fietsparkeervoorzieningen) ook goed met de fiets te bereiken. Er wordt ingezet op een verbetering van de metrostations Rijnhaven en Wilhelminapier en upgrade naar een (deel)mobilityhub. Streven is om de autoparkeerbehoefte vanuit het project te beperken (en daarmee minder autoritten). Het Rotterdams parkeerbeleid biedt daarvoor ruimte door middel van vrijstellingsmogelijkheden op de parkeereis (zoals nabijheid OV-stations, extra fietsparkeercapaciteit en inzet op deelmobiliteit). Dit is vastgelegd in het bestuurlijk vastgestelde document 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018' waarin de parkeernormen voor zowel auto's als fietsen zijn opgenomen. Het vigerend parkeerbeleid maakt het voor een ontwikkelaar mogelijk om vrijstelling van minimaal 30Zo tot maximaal 80Zo van de parkeereis te krijgen. Dit kan door het aanwezige OV beter te benutten en deelmobiliteit en 'mobility as a service' in te zetten. Vanuit het mobiliteitsbeleid sturen we aan op een minimale parkeereis van 50Zo (en dus niet 30Zo als minimum). Dit resulteert in minder noodzakelijke parkeerplaatsen en minder autoritten.

Deze ambitie wordt meegenomen in het tenderproces met de beoogde ontwikkelaars. De parkeervoorzieningen worden ondergronds of in de gebouwen gerealiseerd. Zie verder 4.5.11 Parkeerregeling. 4.4.3

Strategie mobiliteit Rijnhaven

Voor de gebiedsontwikkeling Rijnhaven, zijn ten behoeve van het masterplan en het bestemmingsplan diverse modelstudies gedaan met verkeersmodellen. In de studies is gekeken naar referentiesituaties, en meerdere scenario's en varianten. De studies zijn gebruikt om antwoord te geven op de vraag wat de aanvullende effecten zijn van de doorontwikkeling van de Kop van Zuid en Katendrecht. De verwachting is dat dit oplosbaar is door in te zetten op een gebiedsgerichte mobiliteitsstrategie, rekening houdend met het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam, de OV-visie en de RMA. De verkeers- en milieueffecten kunnen worden bepaald met een verkeersmodel. De verkeerscijfers voor de rekenmodellen komen uit het verkeersmodel V-MRDH 2.6. Dit is het verkeersmodel van de metropoolregio Rotterdam - Den Haag. Het is een multimodaal verkeersmodel dat in deze regio wordt gebruikt voor het prognosticeren van verkeer ten behoeve van een bestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplan zijn alle ontwikkelingen van het bestemmingsplan vertaald naar verkeersaantallen. Hierbij is voor de Kop van Zuid en Katendrecht, naast programma Rijnhaven, ook rekening gehouden met relevante ontwikkelingen als View 1, View 2, Fenix II, Santos, For, Maritiem Centrum en Codrico.

Met de mobiliteitsstrategie als input is een verkeersmodelstudie met verschillende modelscenario's uitgevoerd waarvan de resultaten onder meer voor milieuonderzoeken worden ingezet. Hierbij zijn vooral de effecten van de gebiedsontwikkeling Rijnhaven voor de toekomstige verkeersafwikkeling op de Posthumalaan en het omliggende wegennet belangrijk. Het implementeren van het transitiebeleid zorgt voor een daling van autoritten naar 86,50Zo ten opzichte van het 'Null-scenario' (scenario zonder gebiedsontwikkeling Rijnhaven) voor het prognosejaar 2030. Dit ligt, net als voor geheel Rotterdam, onder het niveau van 2016. De afname van autoritten komt terug in de toename van OV- en fietsritten, welke respectievelijk met 15,5 en 28,7Z toenemen. 4.4.4

Conclusie: Duurzame groei binnen transitiescenario mogelijk

Bij het implementeren van het maximale programma van Rijnhaven (bij 3000 woningen en 2340 arbeidsplaatsen) zien we effecten. Voornamelijk de verkeersintensiteiten op de Posthumalaan, Veemstraat, Stieltjesstraat en Willemsbrug nemen verder toe. Daarnaast is ook een groei op de Brede Hilledijk en Laan op Zuid te bemerken. De verkeersintensiteiten op de Erasmusbrug nemen, ondanks het toevoegen van het maximale programma, niet noemenswaardig toe. Het maximaal ruimtelijk programma vergroot de druk op het onderliggend wegennet. Onder het 'trendscenario' neemt het aantal overbelaste kruispunten toe. Daarom is het wenselijk, en werkt de stad aan het 'transitiescenario', om daarmee de maximale ruimtelijke groei op een duurzame manier te realiseren, zonder extra knelpunten op het onderliggende wegennet te realiseren. Uit onderzoek blijkt dat realisatie van de bouwplannen in de zogenaamde 'worst case'-situatie op een

46

gemiddelde weekdag leidt tot een verkeersgeneratie van 8.400 motorvoertuigen per etmaal. Motorvoertuigen ETMAAL

2030H Trend RH

2016

Maximaa Plus

Naam O

İ too

102 Posthumalaan

25.500

20.400

105 Wilhelmínakade

15.400

19.000

106 Laan op Zuid

15.400

2 1.600

101 Veemstraat

7.100

B.300

109 5tielt|esstraat

5.900

9 BQO

112 Brede Hilledijk

6.500

L4.300

101 Ontsluiting Rijnhaven

114 Brede Hilledijk

6.600

9.000

116 Laan op Zuid

18.100

27.700

117 Maashaven O.Z.

20.100

20.500

28 MAASTUNNEL

54.300

55.900

29 Erasmusbrug

35.300

VI I'i

30 Willemsbrug

16.900

24.600

200 Nieuwe Oeververbinding oost 47 ALGERABRUG

0 44.500

4‘J.JOO

Figuur 2.5 en tabel 2.2 uit het Addendum van het verkeersonderzoek 4.4.5

Effecten op de Ruit

De ontwikkelingen hebben uiteindelijk ook een effect op de op- en afritten naar de Ruit van Rotterdam. De Rijnhaven is een centraal gelegen gebied tussen de verschillende uitvalsroutes naar de Ruit van Rotterdam. Verkeer van de Rijnhaven neemt verschillende op- en afritten, afhankelijk van de windrichting van hun herkomst en bestemming. Het verkeersmodel wijst uit dat het meeste verkeer (9 “/o van het Rijnhaven-verkeer) de op- en afrit naar de A16 bij de IJsselmondse Knoop neemt. Dit zijn circa 600 ritten per etmaal, waarvan er circa 60 in het drukste spitsuur zitten. Dit komt neer op 4/ van het verkeer op de oprit van de A16 richting het zuiden.

4.5

Juridische planbeschrijving

4.5.1

Centrumfuncties

In het bestemmingsplan is voor de drie bouwblokken de bestemming 'Centrum' gebruikt. Binnen de Centrum-bestemming is een variëteit aan functies toegestaan. Per functie is een maximaal bouwprogramma gegeven in m2 b.v.o. en voor het totaal geldt een maximum van 350.000 m2 b.v.o. exclusief parkeren. Het overgrote deel van het programma bestaat uit woningen: tussen de 65/ en 75/ van het totaal, met een maximum van 262.500 m2 b.v.o. exclusief parkeren. Tevens geldt een maximum voor het woningaantal: 3.000 stuks. Het overige programma bestaat uit een mix van functies: tussen de 25/ en 35/ van het totale oppervlak, met een maximum van 122.500 m2 b.v.o. exclusief parkeren. De mix aan functies is vooral in de Rotterdamse laag, te vinden: bedrijfsactiviteiten (inclusief dienstverlening), kantoren, maatschappelijke voorzieningen, sport en ontspanning, cultuur en horeca, maar natuurlijk ook woningen, lobby- en ontmoetingsruimte en licht, lucht en overmaat van gebouwen. De Rotterdamse laag is hier maximaal 40 meter hoog en betreft de bouwblokken zonder de torens. De Rotterdamse laag bestaat uit maximaal 9 a 10 bouwlagen. De eerste twee bouwlagen, de 'plint'', kennen een hogere verdiepingshoogte (2x 6m), waarin een entresol mogelijk is. Ook in de torens is overigens een mixed use programma mogelijk, bijvoorbeeld kantoor of hotel.

De plint heeft een maat van 10 a 12 meter, hetgeen overeenkomt met drie bouwlagen inclusief eventueel een entresol. Onder meer vanuit milieutechnische overwegingen is het nodig om maatwerk toe te passen en te werken met aanduidingen voor bepaald gebruik. Dit geldt voor detailhandel en hotel.

47

Bij nieuwbouw is het in het algemeen goed mogelijk om met bouwkundige maatregelen ervoor te zorgen dat de mix aan functies van woningen en de toegestane activiteiten tot milieucategorie 1 en 2 het woonen leefmilieu niet in onevenredige mate aantast. In principe geldt dit niet alleen voor de Rotterdamse laag, maar ook voor andere bouwlagen. Om ook op andere bouwlagen, bijvoorbeeld op tussenverdiepingen bij daktuinen, een mix toe te staan is een regel opgenomen om bij vergunningverlening af te mogen wijken. Aangetoond moet worden dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast. In de regels is opgenomen dat woningen over minimaal een geluidluwe gevel dienen te beschikken. Bij de vergunningverlening kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. Aangetoond moet worden dat compensatie wordt geboden door de stedenbouwkundige structuur, bezonning, oriëntatie geluidsbronnen. Compensatie moet bijdragen aan een verbetering van het woon- en leefklimaat. 4.5.2

Detailhandel

In de Centrum-bestemming is met een aanduiding aangegeven waar in de 'plint' van de bebouwing detailhandel is toegestaan. Voor detailhandel geldt een maximum van 3.000 m2 b.v.o. voor het totaal. 4.5.3

Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen

Binnen het bestemmingsplan zijn verschillende dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bestemmingen liggen over de enkelbestemmingen en regelen feitelijk dubbelgebruik of bescherming van de gronden. 'Waarde - Archeologie 1' is in de regels opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied. Voor bepaalde werkzaamheden in de grond die dieper reiken dan de onderwaterbodem is een omgevingsvergunning nodig. Het gaat hier om de onderwaterbodem van voor de demping van de Rijnhaven. Meer algemeen kan gesteld worden dat de archeologische waarden te verwachten zijn beneden 0 meter NAP. Een beschrijving van de archeologische waarden is gegeven in hoofdstuk 3. In de omgeving van de Rijnhaven zijn twee gezoneerde industrieterreinen gelegen. Daaromheen geldt een geluidzone. Om industrieterrein Waal- en Eemhaven ligt 'geluidzone - industrie 1'. Om het gezoneerd industrieterrein Maas- en Rijnhaven ligt 'geluidzone - industrie 2'. In de regeling voor beide geluidzones is bepaald dat geluidgevoelige objecten alleen zijn toegestaan indien de geluidsbelasting niet meer bedraagt dan de voorkeurswaarde voor industrielawaai uit de Wgh (50 dB(A)), óf indien er hogere waarden verleend zijn (tot 55 dB(A)), óf dat anderszins aan de Wgh voldaan wordt (bijvoorbeeld door een dove gevel). 4.5.4

Evenementen

De algemene gebruiksregel voor evenementen is overgenomen uit het bestemmingsplan parapluherziening evenementen (vastgesteld 3 februari 2022). In die parapluherziening is opgenomen hoeveel evenementen in de hele stad en binnen gebied Feijenoord, zowel binnen als buiten het evenemententerrein 'Afrikaanderplein en -park' ruimtelijk zijn toegestaan. De aantallen evenementen, evenementendagen en de maximale geluidsbelasting genoemd in het bestemmingsplan Parapluherziening evenementen worden aanvaardbaar geacht, mits voldoende spreiding in datum en plaats bewerkstelligd wordt. Spreiding van evenementen in datum en plaats vindt plaats op basis van het afwegingskader van de evenementenvergunning en het evenementenoverzicht. Overeenkomstig het Masterplan zal het in het plangebied Rijnhaven gaan om kleine tot middelgrote evenementen. Hiervoor zullen locatieprofielen opgesteld worden. 4.5.5

Groen, recreatie en verblijfsgebied

Het park is een structureel groengebied gelegen tussen de stedelijke blokken en het water en is bestemd als 'Groen' en 'Groen - 1'. In de bestemming 'Groen - 1' is ruimte voor de overgang naar het water. Hier is ook dagrecreatie mogelijk, maar er is slechts beperkt bebouwing toegestaan. De bestemming 'Groen' vormt een buffer tussen de toegestane activiteiten en de woningen, om de balans te bewaren tussen rust en reuring. In de praktijk zijn de grenzen tussen water, strand, groen en verblijfsgebied meer vloeiend van karakter, niet in de laatste plaats vanwege de getijdewerking van eb en vloed en de inrichting van het park met de diverse hoogteverschillen.

48

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is gebruikt voor de gebieden die in principe onbebouwd zijn, zoals de kades, groenzones, wegen en fietspaden. Kleine bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, uitblaasopeningen van parkeergarages, sanitaire gebouwen, gebouwtjes voor onderhoud en beheer. Ondergrondse zijn parkeergarages voor auto's en fietsen toegestaan met daarbij horende voorzieningen zoals hellingbanen, maar ook ruimte voor beheer of bijvoorbeeld reparatie van fietsen. 4.5.6

Hoog-risicobiologische laboratoria

Op basis van de parapluherziening Biologische Veiligheid, zijn hoog-risico biologische laboratoria vanuit het oogpunt van veiligheid gereguleerd. Het gaat daarbij om speciale laboratoria die vallen onder de werking van het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria". De speciale laboratoria zijn genoemd in artikel 4.4 onder k, categorie 4, onderdeel C van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Het beleidskader is als bijlage bij de regels gevoegd. In de algemene gebruiksregels, art 12.1 onder a is daartoe een verbodsbepaling opgenomen. Wanneer er gewerkt wordt met genetisch gemodificeerde organismen zijn dat alle categorieën van fysische inperking op inperkingsniveaus III en IV, zoals genoemd in Bijlage 4 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Kort gesteld zijn het laboratoria met biologische veiligheidsklasse 3 of hoger. Na nadere afweging is het wel mogelijk om een hoog-risico laboratorium toe te staan. Op grond van art 14.3 onder b en artikel 14.3 kunnen burgemeester en wethouder hiervan met een omgevingsvergunning afwijken. Bij de afweging wordt een advies van de GGD/VRR betrokken. Deze instanties geven een advies op basis van het “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond”.

Aan de hand van het beleidskader kan worden beoordeeld of de risico's van een hoog-risico biologisch laboratorium voldoende beheersbaar zijn bij calamiteiten en of een hoog-risico biologisch laboratorium al dan niet wenselijk is op de voorgenomen locatie. Benadrukt wordt dat de verbodsbepaling alleen betrekking heeft op nieuwe hoog-risico laboratoria in de zin van nieuwvestiging of een uitbreiding van een bestaand hoog-risico laboratorium. Binnen het plangebied zijn geen hoog-risico laboratoria aanwezig. 4.5.7

Horeca

In de "Horecanota Rotterdam" worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven. Dit beleid is, voor zover ruimtelijk relevant, vastgelegd in dit bestemmingsplan. Horeca definitie en afbakening Het bedrijfschap Horeca en Catering deelt horeca in vier bedrijfsgroepen in, te weten de drankensector, fastfoodsector, restaurantsector en hotelsector. Voor de definitie van een horecabedrijf zoals in de horecanota bedoeld wordt, is aangesloten bij het begrip 'openbare horeca-inrichting' uit de Rotterdamse APV. Binnen een openbare horeca-inrichting kan een ondernemer verschillende activiteiten ontplooien op het gebied van etenswarenverstrekking, het schenken van (alcoholhoudende) drank en het aanbieden van amusement. Beleidsonderwerpen die wel voor de horecabranche gelden of sterke raakvlakken hebben maar niet binnen de horecanota expliciet beschreven worden, zijn de hotelsector, de kwaliteitseisen ten aanzien van terrassen (nota kwaliteitseisen voor terrassen) en het programma gericht op het tegengaan van (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en uitgaansgeweld. Vergunningvrij exploiteren Rotterdam biedt een groot aantal bedrijven, waarbij horeca ondergeschikt is aan de primaire detailhandelfunctie en bedrijven waar het exploiteren van horeca een minimale weerslag heeft op de omgeving, de mogelijkheid om vergunningvrije horeca te exploiteren.

Dit betreft bijvoorbeeld het koffiehoekje in de supermarkt, de bakkerij waar ook een gebakje gegeten kan worden en het restaurant in ouderenhuisvesting. Vergunningvrij betekent dat geen vergunning hoeft te worden aangevraagd en derhalve ook geen leges verplicht zijn. De exploitatie van de volgende inrichtingen kan zonder vergunning plaatsvinden:

49

1.

2. 3. 4. 5.

inrichtingen die geopend zijn tussen 07.00 en 22.00 uur, geen (zwak of sterk) alcoholische drank schenken, geen versterkt geluid ten gehore brengen, geen vergunningplichtig terras exploiteren (gevelzitplaats wel mogelijk) en geen speelautomaten hebben. bedrijfskantines, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik zijn; inrichtingen in musea, crematoria, begraafplaatsen en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering; inrichtingen in ziekenhuizen, ouderenhuisvesting en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend gericht zijn op de bewoners/patiënten en hun bezoekers; horeca in tuincentra en congrescentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering en uitsluitend gericht zijn op hun bezoekers.

Exploitatievergunning nodig Voor alle overige inrichtingen, waar horeca de primaire bedrijfsfunctie betreft, is een exploitatievergunning vereist. De horeca-exploitatievergunning wordt afgegeven voor de inpandige m2 alsmede voor de eventuele m2 terras en heeft een looptijd van vijf jaar. Voor de beoordeling van de aanvraag van de exploitatievergunning geldt dat het bestemmingsplan van de betreffende locatie leidend is. Of een vergunning wordt toegewezen, hangt daarnaast onder andere af van afwegingen die ten aanzien van het beleid worden gemaakt (horecagebiedsplannen). Daarnaast wordt beoordeeld of het pand bouwtechnisch en geluidstechnisch geschikt is voor de door de ondernemer aangevraagde activiteiten. Voor het proces en vereisten van de vergunningverlening wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van de horecanota 2012-2016. Terrassen Binnen de bestemmingen 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn tevens ongebouwde terrassen toegestaan aangrenzend aan bestemmingen die horeca toelaten. 4.5.8

Hotels

In de regels van het bestemmingsplan is de definitie gegeven voor een hotel (het bedrijfsmatig verstekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen, zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie). De aanduiding 'hotel' is gebruikt binnen de bestemming 'Centrum' voor het blok nabij het Luxor-theater. Er geldt een maximum voor het oppervlak dat ingenomen mag worden voor hotels van 10.000 m2 b.v.o. Deze maat is exclusief parkeren. Op de locatie is tevens op zich staande horeca toegestaan. 4.5.9

Kantoren

In de bestemming 'Centrum' is de hoeveelheid kantoren begrensd op 25.000 m2 b.v.o. Met de herijking van werklocaties in 2019 is het planaanbod voor kantoren voor het grootste deel afgevoerd en omgezet naar programma voor woningbouw. De nieuwe locatie aan de rand van Kop van Zuid kan inspelen op vraag naar hoogwaardige kleine kantoren naast grootschalige kantoren. 4.5.10 Maatschappelijke voorzieningen Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen verstaan op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Maatschappelijke voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidgevoelig zijn. In de Centrum-bestemming is aangegeven dat maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan. In dit geval zijn alleen de niet-geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. 4.5.11

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er

50

vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 16.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze.

Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” is via de volgende link te raadplegen: https:^lokaleregelgeving.overheid.nľCVDR671029^ De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost.

Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. 4.5.12 Seksinrichtingen en belwinkels Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat. Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob. Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activiteiten die in de seksbranche worden aangeboden.

Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan. Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad. Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan. Binnen dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen bestemd. De aanwezigheid van belwinkels wordt in Rotterdam in menig gebied als problematisch ervaren. Voor

51

belwinkels die alleen de mogelijkheid bieden om (goedkoop) te telefoneren geldt de Winkeltijdenwet niet en dat betekent dat die dienst 24 uur per dag, 7 dagen in de week, mag worden aangeboden. Dit kan leiden tot overlast door het komen en gaan van klanten op late uren in straten waar wonen en detailhandel van oudsher worden gecombineerd. Overeenkomstig het vorige bestemmingsplan legt dit bestemmingsplan de realisatie van belwinkels aan banden. Het beleid is gericht op het beperken van het aantal belwinkels in Rotterdam. In het plangebied van dit bestemmingsplan komen dergelijke belwinkels niet voor. Belwinkels zijn doorgaans toelaatbaar in bestemmingen die de functie 'dienstverlening' mogelijk maken. In dit bestemmingsplan is in de begripsbepalingen opgenomen dat belwinkels niet onder Dienstverlening worden begrepen. 4.5.13 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling.

Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat. Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn. In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om geen aanvullende regeling voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op te nemen.

Dit gezien het in het plangebied voorkomende type hoogstedelijke woonbebouwing waarbij geen Z nauwelijks particuliere tuinen aanwezig zijn of overig onbebouwd gebied dat tot achtererfgebied gerekend kan worden. 4.5.14 Water Het water van de Rijnhaven is bestemd als 'Water - 1', waarin ook drijvende parken, verblijfsgebied en recreatie mogelijk is. In de haven zijn voorzieningen zoals steigers en pontons toegestaan. Steigers voor het aanleggen van schepen, waaronder de watertaxi, maar ook vaste of drijvende steigers ten behoeve van verblijven, wandelen, recreëren en groen. Drijvende bouwwerken, zoals de drijvende parken zijn met een aanduiding aangegeven. Op de drijvende parken zijn ook kleine gebouwen en bouwwerken toegestaan. De ruimte benedendeks leent zich goed voor opslag en voorzieningen voor onderhoud en beheer. De maximale bouwhoogte van gebouwtjes en bouwwerken wordt gemeten vanaf het dek. Daarnaast is de aanduiding 'specifieke vorm van water - 1' gebruikt voor een tijdelijk programma op het water. Hier zijn bijvoorbeeld pontons mogelijk waarop voorstellingen kunnen worden gehouden, of waar voor een bepaalde periode een zwembad wordt gebruikt. Dit tijdelijke programma zal voor een tijdelijke periode vergund worden en dus niet vol continu aanwezig zijn.

Het FOR is met een tijdelijke vergunning toegestaan en de locatie ligt binnen de aanduiding 'specifieke vorm van water - 1'. Ten behoeve van de aanwezige industrie van Codrico dient een deel van de haven vrij te blijven van steigers en andere obstakels voor de scheepvaart. Dat deel is aangegeven met de functieaanduiding 'vaarweg' (vw). Op het moment dat het niet langer nodig is dit deel vrij te houden, kan de ruimte gebruikt

52

worden voor andere aangewezen doelen, zoals het eveens aangegeven drijvend park. De plaats waar een publiekstrekker mogelijk is, is aangegeven met een aanduiding 'cultuur en ontspanning'. Het programma in m2 van de publiekstrekker bevindt zich voor een deel onder het wateroppervlak. De maximale bouwhoogte is hier gegeven ten opzicht van NAP, zodat de maximale bouwhoogte onafhankelijk is van eb en vloed. Vanaf de Rijnhavenbrug tot aan de Nieuwe Maas is het water bestemd als 'Water - 2'. Belangrijkste verschil is dat dit water vooral bestemd is voor het scheepvaartverkeer en dat er minder bouwmogelijkheden zijn. Bruggen zijn bijvoorbeeld alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding. 4.5.15 Werken aan huis In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30oZo van de woning voor beroeps-Zbedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan.

Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

53

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden en op 1 januari 2017 zijn hierin nieuwe normen voor de primaire waterkeringen opgenomen. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. De Rijnhaven behoort tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen.

Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen. De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.1.2

Provinciaal beleid

De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van de hoogwaterrisico’s. Gemeenten moeten bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de Provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de Provinciale Verordening Ruimte (VR). De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks (RAB) ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. Met de Visie en Uitvoeringsagenda Rijke Groenblauwe Leefomgeving, Zuid-Holland investeert de provincie in een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. De Visie Rijke Groenblauwe Leefomgeving is een van de bouwstenen voor de toekomstige Provinciale Omgevingsvisie. Het geheel van waterlopen, cultuurhistorie en natuur wordt in de visie opgevat als verweven, een groenblauw netwerk dat ingezet wordt als verbinder tussen landschap, cultuurhistorisch erfgoed, ecologie, recreatie en economie. De provincie wil het groenblauwe netwerk inzetten om het leef- en vestigingsklimaat in de steden te verbeteren door (groenblauwe) verbindingen te leggen tussen de stadscentra en de buitengebieden. Drager van deze verbindingen zijn de historische watersystemen.

Voor Rotterdam zijn in de Visie de Rotte en de Schie expliciet benoemd. Een achterliggend doel is herstel van de band van de inwoners van Zuid-Holland met hun leefomgeving. In de bijbehorende uitvoeringsagenda heeft de provincie een prioritering aangebracht in de ambities uit de visie en een strategische agenda met hoofdopgaven benoemd. De grootste opgave ligt in de stadscentra van Den Haag en Rotterdam. Voor Rotterdam zijn voor het beleidsveld water vooral de 2e en 3e hoofdopgave van belang; » »

Transitie naar een groen en waterrijk stedelijk landschap en infrastructuur. Aantrekkelijk en gezond verbinden in een waterrijk Zuid-Holland.

54

5.1.3

Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: « » «

Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018. 5.1.4

Rotterdams Weerwoord

Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwateronder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 is samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken. De belangrijkste versterkingen zijn: » «

»

»

Vergroening van de stad als adaptatiemaatregel om hitte tegen te gaan, draagt ook bij aan de vertraging van neerslag. Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is goed voor gebieden met (te) lage grondwaterstanden. Waterbergende voorzieningen op gebouwen combineren met verkoelende maatregelen (groen dak) draagt bij aan reductie van wateroverlast en hitte. Zonnepanelen op groene daken hebben een hogere opbrengst. De ontwikkeling naar gebiedsgerichte adaptatie strategieën om de buitendijkse gebieden weerbaar te houden bij hoogwater. Integratie van de dijken en stedenbouw.

De belangrijkste belemmeringen zijn: » »

5.2

Meer bomen en groen in de stad zorgt voor een grotere watervraag die de gevolgen van droge perioden versterken. Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is nadelig voor gebieden met (te) hoge grondwaterstanden.

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders.

55

Voor het bestemmingsplan is een concept Wateradvies opgesteld en voor reacties gedeeld met de waterbeheerders (Bijlage 1 Wateradvies Rijnhaven 20210730). De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Het plangebied ligt geheel buitendijks en bestaat anno 2022 vrijwel geheel uit oppervlaktewater. De Rijnhaven is eigendom van de gemeente Rotterdam. Het water wordt nautisch beheerd door het Havenbedrijf Rotterdam, divisie Havenmeester. De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer van de havenbodem. 5.3.2

Grondwater

In het plangebied is geen ondiep grondwater aanwezig (op een klein gebiedje na in het noordoosten). Rond het plangebied ligt een aantal grondwaterpeilbuizen. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). De gemiddelde ontwateringsdiepte is in de omgeving van het plangebied bij elke peilbuis groter dan 0,80 m. De ontwateringsdiepte is dus voldoende voor de functies in het gebied. Direct buiten het plangebied staan aan de zuid- en zuidoostzijde huizen met houten paalfunderingen. Grondwateronderlast en paalrot zijn daar aandachtspunten. 5.3.3

Riolering

Binnen het plangebied ligt momenteel geen riolering. Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 28 (Zuiden). In de omgeving van het plangebied ligt grotendeels een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). District Zuiden voert af naar district 23 Charlois en vervolgens naar de AWZI Dokhaven. Regenwater dat op de kades valt wordt gedeeltelijk rechtstreeks afgevoerd naar de havenbekkens en de Nieuwe Maas. Rond het plangebied zijn er een aantal overstorten op de Rijnhaven. Een van de twee overstorten in de zuidoosthoek van de haven is een oude overstortbemaling welke via een persleiding op de Rijnhaven loosde. Deze is in 1996 verlegd naar de Nieuwe Maas, maar een aftakking naar de Rijnhaven is nog aanwezig. In deze hoek ligt ook nog een riooloverstort van het gemend stelsel van Feijenoord. Plannen om de uitstroomopening daarvan te verleggen worden onderzocht. 5.3.4

Waterkwaliteit

De Nieuwe Maas en de aanliggende havens zijn een KRW waterlichaam. Gegevens over de waterkwaliteit zijn beschikbaar in de factsheets die een bijlage vormen bij de stroomgebiedsplannen 2022-2026. De Nieuwe Maas wordt gekarakteriseerd als een sterk veranderd waterlichaam. Dit betekent dat de Nieuwe Maas door menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat dit niet door herstelmaatregelen ongedaan gemaakt kan worden. Voor een sterk veranderd waterlichaam is herstel naar een goede ecologische toestand meestal niet haalbaar. Voor sterk veranderde waterlichamen zijn daarom aangepaste normen geformuleerd. Zwemwater De Rijnhaven heeft momenteel geen status als zwemwater. De (bacteriologische) zwemwaterkwaliteit is momenteel nog niet bekend. De Rijnhaven wordt door de klimaatverandering (meer hittestress en vaker blauwalgproblemen in de reguliere zwemwateren) wel steeds vaker gebruikt om in te zwemmen. In 2019, voor de start van het baggerwerk is de kwaliteit wel onderzocht en toen was het geschikt. Na het baggeren moet het proces om echt als zwemlocatie aangewezen te worden nog worden doorlopen. Tijdens het baggeren is meten niet zinvol. De overstort wordt nu gemeten (hoe vaak deze in werking is) en de waterkwaliteit wordt vanaf voorjaar 2022 gemeten.

56

Het ligt in de ambitie om de status 'zwemwater1 te verkrijgen. 5.3.5

Waterkering en waterveiligheid

Het gebied ligt geheel buitendijks, in het gebied liggen geen waterkeringen. Waterveiligheid buitendijks Het plangebied ligt geheel buitendijks. Dit betekent dat hoog water niet wordt tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water, wordt bepaald door de terugkeertijden van hoge waterstanden in de Nieuw Waterweg en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van dat hoge water. Door de relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes relatief klein. De kans op slachtoffers in het buitendijks gebied is dan ook gering. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Materiële schade en maatschappelijke ontwrichting zijn beide afhankelijk van de waterdiepte die optreedt en de functies en objecten die hier last van hebben. Enkele centimeters water in openbaar gebied hoeft niet direct schade op te leveren, maar als deze hoeveelheid water staat in een woning of bedrijf is er vaak wel schade aan het pand en de inboedel. Daarnaast ontstaat er nog schade door eventueel productieverlies. Water op een weg kan ook betekenen dat deze niet meer zichtbaar is, waardoor gebieden mogelijk onbereikbaar zijn. Dit kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting.

Om een indicatie te geven van de kwetsbaarheid voor wateroverlast van het bestemmingsplangebied is de waterdiepte ten opzichte van het maaiveld weergegeven bij een hoogwatersituatie in het huidige klimaat met een terugkeertijd van 1/1.000 jaar.

Scenario 4: T1000 In 2017

plangrens BP Riļtihvn

MAP»

Afbeelding Overstromingsdieppte buitendijks gebied, huidig klimaat 1 Z 1000 jaar

Uit de kaart blijkt dat er op basis van de huidige maaiveldhoogtes bij maatgevende waterhoogtes van 1/1.000 jaar op de kades water komt te staan. Nautische veiligheid De Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied een rijksvaarweg van CEMT-klasse VIb. In het Besluit

57

algemene regels ruimtelijke ordening (titel 2.1 Rijksvaarwegen) is aangegeven dat langs de Nieuwe Maas ter hoogte van het plangebied (klasse VIb) een vrijwaringzone aanwezig is van met een breedte van 25 meter. De vrijwaringzone wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg, zoals opgenomen in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Dit houdt in dat bij het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen op minder dan 25 meter van de oever rekening gehouden moet worden met het voorkomen van belemmeringen voor de vaarweg. Het plangebied ligt geheel buiten deze vrijwaringszone. Aangezien het gebied geheel buitendijks ligt, er geen waterkeringen en/of beschermingzones aanwezig zijn, zijn hiervoor in de regels en op de verbeelding ook geen dubbelbestemmingen opgenomen.

5.4

De wateropgave

Deze paragraaf beschrijft per wateraspect de effecten die de ontwikkellocaties hebben op de waterhuishouding. 5.4.1

Oppervlaktewater

Het plangebied bestaat vrijwel geheel uit (buitendijks) oppervlaktewater waarvan een gedeelte gedempt zal worden. Voor de Waterwet maakt het plangebied deel uit van een waterstaatswerk, te weten rivierbed Nieuwe Maas. De Rijnhaven is onderdeel van het waterstaatwerk ‘Rivier’ onder de Waterwet, waardoor in principe een vergunning moet worden aangevraagd bij het Rijk (art. 6.5). De Rijnhaven valt echter in de zone waarvoor een vrijstelling vergunning waterstaatswerken geldt (Waterbesluit art 6.16). De Rijnhaven ligt tevens niet in het stroomvoerend deel van de Nieuwe Maas (Grote Rivieren) waardoor de bestemmingsbeperkingen uit artikelen 2.4.3 en 2.4.4 van het BARRO niet van toepassing zijn. Vroegtijdige afstemming met Rijkswaterstaat is nodig. Voor de Nieuwe Maas wordt nog gezocht naar mogelijkheden om natuurvriendelijke oevers te realiseren. Het dempen van de Rijnhaven biedt mogelijk kansen. Vanwege de hoge intensiteit van het gebruik zijn die kansen wel beperkt, het gaat hier immers niet om bijvoorbeeld een ecologisch getijdenpark. 5.4.2

Grondwater

In het plangebied is op dit moment geen ondiepe grondwaterhuishouding aanwezig. In het te dempen oostelijke gedeelte van het havenbekken zal, na demping, een grondwaterhuishouding ontstaan. De demping zal een grote invloed op de grondwaterhuishouding ten zuidoosten van het plangebied hebben. In het daar gelegen (binnendijkse) gebied staan huizen met houten paalfunderingen die gevoelig zijn voor veranderingen in de grondwaterhuishouding. Alvorens de demping uitgevoerd kan worden moeten de effecten op de grondwaterhuishouding gemodelleerd zijn en moet eventuele invloed op de funderingen als gevolg van de dempingen in beeld gebracht zijn. De Rijnhaven ligt buitendijks waar het grondwater de gemiddelde rivierstand zal volgen. Het binnendijkse gebied (Afrikaanderwijk) is een eigen bemalingsgebied waar weinig invloed verwacht wordt. Er is wel een meetnet van peilbuizen in de stad dat gemonitoord wordt om indien nodig in te kunnen grijpen. 5.4.3

Riolering

De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van het aantal woningen, bedrijven en voorzieningen. Op basis van het programma is een inschatting gemaakt van de toename in de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen. Hierbij is uitgegaan van het maximaal door het bestemmingsplan nieuw mogelijk gemaakte programma. Het plangebied kent op dit moment geen afvalwaterproductie. Er wordt in totaal 365.000 m2 b.v.o. nieuw programma gerealiseerd verdeeld over: zo'n 2.500 tot 3.000 nieuwe woningen, 25.000 m2 maatschappelijke voorzieningen, 33.000 m2 detailhandel, cultuur en sport, 16.000 m2 horeca, 10.000 m2 hotel en 43.000 m2 nieuwe kantoren en bedrijven. Als gevolg van de ontwikkelingen zal de hoeveelheid afvalwater toenemen met circa 81,0 mŕ/uur. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht. Om de kans op wateroverlast te verminderen is het aan te raden om bergingsmogelijkheden voor hemelwater te

58

creëren zodat dit water een nuttige toepassing kan vinden. De gemeente Rotterdam eist bij verhardingstoenamen groter dan 500 m2 een neerslagbuffering van 50 mm met een maximale ledigingstijd van 50 uur op eigen terrein. Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog afgevoerd moeten worden. Als het neerslagwater niet ter plaatse gebruikt kan worden kan in dit plangebied bijvoorbeeld gekozen worden voor het laten afstromen van regenwater naar het havenbekken. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar. Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Opstellen rioolplan Voor het definitief bepalen van de afvoer van afval- en hemelwater dient een rioolplan te worden opgesteld wanneer de invulling van het programma in meer detail bekend wordt. Geadviseerd wordt om hiervoor tijdig een overleg te organiseren tussen de ontwikkelende partij, de waterbeheerder en de rioolbeheerder. 5.4.4

Waterkwaliteit

De verwachting is dat de verplaatsing van de nog aanwezige riooloverstort in de zuidoosthoek van het havenbekken in de richting van de rivier een positief effect zal hebben op de algehele waterkwaliteit. Chemische waterkwaliteit Doordat de haven in directe verbinding staat met de Nieuwe Maas vindt regelmatig verversing plaats van het water. Uit de KRW-factsheets blijkt dat nu sprake is van een overschrijding van de toegestane hoeveelheid koper in het water in de Nieuwe Maas. De verwachting is ook dat de norm voor de chemische waterkwaliteit niet op korte termijn gehaald gaat worden. De in het plangebied mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen invloed op deze externe belasting. Ecologische waterkwaliteit Het hangt sterk van de uitvoering van de verondiepingen, dempingen en drijvende parkgedeelten (Rondje Rijnhaven) en drijvende gebouwen (FOR) af of deze een negatief of juist sterk positief effect zullen hebben op de ecologische waterkwaliteit in het plangebied. Bij de juiste inrichting kunnen de ontwikkelingen bijdragen aan het realiseren van de KRW-doelen voor NL94_8 Nieuwe Maas.

Rijkswaterstaat (als beheerder waterkwaliteit) zoekt nog naar een alternatieve locatie voor lastig uitvoerbaar gebleken aanleg van een Natuurvriendelijke oever flauw talud bij de Esch (onderdeel van maatregel RWS_x2080-c) en heeft aangegeven dat de ontwikkelingen in de Rijnhaven mogelijk kunnen bijdragen aan de invulling van deze maatregel. Rijkswaterstaat heeft aangegeven om die reden betrokken te willen blijven bij de verdere invulling van de plannen. De drijvende onderdelen van het park (rondje Rijnhaven) zijn de optimale locatie voor het nog uit te voeren KRW-onderzoek Biohut. Zwemmen Door de aanleg van het stadspark en het rondje Rijnhaven zal de toetreedbaarheid van het water sterk toenemen. Ondanks dat de Rijnhaven geen zwemwater is zal het zwemmen in het havenbassin verder toenemen. Zeker op momenten dat de officiële zwemwaterlocaties niet gebruikt kunnen worden door zomerse blauwalguitbraken. De Rijnhaven is niet erg gevoelig voor blauwalg. Het is verstandig zo spoedig mogelijk te starten met het monitoren van de geschiktheid voor zwemmen van het water in de Rijnhaven. Voor het aanwijzen van water als zwemwater moet de zwemwaterkwaliteit minimaal 2 seizoenen zijn onderzocht. De normen voor zwemwaterkwaliteit zijn vastgelegd in de Europese zwemwaterrichtlijn (2006).

Deze richtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd via de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz) en het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz). De Rijnhaven valt onder zwemgelegenheid categorie D: “zwemmen in niet specifiek daarvoor ingericht oppervlaktewater”. Voor de bepaling van de waterkwaliteit van deze categorie zwemwater gelden momenteel de volgende protocollen: Controle zwemwaterlocaties conform de Europese zwemwaterrichtlijn 2006/7/EG.en het Blauwalgenprotocol

59

2011/2012. Bij de beoordeling van de waterkwaliteit ligt voor niet speciaal voor zwemmen ingerichte buitenwateren het zwaartepunt bij de bacteriologische kwaliteit van het water. 5.4.5

Waterveiligheid en klimaatadaptatie

Waterveiligheid buitendijks Het plangebied is nu nog water. Doordat een deel van het havenbekken op termijn gedempt wordt ontstaat daar buitendijks gebied. Om inzicht te krijgen in de toekomstbestendigheid van dat buitendijkse gebied ten aanzien van de waterveiligheid is de maaiveldhoogte van het omliggende gebied vergeleken met een waterstand gebaseerd op terugkeertijd van 1/1.000 jaar in het jaar 2100. Daaruit blijkt dat de omgeving van het plangebied op de lange termijn kwetsbaar is voor hoog water. In 2018 heeft het college de beleidsnotitie Herijking beleid (grond)uitgiftepeilen in buitendijks gebied vastgesteld. De gemeente gaat uit van een hoger veiligheidsniveau dan het Lokaal Individueel risico van de provincie. Zo wordt de kans op maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van functies verkleind. Bij de Herijking van uitgiftepeilen in 2018 heeft het college besloten dat voor buitendijks gebied zoals de Rijnhaven een uitgiftepeil Basisniveau van minimaal 3,60 meter boven NAP geldt. De Adviseur Waterveiligheid adviseert om nieuwe gebouwen zo aan te leggen dat ze waterbestendig zijn tot minimaal 3,90 meter boven NAP. In elk geval moeten kwetsbare voorzieningen boven dat peil worden aangelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e73026ac-6d04-402c-83e6-f400e72ee1b0