CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb008730] Bijlage behorende bij 22bb8729 over ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131’

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 18 januari 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen14.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Rotterdam Stadsontwikkeling

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN BOVENSTRAAT 127, 129 (A/B), 131

16 augustus 2022

n BOdG

ruimtelijk advies

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN BOVENSTRAAT 127, 129 (A/B), 131

concept ontwerp ontwerp vaststelling

25 april 2022 16 augustus 2022

creatief

"~-ríŭyìJk

betrokken ^ '

BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl

INHOUDSOPGAVE

I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

INLEIDING................................................................................................................................11 1.1

Aanleiding................................................................................................................................11

1.2

Ligging en begrenzing..............................................................................................................11

1.3

Vigerend bestemmingsplan.....................................................................................................11

1.4

Gekozen planopzet..................................................................................................................12

BELEIDSKADER.........................................................................................................................13 2.1 Nationaal beleid..................................................................................................................... 13 2.2

Provinciaal beleid................................................................................................................... 14

2.3

Gemeentelijk beleid.................................................................................................................16

BESCHRIJVING VAN HET PLAN.................................................................................................19 3.1

Omgeving en huidig gebruik....................................................................................................19

3.2

Cultuurhistorische waarde.......................................................................................................19

3.3

Projectbeschrijving..................................................................................................................20

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN.................................................................................. 23 4.1 4.2

Water.......................................................................................................................................23 Milieuzonering ........................................................................................................................ 24

4.3

Geluid...................................................................................................................................... 24

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 24

4.5 4.6

Externe veiligheid....................................................................................................................25 Bodem..................................................................................................................................... 26

4.7

Archeologie..............................................................................................................................26

4.8 Ecologie....................................................................................................................................27 4.10 Duurzaamheid en energie ..................................................................................................... 28 4.11 Besluit m.e.r............................................................................................................................. 29 5.

JURIDISCHE ASPECTEN............................................................................................................ 31 5.1 Inleiding ................................................................................................................................. 31 5.2

6.

De opzet van de planregels......................................................................................................31

UITVOERBAARHEID................................................................................................................. 35 6.1 Financiële uitvoerbaarheid .................................................................................................... 35 6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ........................................................................................... 35

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

-9-

- 10 -

1

INLEIDING

i.i

Aanleiding In de wijk Oud-IJsselmonde bevinden zich aan de Bovenstraat enkele woningen (127, 129 A/B en 131) op zeer nabije afstand van de aanlanding van de Van Brienenoordbrug. Deze woningen zijn hierdoor gelegen binnen de zogenoemde 10-6 plaatsgebonden risicocontour die behoort bij het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A16. Omdat een woning als een kwetsbaar object wordt aangemerkt en het niet wenselijk is dat dergelijke objecten zich binnen de genoemde risicocontour bevinden, is hier sprake van een saneringssituatie. Op grond van de beleidsregel Basisnet heeft het Rijk deze woningen aangekocht, met als doel de geldende bestemming 'Wonen' om te zetten naar een bestemming die geen kwetsbare objecten toestaat. Daartoe is een herziening van het geldende bestemmingsplan "OudIJsselmonde" noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing De woningen zijn gelegen in de wijk IJsselmonde, binnen het woongebied 'Oud-IJsselmonde'. De Bovenstraat bevindt deels onder de zuidelijke aanlanding van de Van Brienenoordbrug (Rijksweg A16) en verbindt de ten westen daarvan gelegen Koenraad van Zwabenstraat met de ten oosten van de brug gelegen Willem van Gelderstraat. De door het Rijk aangekochte woningen bevinden zich allemaal langs dit laatste deel van de Bovenstraat en staan kadastraal bekend onder de nummers IJsselmonde D 6903/6905 (nummer 127), D1725 (nummer 129 A/B) en D1726 (nummer 131).

VvV

7

o*

7

KI

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts). 1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van de locatie is het bestemmingsplan "Oud-IJsselmonde" het geldende juridischplanologisch kader. Dit plan is vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juni 2017. Binnen het plangebied zijn nu twee bestemmingen van kracht, te weten de bestemming 'Wonen' voor de bestaande hoofdgebouwen en de bestemming 'Tuin - 1' voor de daarbij behorende erven en tuinen. De woonbestemming mag volledig worden bebouwd tot een hoogte zoals is aangegeven op de bij het plan behorende verbeelding. Voor het pand Bovenstraat 127 is die hoogte beperkt tot een goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 9 meter. De overige panden kennen een maximum goothoogte van 9 meter en een maximum bouwhoogte van 12 meter. De woningen mogen uitsluitend als woning worden gebruikt, met uitzondering van het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep of Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 11 -

bedrijf, mits de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Achter de woningen zijn de gronden bestemd als 'Tuin - 1', waarbinnen de bouwmogelijkheden beperkt zijn. Op deze gronden mag niet gebouwd worden, met uitzondering van in de bestemming passende bergingen, aanbouwen van het naastgelegen hoofdgebouw (niet dieper dan drie meter, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bij die laatste categorie kan gedacht worden aan pergola's, erfafscheidingen, terrassen en keermuren. Ook uitstekende delen van gebouwen die op grond van een aangrenzende bestemming gebouwd mogen worden, zijn toegestaan. Deze uitstekende delen moeten minimaal 2,2 meter boven maaiveld hangen en mogen maximaal 2,5 meter uit de gevel steken. Op deze gronden mogen ook aan- en bijgebouwen gerealiseerd worden, mits voldaan wordt aan de gestelde hoogte-, afstand- en/of oppervlaktematen.

+ + + +

+

Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding "Oud-IJsselmonde" (plangebied oranje omkaderd). Het gehele plangebied is tevens voorzien van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2". Deze dubbelbestemming beschermt eventuele archeologische waarden. Bouw- en/of graafwerkzaamheden met een oppervlak van meer dan 100 m2 en die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld moeten worden getoetst op de noodzaak van onderzoek door Archeologie Rotterdam (BOOR). Tot slot is een deel van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". Met deze bestemming wordt de waterkerende functie van de gronden geborgd. Omdat de bestaande bebouwing en het huidige gebruik gedetailleerd zijn bestemd, kunnen de gebouwen nu als woning worden gebruikt. Daarmee staat het bestemmingsplan een kwetsbare functie toe en dat is gezien het Basisnet ongewenst. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid om de bestemming binnenplans te wijzigen in een niet-kwetsbare functie. 1.4

Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in het behoud van de bestaande bebouwing, maar een zodanige bestemming dat kwetsbare functies zijn uitgesloten. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

- 12 -

2

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.

2.1

Nationaal beleid Nationale omgevingsvisie De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en is vanaf 12 februari 2021 bindend voor het Rijk als geldende visie onder de Wro. De NOVI vervangt daarmee de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat.

In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: ^ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ^ een duurzaam en economisch groeipotentieel; ^ sterke en gezonde steden en regio's; ^ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken zijn in de NOVI 21 nationale belangen benoemd waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Aangezien een visie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn deze nationale belangen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden.

Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door 'behoefte'. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling.

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 13 -

Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes Op 25 juli 2013 is de Wet basisnet gepubliceerd (Stb. 2013, 307). Deze wet is op 1 april 2015 in werking getreden, samen met het Besluit externe veiligheid transportroutes (Stb. 2013, 465) en de op de wet en het besluit gebaseerde Regeling basisnet (Staatscourant 2014, 8242). Deze wet- en regelgeving heeft tot doel een duurzaam evenwicht te scheppen tussen vervoers-, ruimtelijke en veiligheidsbelangen, die bij een ongebreidelde groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen en toenemende bebouwing in de nabijheid van transportassen met elkaar in botsing zouden komen. Het basisnet voorziet in een systeem waarbij het vervoer van gevaarlijke stoffen tussen de grote chemieclusters in Nederland evenals het transitovervoer door Nederland ook in de toekomst mogelijk blijft. Daarnaast kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang blijven vinden, zij het dat zowel bij een toename van het vervoer als bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor kwetsbare functies, zoals woningen en scholen, het risico niet hoger mag zijn dan een maatschappelijk afgesproken maximum niveau. In het Nederlandse externe veiligheidsbeleid wordt dat maximum risiconiveau bij vervoer uitgedrukt in de overlijdenskans van ten hoogste 1 op de miljoen per jaar.

Deze waarde wordt eveneens gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's vanwege inrichtingen en buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Bij de keuze voor deze waarde hebben zowel veiligheidsoverwegingen als pragmatische en financiële overwegingen (haalbaarheid en betaalbaarheid) een rol gespeeld. Naar aanleiding van de Wet basisnet is op 18 april 2015 de 'Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft betrekking op de aankoop door het Rijk van: 1. woningen die op 1 april 2015 geheel of gedeeltelijk binnen een risicozone van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen; 2. woningen die na 1 april 2015 binnen een risicozone van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen komen te liggen als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur of vervoer die van invloed zijn op de omvang of ligging van de risicozone. Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan ziet alleen toe op het omzetten van reeds bestaande woningen in een niet-kwetsbare functie. Deze functiewijziging is een gevolg van de aankoop van de woningen aan de Bovenstraat 127, 129 A/B en 131 in het kader van de Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes.

Hoewel deze 'ontwikkeling' dient ter uitvoering van Rijksbeleid, betreft het geen onderwerpen van nationaal belang, zoals bedoeld in de Novi. Op basis van het Rijksbeleid kunnen de decentrale overheden maatwerk leveren en inspelen op specifieke wensen. In dit geval is dat aan de orde. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk, aangezien het hier geen stedelijke ontwikkeling betreft. Geconcludeerd wordt, dat het plan in overeenstemming is met het nationaal beleid. 2.2

Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd.

- 14 -

Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: ^ Naar een klimaatbestendige delta. ^ Naar een nieuwe economie: the next level. ^ Naar een levendige meerkernige metropool. ^ Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. ^ Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 20 februari 2019 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 april 2019 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stads­ en dorpsgebied.

Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.

Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: ^ De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 15 -

^

Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg.

De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat. Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Het betreft hier geen ontwikkeling in de zin van het toevoegen van nieuwbouw. De bestaande bebouwing blijft aanwezig, maar wordt voorzien van een niet-kwetsbare bestemming in het kader van de Wet basisnet. De omzetting vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herbestemming draagt hieraan bij, omdat de woonfunctie hier op dit moment niet passend is met het oog op externe veiligheid. Omdat met de herziening geen nieuw ruimtebeslag wordt geclaimd, past de ontwikkeling binnen de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee ook binnen het provinciaal beleid. 2.3

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Rotterdam De Omgevingsvisie Rotterdam is vastgesteld op 2 december 2021 door de gemeenteraad van Rotterdam. De visie is een plan voor de fysieke leefomgeving en geeft weer hoe de stad er in de toekomst uit gaat zien, want Rotterdam verandert snel. De stad groeit en het aantal inwoners ook.

- 16 -

Met de fysieke leefomgeving wordt alles bedoeld dat nodig is om in de stad te kunnen leven, wonen, werken, studeren en recreëren. Daarbij is aandacht voor water, lucht, bodem, natuur, wegen en gebouwen. De visie heeft tot doel de stad ook op lange termijn sterk, veerkrachtig en toekomstbestendig te houden. Het realiseren van voldoende woningen, werkgelegenheid en voorzieningen is daarbij essentieel. De visie gaat daarbij niet specifiek in op individuele projecten en/of wijzigingen zoals met dit bestemmingsplan beoogd. Duurzaamheidskompas Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De gemeente heeft daartoe in september 2019 het Duurzaamheidskompas vastgesteld. Deze geeft richting, zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een 'levend' document dat regelmatig wordt geactualiseerd met nieuwe speerpunten.

De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in vier ambities; de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om de bestaande bebouwing te voorzien van een bestemming zonder kwetsbare functies. De woonfunctie zal daarmee vervallen. Deze ontwikkeling heeft geen raakvlakken met gemeentelijk beleid, anders dan dat gesteld kan worden dat het past binnen het duurzaamheidsbeleid, aangezien daarin ook wordt gestreefd naar een gezonde leefomgeving. Gesteld kan worden dat de omzetting niet in strijd is met gemeentelijk beleid.

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 17 -

- 18 -

3

BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van Oud-IJsselmonde, alsook de bestaande situatie en het huidig gebruik.

3.1

Omgeving en huidig gebruik IJsselmonde was eeuwenlang een zelfstandig dorp aan de rivier. De kerk, de pastorie en het kasteel van IJsselmonde met zijn wandelbos waren sinds de middeleeuwen de ankerpunten van het dorp. Het dorpsleven speelde zich verder af langs het dijklint met de karakteristieke bebouwing van de Beneden- en Bovenstraat. De dijk zelf was tot aan de negentiende eeuw overigens grotendeels onbebouwd. Aan de voet van de dijk lagen de boerderijen en het uitgestrekte polderland. Van oudsher had het gebied een intensieve relatie met de rivier. Vanaf het IJsselmondse Hoofd vertrok het veer naar Kralingen. Dit was ook de plek van de jaarlijkse paardenmarkt. De zalmvisserij was de belangrijkste economische activiteit van IJsselmonde. In de negentiende eeuw vestigden zich aan de Maas een steenbakkerij, scheepswerven en een houtfabriek. Ook stond er een markante watertoren. Na de verwoestingen van de oorlog moest snel begonnen worden met de wederopbouw van de haven en de stad. De open polder van Oud-IJsselmonde maakte al snel plaats voor circa 300 nieuwe woningen. De groene opzet van de Sagenbuurt met woonpaden, hagen en woningen in stroken was in die tijd een noviteit. De jaren zestig werden voor Oud-IJsselmonde de periode van de grote ingrepen. Met de aanleg van de hoge Deltadijk ging de innige relatie tussen het dorp en de rivier verloren.

In 1965 werd de Van Brienenoordbrug feestelijk geopend. De brug met het aanliggende verkeersplein sloeg een enorme bres in het lint van de Bovenstraat. Ook de Koninginneweg werd in tweeën gedeeld. De impact van de brug was enorm. Als een enclave ligt het 'dorp' nu opgesloten tussen IJsselmonde, de Beverwaard, de rivier en de snelwegen van de stad. Maar de rijke geschiedenis is er nog altijd te beleven. De historische gelaagdheid van Oud-IJsselmonde met alle bijbehorende breuken en ongelukken is nog zichtbaar en voelbaar. Dat maakt Oud-IJsselmonde tot een markante plek in Rotterdam. De kans ligt er in het verder verstevigen en uitbuiten van het karakter dat IJsselmonde al eeuwen heeft; dat van een Rotterdams dorp aan de rivier.

3.2

Cultuurhistorische waarde De betreffende woningen aan de Bovenstraat zijn niet aangewezen als monument, maar het lint zelf is wel van cultuurhistorische waarde, net als langs de nabijgelegen Benedenrijweg en straat. Hier is immers de oudste bebouwing van het voormalige dorp Oud-IJsselmonde gesitueerd. De straten zijn aangelegd langs de oude dijk die uit iets na 1446 dateert. De bebouwing van de verschillende linten is bepaald door hun nabijheid van het centrum. Rond de kerk en het vroegere kasteel was de bebouwing erg dicht. De Bovenstraat en de Benedenstraat, noordelijk ten opzichte van het voormalige kasteel en de kerk, vormen de kern van het historische dorp. De namen van de straten hebben hun oorsprong in de locatie op of achter de dijk. Meerdere panden hebben hun gevel aan de Bovenstraat, die vroeger ook Dorpsstraat werd genoemd, maar lopen door tot aan de Benedenstraat. De bebouwing van de straat zoals die nu nog is te zien, is vooral tussen 1850 en 1910 tot stand gekomen. De nog bestaande winkelpuien aan de Benedenstraat en Bovenstraat wijzen erop dat hier vooral winkels en bedrijfjes waren. Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 19 -

De Benedenrijweg, het verlengde van de Benedenstraat, en de uiteindes van de Bovenstraat, die nu gelegen zijn aan de andere kant van de Oostdijk of verdwenen zijn, vormen de historische linten. De uiteindes van de Bovenstraat hebben hetzelfde karakter als het overige deel van de Benedenstraat en Bovenstraat aangezien het vroeger een aan elkaar gesloten en doorlopende bebouwing was. De bouw van de Deltadijk op de plek van de vroegere Bovenstraat (nu Oostdijk, 1973) en de Van Brienenoordbrug (1965) hebben grote invloed gehad op de historische structuur van de linten. Grote delen van de Bovenstraat en van de historische kern zijn verdwenen voor de aanleg van de brug. Het Deltadijkplan leidde tot de afbraak van veel huizen en bedrijven noordelijk van de Benedenrijweg. Verder had het plan grote gevolgen voor de Bovenstraat. Door de aanleg van de nieuwe dijk, kwamen veel huizen die vroeger op de dijk stonden nu achter de dijk te liggen. Daardoor is de historische structuur aangetast. Dat is vooral zo bij de Bovenstraat waar de dijk ook delen van de bebouwing laat verdwijnen en een grotere ingreep te voelen is. Projectbeschrijving Zoals reeds beschreven bestaat het plangebied uit enkele kavels met woningen en bijbehorende tuinen.

Het betreffen hier de gronden die kadastraal bekend staan onder de nummers IJsselmonde D 6903/6905 (nummer 127), D1725 (nummer 129 A/B) en D1726 (nummer 131). Ook een klein deel van de Bovenstraat zelf valt binnen deze gronden.

3.3

'«SS?

; İ

ÉF '

Afbeelding 3: Zicht op de woningen (omcirkeld) met op de voorgrond de A16. De benoemde woningen bevinden zich op zeer nabije afstand van de aanlanding van de Van Brienenoordbrug. Daardoor zijn zij tevens gelegen binnen de zogenoemde 10-6 plaatsgebonden risicocontour die behoort bij het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A16. Omdat woningen worden aangemerkt als kwetsbare objecten en het niet wenselijk is dat deze zich binnen de benoemde risicocontour bevinden, is hier sprake van een saneringssituatie. Op grond van de beleidsregel Basisnet heeft het Rijk deze woningen aangekocht, met als doel de geldende bestemming 'Wonen' om te zetten naar een bestemming zónder kwetsbare objecten. Dit bestemmingsplan voorziet enkel in deze wijziging - 20 -

en betreft verder dus geen ontwikkeling in de zin van de oprichting van nieuwe gebouwen en/of bouwwerken. In de nieuwe situatie zal de woonbestemming vervallen en worden de bestaande panden voorzien van een bestemming 'Gemengd'; de panden kunnen dan gebruikt worden voor bedrijven t/m categorie 2 (zoals bedoeld in de lijst van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij deze regels is gevoegd), dienstverlening, kantoren en voorzieningen die behoren bij deze functies, zoals groen, ontsluitingswegen en -paden. De panden zelf, alsook de achterliggende tuinen blijven in stand. Ook de ontsluiting via de Bovenstraat blijft ongewijzigd, waarmee ook de huidige parkeersituatie behouden blijft. Indien functies leiden tot een grotere parkeervraag dient voldaan te worden aan het Rotterdamse parkeerbeleid; daarvoor is de in Rotterdamse bestemmingsplannen gebruikelijke regeling opgenomen.

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 21 -

- 22 -

4

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid.

4.1

Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt buitendijks en daarmee binnen het beheersgebied van Rijkswaterstaat. Het binnendijkse gebied in de directe omgeving van het plangebied behoort tot het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2 en Rotterdams Weerwoord). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022­ 2027. In dit programma worden de doelen beschreven die het waterschap wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Deze doelen zijn afgeleid van de ambities van het waterschap voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden weer beïnvloed door de maatschappelijke opgaven, zoals de gevolgen van een veranderen klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering.

Naast de doelen en ambities gaat het programma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van de doelen. Op basis van deze doelen en de strategie worden jaarlijks in het kader van de reguliere planning- en controlecyclus de concreet uit te voeren maatregelen bepaald. Zoals hiervoor is aangegeven, ligt het plangebied buitendijks. Hierdoor is de Waterwet van toepassing. Het plangebied maakt echter deel uit van het zogenaamde vrijstellingsgebied voor de vergunningplicht voor het onderdeel gebruik waterstaatswerk, zoals weergegeven in artikel 6.16 van het Waterbesluit. Daarnaast geldt voor buitendijkse gebieden geen compensatieplicht bij toename van het verhard oppervlak. Van een toename is overigens ook geen sprake, aangezien slechts sprake is van een functiewijziging van bestaande panden. Dit bestemmingsplan is niet gericht op het mogelijk maken van nieuwe bouwontwikkelingen. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich een primaire waterkering. Het plangebied ligt voor een klein deel binnen de kern- en beschermingszone hiervan, maar ook hiervoor geldt dat deze niet beïnvloed wordt, omdat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Het plangebied valt geheel binnen rioleringsdistrict 36 (Groot IJsselmonde), waarbij afvalwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven.

Ook hierin zal niks wijzigen nu geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. Omdat in dit

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 23 -

geval sprake is van een plangebied dat geheel buitendijks is gelegen, is de waterbeheerder Rijkswaterstaat. Omdat Rijkswaterstaat, als uitvoerder van de aankoopregeling op grond de in Ş2.1 beschreven 'Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes', zelf ook initiatiefnemer is voor de bestemmingswijziging van de in dit plan betrokken panden, zijn zij reeds nauw betrokken bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan. Zij worden echter ook betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. 4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Met dit nieuwe bestemmingsplan zal de bestaande woonbestemming vervallen en worden de panden voorzien van een bestemming 'Gemengd'; de panden kunnen dan alleen nog gebruikt worden voor bedrijven t/m categorie 2 (zoals bedoeld in de lijst van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij deze regels is gevoegd), dienstverlening, kantoren en voorzieningen die behoren bij deze functies, zoals groen, ontsluitingswegen en -paden. Al deze activiteiten worden op grond van de VNG-uitgave aangemerkt als ten hoogste milieucategorie 2. Op grond van de geldende bestemmingsplannen worden deze inrichtingen toelaatbaar geacht in een woonomgeving. Zo zijn deze functies direct naast en/of onder woningen toegestaan. Ondanks de wijziging geldt dan ook, dat ter plaatse sprake is en blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Daarnaast worden de vergunde rechten van eventuele andere activiteiten in de directe omgeving niet belemmerd. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het projectgebied.

4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. De nieuwe bestemming leidt niet tot de oprichting van nieuwe geluidsgevoelige objecten of van een zogenaamde 'grote lawaaimaker'. Toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder is daardoor niet aan de orde. Ook leidt de nieuwe bestemming niet tot de oprichting van een activiteit, waaraan op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' een hindercontour gekoppeld kan worden. Uit paragraaf 4.2 blijkt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen niet in het geding is. Gesteld wordt, dat het aspect 'geluid' de beoogde omzetting van 'Wonen' naar 'Gemengd' niet in de weg staat.

4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn - 24 -

algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3^! van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. Binnen het plangebied is alleen sprake van de omzetting van de woonbestemming naar een bestemming zonder kwetsbare objecten.

De bestaande panden blijven behouden, maar zullen alleen nog gebruikt kunnen worden van bedrijven t/m categorie 2, dienstverlening en kantoren. De verkeersaantrekkende werking van deze omzetting is lager dan een woningbouwont-wikkeling van 1.500 eenheden. Vandaar dat de voorgenomen ontwikkeling als niet in betekenende mate wordt aangemerkt. Gesteld wordt, dat de omzetting niet leidt tot aantasting van de luchtkwaliteit. 4.5

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-Vjaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo'n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 10At letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich een transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg (Rijksweg A16).

De veiligheidszone van de A16 langs het plangebied (wegdeel Z134, Knooppunt Ridderkerk-Noord afrit 25 Rotterdam Centrum) bedraagt 58 meter gemeten vanaf de as van de weg. Omdat de huidige woningen Bovenstraat 127, 129 (A/B) en 131 zich binnen deze contour bevinden, is sprake van een saneringssituatie. De panden zijn daartoe aangekocht door het Rijk en worden met dit nieuwe bestemmingsplan op grond van het Basisnet (AMvB Besluit transport externe veiligheid) omgezet naar een bestemming zónder kwetsbare functie (zoals woningen, sociale voorzieningen en kinderopvang).

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 25 -

Met deze bestemmingswijziging is geen sprake meer van kwetsbare objecten binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour, waardoor ook geen sprake meer is van een saneringssituatie. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt immers dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour een richtwaarde betreft. Dat wil zeggen dat het mogelijk is om dergelijke objecten binnen deze risicocontour op te richten. Wel adviseert de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond om enkele maatregelen te nemen, om het aantal (dodelijke) slachtoffers bij een incident met brandbare of toxische vloeistoffen zoveel als mogelijk te beperken. Het gaat daarbij om de volgende (bouwkundige) maatregelen: ^ aanpassen van de panden, zodat voldaan kan worden aan de eisen uit artikel 2.4 tot en met 2.10 van de Regeling bouwbesluit; ^ het aanbrengen van afsluitbare deuren, ramen en ventilatieopeningen en/of een uitschakelbare luchtverversingssysteem; ^ draag zorg voor een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten en toereikende bluswatervoorzieningen; ^ draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van toekomstig aanwezige personen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingsomzetting; deze bestemmingsomzetting is juist nodig om een aanwezige saneringssituatie op te heffen.

Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerstgenoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is.

4.6

Dit bestemmingsplan ziet alleen toe op het uitsluiten van de huidige woonfunctie. De panden zullen niet worden gesloopt, waardoor van bouwactiviteiten en/of grondroerende activiteiten geen sprake zal zijn. Omdat de bodemkwaliteit voldoet aan de eisen voor de huidige woonfunctie, staat de bodemkwaliteit de voorgenomen herbestemming niet in de weg. 4.7

Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. - 26 -

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting Binnen het plangebied kunnen bewoningssporen en vondsten uit de Prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen voorkomen. In verband met de geologische opbouw van de ondergrond, maar ook door grote verschillen in ophoging die samenhangen met de bovenbeschreven moderne ontwikkelingen in het plangebied, kunnen de archeologische waarden tot op grote diepte onder het maaiveld aanwezig zijn. Een zeer hoge verwachting voor bewoningssporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd geldt voor de dijk en de oude kern van Oud-IJsselmonde.

Bescherming van de archeologische waarden Op grond van de archeologische verwachting en om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, is in het bestemmingsplan "Oud-IJsselmonde" aan de gronden van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlak van meer dan 100 m2 beslaan. Dit is door middel van een vergunningstelsel in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' eveneens opgenomen in dit bestemmingsplan. Omdat van sloop en/of nieuwbouw geen sprake is, zullen geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Het aspect archeologie staat de omzetting van de bestemming dan ook niet in de weg. 4.8

Ecologie De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. G ebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Boezems Kinderdijk', op circa 6 kilometer afstand tot het bestemmingsplangebied. De in dit bestemmingsplan beoogde omzetting van de woonbestemming heeft op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Hiervoor is de 'ontwikkeling' te klein van omvang en is de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000 gebied te groot.

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 27 -

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. De Nieuwe Maas, net ten noorden van het plangebied gelegen, maakt deel uit van het NNN. Ook hiervoor geldt dat de omzetting van de woonbestemming op voorhand geen negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van dit NNN-gebied. Gezien de zeer geringe wijziging en de grote afstand tot het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (eveneens Boezems Kinderdijk), is depositie van stikstof op voorhand uitgesloten. Soortbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: ^ strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; ^ alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Omdat slechts sprake is van een de omzetting van een woonbestemming naar een bestemming waarbinnen kwetsbare functies worden uitgesloten, is geen sprake van een bouwplan.

Verder zal geen sprake zijn van ingrijpende bouwkundige werkzaamheden die schadelijk zouden kunnen zijn voor (strikt) beschermde soorten. Conclusie De Wet natuurbescherming staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Dat neemt niet weg dat indien de panden als gevolg van de herbestemming alsnog verbouwd of gesloopt worden, voorafgaand een flora- en faunaonderzoek dient te worden uitgevoerd. Daarvan is vooralsnog geen sprake. 4.10

Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. Zoals aangegeven in de beleidsparagraaf is daartoe in september 2019 het Duurzaamheidskompas vastgesteld. Deze geeft richting, zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een 'levend' document dat regelmatig wordt geactualiseerd met nieuwe speerpunten. De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in vier ambities; de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving.

De gemeente Rotterdam beschikt naast het benoemde duurzaamheidskompas, ook over het document 'De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit 2012 en bestaat uit de zes thema's oppervlakte, - 28 -

veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Het RWK is vrijblijvend te gebruiken. Bij het informatiepunt Duurzaam Rotterdam van gemeentewerken Rotterdam kunnen medewerkers, partners en bewoners van de gemeente Rotterdam informatie aanvragen over duurzaam bouwen en duurzame voorbeeldprojecten in Rotterdam. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan compact en tevens flexibel bouwen, en het toepassen van gerecyclede en tevens emissie loze bouwmaterialen. Daarnaast hecht de gemeente aan een ontwikkeling van het gebied op basis van de 'Rotterdam Resilence Strategie'. Binnen deze Strategie zijn drie trends voor de gemeente extra belangrijk: Circulariteit, Klimaatadaptatie en Energietransitie. Binnen deze trends komen steeds vier centrale thema's aan de orde: Water, Groen, Energie en Materialen. Van belang is de mate waarin en de manier waarop de woningen, de buitenruimten en de gebiedsontwikkeling als geheel worden ontworpen in het kader van deze Strategie, Trends en Thema's. Algemeen kan worden opgemerkt dat de bestaande panden behouden blijven. Alleen de woonbestemming wordt vervangen door een bestemming zónder kwetsbare functies. Indien alsnog wordt overgegaan op sloopVnieuwbouw, dan zal dat plaatsvinden conform het huidige Bouwbesluit. Daardoor dient voldaan te worden aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen.

Dat betekent dan onder andere dat de nieuwbouw gasloos wordt uitgevoerd. Vooralsnog is hiervan geen sprake. 4.11

Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Voor dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r-(beoordelings)plichtig is, te weten: 1. D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Dit bestemmingsplan voorziet echter slechts in de omzetting van een aantal bestaande woonpanden, naar een bestemming zónder kwetsbare functies.

De omvang van deze functies blijft ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:

Ontwerpbestemmingsplan Bovenstraat 127, 129 (A/B), 131 - Toelichting

- 29 -

^

^

^

^

Kenmerken project ļ activiteit: de omvang van het project betreft het omzetten van drie bestaande woningen naar een bestemming zonder woonfunctie: de panden kunnen dan alleen nog gebruikt worden voor bedrijven tļm categorie 2 (zoals bedoeld in de lijst van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij deze regels is gevoegd), dienstverlening, kantoren en voorzieningen die behoren bij deze functies, zoals groen, ontsluitingswegen en -paden. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Het betreft een reeds bestaand stedelijk gebied, waarbij in de omgeving al diverse bedrijven aanwezig zijn. De beoogde herontwikkeling heeft met betrekking tot verkeer geen significant effect. Daarnaast worden de omliggende wegen gebruikt voor de reeds aanwezige functies. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd. Plaats van het project Z activiteit: de panden bevinden zich op grond van de provinciale verordening in het bestaand stadsgebied van Rotterdam. Voor de beoogde herbestemming zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld (zie hiervoor de voorgaande paragrafen). Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannenļontwikkelingen buiten het plangebied. Daarnaast belemmert de herbestemming de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet.

Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herbestemming niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. De effecten die als gevolg van het project optreden zijn lokaal van aard en hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten.

De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III EU-richtlijnen 85ļ337ļEEG maakt duidelijk dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk maken..

- 30 -

5

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een plankaart (verbeelding) met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.

5.2

De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: ^ Inleidende regels; ^ Bestemmingsregels; • Algemene regels; ^ Overgangs- en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=f2a77286-42d1-4b6c-b2b9-49ebc21295e6