[22bb007472] Bijlage 1 behorende bij 22bb7487 - Ontwerpbestemmingsplan K.P. van der Mandelelaan 130 met bijlagen
Tekst van het document
Deze extra fietsparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd op eigen terrein en zijn bedoeld voor langparkeerders (bewoners, werkers, studenten). Voor de woningen zijn na reductie 44 parkeerplaatsen nodig. Binnen de beleidsregeling parkeernormen van de gemeente Rotterdam is het mogelijk een reductiefactor te hanteren bij het uitvoeren van parkeerplaatsen voor deelauto's.
27
ļ Functie benaming
Hoeveelheid
Parkeernomi B
Parkeerbehoefte B
ļ
Woonfuncties
Normatief
OV-redüctie (20ĩé)
Fīetsreductie (1096)
MaaS (2096)
Deelauto's (2096)
Na reducties
Woningen < 40 m2 gbo
403 eenheden
403
0,1 per woning
0,1
40,30
8,06
4,03
8,06
8,06
12,09
Woningen 40 - 65 m*
211 eenheden
211
0,5 per woning
0,5
105,50
21,10
10,55
21,10
21,10
31,65
Totaal wonen
614 eenheden
614
146
29
15
29
29
44
Fietsparkeren De gemeente Rotterdam geeft in het gemeentelijke parkeerbeleid (Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022) tevens normen waarmee het aantal stallingsplaatsen voor fietsen kan worden bepaald. Onderstaande tabel geeft de toekomstige fietsparkeerbehoefte van het plangebied weer. Hierbij zijn de extra fietsparkeerplekken gerekend die benodigd zijn voor de 100Zo reductie autoparkeerplaatsen. 1 Functie benaming
Hoeveelheid
Norm
Woonfuncties
Fietspp
Fietspp
Normatief
compensatie fietspp aftrek
Totaal
403 eenheden
403
2 per woning
2
806,00
8,06
814,06
Woningen 40-65 m2
211 eenheden
211
2 per woning
2
422,00
21,10
443,10
Totaal wonen
614 eenheden
614
1228
29
1257
Woningen < 40 m2 gbo
Tabel 4.3 Fietsparkeerbehoefte Bovenstaande berekening gaat uit van 2 parkeerplaatsen per woning. In het parkeerbeleid is opgenomen dat voor studentenkamers een fietsparkeernorm van 1 per woning geldt. In het complex worden 379 eenheden aangeboden als studentenkamer. Dat betekent dat er 379 fietsparkeerplaatsen minder gerealiseerd hoeven te worden. In totaal zijn er dus 878 fietsparkeerplaatsen nodig voor de woningen. In het ontwerp is rekening gehouden met 910 fietsparkeerplekken (inclusief 1007o scooters en speciale fietsen). Hiermee zijn er voldoende fietsparkeerplaatsen beschikbaar voor bewoners en bezoekers. Bovendien kan het ruimtebeslag op de begane grond en bij het gebouw worden gereduceerd, wat ten goede komt aan de verblijfskwaliteit in en om het pand. In het gebouw zal een beheerder komen, die tevens toe zal zien op het beheer van de openbare ruimte rondom het gebouw. Daarbij hoort ook de handhaving op het fietsparkeren. Fietsen worden alleen op de daarvoor aangewezen plaatsen toegestaan. Het hanteren van een ander uitgangspunt voor fietsparkeren in dit project leidt dus niet tot knelpunten elders. Voor de commerciële functies zullen, afhankelijk van de invulling, auto- en fietsparkeerplaatsen in het openbaar gebied gerealiseerd worden.
Verkeersgeneratie en -afwikkeling Verkeersgeneratie Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren). Daarbij is aangesloten bij de minimale kencijfers voor schil centrum in zeer stedelijk gebied. Binnen de bandbreedte van het kengetal is het gemiddelde genomen. De verkeerstoename is voor de gehele ontwikkeling berekend. De verkeersgeneratie is berekend en weergegeven in tabel 4.4. Met de kencijfers wordt de verkeersgeneratie voor een gemiddelde weekdag berekend. Door middel van omrekenfactoren voor de verschillende functies (uit CROW publicatie 381 & 272) kan deze worden omgerekend naar werkdaggemiddelden. Werkdaggemiddelden worden gebruikt ter beoordeling van de verkeersafwikkeling over omliggende wegen en kruispunten.
categorie CROW
Hoeveelheid
Kencijfer CROW
woonfuncties
huur, appartement, goedkoop totaal wonen
ve rke ersgen eratie weekdag
614 1,8 per woning
factor
1105,2
werkdag
1,11
1226,772 1227 mvt/etmaal
Tabel 4.4 Verkeersgeneratie
28
Het plan zorgt er op basis van de CROW kengetallen voor dat er voor de nieuwe woningen 1.227 motorvoertuigen per etmaal (werkdaggemiddeld) moeten worden afgewikkeld. De verkeersgeneratie is berekend op basis van landelijke CROW kengetallen. De meeste bewoners hebben echter geen eigen auto, maar zullen gebruik maken van de deelauto's. In totaal komen er 44 parkeerplaatsen. De inschatting is een turn-over van 5, dat betekent dat de ontwikkeling ca. 440 verkeersbewegingen oplevert. Op dit moment is in het plangebied een kantoor aanwezig. Dit heeft een oppervlakte van 3.000 m2 bvo. Een kantoor (zonder baliefunctie) heeft op basis van de CROW-normen een verkeersgeneratie van 4.05 per * 2.100 m2 (weekdag). Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 121 motorvoertuigbewegingen (werkdag). Daarmee is sprake van een toename van ca. 320 motorvoertuigen in de maximale situatie.
Verkeersafwikkeling Het verkeer van en naar het plangebied dient te worden afgewikkeld over de K.P. van der Mandelelaan. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om de verkeertoename ten behoeve van de beoogde ontwikkeling af te wikkelen. Wel zijn er maatregelen nodig aan de weginrichting (bijv. toevoegen fietsstroken) om de weg geschikt te maken als erftoegangsweg in een woongebied en de verkeersveiligheid van alle verkeersdeelnemers te waarborgen. Via de K.P. van der Mandelelaan komt het verkeer terecht op de Kralingse Zoom. Via de Kralingse Zoom en Jacques Dutilhweg (noordelijke richtingyAbram van Rijckevorselweg (zuidelijke richting) zal een aanzienlijk deel van het verkeer van en naar het plangebied afwikkelen naar de aansluitingen op de rijksweg A16. Ingeschat wordt dat dit circa 800Zo van de totale verkeersgeneratie is. Dit komt neer op circa 985 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Dit verkeersaantal is worst-case omdat deze is berekend met CROW kengetallen waarbij geen rekening is gehouden met mobiliteitsplan. Reëler is om uit te gaan van de 440 mvt/etmaal, waarbij 350 mvt/etmaal richting de A16 gaan. Het verkeer spreidt zich via de Kralingse Zoom over de twee aansluitingen op de rijksweg A16: in noordelijke richting naar de aansluiting met de Jacques Dutilhweg en in zuidelijke richting met de Abram van Rijckevorselweg.
Door deze spreiding en de grote verwerkingscapaciteit van de aansluitingen zal het verkeerseffect van de voorgenomen ontwikkeling op de aansluitingen van de rijksweg A16 acceptabel zijn en niet zorgen voor significante afwikkelingsproblemen. Er ontstaan ook geen knelpunten met de Geluidsproductieplafonds die voor de A16 gelden: de toename aan verkeer als gevolg van deze ontwikkeling is zo gering, dat deze niet tot een hoorbaar effect leiden.
Conclusie Het plangebied is goed bereikbaar voor de verschillende vervoerswijzen. De (fiets)parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. De ontsluitingswegen bieden voldoende capaciteit om deze toename zonder knelpunten af te wikkelen. Wel zijn maatregelen aan de weginrichting van de K.P. van der Mandelelaan nodig om de verkeersveiligheid van alle verkeersdeelnemers te waarborgen.
4.2
Geluid
Toetsingskader Wet geluidhinder
Toetsing Het plangebied ligt in de geluidzone van verschillende wegen (A16, Abraham van Rijckevorstelweg). In het kader van de Wet geluidhinder dient te worden beoordeeld of bij de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de geluidbelasting van de niet-gezoneerde wegen in de omgeving beoordeeld.
29
De geluidbelasting van de rijksweg A16 is berekend op basis van het geluidregister. Voor de overige wegen zijn verkeersprognoses aangeleverd door de gemeente Rotterdam.
Rijksweg A16 De afstand tot de Rijksweg A16 is beperkt. Hierdoor is in het plangebied sprake van een relatief hoge geluidbelasting. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt bij een groot deel van de woningen overschreden. Dit heeft tot gevolg dat bij deze woningen dove gevels nodig zijn. Dit zijn gevels zonder te openen delen. Alleen bij enkele woningen op de eerste en tweede verdieping en woningen met een westgevel wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of maximale ontheffingswaarde.
Abraham van Rijckevorselweg Bij de gevels in de nabijheid van deze weg wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Wel wordt bij alle woningen voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Bij verschillende woningen is een dove gevel nodig vanwege de Rijksweg A16. Bij deze woningen hoeft daarom ook geen hogere waarde te worden aangevraagd vanwege de Abraham van Rijckevorselweg.
Overige wegen De geluidbelastingen van de overige wegen, namelijk de Kralingse Zoom, de K.P. van der Mandelelaan en de Max Euwelaan, zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde/richtwaarde van 48 dB.
Benodigde hogere waarden en dove gevels In het akoestisch rapport is in tabel 5.1 per geluidbron samengevat welke hogere waarden aangevraagd dienen te worden en bij hoe veel woningen een dove gevel noodzakelijk is.
Toetsing aan gemeentelijk geluidbeleid Het gemeentelijk geluidbeleid schrijft voor dat elke woning tenminste over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikt. De te ontwikkelen woningen zijn specifiek voor een bepaalde doelgroep (studenten, young professionals en starters) en beschikken niet over een prive buitenruimte. Ook beschikken niet alle woningen over een geluidluwe zijde. Daarnaast zal een deel van de woningen eenzijdig georiënteerd worden naar een zijde waar niet wordt voldaan aan de richtwaarde voor een geluidluwe gevel. Een dergelijke opzet is in strijd met het Rotterdamse ontheffingenbeleid. Dit beleid biedt echter de mogelijkheid om af te wijken. Omdat de woningen niet beschikken over een prive buitenruimte en een groot deel van de woningen niet beschikt over een geluidluwe zijde, zullen compenserende maatregelen worden geboden. Enerzijds bestaan deze maatregelen uit het creëren van een gedeelde geluidluwe buitenruimte met een hoge kwaliteit. De collectieve buitenruimte bevindt zich in de oksel van het gebouw. Met behulp van een transparant geluidscherm wordt ervoor gezorgd dat de buitenruimte geheel voldoet aan de gemeentelijke voorwaarde om te mogen spreken van een geluidluwe buitenruimte. Daarnaast worden in het gebouw gemeenschappelijke ruimtes gerealiseerd waar bewoners kunnen komen om te werken en te ontspannen.
Deze ruimten maken deel uit van het collectieve gedeelte, dat is gericht op ontmoeting (zie ook 3.3.5). Dat is ook het uitgangspunt van het concept, waarbij diverse voorzieningen buiten de appartementen aangeboden worden. Door deze maatregelen voorziet het plan voor alle woningen in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Bij de woningen met een dove gevel kan de spuivoorziening worden gecreëerd bijvoorbeeld met geluid gedempte roosters in de gevel met daarachter een geïsoleerd incidenteel te openen deel . Vergelijkbare geluid gedempte voorziening zijn eveneens mogelijk De demping van de gekozen voorziening dient zodanig te zijn dat gestreefd moet worden naar een invallend geluidniveau op het incidenteel te openen deel van ten hoogste 53 dB als gevolg van Rijksweg A16. Indien de maatregelen om deze streefwaarde te realiseren overwegende bezwaren ontmoet vanuit geluid-technisch, architectonisch of financieel oogpunt is een hogere geluidbelasting toegestaan. Deze streefwaarde wordt opgenomen in het besluit hogere waarden.
30
Op langere termijn is de ambitie in het centrale gedeelte van het Brainpark een geluidluw klimaat te creëren. Dat wordt onder andere bereikt door in de A16-zone geluidschermen tussen de gebouwen te plaatsen. Deze schermen worden circa 25 meter hoog. Daarmee wordt ook de geluidbelasting op het plangebied lager. Voor deze voorziening is een subsidie aangevraagd. De komende jaren zal deze voorziening in delen worden gerealiseerd. Omdat in het eigen project voorzien is in gezamenlijke geluidluwe buitenruimte is hier ook de komende jaren al sprake van een goede akoestische inpassing.
Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling, wel zijn maatregelen op gebouwniveau nodig.
31
4.3
Water
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: »
Kaderrichtlijn Water (KRW)
Nationaal: » » »
Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet
Provinciaal: » » »
Provinciaal Waterplan Omgevingsvisie Verordening Ruimte
Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', Keur van het HHSK, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.
Gemeentelijk beleid Herijkt Waterplan 2 Rotterdam [Rdam 2013a1 De gemeenteraad van Rotterdam heeft in 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de stad. In het Waterplan zijn lange termijn streefbeelden en kwaliteitsdoelstellingen geformuleerd die een beeld geven van de gewenste situatie voor het watersysteem in heel Rotterdam. De streefbeelden hebben een integraal karakter, niet alleen waterkwaliteit en -kwantiteit, maar ook natuurwaarden en belevingswaarden spelen een rol. In juni 2013 is een herijking van het waterplan vastgesteld met een uitvoeringsstrategie tot 2018. Gebiedswaterplan Kralingen Crooswijk [Rdam 20081 Voor het gebied Kralingen Crooswijk is in 2008 het deelgemeentelijk waterplan vastgesteld, tegenwoordig gebiedswaterplan genoemd. Dit gebiedswaterplan is een gebiedsgerichte uitwerking van eerder genoemd WP 2. In de directe nabijheid van het plangebied zijn maatregelen voorgesteld, zoals uitbreiding van oppervlaktewater langs de Burgemeester Oudlaan.
32
Rotterdamse Klimaatadaptatie Strategie [Rdam 20131 In 2008 heeft Rotterdam het klimaatadaptatieprogramma Rotterdam Climate Proof vastgesteld. Eén van de belangrijkste resultaten van dit programma is het opstellen van een klimaatadaptatiestrategie voor Rotterdam. Deze strategie is eind 2013 vastgesteld. Klimaatadaptatie is aanpassing aan de klimaatverandering. De klimaatadaptatiestrategie geeft aan welke aanpak wordt gevolgd om de stad aan te passen aan de klimaatverandering. De strategie geeft aan waarom Rotterdam zich aanpast en welke stappen hiervoor gezet worden. Aanpassing aan de klimaatverandering is een zaak van lange adem die echter nu moet starten, omdat de stad voortdurend verandert en zich verder ontwikkelt. De effecten van klimaatverandering zijn de toe- en afname van waterhoeveelheden in de rivier, de verhoging van waterstanden in de zee, toe- en afname van neerslag en hogere temperaturen. Deze klimaateffecten hebben gevolgen die van betekenis zijn voor de stad, zoals: » » » » »
een toename van het risico op overstroming en schade als gevolg van een dijkdoorbraak; extra benodigde ruimte voor dijkversterking; vaker wateroverlast op straat en/of in gebouwen als gevolg van hevige neerslag; versterkte inklinking van de bodem en afname van de water- en groenkwaliteit als gevolg van drogere perioden; hittestress als gevolg van hogere temperaturen, met name in verharde gebieden.
De klimaatverandering biedt ook kansen, zoals: » » » »
mogelijkheden voor nieuwe ontwerpen die de stad aantrekkelijker maken; integratie van dijkversterking en gebiedsontwikkeling; waterpleinen en vergroenen van de buitenruimte; het ontwikkelen van nieuwe producten en deze vermarkten.
In de strategie voor een klimaatbestendig Rotterdam wordt onderscheidt gemaakt in een strategie voor de 'stad achter de dijk' en de 'stad buiten de dijk'. Het plangebied ligt achter de primaire waterkering. Hierop is de strategie voor de 'stad achter de dijk' van toepassing. Het binnendijkse deel van Rotterdam staat bloot aan de risico's van overstroming, extreme neerslaggebeurtenissen of juist een tekort aan water en langere perioden met hoge temperaturen.
Huidige situatie Het plangebied ligt in het Brainpark ten oosten van Rotterdam. Het plangebied omvat in totaal circa 5.934 m2 en bestaat in de huidige situatie uit een bestaand gebouw en een parkeerplaats. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de K.P. van der Mandelelaan en aan de westzijde door de Kralingse Zoom. Het gebied is geheel verhard.
Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten noordoosten van het plangebied bestaat de grond uit veraarde bovengrond op diep veen. Met betrekking tot grondwater is ten noordoosten van het plangebied sprake van grondwater II. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen de 50 en 80 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 3,5 meter +NAP.
Waterkwantiteit Conform de Legger van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard zijn in het plangebied geen watergangen aanwezig. Het plangebied bevindt zich ook niet in een beschermingszone van een watergang.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de
33
nabijheid van het plangebied.
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt binnen de kern- of beschermingszone van een regionale waterkering (zie figuur 4.1). Om in de kernzone van een waterkering te bouwen is een vergunning van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard nodig.
Zoneringen kernzone waterkering leschermingszone binnenkant beschermingszone buitenkant
ïl
^
i
-İS4OT-
___ Figuur 4.1 Uitsnede Legger Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard met plangebied (blauw omlijnd) (bron: Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard) Inmiddels is gebleken, uit informatie van het Hoogheemraadschap, dat deze waterkering niet meer als zodanig beschermd hoeft te worden. Dat betekent dat de beperkingen niet meer van toepassing zijn.
Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel.
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen woningen, ondersteunende voorzieningen en een horecavoorziening worden gerealiseerd. Daarnaast is ook een ondergrondse parkeergarage beoogd.
Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft mogelijk gevolgen voor bodem en grondwater door de realisatie van de ondergrondse parkeergarage. Er zal een vergunning voor het (tijdelijk) onttrekken van water afgegeven moeten worden door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Waterkwantiteit Op dit moment is het perceel reeds geheel verhard. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de
34
Krimpenerwaard stelt als eis dat 507o van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. Met de realisatie van de beoogde ontwikkeling zal de toename van verharding onder de grens van 500 m2 blijven. Er hoeft niet gecompenseerd te worden. Waterkwaliteit Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Waterveiligheid Voor de realisatie van de parkeergarage en de gebouwen in de kernzone van de regionale waterkering is een watervergunning nodig van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hiermee worden negatieve gevolgen voor de waterveiligheid van de omgeving uitgesloten. Aangezien deze waterkering vervallen is, speelt deze beperking niet meer. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: » » » »
hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat er geen compensatie voor verharding nodig is. Voor het (tijdelijk) onttrekken van water om de parkeergarage mogelijk te maken is een watervergunning noodzakelijk.
4.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.8 weergegeven. Tabel 4.8 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10)
jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
40 Įig/m3 40 Įig/m3
fijnstof (PM2,s)
24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 pg f m3 25 pg/rn3.
35
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: » »
een plan heeft een effect van minder dan 3o0o van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ^ 1,2 ^g/m3); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
Onderzoek Door de ontwikkeling is worstcase sprake van een verkeersgeneratie van 1.229 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1o0o. Uit de nibm-tool blijkt dat als 2022 als jaar van planrealisatie wordt aangehouden, de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,86 pg^ en van fijnstof van 0,20 pg^ (figuur 4.2). Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In dit geval wordt gebruik gemaakt van deelauto's. Dat betekent dat de totale verkeersgeneratie uitkomt op 220 mvt/etmaal. Dit is vele malen minder zodat de effecten op de luchtkwaliteit nog minder zullen zijn.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer N02 in pg/m3 PM10 in pg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3
2022 1227 1 .Oo/o 0,86 0,20
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 4.2
Resultaten NIBM-tool 2022
Via de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is in het kader van een goede ruimtelijk ordening bekeken hoe hoog de
36
concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn. De dichtstbijzijnde toetspunten liggen aan de Kralingse Zoom. In figuur 4.3 is de ligging weergegeven.
Brainpark
lelaffi
'OC
Novotei Rotterdam Brainpark
NotuBi?
lorselweg
ftįjckgyorselweg
Figuur 4.3
Maatgevende toetspunt nabij het plangebied (bron: NSL-monitoringstool)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de A16, direct ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg r onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 31,8 ^g/m3 voor NO2, 19,9 ^g/m3 voor PM10 en 11,9 ^g/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7,5 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk.
37
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: » »
ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek In de beoogde situatie worden woningen, ondersteunende voorzieningen en een horecavoorziening gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige en milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In het gebied zijn voornamelijk bedrijven, kantoren en maatschappelijke functies gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'.
Toetsing ten aanzien van de woningen (milieugevoelige functies) Ten oosten en noorden van het plangebied bevindt zich de functie 'Gemengd - 1' waar bedrijven tot en met categorie 2, kantoren en horeca zich mogen vestigen. Dit heeft een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Hier wordt aan voldaan. Ten westen is er sprake van de functie 'Maatschappelijk - 1' op een afstand van circa 32 meter. Hier is een onderwijsfunctie gevestigd, wat onder milieucategorie 2 valt met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Hier wordt aan voldaan. Ten zuiden bevindt zich een benzinestation waar ook LPG verkocht kan worden. Hiervoor staat 30 meter voor geluid en geur. Met een afstand van circa 42 meter wordt hier aan voldaan. Wat betreft veiligheid wordt dit nader toegelicht in de paragraaf 4.6.
Toetsing van de horeca en maatschappelijke functies (milieuhinderlijke functies) De dichtstbijzijnde gevoelige functies (woningen) bevinden zich op een afstand van circa 175 meter. De beoogde realisaties vallen ten hoogste onder milieucategorie 2 en hebben een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Hier wordt ruim aan voldaan.
Overige functies binnen het plangebied Het bestemmingsplan biedt niet alleen ruimte voor woningbouw maar ook voor andere functies. Het gaat om horeca en retail. Dit zijn beide functies met een beperkte milieu-uitstraling die in een gemengd gebied op korte afstand (of direct onder) woningen toelaatbaar zijn. Op gebouwniveau worden technische maatregelen genomen om overlast tegen te gaan.
Conclusie Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
38
4.6
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: » »
bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, het water of door buisleidingen met een externe werking(figuur 4.4).
39
Pft Ptafortd weg
Flfftctaf^tAnd
letaliteit inrichting toxisch
IrivIni-cIsgehiL'd imrrtallrtlİL' LPG
Aū.rniiļillļn Bdsisnet weg 0SSiţnpï-WFg|rg|eĻl zonder PAŴlMUtÿ&B
Figuur 4.4
Uitsnede professionele risicokaart met plangebied rood omkaderd
Wel bevindt zich ten zuiden van het plangebied een tankstation. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied hiervan. Omdat hier de mogelijkheid is voor de verkoop van LPG, dient het groepsrisico te worden berekend. De groepsrisicoberekening is door AVIV uitgevoerd (bijlage 2). Hieruit blijkt dat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie boven de oriëntatiewaarde ligt. Het maximum aantal slachtoffers bedraagt circa 2.500 in zowel de huidige als toekomstige situatie. Omdat het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt, is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Voor (beperkt) kwetsbare objecten geldt de 60 meter effectafstand. Wanneer (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze afstand komen te liggen, moet deze situatie gemotiveerd worden. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 60 meter. Een nadere motivering is niet noodzakelijk. Ook bevindt het gehele plangebied zich in het toxisch invloedsgebied van de N210. Omdat de afstand tot deze weg meer dan 200 meter bedraagt, worden er in principe geen beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik. Wel dient door de ligging in het invloedsgebied te worden ingegaan op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Deze aspecten worden in de verantwoording van het groepsrisico behandeld.
Op een afstand van circa 280 meter bevindt zich de A16 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied wordt bepaald door de stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. Omdat de afstand tussen de weg en het plangebied meer dan 200 meter bedraagt, worden er in principe geen beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Ten zuiden bevindt zich de Abram van Rijckevorselweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ook hier wordt het invloedsgebied bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. De afstand tussen de weg en het plangebied bedraagt circa 60 meter. In eerste instantie zijn de vuistregels uit de HART toegepast om te bepalen of het groepsrisico met meer dan 100Zo zou toenemen. Uit de vuistregels blijkt dat door het transport het groepsrisico in de huidige situatie hoger is dan 100Zo van de oriëntatiewaarde waardoor een berekening noodzakelijk is. Deze berekening is toegevoegd in bijlage 3. Hieruit blijkt dat het groepsrisico in de toekomstige situatie met 9,60Zo toeneemt. Omdat de het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt en de toename kleiner is dan 100Zo, kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording. Ten zuidwesten bevindt zich de binnenvaartroute Rotterdam - Duitsland (Nieuwe Maas) op een afstand van circa 1.030 meter.
Het invloedsgebied van de vaarroute wordt bepaald door stofcategorie GT3 en bedraagt 1.070 meter. Omdat de afstand meer dan 200 meter bedraagt, worden er volgens het Basisnet geen beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik. Een groepsberekening is niet noodzakelijk.
40
Wel dient er worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid vanwege de ligging in het invloedsgebied. Een verantwoording van het groepsrisico voor de verschillende bronnen is opgesteld door AVIV en te vinden in bijlage 4. Het groepsrisico van de LPG-aanleverroute ligt onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van het LPG-tankstation ligt in de huidige situatie boven de oriëntatiewaarde. De vaststelling van het plan leidt tot een verhoging van het groepsrisico. Hieruit blijkt dat de mogelijkheden voor de brandweer om de gevolgen van een ongeval te bestrijden door de planvaststelling niet negatief worden beïnvloed. De zelfredzaamheid van personen is voldoende mits ze tijdig gealarmeerd worden. In de verantwoording van het groepsrisico zijn de volgende overwegingen opgenomen: » » » » » »
het groepsrisico van de LPG-aanleverroute neemt weliswaar toe, maar is kleiner en blijft kleiner dan de oriëntatiewaarde; het groepsrisico van het LPG-tankstation neemt weliswaar toe, maar ook in de huidige situatie is dit reeds hoger dan de oriëntatiewaarde; het deel van het bouwvlak met de grootste personendichtheid is op maximale afstand gesitueerd van het LPG-tankstation en de LPG-aanleverroute; er is geen alternatieve locatie voorhanden; er zijn geen extra mogelijkheden voor meer veiligheidsmaatregelen aan de bron, afgezien van het intrekken van de vergunning, en; de vaststelling van het plan de interventiemogelijkheden van de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aanwezigen ten opzichte van de bestaande situatie wijzigt niet.
Conclusie Het plangebied ligt in de nabijheid van een LPG-tankstation, de Nieuwe Maas en de wegen A16, N210 en Abram van Rijckevorselweg. Uit de verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Bodem
Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden voor zover relevant elders in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
Onderzoek In de huidige situatie is de locatie bestemd als 'Gemengd - 1' en 'Horeca - Hotel'. Met de beoogde ontwikkeling zal de bestemming gewijzigd worden en is bodemonderzoek noodzakelijk. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd in juni 2019 (bijlage 5). Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: » » » »
»
In de matig puinhoudende bovengrond ter plaatse van M01 zijn licht verhoogde gehalten aan PCB, minerale olie, zink en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet benaderd. In de matig puinhoudende ondergrond ter plaatse van M02 is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd. In de zintuiglijk 'schone' bovengrond ter plaatse van M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van GW01 zijn licht verhoogde concentraties aan barium en minerale olie aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentratie aan barium een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde betreft. De verhoging aan minerale olie is gering en kan als niet significant beschouwd worden. In de puinlaag ter plaatse van AM01 en AM02 is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen.
41
In de zintuiglijk 'schone' grond ter plaatse van AM03 is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen.
Conclusie De tevoren gestelde hypothese heterogeen 'verdachte' locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de grond en het grondwater overschrijden de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie.
4.8
Archeologie
Toetsingskader Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007) en Erfgoedverordening Rotterdam (2020) Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het Rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: 1. 2. 3.
te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.
De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische waarden- en beleidskaart en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen, die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.
Toetsing Omdat het plangebied gelegen in een archeologisch kansrijk gebied, is in het kader van dit bestemmingplan advies gevraagd aan Archeologie Rotterdam (BOOR). Naar aanleiding hiervan is een archeologisch beleidsbesluit genomen (Bijlage 6). De gemeente Rotterdam acht een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie noodzakelijk. Het vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen (verkennende fase). Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Conform het bestemmingsplan ‘Kralingse Zoom’ geldt voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden NAP en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. De grondroerende werkzaamheden bestaan uit nieuwbouw met een tweelaagse parkeerkelder. Ondanks de ruime vrijstellingsmarge van het bestemmingsplan van 2 meter beneden NAP (het maaiveld ligt op ca. 3,5 meter boven NAP) zal de dieptemarge worden overschreden, evenals de marge van toegestane verstoringsoppervlakte. De voorgenomen bouwwerkzaamheden vormen derhalve een bedreiging voor eventuele aanwezige archeologische waarden in de bodem.
Om deze reden vereist de gemeente Rotterdam dat in het plangebied een archeologisch vooronderzoek wordt uitgevoerd als het plan in de huidige vorm wordt gerealiseerd. Op dit moment wordt het bouwplan verder uitgewerkt. Bij de verdere concretisering zal ook archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. Ter bescherming van de aanwezige waarden is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen.
42
4.9
Cultuurhistorie
Toetsingskader Erfgoedwet (2016), Besluit ruimtelijke ordening en Erfgoedverordening Rotterdam (2020)
Toetsing Het Brainpark is nog een redelijk recente ontwikkeling, gebouwd vanaf eind jaren '80. In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Met de ontwikkeling zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding.
4.10
Planologisch relevante kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).
Conclusie Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.11
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: » » »
alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
43
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: » » »
soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Biesbosch ligt op circa 18,5 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 1 kilometer (figuur 4.5).
44
N*lwuŕ«*»wįric Sr*^*rf*f*j
jmh Jk-Įţ I IssfH
ftpļjţimţţeţf'c V*c-»r anÿ
H
ii J*n
ŕ- ľif.'A* hMuut
I Eco^g «Tí ■■‘Kbf*İ r»a B' ļrt^d *ļW K*
b Aŕ#» \*!M-iľDM-
9*fr#c |
.'.pof rrjpT^jnŗtfe *a
M Grot* ■ńŕ’í*#^ rkĮ.Tfİ4# IfclíťfïÍTĨ
4
Silica:**
ĩìŭrtīt.' ■Liļļti.i
, lTii'Ki’ŕ*r JWA'fJįt
iïid J*rk*r k
H.l/ŕudjAibl
İtIIiIeİ k -Ulŕfc'Alli 1
lulrf-ïhii
llrnfi
H JlJīli’.» rl Jli-ir ji-Tjid
SJkJ /WİĮİIüI
Figuur 4.5 Ligging plangebied (rood gemarkeerd) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Biesbosch voor de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 7 voor de memo en bijlage 8 voor de berekening). Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr.
Soortenbescherming Door Adviesbureau Mertens B.V. is een quickscan beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd in het plangebied in februari 2020 (zie bijlage 9). Hieruit blijkt dat het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om opgaand groen te rooien buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve gevolgen voor beschermde soorten en er is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming, wel dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Het aspect ecologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
45
4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: ^
de kenmerken van de projecten;
^
de plaats van de projecten;
^
de kenmerken van de potentiële effecten.
Toetsing en Conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 614 studio's en appartementen en de toevoeging van 385 m2 aan commerciële ruimte. Daarmee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' (zie Bijlage 10) Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Op
.....is bij besluit van .... vastgesteld dat geen MER nodig is.
46
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planopzet
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Bij het opstellen van de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan is aangesloten bij zowel het vigerend bestemmingsplan als het 'Standaard bestemmingsplan Rotterdam 2012'. Het bestemmingsplan kent de bestemming Gemengd en de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2.
5.2
Opbouw regels
De regels van het plan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
inleidende regels (Hoofdstuk 1); bestemmingsregels (Hoofdstuk 2); algemene regels (Hoofdstuk 3); overgangs- en slotregels (Hoofdstuk 4).
ad. 1 In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. ad. 2 In de bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. ad. 3 Algemene regels bevatten een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de algemene bouwregels. ad. 4 Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
5.3
De bestemmingen
In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:
Gemengd Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn diverse functies toegelaten. Naast wonen is dit horeca. In de bestemming is opgenomen dat de woningen uitsluiten op de verdiepingen toegestaan zijn. Verder zijn bijbehorende voorzieningen toegestaan, zoals groen, ontsluitingswegen en -paden. Om een evenwichtige verdeling van de functies mogelijk te maken, is aangegeven dat de commerciële functies uitsluitend op de begane grond toegestaan zijn. Het aantal woningen is vastgelegd. Daarbij is opgenomen, dat deze uitsluitend op de verdiepingen toegestaan zijn.
47
Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen. Daarop zijn ook maximale bouwhoogten aangegeven. Gezien de belaste locatie is ervoor gekozen om voor de hoogbouw een gedetailleerde bouwregeling op te nemen. Dit bouwvolume is immers ook het uitgangspunt voor het akoestisch onderzoek. Binnen deze bestemming worden woningen mogelijk gemaakt waarbij de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Voor deze woningen zijn daarom hogere waarden vastgesteld. Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder gemeente Rotterdam zijn er voorwaarden verbonden aan het verlenen van de hogere waarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder behorende bij dit bestemmingsplan. Met artikel 3.3.1 is geborgd dat gronden alleen in gebruik mogen worden genomen als woning, als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de hogere waarden zijn verleend.
Waarde-Archeologie 2 Voor de locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Deze bestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd door een aanlegvergunningstelsel.
48
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier is doorlopen.
Vooroverleg Het concept van het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan alle relevante overlegpartners en overheidsinstanties, zoals de provincie Zuid-Holland en Rijkswaterstaat. In periode van 8 november 2021 tot 20 december 2021 hebben zij de tijd gehad om te reageren op het concept ontwerpbestemmingsplan. De resultaten van het vooroverleg worden in deze paragraaf samengevat en van beantwoording voorzien. Gemeente Capelle aan den IJssel 1.