[22bb006967] Bijlage behorende bij 22bb6966 - Regiomonitor Beschermd Wonen 2021
Tekst van het document
Regiomonitor beschermd wonen 2021
Onderzoek en Business Intelligence
1
Colofon Gemeente Rotterdam, afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI) Datum: Auteur(s):
31 maart 2022 drs. M.E (Eva) Mandos
Beeldmateriaal De foto’s op pagina 4 en 11 zijn van locatie De Schuilplaats en pagina 17 locatie Het Klooster, beide van het CVD. De foto op pagina 13 is locatie Romanohof van Antes. Deze foto’s zijn geplaatst met toestemming van CVD en Antes. Vragen:
2
onderzoek@rotterdam.nl
Samenvatting 2017 en 2020 vrij stabiel. Het ging om ongeveer 1.950
Inleiding Sinds de decentralisatie in 2015 voert Rotterdam als centrumgemeente de indicaties voor beschermd wonen uit voor inwoners van Rotterdam en de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel,
indicaties waarvan er zo’n 1.850 (95%) daadwerkelijk zijn verzilverd. Vanwege de hoge uitstroom vanaf 31 december 2020, en de lagere instroom is het totaal aantal indicaties op 1 januari 2022 gedaald naar bijna 1.200, waarvan er tot nu toe iets meer dan 1.000 ook zijn verzilverd (85%). Dat aantal zal nog oplopen.
Krimpen aan den IJssel, Lansingerland en Ridderkerk.
Spreiding Beschermd wonen is een voorziening voor Geestelijke Gezondheidzorg (GGZ) voor mensen die intensief bege-
Op basis van secundaire analyses is een schatting ge-
leiding nodig hebben. Het is een combinatie van 24 uurs
maakt van de spreiding over de afzonderlijke gemeen-
toezicht en wonen.
ten. Hierbij is de waarschuwing op zijn plaats dat de bevindingen als indicatief moeten worden beschouwd. De
Voorzieningen voor de doelgroep Verstandelijk beperk-
analyses zijn gemaakt op basis van aannames en onvol-
ten (VB) zijn in deze rapportage buiten beschouwing ge-
ledige gegevens. Desalniettemin geven ze bruikbaar in-
laten, omdat, anders dan bij de doelgroep GGZ, de af-
zicht ten behoeve van beleidsvorming.
zonderlijke gemeenten hiervoor verantwoordelijk zijn. Instroom: gemeente van herkomst Vanaf 1 januari 2021 is door de openstelling van de Wet
Van de mensen die in 2021 een indicatie kregen en
langdurige zorg (Wlz) voor GGZ een aanzienlijk aantal
deze ook verzilverde, kwam (naar schatting) 64% uit
WMO-indicaties voor beschermd wonen beëindigd.
Rotterdam en 17% uit de regiogemeenten. Dit beeld is globaal vergelijkbaar met de voorgaande jaren, met de
Ontwikkeling in aantallen
kanttekening dat de instroom uit de regiogemeenten fluctueert en eerder wat lager was (tussen 9% en 14%).
Instroom In 2021 hebben bijna 411 mensen voor het eerst een in-
Uitstroom: gemeente van vestiging
dicatie voor beschermd wonen gekregen. Daarnaast wa-
Omdat er op dit moment geen onderscheid gemaakt kan
ren er 61 herinstromers. De dalende trend (na een piek
worden tussen reguliere uitstroom en een overgang
in 2017) bij de instroom van volwassenen zet door, met
naar de Wlz (waarbij de zorg dus de facto doorloopt) is
een opvallend lage instroom in 2021; Mogelijk ten ge-
voor 2021 geen analyse gedaan van de vestiging na uit-
volge van de openstelling van de Wlz. Bij de jongeren
stroom.
zien we vanaf 2019 juist een licht stijgende trend. Plaatsing: beschermd wonen locatie Uitstroom
Van alle mensen die op 1 januari 2021 een verzilverde
De uitstroom in 2021 (totaal 1.125 beëindigde indicaties)
indicatie hadden, woonde 89% in een locatie in Rotter-
is veel hoger dan de afgelopen jaren. Het uitstroomper-
dam en 10% in een regiogemeente. Voor 1 januari 2022
centage van de verzilverde indicaties is gestegen van
is deze verhouding hetzelfde maar gaat het om een
gemiddeld 22% de afgelopen jaren (tot aan 31 decem-
voorlopig cijfer omdat nog niet alle indicaties zijn verzil-
ber 2020) naar 60% in 2021. Bij volwassenen zal dit sa-
verd.
menhangen met de overgang van cliënten naar de Wlz. Ook bij de jongeren zien we echter in 2021 een duide-
Verhouding instroom en plaatsing
lijke stijging in de uitstroom. Voor hen is een overgang
Het aantal plaatsingen in de regiogemeenten (gemid-
naar de Wlz minder voor de hand liggend.
deld 11%) is min of meer in verhouding met de instroom vanuit de regiogemeenten (gemiddeld 12%). Vanwege
Totaal aantal Wmo indicaties
buitenregionale instroom is het aantal plaatsingen in een
Het aantal lopende indicaties op 1 januari was tussen
locatie in Rotterdam (gemiddeld 88%) hoger dan het aantal mensen dat afkomstig is uit Rotterdam (gemiddeld 68%). 3
4
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
6
1.1
Beschermd wonen
6
1.2
Openstelling Wlz
6
1.3
Leeswijzer
6
1.4
Bronnen en kwaliteit
6
Ontwikkelingen in aantallen
7
2.1
Nieuwe instroom en herinstroom
7
2.2
Herindicatie en herinstroom
8
2.3
Uitstroom
9
2.4
Aantal lopende indicaties 1 januari
12
Spreiding regiogemeenten 3.1
Herkomst
14 15
3.1.1
Zittend bestand op 1 januari
15
3.1.2
Nieuwe instroom per jaar
16
3.2
Plaatsingen
18
3.3
Verhouding instroom en plaatsing
19
5
1 Inleiding 1.1
Beschermd wonen
In 2015 is de financiering van beschermd en begeleid wonen overgegaan van het Rijk (via de AWBZ) naar gemeenten (WMO). Rotterdam voert als centrumgemeente de indicaties voor beschermd wonen uit voor inwoners van Rotterdam en de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland en Ridderkerk.
Concreet betekent dit voor de regiomonitor bijvoorbeeld dat we geen nauwkeurig onderscheid kunnen maken tussen ‘echte’ uitstroom en mensen waarbij de WMO-indicatie weliswaar is beëindigd, maar die hun zorg voortzetten met een WLZ-indicatie. Dat betekent ook dat we niet goed kunnen kijken naar de ‘gemeente van uitstroom’.
1.3
Leeswijzer
Beschermd wonen is een voorziening voor Geestelijke Ge-
In hoofdstuk twee geven we een overzicht van de instroom
zondheidzorg (GGZ) voor mensen die intensief begeleiding
en uitstroom van 2015 tot en met 2021 voor de hele regio
nodig hebben. Het is een combinatie van 24 uurs toezicht
tezamen, en het aantal herindicaties en herinstroom. We
en wonen. Bij beschermd wonen wordt de begeleiding gefi-
sluiten af met een overzicht van het aantal geldige indica-
nancierd vanuit de WMO. Mocht behandeling nodig zijn,
ties op 1 januari 2015 tot en met 1 januari 2022.
dan kan dat gefinancierd worden vanuit de ZorgverzekeIn hoofdstuk drie maken we een onderscheid naar de ver-
ringswet
schillende regiogemeenten. We kijken dan uit welke geVoorzieningen voor de doelgroep Verstandelijk beperkten
meente mensen afkomstig zijn en waar ze beschermd wo-
(VB) zijn in deze rapportage buiten beschouwing gelaten,
nen
omdat, anders dan bij de doelgroep GGZ, de afzonderlijke gemeenten hiervoor zelf verantwoordelijk zijn.
1.2
Openstelling Wlz
1.4
Bronnen en kwaliteit
Voor het opstellen van dit overzicht wordt gebruik gemaakt van verschillende registratiesystemen. Deze systemen
Vanaf 2021 is de Wet langdurige zorg (Wlz) ook openge-
worden voor meerdere doeleinden ingezet. Het genereren
steld voor mensen met langdurige GGZ-problematiek. Een
van managementinformatie is daarmee op onderdelen erg
deel van de zorg en begeleiding die voorheen via de WMO
complex.
werd gefinancierd wordt daarmee overgeheveld naar de Wlz. Dit geldt in het bijzonder voor een deel van de men-
Het is bij voorbeeld niet eenvoudig vast te stellen wanneer
sen die gebruik maakt van een WMO-indicatie voor Be-
er sprake is van een eerste indicatie, een herindicatie of
schermd wonen.
een mutatie. Ook werd tot voor kort niet geregistreerd uit welke (regio-) gemeente een cliënt afkomstig is.
In de regiomonitor over 2020 zagen we al dat een aanzienlijk aantal BW-indicaties is beëindigd op 31 december 2021
De informatie in met name hoofdstuk drie van deze rappor-
waarvan de aanname is dat dit om mensen gaat die zijn
tage (spreiding) moet als indicatief worden beschouwd. Er
overgegaan naar de Wlz. Ook in 2021 zijn er aanzienlijke
zijn schatting gemaakt op basis van aannames, beslisre-
aantallen indicaties ‘omgezet’ naar een CIZ-indicatie voor
gels en incomplete gegevens.
Wlz. Het ‘omzetten’ van een WMO-indicatie van de gemeente naar een Wlz-indicatie van het Rijk (het CIZ) gebeurt op initiatief van (of namens) de cliënt zelf en is dus geen actie die centraal vanuit de gemeente wordt uitgevoerd of gecoordineerd. Dit brengt met zich mee dat de gemeente op dit moment geen inzicht heeft in hoeveel en welke mensen precies een CIZ-indicatie hebben ontvangen en verzilverd.
Inleiding - Hoofdstuk 1 6
.
2 Ontwikkelingen in aantallen Bij de volwassen is te zien dat er, na een piek in 2017, een
2.1
Nieuwe instroom en herinstroom
afname is in de instroom. In 2021 was de instroom van volwassenen opvallend laag. Bij de jongeren zien we vanaf 2019 juist een licht stijgende trend.
Aantal afgegeven indicaties Onder nieuwe instroom verstaan we mensen die nog niet eerder (in ieder geval niet sinds 1-1-2015) een indicatie voor beschermd wonen hebben gehad1.
De lage instroom van volwassen in 2021 kan samenhangen met de openstelling van de Wlz. Bij jongeren is dit naar verwachting minder vaak aan de orde, omdat dan nog
Vooruitlopend op de invoering van het ‘woonplaatsbegin-
niet altijd vaststaat dat er sprake is van een langdurige
sel’ laten we in deze monitor vanaf 2021 daarnaast ook
aandoening.
zien hoeveel mensen na een jaar of langer herinstromen. In tabel 2.1 en figuur 2.1 is het aantal nieuwe indicaties te zien. In 2021 zijn er in totaal 411 nieuwe indicaties afgege-
Wanneer we de herinstromers meenemen, dan is de totale instroom in 2021 (411+61=472) gelijk aan die in 2020, maar die cijfers zijn niet helemaal vergelijkbaar omdat in 2020 de herinstromers niet zijn meegeteld.
ven. Tabel 2.1.
Nieuwe instroom: aantal eerste indicaties beschermd wonen 2021 excl.
2021 her-
2021
herinstroom
instroom
totaal*
315
244
57
301
148
161
167
4
171
438
476
411
61
472
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Volwassenen
115
248
360
327
290
Jongeren
46
158
171
144
Totaal
161
406
531
471
* voorlopig aantal, er kunnen nog indicaties met terugwerkende kracht worden gestart
Figuur 2.1.
Nieuwe instroom: aantal eerste indicaties beschermd wonen
600
531 471
500
406
438
476 411
400 300 200
161 57
100
4 0 2015
2016
2017 Volwassenen
2018
2019 Jongeren
1 In deze monitor is er sprake van nieuwe instroom als iemand
sinds 2015 nooit eerder een intramurale indicatie heeft gehad. In de Raadsmonitor spreekt men van nieuwe instroom als er in het afgelopen halfjaar geen eerdere enige WMO- indicatie was. In
2020
2021
2021 herinstroom
Totaal
beleidstukken over de doordecentralisatie is er sprake van nieuwe instroom als iemand nooit of langer dan een jaar geleden een indicatie had.
Ontwikkelingen in aantallen – Hoofdstuk 2
7
Daadwerkelijke plaatsing
Het aantal herindicaties voor volwassenen is in 2020 en
Van de 411 nieuwe indicaties in 2021 zijn er begin 2022 in-
2021 veel hoger dan de jaren ervoor (zie Tabel 2.2). Wel-
middels 347 (84%) verzilverd (dat wil zeggen: er is zorg
licht heeft dit te maken met een kortere indicatieduur: in
gedeclareerd door een zorgaanbieder). Van de 61 herin-
eerdere jaren werd een indicatie meestal afgegeven voor
stromers is een derde (nog) niet verzilverd. Van de instro-
twee jaar, inmiddels is dat teruggebracht naar een jaar.
mers uit 2020 is (begin 2022) ook zo’n 15% nog steeds
Daarnaast zijn in 2020 vanwege Corona ook veel indicaties
niet verzilverd. Wanneer iemand wacht op een plaats, kan
ambtshalve verlengd met een half jaar omdat afspraken
zo nodig een (extramuraal) overbruggingsarrangement
niet mogelijk waren.
worden geïndiceerd2. Uit een nadere analyse van de herindicaties in 2021 blijkt Aanvragen voor BW
dat de meeste vervolgindicaties direct aansluiten op een
In tabel 2.1 staat het aantal daadwerkelijk afgegeven indi-
eerdere indicatie. In een beperkt aantal gevallen is er
caties. Het aantal aanvragen voor beschermd wonen kan
sprake van wat we herinstroom kunnen noemen: mensen
hoger liggen. Soms haakt een cliënt namelijk af tijdens de
die opnieuw een BW-indicatie krijgen enige tijd na beëindi-
‘zorgvraagverheldering’. In die gevallen komt het niet tot
ging van een eerdere BW-indicatie. Zie Tabel 2.3.
een indicatie. Ook kan tijdens de zorgvraagverheldering blijken dat beschermd wonen niet de best passende voor-
Tabel 2.3.
ziening is. Een eventuele verwijzer van de cliënt wordt hier-
Aantal herindicaties in 2021, naar duur tussen twee indicaties Aantal
van op de hoogte gesteld.
2.2
Herindicatie en herinstroom
Naast mensen die voor het eerst een indicatie krijgen voor beschermd wonen, zijn er jaarlijks ook mensen die een indicatie krijgen volgend op een eerdere BW-indicatie3.
Herindicatie, direct aansluitend
583
Herinstroom, binnen zes maanden
29
Herinstroom, binnen een jaar
10
Herinstroom, na meer dan een jaar
61
Totaal
683
In de eerste jaren ging het daarbij veelal om mensen van wie het overgangsrecht vanuit de AWBZ afliep, en die aansluitend een WMO-indicatie kregen. Ook in de tweede helft
Herinstromers werden in deze monitor niet meegerekend bij de nieuwe instoom (zie §2.1) omdat het niet hun al-
van 2019 waren er relatief veel herindicaties vanuit de AWBZ, naar aanleiding van screening door Stedelijke Zorg van mensen die mogelijk in aanmerking komen voor overgang naar de Wlz. De laatste ‘omzettingen’ van de AWBZ
lereerste BW-indicatie is. Bij mensen die na meer dan een jaar opnieuw instromen (in 2021 waren dat er dus 61) zijn deze nu ook weergegeven bij de nieuwe instroom, conform de definities zoals die waarschijnlijk gaan gelden bij de in-
naar WMO waren op 1 januari 2021.
voering van het woonplaatsbeginsel.
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Aantal herindicaties per (half)jaar
2015
Tabel 2.2.
Volw.
177
172
236
331
312
632
596
Jong.
39
78
100
105
85
102
87
Totaal
216
250
336
436
397
734
683
2
Een overbruggingsarrangement is niet altijd nodig, bijvoorbeeld bij verblijf in een kliniek 3 Naast herindicaties kan er ook sprake zijn van tussentijdse mutaties, bijvoorbeeld wanneer een cliënt overstapt naar een andere locatie. Mutaties zijn in de tabellen (voor zover herkenbaar) niet Ontwikkelingen in aantallen - Hoofdstuk 2 8
In deze rapportage is sprake van een herindicatie of herinstroom als iemand een indicatie (dienstnummer) krijgt met een andere aanvraagdatum en een andere inhoud dan een eerdere indicatie. Dat betekent echter dat bijvoorbeeld een getrapte indicatie ook als herindicatie wordt gezien alsmede indicaties waarbij op een bepaald moment het element ‘dagbesteding’ wordt geactiveerd.
meegerekend. Ook collectieve mutaties als gevolg van bijvoorbeeld tariefswijzigingen en stelselwijzigingen worden niet meegenomen
2.3
wonen zijn beëindigd. Binnen de gemeente is er geen regi-
Uitstroom
stratie beschikbaar van de personen die een indicatie hebben gekregen voor de Wlz. We kunnen dus niet precies
Inleiding
aangeven welk deel van de uitstroom ‘reguliere doorstroom’ betreft en welk deel voortgang van de intramurale
We spreken in deze rapportage van uitstroom wanneer
zorg via de Wlz
een indicatie afloopt en er geen nieuwe WMO-indicatie voor beschermd wonen op volgt4.
Uitstroom in de afgelopen jaren In figuur 2.2 is de ontwikkeling van de uitstroom in de afge-
Het kan hierbij gaan om mensen die na afloop van de indi-
lopen jaren te zien. In Tabel 2.4 en 2.5 zijn de aantallen
catie een ander soort WMO-indicatie krijgen (bijvoorbeeld
weergegeven, uitgesplitst naar jongeren en volwassen en
voor extramurale zorg), of mensen die overgaan naar een
naar het soort indicatie (WMO of overgangsrecht AWBZ).
anders gefinancierde zorg (bijvoorbeeld Wlz). Uitstroom zonder enige vorm van vervolgzorg ligt niet voor de hand,
De grafiek laat duidelijk zien dat er in 2020 en 2021 veel
maar kan (zeker in het geval van uitval) wel voorkomen.
meer indicaties zijn beëindigd dan in de jaren ervoor. In
Voor een beperkt deel gaat het om voortijdige uitstroom,
2020 zien we echter vooral een grote uitstroom op 31 de-
bijvoorbeeld bij overlijden of verhuizing naar een andere
cember 2020. We kunnen ervan uitgaan dat, uitzonderin-
gemeente. Daarnaast komt het soms voor dat de indicatie
gen daargelaten, dit vooral een overgang naar de Wlz be-
al heel snel weer wordt beëindigd. Dan lijkt het erop alsof
treft. Een nadere analyse laat zien dat dit vooral volwassen
de indicatie niet echt verzilverd is.
betreft en dan met name mensen met een (verzilverde) AWBZ-indicatie (zie tabel 2.4 en 2.5, kolom 31 dec 2020).
De openstelling van de Wlz heeft, zoals verwacht mag worden, ertoe geleid dat veel WMO-indicaties voor beschermd
Figuur 2.2.
Uitstroom: aantal aflopende indicaties*
1200
1125
1000
205
800
675
600
206 920
400 654
573 435
200
505
462
469
2018
2019
2020
0 2015
2016
2017
2021
vermoedelijk Wlz (minimaal) * cijfers van vorige jaren kunnen anders zijn dan eerder gerapporteerd vanwege herinstroom en registraties met terugwerkende kracht
4
Er is in deze meting een bijschatting gedaan voor indicaties waarbij de zorg is beëindigd, en de zorgaanbieder dit heeft gemeld middels een zogenoemd 307 bericht, maar waarbij de indicatie nog niet is beëindigd in de registratiesystemen waar deze monitor op is gebaseerd. In de loop van 2022 wordt ingeregeld
dat een zorgbeëindiging in principe ook leidt tot het beëindigen van de indicatie in de registratie. Op dit moment gaat het om 37 indicaties in 2020 en 67 in 2021 die alvast zijn meegeteld bij de uitstroom, vooruitlopend op een aanpassing in de registratie.
Ontwikkelingen in aantallen – Hoofdstuk 2
9
Tabel 2.4.
Uitstroom: aantal aflopende indicaties vanaf 2015 naar leeftijdsgroep* 2020
31 dec
2021
30 jun
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
rest
2020
rest
2021
Volwassenen
567
471
345
393
359
574
963
368
201
758
205
Jongeren
87
102
90
112
103
101
162
101
5
162
0
Totaal
654
573
435
505
462
675
1.125
469
206
920
205
* cijfers van vorige jaren kunnen anders zijn dan eerder gerapporteerd vanwege herinstroom en registraties met terugwerkende kracht
Tabel 2.5.
Uitstroom: aantal aflopende indicaties vanaf 2015 naar soort indicatie 2020
31 dec
2021
30 jun
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
rest
2020
rest
2021
AWBZ
600
424
184
176
107
220
115
40
180
7
108
WMO
54
149
251
329
355
455
1010
429
26
913
97
Totaal
654
573
435
505
462
675
1.125
469
206
920
205
* cijfers van vorige jaren kunnen anders zijn dan eerder gerapporteerd vanwege herinstroom en registraties met terugwerkende kracht
Voor 2021 is minder goed aan te geven welk deel van de
maar ook bij de jongeren (zie grafiek 2.4). Bij hen ligt het
uitstroom te maken heeft met de Wlz. We zien wel een
minder voor de hand dat ze een Wlz-indicatie hebben ge-
grote uitstroom op 30 juni (205), maar we weten dat er ge-
kregen, maar wellicht is dit toch het geval.
durende het jaar, op verschillende momenten, ook nog mensen zijn overgegaan naar de Wlz. Gezien de hoge to-
Een deel van de in 2021 beëindigde indicaties (zo’n 8%)
tale uitstroom is te verwachten dat een aanzienlijk deel
was overigens niet verzilverd. Er is dan dus eigenlijk niet
hiervan overgang naar de Wlz betreft.
echt sprake van uitstroom maar wel van het beëindigen of aflopen van de indicatie en daarmee het recht op zorg.
Het is daarbij echter wel opvallend dat er in 2021 niet alleen onder volwassenen veel indicaties zijn beëindigd,
Figuur 2.3.
Uitstroom volwassenen
Figuur 2.4.
1000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0
180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 2015
2016
2017
2018
2019
vermoedelijk Wlz (minimaal)
Ontwikkelingen in aantallen - Hoofdstuk 2 10
Uitstroom jongeren
2020
2021
2015
2016
2017
2018
2019
vermoedelijk Wlz (minimaal)
2020
2021
Uitstroompercentage Als we de beëindigde indicaties in een jaar afzetten tegen
Doorstroom met een andere indicatie
het aantal indicaties op 1 januari van dat jaar, dan lag het
leid wonen een andere vorm van begeleiding gaan ontvan-
uitstroompercentage van de verzilverde indicaties de afge-
gen. Daarnaast kan er zoals eerder genoemd ook sprake
lopen jaren rond de 22%. Bij enkele tientallen mensen is
zijn van doorstroom naar de Wlz, overlijden of uitval. Om
daarbij sprake van overlijden. In 2021 is het uitstroomper-
een eerste indruk te krijgen van de vervolgindicaties WMO
centage (van verzilverde indicaties) maar liefst 60%.
waar mensen na uitstroom gebruik van maken, is gekeken
Het ligt voor de hand dat mensen die uitstromen uit Bege-
naar mensen die in 2020 (maar niet op 31 december 2020) zijn uitgestroomd na een verzilverde BW-indicatie en die nu in Rotterdam wonen. (Omdat we alleen zicht hebben op de door Rotterdam verstrekte extramurale indicaties). Dan blijkt dat zo’n 40% een vervolgindicatie vanuit de WMO krijgt, met name GGZ extramuraal.
Ontwikkelingen in aantallen – Hoofdstuk 2
11
2.4
Tabel 2.7.
Aantal lopende indicaties 1 januari
Op 1 januari 2022 waren er in totaal bijna 1.200 mensen
Aantal indicaties op 1 januari vanaf 2015 Verzilverings-
Aantal
Verzilverd
1 januari 2015
ca. 2.400
niet bekend
1 januari 2016
2.142
2.010
94%
1 januari 2017
1.904
1.843
97%
1 januari 2018
1.982
1.860
94%
1 januari 2019
1.938
1.843
95%
1 januari 2020
1.968
1.858
94%
1 januari 2021
1.822
1.716
94%
1 januari 2022*
1.194
1.013
voorlopig 85%
graad
met een indicatie voor beschermd wonen. Dat zijn er aanzienlijk minder dan de afgelopen jaren, vanwege de hoge uitstroom op 31 december 2020 en in 20215. In de jaren 2017-2020 schommelde het aantal indicaties rond de 1.950. Een deel van deze indicaties is echter nooit verzilverd. De verzilveringsgraad is gemiddeld 95%. Dat betekent dat er de afgelopen jaren zo’n 1.850 verzilverde indicaties waren. Wanneer een indicatie niet verzilverd wordt, blijft gedurende de geïndiceerde periode wel het recht op zorg bestaan. De verzilveringsgraad op 1 januari 2022 is nu nog laag (85%), maar de ervaring leert dat dit in de loop van het jaar nog zal toenemen6. Ook het totaal aantal indicaties op 1 ja-
* Aantal indicaties en verzilveringsgraad zal nog toenemen
nuari 2022 zal met terugwerkende kracht groter zijn. Tabel 2.6.
Aantal indicaties op 1 januari naar type 1 jan2021
1 jan2022
WMO intramuraal (GGZ-ZIN)
1.586
1.124
AWBZ beschermd wonen
124
0
WMO extramuraal BW (GGZ-PGB)
112
70
1.822
1.194*
Totaal
* Zal toenemen vanwege registraties met terugwerkende kracht Figuur 2.5.
Aantal indicaties op 1 januari 2015 tot 1 januari 2022*
2.500 2.000 1.500 1.000
2.010
1.843
1.860
1.858
1.843
1.716
500
1.013
0 jan2016
jan2017
jan2018 verzilverd
jan2019
jan2020
jan2021
jan2022
(nog) niet verzilverd
* Indicaties op 1 januari 2022 kan nog toenemen vanwege registraties met terugwerkende kracht
5
In eerdere rapportages ligt het aantal indicaties soms wat hoger of juist lager dan eerder gerapporteerd. Een nadere analyse laat zijn dat er telkens op 1 januari met terugwerkende kracht zowel indicaties ‘verschijnen’ als ‘verdwijnen. Uit een steekproefsgewijze controle van enkele gevallen blijkt dit vooral samen te hangen met een achterstand in de administratie en/of meldingen door de zorgaanbieders. Hierdoor worden nieuwe aanvragen Ontwikkelingen in aantallen - Hoofdstuk 2
12
soms met terugwerkende kracht toegekend en wordt ook uitstroom met terugwerkende kracht verwerkt. 6 Bij het onderscheid wel/niet verzilverd wordt niet gekeken naar het moment waarop de verzilvering start. Als een indicatie op enig moment wordt verzilverd, spreken we (ook op 1 januari) van een verzilverde indicatie, ook als dat op 1 januari nog niet het geval was.
Ontwikkelingen in aantallen – Hoofdstuk 2
13
3 Spreiding regiogemeenten Inleiding Dit hoofdstuk geeft inzicht in de spreiding van mensen over de verschillende gemeenten. We kijken daarbij normaalgesproken naar drie onderdelen: 1.
Wat is de gemeente van herkomst van mensen die gebruik maken van BW.
2.
Hoe zijn de daadwerkelijke BW-plaatsingen verdeeld over de gemeenten.
3.
De analyse van deze inzichten is gebaseerd op een koppeling van verschillende databronnen (waaronder de lokale BRP) en verschillende beslisregels over bijvoorbeeld het vaststellen van de gemeente van herkomst. Het gaat hierbij dus niet om ‘harde’ cijfers uit een registratie en er is ook geen wettelijke definitie van ‘gemeente van herkomst’. Het gaat dus om een indicatie op basis van aannames en schattingen.
In welke gemeente vestigen mensen zich na uitstroom uit BW.
Omdat we op dit moment geen onderscheid kunnen maken tussen daadwerkelijke uitstroom, waarbij mensen bijvoorbeeld zelfstandig gaan wonen, en een overgang naar de Wlz, waarbij mensen intramuraal blijven wonen, is het niet zinvol naar de spreiding van de uitstroom in 2021 te kijken. Deze rapportage geeft geen zicht op het aantal mensen dat oorspronkelijk uit onze centrumregio afkomstig is en instroomt in beschermd wonen elders in het land7.
Voorbeeld: Bij het bepalen van de herkomst wordt het meest recente woonadres gezocht in de BRP. Hiervoor maken we gebruik van een lokale lijst met (zorg-) instellingen, briefadressen en dergelijke. Echter, wanneer iemand bijvoorbeeld in Ridderkerk woonde, wordt opgenomen in een kliniek in Goes en vervolgens instroomt in een BW-locatie, dan kan ten onrechte de herkomst als Goes worden vastgesteld, omdat wij het adres niet herkennen als instellingsadres. Adressen die vaak voorkomen worden alsnog toegevoegd aan de lijst met instellingsadressen, maar de lijst blijft onvolledig. Ook zien we bijvoorbeeld dat na uitstroom niet altijd een nieuw adres bekend is. In dit geval wordt het meest recente adres als woonplaats aangemerkt, ook al is dat wellicht niet actueel.
7
Deze informatie zou moeten worden opgevraagd bij alle andere centrumgemeenten in Nederland. Spreiding regiogemeenten - Hoofdstuk 3
14
3.1
dezelfde mensen gaat. We zien wel een heel kleine ver-
Herkomst
schuiving naar meer instroom vanuit de regiogemeenten
3.1.1 Zittend bestand op 1 januari
en minder uit Rotterdam, maar gezien de foutmarge die in
Uit een eerste analyse (zie tabel 3.1) bleek dat van de
deze analyse zit, moeten we voorzichtig zijn met conclu-
mensen die op 1 januari 2017 een daadwerkelijk verzil-
sies over kleine verschillen.
verde indicatie hadden, 69% afkomstig was uit Rotterdam en 10% uit de regiogemeenten. Dat wil zeggen dat ze
Tabel 3.2 geeft een schatting van het aantal mensen per
daar, voor zover bekend, hun laatste woonadres hadden.
gemeente(groep). Voor 1 januari 2022 gaat het om een mi-
Nog eens 8% kwam uit de overige gemeenten in de stads-
nimum omdat de verzilveringsgraad in de loop van het jaar
regio Rotterdam en de rest (12%) uit de rest van Neder-
toeneemt.
land (en een enkele keer uit het buitenland). In Tabel 3.3 is de schatting per regiogemeente te zien voor 1 januari 2020, 2021 en (het minimum van) 2022.
De daaropvolgende jaren was deze verdeling vergelijkbaar. Dat is ook logisch omdat het voor een groot deel om
Tabel 3.1.
Gemeente van herkomst bij een verzilverde indicatie op 1 januari 2017-2022; percentages 1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
2017
2018
2019
2020
2021
2022
Rotterdam
69%
69%
68%
68%
66%
65%
BARCKL*
10%
11%
12%
11%
13%
13%
Stadsregio**
8%
7%
7%
7%
7%
7%
Overig
12%
13%
13%
13%
14%
14%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
*Barendrecht, Albrandswaard, Ridderkerk, Capelle a/d IJssel, Krimpen a/d IJssel, Lansingerland ** Nissewaard, Spijkenisse, Brielle, Hellevoetsluis, Westvoorne, Maassluis, Schiedam, Vlaardingen
Tabel 3.2.
Gemeente van herkomst bij een verzilverde indicatie op 1 januari 2017-2022; geschatte aantallen* 1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
2017
2018
2019
2020
2021
2022**
Rotterdam
1.300
1.315
1.287
1.260
1.133
663
BARCKL
196
200
217
204
220
137
Stadsregio
153
142
141
138
126
70
Overig
229
247
239
250
238
143
Totaal
1.878
1.905
1.884
1.852
1.716
1.013
* Aantallen 2017-2020 komen uit een oudere analyse en kunnen iets afwijken van de actuele aantallen in tabel 2.6. ** Aantal 2022 is voorlopig; Het aantal indicaties (totaal en verzilverd) zal waarschijnlijk nog hoger worden (zie ook tabel 2.6)
Spreiding regiogemeenten – Hoofdstuk 3
15
Tabel 3.3.
Gemeente van herkomst bij een verzilverde indicatie op 1 januari 2017-2022; geschatte aantallen 1 jan 2020
1 jan 2021
1 jan 2022*
Albrandswaard
9
18
10
Barendrecht
26
29
25
Capelle a/d IJssel
85
83
51
Krimpen a/d IJssel
27
23
14
Lansingerland
19
18
14
Ridderkerk
38
48
22
Totaal**
204
220
137
* voorlopige aantallen, verzilvering neemt nog toe; ** aantallen zijn geschat en afgerond op hele getallen. Het totaal kan daarom afwijken van de optelling
3.1.2 Nieuwe instroom per jaar
Tabel 3.4.
Om een indruk te krijgen van de ontwikkelingen in de instroom, is het inzichtelijker om per kalenderjaar te bekijken
Gemeente van herkomst van nieuwe instroom, in percentages 2017
2018
2019
2020
2021
Rotterdam
67%
66%
66%
63%
64%
BARCKL
9%
14%
10%
14%
17%
Stadsregio
7%
6%
7%
6%
5%
Overig
18%
14%
18%
17%
14%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
waar de nieuwe instroom vandaan komt. Dat is weergegeven in tabel 3.4 (in percentages) en tabel 3.5 (in geschatte aantallen). Ook hier kijken we alleen naar de (tot nu toe) daadwerkelijk verzilverde indicaties. De aantallen wijken dus wat af van die tabel 2.1. Ook de herinstromers zijn in deze overzichten nog niet meegenomen (het gaat om een beperkt aantal van 41 verzilverde herinstromers). Het aandeel mensen dat instroomt uit Rotterdam schommelt jaarlijks rond de 66%. Bij de gezamenlijke regioge-
In de volgende tabellen staat de instroom per gemeente.
meenten zijn er wat meer schommelingen (van 9% tot
Hierbij geldt weer de uitdrukkelijke waarschuwing dat het
17%). Dat komt ook omdat het om kleinere aantallen gaat
gaat om schattingen en niet om geregistreerde aantallen.
waardoor schommelingen duidelijker zichtbaar zijn. De verdeling in tabel 3.4 is globaal gezien vergelijkbaar met die in tabel 3.1. Dat laat dus zien dat de nieuwe instroom per jaar in grote lijnen vergelijkbaar is met de instroom uit eerdere jaren.
Spreiding regiogemeenten - Hoofdstuk 3 16
Tabel 3.5.
Gemeente van herkomst van nieuwe instroom, in geschatte aantallen 2017
2018
2019
2020
2021*
Rotterdam
282
251
234
259
221
BARCKL
37
54
34
56
58
Stadsregio
29
22
25
25
18
Overig
74
55
64
69
49
Totaal
422
382
357
409
347
* voorlopige aantallen, verzilvering neemt nog toe Tabel 3.6.
Gemeente van herkomst van nieuwe instroom, in geschatte aantallen 2017
2018
2019
2020
2021
Albrandswaard
1
6
0
3
8
Barendrecht
8
8
3
7
14
Capelle a/d IJssel
11
19
11
19
16
Krimpen a/d IJssel
6
8
10
9
10
Lansingerland
1
5
6
8
6
Ridderkerk
10
8
3
10
5
Totaal**
37
54
34
56
58
* voorlopige aantallen, verzilvering neemt nog toe ** aantallen zijn geschat en afgerond op hele getallen. Het totaal kan daarom afwijken van de optelling
Spreiding regiogemeenten – Hoofdstuk 3
17
3.2
Verklaringen voor schommelingen zijn bijvoorbeeld de slui-
Plaatsingen
ting/opening van een locatie. En met name bij kleinere
Bijna 90% van de BW’ers woont op een locatie in Rotter-
aantallen (zoals in Krimpen a/d/ IJssel) kan het zijn dat in-
dam en iets meer dan 10% in een regiogemeente (zie tabel
dicaties toevallig net wel of net niet op 1 januari geldig zijn
3.7). De verschillen per jaar zijn beperkt, Dat komt ook om-
en dus wel of niet meegeteld worden in dit overzicht.
dat het voor een belangrijk deel telkens om dezelfde mensen gaat.
Het aantal plaatsingen op 1 januari 2022 is laag door de eerder vermelde uitstroom naar de Wlz maar zal nog wat
Op het niveau van de afzonderlijke regiogemeenten zien
stijgen door verzilvering in de loop van het jaar.
we grotere verschillen tussen de jaren (zie tabel 3.9).
Tabel 3.7.
Gemeente waar de indicatie is verzilverd (locatie van plaatsing) in percentages 1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
2017
2018
2019
2020
2021
2022
Rotterdam
88%
87%
87%
88%
89%
89%
BARCKL
11%
12%
12%
11%
10%
10%
Stadsregio
0%
0%
0%
0%
0%
0%
Overig
1%
1%
1%
1%
1%
1%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Tabel 3.8.
Gemeente waar de indicatie is verzilverd (locatie van plaatsing) in aantallen 1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
1 jan
2017
2018
2019
2020
2021
2022*
Rotterdam
1.659
1.651
1.635
1.638
1.520
901
BARCKL
200
227
229
197
171
100
Stadsregio
4
7
2
4
6
2
Overig
15
20
18
13
19
10
Totaal
1.878
1.905
1.884
1.852
1.716
1.013
* voorlopige aantallen, verzilvering neemt nog toe
Spreiding regiogemeenten - Hoofdstuk 3 18
Tabel 3.9.
Gemeente waar de indicatie is verzilverd (locatie van plaatsing) per regiogemeente 1 jan 2017
1 jan 2018
1 jan 2019
1 jan 2020
1 jan 2021
1 jan 2022*
Albrandswaard
17
31
38
36
34
16
Barendrecht
19
28
53
48
31
26
Capelle aan den IJssel
77
92
52
43
44
27
Krimpen aan den IJssel
13
6
14
8
10
5
Lansingerland
18
15
15
14
12
9
Ridderkerk
56
55
57
48
40
17
Totaal**
200
227
229
197
171
100
* voorlopige aantallen, verzilvering neemt nog toe ** aantallen zijn geschat en afgerond op hele getallen. Het totaal kan daarom afwijken van de optelling
3.3
Verhouding instroom en plaatsing
“Gemiddeld genomen is in 2017 tot en met 2020 de in-
Voor 2021 is de spreiding van de instroom en de bezetting
stroom vanuit de regiogemeenten wat groter (11%) dan de
nog eens weergegeven als figuur. Daarin is te zien dat het
uitstroom naar de regiogemeenten (9%), maar dit verschil
aandeel van de regiogemeenten (de groene punten) rede-
is klein, zeker gezien de (on)nauwkeurigheid van de ana-
lijk vergelijkbaar is, en dat het aandeel van Rotterdam (de
lyse. Het aantal plaatsingen in de regiogemeenten (gemid-
blauwe vlakken) bij de plaatsingen groter is dan bij de in-
deld 11%) is in verhouding met de instroom.
stroom. Het aandeel plaatsingen in een locatie in Rotterdam (geAls we de cijfers over een langere periode bekijken is het
middeld 88%) is hoger dan het aandeel mensen dat afkom-
beeld vergelijkbaar met 2021. In de rapportage over 2020,
stig is uit Rotterdam (minder dan 70%). Dat komt door bui-
waarin we ook naar de uitstroom keken is het volgende op-
tenregionale instroom. Ook de uitstroom naar Rotterdam
gemerkt:
(gemiddeld 75%) is groter dan de instroom uit Rotterdam.”
Figuur 3.1.
Vergelijking van gemeente van herkomst (links) en de gemeente van plaatsing (rechts) op 1 januari 2021 stadsregio; 0% overig; 14%
overig; 1%
BARCKL; 10%
stadsregio; 7%
BARCKL; 13%
Rotterdam; 66%
Rotterdam; 89%
Spreiding regiogemeenten – Hoofdstuk 3
19
Kennis voor een sterk Rotterdams beleid Onderzoek en Business Intelligence is een afdeling binnen de gemeente Rotterdam. De afdeling verzamelt informatie en doet onderzoek voor het maken en uitvoeren van beleid door de gemeente Rotterdam. Het onderzoek gaat over onderwerpen als gezondheid, zorg, onderwijs, reintegratie, demografie, ruimtelijke ordening en veiligheid. Soms is de gemeentelijke organisatie het onderwerp, vaker gaat het over de stad en haar bewoners. Het doel is steeds om met deze verzamelde kennis het beleid en de bedrijfsvoering van de gemeente te verbeteren.
Drs. Eva Mandos is psycholoog en onderzoeker op het terrein van OGGZ en Maatschappelijke Opvang.
Rotterdam.nl
20
Spreiding regiogemeenten - Hoofdstuk 3