[22bb006755] Bijlage 1 behorende bij 22bb6724 - Ontwerpbestemmingsplan "Tamboerlocatie
Tekst van het document
In dit onderzoek zijn drie schetsvarianten (00, 01 en 02) voor de invulling van het plan onderzocht met als doel een voorkeursvariant te bepalen. Doel van dit onderzoek is om een goede afweging te maken van de relevante milieuaspecten, waarbij specifiek het geluid als maatgevende aspect nader is onderzocht. Uit de beoordeling blijkt dat ‘Variant 00’ en ‘Variant 02’ kansrijk zijn. Deze varianten zijn voor het milieuaspect geluid verder onderzocht en afgewogen. Afwegingen Beide varianten voldoen aan de richt- en grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking is de totale geluidbelasting LAeq (bewoners en supermarkt) in Variant 00 ten hoogste 56 dB(A) en Variant 02 ten hoogste 57 dB(A). Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), maar overschrijdt de grenswaarde 65 dB(A) niet. Het akoestisch verschil tussen de twee varianten zijn de piekgeluiden: Dagperiode In Variant 00 en 02 treden in de dagperiode piekgeluiden op vanwege 10 vrachtwagens die in en uit de expeditiestraat rijden. De piekniveaus bedragen ten hoogste 79 dB(A) en 82 dB(A) vanwege respectievelijk Variant 00 en Variant 02. Dit is hoger dan de richt- en grenswaarde van 70 dB(A) uit de VNG-handreiking. Opgemerkt wordt dat deze piekniveaus ook optreden ten gevolge van andere motorvoertuigen die rijden op de Tamboerstraat en Pijperstraat.
Ook rijdt op de Pijperstraat een tram waardoor piekniveaus van staal op staal optreden bij de woningen. Gezien de aard van de piekniveaus (vrachtwagens), het heersende omgevingsgeluid en het feit dat deze piekniveaus uitsluitend in de dagperiode ten hoogste 10x kunnen optreden, kan worden
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
19
gesteld dat er geen strijdigheid is met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conform het Activiteitenbesluit worden dergelijke activiteiten in de dagperiode uitgesloten van toetsing. Avondperiode In Variant 00 en Variant 02 zijn de piekniveaus in de avondperiode niet hoger dan de richt- en grenswaarde van 65 dB(A) uit de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. Nachtperiode In Variant 00 treden in de nachtperiode piekgeluiden op vanwege 16 personenwagens van bewoners die in en uit de parkeergarage rijden. De piekniveaus bedragen ten hoogste 64 dB(A) bij Tamboerstraat 28 en 30. Dit is hoger dan de richt- en grenswaarde van 60 dB(A) uit de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. In Variant 02 zijn de piekniveaus in de nachtperiode niet hoger dan de richt- en grenswaarde van 60 dB(A) uit de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. Overige aspecten Naast de parkeergarage zijn in het onderzoek van Aveco de Bondt ten aanzien van de supermarkt ook de overige relevante aspecten onderzocht. Zo zijn aan de technische installaties geluideisen gesteld waarmee wordt voldaan aan de grenswaarden in het Activiteitenbesluit. Dit is afhankelijk van de locatie van de installaties.
In het onderzoek (bijlage 2) is onder het kopje “Technische installaties” beschreven dat deze installaties bij voorkeur op het dak dienen te worden geplaatst in plaats van in de gevel van het gebouw en, indien nodig, worden voorzien van geluiddempende roosters of andere geluidreducerende voorzieningen. Dit is akoestisch oplosbaar door, afhankelijk van de locatie, geluideisen aan deze installaties te stellen. Winkelwagens staan inpandig opgesteld voor gebruik in de winkel: in de kelder en op de begane grond. De klanten zullen in de ondergrondse parkeergarage parkeren en met hun karretjes inpandig naar de parkeergarage rijden. Klanten van buitenaf pakken hun kar binnen en zetten deze ook binnen weer terug, zodat gebruik van winkelwagens buiten de winkel geminimaliseerd is. Het laden en lossen van goederen zal geschieden in de afgesloten expeditiegang achter de winkels. In de regels van het bestemmingsplan is hiervoor een aanduiding opgenomen.
Conclusie Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met als doel om een goede afweging te maken van de relevante milieuaspecten, waarbij specifiek het geluid als maatgevende aspect nader is onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat Variant 02 (expeditiestraat naast de bestaande woningen) voor het aspect geluid met name in de meest geluidgevoelige nachtperiode beter scoort dan Variant 00 (parkeergarage naast de bestaande woningen). Voor variant 02 kan worden gesteld dat er geen strijdigheid is met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten aanzien van de supermarkten en parkeergarage wordt met Variant 02 voor het aspect geluid voldaan aan de grenswaarden in het Activiteitenbesluit. Voor de overige aspecten (technische installaties, winkelwagens en laden en lossen) zullen eveneens geen belemmeringen optreden op het moment dat de supermarkten in bedrijf worden genomen.
4.3
Geluid
Beleidskader Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
20
toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Onderzoek Wegverkeerslawaai De ontwikkellocatie is gelegen in de onderzoekszone van de route Crooswijksestraat/Pijperstraat, de route Boezemstraat/Nieuwe Boezemstraat en de Rusthoflaan. Om deze reden is een onderzoek op grond van de Wgh noodzakelijk. Dit onderzoek is door KuiperCompagnons uitgevoerd en opgenomen als bijlage 3 van de toelichting. In het onderzoek is ook het tramverkeer en het verkeer op de nabij gelegen 30 km wegen meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door het verkeer op de Crooswijksestraat/Pijperstraat. Voor deze route is de geluidbelasting op de woningen maximaal 66 dB. Op de plaatsen waar de maximale hogere waarde van 68 dB in het geval van vervangende nieuwbouw wordt niet overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat in deze situatie sprake is van vervangende nieuwbouw en de hogere waarde kan worden vastgesteld. Ook het verkeer op de 30 km wegen veroorzaakt een geluidbelasting die boven de voorkeursgrenswaarde uitkomt. De geluidbelasting is maximaal 51 dB. Verder blijkt uit het onderzoek dat geluidreducerende maatregelen niet mogelijk zijn en dat daarom een hogere waarde moet worden vastgesteld.
Omdat alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen te realiseren, dient de geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen te worden afgestemd op de cumulatieve geluidsbelastingen vanwege het wegen tramverkeer. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 71 dB aan de zijde van de Pijperstraat. Voor een deel van de nieuwe woningen moet een hogere waarde worden vastgesteld voor het (tram)verkeer op de Pijperstraat. De eerste stap daartoe is dat het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage moet worden gelegd. Railverkeerslawaai en industrielawaai De ontwikkellocatie is niet gelegen in de onderzoekszone van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Daardoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai niet aan de orde. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat sprake is van vervangende nieuwbouw en dat voor een deel van de nieuwe woningen een hogere waarde vastgesteld moet worden. Verder is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
21
4.4
Verkeer en parkeren
Verkeer De bestaande verkeersstructuur rondom het plangebied wordt gevormd door de Crooswijkseweg, Tamboerstraat, Boezemstraat en de Pijperstraat. Met de voorgenomen ontwikkeling zal de bestaande verkeersstructuur niet wijzigen. De parkeerkelder wordt in de toekomstige situatie ontsloten via de Tamboerstraat. Ook de ingang van de expeditiestraat wordt aan deze zijde gesitueerd. Na het laden en lossen zullen de vrachtwagens de expeditiestraat aan de zijde van de Pijperstraat verlaten. Parkeren Het parkeren voor auto en fiets moet voldoen aan de eisen beschreven in het document Beleidsregeling parkeernormen auto en fiets 2022, vastgesteld in 2021 door de gemeente Rotterdam. Al het parkeren voor de woningen dient op eigen terrein en uit het zicht vanaf de openbare ruimte gesitueerd te worden. Het fietsparkeren voor de supermarkt kan worden opgelost in de openbare ruimte indien het kortparkeren betreft. Er dient ook rekening gehouden te worden dat de parkeergelegenheid voor de bezoekers van de supermarkt veilig gesitueerd wordt. Dit betekent dat oversteekbewegingen met winkelwagens tussen auto’s en de supermarkt bij voorkeur voorkomen moet worden. Voor het autoparkeren zijn in Rotterdam drie zones (A, B en C) aangewezen. De wijk Crooswijk ligt in zone B.
In onderstaande tabellen zijn aan de hand van de gemeentelijke auto- en fietsparkeernormen per functie berekend hoeveel auto- en fietsparkeerplaatsen benodigd zijn. Functie Supermarkten appartementen (65 – 85 m2) appartementen (85 – 120 m2) Totaal
Auto parkeernormen gemeente Rotterdam 2,5 parkeerplaatsen per 100 m2 b.v.o. (parkeerzone B) 0,8 parkeerplaatsen per woning
Aantal 2.900 m2 b.v.o.
Parkeerbehoefte 72,5 parkeerplaatsen
67
53,6 parkeerplaatsen
1,0 parkeerplaatsen per woning
17
17 parkeerplaatsen 143,1 parkeerplaatsen
Tabel 4.1: Parkeerbalans auto’s
Functie
Fietsparkeernormen gemeente R’dam
Aantal
Supermarkten
2,9 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 b.v.o. (met een minimum van 10) 3 fietsparkeerplaatsen per woning
2.900 m2 b.v.o. 67
3 fietsparkeerplaatsen per woning
17
appartementen (65 – 85 m2) appartementen (85 – 120 m2) Totaal
% Kortparkeren 85
Fietsparkeerbehoefte Buiten Inpandig 71 13 201 51 71
Tabel 4.2: Parkeerbalans fietsen
265
Het parkeren dient in principe op eigen terrein te worden opgelost. Om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte van de supermarkten en appartementen is gekozen voor een ondergrondse parkeervoorziening voor auto’s. Deze parkeervoorziening wordt onder de supermarkten gesitueerd. In totaal worden in de parkeerkelder 127 parkeerplaatsen voorzien. Op de begane grond en eerste verdieping worden fietsbergingen gerealiseerd. Er is de mogelijkheid om maximaal 10% korting op de parkeereis voor de woningen te krijgen door extra fietsparkeerplaatsen te realiseren. Voor elke twee extra fietsparkeerplaatsen mag één autoparkeerplaats in mindering worden gebracht (tot een maximum van 10% van het totaal aantal benodigde autoparkeerplaatsen). Deze extra fietsparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd op eigen terrein en zijn bedoeld voor langparkeerders (bewoners, werkers, studenten). Uit tabel 4.2 blijkt dat in totaal 265 inpandige fietsparkeerplaatsen benodigd zijn, waarvan 252 voor de woningen en 13 voor de supermarkt. Er worden 371 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Dit geeft een overschot van 93 fietsparkeerplaatsen. Hierdoor zouden 46 autoparkeerplaatsen van de parkeerbehoefte Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
22
afgehaald kunnen worden, maar daarmee wordt de 10% ruimschoots overschreden. Het in mindering te brengen autoparkeerplaatsen bedraagt daarom 7, wat neerkomt op 10% van het totaal aantal autoparkeerplaatsen voor de woningen. Daarnaast kan ook een korting toegepast worden op het aantal parkeerplaatsen voor woningen wanneer een ontwikkeling nabij openbaar vervoer is gelegen. In dit geval is sprake van twee tramhaltes op minder dan 400 m afstand (hemelsbreed gezien). Binnen zone B geldt daarom een korting van 20%. In absolute aantallen mogen daarom 14 autoparkeerplaatsen in mindering worden gebracht. De totale behoefte naar autoparkeerplaatsen zonder korting bedraagt 143. Met een reductie van 21 (7 + 14) parkeerplaatsen is de nieuwe parkeerbehoefte 122 parkeerplaatsen. In de parkeerkelder worden 127 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er is dus een overschot van 5 autoparkeerplaatsen. Verkeersgeneratie In de Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets zijn geen normen voor wat betreft de verkeersgeneratie opgenomen. Om die reden wordt teruggevallen op de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ uit 2018. In tabel 4.3 is de verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling weergegeven. Deze cijfers gaan echter niet uit van de toegepaste reductie op parkeerplaatsen. De totale verkeersgeneratie is dan ook een worst-case benadering, en zal in de praktijk lager uitvallen.
Functie Supermarkt (fullservice) appartementen (65 – 85 m2) appartementen (85 – 120 m2) Totaal
CROW-normen verkeersgeneratie 77,8 mvt/etmaal per 100 m2 b.v.o. 4,1 mvt/etmaal per woning 5,8 mvt/etmaal per woning
Tabel 4.3: Verkeersgeneratie
Aantal 2.900 m2 b.v.o. 67 17
Verkeersgeneratie 2.256,2 274,7 98,6 2.629,5
De voorgenomen ontwikkeling levert maximaal een verkeersgeneratie van afgerond 2.630 motorvoertuigen per etmaal op. Omdat het verkeer zich vrij snel zal spreiden over verschillende ontsluitingswegen wordt aangenomen dat dit niet tot belemmeringen zal leiden. Bovendien waren in het plangebied al woningen en een aantal voorzieningen aanwezig, waardoor de verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie maar beperkt zal toenemen.
4.5
Luchtkwaliteit
Beleidskader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Sinds het NSL van kracht is zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM2,5 1 januari 2015. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 Naast het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
23
jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: -
de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Onderzoek De toevoeging van 84 woningen en 2.900 m2 aan commerciële voorzieningen is een ontwikkeling die niet zonder is aan te merken als een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek noodzakelijk naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Voor dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe bedrijvigheid relevant. In paragraaf 2.4 is reeds de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling bepaald. De totale ontwikkeling leidt tot maximaal 2.630 motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde werkdag. Hierbij is uitgegaan van een percentage van 1,0% vrachtverkeer. Met behulp van de NIBM-rekentool kan op een snelle en eenvoudige manier bepaald worden of er sprak is van een project dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aangenomen is dat ten opzichte van de huidige situatie de verkeersgeneratie met maximaal 50% toeneemt. Er is dus sprake van maximaal 1.315 extra motorvoertuigbewegingen.
Uit de NIBM-rekentool (afbeelding 4.1) blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet tot belemmeringen leidt.
Afbeelding 4.1: NIBM-berekening
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Uit de berekening van de NIBM-tool blijkt dat het plan als ‘NIBM’ dient te worden aangemerkt. Nader onderzoek is niet nodig. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de dichtbijgelegen rekenpunten de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2018 ter hoogte van de planlocatie.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
24
Afbeelding 4.2: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2018 (NSL-monitoringstool 2019).
Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 35 µg/m3, 24 µg/m3 en 15 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Gezien bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
Beleidskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
25
Onderzoek en conclusie In het kader van de voorliggende ontwikkeling is op basis van de risicokaart onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied aanwezig zijn. Uit deze analyse blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen zijn gesitueerd.
4.7
Bodemgeschiktheid
Beleidskader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in een eerder stadium (oktober 2015) door PJ Milieu BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 4 bij de toelichting is gevoegd. Destijds is gebleken dat nader onderzoek benodigd is in verband met aangetroffen verontreinigingen. Bovendien is vanwege de aanwezige bebouwing nog niet het volledige plangebied onderzocht. Dit onderzoek zal na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. Na de sloop van de bebouwing zal aanvullend onderzoek worden uitgevoerd.
Eventueel zullen de nodige maatregelen worden getroffen, waarna de planlocatie geschikt zal zijn voor de beoogde functie.
4.8
Water
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) dat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het oppervlaktewater beheert. De gemeente Rotterdam, als rioleringsbeheerder ook aan te merken als waterbeheerder, werkt samen met de betrokken waterbeheerder(s) inzake de invulling van de waterparagraaf. Beleidskader Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
26
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht.
In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Waterbeheerplan 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). In het Waterbeheerplan 2016-2021 is het beleid voor alle taken van het HHSK opgenomen.
Gestreefd wordt naar een doelmatig en duurzaam waterbeheer. Hierbij staat het hoogheemraadschap in directe verbinding met de omgeving. HHSK speelt proactief in op ruimtelijke ontwikkelingen (adviseren, kansen benutten, randvoorwaarden stellen). Samenwerking met partijen binnen en buiten het gebied is belangrijk. In de taakuitoefening houdt het HHSK rekening met landschappelijke waarden, natuur, cultuurhistorie en (recreatief) medegebruik, voor zover dat niet ten koste gaat van een doelmatige behartiging van de waterschapstaken. Stedelijke waterplannen zijn een belangrijk instrument om de samenwerking en afstemming met gemeenten te bevorderen en gezamenlijk tot een uitgebalanceerde aanpak te komen, dit overigens met behoud van de wederzijdse taken en verantwoordelijkheden. De prioriteit binnen het stedelijke gebied ligt voor het HHSK, naast de rioleringsinspanningen van de gemeenten, bij de maatregelen om te voldoen aan de KRW en het NBW. Daarnaast wil het HHSK in de waterplannen meer aandacht besteden aan het operationele beheer en onderhoud van het watersysteem, zoals baggerwerk in stedelijk gebied. Zowel voor de waterkwaliteit (schoon en aantrekkelijk water) als voor waterkwantiteit (wateraanvoer en -afvoer; het voorkomen van wateroverlast) is het belangrijk dat dit goed wordt geregeld.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
27
Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterkeringen vallen onder de regels van de ‘Keur van Schieland en de Krimpenerwaard’. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Hoogheemraadschap. De Legger van het Hoogheemraadschap is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de Legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Oppervlaktewatersysteem In het voorliggende plangebied zijn in de huidige situatie geen watergangen aanwezig. Daarnaast is het plangebied geheel verhard. De hoogte van het maaiveld bedraagt ongeveer NAP -1,3 meter. Wateroverlast Indien bij een ontwikkeling een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 optreedt, dient watercompensatie plaats te vinden. Het voorliggende plangebied is in de huidige situatie geheel verhard.
Ook in de toekomstige situatie is volledige verharding van het plangebied voorzien. De toename aan verhard oppervlak als gevolg van de voorliggende ontwikkeling bedraagt met zekerheid minder dan 500 m2. Veiligheid In en in de directe nabijheid van het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Derhalve gelden er vanuit de waterveiligheid geen belemmering voor het beoogde bouwplan. Bodemdaling Ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling zal het (grond)waterpeil niet worden aangepast. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed. Grondwateroverlast Het grondwater zit (vrij) ondiep. Indien ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling mag de grondwaterstand (bij de realisatie) niet fluctueren. Waterkwaliteit De waterkwaliteit van het afstromend hemelwater van het plangebied zal in beperkte mate van invloed zijn op de oppervlaktewaterkwaliteit. Op het plangebied vinden geen activiteiten plaats die schadelijk kunnen zijn voor de oppervlaktewaterkwaliteit en het afstromend water van schone dakverhardingen zal naar verwachting een positief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit hebben.
Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Riolering Het is niet wenselijk om schoon regenwater te lozen op het gemengde rioolstelsel. Het is gemeentelijk beleid om in nieuwe c.q. herstructureringswijken afvalwater en regenwater gescheiden in te zamelen. De waterkwaliteit en
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
28
daarmee de belevingswaarde van het water in de wijk verbetert (mede) hierdoor. De woningen zullen dan ook worden gerealiseerd met een intern gescheiden rioolstelsel. Daar waar het stratenplan wijzigt, zal ook een verbeterd gescheiden rioolstelsel worden aangelegd om te voorkomen dat het schone regenwater op het gemengde rioolstelsel wordt geloosd. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een gescheiden rioolsysteem. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente Rotterdam. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.9
Archeologie
Beleidskader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP’s), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese ‘Verdrag van Malta’ is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.
De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan “Nieuw Crooswijk II” kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 4’. Uit de vigerende regeling blijkt dat voor bodemingrepen een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen met een diepte van 0,3 m -NAP en een omvang van 200 m2 geldt. Het plangebied is momenteel vrijwel volledig bebouwd; de diepte van de huidige verstoring is niet bekend. Uitgaande van de omvang van het plangebied en het feit dat een parkeergarage wordt gerealiseerd die dieper zal reiken dan 0,3 m -NAP is het project onderzoeksplichtig. De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek beoordeeld. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden, acht de gemeente Rotterdam een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie noodzakelijk. Het vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen (verkennende fase). Dit onderzoek is door Vestigia uitgevoerd, en opgenomen als bijlage 5.
Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. Het Laagpakket van Duinkerke is sterk verstoord geraakt door bouwwerkzaamheden in het verleden, waarbij in veel gevallen ook de top van het Hollandveen verstoord is geraakt. In de intact gebleven sedimenten zijn geen kenmerken van
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
29
bodemvorming, begraven bodems of laklagen aangetroffen. De archeologische verwachting voor het plangebied kan daarom worden bijgesteld naar laag. Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek kan de archeologische verwachtingswaarde binnen het plangebied worden bijgesteld naar laag. Dit betekent dat de planlocatie geschikt zal zijn voor de beoogde functie. In verband met de bescherming van de diepere ondergrond blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ gehandhaafd.
4.10
Cultuurhistorie
Beleidskader De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is de Monumentenwet 1988. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Dit verdrag is in de Wet op de archeologische monumentenzorg verankerd, die officieel in werking is getreden op 1 september 2007, onder meer als wijziging op de Monumentenwet 1988. In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet‐ en regelgeving plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste: gemeenten dienen in hun bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Met de parapluherziening ‘Cultuurhistorie Crooswijk’ (vastgesteld op 11 november 2021) is hier door de gemeente invulling aan gegeven voor voorliggend plangebied. Onderzoek en conclusie In het plangebied zelf zijn geen rijks-, of gemeentelijke monumenten of anderszins beeldbepalende panden aanwezig. In de Tamboerstraat zijn een aantal panden in de parapluherziening ‘Cultuurhistorie Crooswijk’ mede bestemd voor het behoud van de aan het gebied eigen zijnde cultuurhistorische waarden. Voorliggend bestemmingsplan vormt geen belemmering op de cultuurhistorische waarden van die woningen. Daarnaast was tot 1977 de rooms-katholieke St.
Barbarakerk op de hoek Crooswijkseweg – Pijperstraat gesitueerd. Deze kerk is als gevolg van afnemend kerkbezoek en een gebrek aan onderhoud in 1977 gesloopt. De voormalige pastorie is wel behouden, maar heeft geen noemenswaardige cultuurhistorische waarde. Het voorliggende plangebied is evenmin aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. Gelet op het voorgaande zijn er in het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aangetroffen. Het aspect ‘cultuurhistorie’ leidt derhalve niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
4.11
Flora en fauna
Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Met de Wnb zijn de verantwoordelijkheden voor het beleidsveld natuur overgedragen van het Rijk aan provinciale staten en gedeputeerde staten. De provincies hebben daarom via een verordening aanvullende regels vastgelegd voor de onderdelen faunabeleid, houtopstanden, tegemoetkoming faunaschade, soortenbeleid en Natura 2000. Tevens worden diverse vrijstellingen verleend in deze verordening. Daarnaast heeft de provincie Zuid-Holland regelgeving omtrent natuur vastgelegd in haar Verordening Ruimte, onder meer ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Soortenbescherming In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten: 1. het beschermingsregime Vogelrichtlijn; 2. het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
30
3. het beschermingsregime Andere Soorten. De provincies kunnen voor beschermingsregime Andere Soorten een algemene ontheffing verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen door de Nbw beschermde natuurgebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Onderzoek Soortenbescherming De ontwikkeling voorziet in de sloop van de bestaande bebouwing. Een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom benodigd. In juli 2019 is er een rapport opgeleverd door het ecologisch adviesbureau Stadsontwikkeling Milieuadvies. De gemeente Rotterdam heeft dit rapport beoordeeld.
Dit rapport is opgenomen als bijlage 6. In het rapport staat aangegeven dat de volgende soorten zijn aangetroffen of worden verwacht: • Gebouw bewonende vleermuizen: De te slopen gebouwen bevatten holtes en kieren die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. (soorten habitatrichtlijn volgens artikel 3.5 Wnb) • Huismus en Gierzwaluw: Er zijn potentiële nestlocaties voor huismus en gierzwaluw aanwezig binnen het plangebied (soorten vogelrichtlijn volgens artikel 3.1 Wnb). • Boomkruiper: Er zijn potentiële nestlocaties voor boomkruiper aangetroffen in de bomen binnen het plangebied (soort vogelrichtlijn artikel 3.1 Wnb cat. 5) • Algemene broedvogels: Het projectgebied is geschikt als habitat voor algemene broedvogels. Op basis van deze conclusie is in september 2020 door Habitus een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek, en de daarop volgende adviesnotitie van de gemeente Rotterdam is als bijlage 7 opgenomen. Uit het onderzoek en het advies blijkt dat binnen het projectgebied twee paarverblijven van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Verder is langs de bomenrijen in de Tamboerstraat en de Boezemstraat een essentiële vliegroute aanwezig van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis.
Tot slot zijn ten noorden van het projectgebied, aan de overkant van de Tamboerstraat, ook twee paarverblijven van de gewone en ruige dwergvleermuis aanwezig die binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden liggen. Vleermuizen en hun verblijven en essentiële vliegroutes zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) en mogen niet verstoord of vernield worden. De sloop van de bebouwing, de kap van bomen en overige negatieve effecten door bijvoorbeeld het plaatsen van verlichting leiden tot vernietiging van verblijfplaatsen en vliegroutes, opzettelijke verstoring van vleermuizen en/of mogelijk doding of verwonding van vleermuizen. Voor het overtreden van deze verbodsbepalingen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend. (bijlage 8) Gebiedsbescherming Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (bijlage 9). In dit onderzoek is de gebruiksfase beoordeeld of sprake is van een waarneembare stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000gebieden in de omgeving van het plan. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hieronder in het kort beschreven. Het Natura 2000-gebied dat het dichtstbij het plangebied ligt, is de ‘Oude Maas’, gelegen op ongeveer 10 kilometer van het plangebied. Omdat binnen dit Natura 2000-gebied geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, is dit Natura 2000-gebied verder niet beschouwd.
Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000gebied betreft het gebied ‘Sonneveld & Kapittelduinen’ en ‘Krammer-Volkerak’ op een afstand van ongeveer 20 km van de locatie. De planontwikkeling en de bijbehorende verkeersaantrekkende werking leidt niet tot bijvoorbeeld geluidhinder, trillinghinder, lichthinder zodat deze aspecten verder buiten beschouwing zijn gelaten.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
31
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van de bestaande bebouwing en realisatie van 2 supermarkten van in totaal 2.900 m2 bvo en 84 woningen. De woningen worden aardgasloos en volgens de huidige duurzaamheidsnormen gerealiseerd. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het onderzoek is beoordeeld of de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van stikstofgevoelige habitats in de beschouwde Natura 2000-gebieden geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie. De externe werking van de Wet natuurbescherming veroorzaakt daarom geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde natuurgebieden.
Conclusie Binnen (de invloedsfeer van) het plangebied zijn vleermuizen aangetroffen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is verleend. Voor het overige vormt het aspect natuur geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12
Overige belemmeringen
Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het projectgebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming, zoals straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. In de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen relevante kabels of leidingen aanwezig. Ook zijn er geen beschermingszones opgenomen. Wel bevindt zich ten noordwesten van het plangebied de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport”. In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken (invliegfunnel). De voorliggende ontwikkeling overschrijdt de hoogtebeperkingen ten aanzien van de luchthaven niet, waardoor het initiatief geen belemmering vormt voor de luchthaven Rotterdam The Hague Airport.
4.13
Duurzaamheid
De gemeente Rotterdam heeft met het Programma Duurzaam actief ingezet op een schone, groene en gezonde stad. Om invulling te geven aan deze ambitie zijn diverse opgaven geformuleerd, waaronder het reduceren van de CO2-uitstoot, verbeteren van de energie-efficiëntie, omschakelen naar duurzame energie, vergroten van duurzame investeringen en het bevorderen van duurzame gebiedsontwikkeling. Het Bouwbesluit vormt het minimaal te realiseren kwaliteitsniveau in Nederland. De gemeente Rotterdam heeft daar boven op het document ‘De Rotterdamse Woningkwaliteit’ (RWK) opgesteld (meest recente versie maart 2005). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema’s: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Het RWK is vrijblijvend te gebruiken. Met het onderliggende bouwplan wordt aansluiting gezocht bij de ambities van de gemeente Rotterdam op het gebied van duurzaamheid en wordt voldaan aan de wettelijke eisen ten aanzien van duurzaamheid. De woningen zullen daarom aardgasloos worden gerealiseerd en worden aangesloten op stadsverwarming. Andere duurzame oplossingen op het gebied van de installaties, zoals vloerverwarming, ledverlichting in de gemeenschappelijke ruimten, douche-wtw, en pv-panelen, vraaggestuurde ventilatiesystemen kunnen eventueel tot de mogelijkheden behoren.
Tevens zal zoveel mogelijk worden gewerkt met natuurlijke materialen. Tot slot wordt waar mogelijk klimaatadaptieve maatregelen genomen. Zo wordt op het dak van de detailhandelsvestigingen een groene daktuin gerealiseerd.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
32
5.
JURIDISCHE ASPECTEN
5.1
Inleiding
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd.
5.2
De opzet van de planregels
De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1); • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); • Algemene regels (hoofdstuk 3); • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). De regels zijn in overeenstemming met de gemeentelijke standaard. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die worden gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Onder de bestemmingsomschrijving is aangegeven voor welke functies de gronden bestemd zijn. Voor sommige functies is een functieaanduiding opgenomen op de verbeelding. In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden bepaald. Voor de bebouwing zijn bouwvlakken op de verbeelding aangegeven. De bebouwing dient in principe binnen het bouwvlak gesitueerd te zijn. Hieronder wordt kort ingegaan op de verschillende bestemmingen.
Gemengd Binnen de bestemming “Gemengd” zijn woningen op alle verdiepingen toegestaan. Daarnaast is detailhandel op de begane grond mogelijk. Hierdoor wordt het realiseren van twee supermarkten op de begane grond mogelijk. Geluidmaatregelen woningen Binnen de bestemming Gemengd zijn woningen mogelijk gemaakt waarbij de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Voor deze woningen zijn daarom hogere waarden vastgesteld. Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder gemeente Rotterdam zijn er voorwaarden verbonden aan het verlenen van de hogere waarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder behorende bij dit bestemmingsplan welke als bijlage is toegevoegd aan de regels. Met artikel 3.3.4 is geborgd dat gronden alleen in gebruik mogen worden genomen als woning, als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de hogere waarden zijn verleend. Verkeer – Wegverkeer De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" gekregen. Binnen de bestemming “Verkeer – Wegverkeer” worden onder andere voorzieningen ten behoeve van wandelen en verblijven, zoals trottoirs, paden en trappen toegestaan.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
33
Algemene regels In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal algemene regels opgenomen met betrekking tot het bouwen. Zo staan in artikel 21.1 regels met betrekking tot parkeren (zoals de parkeernorm) en bevat artikel 21.2 een bepaling omtrent de afdekking van gebouwen. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de specifieke afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat met een ‘reguliere omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan’ kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van bouwwerken voor het openbaar nut in het openbare gebied.
Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen, onder meer voor het oprichten van bouwwerken voor openbaar nut. Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
5.3
Geometrische plaatsbepaling / verbeelding
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een GBKN-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
34
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Gelet op het voorgaande is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De voorliggende ontwikkeling voorziet in de sloop van de verouderede bebouwing en het terugbouwen van twee supermarkten met daarboven woningen. De nieuwe bebouwingen worden op zorgvuldige wijze ingepast in de bestaande bebouwingsstructuur. Aangenomen wordt dat er geen bezwaren bestaan tegen deze ontwikkeling. Niettemin wordt de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen (zie hoofdstuk 7).
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
35
7.
PROCEDURE
7.1
Voorbereidingsfase
Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse overleginstanties.
7.2
Ontwerpfase
Na het wettelijk vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit het vooroverleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving). Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient - met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening - ook via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten.
Bestemmingsplan ‘Tamboerlocatie’ Toelichting - Ontwerp
Tamboerlocatie Ontwerpbestemmingsplan
Opgesteld door:
datum:
Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen
Vastgesteld d.d.:
17 mei 2022
Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam NL.IMRO.0599.BP2193Tamboer-ON01
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
INLEIDENDE REGELS
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
Wijze van meten
7
BESTEMMINGSREGELS
8
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Gemengd
8
Artikel 4
Verkeer - Wegverkeer
10
Artikel 5
Waarde - Archeologie 4
11
Hoofdstuk 3
ALGEMENE REGELS
13
Artikel 6
Anti-dubbeltelregel
13
Artikel 7
Algemene bouwregels
14
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
15
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
16
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
17
Hoofdstuk 4
Artikel 10
Overgangsrecht
17
Artikel 11
Slotregel
18
2
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
Plan
het bestemmingsplan 'Tamboerlocatie' met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2193Tamboer-ON01 van de gemeente Rotterdam. 1.2
Bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: 1.3
Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Archeologisch deskundige
Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.6
Archeologisch monument
Monument als bedoeld in artikel 1 onder c. van de Monumentenwet 1988. 1.7
Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.8
Bebouwingspercentage
een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak binnen het bouwvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.9
Bedrijven
De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 1.10
Bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.11
Bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. 1.12
Bouwaanduidingen
alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.13
Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
4
1.14
Bouwgrens
de grens van een Bouwvlak. 1.15
Bouwlaag
het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en een plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, zolder, souterrain, parkeerplint, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt. 1.16
Bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.17
Bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.18
Brutovloeroppervlakte (b.v.o.)
het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijv. bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, en kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen en een expeditiestraat worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.19
Dakterras
een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. 1.20
Detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.21