CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb006568] Verslag hoorzitting subcommissie Bestemmingsplannen van 4 oktober 2022 cie BWB 121022

Subcommissie bestemmingsplannen Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 4 oktober 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Opening hoorzitting21.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De ruime bebouwingsmogelijkheden die worden gecreëerd in het nieuwe bestemmingsplan baren ons zorgen omdat deze de cultuurhistorische waarden aantasten. Wat wij zien in het nieuwe plan is dat niet alleen het aantal toegestane recreatiewoningen ruim wordt verdubbeld (van 7 naar 15m!), maar ook de bebouwingsmogelijkheden flink toenemen: in oppervlakte tot ca 80 m2 en hoogte tot 3 m. Wij vinden dat deze ontwikkeling vóórdat deze definitief wordt opgenomen in het bestemmingplan afzonderlijk moet worden getoetst aan de cultuurhistorische waarde van dit gebied. Die toetsing is nu achterwege gebleven door achteraf de cultuurhistorische waarde toe te voegen en de bestemmingsregelingen niet te toetsen en waar nodig aan te passen. De toegestane ontwikkelingen zijn alleen ruimtelijk beoordeeld en niet vanuit cultuurhistorisch perspectief.

1

Wat ons in het bijzonder stoort is het gedogen van niet toegestane ontwikkelingen. Ik geef twee voorbeelden. Als eerste voorbeeld geldt Strekkade nr. 58 waarvoor de bestemming groen geldt. Deze grond is in eigendom bij de gemeente. Het terrein is volledig verhard en er staan twee schuren op. Conform de beantwoording op onze zienswijze is het verboden om schuren te plaatsen. Wij begrijpen niet dat de gemeente, nota bene op eigen terrein, niet handhaaft.

Iets vergelijkbaars speelt op Strekkade nr. 62. Hier ligt een illegale woonboot. Ook die zou de gemeente moeten laten verwijderen.

De hiervoor geconstateerde ontwikkelingen: zowel de toegestane uitbreidingsmogelijkheden als het niet handhaven van verboden, illegale ontwikkelingen zijn zeker niet in overeenstemming met de cultuurhistorische waarden. 2

Wij verzoeken om: - De voorgestelde ontwikkelingsmogelijkheden actief en voorafgaand aan de besluitvorming over het bestemmingsplan te toetsen aan de cultuurhistorische waarden. - Deze toetsing te doen voor het hele plangebied, zowel waar het gaat om bestaande ontwikkelingen, zéker als deze illegaal zijn, als toegestane nog niet gerealiseerde ontwikkelingen. - Handhavend op te treden tegen bij de gemeente bekende illegale bebouwing, zowel waar het gaat om botenhuizen als om steigers en overkappingen.

3. Natuur en Recreatie Voorts constateren wij dat er een provinciale opgave ligt voor omgevingskwaliteit ten aanzien van natuur en recreatie: Citaat: Behouden en versterken van natuurwaarden en ontwikkelen van voldoende aantrekkelijk en beleefbaar groen en water waar mensen met plezier recreëren. In onze zienswijze hebben wij hier op gewezen, maar in de reactie daarop is niet verklaard waarom dit natuuraspect niet doorwerkt in het bestemmingsplan, zowel in de regels als de verbeelding. Natuur komt nu niet verder dan een aanduiding bij de toelichting van het plan.

Wij wijzen op hoofdstuk 6.8. met bijbehorende natuurkaart waarin grote oppervlakten zijn aangeduid met een natuurfunctie (zie bijgaand). Hiertoe behoort ook de Strekkade.

Wij verzoeken om: Expliciet aan te geven en dit ook op te nemen in het bestemmingsplan hoe het aspect natuur doorwerkt in de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan. En in het bijzonder de toegestane bebouwingsmogelijkheden van de Strekkade in dit licht op nieuw te bezien.

3

4. Betrokken bij behandeling handhavingsverzoeken De gebiedscommissie Hillegersberg-Schiebroek heeft op 18 januari 2022 haar advies vastgesteld. Daarbij heeft zij expliciet de ingebrachte adviezen van de Stichting tot behoud Kern en Plassen Hillegersberg en de Vereniging Stedebouwkundig Wijkbehoud inhoudelijk overgenomen en als zodanig toegevoegd aan haar advies. Onderdeel daarvan is het oordeel dat de Stichting tot behoud Kern en Plassen Hillegersberg bij de afhandeling van de handhavingsverzoeken en de aanpak van de illegale activiteiten, zoals die onder andere door de Stichting zijn ingediend, te betrekken en de Stichting daarbij aan te merken en te behandelen als belanghebbende. Dit betekent betrokkenheid bij het proces voorafgaand aan de besluitvorming, toezending van het gemotiveerde besluit en ruimte voor het indienen van bezwaar op basis van het genomen besluit. De Gebiedscommissie voegt hieraan expliciet het verzoek toe om de Stichting officieel als belanghebbende te erkennen, zoals dat ook door de Raad van State in 2009 is gedaan. Wij voegen daar aan toe dat dit ook gedaan is door de Rechtbank Rotterdam volgend op het door de Stichting ingediende bezwaar bij de toenmalige Deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek. Wij verwijzen naar de behandeling bij de Rechtbank Rotterdam van zaak A.B.2015.2.02187.

In de beantwoording van onze zienswijze over dit onderwerp (pagina 7) wordt aangegeven dat de behandelend ambtenaar bepaalt of de indiener van het handhavingsverzoek, i.c. de Stichting, wordt betrokken. (citaat) Bij de afhandeling van een handhavingsverzoek, wordt door de behandelaar beoordeeld welke informatie en welke stappen gezet moeten worden om tot het gewenste resultaat te komen. Mogelijk wordt de indiener van het handhavingsverzoek daarbij betrokken, hoewel dit geen gebruikelijke of verplichte stap in het proces is. Deze opstelling lijkt op willekeur. Hiermee wordt voorbijgegaan aan het advies van de Gebiedscommissie en de eerdere oordelen van Raad van State en Rechtbank Rotterdam om de Stichting voluit te betrekken. Voor de volledigheid voegen we hieronder het relevante deel van de statuten bij om dit te onderstrepen. Wij kunnen niet begrijpen waarom het college van mening is dat het aan een individuele behandelend ambtenaar moet worden overgelaten om te beslissen of de Stichting als belanghebbende wordt erkend en betrokken. Het is van belang dat het college gelijke lijn trekt met de Raad van State en de Rechtbank Rotterdam. Wij verzoeken om: De Stichting tot behoud van Kern en Plassen Hillegersberg te erkennen als belanghebbende bij de behandeling van handhavingsverzoeken en de aanpak van illegale activiteiten die liggen binnen het plangebied.

Ik dank u voor uw aandacht. Tineke van Oosten, voorzitter Stichting tot behoud van Kern en Plassen Hillegersberg 4 oktober 2022 4

Bijlage Statuten Stichting tot behoud van Kern en Plassen Hillegersberg Artikel 3 De stichting tracht zijn doel te bereiken door: a. het informeren van de inwoners binnen het werkgebied van de stichting omtrent alle ontwikkelingen, die met de doelstellingen van de stichting rechtstreeks of zijdelings verband houden, publicaties, ook in periodieken van andere organisaties en de pers, het verspreiden van nieuwsbrieven en bulletins, het geven van voorlichting, het geven van lezingen en het organiseren van informatieve bijeenkomsten; b. het bevorderen van en het deelnemen aan fora, discussies in de pers, voor radio en televisie, contact onderhouden met en lobbyen bij de overheid en de politiek; c. het werven van donateurs; d. het samenwerken met gelijkgestemde organisaties, hetzij op bestuursniveau, hetzij in commissieverband, hetzij door personele unie van besturen; e. bezwaar te maken bij en zo nodig te procederen tegen partijen, die inbreuk maken op de doelstellingen van de stichting; f. het mobiliseren van inwoners teneinde de doelstellingen van de stichting in praktijk te brengen en daarvoor op te komen.

5

Gemeente Rotterdam Gemeenteraad, subcommissie Bestemmingsplannen Postbus 70012 3000 KP ROTTERDAM

Uitsluitend per e-mail: n.ferreira@griffie.rotterdam.nl

Datum:

30 september 2022

Uw ref.:

22gr000224

T:

+31 70 31 31 062

Onze ref.:

20217510/STJO

M:

+31 6 28 08 12 27

Van:

S.T.J. Olierook, advocaat

E:

olierook@feltz.nl

Betreft:

Kooijman / BP Kern en Plassen (Rotterdam)

Geachte Commissie, Cliënten hebben kennisgenomen van het raadsvoorstel met daarin een reactie op hun zienswijze (met nummer 5). Zij wensen als volgt daarop te reageren, waarbij de dezelfde nummering zal worden aangehouden zoals in het raadsvoorstel. 5.1) In hun zienswijze hebben cliënten erop gewezen dat de vergunde villa aan de C.N.A. Looslaan 9 niet is gerealiseerd, alsmede dat in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan tot uitdrukking komt dat deze villa ook niet zal worden gerealiseerd. Er is derhalve geen sprake van bestaand legaal gebruik. Cliënten missen derhalve een toereikende motivering voor voorliggende bestemmingswijziging, omdat deze bestemmingswijziging geschiedt ten behoeve van een project dat niet wordt uitgevoerd.

Met de hiervoor weergegeven reactie is de gevraagde motivering alsnog niet gegeven. Er wordt simpelweg volstaan met de stelling dat de vergunning nog rechtsgeldig is. De raad DMS03-405022484-139

laat echter na te oordelen over de uitvoerbaarheid van de bestemming. Bovendien is er meer bestemd dan er was vergund. Zo wordt niet de bouw van een villa mogelijk gemaakt,

maar (ook) de bouw van een omvangrijker appartementengebouw. Van één-op-éeninpassing is geen sprake. De enkele verwijzing in de reactie naar de verleende vergunning volstaat derhalve niet. Cliënten gaan hier onder 5.3 verder op in. Cliënten vragen zich tevens af welke mogelijkheden de gemeente ziet voor de beoogde (ruimere) bouwmogelijkheden. In november 2020 heeft de eigenaar namelijk een bespreekplan voor twee flatgebouwen gezonden aan de gemeente en omwonenden. Deze flatgebouwen zijn zowel qua locaties als qua hoogten strijdig met de maten, die in de verbeelding staan. Cliënten hebben ook zeker bezwaar tegen het realiseren van flatgebouwen op deze locatie. In juli 2022 is daarna opdracht gegeven aan een makelaar om het object (grond, water en de te bouwen villa) te verkopen voor een bedrag van circa € 25.000.000, een bedrag dat zo irreëel hoog is, dat de kans op verkoop binnen enige jaren nagenoeg nihil is. Zo bezien bestaat er geen zicht op het realiseren van de beoogde bestemming binnen de planperiode. Het is onder die omstandigheden niet aanvaardbaar om de ter plaatse geldende bestemming te wijzigen, terwijl er daarnaast meerdere redenen zijn om er juist vanaf te zien. Cliënten verwijzen naar hun zienswijze en de opmerking hierna ten aanzien van het aanpassen van de beschermde oeverlijn en de beeldkwaliteit van de omgeving.

Met voornoemde reactie wordt verder miskend dat het niet alleen zou moeten gaan om de realisatie van een woon- en tuinbestemming, maar ook om de daaraan gekoppelde waterbestemming. Er is namelijk al jaren sprake van een illegale situatie waarin er oppervlaktewater is gedempt ten behoeve van het vergunde project, zonder de daarvoor benodigde compensatie af te graven. Dit roept bij cliënten de vraag op hoelang de gemeente nog wil toestaan dat de betonnen bakken de oever ontsieren en gedogen dat de watergangen, die onderdeel zijn van de omgevingsvergunning niet worden gegraven? 5.2) Cliënten geven in hun zienswijze aan dat de oeverlijn, zoals opgenomen in het huidige bestemmingsplan, volgens gemeentelijk beleid moet worden beschermd. In het ontwerpbestemmingsplan ontbreekt een motivering waarom het verplaatsen van de oeverlijn met 16 meter ten behoeve van de in het plan voorziene (verruimde) bouwmogelijkheden nog aanvaardbaar kan worden geacht. Cliënten verzoeken uw raad om niet in te stemmen met de wijziging van deze waardevolle oeverlijn met 16 meter. Het wijzigen van de beschermde oeverlijn is volgens cliënten ook geen vereiste om woningbouw op dit perceel toe te (kunnen) staan, terwijl dit ook een afbreuk van de beeldkwaliteit van het gebied zal betekenen.

2/5

In het raadvoorstel wordt in ieder geval erkend dat de oeverlijn landschappelijk waardevol is. Uit de betonnen kelderbakken, die er nu al meer dan drie jaar liggen, blijkt niet dat de gemeente de oeverlijn in de praktijk als landschappelijk waardevol behandelt. Eerder is het tegendeel het geval. Daarna wordt in voornoemde reactie helaas slechts volstaan met een opmerking dat er op uitvoeringsniveau afspraken zouden zijn gemaakt. Met deze reactie wordt niet alsnog een rechtvaardiging voor de wijziging van de oeverlijn gegeven. De uitvoering van de verleende omgevingsvergunning wordt kennelijk weer tot uitgangspunt genomen, terwijl duidelijk is dat daar geen uitvoering aan zal worden gegeven en het bestemmingsplan voorziet in meer bouwmogelijkheden dan er op basis van vergunning mogelijk is. Bovendien dient de raad ruimtelijke voorwaarden in een bestemmingsplan op te nemen en niet in private afspraken die niet verifieerbaar, controleerbaar en door derden af te dwingen zijn. 5.3) Zoals hiervoor reeds tot uitdrukking gebracht, voorziet het ontwerpplan juist niet in een éénop-één-inpassing van de verleende (niet uitgevoerde) omgevingsvergunning. De gemeente blijft echter in die stelling volharden:

Cliënten lezen daarbij in het raadsvoorstel in de reactie bij 1.8 tevens dat wordt voorgesteld om de (ook door cliënten aangehaalde) toelichting van het bestemmingsplan aan te passen. Het volgende zou daaraan moeten worden toegevoegd: “Op de verbeelding zijn twee

vlakken aangegeven (met een totaaloppervlak van 950 m2) waar de bestemming Wonen geldt. De maximale goothoogten van 3 en bouwhoogten van respectievelijk 10 en 7 meter bepalen het maximale bouwvolume van circa 5.700 m3.” De hiervoor opgenomen reactie is (dus) feitelijk onjuist. Het geprojecteerde bouwvlak mag volgens het bestemmingsplan namelijk volledig worden bebouwd ten behoeve van meer dan

3/5

één woning. In het plan zijn geen hellingshoeken opgenomen voor te realiseren daken, zodat ondanks de regels over een goothoogte van maximaal 3 meter er een ruimer bouwvolume kan worden gecreëerd op hogere verdiepingen dan de vergunde villa. Volgens de ruimtelijke onderbouwing van de verleende omgevingsvergunning hebben de gebouwen een bebouwd oppervlak van 878 m2, hetgeen dus kleiner is dan de door de gemeente genoemde (en dus ruimere) 950 m2 aan totaaloppervlak. Daarnaast voorziet de tuinbestemming ook in bouwmogelijkheden om de te realiseren woningen uit te breiden met verschillende omvangrijke aanbouwen. Deze reactie laat dus zien dat bij het opstellen van het bestemmingsplan niet goed voor ogen staat dat wat er precies ruimtelijk wordt mogelijk gemaakt. Wanneer daar geen zicht op bestaat, kan van een deugdelijke ruimtelijke afweging evenmin sprake zijn. Deze reactie doet bij cliënten tevens de vraag oproepen hoe de kelderbakken, die zich al in het gebied bevinden en deels buiten de woonbestemming met bouwvlak zijn gepositioneerd, zich tot het te realiseren maximale bouwvolume verhouden. Het lijkt er op dat er niet wordt ingezien dat die kelderbakken ook bij het bouwvolume moeten worden betrokken. Er ontbreken ook regels voor ondergronds bouwen.

Wanneer de raad van oordeel is dat er alleen binnen de woonbestemming gebouwd zou moeten worden, dan dient de tuinbestemming te worden aangepast. Binnen deze tuinbestemming zijn namelijk ruime “aanbouwen en bijgebouwen ten behoeve van een woning die krachtens een aangrenzende

woonbestemming is toegelaten” toegestaan. Er wordt dus of i) niet een reëel beeld geschetst van de maximale bouwmogelijkheden of ii) het bestemmingsplan voorziet ten onrechte in die aanvullende bouwmogelijkheden, terwijl dat niet bedoeld en ongewenst is. Dit vraagt hoe dan ook aanpassing van het plan. 5.4) Cliënten hebben zich in hun zienswijze op het standpunt gesteld, in aansluiting op voornoemde stellingen ten aanzien van het wijzigen van de oeverlijn met 16 meter, dat de waterbestemming die moet voorzien in compensatie op zichzelf onaanvaardbaar is. Subsidiair hebben cliënten erop gewezen dat er wél al oppervlaktewater is gedempt, maar de compensatie nog niet is gerealiseerd, zodat ten minste een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het graven van oppervlaktewater in het plan moet worden opgenomen.

In de reactie wordt (dus) ten onrechte gesteld dat de demping van water is gecompenseerd. Het opnemen van een waterbestemming is daarvoor onvoldoende, omdat er geen

4/5

verplichting tot realisatie van die waterbestemming geldt. Er is evenwel geen enkel bezwaar benoemd tegen de voorgestelde voorwaardelijke verplichting, terwijl wel wordt erkend dat voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de demping de realisatie van compensatiewater is vereist. Het geëigende middel om deze ontwikkelingen aan elkaar te koppelen, is een voorwaardelijke verplichting. Cliënten kunnen niet volgen waarom de gemeente daar van af ziet. Cliënten herhalen daarom ook nu weer hun subsidiaire verzoek. In de reactie wordt verder benoemd dat de te graven gracht een natuurlijke erfgrens vormt, zodat een hoge afschermende haag niet nodig is, als gevolg waarvan het zicht op de plas zou worden ontnomen. Cliënten kunnen dit evenmin volgen. Het ontwerpbestemmingsplan maakt binnen de tuinbestemming namelijk die onwenselijke haag ruimtelijk mogelijk, naast allerlei andere bouwmogelijkheden waaronder een erfafscheiding. Als de raad een rechtvaardiging voor de gracht ziet in het behouden kunnen blijven van zichtlijnen, dan had de raad de gebruiks- en bouwmogelijkheden dienovereenkomstig moeten beperken. Dat is dus niet gedaan. Slotsom Al met al krijgen cliënten de indruk dat een bestemmingsplanwijziging voor de locatie C.N.A.

Looslaan 9 wordt voorgesteld, zonder dat voor de gemeente duidelijk is wat er precies wordt toegestaan, waarom het wordt (en kan worden) toegestaan en of het überhaupt uitvoerbaar is. De enige aanleiding voor de voorgestelde wijziging is de eerder verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een villa. Deze villa wordt echter, ook volgens de gemeente zelf, niet meer gebouwd. Het opnemen van die vergunning in een bestemmingsplan is dan in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Anders dan een vergund project, is een bestemmingsplan namelijk voor herhaalde toetsing vatbaar. Dit betekent dat er verschillende, van het vergunde project afwijkende, bouwplannen aan het bestemmingsplan kunnen worden getoetst en vergund. Dit vraagt om een gedegen ruimtelijke afweging, die nu ontbreekt. Als de gemeente echter andere bouwplannen ruimtelijk mogelijk wenst te maken, dient zij dat eerst gedegen in kaart te brengen en de gevolgen daarvan dus ruimtelijk af te wegen. Eerst dan behoort een bestemmingsplanwijziging aan de orde te zijn. Niet nu. Cliënten verzoeken de raad dan ook om niet met de voorgestelde planregeling voor deze locatie in te stemmen. Hoogachtend,

S.T.J. Olierook

5/5

Schriftelijke bijdrage hoorzitting bestemmingsplan kern en Plassen op 4 oktober 2022 Reclamant 7

Van: Marius Meurs Verzonden: donderdag 22 september 2022 10:48 Aan: Ferreira N.M. (Natalia) CC: Binda M.R.D. (Madhoe) Onderwerp: RE: Uitnodiging hoorzitting zienswijzen BP Kern en Plassen op 4 oktober 2022 Geachte mevrouw Ferreira, Ik kan u hierbij mededelen dat ik geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om mijn zienswijze (nr. 7) mondeling toe te lichten. De punten die ik in mijn zienswijze heb ingebracht zijn voldoende en adequaat behandeld. Wat betreft punt 7.1 (Beeldkwaliteitsplan Botenhuizen ontbreekt) heb ik dit plan inderdaad van u ontvangen, waarvoor mijn dank. Punt 7.2 (Vereisten voor doorvaart bij (aanleg) overkappingen botenhuizen lijken te ontbreken) is gegrond verklaard en de tekst van de aanpassing moet voldoende waarborg bieden om goede doorvaart te bewerkstelligen. Ook ten aanzien van punt 7.3 ( Vereisten voor bestaande en nieuwe bouwwerken uit hoofde van het Beeldkwaliteitsplan gelijk?) is mij voldoende duidelijk dat er slechts in zeer uitzonderlijke situaties van zal worden afgeweken. Met vriendelijke groet, Marius C. Meurs

Bestemmingsplan Kern en Plassen 4 oktober 2022 Reclamant 9 – inspreekbijdrage

Geachte Commissieleden. Allereerst dank voor deze mogelijkheid om persoonlijk te ageren op het voorgenomen bestemmingsplan. Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om mijn eerder bezwaar toe lichten dan wel vraagtekens te plaatsen bij de twee volgende percelen.

1: Perceel HLG03 15 (bron Kadasterdata) Wil graag beginnen met het goed nieuws. In de voorlopige plan is naar aanleiding van ons eerder bezwaarschrift dd 22 december 2021 een ligplaats voor onze woonark “ingetekend”. Was door voor ons onverklaarbare redenen niet bestemd ondanks de woonark legaal als minimaal 60 jaar daar ligt. Echter blijkt dat het perceel waaraan de woonark is gelegen nog steeds als GROEN te zijn aangeduid in het voorstel. U stelt dat dit terecht is omdat het perceel eigendom is van de gemeente. En in 1995 is in de huurovereenkomst zijn overeengekomen dat de huurder dit deel van het perceel als siertuin mag gebruiken. De overeenkomst is helaas nergens te vinden. Bij de huurder maar ook bij de gemeente blijkt deze overeenkomst onvindbaar. Om deze reden, in elk geval tot het moment dat deze huuroverkomst anders doet besluiten, stellen wij voor het deel als Recreatief te bestempelen. (perceel wordt overigens als woonadres gebruik en niet recreatief, maar dat terzijde) Het overige (noordelijke) deel van het perceel is sinds jaar en dag een plantsoen. Wat ondanks het klaarblijkelijke belang van groen langs de Bergse Voorplas – al jaren wordt verwaarloosd door de deelgemeente. Terwijl het “groen” zo belangrijk zou zijn….

Bestemmingsplan Kern en Plassen 4 oktober 2022 Reclamant 9 – inspreekbijdrage

Wij vragen u derhalve wederom om uw zienswijze over de bestemming van dit perceel te heroverwegen en het stuk, in elk geval het deel waar de woonark aan grenst, als Recreatief te bestempelen.

2. Perceel HLG03 405 (bron Kadasterdata) Dit perceel is eigendom en heeft als doel/functie jachthaven en nutstuin. Dat komt ook overeen met wat in het bestemmingsplan is getekend en beschreven staat. Echter ligt daar eveneens sinds jaar en dag een woonboot. Deze werd recentelijk permanent bewoond door de – laten we deze personen de opzichters noemen. Telefonisch (met dhr Volman) is ons al geprobeerd uit te leggen dat de woonboot niet als zodanig wordt beschouwd en daarom er geen formele ligplaats is ingetekend in dit voorgenomen bestemmingsplan. Met dit betuig willen wij u dit besluit ook in heroverweging te nemen. (Stikt genomen is deze woonboot op verzoek van de gemeente daar komen te liggen. In de tijd dat er aan de Weissenbruchlaan woningen/detailhandel moest komen, lagen er woonboten aan de oever van de Weissenbruchlaan. De gemeente heeft destijds aan onze familie gevraagd over een van de woonboten in onze jachthaven mocht liggen. Wij hebben akkoord gegeven maar blijkbaar is dit niet als zodanig in het toenmalige bestemmingsplan opgenomen) Als u daar niet in mee wenst te gaan, is mijn vraag in hoeverre de gemeente bezwaar heeft tegen het tzt verhalen van de woonark nu liggend op de legale locatie naar de locatie binnen de grenzen van R-JPH in de verbeelding van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Kern en Plassen 4 oktober 2022 Reclamant 9 – inspreekbijdrage

Kort samengevat: • Mbt perceel Strekkade 58: Deel “groen” waaraan woonark is gelegen aanpassen naar in elk geval recreatie. • Mbt perceel strekkade 62: de plaats waar nu de woonboot ligt als mogelijk (reserve) ligplaats aan te duiden. Dit vanwege de huidige veronderstelling dat de woonark aan Strekkade 58 in de toekomst moet worden verwijderd. Dit is overigens niet bewezen omdat wij wachtend zijn op de huurovereenkomst. Voor de duidelijkheid: wij willen geen tweede ligplaats aanvaren dus! Bedankt voor de aandacht en succes met maken van uw besluit

Schriftelijke bijdrage hoorzitting bestemmingsplan kern en Plassen op 4 oktober 2022 Reclamant 10

Van: bram apon <bramapon1@gmail.com> Verzonden: woensdag 21 september 2022 13:56 Aan: Ferreira N.M. (Natalia) <n.ferreira@griffie.rotterdam.nl> Onderwerp: Reactie op uitnodiging hoorzitting B. Apon / Zienswijze 10 – Strekkade 35 / Uw kenmerk: 22gr000224R Roterdam 21-10-2022 Geachte Subcommissie Bestemmingsplannen, geachte heer of mevrouw Binda, Dank voor uw uitnodiging voor de hoorzitting ‘zienswijzen BP Kern en Plassen’ op 4 oktober 2022. Hierbij laat ik u weten dat ik geen gebruik wens te maken van de mogelijkheid om fysiek gehoord te worden tijdens de hoorzitting. Wel maak ik graag gebruik van de mogelijkheid om een schriftelijke inspraakreactie toe te sturen en dat doe ik hierbij: Ik verzoek u het definitieve Bestemmingsplan Kern en Plassen ten aanzien van mijn perceel aan de strekkade 35 ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan aan te passen conform het bepaalde in mijn zienswijze, althans conform het bepaalde in het door het college van burgemeesters en wethouders opgestelde raadsvoorstel 22bb005005. Bij voorbaat dank. Ik maak ook graag gebruik van de geboden mogelijkheid om de vergadering bij te wonen vanaf de publieke tribune. Bij voorbaat dank voor de door u aan deze brief bestede aandacht. Met vriendelijke groet, Bram Apon.

Bestemmingsplan Kern en Plassen, hoorzitting op 4 oktober 2022 Schriftelijke reactie reclamant 15

Geachte mevrouw Binda, Zoals eerder aangegeven kan ik niet namens BIZ Hillegersberg onze ingediende zienswijze op 4 oktober toelichten. De heer Von Weiler (reclamant 15) zal wel aanwezig zijn en ook op onze zienswijze ingaan. Fijn dat ik nog de gelegenheid heb gekregen schriftelijk onze zienswijze toe te lichten. TOELICHTING ZIENSWIJZE: Ten behoeve van het realiseren van vitale kernen is het soms nodig voor niet vitale delen van een kern andere bestemmingen dan detailhandel mede mogelijk te maken. De komst van voorzieningen in het niet-vitale deel die ook potentiële klanten trekken voor het vitale deel hebben de voorkeur, zoals dienstverlening, zorg, sport, horeca. Natuurlijke voorwaarde om een transformatie succesvol te kunnen doen zijn is dat pandeigenaren in de niet-vitale delen meewerken. In bestemmingsplannen is nu uitgesloten dat in transformatiegebieden detailhandel kan terugkomen. IN ONZE ZIENSWIJZE PLEITEN WE ER VOOR DAT DETAILHANDEL NA EEN TRANSITIE WEL KAN TERUGKEREN. Waarom dat nu uitsluiten? De toekomst is voor iedereen onduidelijk. Natuurlijk is niet gezegd dat detailhandel terugkomt, voor een transitie worden hoge kosten gemaakt en weer terug naar detailhandel brengt weer hoge kosten met zich. Dat zal een pandeigenaar niet snel doen. Daar zal stevig over worden nagedacht.

Terugtransitie naar detailhandel zal in de praktijk dus niet snel voorkomen, maar het uitsluiten van terugtransitie heeft wel grote gevolgen. Een vastgoedeigenaar wil wellicht niet meewerken aan een (noodzakelijke) transformatie als nu al is bepaald dat zijn pand nooit meer detailhandel mag zijn. Dan laat hij het wellicht nu liever detailhandel… Het verbod op terugtransitie naar detailhandel dient echt geen enkel doel, het is contraproductief. Jan Cees van Duin, voorzitter BIZ Hillegersberg

2019139/JR/np

hoorzitting subcommissie

INSPREEKNOTITIE MR. JG.M. ROIJERS

Bestemmingsplannen

datum: 4 oktober 2022

ter toelichting op de zienswijze van:

kenmerk: reclamant 11

de heer P.M.J.H. VAN DOORNE, wonende te Rotterdam, gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers

betreffende

het

ontwerp-bestemmingsplan

"Kern en Plassen"

*********************************** Mijnheer/mevrouw de Voorzitter, geachte commissieleden,

Bouwoppervlak

In zijn zienswijze heeft reclamant voor zijn perceel aan de Strekkade 32B gemotiveerd bepleit om zijn bebouwingsmaximum te verhogen tot 68,3 m2. In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om vast te houden aan een bebouwingsmaximum van 40 m2.

Ten onrechte is daartoe in het raadsvoorstel een motivering gekozen, die enkel en alleen is afgestemd op het beroep van reclamant op de in 2018 voor het perceel Strekkade 36 verleende vergunning met een bebouwingsoppervlak van 68,3 m2. Reclamant heeft zich in de motivering van zijn zienswijze evenwel niet alleen beperkt tot die vergunningverlening uit 2018. Reclamant heeft zich er immers eerst en vooral op beroepen, dat het bebouwingsmaximum van 40 m2 is ontleend aan de interne bouwregels, die Watersportvereniging "Ons Buiten" meer dan 15 jaar geleden hanteerde voor haar leden ter zake van de perceeltjes op de eilanden in de Bergse Achterplas. Een bebouwingsmaximum van 40 m2 was destijds wellicht passend in relatie tot de beperkte omvang van die perceeltjes op de eilanden in de Bergse Achterplas, maar is daarmee nog geen deugdelijke planologische grondslag voor het vaststellen in 2022 van een bebouwingsmaximum voor de recreatieve percelen aan de Strekkade.

Reclamant heeft in zijn zienswijze (via het als bijlage 4 bijgevoegde excel-overzicht) concreet aangetoond, dat volgens het thans geldende bestemmingsplan op de eilanden in de Bergse Achterplas gemiddeld een maximum bouwoppervlak is toegestaan van 54 m2. In dat licht bezien valt niet te rechtvaardigen, dat voor het perceel van reclamant aan de

De Bok Roijers Gasseling advocaten

2

Strekkade zou worden volstaan met een maximum bebouwingsoppervlak van 40 m2, te meer niet nu zijn perceel veel groter is dan het gemiddelde perceel op de eilanden in de Bergse Achterplas (zeker ruim twee keer zo groot).

Het perceel van reclamant aan de Strekkade 32B is (exclusief water) ook wezenlijk groter (ook meer dan twee keer zo groot) dan het totale grondoppervlak van het perceel Strekkade 36, waarvoor dus nog in 2018 een maximaal bebouwingsoppervlak van 68,3 m2 is gegund.

Reclamant blijft daarom al met al van oordeel, dat voor zijn perceel niet een bebouwingsoppervlak van slechts 40 m2 zou moeten gelden, maar een bebouwingsmaximum van minstens 68,3 m2, althans van in ieder geval 54 m2.

Een dergelijk groter bebouwingsmaximum is mede gerechtvaardigd, omdat ten opzichte van het oorspronkelijke plan de mogelijkheid van de realisering van boothuizen aan de Strekkade is verdwenen.

In het ontwerp wordt op het perceel van reclamant een veranda toegelaten van 12 m2. Reclamant meent dat dit een te beperkte maatvoering is, omdat die maatvoering onvoldoende is om uit de zon en de regen te kunnen zitten. Reclamant pleit voor het toestaan van een maximum oppervlak voor de veranda van 20 m2. Gezien de ligging van de recreatiewoning van reclamant zal dat niet leiden tot verbreding van het bebouwingsfront aan de waterzijde. Daarom is de gevraagde aanpassing naar de mening van reclamant aanvaardbaar op basis van de maatstaf van goede ruimtelijke ordening.

Aanlegsteiger

Op de verbeelding is ter plaatse van het waterdeel van het perceel van reclamant de aanduiding "aanlegsteiger" opgenomen. Op grond daarvan kunnen aldaar (zie artikel 21.2.1 sub d) "aanlegsteigers die functioneel en in tact zijn gehandhaafd blijven en mogen zijn de grootte behouden die zij hebben".

Reclamant meent dat dit voorschrift van artikel 21.2.1 sub d zodanig moet worden aangepast, dat hij zijn huidige aanlegsteiger (bijvoorbeeld ingeval van verrotting) ook geheel of gedeeltelijk kan vernieuwen door een aanlegsteiger van dezelfde afmetingen.

De Bok Roijers Gasseling advocaten

3

Conclusie

Reclamant verzoekt (i) om het toegestane

bebouwingsoppervlak te vergroten

tot

68,3 m2 althans 54 m2, alsmede (ii) om hem de mogelijkheid te geven om zijn huidige aanlegsteiger zo nodig geheel of gedeeltelijk te vervangen met behoud van de thans toegestane afmetingen.

Deze zaak wordt behandeld door mr. J.G.M. Roijers, De Bok Roijers Gasseling Advocaten, Postbus 21548, 3001 AM Rotterdam, tel.: +31 10 282 29 98, fax: +31 10 282 29 90, e-mail: roijers@debok.com

De Bok Foijers Gasseling advocaten

2018334/JR/np

hoorzitting subcommissie

INSPREEKNOTITIE MR. JG.M. ROIJERS

Bestemmingsplannen

datum: 4 oktober 2022

ter toelichting op de zienswijze van:

kenmerk: reclamant 12

de heer J.L. BROCADES ZAALBERG, wonende te Rotterdam, gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers

betreffende

het

ontwerp-bestemmingsplan

"Kern en Plassen"

*********************************** Mijnheer/mevrouw de Voorzitter, geachte commissieleden,

Bouwhoogte

Verduidelijking van de bouwregel ten aanzien van de toegestane bouwhoogte

De zienswijze van reclamant betreft het perceel Strekkade 52, waarvoor de bestemming "Recreatie- 2" is voorzien. Artikel 21.1 sub a bepaalt dat de betreffende gronden zijn bestemd voor (i) recreatiewoningen, (ii) daarbij behorende bijgebouwen en (iii) daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In artikel 21.2 zijn er sub h respectievelijk sub i alleen bouwregels opgenomen voor de bouwhoogte van recreatiewoningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In feite ontbreekt er daarmee een bouwregel voor de hoogte van bij een recreatiewoning behorende bijgebouwen.

Reclamant stelt daarom voor om de bouwregel van artikel 21.2 sub h zodanig te wijzigen, dat expliciet wordt vermeld dat de betreffende bouwhoogteregel geldt voor een recreatiewoning én voor bij een recreatiewoning behorende bijgebouwen.

Toegestane bouwhoogte voor recreatiewoningen

In zijn zienswijze heeft reclamant bepleit, dat voor de bebouwing op zijn perceel een maximale bouwhoogte wordt toegestaan van 3,5 meter. In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om die zienswijze ongegrond te verklaren. Daartoe wordt overwogen:

De Bok Roijers Gasseling advocaten

2

"Door gebouwen hoger dan 3,0 meter toe te staan ontstaat de mogelijkheid dat deze in het zicht komen, dus boven de haag uitsteken. Dit is vanuit landschappelijk oogpunt ongewenst".

Reclamant acht dit vanuit de maatstaf van goede ruimtelijke ordening geen deugdelijke motivering. De hoogte van ter plaatse aanwezige hagen is in het bestemmingsplan niet voorgeschreven. Daardoor kan ook bebouwing van een hoogte van 3,0 meter boven een haag uitsteken. Nog belangrijker is, dat de hoogte van de hagen aan de Strekkade op veel plaatsen hoger zijn dan 3,5 meter (ten opzichte van het maaiveld van die percelen).

Reclamant wijst er voorts op, dat er sedert de vaststelling van het huidige bestemmingsplan tot tweemaal toe vergunning is verleend voor recreatiewoningen aan de Strekkade met een hoogte van 3,5 meter, te weten voor de percelen 32B en 36. De laatstbedoelde vergunning dateerde van 7 september 2018 en daarbij is toen overwogen:

a.

dat bebouwing met een hoogte van 3,5 meter aan de Strekkade in de praktijk door bomen en overige beplanting niet of nauwelijks waargenomen zal kunnen worden;

b.

dat binnen een maximale hoogte van 3,0 meter zeer weinig te realiseren is dat architectonisch net iets interessanter is dan de huidige sleetse bebouwing aan de Strekkade;

c.

dat een iets hogere bebouwing van 3,5 meter een goede aanzet kan zijn tot vernieuwing van deze strook;

d.

dat een bouwhoogte van 3,5 meter daarmee ruimtelijk niet op onoverkomelijke bezwaren stuit.

Op grond van de hiervoor bedoelde vergunningen van 2011 en 2018 is er dus al op twee plaatsen aan de Strekkade bebouwing van recreatiewoningen met een bouwhoogte van 3,5 meter gerealiseerd. Daarnaast is er volgens bijlage 5 bij het ontwerp op het perceel Strekkade 60 ook een bijgebouw toegestaan met een hoogte van meer dan 3 meter.

Al met al meent reclamant dat er in het kader van een uniforme, planologisch verantwoorde regeling uitgegaan zou moeten worden van een maximale bouwhoogte voor recreatiewoningen aan de Strekkade van 3,5 meter. Reclamant bestrijdt dat een dergelijke bouwhoogte een "aantasting van het luchtige beeld" zou opleveren.

De Bok Roijers Gasseling advocaten

3

Toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen

In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om de maximale bouwhoogte voor het perceel van reclamant voor de recreatiewoning op 3,0 meter te stellen, maar voor het bijgebouw te beperken tot een maximale bouwhoogte van 2,5 meter. Enige onderbouwing daarvoor wordt niet gegeven.

Blijkens bijlage 5 bij het ontwerp zijn er thans diverse percelen aan de Strekkade met bijgebouwen die hoger zijn dan 2,5 meter, variërend van 2,6 tot 3,2 meter.

Conclusie

Reclamant verzoekt om de bouwregel van artikel 21.2 sub h aan te passen ten behoeve van een planologisch verantwoorde en uniforme regeling voor de bouwhoogte aan de Strekkade. Die bepaling sub h zou daartoe moeten gaan luiden:

"de bouwhoogte van een recreatiewoning en van een daarbij behorend bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,5 meter boven maaiveld"

Deze zaak wordt behandeld door mr. J.G.M. Roijers, De Bok Roijers Gasseling Advocaten, Postbus 21548, 3001 AM Rotterdam, tel.: +31 10 282 29 98, fax: +31 10 282 29 90, e-mail: roijers@debok.com

De Bok Roijers Gasseling advocaten

4

De Bok Poijers Gasseling advocaten

2019545/JR/np

hoorzitting subcommissie

INSPREEKNOTITIE MR. JG.M. ROIJERS

Bestemmingsplannen

datum: 4 oktober 2022

ter toelichting op de zienswijze van:

kenmerk: reclamant 13

mevrouw E.B. LEEMREIS en de heer O.A.G. CIOLINA, beiden wonende te Rotterdam, hierna te noemen: "reclamant" gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers

betreffende

het

ontwerp-bestemmingsplan

"Kern en Plassen"

*********************************** Mijnheer/mevrouw de Voorzitter, geachte commissieleden,

Bouwoppervlak

Reclamant heeft ten behoeve van zijn perceel aan de Strekkade 53 in zijn zienswijze gepleit voor verhoging van het bebouwingsmaximum tot minstens 68,3 m2. In het raadsvoorstel wordt gesteld om de betreffende zienswijze van reclamant gegrond te verklaren door in het bestemmingsplan een aanvullende bepaling op te nemen, op grond waarvan het college van B&W een afwijkingsbevoegdheid krijgt zoals in het raadsvoorstel sub 10.1 is verwoord.

Reclamant kan met een dergelijke afwijkingsbevoegdheid instemmen.

Bouwhoogte

In zijn zienswijze heeft reclamant verder verzocht om voor zijn perceel een maximale bouwhoogte toe te staan van 3,5 meter. Ten onrechte is hierop in het raadsvoorstel in het geheel niet ingegaan.

Verduidelijking van de bouwregel ten aanzien van de toegestane bouwhoogte

De zienswijze van reclamant betreft het perceel Strekkade 53, waarvoor de bestemming "Recreatie- 2" is voorzien. Artikel 21.1 sub a bepaalt dat de betreffende gronden zijn

De Bok Roijers Gasseling advocaten

2

bestemd voor (i) recreatiewoningen, (ii) daarbij behorende bijgebouwen en (iii) daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In artikel 21.2 zijn er sub h respectievelijk sub i alleen bouwregels opgenomen voor de bouwhoogte van recreatiewoningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In feite ontbreekt er daarmee een bouwregel voor de hoogte van bij een recreatiewoning behorende bijgebouwen.

Reclamant stelt daarom voor om de bouwregel van artikel 21.2 sub h zodanig te wijzigen, dat expliciet wordt vermeld dat de betreffende bouwhoogteregel geldt voor een recreatiewoning én voor bij een recreatiewoning behorende bijgebouwen.

Toegestane bouwhoogte voor recreatiewoningen

In zijn zienswijze heeft reclamant bepleit, dat voor de bebouwing op zijn perceel een maximale bouwhoogte wordt toegestaan van 3,5 meter. In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om die zienswijze ongegrond te verklaren. Daartoe wordt overwogen:

"Door gebouwen hoger dan 3,0 meter toe te staan ontstaat de mogelijkheid dat deze in het zicht komen, dus boven de haag uitsteken. Dit is vanuit landschappelijk oogpunt ongewenst".

Reclamant acht dit vanuit de maatstaf van goede ruimtelijke ordening geen deugdelijke motivering. De hoogte van ter plaatse aanwezige hagen is in het bestemmingsplan niet voorgeschreven. Daardoor kan ook bebouwing van een hoogte van 3,0 meter boven een haag uitsteken. Nog belangrijker is, dat de hoogte van de hagen aan de Strekkade op veel plaatsen hoger zijn dan 3,5 meter (ten opzichte van het maaiveld van die percelen).

Reclamant wijst er voorts op, dat er sedert de vaststelling van het huidige bestemmingsplan tot driemaal toe vergunning is verleend voor recreatiewoningen aan de Strekkade met een hoogte van 3,5 meter, te weten voor de percelen 32B, 39 en 36. De laatstbedoelde vergunning dateerde van 7 september 2018 en daarbij is toen overwogen:

a.

dat bebouwing met een hoogte van 3,5 meter aan de Strekkade in de praktijk door bomen en overige beplanting niet of nauwelijks waargenomen zal kunnen worden;

b.

dat binnen een maximale hoogte van 3,0 meter zeer weinig te realiseren is dat architectonisch net iets interessanter is dan de huidige sleetse bebouwing aan de Strekkade;

De Bok Poijers Gasselng advocaten

3

c.

dat een iets hogere bebouwing van 3,5 meter een goede aanzet kan zijn tot vernieuwing van deze strook;

d.

dat een bouwhoogte van 3,5 meter daarmee ruimtelijk niet op onoverkomelijke bezwaren stuit.

Op grond van de hiervoor bedoelde vergunningen van 2011 en 2018 is er dus al op twee plaatsen aan de Strekkade bebouwing van recreatiewoningen met een bouwhoogte van 3,5 meter gerealiseerd. Daarnaast is er volgens bijlage 5 bij het ontwerp op het perceel Strekkade 60 ook een bijgebouw toegestaan met een hoogte van meer dan 3 meter.

Al met al meent reclamant dat er in het kader van een uniforme, planologisch verantwoorde regeling uitgegaan zou moeten worden van een maximale bouwhoogte voor recreatiewoningen aan de Strekkade van 3,5 meter. Reclamant bestrijdt dat een dergelijke bouwhoogte een "aantasting van het luchtige beeld" zou opleveren.

Indien de Gemeenteraad al van oordeel zou zijn dat de maximale bouwhoogte moet worden beperkt tot 3,0 meter, dan meent reclamant dat het dan ter compensatie- en mede ook in relatie tot het ter plaatse toegestane bouwoppervlak van 70 m2 - vanuit planologisch oogpunt redelijk zou zijn om ondergrondse bouwactiviteiten toe te staan tot een diepte van maximaal 0,5 meter onder maaiveld.

Toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen

In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om de maximale bouwhoogte voor het perceel van reclamant voor de recreatiewoning op 3,0 meter te stellen, maar voor het bijgebouw te beperken tot een maximale bouwhoogte van 2,5 meter. Enige onderbouwing voor dat verschil in bouwhoogte wordt niet gegeven.

Blijkens bijlage 5 bij het ontwerp zijn er thans diverse percelen aan de Strekkade met bijgebouwen die hoger zijn dan 2,5 meter, variërend van 2,6 tot 3,2 meter.

Reclamant meent daarom dat ook voor bijgebouwen een bouwhoogte van 3,5 meter moet worden gehanteerd.

In de bouwregel van artikel 21.2 sub i is bepaald, dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet hoger mogen zijn dan 2 meter. Naar het oordeel van reclamant kwalificeert de in

De Bok Roijers Gasseling advocaten

4

bijlage 5 voor zijn perceel Strekkade 53 opgenomen "luifel" als een dergelijk bouwwerk, geen gebouw zijnde. Volgens die bijlage is een dergelijke luifel toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2,5 meter.

Reclamant meent dat die uitzondering ter hoogte van 2,5 meter expliciet moet worden opgenomen in de bepaling van artikel 21.2 sub i.

Conclusie

Reclamant kan instemmen met de voorgestelde afwijkingsbevoegdheid voor wat betreft het bouwoppervlak.

Voor wat betreft de bouwhoogte houdt reclamant vast aan zijn aanspraak op een uniforme regeling voor een bouwhoogte voor recreatiewoningen en de daarbij behorende bijgebouwen van 3,5 meter en de bouwregel van artikel 21.2 sub h als volgt te laten luiden:

"de bouwhoogte van een recreatiewoning en een daarbij behorend bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,5 meter boven maaiveld".

Voor bij de recreatiewoning behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde dient de uitzondering terzake van de bouwhoogte van de luifel expliciet in artikel 21.2 sub i te worden opgenomen.

Deze zaak wordt behandeld door mr. J.G.M. Roijers, De Bok Roijers Gasseling Advocaten, Postbus 21548, 3001 AM Rotterdam, tel.: +31 10 282 29 98, fax: +31 10 282 29 90, e-mail: roijers@debok.com

De Bok Poijers Gasseling advocaten

2020190/JR/np

hoorzitting subcommissie

INSPREEKNOTITIE MR. JG.M. ROIJERS

Bestemmingsplannen

datum: 4 oktober 2022

ter toelichting op de zienswijze van:

kenmerk: reclamant 14

de heer C.R. OUWERKERK, wonende te Rotterdam, gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers

betreffende

het

ontwerp-bestemmingsplan

"Kern en Plassen"

***********************************

Mijnheer/mevrouw de Voorzitter, geachte commissieleden,

Bouwoppervlak

Reclamant heeft ten behoeve van zijn perceel aan de Strekkade 50 in zijn zienswijze gepleit voor verhoging van het bebouwingsmaximum tot minstens 68,3 m2. In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om de betreffende zienswijze van reclamant gegrond te verklaren en om voor de door reclamant gewenste uitbreidingsmogelijkheid in het bestemmingsplan een aanvullende bepaling op te nemen, op grond waarvan het college van B&W een afwijkingsbevoegdheid krijgt zoals in het raadsvoorstel sub 10.1 is verwoord.

Reclamant kan met een dergelijke afwijkingsbevoegdheid instemmen.

Bouwhoogte

In zijn zienswijze heeft reclamant verder verzocht om voor zijn perceel een maximale bouwhoogte toe te staan van 3,5 meter. Ten onrechte is hierop in het raadsvoorstel in het geheel niet ingegaan.

Verduidelijking van de bouwregel ten aanzien van de toegestane bouwhoogte

De zienswijze van reclamant betreft het perceel Strekkade 50, waarvoor de bestemming "Recreatie- 2" is voorzien. Artikel 21.1 sub a bepaalt dat de betreffende gronden zijn

De Bok Poijers Gasseling advocaten

2

bestemd voor (i) recreatiewoningen, (ii) daarbij behorende bijgebouwen en (iii) daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In artikel 21.2 zijn er sub h respectievelijk sub i alleen bouwregels opgenomen voor de bouwhoogte van recreatiewoningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In feite ontbreekt er daarmee een bouwregel voor de hoogte van bij een recreatiewoning behorende bijgebouwen.

Reclamant stelt daarom voor om de bouwregel van artikel 21.2 sub h zodanig te wijzigen, dat expliciet wordt vermeld dat de betreffende bouwhoogteregel geldt voor een recreatiewoning én voor bij een recreatiewoning behorende bijgebouwen.

Toegestane bouwhoogte voor recreatiewoningen

In zijn zienswijze heeft reclamant bepleit, dat voor de bebouwing op zijn perceel een maximale bouwhoogte wordt toegestaan van 3,5 meter. In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om die zienswijze ongegrond te verklaren. Daartoe wordt overwogen:

"Door gebouwen hoger dan 3,0 meter toe te staan ontstaat de mogelijkheid dat deze in het zicht komen, dus boven de haag uitsteken. Dit is vanuit landschappelijk oogpunt ongewenst".

Reclamant acht dit vanuit de maatstaf van goede ruimtelijke ordening geen deugdelijke motivering. De hoogte van ter plaatse aanwezige hagen is in het bestemmingsplan niet voorgeschreven. Daardoor kan ook bebouwing van een hoogte van 3,0 meter boven een haag uitsteken. Nog belangrijker is, dat de hoogte van de hagen aan de Strekkade op veel plaatsen hoger zijn dan 3,5 meter (ten opzichte van het maaiveld van die percelen).

Reclamant wijst er voorts op, dat er sedert de vaststelling van het huidige bestemmingsplan tot driemaal toe vergunning is verleend voor recreatiewoningen aan de Strekkade met een hoogte van 3,5 meter, te weten voor de percelen 32B, 39 en 36. De laatstbedoelde vergunning dateerde van 7 september 2018 en daarbij is toen overwogen:

a.

dat bebouwing met een hoogte van 3,5 meter aan de Strekkade in de praktijk door bomen en overige beplanting niet of nauwelijks waargenomen zal kunnen worden;

b. dat binnen een maximale hoogte van 3,0 meter zeer weinig te realiseren is dat architectonisch net iets interessanter is dan de huidige sleetse bebouwing aan de Strekkade;

De Bok Roijers Gasseling advocaten

3

c.

dat een iets hogere bebouwing van 3,5 meter een goede aanzet kan zijn tot vernieuwing van deze strook;

d.

dat een bouwhoogte van 3,5 meter daarmee ruimtelijk niet op onoverkomelijke bezwaren stuit.

Op grond van de hiervoor bedoelde vergunningen van 2011 en 2018 is er dus al op twee plaatsen aan de Strekkade bebouwing van recreatiewoningen met een bouwhoogte van 3,5 meter gerealiseerd. Daarnaast is er volgens bijlage 5 bij het ontwerp op het perceel Strekkade 60 ook een bijgebouw toegestaan met een hoogte van meer dan 3 meter.

Al met al meent reclamant dat er in het kader van een uniforme, planologisch verantwoorde regeling uitgegaan zou moeten worden van een maximale bouwhoogte voor recreatiewoningen aan de Strekkade van 3,5 meter. Reclamant bestrijdt dat een dergelijke bouwhoogte een "aantasting van het luchtige beeld" zou opleveren.

Indien de Gemeenteraad al van oordeel zou zijn dat de maximale bouwhoogte moet worden beperkt tot 3,0 meter, dan meent reclamant dat het dan ter compensatie- en mede ook in relatie tot het ter plaatse toegestane bouwoppervlak van 70 m2 - vanuit planologisch oogpunt redelijk zou zijn om ondergrondse bouwactiviteiten toe te staan tot een diepte van maximaal 0,5 meter onder maaiveld.

Toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen

In het raadsvoorstel wordt voorgesteld om de maximale bouwhoogte voor het perceel van reclamant voor de recreatiewoning op 3,0 meter te stellen, maar voor het bijgebouw te beperken tot een maximale bouwhoogte van 2,5 meter. Enige onderbouwing daarvoor wordt niet gegeven.

Blijkens bijlage 5 bij het ontwerp zijn er thans diverse percelen aan de Strekkade met bijgebouwen die hoger zijn dan 2,5 meter, variërend van 2,6 tot 3,2 meter.

Reclamant meent daarom dat ook voor bijgebouwen een bouwhoogte van 3,5 meter moet worden gehanteerd.

De Bok Roijers Gasseling advocaten

4

Conclusie

Reclamant kan instemmen met de voorgestelde afwijkingsbevoegdheid voor wat betreft het bouwoppervlak.

Voor wat betreft de bouwhoogte houdt reclamant vast aan zijn aanspraak op een uniforme regeling voor een bouwhoogte voor recreatiewoningen en de daarbij behorende bijgebouwen van 3,5 meter, waartoe de bouwregel van artikel 21.2 sub h als volgt zou moeten gaan luiden:

"de bouwhoogte van een recreatiewoning en van een daarbij behorend bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,5 meter boven maaiveld".

Deze zaak wordt behandeld door mr. J.G.M. ROijers, De Bok Roijers Gasseling Advocaten, Postbus 21548, 3001 AM Rotterdam, tel.: +31 10 282 29 98, fax: +31 10 282 29 90, e-mail: roijers@debok.com

De Bok Foijers Gasselng advocaten

lnspreeknotities reclamant 23 1. Ik heb geen juridische achtergrond, excuus dus wanneer ik begrippen/uitdrukkingen uit bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan verkeerd gebruik. 2.

Ik was onaangenaam verrast dat de open overkapping op mijn perceel(430) mèt de botenhuizen op de Straatweg en de Strekkade als clandestien gerangschikt/gekenmerkt werd in het concept bestemmingsplan Kern en Plassen 2021. En dat deze verwijderd diende te worden.

3. Dit is mijn materie niet, dus heb ik de hulp ingeroepen van Mr J.G.M. Roijers. Hij heeft een toelichting opgesteld op mijn zienswijze (reclamant 23). Ik zal u deze aanvullende zienswijze zo meteen voorlezen. 4. Zoals aangegeven heb ik in 2001 met toestemming van Ons Buiten de bestaande steiger die in slechte staat was vervangen en een deel vervangen door een insteekhaven te graven. Dit is in de zienswijze (25.2) van Ons Buiten bevestigd. 5. De centjes waren op en pas in 2007 is de steiger afgebouwd en de overkapping geplaatst. Liever had ik een gedeeltelijk afgesloten botenloods, zoals bij de chinees aan de Straatweg, maar in de regelgeving van Ons Buiten zijn Botenloodsen en Uitkijktorens niet toegestaan. Dus heb ik me beperkt tot een overkapping over het uitgegraven deel van het perceel. 6. In het nieuwe concept Beeldkwaliteitsplan Botenhuizen worden als belangrijke nieuwe criteria genoemd het doorlopend groen en de zichtlijnen, waarmee voor de zgn. "Beeldkarakteristieken" de sturing op beeld worden gerealiseerd. Ik voldoe hier volledig aan en krijg regelmatig complimenten over mijn groene perceel. 7. Er zijn 3 onderscheiden deelgebieden benoemd: Straatweg, Strekkade en de eilandjes. 8. Voor de Straatweg en Strekkade zijn in het concept Bestemmingsplan oplossingen en aangepaste criteria gevonden voor het behoud van de clandestiene botenhuizen.

De eilandjes worden onthouden van botenhuizen/overkappingen. Voor mijn eilandje 430 wordt de bestaande overkapping niet toegestaan en dient gesloopt te worden.

Als burger van Rotterdam stuit me zeer tegen de borst dat er in hetzelfde gebied van overheidswege met 2maten gemeten wordt. Een ontoelaatbare vorm van rechtsongelijkheid. Ik begrijp dat wildgroei vanbtenhuizen op de eilandjes niet gewenst is, maar wanneer een lage en open overkapping op eigen perceel, die al langer dan 15 jaar zonder opmerkingen/klachten bestaat, naar de schroothoop verbannen wordt gaat dat te ver. 9. Wanneer ik het Beeldkwaliteitsplan Botenhuizen toesnijd op mijn overkapping op perceel 430 voldoe ik op een enkel detail na aan de nieuw ingebrachte uitvoeringseisen. Ik heb ook al opdracht gegeven de betreffende onderdelen van een dekkende kleur te voorzien. Het was ook een aangename verrassing dat op pagina 53 van het Beeldkwaliteitsplan Botenhuizen de uitvoering en vorm van mijn overkapping op 430 als referentiebeeld is opgenomen! (zie foto aldaar) 10.Ook in het Beeldkwaliteitsplan Botenhuizen wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen Botenhuizen en Overkappingen. zie d ferentiebeelden in het BKPI. Mijn volledig open overkapping met vrij doorzicht van en naar de plas past binnen de criteria voor woon- en recreatiepercelen aan de buitenzijde van de plas. 11.Terug naar 2001 -2021.

Er zijn 2 botenhuizen (214 en 442)

gelegaliseerd. 442 was aanwezig in 1996, volledig buiten het perceel en is gegund in 2010 onder toegestaan bouwvolume van totaal 131m2. Dit in schril contrast met mijn perceel 430, 5 jaar later, met uitsluitend overkapping en gelegen binnen de perceelgrenzen. 12.lk doe een beroep op U coulance te betrachten tot het bestemmen van mijn overkapping in de bestaande situatie door voor mijn perceel in artikel 20.2.1 sub k van "overkappingen voor een boot" niet van toepassing te verklaren.

Aanvullende toelichting op de zienswijze van reclamant 23 Betreft

hoorzitting subcommissie Bestemmingsplan van 4 oktober 2022 betreffende het ontwerp-bestemmingsplan Kern en Plassen

Overkapping Ten onrechte wordt in het raadsvoorstel voorgesteld om onze zienswijze ongegrond te verklaren. De daartoe gehanteerde motivering is onjuist. Allereerst wordt ten onrechte gesteld, dat in het huidige bestemmingsplan het begrip "botenloods" in de breedste zin van het woord moet worden geïnterpreteerd, te weten als een bouwwerk dat wordt gebruikt voor het overdekt stallen van een boot. Voor een dergelijke ruimte uitleg van het begrip "botenloods" onder het huidige bestemmingsplan zijn geen goede argumenten. Dat begrip is in het huidige bestemmingsplan niet gedefinieerd. Naar vaste leer van de Afdefing bestuursrechtspraak van de Raad van State moet dan de betekenis worden gevolgd volgens de Dikke Van Dale. Daarin is opgenomen het begrip "boothuis" met als definitie: "loods voor berging van kleine pleziervaartuigen". Het in die definitie gehanteerde begrip "loods" is in de Dikke Van Dale gedefinieerd als "Wicht gebouw, veelal van hout of golfijzer opgetrokken". Aldus behoren tot de onder het huidige bestemmingsplan ter plaatse van de eilanden in de Bergse Achterplas verboden "botenloodsen" onmiskenbaar alleen gebouwen die strekken tot het overdekt stallen van een boot.

Dat vindt in feite ook bevestiging in het ontwerp-bestemmingsplan, waarin het begrip "botenhuis" is gedefinieerd als een "bijgebouw" (dus als een gebouw), uitsluitend te gebruiken voor het overdekt stallen van een boot. Op ons perceel met nummer 430 is van een gebouw voor het stallen van een boot evident géén sprake. Er is daar alleen sprake van een insteekhaven met aanlegsteiger en overkapping, waardoor er ter plaatse overdekt een boot kan worden gestald. Die overkapping moet zeer wel worden aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in de zin van artikel 18 lid 8.8 van het huidige bestemmingsplan. Die overkapping is daarom - anders dan in het raadsvoorstel wordt vermeld - geenszins in strijd met het .geldende bestemmingsplan. Daarom dient de overkapping voor ons perceel ook positief als zodanig te worden bestemd in het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan. Het verbieden van "overkappingen" voor een boot op gronden met de bestemming "Recreatie - 1" kan niet worden gerechtvaardigd door verwijzing naar het conceptbeeldkwaliteitsplan Botenhuizen Bergse Plassen. In dat concept is zonder deugdelijke motivering gesteld, dat ook een botenstalling via enkele overkapping op de eilanden in de Bergse Achterplas onwenselijk zou zijn. Daaraan ligt de volgende stelling ten grondslag:

"Botenhuizen gaan ten koste van dit groene karakter (. . .) Daarnaast verstoren botenhuizen het zicht vanaf de oevers op het water en omgekeerd", De aldus gehanteerde kwalificaties zijn wellicht passend voor daadwerkelijke botenhuizen (dus gebouwen voor het stallen van een boot), maar zeker niet voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het enkel overdekt stallen van een boot, zoals de onderhavige overkapping op ons eigen terrein. Onze overkapping gaat niet ten koste van het groene karakter van het gebied en verstoren ook niet het zicht vanaf en naar het water. Onze overkapping is immers geheel open, dus zonder enige zijwand. Er is daarom ook geen enkele aanleiding of rechtvaardiging om ten aanzien van open overkappingen (dus bouwwerken geen gebouw zijnde) op de eilanden in de Bergse Achterplas een ander beleid te voeren dan voor dergelijke overkappingen aan (andere) landschappelijke oevers rond de Bergse Plassen. Volgens het concept-beeldkwaliteitsplan zijn lage open overkappingen aan landschappelijke oevers van recreatiepercelen aan de buitenzijde van de Plas passend voor recreatiepercelen met een breedte van meer van 9 meter. Ons onderhavige perceel met nummer 430 heeft ook zo'n oeverbreedte van meer dan 9 meter, te weten 18 meter.

Conclusie Onze huidige overkapping is onder het huidige bestemmingsplan legaal en dient daarom ook te worden toegestaan onder het nieuwe bestemmingsplan. Het concept-beeldkwaliteitsplan Botenhuizen Bergse Plassen biedt geen deugdelijke argumentatie om daarvan af te zien. Enige andere uitkomst zou een grote mate van rechtsongelijkheid opleveren in de behandeling van vergelijkbare "open overkappingen" voor boten aan landschappelijke oevers in het gebied van de Bergse Voor- en Achterplas. Voor eventuele vrees van precedentwerking behoeft geen sprake te zijn, aangezien onze insteekhaven de enige plek is op de eilanden in de Bergse Achterplas, alwaar op eigen perceef een overkapping voor het stallen van een boot is gerealiseerd.

A.L.M. van der Cammen

Aanzicht oever met pergola-achtige overkappingen op percelen met een breedte van l5 m

Referentiebeelden pergola-achtige overkappingen

Hoorzitting BP Kern en Plassen d.d. 4 oktober 2022 Reclamant 27 schriftelijke reactie

De meeste punten uit onze zienswijze die privé-zaken betreffen worden blijkens de zienswijzennota geadresseerd, dus mijn inspraak zou daar geen betrekking op hebben. Ik heb echter ook een voorstel gedaan voor het (vermoedelijke) asbestdak van de autogarage nabij het schoolplein van de Emmaschool, waar mijn kinderen naar school gaan. Hierop is geantwoord dat de gemeente Rotterdam geen beleid heeft ter zake van asbestdaken. Dat is natuurlijk geen adequate reactie. Als dergelijk beleid er niet is, moet dat beleid er komen. De juridische instrumenten hiervoor komen op korte termijn, bij de invoering van de Omgevingswet. In onze zienswijze heb ik dit toegelicht. Het is onvoorstelbaar dat de gemeente Rotterdam zou accepteren dat kinderen - ook haar inwoners - op een schoolplein worden blootgesteld aan de emissie van asbestdeeltjes van daken die gaandeweg de tijd steeds verder verweren als er juridische mogelijkheden voorhanden zullen zijn om hier paal en perk aan te stellen. Ik verzoek u om het voorgaande te betrekken bij de verdere behandeling van het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan. Alvast dank. Graag verneem ik omtrent de verdere behandeling van dit bestemmingsplan. Met vriendelijke groet, Willem Bosma

Binda M.R.D. (Madhoe) Van: Verzonden: Aan: CC: Onderwerp:

Jan de Jonge - & De Jonge Advocaten <dejonge@endejonge.nl> woensdag 28 september 2022 16:07 Ferreira N.M. (Natalia); Binda M.R.D. (Madhoe) smith@fundamentadvocatuur.nl RE: Gemeente Rotterdam Tol / Bergse Dorpsstraat [&DJ:Dossier:19644]VvE Bergse Dorpsstraat 98/106 etc. Zienswijze ontwerp bestemmingsplan Kern en Plassen. Uw kenmerk: 22gr000224

Geachte dames, heren, Voor alle duidelijkheid: Cliënten, de heren P. Tol en P. Tol en mevrouw L. Stam -Tol, hebben zich gebogen over het eerdere Ontwerp Bestemmingsplan Kern en Plassen waarbij zij concludeerden dat er op dat moment geen noodzaak was om zienswijzen in te dienen. Echter: na ontvangst van uw brief van 8 september 2022 (N.B.: pas ontvangen op vrijdagmiddag 16 september 2022 einde dag) en lezing van het opgestelde raadsvoorstel 22bb005005 met daarin opgenomen een reactie op de zienswijzen van de VVE Bergse Dorpsstraat 98-106 etc en slagerij Tol (zienswijzen 16 en 17) zijn zij daar anders over gaan denken en is door mij hun standpunt verwoord in mijn mails aan u van 21 september 2022 en 28 september 2022. Cliënten verzoeken hierbij de Gemeente Rotterdam rekening te houden met hetgeen zij in die mails naar voren hebben laten brengen en dat het eventueel aangepaste Ontwerp Bestemmingsplan Kern en Plassen alsdan wederom ter inzage dient te worden gelegd omdat dit wijzigingen kan en zal betreffen ten opzichte van het eerdere Ontwerp. Dit ter voorkoming van onnodige procedures en verdere kosten. Nogmaals: cliënten konden niet eerder op de hoogte geraken van de voorgestelde wijzigingen om welke reden dit verzoek wordt gedaan. Gaarne verneem ik van u.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8df570f9-1add-483b-a85f-bfea83787e8a