CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb006457] Bijlage behorende bij 22bb6456 - Rekenkamer rapport inzake jongerenwerk

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het rapport van de Rekenkamer Rotterdam ‘Meer waarde voor jongeren: onderzoek naar effecten van jongerenwerk’, alsmede het voorstel van het presidium met betrekking tot de conclusies en aanbevelingen uit dit rapport.35.587 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een deel van de jongerenhubs wordt namelijk gerealiseerd in Huizen van de Wijk, terwijl uit dit onderzoek blijkt dat Huizen van de Wijk voor jongeren veelal geen aantrekkelijke plekken zijn. 12 In de nieuwe gebiedsopdrachten wordt meer ingezet op jeugd. Het totale budget van de welzijnsopdrachten wordt echter niet verhoogd ten opzichte van de vorige aanbesteding. Daarmee gaat de extra inzet voor jeugd ten koste van andere onderdelen van het welzijnswerk. De gemeente weet nog niet welke onderdelen dit zijn. Daarmee is niet duidelijk wat de consequenties zijn voor bijvoorbeeld het welzijnsaanbod voor andere doelgroepen van het welzijnswerk, zoals ouderen en kwetsbare groepen volwassenen. In de vorige aanbesteding lag weinig nadruk op jongerenwerk en er waren geen afspraken in opgenomen over hoeveel jongerenwerk er door de welzijnsorganisaties geleverd moest worden (zie de toelichting op conclusie 3). Over kinder- en tienerwerk waren helemaal geen eisen in de aanbesteding opgenomen. In de nieuwe aanbesteding is per gebied een minimaal aantal fte kinder- en tienerwerkers en jongerenwerkers opgenomen. Deze extra inzet op kinder-, tiener- en jongerenwerk leidt ertoe dat het totale budget dat de welzijnsorganisaties in moeten zetten voor jeugd toeneemt.

Het totale budget van de welzijnsorganisaties neemt echter niet toe ten opzichte van de vorige aanbesteding, afgezien van een indexering. In 2018 was het totale budget € 38 mln. In 2023 bedraagt het €38,3 mln. 4 Daarmee wordt in de nieuwe opdrachten een groter deel van het totale welzijnsbudget gebruikt voor jeugd en blijft er dus minder budget over voor andere doelgroepen. Dit betekent dat er voor de overige doelgroepen, zoals ouderen en kwetsbare groepen volwassenen, minder budget beschikbaar is. De gemeente geeft aan nog niet te weten wat de consequenties daarvan zijn voor het welzijnsaanbod voor die andere doelgroepen, bijvoorbeeld welk welzijnsaanbod verdwijnt of minder wordt ingezet.

4 Een nadere toelichting op het budget staat in paragraaf 7-5-1 van de nota van bevindingen.

25

meer waarde voor jongeren

Rekenkamer

Rotterdam

26

meer waarde voor jongeren

3

aanbevelingen

De gemeente verwachtte in het NRW dat welzijnsorganisaties bijdragen aan de ontwikkeling van zelfredzaamheid van jongeren, aan hun gezondheid, aan een veilige buurt en aan hun samenredzaamheid. De rekenkamer heeft onderzocht in hoeverre het jongerenwerk van welzijnsorganisaties heeft bijgedragen aan het realiseren van die gemeentelijke doelen. De rekenkamer concludeert dat de gemeente weinig zicht had op de resultaten die het jongerenwerk onder de afgelopen gebiedsopdrachten behaalde en dat dit de mogelijkheden beperkte om te leren en het aanbod van jongerenwerk verder te ontwikkelen en te verbeteren. Door het uitvoeren van onderzoek op macro-, meso- en microniveau, heeft de rekenkamer inzicht gekregen in het welzijn van Rotterdamse jongeren en in de uitvoering, het bereik en resultaten van het jongerenwerk. Ook heeft de rekenkamer inzicht gekregen in factoren die de effectiviteit van jongerenwerk bevorderden of juist belemmerden. In juni 2022 zijn de nieuwe gebiedsopdrachten welzijn gestart. Die nieuwe opdracht bevat onderdelen die een verbetering betekenen, omdat daarmee factoren uit de voorgaande aanbesteding worden aangepakt die het succes van het jongerenwerk belemmerden.

Er zijn echter ook belemmerende factoren uit de vorige aanbesteding die in de nieuwe gebiedsopdrachten blijven bestaan De rekenkamer komt op basis van de bevindingen en conclusies tot de volgende aanbevelingen aan het college van B en W: 1 Onderken het verschil in perspectief op jongerenwerk tussen het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling en de directie Veiligheid en de hiermee samenhangende verschillen in visie tussen de welzijnsorganisaties en het grenzenstellend jongerenwerk. Verbeter de interne coördinatie tussen het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling en de directie Veiligheid zodanig dat de gemeente als één opdrachtgever optreedt en neem maatregelen om de samenwerking tussen beide vormen van jongerenwerk te bevorderen. 2 Neem als gemeente zelf de regie over samenwerking in het wijknetwerk in het algemeen en over de invulling van de wijkprogrammering in het bijzonder. De gemeente beschikt over meer bevoegdheden en middelen dan de welzijnsorganisaties om die rol te vervullen. In het wijknetwerk zijn uiteenlopende organisaties betrokken bij jongeren. Onder meer scholen, het Centrum voor Jeugd en Gezin, wijkteams, bewonersverenigingen en welzijnsorganisaties, elk met een specifieke verantwoordelijkheid voor jongeren. Om jongeren goed te helpen is samenwerking tussen die organisaties van belang. Om die samenwerking te realiseren, is regievoering nodig.

Zo moeten partijen in het

27

meer waarde voor jongeren

wijknetwerk bij elkaar worden gebracht, er moet verkend worden hoe ze kunnen samenwerken en daarover moeten afspraken worden gemaakt. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de welzijnsorganisaties niet over de daarvoor benodigde positie in het wijknetwerk beschikken en bovendien geen bevoegdheden en middelen hebben om te sturen. De gemeente past die regierol beter, vanuit een meer algemene verantwoordelijkheid voor voorzieningen voor jongeren in de wijk. De gemeente beschikt ook over meer bevoegdheden en middelen om regie te voeren. Bovendien zijn in de wijken al meerdere ambtenaren betrokken bij het bevorderen van samenwerking in het wijknetwerk, zoals gebiedsadviseurs en experts wijkveiligheid. 5 3 Verbeter de dagelijkse samenwerking van jongerenwerkers op uitvoerend niveau met medewerkers van gemeentelijke diensten, zoals van het Jongerenloket en het Expertise Team Financiën. Neem hiertoe procedurele barrières die hulpverlening aan jongeren beperken weg en bied ruimte voor maatwerk. Om goed samen te werken in het begeleiden van jongeren naar passende hulp (zoals schuldhulpverlening, werk of een uitkering), is van belang dat jongerenwerkers en medewerkers van gemeentelijke instanties (zoals het wijkteam, het Jongerenloket of het Expertise Team Financiën) elkaar goed weten te vinden, oftewel ‘korte lijntjes’ met elkaar hebben.

Uit het onderzoek komt naar voren, dat die korte lijntjes er soms zijn, maar dat het ook dan regelmatig niet goed lukt om tijdig passende hulp voor een jongere te organiseren. Gemeentelijke procedures belemmeren gemeentelijke medewerkers hierin dan. Ook het ontbreken van voldoende discretionaire bevoegdheden kan gemeentelijke medewerkers belemmeren om maatwerk te bieden. Dit betekent dat zij niet voldoende ruimte hebben om zelfstandig te handelen op basis van wat volgens hun professionele oordeel passend of nodig is voor een jongere. 4 Breng in overleg met de welzijnsorganisaties in kaart wat de consequenties zijn van de extra inzet voor jeugd voor het welzijnsaanbod voor andere doelgroepen van het welzijnswerk. Informeer vervolgens de raad over die consequenties. 5 Bevorder het leren over resultaten van jongerenwerk in de nieuwe gebiedsopdrachten door de effecten van activiteiten te onderzoeken en/of de welzijnsorganisaties te faciliteren om hier zelf onderzoek naar uit te voeren. Gebruik als voorbeeld hierbij de wijze waarop de rekenkamer dit onderzoek heeft uitgevoerd op macro-, meso en microniveau. Dit onderzoek van de rekenkamer geeft inzicht de bijdrage van het jongerenwerk in de periode 2018-2020 en wat in die periode succesfactoren en belemmerende factoren waren. Dit onderzoek is daarmee een eerste stap.

De komende jaren is opnieuw onderzoek nodig naar het welzijn van jongeren en naar activiteiten van het jongerenwerk, zodat steeds opnieuw wordt geleerd van de praktijk. Dit onderzoek van de rekenkamer kan daarbij als voorbeeld dienen. Op macroniveau kan worden onderzocht hoe het gaat met het welzijn van jongeren. Op mesoniveau kan worden onderzocht met welke activiteiten en op welke manier welzijnsorganisaties veel kwetsbare jongeren kunnen bereiken en op microniveau kan inzicht worden verkregen in wat specifieke activiteiten opleveren voor jongeren. Onderzoek op die drie niveaus levert bovendien inzicht op in succesfactoren en belemmerende factoren. Om een volgende stap te zetten naar structureel inzicht is van belang dat de gemeente de mogelijkheid tot leren actief en substantieel bevordert, bijvoorbeeld door de

5 De genoemde functie heeft inmiddels een andere titel dan tijdens de uitvoering van het onderzoek, namelijk ‘veiligheidsregisseur’.

28

meer waarde voor jongeren

komende periode zelf onderzoek te doen of door hiervoor financiële of praktische ondersteuning beschikbaar te stellen. De welzijnsorganisaties zijn zelf namelijk vooral gericht op het uitvoeren van hun primaire taken en weinig met het onderzoeken van hun resultaten.

29

meer waarde voor jongeren

Rekenkamer

Rotterdam

30

meer waarde voor jongeren

4

bestuurlijke reactie

Met belangstelling ontvingen wij op 22 juli jl. uw onderzoeksrapport: ‘Jongerenwerk Welzijn’. Uw onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan het zichtbaar maken van wat jongerenwerk doet, waarom het belangrijk is en wat dit voor de jongeren oplevert. Een onderzoek dat zo specifiek gericht is op het jongerenwerk in Rotterdam is al lange tijd niet meer uitgevoerd ( rapport “Het Rotterdamse Jongerenwerk”, Bureau Montfoort uit 2006). U laat hiermee ook zien dat het belangrijk is om de komende jaren meer structureel aandacht te hebben voor het doen van dit soort onderzoek, naar het jeugdwerk, bestaande uit kinder-, tiener- en jongerenwerk. Uw onderzoek houdt ons een spiegel voor: hoe hebben wij als gemeente onze rol als opdrachtgever ingevuld? En dragen de genomen besluiten over de nieuwe welzijnsopdrachten bij aan het verbeteren van het vangnet rond de jongeren zelf? Wij zijn blij met uw vaststelling dat in de nieuwe welzijnsopdracht verschillende aanpassingen zijn gedaan en randvoorwaarden zijn gerealiseerd, die – voor zover het de scope van uw onderzoek betreft – u kwalificeert als ‘verbeteringen’. Dat onderschrijft dat de besluiten die door de raad en het college zijn genomen over de nieuwe welzijnsopdracht, een positieve doorontwikkeling geven aan het jongerenwerk in Rotterdam. Ook geeft u handvatten om de rol van de gemeente in de aansturing te verbeteren.

Wij stellen het op prijs om kennis te kunnen nemen van uw conclusies en bevindingen over de rol die het jongerenwerk in het welzijn van jongeren speelt. Voordat wij onze bestuurlijke reactie geven op uw bevindingen en conclusies willen wij u bedanken voor de gedegen wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd en voor de wijze waarop u en uw onderzoekers zowel de ambtelijke organisatie als het college hebben meegenomen in dit proces. In het rapport trekt u op diverse punten conclusies en doet u diverse aanbevelingen, deze zullen wij beide van een bestuurlijke reactie voorzien. Langs de lijn die u heeft gehanteerd in het Rekenkamerrapport. Wij zullen alle conclusies overnemen met uitzondering van conclusie 12. Als reactie zullen wij per conclusie een toelichting geven op vanuit de visie het college, de gemaakte keuzes en de genomen besluiten. Ook lichten wij graag toe waarom wij menen dat de veronderstelling achter conclusie 12 door ons anders beleefd wordt. inzicht en lerend vermogen 1 De gemeente en de welzijnsorganisaties hadden weinig zicht op de resultaten die het jongerenwerk in de periode 2018-2020 behaalde voor het welzijn van jongeren. Dit beperkte de mogelijkheid voor de gemeente en welzijnsorganisaties om van die resultaten te leren en het aanbod van jongerenwerk verder te ontwikkelen en te verbeteren. Voor het gebrekkige inzicht zijn meerdere oorzaken:

31

meer waarde voor jongeren

a. Zowel de welzijnsorganisaties als de gemeente onderzochten en monitorden de resultaten van activiteiten van het jongerenwerk niet of zeer beperkt. Welzijnsorganisaties hadden er zelf weinig aandacht voor en de gemeente heeft de welzijnsorganisaties hierin niet gefaciliteerd, bijvoorbeeld in de vorm van ondersteuning in het uitvoeren van onderzoek of het toekennen van een budget voor monitoring en onderzoek. b. In de aanbesteding van 2018 was opgenomen dat de gemeente klanttevredenheidsonderzoeken en partnertevredenheidsonderzoeken zou uitvoeren onder de welzijnsorganisaties, maar die onderzoeken hebben gedurende de gehele contractperiode niet plaatsgevonden. c. De gemeente stuurde in de gebiedsopdrachten vooral op te realiseren output van de welzijnsorganisaties (zoals aantallen te realiseren activiteiten) en niet op effecten daarvan op het welzijn van jongeren. Welzijnsorganisaties rapporteerden dan ook aan de gemeente vooral gerealiseerde output. Reactie van het college Wij delen uw conclusie dat zowel bij veel welzijnsorganisaties als de gemeente weinig zicht was op de resultaten van het jongerenwerk. Dat werd ons al tijdens de onderzochte periode duidelijk en hebben in de tussentijd een start gemaakt met het verder ontwikkelen en verbeteren van de oude welzijnsopdracht.

Daarom zijn verschillende ontwikkelingen in gang gezet, die we in de nieuwe opdrachten hebben geborgd. Hieronder zullen wij dat illustreren. a. Kennis gedreven werken In de door u onderzochte periode heeft de gemeente geïnvesteerd om het lerend vermogen te ontwikkelen. Dat heeft enige tijd gekost en het is daarom een terechte conclusie dat de uitkomsten daarvan nog niet in de resultaten van de oude welzijnsopdracht waren terug te zien. Deze investeringen hebben de randvoorwaarden voor de nieuwe opdrachten opgeleverd. De door u onderzochte periode (2018-2020) vormde de eerste periode waarin Rotterdam de welzijnsopdracht inrichtte op basis van het Factorenmodel Jeugd (Het Factorenmodel is het wetenschappelijk fundament voor het Rotterdamse Jeugdbeleid. Het maakt duidelijk welke beschermende factoren en risicofactoren van invloed zijn op de ontwikkeling van kinderen en ook welke factoren het meest bepalend zijn.) In die periode heeft de gemeente geïnvesteerd in een kennis gedreven aanpak onder meer door: - Vanaf 2016 werd de Staat van de Jeugd jaarlijks opgesteld. In de volgende jaren is geïnvesteerd om steeds meer indicatoren op wijkniveau beschikbaar te maken. Vanaf 2020 zijn deze data bovendien voor de betrokken ambtenaren toegankelijk gemaakt in het dashboard “Wijkfocus”. - Vanaf 2018 is samen met het NJI gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering.

Zowel intern (door scholing van de eigen gebiedsadviseurs Jeugdwelzijn) als extern (door pilots met welzijnspartijen en in het wijknetwerk). In 2019 kreeg dit ook een uitbreiding. De gemeente is toen samen met het Nederlands Jeugdinstituut, een traject gestart ‘Leren en verbeteren: samen lerend doen wat werkt in de wijk.’ - In 2019 werd een nieuwe kennis gedreven methodiek opgeleverd: “Wijkprogrammering Jeugd” om maatschappelijke resultaten op wijkniveau te bepalen. Deze methodiek werd in de jaren ervoor samen met het NJI ontwikkeld Dit is een selectie van een aantal zaken die wij in de afgelopen tijd hebben ingezet, we willen u hiermee deels illustreren welke ontwikkelingen in de door u onderzochte periode in gang werden gezet om het lerend vermogen te verbeteren.

32

meer waarde voor jongeren

De verbeterde data, de lessen die we in die jaren hebben geleerd en de instrumenten die zijn ontwikkeld hebben een plek gekregen in de nieuwe welzijnsopdracht. U kunt dat bijvoorbeeld terugzien in het gebruik van wijkanalyses, de verbijzondering naar de factoren Sociaal-emotionele ontwikkeling, schoolsucces en pedagogisch klimaat (zie, Visie op Jeugdwerk, 2021, Duurzaam en betekenisvol Jeugdwerk 2021-2026) en de kwaliteitseisen die in de aanbesteding zijn opgenomen voor jeugdwerkers (kindertiener en jongerenwerkers). Door deze keuzes wordt veel duidelijker wat de resultaten van het jongerenwerk zijn (en eigenlijk geldt dit voor de gehele welzijnsopdracht): partijen rapporteren in de toekomst niet zozeer welke output zij hebben gerealiseerd, maar zij laten vooral zien hoe hun inzet heeft bijgedragen aan de maatschappelijke resultaten per wijk. Op basis van de benoemde factoren kunnen zij inzichtelijk maken waarom voor de inzet van bepaalde interventies werd gekozen. En dankzij de beschikbaarheid van wijk specifieke data kunnen wij de voortgang ook op wijkniveau inzichtelijk maken.

Ook kunnen wij als gemeente beter (bij)sturen: op het moment dat wij samen met een aanbieder vaststellen dat een set aan interventies, waarvan het aannemelijk was (evidence based) dat een resultaat behaald zou kunnen worden, niet het gewenste effect heeft gehad, kunnen wij gericht een analyse opstellen en op basis daarvan het gesprek aangaan over bijsturen van óf het beoogde resultaat, óf de gepleegde inzet. Om deze ambitie te kunnen realiseren en gezamenlijk te leren en verbeteren monitort de gemeente met registratieafspraken de uitvoering van de aanbieders. De monitoringsinformatie is onderdeel van de gesprekken tussen ons en welzijnsaanbieders en vormt de basis voor het verbeteren van de kwaliteit en doorontwikkeling van de dienstverlening en welzijnsactiviteiten. De gemeente draagt hierbij zorg voor met name het (collectief) faciliteren van de aanbieders. Zo wordt voor de nieuwe opdracht het genoemde dashboard ‘wijkfocus’ toegankelijk gemaakt voor aanbieders, zodat zij ook direct inzicht hebben in de relevante data. Oplevering van dit systeem wordt in 2023 gerealiseerd. Het belang van een kennis gedreven aanpak wordt in de nieuwe opdracht verder uitgebreid. Door de Wijkprogrammering uit te breiden naar alle leeftijden, met een aangepast Factorenmodel van 0 tot 100 jaar. b.

Klant- en partnertevredenheidsonderzoek Verder constateert u, dat het beperkte inzicht in de resultaten en lerend vermogen, is terug te voeren op het feit dat de gemeente heeft nagelaten om conform het contract klant- en partnertevredenheid bij welzijnsaanbieders uit te voeren. Wij erkennen dat de gemeente heeft nagelaten deze onderzoeken op de beoogde wijze uit te voeren. Wel heeft OBI namens de gemeente in 2019 onder 3600 bewoners een (omnibus)enquête uitgevoerd naar de tevredenheid over het aanbod van welzijnsaanbieders in hun wijk. Daarnaast voeren een aantal aanbieders in het kader van hun kwaliteitscertificering zelf regelmatig klanttevredenheidsonderzoeken uit. Ook hebben wij met het oog op het vergroten van ons lerend vermogen OBI in 2019 verzocht om de bijdrage van het welzijnswerk aan de doelstellingen van NRW te evalueren om hiervan te kunnen leren en toekomstige opdrachten te verbeteren (Evaluatie van het Nieuw Rotterdams Welzijn; een kwalitatief onderzoek naar de werking van het beleidskader, Gemeente Rotterdam, OBI, 2019). c. Outputgerichte sturing

33

meer waarde voor jongeren

Terecht constateert u dat de gemeente in de periode 2018 -2022 in de sturing op de gebiedsopdrachten vooral gericht was op de te realiseren output van de welzijnsorganisaties (zoals aantallen te realiseren activiteiten) en niet op gewenste effecten op jongeren. In de nieuwe opdracht voor het jeugdwerk kiezen we ervoor om niet langer op outputprestaties te sturen, maar op maatschappelijke resultaten (zie hiervoor ook de toelichting onder a). welzijn jongeren 2. Het welzijn van Rotterdamse jongeren staat onder druk: In 2020 groeiden minimaal 13.900 van de 84.000 Rotterdamse jongeren op in een kwetsbare gezinssituatie waardoor zij een grotere kans hebben op problemen met hun welzijn. Vooral de toename van sociaal-emotionele gezondheidsproblemen onder jongeren is een zorgelijke ontwikkeling. De coronacrisis was een belangrijke factor die de welzijnsproblematiek van jongeren versterkte. Reactie van het college Wij delen uw constatering dat een groot deel van de Rotterdamse jongeren opgroeit in kwetsbare gezinssituaties. U benoemt in het bijzonder de rol van sociaal-emotionele problematiek.

Het college onderschrijft dit en wij willen u meegeven dat juist dit beeld voor het college aanleiding is geweest om zowel in het subsidiekader Jeugdpreventie, als in de nieuwe welzijnsopdracht binnen het jeugdwerk (kinder- tiener en jongerenwerk) nadruk te leggen op interventies en maatregelen die bijdragen aan de sociaal-emotionele ontwikkeling. De coronaperiode heeft de noodzaak voor die focus nog meer zichtbaar gemaakt. Om deze jongeren te kunnen ondersteunen hebben we diverse maatregelen genomen. Wij willen graag hier ook benoemen dat in het coalitie akkoord is opgenomen dat wij in deze periode het jongerenwerk structureel zullen uitbreiden. Dit onderstreept naar onze mening het belang van uw constatering. Bereik 3. Het is op basis van de beschikbare gegevens niet goed vast te stellen hoeveel jongeren het jongerenwerk exact heeft bereikt met de uitgevoerde activiteiten. Een grove schatting is dat in de jaren 2018 en 2019 22.000 à 25.000 jongeren per jaar bereikt werden. Daarmee is het bereik van het jongerenwerk aanzienlijk, zeker gelet op factoren die het bereik van het jongerenwerk beperkten, zoals een beperkte formatie jongerenwerkers en het veelal ontbreken van eigen plekken voor jongeren in de wijken. Reactie van het college Het college neemt deze conclusie over. Wij lezen dit vooral als een compliment en een grote verdienste van de jongerenwerkers zelf.

Daarnaast stipt u hier ook een ander punt aan: weten we als gemeente voldoende goed wat we met deze inzet bereiken? De registraties kunnen beter. In de door u onderzochte periode werd door partijen weinig uniform over bereik gerapporteerd. U noemt dit ook in uw rapport. Maar wij zullen in de nieuwe opdracht niet van de welzijnspartijen verwachten dat ze van alle activiteiten aantallen gaan registeren. Dit is te arbeidsintensief en zegt onvoldoende over de kwaliteit en impact van de inzet. Wij gaan wel met de welzijnspartijen de impact van de inzet monitoren, hiervan leren en waar nodig bijsturen. Ook hebben wij in de welzijnsopdracht opgenomen dat in ieder gebied minstens één plek voor jongeren gerealiseerd dient te worden in bijvoorbeeld de vorm van een Jongerenhub. Een nadrukkelijk doel van de hubs is om

34

meer waarde voor jongeren

aantrekkelijk aanbod voor en met jongeren te realiseren. Het meten van de kwaliteit van deze hubs krijgt nadrukkelijk vorm. 4 Een belangrijke verklaring voor het aanzienlijke bereik is dat het jongerenwerk over specifieke kwaliteiten beschikt om jongeren te bereiken. Zo is jongerenwerk laagdrempelig en het sluit aan bij de leefwereld van jongeren. Die specifieke kwaliteiten zijn om twee redenen een belangrijke meerwaarde van het jongerenwerk: a Het jongerenwerk bereikt ook jongeren die door andere organisaties (zoals gemeentelijke instanties) niet makkelijk worden bereikt. b Jongerenwerkers signaleren problemen van jongeren. Als zij zelf geen passende hulp kunnen bieden, begeleiden ze jongeren naar andere hulp. Reactie van het college Ook deze conclusie deelt het college en lezen wij in de eerste plaats als een compliment aan en de verdienste van de jongerenwerkers. U concludeert dat het jongerenwerk over specifieke vakbekwaamheden beschikt, zoals laagdrempelig werken, aansluiten bij de leef- en belevingswereld van jongeren, kunnen signaleren van problemen, jongeren begeleiden en toeleiden, waarmee veel jongeren worden bereikt.

Naast de genoemde kwaliteiten is het belangrijk om hierbij te realiseren dat het jongerenwerk haar rol vanuit een onafhankelijke positie vervult, waarin zij wezenlijk verschilt van gemeentelijke instanties, en waardoor zij gemakkelijker in contact kan komen met jongeren. Recent gepubliceerd, longitudinaal onderzoek5 door het lectoraat ‘Youth Spot’ van Hogeschool van Amsterdam bevestigt uw conclusie, dat de multi-methodische aanpak van het jongerenwerk onder andere bijdraagt aan het versterken van de persoonlijke ontwikkeling van jongeren in kwetsbare situaties (Growth opportunities in professional youth work. Sonneveld, Jolanda, 2022). doelrealisatie 5 De activiteiten van het jongerenwerk droegen aantoonbaar bij aan het welzijn van jongeren die eraan deelnamen, onder meer aan hun weerbaarheid, talentontwikkeling en sociaalemotionele ontwikkeling. Daarmee droegen ze bij aan preventie van problemen van jongeren. Reactie van het college Wij omarmen uw conclusie dat het jongerenwerk aantoonbaar een positief effect heeft op sociale weerbaarheid van jongeren alsmede bijdraagt aan hun talent- en sociaal- emotionele ontwikkeling. Wij zijn u ervoor erkentelijk dat u ook onafhankelijk concludeert dat hiermee voldaan wordt aan de doelrealisatie van het NRW.

Uw conclusie wordt ook door het Factorenmodel van Rotterdam ondersteunt dat de sociaal-emotionele vaardigheden de meest relevante beschermende factor is voor het kansrijk, veilig en gezond opgroeien van kinderen en jongeren (Het Factorenmodel is het wetenschappelijk fundament voor het Rotterdamse Jeugdbeleid. Het maakt duidelijk welke beschermende factoren en risicofactoren van invloed zijn op de ontwikkeling van kinderen en ook welke factoren het meest bepalend zijn). Deze factor houdt verband met schoolverzuim, -uitval, verminderde leerprestaties, gedragsen psychische problemen en zelfredzaamheid. Omdat dit zo’n belangrijke beschermende factor is hebben we in de nieuwe welzijnsopdracht gekozen om, naast aanbod gericht op talentontwikkeling, ook in te zetten op versterken van de sociaalemotionele ontwikkeling van jongeren. Hiermee beogen we sociaal-emotionele

35

meer waarde voor jongeren

problematiek van kwetsbare jongeren tijdig te verminderen en liefst te voorkomen, zodat uiteindelijk een geringer beroep op de jeugdhulp nodig is. 6 De bereikte effecten op het welzijn van jongeren sluiten grotendeels aan bij de doelen die de gemeente in het Nieuw Rotterdams Welzijn had voor jongeren, zoals het bevorderen van hun gezondheid en hun kansen om op te groeien tot zelfredzame volwassenen. Alleen het doel om de samenredzaamheid van jongeren te bevorderen, bleek niet realistisch. Reactie van het college Wij delen uw conclusie dat de maatschappelijke verwachtingen over sociale cohesie en de visie over de veerkracht van de pedagogische ‘civil society’, die beide ten grondslag lagen aan het toenmalige beleidskader Nieuw Rotterdams Welzijn, niet realistisch waren om van de welzijnsaanbieder te kunnen verwachten jongeren te mobiliseren om zelf activiteiten voor andere jongeren te organiseren. U stelt terecht vast dat te weinig rekening is gehouden met het feit dat het om kwetsbare jongeren gaat, die veelal zelf ondersteuning nodig hebben om geactiveerd te kunnen worden. Ons nieuwe beleidskader Heel de Stad is wat ons betreft realistischer in dat opzicht. Samenredzaamheid is geen doel meer. Maatschappelijke participatie en het stimuleren van initiatieven van jongeren blijven in de nieuwe opdracht belangrijke doelen.

Maar we leggen hierin meer nadruk op het belang van de faciliterende rol van jongerenwerkers en toegepaste werkvormen, zoals de talenthousmethodiek (Programma van Eisen Welzijn 2022). Met het realiseren van de jongerenhubs beogen denken wij dit makkelijker te bereiken samenwerking en regievoering 7. Binnen de gemeente bestaan twee verschillende perspectieven op jongerenwerk. Voor het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling is jongerenwerk vooral gericht op het welzijn van jongeren, met als doel te voorkomen dat jongeren zelf problemen krijgen. Bij de directie Veiligheid ligt de nadruk op het voorkomen dat jongeren overlast veroorzaken voor anderen. Dit verschil in perspectief bestaat ook tussen het jongerenwerk van de welzijnsorganisaties en het stedelijk jongerenwerk, de organisaties die het jongerenwerk uitvoerden. Dit vraagt om coördinatie van de gemeente als opdrachtgever, maar daarvan was onvoldoende sprake. Dit droeg bij aan problemen in de samenwerking tussen beide vormen van jongerenwerk. Reactie van het college Wij delen de conclusie dat er in de onderzochte periode onvoldoende sprake was van coördinatie tussen de betrokken gemeentelijke afdelingen.

Vooropgesteld dat het aantal jongeren dat gebaat is bij steun vanuit het jongerenwerk in Rotterdam groot is, meent het college dat de extra intensiveringen die afgelopen jaren in het jongerenwerk zijn gedaan, het welzijn van de jongeren ten goede is gekomen en zal blijven komen. Het college is zich bewust van het door u geconstateerde onduidelijkheid over de samenwerking tussen de beide vormen van het jongerenwerk. Het kan verhelderend zijn die twee perspectieven scherp te duiden: vanuit Maatschappelijke Ontwikkeling draagt de inzet van het jongerenwerk bij aan de uitvoering van de Jeugdwet. Directie Veiligheid ondersteunt met de inzet van jongerenwerk de portefeuille Openbare orde en Veiligheid. Beide perspectieven zijn niet willekeurig gekozen, maar hebben een formele (wettelijke) basis. Vanwege de kwaliteiten van het jongerenwerk, die u in uw conclusie nummer 4 ook heeft benoemd, is het jongerenwerk voor beide perspectieven onmisbaar. Zij zijn belangrijke ‘ogen en oren’ die ons en onze partners op het gebied van preventie, zorg en in de veiligheidsketens voeden met signalen. Er is

36

meer waarde voor jongeren

een verschil in de basis van beide perspectieven, maar voor een jongere op straat is dat helemaal niet relevant. En dus moeten de jongerenwerkers, de organisaties en de gemeente er onderling op sturen dat de jongere op de juiste plek verder geholpen kan worden. Dat vraagt afstemming en coördinatie. Terecht dat u met deze conclusie het belang hiervan onderstreept. We menen hierin goede stappen te zetten. De totstandkoming van de beide nieuwe aanbestedingen (preventief jongerenwerk en grenzenstellend jongerenwerk) is nadrukkelijk een gezamenlijk product geworden van de betrokken bestuurders en ambtelijke afdelingen. De beide aanbestedingen zijn gebaseerd op de Visie op Jeugdwerk (Visie op Jeugdwerk – Duurzaam en betekenisvol Jeugdwerk 2021-2026). Dat blijkt bijvoorbeeld uit de overeenkomsten die te vinden zijn in de beide programma’s van eisen en de gedeelde ambitie om een gezamenlijke stedelijke entiteit op te richten. Voor de jongere zelf moet het niet uitmaken waar hij of zij met een hulpvraag aanklopt. Het jongerenwerk heeft hierin de gedeelde opdracht om elke jongere naar de juiste ondersteuning te begeleiden. De samenwerking in de stedelijke entiteit, die we in gezamenlijkheid tussen aanbieders en de gemeente organiseren, zorgt ervoor dat de afstemming tussen de partijen vanzelfsprekend wordt.

8 De door de gemeente beoogde regiefunctie van de welzijnsorganisaties in het ‘wijknetwerk’ (andere organisaties die in de wijk actief zijn) bleek niet haalbaar. Welzijnsorganisaties beschikken niet over de daarvoor benodigde positie in het wijknetwerk en hebben onvoldoende sturingsmogelijkheden (zoals bevoegdheden en financiële middelen) om die functie te vervullen. Reactie van het college Uw onderbouwing gaat in op twee onderdelen. Allereerst schrijft u over het ‘coöperatief samenwerkingsverband’. Wij onderschrijven uw conclusie dat de beoogde regiefunctie van de welzijnsopdracht 2018 – 2020 niet goed heeft gefunctioneerd. In de toenmalige opdracht is vastgelegd dat de welzijnspartijen de regie voeren over het ‘coöperatief samenwerkingsverband’ met het doel de samenwerking tussen zorg- en welzijnsorganisaties binnen het gebied te bevorderen. Hierbij ging het specifiek om regievoering op de samenwerking tussen grote zorgaanbieders en welzijnspartijen. Een belangrijke belemmering waarom dat niet lukte was, naast de door u genoemde belemmeringen, ongelijkwaardigheid tussen zorgpartijen en welzijnspartijen in verschillende opzichten, zoals organisatiegrootte, budgettaire omvang en als gevolg daarvan grote verschillen in posities tussen partijen binnen het stelsel van ondersteuning en hulp.

Maar de respondenten in uw onderzoek lijken geen onderscheid te maken tussen het wijknetwerk en ‘het coöperatief samenwerkingsverband’ terwijl die naar onze mening wezenlijk verschillen, omdat het wijknetwerk functioneert op het niveau van wijken en het ‘coöperatief samenwerkingsverband’ op gebiedsniveau en de deelnemende partijen verschillend zijn. Zij verwijzen meer in algemene zin naar de lokale samenwerking in het wijknetwerk. Wij delen uw conclusie dat in het wijknetwerk in veel gevallen geen sprake was van een regierol van welzijn. Maar we zagen wel dat vanuit deze oorspronkelijke ambitie mede dankzij het werken volgens de Wijkprogrammering – er meer samenwerkingen ontstonden met welzijnspartijen en met andere partners. Ook werden in steeds meer wijken jeugdnetwerken gestart die bijdroegen aan kortere lijnen tussen de netwerkpartners en van waaruit meer focus op de maatschappelijke resultaten kon

37

meer waarde voor jongeren

worden georganiseerd. In de praktijk pakte de regierol anders uit dan bedacht, maar de praktijk droeg wel bij aan het beoogde doel (meer samenwerking) en daarom zagen wij dit als een positieve ontwikkeling. Het organiseren van effectieve en efficiënte samenwerking tussen zorgpartijen en welzijn is en blijft belangrijk voor het bieden van passende ondersteuning aan bewoners en voor de houdbaarheid van het stelsel. Dat is de reden dat de gemeente in ‘Heel de Stad’ heeft opgenomen dat wij werken aan het ontwikkelen van een nieuw regiemodel ‘samenwerking in de wijk’, waarin de gemeente zelf een belangrijke rol speelt. In het model zal de gemeente zelf een sterk aandeel nemen in de regie in de realisatie van samenhangend aanbod. Het wordt ontwikkeld in samenhang met ‘Wijk aan zet’ en de daarin begrepen vernieuwing van wijkmanagement. Lokale omstandigheden en behoeften zullen hierdoor steviger verankerd zijn in de regievoering. 9. In het begeleiden van jongeren naar passende hulp (zoals schuldhulpverlening, hulp bij het zoeken naar werk of bij het aanvragen van een uitkering), ervoer het jongerenwerk problemen in de samenwerking met gemeentelijke instanties: a. De formele werkwijze van gemeentelijke diensten zoals het Jongerenloket en het Expertise Team Financiën vormde een belemmering.

Jongerenwerkers ervoeren die diensten als moeilijk toegankelijk en traag in de afhandeling van hulpvragen. Reactie van het college Wij erkennen dat de samenwerking van jongerenwerkers en bepaalde dienstverlening formeel is en wij snappen dat dit wordt ervaren als stroef of bureaucratisch. Wij vinden het wel belangrijk om hiervoor enig begrip te vragen. Met name vanuit de wettelijke taken die we als gemeente uitvoeren, zijn professionals van bijvoorbeeld het Jongerenloket en wijkteams gebonden aan regels. Wij zoeken waar mogelijk naar maatwerk, binnen de bestaande wet- en regelgeving. Wij zoeken nadrukkelijk ook naar nieuwe manieren; het college beoogt de afstand tussen professionals te verkleinen. Dat doen we door te investeren in het versterken van wijknetwerken, maar bijvoorbeeld ook met de realisatie van de gemeentelijke wijkhubs. Ook de door u specifiek aangehaalde organisatieonderdelen werken aan deze opgave. Bij de aanbevelingen zullen wij hier iets verder op ingaan. b. Met gemeentelijke wijkteams hebben sommige jongerenwerkers goede contacten en ‘korte lijntjes’. Het feit dat veel wijkteams in Rotterdam lange wachttijden hebben, beperkte echter de mogelijkheden voor jongerenwerkers om hulp van het wijkteam in te schakelen voor jongeren met problemen.

Dat het jongerenwerk problemen ervoer in het doorgeleiden van jongeren met een hulpvraag naar gemeentelijke instanties, is des te ernstiger, gezien het feit dat jongerenwerk juist jongeren bereikte die door gemeentelijke instanties niet makkelijk worden bereikt. Hierdoor verkleinde de kans dat jongeren die via jongerenwerk in beeld komen passende hulp krijgen. Moeilijke toegankelijkheid van gemeentelijke hulpverlening en wachttijden van wijkteams zijn hardnekkig problemen, die de rekenkamer ook in eerdere onderzoeken in het sociaal domein heeft geconstateerd. Reactie van het college Het college erkent de door u getrokken conclusie. Wij willen hierbij opmerken dat er momenteel wel een flink aantal wijkteams met een wachtlijst is, maar dat die in de meeste gevallen niet lang is. Er is in de regel ook contact met jongeren die op de wachtlijst staan. Het college erkent dat wachtlijsten een probleem vormen. Wachtlijsten zijn helaas onder meer het gevolg van wachtlijsten bij zorgaanbieders

38

meer waarde voor jongeren

(soms heel lang, soms minder lang); er is dan te weinig doorstroom. Ook constateert het college dat de bezetting van wijkteams knellender wordt. Het is steeds moeilijker om in een toenemend krappere arbeidsmarkt goede, ingewerkte medewerkers voor de wijkteams te vinden. Dit probleem zal waarschijnlijk niet kleiner worden in de toekomst. Desalniettemin is momenteel de formatie van de wijkteams uitgebreid om de hulpverlening sneller te laten plaatsvinden en zijn ook andere maatregelen getroffen om de wachtlijsten te verminderen. nieuwe gebiedsopdrachten In juni 2022 zijn de nieuwe gebiedsopdrachten welzijn gestart. Die nieuwe opdracht bevat onderdelen die een verbetering betekenen, omdat daarmee factoren uit de voorgaande aanbesteding worden aangepakt die het succes van het jongerenwerk belemmerden. Er zijn echter ook belemmerende factoren uit de vorige aanbestedingsperiode die in de nieuwe gebiedsopdrachten blijven bestaan. Conclusies 10 tot en met 12 gaan over de nieuwe gebiedsopdrachten. 10 Verbeteringen in de nieuwe gebiedsopdrachten zijn onder meer: a. Met het vastleggen van een minimale formatie jongerenwerk per gebied is jongerenwerk beter geborgd in de opdrachten. b. Met het uitbreiden van de looptijd van de opdracht naar maximaal tien jaar is de continuïteit van het welzijnswerk in de wijken beter geborgd. c.

In de opdrachten stuurt de gemeente ook op maatschappelijke opgaven in de wijken en niet meer alleen op vooraf bepaalde output. Dit geeft welzijnsorganisaties meer flexibiliteit om zelf activiteiten te kiezen die aansluiten bij de opgaven in de betreffende wijk. Reactie van het college Wij omarmen uw conclusie en vinden dit ook belangrijke verbeteringen ten aanzien van de oude welzijnsopdracht. a. Wij leggen de formatie plekken vast op minimaal 153,5 hiermee waarborgen wij zowel het kinder-, tiener- als het jongerenwerk. b. Wij zijn blij dat wij door deze uitbreiding de welzijnspartijen de kans geven duurzame relaties aan te kunnen gaan met de Rotterdamse jeugd. De welzijnspartijen krijgen hiermee meer ruimte om aanbod en inzet verder te kunnen ontwikkelen en verbeteren. Waarmee er een nog positievere invloed kunnen hebben op de levens van de Rotterdamse jeugd. c. Op deze manier sluit de inzet van het jeugdwerk beter aan bij de praktijk en kan de inzet een bijdrage leveren aan de maatschappelijke problemen op gebiedsniveau en op den duur op wijkniveau. 11.In de nieuwe gebiedsopdrachten blijven onder meer de volgende belemmerende factoren bestaan: a. In de nieuwe opdrachten geeft de gemeente aan leren en evalueren belangrijk te vinden.

De gemeente legt de verantwoordelijkheid hiervoor grotendeels bij de welzijnsorganisaties en het is niet duidelijk of de gemeente ze hierbij substantieel zal ondersteunen. Daarmee is onzeker of in de komende periode zal worden geleerd over de effectiviteit van activiteiten. Reactie van het college De gemeente ziet leren en evalueren als een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarin wij in gezamenlijkheid met de welzijnspartijen aan de slag gaan. Wat mogelijk tot dit beeld heeft geleid, is dat in het programma van eisen alleen zichtbaar is welke inspanningen van aanbieders worden verwacht. De wederkerigheid is niet opgenomen

39

meer waarde voor jongeren

in de eisen, maar als opdrachtgever zullen wij zowel met kennis als met middelen investeren. Hoe dit eruit komt te zien, dat is onderwerp van gesprek met de welzijnspartijen. Middels een werkgroep wordt in gezamenlijkheid een koers bepaald en de ontwikkelingsopgave vormgegeven ten aanzien van leren en evalueren. b. In de nieuwe opdrachten wordt de regierol van welzijn in het wijknetwerk gecontinueerd en zelfs uitgebreid tot ‘gedelegeerd regisseur’ van de wijkprogrammering, ondanks het gegeven dat onder de vorige gebiedsopdrachten bleek dat welzijnsorganisaties die regierol niet waar konden maken. Reactie van het college In de nieuwe welzijnsopdracht voert de welzijnsaanbieder samen met de gemeente de regie over het doorlopen van de wijkprogrammering. Dat betekent dat de gemeente eindverantwoordelijk is. Voor de goede orde: “het wijknetwerk” bestaat niet, er is niet sprake van één wijknetwerk. Er zijn vele wijknetwerken die verschillen qua samenstelling, scope en samenwerking. De basis voor een netwerk is vrijwilligheid, het bestaan van gedeelde belangen en het ervaren van gezamenlijke opgaven. Daar waar belangen botsen en samenwerking niet goed lukt, zal de gemeente in samenwerking met de welzijnsaanbieder zoeken naar passende oplossingen.

In het kader van de gesprekken rond het jaarplan kan dat zijn in de vorm van een onafhankelijk gespreksleider, maar ook andere oplossingen zijn mogelijk waarin de gemeente in samenspraak met de welzijnsaanbieder, vanuit haar regisseur schap, een stap naar voren doet. De welzijnsaanbieder wordt in zijn rol als regisseur dus nadrukkelijk door de gemeente versterkt. Daarnaast is het instrumentarium voor de welzijnsaanbieder versterkt. In tegenstelling tot de oude opdracht zijn met Right to Cooperate en Lokaal budget nieuwe instrumenten toegevoegd aan de welzijnsopdracht die samenwerking en samenhang met andere partijen zullen stimuleren. De welzijnsaanbieder zal op basis van Right to Cooperate en het Lokaal Budget in gesprek gaan met wijkpartners over de wijkopgaven. Met ‘Right to Cooperate’ willen wij aansluiten bij de ontwikkeling in het gebied en wijk, waarbij steeds meer vanuit netwerken samengewerkt wordt om krachten te bundelen en elkaar te versterken. c. De inhoudelijke afbakening tussen de taken van het jongerenwerk van de welzijnsorganisaties en het stedelijk jongerenwerk (dat in de nieuwe opdrachten ‘grenzenstellend jongerenwerk’ heet) is duidelijker geworden, maar dit laat onverlet dat coördinatie nodig is tussen beide vormen van jongerenwerk. De gemeente heeft coördinerende maatregelen aangekondigd.

Het is nog niet duidelijk of die voldoende zijn om de samenwerking tussen beide typen jongerenwerk te verbeteren. Reactie van het college Wij starten in het najaar van 2022 met het opzetten van een stedelijke entiteit jongerenwerk. Een verplichting uit het programma van eisen voor welzijn en grenzenstellend jongerenwerk. Dit wordt een gremium waarbinnen cluster Maatschappelijke Ontwikkeling en directie Veiligheid, samen met de welzijnspartijen en het grenzenstellend jongerenwerk samenwerken. Het gaat hierbij over afstemming, bepalen van gebiedsoverstijgende inzet, professionalisering en het signaleren van de opkomst van fenomenen onder de jeugd. De samenwerking hier, vormt naar de mening van het college een graadmeter voor de mate waarin er effectief wordt samengewerkt binnen het jongerenwerk.

40

meer waarde voor jongeren

d. Er komen meer plekken voor jongeren in de wijken (‘jongerenhubs’), maar lang niet in alle Rotterdamse wijken. Reactie van het college: Het klopt dat niet in alle wijken een Jongerenhub gerealiseerd zal worden. En dat heeft te maken met een aantal zaken, financiële haalbaarheid, behoeften en beperkte beschikbaarheid van vastgoed. Over de financiële haalbaarheid het volgende: een schatting van de kosten voor het realiseren van een Jongerenhub komt uit op tussen € 200.000 en € 250.000. Het benodigde bedrag voor alle wijken overstijgt de middelen die beschikbaar zijn gesteld binnen de gemeentelijke begroting. Ook is niet in iedere wijk de behoefte aan een Jongerenhub. Dit is mede afhankelijk van de aanwezigheid van andere voorzieningen in een wijk en de demografie van een wijk. En hebben wij te maken met een beperkte beschikbaarheid van vastgoed in Rotterdam. Overigens weten partijen in vaak creatieve samenwerkingen met bijvoorbeeld een voetbalclub of een bibliotheek, wel over heel de stad aanbod te realiseren. Hierdoor is er voor iedere jongere aanbod beschikbaar. 12.In de nieuwe gebiedsopdrachten wordt meer ingezet op jeugd. Het totale budget van de welzijnsopdrachten wordt echter niet verhoogd ten opzichte van de vorige aanbesteding. Daarmee gaat de extra inzet voor jeugd ten koste van andere onderdelen van het welzijnswerk.

De gemeente weet nog niet welke onderdelen dit zijn. Daarmee is niet duidelijk wat de consequenties zijn voor bijvoorbeeld het welzijnsaanbod voor andere doelgroepen van het welzijnswerk, zoals ouderen en kwetsbare groepen volwassenen. Reactie van het college Zoals het college ook in de inkoopstrategie Welzijn (20bb17408) heeft aangegeven was de vorige welzijnsopdracht breed geformuleerd en gebaseerd op één bestek voor heel Rotterdam met naar verhouding veel aan stedelijke programma's gekoppelde indicatoren. Voor de nieuwe opdrachten hebben we dat veranderd in een scherpere opdracht met meer ruimte voor lokaal maatwerk per wijk. Dit betekende voor de inkoop: - Differentiatie naar 14 welzijnsbestekken, gebaseerd op 42 wijkanalyses; - Scherpere keuzes voor de prioriteitsgroepen; - Grotere concentratie van de welzijnsinzet naar wijken waar dit het hardst nodig is; - Een vernieuwd afwegingskader voor de verdeling van welzijnsmiddelen over de Rotterdamse wijken en gebieden. U stelt dat de aanpassingen ten koste gaan van inzet, maar wij menen dat deze keuzes er juist voor zorgen dat de inzet op de juiste plek terecht komt. aanbevelingen U heeft ervoor gekozen de aanbevelingen op volgorde te zetten, waarvan u denkt dat deze de meeste impact kunnen genereren. Wij volgen de door u gekozen volgorde hieronder in onze reacties. Aanbeveling 1.

Onderken het verschil in perspectief op jongerenwerk tussen het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling en de directie Veiligheid en de hiermee samenhangende verschillen in visie tussen de welzijnsorganisaties en het grenzenstellend jongerenwerk. Verbeter de interne coördinatie tussen het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling en de directie

41

meer waarde voor jongeren

Veiligheid zodanig dat de gemeente als één opdrachtgever optreedt en neem maatregelen om de samenwerking tussen beide vormen van jongerenwerk te bevorderen. Reactie van het college Het college neemt deze aanbeveling over. Zoals hierboven en deels door de Rekenkamer ook benoemd, werken wij aan verbetering van onze rol als opdrachtgever. Dit doen we door nadrukkelijk de afstemming te zoeken met de opdrachtnemers, als intern. Wij realiseren ons dat dit een opgave is die permanente aandacht vraagt. Het college zal opdracht geven dit samenwerkingsverband periodiek te evalueren. Aanbeveling 2. Neem als gemeente zelf de regie over samenwerking in het wijknetwerk in het algemeen en over de invulling van de wijkprogrammering in het bijzonder. De gemeente beschikt over meer bevoegdheden en middelen dan de welzijnsorganisaties om die rol te vervullen. In het wijknetwerk zijn uiteenlopende organisaties betrokken bij jongeren. Onder meer scholen, het Centrum voor Jeugd en Gezin, wijkteams, bewonersverenigingen en welzijnsorganisaties, elk met een specifieke verantwoordelijkheid voor jongeren. Om jongeren goed te helpen is samenwerking tussen die organisaties van belang. Om die samenwerking te realiseren, is regievoering nodig. Zo moeten partijen in het wijknetwerk bij elkaar worden gebracht, er moet verkend worden hoe ze kunnen samenwerken en daarover moeten afspraken worden gemaakt.

Uit dit onderzoek komt naar voren dat de welzijnsorganisaties niet over de daarvoor benodigde positie in het wijknetwerk beschikken en bovendien geen bevoegdheden en middelen hebben om te sturen. De gemeente past die regierol beter, vanuit een meer algemene verantwoordelijkheid voor voorzieningen voor jongeren in de wijk. De gemeente beschikt ook over meer bevoegdheden en middelen om regie te voeren. Bovendien zijn in de wijken al meerdere ambtenaren betrokken bij het bevorderen van samenwerking in het wijknetwerk, zoals gebiedsadviseurs en experts wijkveiligheid. Reactie van het college Het college neemt deze aanbeveling over, maar we maken daarbij wel een voorbehoud. We werken op dit moment, samen met de aanbieders, aan de uitwerking van de opdracht. De invulling van monitoring, sturing en regie staan daarin nadrukkelijk op de agenda. In reactie op de conclusies hebben wij op dit punt al enkele opmerkingen gemaakt. De zorgen die u meegeeft over de keuzes ten aanzien van de regie vinden wij belangrijke signalen, die wij ook in de uitwerking mee zullen nemen. Aanbeveling 3. Verbeter de dagelijkse samenwerking van jongerenwerkers op uitvoerend niveau met medewerkers van gemeentelijke diensten, zoals van het Jongerenloket en het Expertise Team Financiën. Neem hiertoe procedurele barrières die hulpverlening aan jongeren beperken weg en bied ruimte voor maatwerk.

Om goed samen te werken in het begeleiden van jongeren naar passende hulp (zoals schuldhulpverlening, werk of een uitkering), is van belang dat jongerenwerkers en medewerkers van gemeentelijke instanties (zoals het wijkteam, het Jongerenloket of het Expertise Team Financiën) elkaar goed weten te vinden, oftewel ‘korte lijntjes’ met elkaar hebben. Uit het onderzoek komt

42

meer waarde voor jongeren

naar voren, dat die korte lijntjes er soms zijn, maar dat het ook dan regelmatig niet goed lukt om tijdig passende hulp voor een jongere te organiseren. Gemeentelijke procedures belemmeren gemeentelijke medewerkers hierin dan. Ook het ontbreken van voldoende discretionaire bevoegdheden kan gemeentelijke medewerkers belemmeren om maatwerk te bieden. Dit betekent dat zij niet voldoende ruimte hebben om zelfstandig te handelen op basis van wat volgens hun professionele oordeel passend of nodig is voor een jongere. Reactie van het college Wij herkennen de korte lijntjes (die er vaak zijn en vaak ook niet). Wij herkennen ook de belemmerende werking van wet- en regelgeving op en het feit dat het individuele medewerkers aan doorzettingsmacht ontbreekt (grotendeels door verkokering). Wij omarmen de aanbeveling dan ook en zien deze als een steun voor de richting die we sinds de door u onderzochte periode zijn ingeslagen. In uw aanbevelingen gaat u specifiek in op het wijkteam, het Jongerenloket en het ETF. Wij illustreren deze richting daarom hieronder specifiek vanuit elk van deze disciplines: - Vanuit de wijkteams wordt sinds een jaar gewerkt met PRIO: een werkwijze waarbij het mandaat (de bevoegdheid) om beslissingen te nemen die in het belang zijn van goede hulp/ondersteuning van de Rotterdammers bij de wijkteamleider ligt.

Medewerkers van verschillende instanties (waaronder ook het Jongerenloket) worden aangemoedigd maatwerk te bieden en daarvoor indien nodig ook onorthodoxe maatregelen te nemen. Zij worden daarin ook getraind en het maatwerkbudget is daarvoor ook uitgebreid. - Ook in andere opzichten wordt vanuit de wijkteams gestreefd naar vereenvoudiging van procedures en er gaat ook een onderzoek plaatsvinden naar vereenvoudiging van jeugdhulparrangementen. De wijkteammedewerkers worden ook aangemoedigd om hun contacten met het wijknetwerk te verstevigen en de managers hebben inmiddels ook nadrukkelijk de opdracht hierop te sturen en zelf het goede voorbeeld te geven. (na het thuiswerken tijdens corona vergt dit ook wel extra aandacht) - De inzet van de Vliegende Brigade geeft voorlichting aan diverse samenwerkingspartijen waaronder het welzijnswerk, over het aanbod en werkwijze van het Jongerenloket. Zodat zij jongeren voor het juiste aanbod toeleiden naar het Jongerenloket. - Sinds vorig jaar bestaat de afdeling Grip op Geldzaken waaronder het ETF valt. In de door u onderzochte periode hebben we de uitrol gedaan over heel de stad. Kortom, de functie is nog redelijk nieuw binnen het sociaal domein en we zijn dan ook nog bezig met het opbouwen van contacten en het maken van samenwerkingsafspraken.

Aanbeveling 4: Breng in overleg met de welzijnsorganisaties in kaart wat de consequenties zijn van de extra inzet voor jeugd voor het welzijnsaanbod voor andere doelgroepen van het welzijnswerk. Informeer vervolgens de raad over die consequenties. Reactie van het college Deze aanbeveling nemen wij niet over. We zijn het met u eens dat het belangrijk is om zicht te hebben op de consequenties. De afgelopen periode hebben wij de raad op verschillende momenten hierin meegenomen en is ook door de raad zelf op verschillende momenten gedebatteerd over de consequenties.

43

meer waarde voor jongeren

Hiervoor verwijst het college onder meer naar voortgangsbrieven over de implementatie (22bb1912) en gestelde raadsvragen (zie onder meer 22bb3475). Wij zijn van mening dat we hiermee voldoende invulling geven aan uw aanbeveling. Aanbeveling 5: Bevorder het leren over resultaten van jongerenwerk in de nieuwe gebiedsopdrachten door de effecten van activiteiten te onderzoeken en/of de welzijnsorganisaties te faciliteren om hier zelf onderzoek naar uit te voeren. Gebruik als voorbeeld hierbij de wijze waarop de rekenkamer dit onderzoek heeft uitgevoerd op macro-, meso- en microniveau. Dit onderzoek van de rekenkamer geeft inzicht de bijdrage van het jongerenwerk in de periode 2018-2020 en wat in die periode succesfactoren en belemmerende factoren waren. Dit onderzoek is daarmee een eerste stap. De komende jaren is opnieuw onderzoek nodig naar het welzijn van jongeren en naar activiteiten van het jongerenwerk, zodat steeds opnieuw wordt geleerd van de praktijk. Dit onderzoek van de rekenkamer kan daarbij als voorbeeld dienen. Op macroniveau kan worden onderzocht hoe het gaat met het welzijn van jongeren. Op mesoniveau kan worden onderzocht met welke activiteiten en op welke manier welzijnsorganisaties veel kwetsbare jongeren kunnen bereiken en op microniveau kan inzicht worden verkregen in wat specifieke activiteiten opleveren voor jongeren.

Onderzoek op die drie niveaus levert bovendien inzicht op in succesfactoren en belemmerende factoren. Om een volgende stap te zetten naar structureel inzicht is van belang dat de gemeente de mogelijkheid tot leren actief en substantieel bevordert, bijvoorbeeld door de komende periode zelf onderzoek te doen of door hiervoor financiële of praktische ondersteuning beschikbaar te stellen. De welzijnsorganisaties zijn zelf namelijk vooral gericht op het uitvoeren van hun primaire taken en weinig met het onderzoeken van hun resultaten. Reactie van het college Wij omarmen deze aanbeveling. Aan het begin van onze bestuurlijke reactie hebben wij aangegeven uw onderzoeksrapport als een kans te zien om van uw inzichten te leren en te verbeteren. Vooral op het gebied van het monitoren zullen wij uw inzichten ter harte nemen. Zoals gezegd is het belangrijk als gemeente en welzijnsaanbieder om te weten: bereiken wij met onze interventies het beoogde effect? Om dit te kunnen moeten niet alleen registraties beter en uniformer, die ons inzicht geven in het bereik, non-bereik, uitval op interventie- en microniveau, maar is ook een verbeterslag nodig in de beschikbaarheid van actuele data op wijk en stedelijk niveau, die ons inzicht geven in de impact die interventies hebben op bijvoorbeeld de sociale weerbaarheid van jongeren.

Bij het vormgeven van het monitoren willen wij zoveel mogelijk de uitgangspunten van Impactgedreven werken gebruiken, deze uitgangspunten zijn vastgelegd in “Heel de Stad”. Zoals u terecht aanbeveelt gaan we hierover in gesprek met de welzijnsaanbieders. En beogen we met hen hiervoor een gezamenlijk tijdspad af te spreken.

44

meer waarde voor jongeren

5

nawoord: aandachtspunten gemeenteraad

Op 13 september 2022 ontving de rekenkamer een schriftelijke reactie van het college op dit rapport. Hierin gaat zij eerst in op de conclusies van het rekenkamerrapport en vervolgens op de aanbevelingen die de rekenkamer heeft gedaan. Uiteindelijk is het de gemeenteraad die het college opdraagt om opvolging te geven aan aanbevelingen van de rekenkamer. Daarom geeft de rekenkamer in dit nawoord enkele aandachtspunten mee die relevant zijn of zouden kunnen zijn voor de gedachtewisseling met het college en de besluitvorming over opvolging van de aanbevelingen. De eerste aanbeveling betreft het verbeteren van de interne coördinatie tussen het cluster Maatschappelijke Ondersteuning en de directie Veiligheid ten aanzien van jongerenwerk. Het college neemt deze aanbeveling over, zo geeft zij aan. De tweede aanbeveling strekt ertoe dat de gemeente zelf de regie neemt over de samenwerking in het wijknetwerk en die regie dus niet meer bij welzijnsorganisaties te beleggen. Deze aanbeveling neemt het college deels over, namelijk met een voorbehoud. De derde aanbeveling gaat over het verbeteren van de samenwerking van jongerenwerk met gemeentelijke instanties (zoals het Jongerenloket en het Expertise Team Financiën). Het college neemt deze aanbeveling over.

De vierde aanbeveling is om in kaart te brengen welke consequenties de extra inzet voor jeugd heeft op het welzijnsaanbod voor andere doelgroepen (gelet op het feit dat het totale budget voor welzijn niet toeneemt) en om de raad te informeren over die consequenties. Deze aanbeveling neemt het college niet over. De vijfde aanbeveling is om te bevorderen dat wordt geleerd over resultaten van jongerenwerk in de nieuwe gebiedsopdrachten, door de effecten van activiteiten te onderzoeken en/of de welzijnsorganisaties te faciliteren om hier zelf onderzoek naar uit te voeren. Deze aanbeveling neemt het college over. De rekenkamer stelt vast dat het college drie van de vijf aanbevelingen overneemt, één aanbeveling deels overneemt en één aanbeveling niet overneemt. Tabel 5-1 biedt een overzicht van de reactie van het college per aanbeveling.

45

meer waarde voor jongeren

tabel 5-1: reactie college op aanbevelingen aanbeveling

reactie college

1. Onderken het verschil in perspectief op jongerenwerk tussen het cluster

neemt aanbeveling

Maatschappelijke Ontwikkeling en de directie Veiligheid en de hiermee

over

samenhangende verschillen in visie tussen de welzijnsorganisaties en het grenzenstellend jongerenwerk. Verbeter de interne coördinatie tussen het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling en de directie Veiligheid zodanig dat de gemeente als één opdrachtgever optreedt en neem maatregelen om de samenwerking tussen beide vormen van jongerenwerk te bevorderen. 2. Neem als gemeente zelf de regie over samenwerking in het wijknetwerk in het neemt aanbeveling algemeen en over de invulling van de wijkprogrammering in het bijzonder. De

deels over

gemeente beschikt over meer bevoegdheden en middelen dan de welzijnsorganisaties om die rol te vervullen. 3. Verbeter de dagelijkse samenwerking van jongerenwerkers op uitvoerend

neemt aanbeveling

niveau met medewerkers van gemeentelijke diensten, zoals van het

over

Jongerenloket en het Expertise Team Financiën. Neem hiertoe procedurele barrières die hulpverlening aan jongeren beperken weg en bied ruimte voor maatwerk. 4. Breng in overleg met de welzijnsorganisaties in kaart wat de consequenties

neemt aanbeveling

zijn van de extra inzet voor jeugd voor het welzijnsaanbod voor andere

niet over

doelgroepen van het welzijnswerk. Informeer vervolgens de raad over die consequenties. 5. Bevorder het leren over resultaten van jongerenwerk in de nieuwe

neemt aanbeveling

gebiedsopdrachten door de effecten van activiteiten te onderzoeken en/of de

over

welzijnsorganisaties te faciliteren om hier zelf onderzoek naar uit te voeren. Gebruik als voorbeeld hierbij de wijze waarop de rekenkamer dit onderzoek heeft uitgevoerd op macro-, meso en microniveau.

1 aandachtspunt regie wijknetwerk De rekenkamer beveelt aan dat de gemeente zelf de regie neemt over samenwerking in het wijknetwerk. Uit de reactie van het college maakt de rekenkamer op dat de gemeente werkt aan een nieuw regiemodel waarin de gemeente zelf sterker aanwezig is, bijvoorbeeld door bij te springen als samenwerking in het wijknetwerk niet goed lukt. Niettemin houden de welzijnsorganisaties ook in dat nieuwe model een regierol. Zo moeten welzijnsaanbieders volgens de nieuwe gebiedsopdrachten de regie voeren over het proces van de wijkprogrammering op tactisch en operationeel niveau. Dat is anders dan de rekenkamer bedoelt met de aanbeveling. Die strekt er namelijk toe dat de gemeente de regierol geheel overneemt van de welzijnsorganisaties. Van belang hierbij is dat uit het onderzoek blijkt dat welzijnsorganisaties de aan hen toebedeelde regierol de afgelopen jaren niet waar hebben gemaakt en dat zij die rol ook niet waar kunnen maken. Ten eerste omdat zij niet beschikken over de daarvoor benodigde positie in het wijknetwerk en ten tweede omdat zij niet voldoende sturingsmogelijkheden hebben (zoals bevoegdheden en financiële middelen) om die functie te vervullen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8578f09d-5b0a-431f-938f-33b8d1c19f86