[22bb006363] Afdoeningsvoorstel wethouder Karremans toezegging 21bb6738 over Aanpak van seksuele straatintimidatie (motieven daders)
Tekst van het document
Bestuurs- en Concernondersteuning Handhaving, Buitenruimte, Mobiliteit Vincent Karremans Bezoekadres: Stadhuis Coolsingel 40, Rotterdam Postadres: Postbus 70012 3000 KP Rotterdam Internet: www.rotterdam.nl
Aan de commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid
Van: Lisanne Oldekamp Telefoon: 0639116530 E-mail: bbo@rotterdam.nl Uw kenmerk: 21bb6738 Ons kenmerk: M2206-2924 - 22bo005651 Bijlage(n): 1 Onderwerp: afdoeningsvoorstel toezegging 21bb6738 Datum: 4 oktober 2022
Beste commissieleden, In mei 2021 heeft toenmalig wethouder Wijbenga u de toezegging gedaan te onderzoeken wat de motieven zijn van plegers van seksuele straatintimidatie (SSI) (21bb6738). Dit onderzoek is inmiddels afgerond. In de bijlage vindt u de managementsamenvatting van het onderzoek. In deze brief presenteer ik de belangrijkste bevindingen en mijn reactie hierop. Het onderzoek Het onderzoek bestond uit een literatuuronderzoek, interviews met professionals die zich bezighouden met SSI in Rotterdam, observaties van gastlessen en een enquête. In de enquête is, naast eigen ervaringen en gedrag, ook gevraagd naar reacties op een zogenoemd vignet: een beschrijving van een situatie waarover respondenten vragen hebben beantwoord. De enquête is helaas door een laag aantal respondenten (163) ingevuld en de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke respondenten is scheef. Er hebben meer vrouwen dan mannen gereageerd. Ondanks de inspanningen van de onderzoeker om 1) meer respondenten te krijgen en 2) meer mannelijke respondenten de enquête te laten invullen, is dit niet gelukt. Hierdoor kent de analyse van de enquête enige kanttekeningen en is het in beperkte mate mogelijk de resultaten van het onderzoek te generaliseren. Bevindingen Uit dit onderzoek blijkt dat factoren als leeftijd, opleidingsniveau en religie geen rol spelen bij het wel of niet vertonen van SSI-gedrag.
Met name jongeren vertonen SSI-gedrag vooral vanuit het idee dat ze iemand een complimentje geven of met iemand flirten. Waarschijnlijk heeft een deel van de plegers niet door dat hun gedrag als SSI wordt ervaren, omdat ze geloven dat hun gedrag normaal is. Overtuigingen over de gewenste omgang tussen mannen en vrouwen spelen een rol in de totstandkoming van seksuele straatintimidatie. Er zijn aanwijzingen gevonden dat deze overtuigingen voortkomen uit een heersende cultuur van genderongelijkheid. Deze denkbeelden resulteren in twee motieven voor het vertonen van SSI-gedrag: flirten & bewonderen en macht & controle.
Blad: Datum: Ons kenmerk:
2 4 oktober 2022 M2206-2924
Respondenten die aangeven zelf wel eens SSI te hebben gepleegd, noemen het motief ‘macht & controle’ minder bij hun eigen gedrag maar geven dit bij de vignetten wel aan. Dit kan te maken hebben met onderrapportage, maar het kan ook betekenen dat plegers hun macht niet bewust inzetten of willen uitoefenen op degene die ze seksueel intimideren. Over het algemeen kan worden gezegd dat SSI complex gedrag omvat, wat voorkomt in en geproduceerd wordt door een cultuur van genderongelijkheid waaruit de sociale betekenis van het gedrag volgt. Het gedrag wordt vertoond door een diverse populatie aan plegers met wisselende sociodemografische kenmerken. Daarbij hangt het gedrag samen met uiteenlopende motieven en situationele factoren. Het stereotype beeld van mannelijke hangjongeren als plegers wordt ontkracht door de literatuur, de interviews en de resultaten van de enquête. Opvallend is dat mensen die conservatieve denkbeelden aanhangen omtrent genderrollen eerder geneigd zijn SSI te plegen dan mensen met progressieve denkbeelden. Naast persoonlijke motieven is ook de context van invloed op de kans op pleeggedrag. Waar, wanneer en met wie ben je, is er toezicht aanwezig, heb je middelen gebruikt? Al deze factoren zijn van invloed op de kans dat je iemand seksueel intimideert.
Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek worden de volgende aanbevelingen gedaan: - Gebruik mannelijke rolmodellen in publiekscampagnes en stimuleer het bespreekbaar maken van gedrag, naar voorbeeld uit Londen. Uit het onderzoek komt naar voren dat jongeren de normen en waarden waar ze zich naar gedragen, meekrijgen via rolmodellen uit het gezin, school, de vriendengroep en sociale media. Als rolmodellen zich juist tegen SSI uitspreken, kan dit gedrag gecorrigeerd worden. De campagnevideo #HaveAWord uit Londen is een goed voorbeeld van een campagne die het idee ‘je kan niks meer goed doen als man’ vermijdt en het aanspreken van een ander juist als positief gedrag neerzet. - Benoem in voorlichtingen en campagnes niet alleen welk gedrag niet mag, maar bied ook handvatten voor wat wel geaccepteerd gedrag is. Plegers geven in de enquête aan hun gedrag voornamelijk als flirten in te zetten. Hen kunnen handvatten worden geboden om gedrag aan te leren dat wel wenselijk en geaccepteerd is. - Stigmatiseer de pleger niet, maar zorg ervoor dat hij doorheeft dat zijn gedrag wordt afgekeurd zonder hem als persoon af te vallen. Stigmatisering kan een averechts effect hebben, namelijk dat de pleger het gedrag juist vaker gaat vertonen. - Verminder anonimiteit en vergroot (in)formeel toezicht op straat.
Dit kan door inzet van handhavers op hot spots en hot times en door het organiseren van trainingen omstanderinterventies. Om de hot spots en hot times beter in beeld te krijgen, wordt aanbevolen ook formele toezichthouders en jongerenwerkers de mogelijkheid te geven meldingen te doen. - Tot slot worden verschillende suggesties gedaan voor vervolgonderzoek, zoals het bevragen van plegers naar aanleiding van geobserveerd gedrag, verdiepend onderzoek naar pleeggedrag door vrouwen en jongeren en de levensloop en gedragsontwikkeling van plegers. Onze Reactie Ondanks methodologische beperkingen biedt dit onderzoek een eerste inzicht in de motieven van plegers van seksuele straatintimidatie. Uit het onderzoek komt duidelijk naar voren dat er geen ‘standaardprofiel’ van een pleger is te maken en dat de motieven voor het gedrag uiteenlopen. Dit is herkenbaar vanuit de ervaringen die we in Rotterdam de afgelopen jaren hebben opgedaan met de aanpak van SSI.
Blad: Datum: Ons kenmerk:
3 4 oktober 2022 M2206-2924
Het bevestigt het beeld dat deze aanpak zich niet op een afgebakende mannelijke doelgroep, maar op de samenleving als geheel moet worden gericht. Een deel van de aanbevelingen sluit goed aan bij de ambities uit de herijkte aanpak en bij concrete activiteiten uit het jaarplan 2022. Zo spreken in de nieuwe campagne, die in september in het straatbeeld te zien zal zijn, Rotterdamse rolmodellen (en niet alleen slachtoffers zoal in de eerste campagne het geval was) zich uit tegen SSI. Ook het Londense voorbeeld #HaveAWord is bekend en zal als inspiratiebron dienen voor de communicatielijn vanaf 2023, wanneer er vanuit de keuzes die in het coalitieakkoord ‘Eén Stad’ zijn gemaakt, significant meer middelen beschikbaar zijn. Ook zetten we, zowel in de campagne van het najaar als via verschillende activiteiten, in op het activeren van omstanders – door hen een handelingsperspectief te bieden, vergroten we het informeel toezicht op straat. Uiteraard spelen de handhavers hierin ook een rol: dit jaar zijn verschillende stappen gezet om hen handvatten te geven om het gesprek aan te gaan in gevallen van SSI. De conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek zullen worden meegenomen bij het opstellen van het jaarplan voor 2023, dat ik u uiterlijk in januari 2023 zal toezenden. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en beschouw toezegging 21bb6738 als afgedaan.
Met vriendelijke groet,
Vincent Karremans Wethouder Handhaving, Buitenruimte, Mobiliteit Bijlage(n): Managementsamenvatting 'Motieven van plegers van SSI'
“Hoe bedoel je onveilig? We doen helemaal niks verkeerd en dan krijgen we alsnog gelazer” Een mixed-methods onderzoek naar plegers van seksuele straatintimidatie in de gemeente Rotterdam en hun beweegredenen daartoe. Managementsamenvatting Inge Aarts 28-07-2022 Aanleiding en relevantie Seksuele straatintimidatie (SSI) is een veelvoorkomend fenomeen, wat eraan bijdraagt dat vrouwen zich onveiliger voelen in openbare ruimtes dan mannen1. Vanwege de omvangrijke en schadelijke gevolgen van SSI zet de gemeente Rotterdam zich in om SSI aan te pakken. Om deze inzet zo goed mogelijk in te kunnen zetten is het van belang te weten wie SSI (gaat) plegen, wanneer, waar, onder welke omstandigheden en wat hen drijft en motiveert in het vertonen van dit gedrag2. Dit maakt dat voormalig wethouder Wijbenga-Van Nieuwenhuizen een toezegging heeft gedaan naar onderzoek omtrent de motieven achter het pleeggedrag. In deze managementsamenvatting wordt dit onderzoek en de gevonden resultaten toegelicht. De hoofdvraag van het onderzoek is: Wat zijn de beweegredenen van de Rotterdamse plegers van SSI en hoe verhoudt dit zich tot mogelijke beleidsinterventies? Methoden In dit onderzoek is SSI gedefinieerd als ‘gedrag met een seksuele dimensie, uitgevoerd door een vreemde voor het slachtoffer, in fysieke openbare ruimten, waarbij de handeling als opdringerig of ongewenst te beschouwen is’.
In deze definitie staan de opzettelijke handelingen van de pleger centraal. De focus ligt niet op de intentie van de pleger of op de beleving van het slachtoffer. De definitie wijkt daarom af van de definitie die de gemeente Rotterdam hanteert3. Om de motieven achter het pleeggedrag te achterhalen, is de wetenschappelijke literatuur over dit thema uiteengezet. Verder zijn zes interviews uitgevoerd met experts van enkele organisaties die zich bezighouden met dit fenomeen (in de gemeente Rotterdam) en zijn drie gastlessen gegeven door Stichting Confro over het thema geobserveerd. Daarnaast is een enquête afgenomen onder 163 respondenten met een gemiddelde leeftijd van 26 jaar. Binnen de enquête is gevraagd naar ooit vertoond pleeggedrag aan de hand van 12 vormen. Daarbij zijn de gedragingen ‘gevraagd te (glim)lachen voor mij’ en ‘een compliment of opmerking gegeven over uiterlijk of aantrekkelijkheid’ gecategoriseerd als mild ernstig verbale verschijningsvormen van SSI. Verder zijn de handelingen ‘(aanhoudend) gevraagd om naam, telefoonnummer of bestemming’, ‘nagefloten’ en ‘nagesist of nageklakt’ beschouwd als matig ernstig verbale vormen. Daarnaast zijn de verschijningsvormen ‘nageroepen met een seksueel getinte opmerking’ en ‘gevraagd om seks of seksuele handelingen’ bestempeld als zeer ernstig verbale vormen van SSI.
Verder zijn de items ‘opzettelijk nagestaard en ‘geknipoogd of een kusgebaar gemaakt’ als non-verbale vormen van SSI gecategoriseerd. Tot slot vallen onder de categorie fysieke verschijningsvormen van SSI de gedragingen ‘iemand bewust gevolgd’, ‘in het nauw gedreven of de doorgang verspert met seksueel getinte bedoelingen’ en ‘aangeraakt zonder duidelijke toestemming’. Verder de respondent aangeven of hij/zij ooit ander seksueel getint gedrag op straat in de gemeente Rotterdam heeft vertoond. Verder kregen de respondenten in de enquête een vignet te lezen. Een vignet is een beschrijving van een situatie, waarover aan respondenten vragen worden gesteld (bijv. ‘hoe zou je deze situatie karakteriseren?’). Mannelijke respondenten kregen een situatie voorgelegd waar een man een vrouw seksueel intimideert op straat. Vrouwelijke respondenten kregen een situatie voorgelegd waar een vrouw een man seksueel intimideert op straat. Per situatie kon verschillen welke 1 Fischer & Sprado 2017. Akkermans e.a. 2022. Madan & Nala 2016. Reep e.a. 2022. 2 Brands e.a. 2021. Laniya 2005. Logan, 2015. Lucero e.a. 2006. Walton & Pedersen 2021. 3 De gemeente hanteert de definitie: ‘(seksuele) uitlatingen of gedragingen op straat waarmee zij u irriteren, tot last zijn, kwetsen,
beledigen, bedreigen of beperken in uw gevoel van vrijheid'. Zie Straatintimidatie | Rotterdam.nl.
verschijningsvorm van SSI werd uitgevoerd door de pleger (naroepen met ‘hé schatje’; aandachtig het figuur van de ander bekijken; opzettelijk volgen van de ander). Kort overzicht van relevante literatuur Plegers van SSI Er is nog weinig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd naar plegers van SSI4. De bestaande onderzoeken tonen dat factoren als leeftijd, maatschappelijke klasse, ras, religie, opleiding, inkomen en relatiestatus weinig verschil maken in de vraag of een man SSI pleegt5. Verder volgen uit deze onderzoeken signalen dat ook vrouwen zich schuldig maken aan SSI. Daarbij zou SSI vanuit vrouwen minder frequent en ‘milder’ zijn dan SSI vanuit mannen6. Wel kan sprake zijn van een vertekend en onderbelicht beeld, aangezien mannen en vrouwen niet altijd dezelfde gebeurtenissen bestempelen als SSI. Daarnaast zouden mannen vanuit een stigma op mannelijke slachtoffers minder snel spreken over hun ervaringen als slachtoffer van SSI7. Oorzaken & motieven Uit de wetenschappelijk literatuur komt naar voren dat SSI het gevolg is van een cultuur waaraan genderongelijkheid en seksisme ten grondslag ligt. Binnen deze cultuur is sprake van een hiërarchie waarbij heteroseksuele mannen domineren over sociale groepen die zij als minderwaardig zien. Daarbij tolereert of stimuleert deze cultuur vijandigheid naar vrouwen.
SSI wordt door mannen binnen deze cultuur veelal gebruikt als machtsmiddel, om anderen te tonen dat zij ‘boven’ vrouwen staan8. Verder zouden mannen vaker en eerder SSI plegen als een groep tolerante houdingen heeft naar het vertonen van SSI. Het gedrag zou dan leiden tot acceptatie vanuit de groep, status binnen de groep en groepsbinding tussen de leden9. Daarnaast leggen mannen vaak de schuld bij het slachtoffer omdat vrouwen SSI zelf zouden uitlokken. Zij zouden ‘om aandacht vragen’ middels hun gedrag of outfit. Ook geven mannen veelvuldig aan het gedrag te plegen om de vrouw te complimenteren. Daarbij veronderstellen zij dat vrouwen zich door dit gedrag geflatteerd voelen. Echter, er is vaak sprake van een onderliggende machtsdynamiek, wat een compliment gegeven door een man anders maakt dan een compliment gegeven door een vrouw. SSI schendt daarnaast vaak normen omtrent complimentgedrag. Zo verwijzen de opmerkingen vaak naar delen van het lichaam waar normaal niet vrijelijk over wordt gesproken10, zoals borsten. Voor sommige mannen zou SSI dienen als een manier om te flirten of om het eigen gevoel van eigenwaarde te vergroten. Daarbij zouden een lage mate van zelfcontrole en bepaalde (antisociale) persoonskenmerken van de pleger tevens een rol kunnen spelen bij de totstandkoming van het pleeggedrag11.
Een gemotiveerde pleger zou volgens Clarke (1993) pleeggedrag vertonen wanneer sprake is van een aantrekkelijk slachtoffer en van een afwezigheid van adequaat toezicht (op de pleger, op het slachtoffer en op de setting). Dit lijkt ook voor SSI toepasbaar te zijn. Zo gaf 40% van de universitaire Canadese studenten uit de studie van Walton en Pedersen (2021) aan SSI te plegen omdat het makkelijk is om ermee weg te komen. Verder bleek bij 51% van de incidenten benoemd door de Rotterdamse vrouwen uit het onderzoek van Fischer en Sprado (2017) dat omstanders afwezig waren of niet hoorden of zagen wat er gebeurde. In 28% van de gevallen zou was volgens de respondenten wel een omstander aanwezig die kon ingrijpen, maar er bewust voor koos om dat niet te doen. Verder benoemden de respondenten uit de masterscriptie van Bakx (2017) dat plegers eerder ongewenst 4 DelGreco e.a. 2021. Fileborn 2013. Logan 2015. Vera-Gray 2016. Walton & Pedersen 2021. Wesselmann & Kelly 2010. 5 Bernard & Schlaffer 1989. Bowman 1993. Fileborn & O’Neill 2021. Walton & Pedersen 2021. 6
Gardner 1995. Gemeente Almere 2019. Gemeente Tilburg 2019. Gemeente Utrecht 2019.
7 Brands e.a. 2018. Reep e.a. 2022. BNNVara 2018. 8 Burn 2018. Hutson & Krueger 2019. Kearl 2010. Logan, 2015. Pina e.a. 2009. 9 De Jong & Van Gemert 2010. Wesselmann & Kelly 2010. 10 Bernard & Schlaffer 1989. Gardner 1995. Kearl 2010. Kissling 1991. Walton & Pedersen 2021. Zietz & Das 2018. 11 Fischer & Sprado 2017. Hutson & Krueger 2019. Kosson e.a. 1997. Laniya, 2005. Lee e.a. 200. Prekel 2001.Rapoport & Burkhart 1984.
Walton & Pedersen 2021.
seksueel gedrag vertonen op straat in de gemeente Rotterdam wanneer de vrouw alleen is, dan wanneer toezichthouders, zoals handhavers en omstanders, aanwezig zijn. Resultaten De plegers van SSI in de gemeente Rotterdam Uit de interviews komt naar voren dat binnen de samenleving een beeld bestaat van een ‘stereotype pleger’. Een van de experts geeft aan dat voornamelijk mannelijke hangjongeren als dé plegers van SSI worden gezien. Echter, uit de literatuur en interviews volgt dat iedereen pleger kan zijn12. Dit beeld wordt bevestigd door de enquête, waarbij geen relatie lijkt te bestaan tussen zelfgerapporteerd pleeggedrag en meerdere sociodemografische kenmerken13. Wel zouden respondenten met een midden of rechtse politieke ideologie eerder SSI plegen in de gemeente Rotterdam ten opzichte van respondenten met een linkse politieke ideologie en zouden respondenten met meer traditionele overtuigingen omtrent genderrollen eerder pleeggedrag vertonen. Beide bevindingen zijn in lijn met eerder wetenschappelijk onderzoek14. Verder zouden respondenten die ooit slachtoffer zijn geweest van seksueel getint gedrag op straat in de gemeente Rotterdam eerder pleeggedrag vertonen ten opzichte van respondenten die nooit slachtoffer zijn geweest. Deze bevinding is niet teruggevonden in de wetenschappelijke literatuur.
De gevonden samenhang kan volgen uit de scheve verdeling van mannelijke (42) en vrouwelijke (105) respondenten. Dit zorgt ervoor dat de vrouwen vaker pleeggedrag konden rapporteren dan de mannen. Omdat het merendeel van de Rotterdamse vrouwen zelf benaderd is middels een seksueel getinte toenadering15, is het goed mogelijk dat de vrouwen die dit gedrag zelf vertonen ook slachtoffer van dit gedrag zijn geweest. Verschillen en overeenkomsten in het pleeggedrag van mannelijke en vrouwelijke plegers van SSI
Tabel 1
De geïnterviewde experts geven aan dat zowel mannen als vrouwen SSI plegen. Dit komt overeen met de constatering van Gardner (1995). Echter, vrouwen zouden dit volgens de experts veel minder vaak en op andere manieren uitvoeren dan mannen. Dit zou komen door onderliggende 12 Bernard & Schlaffer 1989. Bowman 1993. Fileborn & O’Neill 2021. Gardner 1995. Walton & Pedersen 2021. 13 Het gaat om de sociodemografische kenmerken geslacht, leeftijd, seksuele oriëntatie, jeugdbeleving, seksuele opvoeding, woonsituatie,
stadsgebied, opleidingsniveau en religie. 14 Cleveland & Kerst 1993. Ferrer-Perez e.a. 2021. Glick & Fiske, 1997. Pryor 1987. Walton & Pedersen 2021. Wesselmann & Kelly 2010. 15 Fischer & Sprado 2017.
machtsdynamieken, waarin mannen de bovenliggende hand hebben. Bovendien benoemen de experts dat vrouwen het fysiek vaak afleggen tegen mannen, wat de verhouding tussen de man en vrouw ongelijkwaardig maakt. Deze uitspraken van de experts zijn in lijn met de bevindingen van Gardner (1995). Een andere verklaring zou mogelijk kunnen volgen uit de genderrollen die de cultuur van genderongelijkheid vormt. Aangezien SSI ‘masculiniteit’ toont16 kan verwacht worden van mannen dat zij dit gedrag vertonen. Doordat het gedrag vooral vrouwelijkheid (femininity) bekritiseert17, is het minder voor de hand liggend dat vrouwen SSI plegen. Echter, deze mogelijke verklaring is niet onderzocht. Een derde mogelijke verklaring volgt uit het verschil in interpretatie tussen mannen en vrouwen van een situatie waar SSI plaatsvindt18. Zo kaarten de experts aan dat mannen een verschijningsvorm van SSI minder vervelend kunnen vinden dan vrouwen. Daarbij zou onder mannen het idee heersen dat mannen juist blij moeten zijn met de verkregen aandacht. Een van de bevraagde experts vraagt zich bovendien af of mannen überhaupt nadenken over wat een vrouw bij hem mag en wat zijn grenzen zijn. Uit de enquête volgt dat 50.0% van de mannen (17/34) en 48.8% (39/80) van de vrouwen één of meer van de 12 gepresenteerde vormen van SSI ooit heeft vertoond in de gemeente Rotterdam.
Daarbij lijken zowel mannelijke als vrouwelijke plegers verbale, non-verbale en fysieke SSI-vormen te vertonen (tabel 1). Beide groepen geven aan voornamelijk vreemden op straat te complimenteren met hun uiterlijk of aantrekkelijkheid en vreemden na te staren op straat. Helaas maakte het lage respondentenaantal het niet mogelijk om verschillen te toetsen in de gepleegde verschijningsvormen van SSI die mannelijke en vrouwelijke plegers rapporteren. Ook kon niet getoetst worden of er verschillen zijn in de context waar mannelijke en vrouwelijke plegers plegen, in de stadsgebieden waar zij plegen en naar wie zij plegen. Verder is geen significante samenhang gevonden tussen het gerapporteerde pleeggedrag van mannen en vrouwen en de leeftijd waarop zij beginnen met plegen, de frequentie waarmee zij plegen, of zij plegen in een groepscontext en wanneer zij plegen (seizoenen, dagen en tijdstippen). Wel volgt uit de enquête dat mannen vaker alleen (tabel 2) en tijdens de vooravond (tabel 3) plegen dan vrouwen.
Tabel 3
Tabel 2
Uit de enquête volgt dat zowel zelfgerapporteerde mannelijke als vrouwelijke plegers ietwat toleranter zijn naar het gelezen vignet dan mannelijke en vrouwelijke niet-plegers. Daarnaast lijken vrouwelijke plegers enigszins wat toleranter te zijn naar de non-verbale vorm ‘gluren naar het figuur van de ander’ en de fysieke vorm ‘volgen van de ander’ dan mannelijke plegers, terwijl mannelijke plegers ietwat toleranter zijn naar de gepresenteerde verbale vorm ‘hé schatje’ dan vrouwelijke plegers. Het is mogelijk dat de fysieke ongelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen een rol kan spelen bij deze bevinding. Vrouwelijke plegers kunnen toleranter zijn naar de gepresenteerde non16
Baptist & Coburn 2019. Gardner 1995. McDonald 2021. Nitschke & Lam 2021. Gardner 1995. 18 Gardner 1995. 17
verbale en fysieke vorm, omdat deze gedragingen op afstand uitgevoerd kunnen worden. Echter, dit is niet bevraagd in de enquête of tijdens de interviews. Beschouwen plegers hun gedragingen als SSI? De experts benoemen dat jongeren er vaak onbewust van zijn dat hun gedrag als SSI te beschouwen is. Uit de enquête blijkt echter dat zowel zelfgerapporteerde plegers als niet-plegers het fenomeen SSI definiëren als ‘opdringerig’, ‘ongewenst’ en ‘grensoverschrijdend’ gedrag, dat een negatieve impact heeft op de slachtoffers. Verder bestempelen de zelfgerapporteerde plegers en niet-plegers de 12 gepresenteerde verschijningsvormen overwegend als SSI. Echter, zij zijn minder eensgezind over de vraag of de mild ernstig verbale en non-verbale vormen SSI omvatten of niet. Dit zijn de categorieën die het meest zijn gerapporteerd door de plegers als vertoond pleeggedrag (zie tabel 1). Hieruit volgt dat het voor plegers onduidelijk is dat deze verschijningsvormen als SSI te beschouwen zijn. Daarbij speelt wel mee dat de contextafhankelijkheid van het fenomeen niet is meegenomen in de vragen naar ooit vertoond pleeggedrag. Bij deze bevindingen over de mate van bewustzijn over de ongewenstheid van het gedrag, speelt mee dat gevraagd is naar ooit vertoond pleeggedrag. Dit betekent dat er sprake kan zijn van voortschrijdend inzicht bij de respondenten.
Plegers konden tijdens het beantwoorden van de vraag bewust zijn van de schadelijkheid van het gedrag, terwijl ze daar tijdens het plegen nog onbewust van waren. Oorzaken van het plegen van SSI Alle zes experts geven aan dat overtuigingen over gewenste omgangvormen tussen mannen en vrouwen, een rol spelen bij het wel of niet vertonen van SSI. Deze normen en waarden waar jongeren zich naar gaan gedragen zouden voornamelijk voortkomen vanuit rolmodellen uit het gezin, school, de vriendengroep en sociale media. Vanuit school en het gezin krijgen jongeren een (seksuele) opvoeding mee. Volgens de experts ontbreekt in deze opvoeding de dialoog over consent, relatievorming, identiteitsvorming en machtsprivileges. Daarbij kan de jongere vanuit thuis cultuurgebonden beelden over omgangsvormen meekrijgen. De experts benoemen dat social media bepaalde houdingen van mannen richting vrouwen tonen en dat dit druk kan leggen op jongeren om deze ongelijke verhouding te imiteren. Daarnaast haalt een van de experts aan dat de digitale ‘likes’ jongeren het idee kunnen geven dat het buiten de online omgeving (de fysieke omgeving) ook normaal is om een ‘reactie’ te geven. Een andere expert geeft aan dat de negatieve rol van de media wel vaak overschat wordt en dat media juist kunnen bijdragen aan bewustwording.
Volgens de experts krijgen jongens vanuit vrienden vaak verkeerde adviezen over een gewenste omgang met meisjes, waarbij het gaat om ‘overdreven’ verhalen die druk creëren. “En dat meiden dan zeiden van ‘ja maar je moet veel agressiever naar vrouwen toe zijn. En als een meisje gewoon ‘nee’ zegt [dan] speelt ze gewoon hard to get, want je wil toch geen sletje zijn die gelijk ‘ja’ zegt. Dus je moet die ‘nee’ niet accepteren.” Daarbij benoemen de experts dat de denkbeelden omtrent een gewenste omgang die jongeren meekrijgen vanuit het gezin, school, vrienden en social media tegenstrijdig kan zijn aan elkaar. Een van de bevraagde experts geeft aan dat jongeren niet altijd inzien welk gedrag gepast is in welke situatie. Verder benoemen de zes experts dat wanneer deze verkeerde denkbeelden over gepaste omgangsvormen niet gecorrigeerd worden, de pleger deze ideeën kan internaliseren en integreren in zijn handelingen. Gehoopte reactie Het merendeel van de zelfgerapporteerde mannelijke en vrouwelijke plegers uit de enquête geeft aan te hopen op een (seksueel getinte) positieve reactie richting hem/haar (tabel 4). Vanwege de manier
waarop deze vraag is gesteld aan de respondenten was het niet mogelijk om te bekijken of zij op een andere reactie hopen voor verschillend pleeggedrag (bijv. hoopt een pleger op een positieve reactie als hij knipoogt naar iemand en als hij iemand ’s avonds volgt). Verder geeft 22.2% van de zelfgerapporteerde plegers aan dat de werkelijke reactie van het slachtoffer nooit of zelden overeenkomt met de reactie waar zij op hopen. Echter, 46.7% van deze respondenten benoemt dat de werkelijke reactie soms, vaak of altijd overeenkomt met de gehoopte reactie.
Tabel 4
Motieven Zelfgerapporteerde mannelijke en vrouwelijke plegers geven aan voornamelijk te plegen om dat het een normale manier van flirten is en om bewondering voor de ander te tonen (tabel 5). Vanwege het lage respondentenaantal en de manier waarop de motieven zijn bevraagd, is niet onderzocht of de motieven verschillen voor de gepleegde verbale, non-verbale en fysieke verschijningsvormen van SSI. Ter illustratie: er is niet onderzocht of sprake is van verschillen in de motieven van een pleger die iemand nastaart en van een pleger die iemand aanraakt zonder toestemming. Verder zijn alle respondenten gevraagd wat volgens hen redenen kunnen zijn voor het gedrag van de plegers in de vignetten. Alle mannelijke respondenten schatten in dat voornamelijk ‘spanning’, ‘het tonen van macht/dominantie’ en ‘verveling’ motieven zijn voor het gedrag van de mannelijke pleger. Vrouwelijke respondenten vermoeden daarbij dat de vrouwelijke pleger uit het vignet voornamelijk wordt gemotiveerd door een ‘gevoel van controle’. De experts bevestigen het beeld uit de enquête dat mannelijke plegers SSI zien als manier om te flirten. Ze geven aan dat jonge mannelijke plegers dit gedrag voornamelijk vertonen omdat ze interesse in het meisje willen tonen of haar aandacht willen trekken. De jongens zouden haar een oprecht complimentje willen geven of haar willen versieren.
Volgens de experts gaat het om het spelenderwijs ontdekken van de intimiteit tussen jongeren, waarbij de grenzen worden opgezocht en soms overschreden. Dit is overeenkomstig aan de bevindingen van Fischer en Sprado (2017). Deze grote groep jongeren die pleegt om een leuk contactmomentje met een meisje aan te gaan zou zich vaak onbewust zijn van de schadelijkheid van het gedrag. De experts hameren daarom op het belang van bewustwording.
Tabel 5
De zelfgerapporteerde mannelijke plegers geven aan dat de vriendengroep hen niet beïnvloedde om dit gedrag te vertonen (tabel 5). Desondanks benoemen een aantal experts dat jongeren vaak handelen uit het verlangen om geaccepteerd te worden door de groep of om uitsluiting door de groep te voorkomen. Verder geven de zelfgerapporteerde mannelijke plegers aan niet te plegen omdat zij daarmee macht of dominantie kunnen tonen (tabel 5). De experts denken hier anders over. Zij benoemen dat plegers kunnen handelen vanuit een verlangen tot een bepaalde machtsverhouding en daardoor kunnen plegen om “de baas [te] spelen over iemand of over een bepaalde groep, of over een bepaald territorium”. Hierbij zouden sommige mannen vrouwen als ondergeschikt zien, hen als zodanig behandelen en negatieve houdingen aannemen naar vrouwelijkheid. Neutraliseringen Er is een discrepantie tussen wat de respondenten vermoedden dat mogelijke motieven zijn (macht, spanning, verveling en controle) en de motieven die de plegers voornamelijk aanhalen (flirten en bewondering tonen). De motieven die de plegers over hun eigen gedrag opgeven suggereren een positieve intentie. Een mogelijke verklaring voor dit verschil is het gebruik van zogenoemde neutraliseringstechnieken. Dit zijn excuses en rechtvaardigheden om de schadelijkheid van het gedrag te neutraliseren. Bijv. ‘ik was dronken, ik bedoelde het niet zo’.
Hierdoor kan een delinquent de verschillen tussen conventionele en eigen delinquente waarden overbruggen19. Indien sprake is van 19 Sykes & Matza 1957.
een cultuur van genderongelijkheid, is het echter de vraag of deze excuses daadwerkelijk functioneren als neutralisering. Het pleeggedrag zou namelijk niet afwijken van de normen en waarden die heersen in de samenleving. De experts vermoeden dat sommige plegers daadwerkelijk geloven dat hun gedrag normaal is, dit geen negatieve effecten heeft op het slachtoffer en dat het slachtoffer vraagt om aandacht middels haar gedrag of outfit. Deze plegers zien het gedrag niet als afwijkend maar juist in lijn met de ‘geaccepteerde’ waarden die in de samenleving heersen. Daarom zouden deze overtuigingen niet per se als neutraliseringen dienen. Echter, volgens de experts zijn er ook plegers die wel weten dat zij grensoverschrijdend en ongepast gedrag vertonen. Zij zouden de denkbeelden over gepaste omgangsvormen die volgen uit de cultuur van genderongelijkheid wel gebruiken om de schadelijkheid van het gedrag te neutraliseren en het gedrag goed te praten. Contextuele invloeden Volgens de respondent van het handhavingsteam kan SSI overal gebeuren, waarbij de situationele context “waar je het doet, met wie je het doet, overdag of ’s avonds laat, ben je onder invloed ben je niet onder invloed” een belangrijk aspect vormt bij het plegen van SSI.
Met betrekking tot de aan- of afwezigheid van toezicht, wordt door de experts aangehaald dat SSI zich minder op de oppervlakte afspeelt dan andere overlastvormen, het lastig is om iemand op heterdaad te betrappen, het gevoel van het slachtoffer moeilijk te pijlen is en eventueel aanwezige omstanders de pleger vaak niet corrigeren. Daarnaast benoemen de respondenten uit de enquête dat de aanwezigheid een formele toezichthouder een pleger eerder tegenhoudt dan bewakingscamera’s. Dit blijkt ook uit de masterscriptie van Bakx (2017). Verder vermoedden de respondenten uit de enquête dat voornamelijk de condities ‘het is avond’, ‘het is donker’, ‘het is slecht verlicht’ gepresenteerd in het vignet het pleeggedrag in de hand werken. Daarnaast is 92.5% van de respondenten uit de enquête en een van de experts van mening dat middelengebruik de kans op het pleeggedrag aanzienlijk vergroot. Conclusie Uit de expertinterviews volgt dat bepaalde overtuigingen over een gewenste omgang tussen mannen en vrouwen een aanzienlijke rol heeft in de totstandkoming van het gedrag. Daarbij halen de experts voornamelijk twee motieven aan die beïnvloed worden door deze denkbeelden. Ten eerste werd flirten door de experts en de plegers uit de enquête een belangrijk motief genoemd, net als het tonen van bewondering voor de ander.
Daarbij zou de gedachte dat SSI hier een geschikte strategie voor is, volgens de experts volgen uit denkbeelden over hoe zij elkaar kunnen ‘versieren’ en hoe zij elkaar moeten bejegenen. Deze denkbeelden komen uit de omgeving van de jongere. Volgens de gesproken experts zijn jongeren die handelen uit dit motief vaak onbewust van de schadelijkheid van het gedrag. Ten tweede werd het motief ‘macht en controle’ aangehaald door de experts. Volgens de experts zouden deze plegers zich wel redelijk vaak bewust zijn van de schadelijkheid van het gedrag. Waar in de enquête dit motief niet door mannelijke en in beperkte mate door vrouwelijke plegers is aangehaald, werd dit motief door de respondenten wel aangehaald voor zowel de mannelijke en vrouwelijke pleger uit het gepresenteerde vignet. Aangezien dit motief een negatieve intentie omvat, kan het ondergerapporteerd zijn door de plegers uit de steekproef als gevolg van sociaalwenselijkheid. Verder kan er ook sprake zijn van een verkeerd beeld onder de experts, aangezien Quinn (2002) concludeert dat een pleger niet per se bewust gemotiveerd hoeft te zijn door deze macht, ondanks dat SSI wel geworteld is in de macht van deze pleger. Bij deze twee motieven ‘versieren’ en ‘macht’ lijkt een aanzienlijke rol te bestaan voor bepaalde overtuigingen omtrent gepaste omgangsvormen tussen mannen en vrouwen.
Deze overtuigingen vormen aanwijzingen voor een heersende cultuur van genderongelijkheid. Aangezien sommige plegers ervaren dat het plegen van verschijningsvormen van SSI geaccepteerd wordt door de samenleving, kunnen rechtvaardigingen van het gedrag (bijv. ‘SSI is niet schadelijk’ en ‘meisjes vinden het leuk’, daadwerkelijk geloofd worden door de pleger. Wanneer plegers zich wel bewust zijn van de
onwenselijkheid van het gedrag, dan zouden deze rechtvaardigingen de schadelijkheid van het pleeggedrag neutraliseren. Kortom, in overeenkomst met de literatuur lijkt SSI complex gedrag te omvatten, wat voortkomt in en geproduceerd wordt door een cultuur van genderongelijkheid waaruit de sociale betekenis van het gedrag volgt. Het gedrag wordt vertoond door diverse plegers met verschillende sociodemografische kenmerken. Daarbij hangt het gedrag samen met uiteenlopende motieven en situationele factoren. Kanttekeningen Het is van belang om deze resultaten voorzichtig te interpreteren, vanwege de aanzienlijke beperkingen die de kwaliteit van de resultaten negatief beïnvloeden. Met betrekking tot de enquête is de generaliseerbaarheid van de resultaten beperkt. De vragenlijst is maar door een beperkt aantal personen ingevuld en er bestaat een gebrek aan representativiteit van de steekproef naar de onderzochte doelgroep. Zo was sprake van een oververtegenwoordiging van vrouwelijke, jonge en hoogopgeleide respondenten en was de enquête enkel in het Nederlands beschikbaar. Daarnaast is het pleeggedrag bevraagd middels 12 gepresenteerde vormen van SSI en overig vertoond seksueel getint gedrag op straat dat plegers konden rapporteren.
Omdat SSI subjectief en contextafhankelijk is, is het mogelijk dat sommige respondenten verschijningsvormen hebben gerapporteerd die niet vallen onder de gehanteerde definitie van SSI. Ter illustratie: er is gevraagd of de respondent aan een vreemde op straat een compliment over het uiterlijk heeft gegeven. Wanneer het compliment tot een neutrale wederzijdse interactie kan leiden, valt dit niet onder de gehanteerde definitie. Dit maakt dat het compliment ‘die trui staat je echt mooi’ niet is beschouwd als SSI, terwijl het compliment ‘je hebt echt lekkere tieten in die trui’ wel onder de gehanteerde definitie valt. Ofwel, het is mogelijk dat respondenten gedragingen hebben gerapporteerd die in dit onderzoek niet zijn gedefinieerd als SSI. Hierdoor kunnen respondenten ten onrechte gecategoriseerd zijn als een zelfgerapporteerde pleger. Verder is gevraagd naar ooit vertoond pleeggedrag. Aangezien dit een lange referentieperiode betreft, is sprake van een grote kans op herinneringsfouten20. Daarnaast volgt uit een uitgevoerde statistische toets dat de respondenten soms sociaalwenselijke antwoorden hebben gegeven in de enquête. Daarbij bestaat er een aanzienlijk gevaar dat respondenten incidenten opzettelijk hebben onder-gerapporteerd21. Met betrekking tot de interviews, is de verkregen informatie beperkt tot de kennis die de experts bezitten.
Daarbij bezitten de experts voornamelijk kennis over pleeggedrag vanuit jongeren, terwijl uit de literatuur en enquête volgt dat plegers van verschillende leeftijden SSI vertonen. Daarnaast is de kennis van de experts beïnvloed door de persoonlijke karakteristieken en perspectieven van de experts22. Verder zijn maar een beperkt aantal interviews en observaties uitgevoerd, waarbij geen sprake was van verzadiging en de data niet generaliseerbaar is. Aanbevelingen Voor de beleidsaanpak Er zijn aanwijzingen gevonden voor een cultuur van genderongelijkheid die SSI produceert, faciliteert, tolereert en stimuleert. Een klimaat waarbij SSI wordt neergezet als schadelijk en onaanvaardbaar gedrag, kan het pleeggedrag remmen23. Om dit te bereiken is het essentieel dat de gemeente Rotterdam blijft inzetten op bewustwording. Het belang van bewustwording wordt niet enkel door de experts benadrukt, maar volgt tevens uit de bevindingen omtrent het heersende ‘stereotype’ pleger, de beweegredenen van plegers en de mate waarin zij hun gedrag zien als SSI.
20 Junger-Tas & Hean Marshall 1999. 21 Cernkovich e.a. 1985. Elliot & Ageton 1980. Lucero e.a. 2006. 22 Bogner & Menz 2009. 23 Cleveland & Kerst 1993. Wikström 2019.
Een correctie in het gedrag van plegers als gevolg van bewustwording kan volgens de experts middels positieve rolmodellen. Hierbij valt te denken aan een broer en zus die aangeven wat wel en geen gewenste manieren van omgang zijn. • Gebruik in de campagne bekende rolmodellen waar jongeren naar op kijken, zoals (drill)rappers of andere bekende Nederlanders. Daarbij is het van belang dat mannelijke rolmodellen worden gebruikt24. • Stimuleer middels de campagne familie en vrienden om het gedrag te bespreken en elkaar op het gedrag aan te spreken, zodat zij als positieve rolmodellen gaan dienen. Een voorbeeld van een dergelijke campagne is ‘#Have A Word’, ingezet door de gemeente Londen25. Volgens een van de experts vermijdt deze campagne het idee ‘je kan niks meer goed doen als man’ en geeft het hun juist het gevoel dat zij als ‘hero’ voor het slachtoffer kunnen optreden. Verder benoemen de experts dat het cruciaal is dat de plegers gemotiveerd worden, zodat zij de bewustwordingscampagne aan willen horen. Aangezien uit de resultaten blijkt dat SSI voornamelijk door plegers wordt gebruikt als manier om te flirten en om een ander te versieren, kan een strategie die als ‘effectiever’ wordt ervaren in het behalen van dit doel wellicht motiveren tot een gedragsverandering.
Hieraan gerelateerd benadrukken enkele experts dat niet alleen benoemd moet worden wat niet mag, maar dat de aanpak tevens handvatten zou moeten bieden ten aanzien van de vragen ‘wat mag wel?’ en 'hoe dan wel?'. • Verhalen van slachtoffers die worden verspreid zouden niet alleen de impact van het gedrag duidelijk moeten maken, maar zouden wellicht tevens kunnen omvatten wat wel een gewenste manier van toenadering was geweest. In een testgroep kan onderzocht worden of slachtoffers hiervoor open staan. • Een anonieme informatieve telefoonlijn of een digitaal platform waar jongens vragen kunnen stellen aan getrainde vrouwen, zou jongeren meer inzicht en alternatieven kunnen bieden om op een gepaste manier te flirten. • Het is cruciaal dat deze campagne aangeeft dat ook ‘correcte’ strategieën subjectief en contextafhankelijk zijn. Ter illustratie kan benadrukt worden dat de pleger op de context moet letten: ben jij alleen? Is de ander alleen? Is het donker? Verder is het van belang, voornamelijk met het oog op strafrechtelijke interventies die in de toekomst ingezet gaan worden, dat de campagne geen stigmatisering maar ‘reintegrative shame’ uitoefent. ‘Reintegrative shaming’ biedt naast de sociale afkeur voor het gedrag tevens de mogelijkheid om weer onderdeel te worden van de gemeenschap26.
Het is belangrijk dat de pleger ervaart de ‘correcte waarden’ te hebben overtreden met zijn gedrag. Wanneer dit niet het geval is, bijvoorbeeld in het geval dat een sanctie als onrechtvaardig wordt ervaren, kan de pleger zich tegen de schaamte ‘verzetten’ door zijn eigen waarden als ‘correct’ te zien. De pleger kan daardoor het gedrag vaker gaan vertonen. • Dit maakt dat wanneer een pleger wordt aangesproken op zijn gedrag het van belang is dat dit op een respectvolle en beleefde manier gebeurd. Het is niet de pleger, maar de daad die als kwalijk benadrukt moet worden. • Verder benadrukt Sherman (1993) dat de sociale band die de pleger heeft met de formele toezichthouder, tevens een rol kan spelen in de reactie die volgt op een sanctie. Vooral in gebieden waar SSI zich veelvuldig voordoet, is het wenselijk dat de toezichthouders en jongerenwerkers, voorafgaand aan de inzet van een sanctie proberen om vertrouwen op te bouwen met groepen die zich daar vaak op straat bevinden.
24 Kearl 2010. UN Women & Promundo 2017. 25 Deze campagne is te vinden via https://www.london.gov.uk/content/have-a-word. 26 Hay 2001. Lanier e.a. 2015.
Tot slot volgt uit de literatuur, interviews en enquête, dat de afwezigheid van adequaat toezicht een rol kan spelen in het pleeggedrag. Daarbij is het lastig om de anonimiteit die de straat biedt volledig weg te nemen. • Desalniettemin volgt uit de resultaten het trainen van omstanders en de inzet van formele handhavers op hot spots en hot times een positieve werking zou kunnen hebben in de vermindering van SSI. De gemeente zou deze inzet daarom kunnen vervolgen of kunnen vergroten. • Met betrekking tot de hot spots en hot times volgt uit de enquête dat handhavingsacties in het centrum, bij winkels en uitgaansgebieden en in de avond van belang zijn, aangezien de zelfgerapporteerde voornamelijk daar en dan zouden plegen. Verder gebruikt de gemeente de meldingen uit de StopApp om ‘hot spots’ en ‘hot times’ in kaart te brengen. Echter, Fischer en Vanderveen (2021) benoemen dat de meldingen niet geschikt zouden zijn om er handhavingsacties mee aan te sturen. Dit zou het gevolg zijn van te weinig gemaakte meldingen en te beperkte informatie uit de meldingen. Het zou daarom waardevol zijn als niet enkel slachtoffers maar ook formele toezichthouders en jongerenwerkers een melding kunnen doen over geobserveerde incidenten die zich voordoen tijdens hun dienst.
Voor toekomstig onderzoek Bij vervolgonderzoek zouden plegers, naar aanleiding van een geobserveerde interactie, bevraagd kunnen worden27. Dit geeft niet alleen meer inzicht in het perspectief vanuit de pleger, maar biedt tevens de mogelijkheid om aandacht te besteden aan de contextafhankelijkheid van het fenomeen. Aangezien in dit onderzoek aanwijzingen zijn gevonden voor mogelijk pleeggedrag door vrouwen en jongeren, zou toekomstig onderzoek dieper in kunnen gaan op deze groepen plegers. Daarnaast volgt uit het machtsmotief dat toekomstig onderzoek specifieke aandacht zou moeten besteden aan actoren in de publieke ruimte met een bepaalde machtspositie. Tot slot geeft dit onderzoek een voorzichtig en beperkt beeld omtrent redenen waardoor plegers beginnen met plegen, waarom plegers doorgaan met het gedrag en waarom plegers stoppen met het gedrag. Daarbij benoemen de experts dat plegers voornamelijk tijdens hun jeugd SSI plegen en een groot deel van deze plegers stopt wanneer zij volwassen worden. Echter, er is nog te weinig bekend over de ‘criminele’ ontwikkeling van plegers van SSI28, terwijl inzicht in de levensloop van plegers handvatten kan bieden voor de gemeentelijke aanpak.
27 Deze methode wordt gehanteerd in onderzoek van Bernard en Schlaffer (1989), Henry (2016) en Gardner (1995). Deze methode is wel
zeer tijdsintensief. 28 Fileborn & O’Neill 2021. De literatuurlijst is te vinden in de masterscriptie “Hoe bedoel je onveilig? We doen helemaal niks verkeerd en dan krijgen we alsnog gelazer” van I.P.J. Aarts.