[22bb006163] Bijlage behorende bij 22bb6162 - Kadernota Lokale Lasten 2022 - 2026
Tekst van het document
Kadernota Lokale Lasten 2022-2026.
Beleidsuitgangspunten rond het lokale lastenbeleid van de gemeente Rotterdam September 2022
Blad: 2/10
1. Inleiding 1.1 Doel kadernota Voor u ligt ter vaststelling de Kadernota Lokale Lasten 2022-2026. Deze nota bevat voor deze raadsperiode de ontwerp-beleidsuitgangspunten rond het lokale lastenbeleid van de gemeente Rotterdam. Na vaststelling door uw raad liggen de kaders voor het beleid op het gebied van lokale lasten voor de bestuursperiode 2022- 2026 in principe vast. Jaarlijks zal ons college uw raad over de beleidsvoornemens en realisatie inzake lokale lasten informeren. Dit vindt plaats via de verplichte paragraaf Lokale Heffingen van de Programmabegroting en Programmarekening. In deze raadsperiode zal dan ook met regelmaat worden teruggegrepen op deze nota. De vaststelling van de kadernota is een raadsbesluit en is uiteraard in deze raadsperiode door u te amenderen. De vastgestelde kadernota krijgt een eerste uitwerking in de belastingverordeningen 2023. 1.2 Aanleiding nota Begroting en Verantwoording 2016 De aanleiding voor de kadernota is allereerst gelegen in het rijksbesluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten 2016 (BBV).1 Het BBV geeft aan hoe de begroting en jaarstukken van een gemeente en provincie eruit moeten zien. In artikel 9.2 van de BBV is verplicht gesteld een aantal paragrafen in zowel de Programmabegroting als de Programmarekening op te nemen. De paragraaf ‘Lokale Heffingen’ bevat, conform artikel 10 BBV ten minste: a.
de geraamde inkomsten; b. het beleid ten aanzien van de lokale heffingen; c. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen, waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe bij de berekening van tarieven van heffingen, die hoogstens kostendekkend mogen zijn, wordt bewerkstelligd dat de geraamde baten de ter zake geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn die ten grondslag liggen aan deze berekeningen en hoe deze uitgangspunten bij de tariefstelling worden gehanteerd; d. een aanduiding van de lokale lastendruk; e. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid. Verordening financiën Rotterdam 2021 Op grond van artikel 212 van de Gemeentewet is de raad verplicht om bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast te stellen. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. In Rotterdam kennen we de Verordening financiën Rotterdam 2021 (20bb017063). De verordening bepaalt in artikel 4, lid 7 dat de wettelijke paragrafen van de beleidsbegroting, waaronder de paragraaf Lokale Heffingen, zijn gebaseerd op afzonderlijke beleidsdocumenten. De raad stelt deze beleidsdocumenten kort na aanvang van iedere raadsperiode vast.
Met deze kadernota Lokale Lasten 2022-2026 wordt hiermee invulling gegeven op het gebied van lokale heffingen.
1
Zie: Wet- en regelgeving gemeente- en provinciefinanciën | Financiën gemeenten en provincies | Rijksoverheid.nl
Blad: 3/10
2. Uitgangspunten belastingheffing 2.1 Algemene uitgangspunten Belastingheffing is een ingrijpende bevoegdheid van overheden in relatie tot de belastingbetalers. Dat vraagt om helderheid over de besteding van het belastinggeld, maar evenzeer om een correcte benadering van de belastingbetaler. Om de relatie overheid belastingbetaler te borgen gelden de volgende algemene uitgangspunten: - Rechtmatigheid - Rechtszekerheid - Rechtsgelijkheid - Doelmatigheid - Doeltreffendheid 2.2 Coalitieakkoord 2022-2026 ‘Eén Stad’ Naast de bovengenoemde algemene uitgangspunten gelden als richtsnoer voor het lokale lastenbeleid de volgende uitgangspunten uit het Coalitieakkoord 2022-2026 ‘Eén Stad’: -
-
-
Wij sturen op een gemiddelde lokale lastendruk (binnen G4 verband). De komende vier jaar verhogen we de OZB niet, met uitzondering van de gebruikelijke indexatie. Wij introduceren met ingang van 2024 een cruisebelasting (logiesbelasting voor cruisepassagiers). Passagiers die overnachten in Rotterdam op een cruiseschip gaan dus, net als bij hotels, logiesbelasting betalen. Wij behouden de kwijtschelding voor gemeentelijke afvalstoffenheffing op het huidige niveau. Op dit moment is de afvalstoffenheffing in Rotterdam niet kostendekkend. Om de financiële tekorten op de afvalinzameling gedeeltelijk op te lossen verhogen wij de afvalstoffenheffing met 1% boven op de indexatie.2 Betaald parkeren gaat overal tot 23.00 uur gelden. Om bewoners tegemoet te komen verlagen wij de kosten voor een 1e bewonersvergunning met 20%. Het betaald parkeren geldt alleen voor wijkvreemde parkeerders die de parkeerdruk veroorzaken. Om een autoluwe binnenstad te stimuleren verhogen wij het tarief voor kort parkeren op straat in het centrumgebied.
In de paragraaf Lokale Heffingen van programmabegroting en - rekening verantwoordt het college zich hierover richting raad.
3. Voorwaarden voor belastingheffing De volgende voorwaarden zijn verbonden aan het heffen van belastingen door gemeenten: 1. Gemeenten mogen alleen belastingen heffen die specifiek worden benoemd in de Gemeentewet of in andere wetten (gesloten belastingsysteem). 2. Gemeentelijke belastingen mogen niet op basis van vermogen of inkomen worden geheven. 3. Gemeentelijke retributies mogen niet meer dan maximaal kostendekkend zijn.
2
In 2023 wordt afgeweken van dit uitgangspunt, zie daarvoor ook 5.3 Specifieke gemeentelijke uitgangspunten tarief bepaling.
Blad: 4/10
4. Een gemeente kan niet zomaar een belasting heffen. Eerst zal hiertoe een gemeentelijke verordening moeten worden vastgesteld. Weliswaar bepaalt de rijksoverheid welke lokale heffingen door gemeenten worden geheven (elke heffing vereist een wettelijke grondslag; het zgn. gesloten belastingsysteem); toch bestaat er een zekere mate van lokale beleidsvrijheid. Zo besluit de raad, op voorstel van het college tot: 1. het invoeren, wijzigen of afschaffen van een lokale heffing; 2. de heffingsmaatstaven; 3. eventuele vrijstellingen; 4. de wijze van kostentoerekening aan tarieven; 5. de mate van kostendekkendheid van tarieven 6. de verdeling van lokale druk over bijvoorbeeld burgers en bedrijven; 7. de hoogte van de tarieven; 8. de totale opbrengst van heffingen; 9. vaststelling van de belastingverordening; Bij het vaststellen van de Kadernota Lokale Lasten liggen de eerste vier van bovengenoemde vrijheden in principe voor de komende bestuursperiode ter besluitvorming voor; tot de overig genoemde vrijheden wordt jaarlijks steeds opnieuw besloten bij vaststelling van de belastingverordeningen als onderdeel van het begrotingsproces.
4. Soorten heffingen: belastingen en retributies 4.1 Belastingen De gemeentelijke belastingen bestaan uit algemene belastingen en retributies (heffingen en leges). De algemene belastingen komen ten goede aan algemene middelen van de gemeente. Dit betekent dat de opbrengsten niet gelabeld zijn maar overal voor kunnen worden ingezet. Het is aan de gemeenteraad te bepalen waarvoor. Onder de algemene belastingen vallen bijvoorbeeld de onroerendezaakbelasting (OZB) en de logiesbelasting. 4.2 Retributies De retributies vallen uiteen in (bestemmings-)heffingen en leges. Voor heffingen geldt dat de gemeente niet meer mag heffen dan de kosten die de gemeente maakt. Voorbeelden hiervan zijn de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. Beide heffingen worden gebruikt voor doeleinden met een duidelijk algemeen belang. Leges zijn vergoedingen voor een bij de gemeente aangevraagde dienst. Het gaat hierbij om diensten die een individueel voordeel opleveren. Heffingen en leges zijn bedoeld om met de inkomsten uit de belastingheffing bepaalde gemeenteactiviteiten te bekostigen. Om te voorkomen dat gemeenten met deze specifieke belastingen ook andere activiteiten financieren, verbieden wettelijke bepalingen (Gemeentewet) dat de geraamde baten de geraamde lasten mogen overschrijden. Door dit vereiste mogen de opbrengsten hooguit kostendekkend zijn.
In de praktijk spreekt men dan ook wel van kostendekkende tarieven. Op grond van art. 14.4. van de Verordening financiën Rotterdam 2021 streeft het college in principe (nagenoeg) kostendekkende tarieven voor retributies na. In de paragraaf Lokale
Blad: 5/10
Heffingen van de programmabegroting en -rekening wordt inzicht in de kostendekkendheid van de tarieven geboden. 4.3 Belastingverordeningen In deze raadsperiode stelt uw raad jaarlijks de volgende verordeningen (incl. tarieven) vast: A. Algemene legesverordening B. Verordening onroerende zaakbelastingen C. Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten D. Verordening precario-en reclamebelasting E. Verordening logiesbelasting F. Verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen G. Verordening afvalstoffenheffing H. Verordening bedrijfsreinigingsrecht I. Verordening rioolheffing J. Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting K. Verordening rechten markten L. Verordening precario standplaatsen M. Verordening lijkbezorgingsrechten N. Verordening leges Publiekszaken Rotterdam O. Verordening liggeld woonschepen P. Verordening leges Omgevingsvergunning Q. Retributieverordening Openbare werken De bevoegdheid om de kortparkeertarieven op straat vast te stellen is in 1999 gedelegeerd door de raad aan het college. Primaire reden is het snel kunnen aanpassen van het tarief indien dit gewenst is vanuit sturen op parkeerdruk. Daarnaast ligt de bevoegdheid van invoeren van betaald parkeren bij het college. Het college neemt hiertoe aanwijzingsbesluiten betaald parkeren waarin de straten (gebiedsafbakening), de betaaltijden en het tarief worden vastgelegd.
Aanwijzingsbesluiten leiden tot het aanpassen van het Tarievenoverzicht straatparkeren Rotterdam, waarover de gemeenteraad via raadsinformatiebrieven wordt geïnformeerd. De gemeente Rotterdam heft komende bestuursperiode vrijwel alle specifiek wettelijk benoemde, toegestane heffingen. Uitzonderingen zijn de baat-, forensenbelasting en hondenbelasting, welke niet geheven worden. Ieder jaar wordt in de raadsvergadering in de eerste helft van november de begroting voor het komende jaar vastgesteld. Tegelijkertijd worden ter vaststelling de verschillende verordeningen de tarieven voor de belastingen en retributies voorgelegd. Immers, deze vormen in het ontwerp-programmabegroting een belangrijk deel van de geraamde dekking van de geraamde lasten. Vaststellen omvat zowel de inhoud van de verordening als de hoogte van een tarief. Daarnaast verplicht het BBV dat de begroting inzicht biedt in de mate van kostendekkendheid van de tarieven voor retributies. Dit inzicht biedt de paragraaf Lokale Heffingen van de programmabegroting en -rekening.
Blad: 6/10
5. Uitgangspunten bij tarief bepaling 5.1 Wettelijke voorschriften tariefbepaling Op basis van wet- en regelgeving (BBV) worden de volgende kostencomponenten aan de tarieven voor retributies toegerekend: 1. Personeelskosten: de loonkosten voor het personeel dat direct betrokken is bij de uitvoering van de specifieke dienstverlening. Deze kosten moeten naar rato toegedeeld worden als de uitvoering meer producten/diensten betreft. Ook de kosten van externe inhuur moeten toegerekend worden, behalve als dit de kosten voor vervanging of vervulling bij vacatureruimte zijn. Die zijn immers al geraamd. 2. Specifieke automatiseringskosten: de kosten van hard- en software die bij de dienstverlening worden gebruikt. 3. Materiële kosten: materieel-, apparatuur-, bureau- en vervoerskosten, kapitaallasten (rente en afschrijving), btw en andere activa voor betreffende dienstverlening. 4. Overheadkosten: deze kosten zijn volgens de definitie van BBV deels toerekenbaar en worden verdeeld in: - Clusteroverhead: dit zijn de kosten van de leidinggevenden en managementondersteuning in de primaire processen van de clusters die kunnen worden toegerekend aan specifieke dienstverlening. - Concernoverhead: dit zijn centraal ondersteunende bedrijfsvoeringsonderdelen (de zgn. PIOFIACH-functies, te weten: personeel, inkoop, organisatie, financiën, informatie, automatisering, communicatie en huisvesting).
Deze kosten worden voor een groot deel op basis van normbedragen per fte aan clusters doorbelast. Het bedrag aan toegerekende concernoverhead hangt daarmee af van het aantal fte dat bij de specifieke dienstverlening betrokken is. Op grond van wet- en regelgeving mogen diverse kosten niet toegerekend worden. Dat zijn kosten die op geen enkele manier in verband te brengen zijn met de betreffende dienstverlening, bijvoorbeeld de kosten voor: - beleidsvoorbereiding en algemene inspraakprocedures; - handhaving, toezicht en controle (behalve een eerste controle); - bezwaar- en beroepsprocedures. 5.2 Generieke gemeentelijke uitgangspunten tarief bepaling Bij de bepaling van de tarieven gaan we uit van de volgende generieke gemeentelijke uitgangspunten: 1. Voor de bepaling van de maximale stijging van de jaarlijkse lastendruk dient de gemiddelde prijsontwikkeling, gerepresenteerd door de consumentenprijsindex (CPltrend) als uitgangspunt. Deze index vormt een afspiegeling van de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud voor de consument, omdat een breed pakket van diensten hierin tot uitdrukking wordt gebracht. 2. Tenzij anders besloten wordt mogen de tarieven voor retributies in principe met niet meer dan de CPl-trend stijgen ten opzichte van het bestaande tarief.
In die gevallen waarin het kostendekkendheidspercentage van het bestaande tarief minder dan 98% bedraagt mag het tarief het daaropvolgende heffingsjaar in principe stijgen. In die gevallen waarin het bestaande tarief 98% of meer bedraagt mag het tarief in het
Blad: 7/10
3.
4. 5.
6.
daaropvolgende heffingsjaar niet met de toegekende inflatiecorrectie stijgen. De kostendekkendheid van retributies mag nooit meer zijn dan 100%. Bovenstaande bepalingen gelden ook voor tarieven waarvoor in het Coalitieakkoord 2022-2026 is voorgesteld deze te verlagen: zij worden naast de voorgestelde verlaging tevens jaarlijks geïndexeerd. Tarieven worden afgerond op een veelvoud van € 0,10 dan wel op hele euro's. Bij de berekening van de tarieven wordt in principe uitgegaan van de tariefhoogte van het bestaande tarief voor afronding. Indien de raad het voorgaand jaar besloten heeft een tarief met meer dan wel minder dan de CPl-trend te verhogen, dan geldt het aldus vastgesteld tarief als basis voor de tariefberekening van het daaropvolgende heffingsjaar. Daar waar gemeentelijke verordeningen rijkstarieven bevatten worden de door het Rijk aangegeven maximum tarieven gehanteerd.
5.3 Specifieke gemeentelijke uitgangspunten tarief bepaling Naast de onder hoofdstuk 2 vermelde algemene beleidsuitgangspunten gaan we bij de bepaling van onze tarieven van de verschillende lokale heffingen, mede op basis van de beleidsuitgangspunten van het Coalitieakkoord Eén Stad, uit van de volgende specifieke uitgangspunten: Onroerende- zaakbelastingen/ Roerende-zaakbelastingen 1. De heffing van gemeentelijke belastingen is alleen mogelijk op basis van de Gemeentewet. De huidige wettelijke regeling kent drie verschillende tarieven voor heffing Onroerendezaakbelastingen (OZB) die alle drie in Rotterdam geheven worden: - een tarief eigenarenbelasting voor woningen, - een tarief eigenarenbelasting voor niet-woningen en - een tarief gebruikersbelastingen voor niet-woningen. 2. Bij het vaststellen van de OZB- tarieven hanteert de gemeente Rotterdam de werkwijze dat de totaal begrote OZB-opbrengsten voor de gemeente van deze belasting niet toenemen, behoudens met de inflatiecorrectie (CPI-trend) en met de toename van het aantal te belasten objecten. Areaaluitbreiding zorgt voor extra OZBinkomsten. 3. De totaal begrote OZB-opbrengsten zijn de uitkomst van de rekensom: totale waarde onroerend goed x tarief.
Omdat de waarde van het onroerend goed een autonoom gegeven is dat jaarlijks via taxaties wordt bepaald, terwijl de opbrengsten voor ieder begrotingsjaar taakstellend worden vastgesteld door de raad, is de hoogte van de OZB-tarieven hiervan de rekenkundige afgeleide. 4. Ter bepaling van de OZB-tarieven worden de totale taakstellende OZB-opbrengsten verdeeld over de verschillende belastinggroepen: eigenaren woningen; eigenaren nietwoningen en gebruikers niet-woningen. 5. Om te zorgen dat de taakstellende OZB-opbrengsten ook daadwerkelijk gerealiseerd worden, wordt bij het bepalen van de verschillende OZB-tarieven rekening gehouden met het gegeven dat een deel van de OZB-aanslagen oninbaar is.
Blad: 8/10
6. Bij leegstaande niet-woningen kan geen gebruikersheffing OZB niet-woningen worden opgelegd. De gemiste opbrengsten door leegstand worden volledig verdisconteerd in het tarief OZB-eigenaren niet-woningen 7. Ter bepaling van de tarieven voor belasting op roerende woon- en bedrijfsruimten gelden dezelfde uitgangspunten en tarieven als voor de OZB. Afvalstoffenheffing/Bedrijfsreinigingsrecht 1. In Rotterdam heffen we drie tarieven afvalstoffenheffing: een tarief afvalstoffenheffing voor een eenpersoonshuishouden, een tarief voor een tweepersoonshuishouden en een tarief voor drie of meer persoonshuishouden. Er is gekozen voor deze differentiatie vanwege het principe “de vervuiler betaalt”, waarbij het uitgangspunt is dat een twee- en een meerpersoonshuishouden meer afval produceert dan een eenpersoonshuishouden. Deze collegeperiode is daarnaast besloten om de stijgende lasten op de afvalinzameling gedeeltelijk op te lossen door het verhogen van het tarief met jaarlijks 1% exclusief indexatie. De kostendekkendheid zal hierdoor ook (beperkt) stijgen. De stijgende lasten hebben o.a. te maken met gestegen kosten voor personele inzet, voertuigen en inzamelmiddelen. 2. De stijging van het tarief met 1% per jaar (exclusief indexatie) is gerelateerd aan de verwachte stijging van de lasten. Echter, het stijgen van de lasten en de groei van de stad zijn niet evenredig over de jaren.
Door het vormen van een bestemmingsreserve Afvalstoffenheffing worden de schommelingen door de jaren heen opgevangen. Mogelijke hogere baten worden daarmee behouden voor het opvangen van stijgende kosten of komen ten gunste aan het tarief. 3. Om Rotterdammers tegemoet te komen in de stijgende woonlasten wordt de afvalstoffenheffing in 2023 niet geïndexeerd, ook de jaarlijkse stijging van 1% komt in 2023 eenmalig te vervallen. 4. De totaal geraamde kosten voor afvalinzameling en -verwerking worden op basis van een verdeelsleutel toegerekend aan de tarieven afvalstoffenheffing en de tarieven bedrijfsreinigingsrecht. Deze verdeelsleutel is gebaseerd op ervaringscijfers en onderzoek naar de kosten van beide te leveren diensten. 5. Aan de tarieven afvalstoffenheffing worden naast de kosten voor afvalinzameling en verwerking ook toegerekend 25% van de totale kosten van straatreiniging, kosten van toezicht en handhaving en de toerekenbare omzetbelasting die in rekening worden gebracht bij het BTW-Compensatiefonds. Tevens wordt een deel van de perceptiekosten, kosten voor oninbaar en overhead aan de tarieven toegerekend. 6. Voor de afvalstoffenheffing kan kwijtschelding aangevraagd worden. De kwijtscheldingslasten worden niet aan de tarieven afvalstoffenheffing toegerekend; zij worden gedekt door de algemene middelen.
Dit beïnvloedt de kostendekkendheid van het tarief omdat de kwijtscheldingslasten wel onderdeel zijn van de toerekenbare kosten op basis waarvan de kostendekkendheid wordt berekend. Behalve de kwijtscheldingslasten is er nog een bedrag voor (een deel van de) afvalstoffenbelasting, verwerkingskosten en grondstoffennota niet opgenomen in het tarief. Ook deze kosten zijn toerekenbaar en bepalen daarmee de kostendekkendheid.
Blad: 9/10
Rioolheffing 1. Rioolheffing is een eigenarenbelasting. Voor woningen geldt een basistarief. Voor nietwoningen geldt een tariefdifferentiatie op basis van de WOZ-waarde, tenzij de WOZwaarde lager is dan € 200.000. Dan geldt ook het basistarief voor woningen. 2. Conform de besluitvorming rond het vigerende gemeentelijk rioleringsplan (GRP 2021 - 2025) is bepaald dat het basistarief van de rioolheffing in de jaren 2021-2028 jaarlijks stijgt met € 6,00 exclusief de CPI-trend. 3. Voor WOZ-objecten met een relatief lage WOZ-waarde, zoals garageboxen e.d., geldt op basis een jaarlijks geactualiseerde drempelwaarde een gedifferentieerd tarief. Logiesbelasting 1. Voor deze gehele raadsperiode geldt als tarief voor de logiesbelasting 6,5% van de overnachtingsprijs. 2. Het college introduceert met ingang van belastingjaar 2024 een cruisebelasting: een toeristenbelasting voor passagiers van zee- of riviercruiseschepen. Omgevingsvergunning 1. Bij het legesmodel voor de activiteit bouwen is er sprake van kruissubsidiëring. Grote aanvragen subsidiëren de kleine aanvragen. De heffing van de leges voor de activiteit bouwen wordt op basis van de opgegeven bouwkosten vastgesteld. Hierbij wordt een model met 6 procentuele schijven gehanteerd waarbij per schijf de leges op basis van de bouwkosten vastgesteld wordt.
Op dit moment zijn we in afwachting van parlementaire besluitvorming rond de invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Onder de Omgevingswet wordt de toestemming om te kunnen (ver)bouwen gesplitst in een toestemming voor de omgevingsplanactiviteit en een toestemming voor de bouwactiviteit. Beide toestemmingen kunnen afzonderlijk of gelijktijdig worden aangevraagd. Onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen zijn een aantal bouwwerken, bouwwerken onder gevolgklasse 1, voor de bouwactiviteit niet meer vergunningsplichtig maar meldingsplichtig. In het laatste geval worden geen leges geheven. In afwachting van de parlementaire besluitvorming houden we voorlopig voor 2023 bestaande verordening WABO aan en verwerken dit in de conceptbegroting 2023. Zodra parlementaire besluitvorming afkomt, leggen we de raad een nieuwe verordening voor en trekken we de WABO-verordening 2023 in. De begroting 2023 wordt later op het geëigende P&C-moment alsook de Kadernota Lokale Lasten eveneens hierop aangepast. Horeca- en evenementenvergunningen 1. Het college maakt het het goedkoper voor horecaondernemers om een extra beheerder of leidinggevende op de horecavergunning bij te schrijven door de komende vier jaar de leges voor het bijschrijven van beheerders/leidinggevenden (na indexatie) te halveren.
Met deze hierboven beschreven algemene en specifieke uitgangspunten voor de bepaling voor de gemeentelijke tarieven wordt invulling gegeven aan de art. 14.3 en art 14.4. van de Verordening financiën Rotterdam 2021.
Blad: 10/10
6. Uitgangspunten bepaling relatieve lokale lastendruk Ter bepaling van de relatieve gemeentelijke woonlastendruk worden, conform het BBV, de verplichte beleidsindicatoren gemeentelijke woonlasten, de gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen en het kengetal belastingcapaciteit in programmabegroting en – rekening gehanteerd. De gemeentelijke woonlasten worden berekend als som van de gemiddelde aanslag onroerende zaakbelasting eigenaar woningen (OZB), de rioolheffing en de afvalstoffenheffing voor een meerpersoonshuishouding. Alleen de afvalstoffenheffing is afhankelijk van de grootte van het huishouden. Alleen eigenaren krijgen in Rotterdam een aanslag OZB en Rioolheffing opgelegd. Dit betreft ongeveer 30% van alle Rotterdamse huishoudens. Daarentegen krijgen alle huishoudens in principe een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd. Voor de aanslag afvalstoffenheffing kan kwijtschelding worden verleend. 1. Uitgangspunt is dat wij in deze bestuursperiode sturen op een gemiddelde lokale lastendruk (binnen G4 verband). 2. Daartoe hanteren wij de gegevens uit de jaarlijkse publicatie “Kerngegevens grote gemeenten’ van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden van de Universiteit van Groningen (COELO). Dit geeft een overzicht van de tarievenontwikkeling van enkele belangrijke gemeentelijke belastingen en van de woonlasten voor huishoudens in de 35 grootste gemeenten.
7. Uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid Voor het kwijtscheldingsbeleid gelden de volgende uitgangspunten: 1. Alleen voor afvalstoffenheffing kan gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend tot maximaal 76,5 % van het verschuldigde belastingbedrag voor de aanslagen over belastingjaren 2023 tot en met 2026. 2. Kwijtscheiding wordt zoveel mogelijk geautomatiseerd toegekend op basis van toetsing door Stichting Inlichtingenbureau; 3. Ondernemers kunnen voor kwijtschelding in aanmerking komen als zij voldoen aan de normen voor het Besluit Bijstandverlening voor zelfstandigen 2004 (BBZ 2004).