[22bb005978] Bijlage behorende bij 22bb5977 - rapport “HET IS EEN PROBLEEM, MAAR NIET VOOR MIJ” Een onderzoek naar de achtergronden van wapens en wapengeweld onder jongeren in Rotterdam
Tekst van het document
jaar gerepresenteerd in de steekproef met een piek op de leeftijden van 16 en 17 jaar, iets meer dan de helft van de jongeren uit de steekproef heeft een van deze twee leeftijden. De vragenlijsten zijn digitaal opgezet in het registratiesysteem ‘Qualtrics’. Participanten konden de vragenlijst maken op een computer/laptop, tablet of smartphone (waardoor invullen in computerlokalen of op digitale apparaten van school niet noodzakelijk was). Een of meerdere onderzoekers/onderzoeksassistenten hielden een korte introductie (5 minuten) voor de afname van start ging (met uitleg over dit onderzoek, hoelang het duurt, dat het anoniem is, dat respondenten de vragenlijst zelfstandig in dienen te vullen, en dat respondenten een bedankje kregen na de tweede keer participeren) en bleven daarna aanwezig om eventuele vragen te beantwoorden. De meeste vragenlijsten werden afgenomen in mentoruren of in lessen die in de lijn met dit onderzoek lagen, zoals Burgerschap of Maatschappijleer. Het invullen van de vragenlijst kostte de respondenten ongeveer 15 tot 20 minuten (wat qua concentratie voor sommige respondenten een uitdaging was). Na de tweede afname (voorjaar 2022) kreeg iedere respondent als bedankje voor hun deelname aan dit onderzoek een Bol.com-cadeaukaart ter waarde van €5,-.
De inhoud van de vragenlijst op het vo en mbo was steeds hetzelfde (de vragen die gesteld werden), maar in sommige gevallen is het woordgebruik iets aangepast aan de situatie van deze twee onderwijsvormen. Hierbij valt te denken aan termen als ‘leerling’ en ‘school’ binnen het voortgezet onderwijs en ‘student’ en ‘onderwijsinstelling’ binnen het middelbaar beroepsonderwijs. De vragenlijsten voor wave 1 en wave 2 verschilden voor een deel inhoudelijk van elkaar. Het was te veel om alle onderwerpen waarin wij waren geïnteresseerd herhaald aan de orde te stellen in de beide onderzoeksronden. Bovendien wilden we voor de leerlingen ook de nodige afwisseling aanbrengen in de twee afnames. Wel zijn de vragen over het hoofdonderwerp van deze studie in beide ronden gesteld, naast een aantal samenhangende zaken die wij van centraal belang achten: algemene onveiligheid en regelovertreding, activiteitenpatronen en de observatie van wapens en regelovertredend gedrag offline en op social media. De verschillende onderwerpen zijn verder uitgewerkt aan de hand van reeksen vragen die vaak konden worden gecombineerd tot schalen met een bepaalde score. Deze schalen zijn gebaseerd op zowel eerder criminologisch of sociaal-wetenschappelijk onderzoek, als eigen inzichten en ideeën.
Om na te gaan of de schalen verantwoord waren om te gebruiken, hebben we statistische analyses uitgevoerd (reliability analyse). Schalen waarbij een maat voor de interne samenhang van de items (de Cronbach’s alpha) duidelijk onvoldoende was hebben we niet meegenomen in het onderzoek. We hanteerden een grens van .60, wat meestal wordt gehanteerd voor relatief kleine schalen van enkele items. Twee schalen die net niet voldeden aan dit criterium hebben we wel gebruikt (de schalen ‘ouderlijk toezicht / betrokkenheid’ en ‘verdedigen van de buurt’), maar hier hebben we een extra analyse gedaan op het niveau van de afzonderlijke items uit de vragenlijst. Bijlage IV geeft een overzicht van de belangrijke 43
afzonderlijke items en van alle schalen die we hebben gebruikt in dit onderzoek, met (wanneer relevant) de daarbij behorende alpha-scores. Hieronder is in tabel 3.4 een globaal overzicht gegeven van de onderwerpen en schalen in de vragenlijsten van beide onderzoeksronden. Tabel 3.4: Globaal overzicht van onderwerpen in de vragenlijsten van wave 1 en wave 2 In wave 1 én wave 2 Wapen: bezit, dragen, gebruik (afgelopen 4 maanden), type, redenen wel/niet dragen Onveiligheid: gevoel en persoonlijk slachtofferschap (afgelopen 4 maanden) Actvititeiten: tijdsbesteding offline en online, en middelengebruik (afgelopen 4 maanden) Observatie wapens bij leeftijdsgenoten: offline en online (afgelopen 4 maanden) Alleen in wave 1
Alleen in wave 2
Demografisch: geslacht, leeftijd, etc.
Woonbuurt: cohesie, achterstanden
Zelfcontrole: impulsiviteit, risiconemen
Thuissituatie: band, controle, achterstanden
Jeugdgroep: algemeen, problematisch
School: inzet, klasgenoten, docenten
Houding: straatcodes, acceptatie geweld
Waarden: doelen, regels, ‘straatwaarden’
De analyse van de resultaten werd gedaan met behulp van het programma SPSS Statistics, een statistisch computerprogramma voor sociale wetenschappen. We hebben beschrijvende analyses uitgevoerd (frequentieverdelingen en gemiddelde scores), gekeken naar verschillen tussen categorieën jongeren (met zogeheten ANOVA-analyses, t-toetsen en chi-kwadraat berekeningen) en we hebben verschilscores berekend tussen de twee onderzoeksrondes en daartussen verbanden geanalyseerd. Alle verbanden die in de tekst worden besproken, zijn statistisch significant, waarbij de kans dat een verband of verschil aan het toeval is te wijten, lager is dan 5 procent.
44
3.2 Groepsgesprekken onder jongeren: opzet, verrichte gesprekken en topics Het tweede deel van dit onderzoek bestond uit het voeren van focusgroepsgesprekken met Rotterdamse jongeren. De meerwaarde van groepsgesprekken ten opzichte van individuele gesprekken is dat respondenten op elkaar kunnen reageren en er door onderzoekers te observeren is hoe discussies ontstaan, hoe groepsdynamiek werkt en hoe respondenten met/naar elkaar communiceren (Van Assema, Mesters & Kok, 1992). De kenmerken van de scholen welke deelgenomen hebben aan de focusgroepen, de duur van de gesprekken en de respondentaantallen zijn te vinden in onderstaande tabel 3.5. Tabel 3.5: Kenmerken en aantallen deelnemers aan groepsgesprekken
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.
Niveau
Duur
vmbo vmbo, havo, vwo vmbo, havo, vwo vmbo vmbo vmbo vmbo vmbo mbo mbo mbo schakel
56:18 min 33:55 min 37:15 min 42:22 min 52:12 min 61:10 min 33:58 min 36:00 min 43:07 min 46:18 min 44:30 min
Aantal respondenten Jongens
Meiden
5 6 5 0 6 4 2 2 2 4 5
0 0 0 6 0 2 3 3 3 0 1
In totaal zijn er elf groepsgesprekken met 4-6 jongeren gevoerd op zes verschillende scholen van verschillende niveaus. De duur kon verschillen van ongeveer een half uur tot een uur. Gemiddeld duurden de gesprekken ongeveer 45 minuten. Er zijn gesprekken gevoerd met alleen jongens (5 keer), een gesprek met alleen meiden (1 keer) en gesprekken met een gemixte groep bestaande uit jongens en meiden (5 keer). In sommige gevallen kenden alle respondenten elkaar en waren ze bijvoorbeeld vrienden/klasgenoten en in andere gevallen waren het onbekenden voor elkaar (maar zaten ze wel op dezelfde school). De gesprekken werden meestal gehouden in een apart lokaal of kantoor op de betreffende school. De jongeren werden voor de focusgroepen geworven op scholen waar wij al contact mee hadden in het kader van het afnemen van de vragenlijst (zie paragraaf 3.1). Paragraaf 3.1 beschreef de informatiebrieven en toestemmingsformulieren welke gedeeld zijn met leerlingen/studenten, ouders/verzorgers en docenten/betrokkenen. Daarin stond ook meer informatie over de groepsgesprekken en dat het onderzoeksteam deze graag op enkele scholen zou willen uitvoeren. In de meeste gevallen deden de jongeren ook mee aan de vragenlijstafname en was er op die manier (voor jongeren onder de 16 jaar oud) toestemming gevraagd (aan ouders/verzorgers) en al meer bekend over waar dit onderzoek over ging. In 45
enkele gevallen (zoals op de school van gesprek 2 en 3) werden Rotterdamse jongeren ter plekke op school in bijvoorbeeld de aula of kantine voor een focusgroepgesprek geworven. Uiteraard werd er dan door de onderzoekers informatie gegeven over dit onderzoek (doel van dit onderzoek, hoe een groepsgesprek werkt, het garanderen van anonimiteit, etc.), er werd naar hun leeftijd gevraagd en respondenten moesten, voordat het gesprek van start ging, toestemming geven voor hun deelname aan het gesprek via een informed consent-formulier. Bovendien werd van tevoren aan de respondenten gevraagd of ze akkoord gingen met een audio-opname van het groepsgesprek, wat in alle gevallen geen probleem was voor de respondenten. Alle respondenten die meededen aan een groepsgesprek ontvingen een Bol.com-cadeaukaart ter waarde van €5,-. Bij alle focusgroepgesprekken waren twee onderzoekers of een onderzoeker en een onderzoeksassistent aanwezig. Op die manier kon er, naast gefocust het gesprek aangaan en reageren/doorvragen op de bijdragen van respondenten, ook gelet worden op non-verbale communicatie tussen deelnemers en groepsdynamische processen (Van Selm, 2007). De opbouw van de gesprekken bestond uit een aantal vaste onderdelen: de verwelkoming, een voorstelronde, de topics bespreken en op elkaars bijdrage ingaan, en het bedanken en afronden van het gesprek.
De topics die besproken werden in de focusgroepen waren: veiligheid(sgevoel) in Rotterdam, (online) wapengebruik en -bezit (prevalentie, type wapens, ervaringen) en de redenen hiervoor, of wapendragers te herkennen zijn en hoe respondenten daarmee omgaan (bijvoorbeeld vermijden), of wapens een probleem zijn in Rotterdam en voor de respondenten zelf. Alle focusgroepgesprekken werden getranscribeerd en de resultaten werden gecodeerd en geanalyseerd in het codeerprogramma Atlas.ti. Er is gewerkt met thematische en open codes waardoor er patronen, verschillen, overeenkomsten, en opvallendheden inzichtelijk gemaakt kunnen worden (Evers, 2015).
3.3 Registratie-onderzoek: reikwijdte en codering Het derde en laatste methodische deel van dit onderzoek betrof politieregistraties met betrekking tot steekwapenbezit en -gebruik in Rotterdam uit 2020. Om inzage te krijgen in deze geregistreerde cijfers van politie-eenheid Rotterdam, is toestemming gevraagd aan het College van Procureurs-Generaal om in het kader van wetenschappelijk onderzoek de aard, aanleidingen, achtergronden, demografische kenmerken en mogelijke motieven van deze incidenten en verdachten nader te bestuderen. Het bestuderen van deze geregistreerde politiecijfers met betrekking tot steekwapenbezit- en gebruik is een vervolg op het eerdere onderzoek van Roks en Van den Broek (2020). Waar mogelijk zal dan ook in hoofdstuk 6 de vergelijking worden gemaakt met de door hen geanalyseerde cijfers uit 2018 en 2019. Na het krijgen van de toestemming is in maart 2022 gestart met het handmatig nalopen van alle politieregistraties van eenheid Rotterdam van steekwapenbezit en -gebruik waarbij jongeren als verdachte betrokken waren (tot en met 22 jaar oud).
46
De registraties voor dit onderzoek zijn geselecteerd op basis van een query, ook wel een zoekstring genoemd, waarmee er in een database specifieke informatie geselecteerd kan worden. In het geval van dit onderzoek was dat query 4787: ‘steekwapenbezit en gebruik’. De query omvat een selectie van maatschappelijke klassen, waarbij een steekwapen in het openbare of private domein is aangetroffen,als dreigingsmiddel is gebruikt of is gehanteerd (steken of snijden, inclusief poging) tegen één of meerdere personen. Onder steekwapens werd hierbij verstaan: scherpe puntige voorwerpen, zoals een mes (van klein tot groot), dolk, priem of (geslepen) schroevendraaier. Hierbij is het van belang om in gedachten te houden dat deze cijfers en daarmee ook de selectie van registraties gaan over incidenten met steekwapens, waarbij andere wapens (zoals vuurwapens, pepperspray, tasers, granaten, etc.) buiten beschouwing zijn gelaten. Voor het huidige onderzoek is er gekeken naar de volgende delictscategorieën: bedreiging, bezit overige wapens, doodslag/moord, eenvoudige mishandeling, openlijke geweldpleging, en zware mishandeling. In het politiesysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH) zijn incidenten soms gekoppeld aan meerdere categorieën van delicten.
In dit geval hebben wij altijd gekozen voor de eerste classificatie, de delictsoort waarmee een incident door de politie initieel wordt geregistreerd in het systeem. Na het filteren van het bestandbestand op basis van de bovengenoemde delictscategorieën bleven er 186 registraties over steekwapenbezit en -gebruik in 2020 over. Alle registraties zijn vervolgens handmatig bekeken door het onderzoeksteam, maar zoals ook al in de toelichting vanuit de eenheid Rotterdam bleek, betrof de selectie registraties die niet altijd pasten bij de definitie. Veel van de registraties gingen over dezelfde incidenten, bijvoorbeeld omdat er meerdere verdachten betrokken waren of omdat meerdere betrokkenen aangifte deden van hetzelfde feit. Ook waren er registraties in de selectie terechtgekomen waarbij geen steekwapen gebruikt of gevonden was. Na het opschonen van het bestand zijn er uiteindelijk 131 unieke incidenten met steekwapens in 2020 geselecteerd en geanalyseerd in het kader van dit onderzoek. In totaal waren daarbij 178 verdachten van 22 jaar of jonger betrokken. De analyse van de verschillende registraties is gedaan met behulp van een formulier waarmee informatie aan de registraties werd onttrokken met betrekking tot demografische kenmerken van de verdachte(n)/slachtoffer(s), informatie over het incident, informatie over het steekwapenbezit en -gebruik en overige opvallendheden.
De informatie over de verdachte(n)/het
slachtoffer
betrof
leeftijd,
woonplaats,
geslacht,
relatie
met
slachtoffer/verdachte, eventuele betrokkenheid bij jeugdgroep/drillrap. Met betrekking tot het incident werd er zo gedetailleerd mogelijk genoteerd wat de aanleiding was en of/hoe social media dan wel drillrap een rol heeft gespeeld in de totstandkoming van het delict. Bovendien werden zoveel mogelijk details omschreven over het steekwapen (denk aan kleur, formaat, merk, etc.) en werd informatie over de motivatie van steekwapenbezit of -gebruik rijk omschreven. Overige opvallendheden in de registraties konden bijvoorbeeld gaan over eerdere steekwapenincidenten op naam van de verdachte, of er specifieke hulporganisaties 47
betrokken waren bij de verdachte/het slachtoffer en over bepaalde kledingkeuzes met betrekking tot het dragen/opbergen van een steekwapen.
48
HOOFDSTUK 4 | RESULTATEN UIT DE VRAGENLIJSTEN In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten die naar voren komen uit de analyse van de vragenlijsten onder jongeren. Daarmee geven we allereerst een indicatie van het voorkomen van het bezitten, dragen en gebruiken van wapens onder de onderzochte jongeren, de soorten wapens en de herkomst daarvan en de redenen die jongeren aangeven als hun motivatie voor wapens. Vervolgens gaan we na wat de belangrijkste samenhangen zijn tussen betrokkenheid bij wapens en de verschillende factoren die in hoofdstuk 2 naar voren zijn gekomen. We gaan na of er een relatie is met onveiligheidservaringen, opvattingen en houdingen van jongeren, hun persoonlijke eigenschappen, hun activiteitenpatroon (inclusief middelengebruik en delinquent gedrag) en de offline en online sociale context van leeftijdsgenoten. We kijken ook naar
mogelijk
achterliggende
factoren
zoals
problematische
gezins-
en
opvoedomstandigheden, buurtomgevingen en ervaren achterstanden en armoede. Bij deze analyses maken we onderscheid tussen jongeren zonder betrokkenheid bij wapens, jongeren die alleen wapens bezitten, jongeren die wapens dragen en jongeren die ook recent wapens hebben gebruikt. Tot slot van dit hoofdstuk kijken we ook naar kortetermijnveranderingen met betrekking tot wapens bij jongeren. We gaan na in hoeverre hier dynamiek in is en of dit ook gerelateerd is aan kortetermijnveranderingen in de verschillende factoren die van belang kunnen zijn.
4.1
Wapens onder de onderzochte jongeren
Om te beginnen bekijken we hoe vaak de onderzochte jongeren zelf hebben aangegeven betrokken te zijn bij wapens, zowel wat betreft bezit, dragen als daadwerkelijk gebruik. In de onderstaande tabellen wordt steeds aangegeven wat de uitkomsten waren voor de vier maanden voorafgaand aan de eerste ronde van de vragenlijstafname (eind 2021) en voorafgaand aan de tweede ronde (voorjaar 2022). We geven voor de jongeren die hebben meegedaan aan beide onderzoeksronden ook weer wat de prevalentie was voor wapens tijdens de hele onderzoeksperiode van acht maanden (dus in de vier maanden voor de eerste ronde en/of de vier maanden voor de tweede ronde). Prevalentie bezit, dragen en gebruiken In tabel 4.1 (volgende pagina) staan de gegevens met betrekking tot het bezit van wapens. We geven weer welk deel van de onderzochte jongeren een wapen in bezit had, in totaal en apart voor de drie hoofdcategorieën van wapens die we hebben onderscheiden (steek-, vuur- en andere wapens). Aangegeven wordt welk percentage van de jongeren een wapen had in de periode van vier maanden voorafgaand aan de eerste onderzoeksronde, en welk percentage van de jongeren die twee keer meededen een wapen had in beide onderzoeksperioden van vier maanden (dus in totaal acht maanden voorafgaand aan de tweede onderzoekswave).
49
Tabel 4.1: Wapenbezit in de eerste en tweede onderzoeksronde Wapen in bezit totaal Steekwapen in bezit Ander wapen in bezit Vuurwapen in bezit
Ronde 1 5.7 % 4.1 % 2.3 % 0.3 %
In ronde 1 en/of 2 8.7 % 5.7 % 3.5 % 0.6 %
Totaal aantallen (n)
n=919
n=542
Uit de tabel wordt duidelijk dat in de eerste ronde bijna 6% van de ondervraagde jongeren aangaf een wapen in bezit te hebben. In een van beide ronden of in beide ronden is dat nog iets meer: in die periode van 8 maanden heeft bijna 9% van de ondervraagden een wapen in bezit of in bezit gehad. Slechts een relatief kleine minderheid van de ondervraagde jongeren geeft dus aan een wapen te hebben. Het gaat relatief vaak om een steekwapen: zo’n 6% van de jongeren gaf aan dat in bezit te hebben gehad in een van de ronden. Zo’n 3,5% van de ondervraagde jongeren had een ander wapen, zoals een knuppel of een ander slagwapen in bezit in de hele periode. Slechts enkele ondervraagde jongeren hadden een vuurwapen in bezit in de periode voorafgaand aan de eerste of tweede ronde. De percentages voor de afzonderlijke wapencategorieën bij elkaar opgeteld komen overigens hoger uit dan het percentage voor wapenbezit in totaal: dat komt doordat een deel van de jongeren meerdere soorten wapens in bezit heeft. Tabel 4.2: Wapen dragen op verschillende plekken ENIG wapen gedragen Totaal Op straat Naar school Tijdens uitgaan of vrijetijd Steekwapen gedragen: Totaal Op straat Naar school Tijdens uitgaan of vrijetijd Ander wapen gedragen: Totaal Op straat Naar school Tijdens uitgaan of vrijetijd Vuurwapen gedragen: Totaal Op straat Naar school Tijdens uitgaan of vrijetijd
Ronde 1
In ronde 1 en/of 2
10.7 % 7.5 % 3.0 % 7.2 %
15.3 % 11.6 % 6.6 % 10.7 %
7.4 % 5.5 % 2.3 % 5.3 %
11.8 % 8.5 % 5.0 % 8.1 %
4.0 % 3.0 % 1.1 % 2.6 %
6.8 % 5.5 % 3.1 % 3.9 %
2.3 % 1.3 % 0.8 % 1.2 %
4.6 % 3.1 % 2.4 % 3.5 %
n=919
n=542 50
In tabel 4.2 (vorige pagina) is weergegeven welk deel van de jongeren daadwerkelijk een wapen heeft gedragen in de periode van vier maanden voorafgaand aan de eerste dataverzameling of ergens in de periode van 8 maanden voor onderzoeksronde 2. Van de hoofdtypen wapens worden de steekwapens het vaakst meegenomen: ruim 7% van de jongeren rapporteert dit wel eens of vaker te hebben gedaan in de afgelopen vier maanden, bijna 12% in de hele onderzoeksperiode. Andere wapens zijn door zo’n 7% wel eens gedragen in de onderzoeksperiode, vuurwapens worden het minst meegenomen, door een kleine 5% in de onderzoeksperiode van acht maanden. Bij alle wapens zien we dat ze vaker worden gedragen op straat en in de vrije tijd dan op school. Een opmerkelijke constatering is dat het percentage jongeren dat een wapen heeft gedragen aanmerkelijk groter is dan het percentage dat een wapen bezit. Dat geldt voor zowel het totaalcijfer als voor de drie afzonderlijke categorieën van wapens. Dat betekent dat jongeren regelmatig wapens bij zich hebben die niet van henzelf zijn maar van iemand anders. In tabel 4.3 is weergegeven welk deel van de ondervraagde jongeren in de vier maanden voorafgaand aan de eerste en de acht maanden voorafgaand aan de tweede vragenlijstafname een wapen heeft gebruikt. Daarbij is ook onderscheid gemaakt naar gebruik om te dreigen, te verdedigen en om iemand te verwonden.
Tabel 4.3: Wapen gebruiken op verschillende manieren, afgelopen vier maanden ENIG wapen gebruikt Totaal Om te dreigen Om te verdedigen Om te verwonden Steekwapen gebruikt: Totaal Om te dreigen Om te verdedigen Om te verwonden Ander wapen gebruikt: Totaal Om te dreigen Om te verdedigen Om te verwonden Vuurwapen gebruikt: Totaal Om te dreigen Om te verdedigen Om te verwonden
Ronde 1
In ronde 1 en/of 2
3.0 % 1.3 % 2.1 % 0.9 %
5.5 % 2.4 % 3.3 % 1.7 %
1.6 % 0.8 % 1.0 % 0.4 %
2.0 % 0.9 % 1.5 % 0.7 %
1.2 % 0.2 % 1.0 % 0.2 %
2.6 % 0.7 % 1.3 % 0.7 %
0.8 % 0.7 % 0.4 % 0.4 %
1.8 % 0.7 % 0.9 % 0.4 %
n=919
n=542
51
De tabel laat zien dat gebruik van wapens relatief zeldzaam is onder de onderzochte jongeren. In de eerste onderzoeksronde geeft 3% van hen aan een wapen te hebben gebruikt in de voorgaande vier maanden, over de gehele onderzoeksperiode bekeken is dat ruim 5%. Kortom, lang niet iedereen die een wapen bezit of een wapen bij zich heeft gedragen, heeft daarvan ook gebruik gemaakt in de periode van het onderzoek. Als een wapen is gebruikt, was dat meestal om te verdedigen of te dreigen en in mindere mate om specifiek iemand te verwonden. Steekwapens zijn iets vaker gebruikt dan andere wapens, en vuurwapens minder, maar het gebruik daarvan komt wel voor onder de jongeren uit de steekproef. Vuurwapens werden het meest gebruikt om te dreigen, steekwapens en andere wapens het meest om te verdedigen. Soorten steekwapens en herkomst In de eerste onderzoeksronde was aan de jongeren die aangaven een steekwapen te bezitten of te dragen ook gevraagd naar het soort steekwapen. Vooraf was een groot aantal typen als antwoordmogelijkheid gegeven, en jongeren konden hier een of meerdere soorten steekwapens aanklikken. Ze konden ook aangeven dat ze niet wisten om wat voor type het ging of nog zelf een ander type invullen. In figuur 4.1 zijn de antwoorden op deze vraag weergegeven. Figuur 4.1: Soorten steekwapens onder de jongeren in de eerste onderzoeksronde Harpoen; 3
Kelnersmes; 1
Weet niet; 2
Machete; 4 Hak/kokmes; 4 Stiletto; 4 Zakmes; 29 Bijl; 5 Zelfmaakmes; 5 Dolk; 6
Zwaard; 9
Rambomes; 6 Keukenmes; 7
Vlindermes; 8 Stanleymes; 8
Uit de figuur komt naar voren dat veruit het meeste voorkomende steekwapen een eenvoudig zakmes is. Daarnaast hebben veel jongeren ook een makkelijk opbergbaar steekwapen als een 52
vlindermes en een stanleymes, of juist grotere messen zoals een keukenmes of een ‘rambomes’. Een behoorlijk aantal jongeren hebben ook een zwaard als steekwapen. Andere steekwapens komen minder frequent voor. Dat geldt ook voor zelfgemaakte messen en machetes, typen steekwapens die recent vaak in het nieuws zijn geweest als het gaat om steekincidenten. We hebben in de eerste onderzoeksronde aan degenen die een wapen hadden of hebben gedragen, gevraagd waar zij dat vandaan hadden. In figuur 4.2 is weergegeven wat zij daarover hebben gezegd. De jongeren konden daarbij weer meerdere mogelijkheden aangeven. Figuur 4.2: Herkomst van de wapens bij jongeren in de eerste onderzoeksronde Zelfgemaakt; 5
Gestolen; 2
Via via; 8
Gekregen; 22
Internet; 14
Winkel; 21
Uit de figuur komt naar voren dat een groot deel van de wapens die jongeren hebben of dragen zijn gekregen van anderen. Op welke manier dat is gekregen is echter onduidelijk. Het kan gaan om jongeren onderling die elkaar een wapen bezorgen of uitlenen, maar het kan ook zijn dat iemand een wapen cadeau heeft gekregen van vrienden of familieleden. Een substantieel deel van de wapens is ook in een winkel gekocht of op het internet. Kleinere aantallen wapens zijn op wat ingewikkelder wijze verkregen: ‘via via’ in het informele circuit, zelfgemaakt of gestolen. Redenen en motieven We hebben de jongeren voorts gevraagd om te kiezen uit een groot aantal mogelijke redenen/ motieven om wapens te bezitten of mee te nemen op straat, naar school of in de vrije tijd. Jongeren konden hierbij een of meer redenen aanklikken en ook zelf nog aanvullende motivaties intypen. In figuur 4.3 wordt een overzicht gegeven van de frequentie waarin de verschillende redenen zijn genoemd, in volgorde van voorkomen.
53
Figuur 4.3: Genoemde redenen/motivaties voor bezitten of dragen van wapens 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
beetje helemaal
Uit de figuur komt naar voren dat de meeste jongeren met wapens vooral defensieve redenen daarvoor geven. Ze geven aan dat ze wapens bij zich hebben zodat ze zich kunnen verdedigen als dat moet. Een belangrijk deel geeft ook aan dat de reden deels of helemaal te maken heeft met hun veiligheidssituatie: ze voelen zich onveilig of worden concreet bedreigd. Een wat kleiner maar nog steeds substantieel deel van de motivaties heeft meer te maken met een fascinatie voor wapens: een deel van de jongeren vindt wapens gewoon leuk of verzamelt wapens. De meer expressieve en instrumentele redenen die eerder in de literatuur zijn genoemd, worden door de jongeren uit dit onderzoek relatief weinig aangeklikt. Slechts 11 jongeren geven aan dat het kunnen laten zien van een wapen een reden is om dat te hebben of te dragen, en nog minder dan tien noemt als reden dat je met een wapen dingen kan afpakken of anderen kunt bedreigen. Tot slot geven we in figuur 4.4 (volgende pagina) een overzicht van de redenen en motivaties die jongeren hebben gegeven om geen wapens te bezitten of te dragen. Ook dat hebben we expliciet gevraagd tijdens de eerste onderzoeksronde, waarbij respondenten meerdere redenen konden aanklikken en ook zelf konden invullen. Uit de figuur komt naar voren dat veel jongeren die geen wapen dragen dat niet nodig vinden.
Veel jongeren voelen zich ook gewoonlijk veilig en hebben geen behoefte aan wapens als verdediging. Daarnaast lijkt het grootste deel van de jongeren zich ook goed bewust van de negatieve consequenties van wapens. Ze geven aan dat wapens juist voor meer gevaar kunnen zorgen, en ook dat je er straf voor kan krijgen of dat volwassenen erachter kunnen komen. Ook het simpele gegeven dat wapens verboden zijn, is voor veel jongeren al een van de redenen om niet een wapen bij zich te hebben of te bezitten.
54
Figuur 4.4: Genoemde redenen/motivaties om geen wapen te bezitten of te dragen 800 700 600 500 400 300 200
beetje
100
helemaal
0
Redenen die te maken hebben met de gelegenheid om wapens te kopen of te bezitten, worden aanmerkelijk minder genoemd door de ondervraagde jongeren. Een deel heeft geen wapens omdat die moeilijk zijn mee te nemen, en een nog kleiner deel heeft geen wapen omdat ze dat niet kunnen kopen of denken niet te kunnen kopen. Opvallend is dat het niet kunnen kopen als minst genoemde reden geldt om geen wapen te hebben, een element dat in de media en het beleid juist de meeste aandacht lijkt te krijgen. De houding ten opzichte van wapens en de perceptie van de mogelijke consequenties lijken aanmerkelijk belangrijker. Vier hoofdcategorieën In de rest van dit hoofdstuk zullen we ons concentreren op vier hoofdcategorieën van jongeren: de categorie jongeren die niet betrokken waren bij wapens in de periode voorafgaand aan de vragenlijstafname; jongeren die alleen wapens bezitten (maar zonder te dragen of te gebruiken), jongeren die de voorgaande periode wapens met zich mee hebben gedragen of straat, school of in de vrije tijd, en jongeren die in de voorgaande periode een wapen hebben gebruikt om te dreigen, verdedigen of te verwonden. Vanwege de kleine aantallen nemen we steeds alle soorten wapens samen, en kijken we vooral in hoeverre er verschillen zijn tussen geen betrokkenheid, alleen bezit, dragen zonder gebruik en daadwerkelijk gebruiken van wapens.
In tabel 4.4 is aangegeven hoeveel jongeren in de eerste ronde en in de hele onderzoeksperiode behoren tot deze vier hoofdcategorieën.
55
Tabel 4.4: Proportie jongeren in vier hoofdcategorieën met betrekking tot wapens Geen wapens Alleen wapen in bezit Wapen gedragen, geen gebruik Wapen gebruikt
Ronde 1 85.6 % 3.0 % 8.3 % 3.0 %
In ronde 1 en/of 2 80.8 % 2.4 % 11.3 % 5.5 %
n=919
n=542
Duidelijk is dat de overgrote meerderheid van de ondervraagde jongeren behoort tot de categorie zonder wapens. In de eerste ronde heeft ruim 85% aangegeven dat ze geen wapens in bezit hadden, hebben gedragen of hebben gebruikt in de vier maanden voor de dataverzameling. Van de deelnemers die aan beide ronden hebben meegedaan, heeft ruim 80% in de hele onderzoeksperiode van 8 maanden voorafgaand aan de tweede wave geen wapen gehad, gedragen of gebruikt; een minderheid van bijna 20% heeft dat dus wel. Er is slechts een kleine categorie jongeren die alleen een wapen bezit, zonder dit te dragen of te gebruiken: 3 procent in de eerste ronde, over de gehele onderzoeksperiode nog iets lager (dat betekent dat er na de eerste onderzoeksronde relatief veel jongeren met alleen wapenbezit zijn uitgevallen uit het onderzoek). Deze percentages zijn lager dan alle jongeren met een wapen in bezit (gepresenteerd in tabel 4.1), omdat een deel van de jongeren met een wapen in bezit die ook draagt en/of gebruikt. Er is een substantiële categorie jongeren die wapens heeft gedragen maar niet heeft gebruikt: ruim 8% in de eerste ronde, en ruim 11% in een van de onderzoeksronden of allebei. Ook dit is weer lager dan de eerder genoemde percentages (in tabel 4.2), omdat een deel van de jongeren die een wapen draagt dat ook heeft gebruikt.
Een kleine groep van de ondervraagden heeft het wapen gedragen én daadwerkelijk gebruikt: 3% in de eerste ronde, in de hele periode bijna 6 %. Nadere analyse van de redenen voor wapenbezit of -dracht laat zien dat jongeren die alleen een wapen bezitten relatief vaak aanvoeren dat ze dat doen om te verzamelen (ruim een kwart van hen). Jongeren die alleen een wapen dragen voeren relatief vaak aan dat ze dat doen om zich te kunnen verdedigen (de helft) of omdat ze zich onveilig voelen (bijna de helft). Jongeren die een wapen ook daadwerkelijk gebruiken zeggen relatief vaak een wapen bij zich te hebben omdat ze worden bedreigd (bijna de helft), om een ander te bedreigen, om wat af te pakken of te laten zien (steeds door ongeveer 20% van deze jongeren). Er zijn dus verschillen in redenen die deze jongeren hebben voor hun betrokkenheid bij wapens, al zijn die verschillen niet heel groot.
56
4.2 Demografische kenmerken en wapens onder jongeren Het bezitten, dragen en gebruik van wapens zal niet evenredig verdeeld zijn over de Rotterdamse jongerenpopulatie. Sommige categorieën jongeren en sommige woonbuurten hebben vermoedelijk een verhoogd risico. Om een eerste indruk te krijgen van de spreiding van wapens onder jongeren in Rotterdam kijken we in deze paragraaf wat de samenhang is van demografische kenmerken met de verschillende vormen van betrokkenheid bij wapens. We behandelen achtereenvolgens de samenhang met geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, etniciteit en wel/niet wonen in Rotterdam. Het is daarbij belangrijk om te bedenken dat het hier niet gaat om oorzaken. Je draagt of gebruikt geen wapen omdat of doordat je een jongen bent, een bepaalde leeftijd of afkomst hebt, of in een bepaalde buurt woont. Deze kenmerken kunnen er wel voor zorgen dat de kans groter is dat je bepaalde kenmerken hebt, of meer risico loopt dat je wordt blootgesteld aan de directe oorzaken van betrokkenheid bij wapens. Maar op zich verklaren die demografische kenmerken zelf niets. Geslacht (jongen of meisje) Om te beginnen kijken we naar verschillen tussen jongens en meisjes met betrekking tot wapens.
Er waren te weinig jongeren die bij de vraag naar hun geslacht ‘anders’ aangaven met andere woorden dat ze zich niet duidelijk jongen of meisje voelen - en jongeren dat hier gaan antwoord op wilde geven om deze categorieën zinvol mee te kunnen nemen bij de onderstaande analyse. In tabel 4.5 is aangegeven hoeveel jongens en meisjes in de eerste ronde een wapen (alleen) bezaten, een wapen droegen en een wapen hebben gebruikt. Uit de tabel komt naar voren dat jongens relatief vaker betrokken zijn bij wapens. Het percentage voor alleen een wapen bezitten is ruim tweeënhalf keer zo hoog bij jongens dan bij meisjes, het percentage dat een wapen gebruikt ongeveer twee keer zo hoog, en het percentage dat een wapen draagt 1,7 keer zo hoog bij jongens dan bij meisjes. Dat zijn duidelijke verschillen1. Tabel 4.5: Wapens onder jongens en meisjes in de eerste onderzoeksronde Geen wapens Alleen wapen in bezit Wapen gedragen, geen gebruik Wapen gebruikt
Jongens 80.7 % 4.6 % 10.8 % 3.9 %
Meisjes 90.2 % 1.7 % 6.3 % 1.9 %
n=409
n=479
Tegelijkertijd betekent dat niet dat wapens alleen bij jongens voorkomen. Er zijn nog steeds substantiële aantallen meisjes die wapens bezitten, dragen of gebruiken. In figuur 4.5 is een 1 Als we spreken in dit rapport van duidelijke verschillen, dan is er weinig kans dat het een toevalstreffer is. Zo is
hier het verschil tussen jongens en meisjes statistisch significant, wat betekent dat de kans dat het toch op toeval berust kleiner is dan 5% (in dit geval is berekend dat het zelfs kleiner is dan 1%).
57
schatting weergegeven van welk deel van de jongeren met een wapen die naar school gaan in Rotterdam een jongen of een meisje was. De basis van deze schatting zijn de percentages jongens en meisjes onder de wapendragers in de steekproef van dit onderzoek. Maar aangezien er relatief veel meisjes aan het onderzoek hebben deelgenomen, zijn de percentages gecorrigeerd voor het werkelijke aandeel meisjes onder de bevolking2. Figuur 4.5: Schatting van de verdeling jongens en meisjes onder dragers van wapens
Uit deze figuur wordt duidelijk dat meisjes nog steeds een aanzienlijk deel vormen van de jongeren die betrokken zijn bij wapens in Rotterdam. Van alle wapendragers is naar schatting een derde een meisje. Bij het bezitten en gebruiken van wapens is dat aandeel wat lager, respectievelijk 24.1% en 32.3%, maar nog steeds substantieel. Messen zijn dus niet alleen een jongensprobleem. Kortom, jongens dragen relatief gezien aanmerkelijk vaker een wapen dan meisjes, en bezitten en gebruiken dat ook vaker; tegelijkertijd is een aanzienlijk en niet te verwaarlozen deel van de jongeren in Rotterdam met wapens een meisje. Als we kijken naar welke wapens meisjes bezitten, dan blijkt het vooral te gaan om steekwapens en andere wapens, net als bij jongens komt vuurwapenbezit veel minder voor. Bij de steekwapens komen de zakmessen het meest voor (9 van de 11 meisjes met een steekwapen in de eerste ronde), en ook een paar keer een keukenmes (3 van de 11, meerdere wapens waren mogelijk). Het bezit van “stoere” steekwapens, zoals rambomessen, machetes en zwaarden, komt bij de onderzochte meisjes nauwelijks voor (0 of 1 keer genoemd). Wat betreft het type wapen dat meisjes dragen in vergelijking tot jongens, zijn er geen opvallende verschillen.
Jongens dragen steeds ongeveer twee keer zo vaak een steekwapen, ander wapen of vuurwapen dan meisjes, maar de onderlinge verhouding tussen die typen is ongeveer gelijk bij jongens en meisjes. Bij het kleine aantal meisjes dat een wapen heeft gebruikt kan het gaan om zowel steekwapens, andere wapens en ook vuurwapens. Bij dat
2 Op basis van CBS-gegevens van de verhouding jongens en meisjes in de leeftijdscategorie tussen 10 en 20 jaar.
58
laatste gaat het overigens meestal om dreigen of verdedigen, niet om verwonden, maar dat geldt ook voor de jongens. We hebben ook gekeken in hoeverre de motieven om wapens te dragen anders zijn voor meisjes dan voor jongens. Hierbij is geen onderscheid meer gemaakt tussen redenen die volgens jongeren helemaal gelden of een beetje, de vergelijking gaat tussen de motieven die wel of niet zijn genoemd door jongens en meisjes. Figuur 4.6: Motieven om een wapen te dragen bij jongens en meisjes
Uit de figuur blijkt dat beleving van onveiligheid bij zowel jongens als meisjes een belangrijke reden is om een wapen te dragen. De aantallen zijn bij meisjes wat lager, omdat die ook relatief minder vaak een wapen dragen, maar relatief gezien noemen zij vaker motieven die te maken hebben met onveiligheid: zichzelf kunnen verdedigen, zich onveilig voelen en/of bedreigd worden. Bij jongens speelt ook de intrinsieke waarde van wapens een belangrijke rol: een aanzienlijk aantal van hen geeft aan wapens te dragen omdat ze die leuk vinden, bij meisjes komt dit ook voor maar relatief minder vaak. Er zijn ook duidelijk meer jongens dan meisjes die wapens verzamelen en ze willen laten zien aan anderen. Instrumentele redenen om wapens te dragen (dingen afpakken of bedreigen) lijken niet meer bij jongens voor te komen dan bij meisjes. Leeftijd en opleidingsniveau Om meer inzicht te krijgen in de demografische achtergronden is ook nagegaan in hoeverre leeftijd samenhangt met wapens onder jongeren. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat de jongste groep is gerekruteerd via het middelbare onderwijs en de oudere groep via het mbo. Lang niet alle jongeren gaan naar het mbo en er zijn ook relatief veel leerlingen van buiten Rotterdam die in de stad mbo-onderwijs volgen. Dat maakt dat de leeftijdsgroepen minder goed met elkaar zijn te vergelijken.
59
In figuur 4.7 is weergegeven welk percentage van verschillende leeftijdsgroepen aangaf een wapen in bezit te hebben gehad, te hebben gedragen en te hebben gebruikt in de 4 maanden voor de eerste onderzoeksronde. Uit de grafiek wordt duidelijk dat de jongere leeftijdsgroepen relatief vaak betrokken zijn bij wapens. Figuur 4.7: Leeftijd en betrokkenheid bij wapens onder jongeren
Met name bij de leeftijd van 16 jaar gaat het aandeel van jongeren dat een wapen draagt en gebruikt flink naar beneden, het bezitten van wapens lijkt daarentegen niet echt minder te zijn bij de oudere deelnemers. Hoe deze cijfers moeten worden geïnterpreteerd is lastig. Het is mogelijk dat de jongvolwassenen die wapens dragen of gebruiken minder naar het mbo gaan en daardoor zijn ondervertegenwoordigd in dit onderzoek. Maar het zou ook kunnen dat wapens dragen en gebruiken op dit moment daadwerkelijk meer iets is voor de jongere adolescenten. In tabel 4.6 wordt een overzicht gegeven van de verschillen tussen opleidingsvormen en niveaus in betrokkenheid van jongeren bij wapens. Omdat op sommige scholen de leerlingen door elkaar heen hebben meegedaan, konden we niet altijd precies een onderscheid maken, maar wel globaal tussen verschillende typen onderwijs in brede zin. Tabel 4.6: Wapens bij verschillende opleidingsvormen in de eerste onderzoeksronde
80.3 % 2.9 % 12.4 % 4.4 %
mavo of mavo/havo 80.0 % 2.0 % 13.0 % 5.0 %
n=137
n=100
vmbo Geen wapens Alleen wapen in bezit Wapen gedragen, geen gebruik Wapen gebruikt
havo/vwo
mbo
87.5 % 3.0 % 7.8 % 1.7 %
87.5 % 3.4 % 5.6 % 3.4 %
n=361
n=321
60
Uit de tabel komen een aantal interessante verschillen naar voren maar ook overeenkomsten. Een belangrijke overeenkomst is dat in alle onderwijstypen de meerderheid van de jongeren geen wapens heeft of heeft gedragen of gebruikt in de afgelopen vier maanden. Er zijn ook weinig verschillen in het percentage jongeren met een wapen alleen in bezit, dat komt eigenlijk niet (significant) meer of minder voor bij de hogere of de lagere niveaus. Er zijn wel heel duidelijke verschillen met betrekking tot het dragen en gebruiken van een wapen. Jongeren op het vmbo en mavo dragen relatief vaak een wapen in vergelijking met jongeren op het havo of vwo, en jongeren op het mbo dragen nog minder vaak een wapen. Jongeren op het vmbo en mavo hebben ook vaker een wapen gebruikt in de afgelopen vier maanden dan jongeren van havo/vwo niveau. Jongeren op het mbo zitten daar weer tussenin, dus ze hebben minder vaak een wapen gedragen maar wel vaker een wapen gebruikt dan havo/vwo leerlingen. Etnische achtergrond We zijn ook nagegaan in hoeverre betrokkenheid bij wapens meer of minder voorkomt bij jongeren met verschillende etnische achtergronden. Bij deze demografische factor hebben we gekeken naar hoe jongeren zichzelf voelen in plaats van uit te gaan van het geboorteland of het geboorteland van de ouders.
In tabel 4.7 is het voorkomen van verschillende vormen van betrokkenheid bij wapens weergegeven voor drie globale categorieën: jongeren die zich volledig Nederlands voelen, jongeren die zich deels Nederlands, en deels niet-Nederlands voelen en jongeren die zich helemaal niet-Nederlands voelen. De respondenten die geen etniciteit wilden invullen of het niet goed wisten, zijn vanwege de lage aantallen buiten beschouwing gelaten in deze tabel. Tabel 4.7: Wapens onder drie globale groepen op basis van etnische identiteit Alleen Nederlands
Gemengd
Alleen
Niet
Ned. /
andere
genoemd
Anders
achtergrond
Geen wapens
87.0 %
86.5 %
82.7 %
85.7 %
Alleen wapen in bezit
3.6 %
1.8 %
2.8 %
2.2 %
Wapen gedragen, geen gebruik
7.9 %
7.2 %
9.2 %
8.8 %
Wapen gebruikt
1.5 %
4.5 %
5.2 %
3.3 %
n=468
n=111
n=249
n=91
Uit de tabel komen geen heel opmerkelijke verschillen naar voren. In totaal zijn er iets meer jongeren die zich geheel niet-Nederlands voelen met enige betrokkenheid bij wapens dan alle drie de andere categorieën. Het enkele bezit van wapens lijkt iets meer voor te komen bij de alleen Nederlands voelende jongeren dan bij de andere categorieën, dragen van wapens komt wat meer voor bij de jongeren die zich alleen niet-Nederlands voelen en degenen die geen etniciteit hebben genoemd. Het meest opvallende verschil is te zien bij het gebruiken van wapen: dat komt duidelijk minder vaak voor bij de jongeren die zich helemaal Nederlands 61
voelen dan bij alle andere categorieën. Hier is weinig verschil tussen de jongeren die zich deels niet-Nederlands voelen en de categorie met alleen een andere achtergrond. Meer gedetailleerde informatie over de relatie tussen (ervaren) etnische achtergrond en betrokkenheid bij wapens is onbetrouwbaar omdat veel etnische categorieën klein van omvang zijn. Bij de groepen die wat uitgebreider vertegenwoordigd zijn (meer dan 25 respondenten), valt op dat wapens weinig worden gerapporteerd bij jongeren die zich deels (1 van de 27) of geheel van Turkse afkomst voelen (6 van de 50) en wat meer bij jongeren die zich geheel Marokkaans (7 van de 30), Antilliaans (5 van de 28) of anders Europees (6 van de 29) voelen. Woonplaats Tot slot bekijken we in hoeverre er verschillen bestaan tussen jongeren die in Rotterdam wonen en jongeren die alleen in Rotterdam naar school gaan maar elders wonen. Dit is weergegeven in tabel 4.8. Omdat in de verschillende woonbuurten niet evenveel jongeren van verschillende typen scholen meededen, hebben we een analyse van verschillen tussen gebieden binnen Rotterdam buiten beschouwing gelaten. De steekproef is onvoldoende representatief om daarover betrouwbare uitspraken te doen. Uit tabel 4.8 komt naar voren dat jongeren van buiten Rotterdam iets vaker een wapen in bezit hebben dan jongeren die in de stad wonen.
Jongeren uit Rotterdam zelf dragen wel aanmerkelijk vaker een wapen dan jongeren die elders wonen (bijna twee keer zo vaak), en ook hebben ze duidelijk vaker een wapen gebruikt dan jongeren van buiten Rotterdam (bijna drie keer zo vaak). Het probleem met wapens lijkt dus duidelijk groter binnen de stad dan daar rondom. Tabel 4.8: Woonplaats en betrokkenheid bij wapens onder jongeren Woont in Rotterdam
Woont buiten Rotterdam
Geen wapens
83.4 %
89.1 %
Alleen wapen in bezit
2.5 %
3.9 %
Wapen gedragen, geen gebruik
10.0 %
5.6 %
Wapen gebruikt
4.1 %
1.4 %
n=560
n=359
4.3 Relaties met mogelijk verklarende factoren Om
na
te
gaan
welke
inhoudelijke,
verklarende
factoren
zijn
gerelateerd
aan
wapenbetrokkenheid onder jongeren, biedt deze paragraaf een analyse van de vier hoofdcategorieën die we hebben onderscheiden: jongeren zonder wapens in de periode voorafgaand aan de vragenlijstafname, jongeren die alleen een wapen bezitten, jongeren die een wapen hebben gedragen en jongeren die een wapen hebben gebruikt. We bekijken in 62
hoeverre deze categorieën verschillen met betrekking tot de belangrijkste oorzakelijke domeinen die zijn onderscheiden in hoofdstuk 2: ervaren onveiligheid, opvattingen en houdingen, persoonlijke kenmerken, activiteitenpatronen en risicogedrag, de offline en online omgang met leeftijdsgenoten, thuissituatie en school, buurtomgeving en leefomstandigheden.
Slachtofferschap en onveiligheidsgevoelens Om na te gaan welke verklarende factoren samenhangen met wapens onder jongeren kijken we allereerst naar een onderwerp dat in veel eerder onderzoek direct wordt gelinkt aan wapens: onveiligheidservaringen onder jongeren. Hiervoor hebben we verschillende indicatoren gebruikt in dit onderzoek. We hebben gevraagd of jongeren in de afgelopen vier maanden of in de periode daarvoor verbaal zijn bedreigd met geweld, met een wapen zijn bedreigd, moesten vechten of opzettelijk zijn verwond door een mes of wapen. Die ervaringen hebben we samengenomen in een index voor ‘ooit slachtoffer’ van bedreiging of geweld en ‘in de afgelopen vier maanden slachtoffer’. Daarnaast hebben we vier stellingen voorgelegd over het algemene gevoel van onveiligheid onder jongeren. Deze vormden bij elkaar geen betrouwbare schaal en de vragen daaruit hebben we daarom afzonderlijk bekeken. In tabel 4.9 is weergegeven hoe de vier hoofdcategorieën verschillen in hun gemiddelde scores op de indicatoren voor onveiligheid. We geven de resultaten voor zowel ronde 1 als 2, aangezien dit belangrijke onderwerp in beide ronden is uitgevraagd.
Behalve de gemiddelde scores is ook vermeld wat de minimum- en maximumscore is van de schalen waarmee we de verschillende factoren hebben gemeten (dat is de ‘range’) en het aantal respondenten dat de vragen daarover heeft ingevuld (weergegeven met het symbool ‘n’ van ‘number’). Tabel 4.9: Slachtofferervaringen en wapens onder jongeren (gemiddelde scores) Geen Bezit Dragen Gebruik wapens wapens wapens wapens Slachtoffer ooit (range 0-4) 1e ronde (n=919) 0.5 0.8 1.0 0.9 2e ronde (n=694) 0.2 0.5 0.9 1.7 Slachtoffer 4 maanden (range 0-4) 1e ronde (n=919) 0.2 0.3 0.5 1.1 2e ronde (n=694) 0.2 0.3 0.9 1.5 Uit de tabel komt duidelijk naar voren dat de vier categorieën verschillen wat betreft ervaringen met geweld. De jongeren die nu wapens dragen of gebruiken zijn relatief vaak ooit slachtoffer geweest van geweld, de jongeren zonder wapens hebben gemiddeld de minste slachtofferervaringen, en degenen die alleen een wapen bezitten zitten daar tussenin. Uit de data blijkt ook dat ongeveer 20% van degenen die een wapen heeft gebruikt ooit is verwond door een mes of ander wapen. Bij de twee andere wapencategorieën is dat rond de 10%, van degenen zonder wapen slechts 2.5%.
63
De verschillen met betrekking tot slachtofferervaringen in de afgelopen vier maanden zijn nog opvallender: jongeren zonder wapens en jongeren die alleen een wapen bezitten, hebben dat relatief weinig gehad, jongeren die wapens dragen al meer, en jongeren die een wapen hebben gebruikt nog meer dan jongeren die alleen een wapen dragen. Jongeren die wapens droegen en gebruikten zijn met name vaker verbaal bedreigd met geweld (ongeveer tussen de 30 en 40% van hen); maar een deel van de jongeren die een wapen hebben gebruikt zijn ook recent bedreigd met een wapen (ruim een kwart van hen in de 1e ronde en nog meer in de 2e), of zelfs verwond (een derde in de 2e ronde). In tabel 4.10 is weergegeven hoeveel procent van de ondervraagde jongeren het helemaal eens of een beetje eens was met de vier stellingen over onveiligheid, per categorie en weer voor beide onderzoeksronden. De verschillen tussen de vier categorieën zijn hier minder duidelijk. Een deel van de jongeren voelt zich niet altijd veilig en is bang aangevallen te worden op straat of gaat alleen met anderen over straat. De meerderheid van de jongeren voelt zich wel veilig in de eigen woonbuurt en de meesten voelen zich veilig op school.
Wat het meest opvalt is dat jongeren die wapens hebben gebruikt vaker hoger scoren op de stellingen over onveiligheid, en met name een groter deel van hen voelt zich onveilig op school (al is het nog steeds een klein deel). Tussen de eerste en tweede ronde zijn er wat fluctuaties, dat heeft te maken met de kleine aantallen per categorie en de mogelijkheid om bijvoorbeeld te switchen van ‘beetje eens’ naar ‘neutraal’. Tabel 4.10: Onveiligheidsgevoelens en wapens onder jongeren (% mee eens) Geen Bezit Dragen wapens wapens wapens Als het donker is, ga ik alleen met iemand anders over straat 1e ronde (n=919) 27.8 % 21.5 % 22.4 % e 2 ronde (n=694) 34.4 % 7.7 % 28.6 % In mijn woonbuurt voel ik mij veilig 1e ronde (n=919) 70.7 % 78.5 % 69.7 % e 2 ronde (n=694) 67.7 % 92.3 % 46.7 % In sommige straten ben ik bang aangevallen te worden 1e ronde (n=919) 40.0 % 42.8 % 36.9 % 2e ronde (n=694) 39.0 % 30.8 % 38.1 % Op school ben ik bang dat andere leerlingen mij aanvallen 1e ronde (n=919) 2.2 % 7.1 % 3.9 % e 2 ronde (n=694) 2.2 % 0.0 % 9.5 %
Gebruik wapens
29.6% 40.0 % 57.2 % 67.6 %
39.7 % 50.0 %
10.7 % 21.8 %
In zijn geheel bevestigen de bevindingen het idee dat wapens bij jongeren gerelateerd zijn aan ervaringen van onveiligheid. Jongeren die een wapen dragen of gebruiken voelen zich minder vaak veilig op straat en in de woonbuurt, met name jongeren die een wapen hebben gebruikt, zijn vaker concreet bang aangevallen te worden. Dit sluit aan bij de bevinding dat jongeren die 64
een wapen dragen of gebruiken vaker slachtoffer zijn geweest van geweld, ook recent. De meerderheid van de jongeren voelt zich echter wel veilig, de jongeren die alleen een wapen bezitten zelfs nog iets meer dan jongeren zonder wapens. En er zijn ook jongeren zonder wapens met onveiligheidsgevoelens of slachtofferervaringen. Onveiligheid is dus belangrijk maar kennelijk niet het enige dat van belang is voor wapens onder jongeren. Opvattingen en morele houding Een tweede onderwerp is de samenhang tussen wapens onder jongeren en opvattingen en houdingen die jongeren hebben over wapens, geweld en regelovertreding in het algemeen. Hierbij betrekken we ook de meer algemenere waarden en houdingen van jongeren die passen bij ‘de straat’ en straatcultuur. Daarover legden we in hoofdstuk 2 uit dat we verwachten dat deze een rol kunnen spelen bij wapens onder jongeren. Een deel van deze opvattingen en houdingen is gemeten in de eerste onderzoeksronde, een ander deel in de tweede. In tabel 4.11 zijn de gemiddelde scores weergegeven van een aantal schalen over morele opvattingen voor de verschillende categorieën jongeren. Ook hier staat de ‘range’ weer voor de minimum- en maximscores van een schaal, en n (van ‘number’) is het aantal deelnemers waarvoor gegevens waren over die schaal.
Tabel 4.11: Morele opvattingen en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen wapens wapens wapens Acceptatie van wapens (range 5-25) 2e ronde (n=665) 9.3 9.3 13.4 Acceptatie van geweld (range 3-15) versie 1e ronde (n=899) 7.7 8.2 8.8 Acceptatie van geweld (range 5-25) versie 2e ronde (n=665) 13.1 15.1 16.5 Acceptatie van stelen (range 5-25) 2e ronde (n=675) 8.9 12.4 13.4 Gebondenheid regels (range 4-20) 2e ronde (n=684) 14.0 10.8 11.5
Gebruik wapens 15.6 10.6 17.3 14.3 11.0
Uit de tabel komt allereerst een duidelijk verschil naar voren met betrekking tot het oordeel over de aanvaardbaarheid van het gebruik wapens in bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld als je wordt beledigd of aangevallen). De jongeren zonder wapens, maar ook de jongeren die alleen een wapen bezitten, vinden dit duidelijk minder aanvaardbaar dan jongeren die wapens dragen of hebben gebruikt, die laatste twee groepen scoren gemiddeld duidelijk hoger. We zien dat er ook een verband is met de acceptatie van geweld in het algemeen. Dit ging over het gebruik van geweld in bepaalde omstandigheden, in de eerste ronde waren daarover net iets andere vragen gesteld dan in de tweede. Bij deze schaal scoren de jongeren zonder wapens relatief laag, en met name de jongeren die wapens hebben gebruikt scoren wat hoger.
65
De laatste twee schalen hebben betrekking op regelovertreding in het algemeen (acceptatie van stelen en de mate waarin iemand zich gebonden voelt aan regels en wetten). Hier valt op dat alle categorieën jongeren met wapens verschillen van de groep die geen wapens heeft. De laatste groep vindt stelen minder acceptabel en is meer gebonden aan regels dan alle andere groepen met wapens. In tabel 4.12 is weergegeven wat de gemiddelde scores van de vier categorieën is voor een serie schalen die weergeven in hoeverre jongeren zich verbonden voelen met waarden en houdingen die passen bij ‘straatcultuur’ en het leven van de straat, waaronder het hanteren van de (gewelddadige) ‘code of the street’ (in beide ronden op een iets andere manier bevraagd), en straatwaarden als het belang van autonomie, lef en loyaliteit. Ook is hier gevraagd naar de mate van vertrouwen dat jongeren hebben in de politie. Tabel 4.12: ‘Straat’-houdingen en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen wapens wapens wapens ‘Code of the street’ (range 3-15) versie1e ronde (n=896) 6.6 7.6 7.9 ‘Code of the street’ (range 4-20) versie 2e ronde (n=684) 9.4 10.3 11.8 Straatwaarden algemn. (range 6-30) 2e ronde (n=641) 18.3 19.5 22.0 Vertrouwen in politie (range 5-25) 2e ronde (n=681) 18.9 18.8 17.1
Gebruik wapens 9.2 12.3 21.0 14.1
De ‘code of the street’ blijkt in beide ronden samen te hangen met wapens onder jongeren. Hier zijn de scores van jongeren die wapens droegen en wapens hebben gebruikt hoger dan de andere groepen. In de eerste ronde springen de jongeren die wapens hebben gebruikt eruit met een relatief hoge score, in de tweede ronde hebben ook de jongeren die een wapen hebben gedragen een relatief hoge score. Verder valt op dat zowel de jongeren die wapens dragen als de jongeren die wapens gebruikten ook meer opvattingen hebben die passen bij straatwaarden in het algemeen. Tot slot valt op dat de groep jongeren die wapens heeft gebruikt aanmerkelijk minder vertrouwen hebben in de politie dan de andere groepen. Bij elkaar genomen zien we duidelijke verschillen tussen de vier categorieën met betrekking tot houdingen en opvattingen. Alle drie de groepen met wapens verschillen van de groep zonder wapens door iets meer acceptatie van het overtreden van regels en stelen. Het gebruik van wapens wordt echter niet meer geaccepteerd door jongeren die wapens alleen bezitten. Verder valt op dat met name de groep jongeren die wapens hebben gebruikt, meer tolerant of positief staan ten opzichte van geweld, zowel in het algemeen als binnen de ‘code of the street’ dat de nadruk legt op hard zijn en hard reageren op anderen. De laatste groep heeft ook duidelijk minder vertrouwen in de politie.
66
Persoonlijke kenmerken, activiteitenpatroon en middelengebruik De volgende stappen in de analyse gaan over de persoonlijke kenmerken van jongeren in de verschillende categorieën, hun activiteitenpatronen en eventueel middelengebruik. In tabel 4.13 zijn de gemiddelde scores weergegeven over enkele persoonlijke kenmerken van de deelnemers aan dit onderzoek en hun relatie met wapens. Tabel 4.13: Persoonlijke kenmerken en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen Gebruik wapens wapens wapens wapens Impulsiviteit (range 4-20) 1e ronde (n=911) 11.5 11.9 12.9 14.6 Driftigheid / kort lontje (range 3-15) 1e ronde (n=909) 6.9 7.7 8.0 10.2 Risicogeneigdheid (range 3-15) 1e ronde (n=912) 8.8 10.5 11.0 11.1 Gevoeligheid druk (range 5-25) 1e ronde (n=904) 11.5 11.2 11.9 11.3 Uit de tabel komt ten eerste naar voren dat de jongeren die een wapen hebben gebruikt gemiddeld wat impulsiever en driftiger zijn dan de andere jongeren. Jongeren die een wapen hebben gedragen zijn ook iets impulsiever maar minder dan degenen met gebruik. Wat betreft risicogeneigdheid valt op dat alle drie de groepen met wapens gemiddeld hoger scoren dan de jongeren zonder wapens, tussen de drie categorieën is er hier weinig verschil.
Met betrekking tot de mate waarin jongeren gevoelig zijn voor druk van de groep en van vrienden, blijken er nauwelijks verschillen, en die verschillen zijn ook statistisch niet significant. Jongeren met en zonder wapens zeggen dus over het geheel genomen in gelijke mate zich wat aan te trekken van wat hun vrienden doen of wat de groep van hen verlangt. In tabel 4.14 is een overzicht gegeven van de relatie tussen verschillende maten voor tijdsbesteding en betrokkenheid bij wapens. Uit de tabel komen over het algemeen geen spectaculaire verschillen naar voren, maar wel graduele. Jongeren die wapens hebben gedragen en gebruikt in de voorgaande periode hebben minder tijd besteed aan huiswerk dan jongeren zonder wapens, maar in de eerste ronde wat meer tijd aan sport. In de eerste ronde lijken ze iets meer rond te hangen op straat dan jongeren zonder wapens, maar dat verschil is in de tweede ronde niet duidelijk. Met betrekking tot gamen lijken jongeren die alleen een wapen bezitten te verschillen van de anderen, zij hebben gemiddeld meer tijd besteed hieraan dan de andere categorieën. Ook wat betreft tijd op social media zijn er geen heel duidelijke verschillen te ontdekken, in de eerste ronde doen de jongeren die wapens hebben gebruikt dat iets meer dan de andere groepen maar het verschil is niet groot.
Kennelijk is het activiteitenpatroon van jongeren niet doorslaggevend voor hun betrokkenheid bij wapens.
67
Tabel 4.14: Tijdsbesteding en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen wapens wapens wapens Tijd huiswerk (range 2-10) 1e ronde (n=911) 5.4 4.6 4.5 e 2 ronde (n=689) 5.1 5.3 4.5 Tijd sport (range 2-14) 1e ronde (n=910) 5.1 5.1 5.9 e 2 ronde (n=687) 5.6 5.2 6.9 Tijd rondhangen (range 2-4) 1e ronde (n=917) 6.4 6.6 7.8 e 2 ronde (n=689) 6.7 7.5 7.4 Tijd gamen (range 2-14) 1e ronde (n=918) 6.9 9.2 7.3 e 2 ronde (n=689) 6.3 9.1 6.8 Tijd social media (range 2-10) 1e ronde (n=915) 6.6 6.7 6.4 e 2 ronde (n=691) 6.5 6.3 6.2
Gebruik wapens 4.3 3.9 6.4 4.6 7.4 6.6 7.1 6.6 7.2 4.9
In tabel 4.15 is het middelengebruik weergegeven voor de verschillende categorieën. Uit deze tabel komen opvallende verschillen naar voren. In totaal zien we dat de jongeren die een wapen hebben gebruikt gemiddeld meer soorten middelen hebben gebruikt dan de andere groepen. In de tweede ronde zien we verder dat de jongeren die wapens bezitten en hebben gedragen gemiddeld meer soorten middelen hebben gebruikt dan jongeren zonder wapens, maar nog steeds minder dan de jongeren die een wapen hebben gebruikt. Als we kijken naar de soorten middelen, dan lijkt er een onderscheid tussen alcohol en andere middelen. Ongeveer een even groot deel van de jongeren uit de vier categorieën heeft in de afgelopen vier maanden alcohol gedronken (steeds ongeveer de helft), en ook wat betreft stevig drinken (meer dan vijf glazen op een gelegenheid) zijn de verschillen niet opvallend en ook statistisch niet significant. Bij de verschillende soorten soft- en harddrugs is er wel onderscheid. Bij hasj en wiet zien we dat de jongeren die een wapen hebben gedragen vaker hebben geblowd in de afgelopen vier maanden en jongeren die een wapen hebben gebruikt nog iets vaker. Bij lachgas en helemaal bij andere vormen van drugs springt de laatste categorie eruit: jongeren die een wapen hebben gebruikt in de afgelopen maanden hebben deze middelen aanmerkelijk vaker gebruikt dan de andere drie groepen.
68
Tabel 4.15: Middelengebruik en wapens onder jongeren (gemiddeldes) Geen Bezit Dragen wapens wapens wapens Totaalscore middelen (range 0-5) 1e ronde (n=914) 0.9 1.0 1.2 e 2 ronde (n=691) 1.0 1.5 1.6 Alcohol gedronken 1e ronde (n=917) 43.9 % 46.4 % 53.9 % e 2 ronde (n=691) 49.8 % 69.2 % 61.8 % Alcohol meer dan 5 glazen 1e ronde (n=917) 25,2 % 32.1 % 30.3 % e 2 ronde (n=691) 30.3 % 38.5 % 40.5 % Hasj/wiet geblowd 1e ronde (n=917) 15.3 % 14.3 % 25.0 % e 2 ronde (n=691) 12.6 % 23.1 % 33.3 % Lachgas gebruikt 1e ronde (n=917) 4.6 % 7.1 % 7.9 % e 2 ronde (n=691) 4.9 % 15.4 % 9.5 % Andere drugs gebruikt 1e ronde (n=917) 2.6 % 3.6 % 3.9 % e 2 ronde (n=691) 3.8 % 7.7 % 11.9 %
Gebruik wapens 1.7 2.0 50.0 % 56.0 % 39.3 % 32.0 % 39.3 % 52.0 % 32.1 % 24.0 % 10.7 % 36.0 %
Al met al zien we dat een aantal persoonlijke kenmerken samenhangen met betrokkenheid bij wapens. Het meest duidelijk is dat bij impulsiviteit, het geldt niet voor gevoeligheid voor groepsdruk. Tijdsbesteding lijkt wellicht enigszins verrassend niet zo belangrijk te zijn voor betrokkenheid bij wapens, terwijl middelengebruik wel samenhangt. Daarbij is alcoholgebruik en wiet gerelateerd aan alle vormen van betrokkenheid bij wapens, terwijl lachgas en andere drugs in verhoogde mate te vinden zijn bij jongeren die een wapen hebben gebruikt. Offline en online blootstelling aan wapens, omgeving van leeftijdsgenoten In tabel 4.16 is weergegeven welk percentage van de jongeren in de vier categorieën weleens in aanraking is geweest met wapens via vrienden. Dat kan doordat ze wapens hebben gezien bij vrienden, gehoord van vrienden dat deze met wapens te maken hebben gehad of online op social media gezien of te weten zijn gekomen dat vrienden wapens hadden of droegen. Uit de tabel komt naar voren dat er een duidelijke relatie is tussen de observatie van wapens bij leeftijdsgenoten en de eigen betrokkenheid bij wapens. Jongeren die geen wapens hebben of hebben gedragen zijn maar vrij zelden in aanraking geweest met wapens bij vrienden: minder dan 10% van hen heeft dat gezien of gehoord bij vrienden. Jongeren die wapens bezitten hebben dat iets vaker geobserveerd bij leeftijdsgenoten.