[22bb005817] Bijlage 5 behorende bij 22bb5822 - Zienswijzenrapportage
Tekst van het document
Zienswijzenrapportage bestemmingsplan Schiekadeblok 1 Reclamant 1 Binnen of vlak bij het plangebied liggen enkele waterleidingen van reclamant welke mogelijk risico lopen na vaststelling van het ontwerpplan. Langs een groot gedeelte van het plangebied loopt een 315 mm waterleiding. Het bouwen van hoogbouw in de nabijheid van deze leiding kan schade veroorzaken aan deze leiding. Tevens is in het plangebied ruimte aangewezen voor het realiseren van een permanente luchtbrug. Op deze locatie liggen twee waterleidingen welke recent vernieuwd zijn. 1.1 Verzoek om gesprek Reclamant wil graag in gesprek over verder afstemming over de waterleidingen die nabij het plangebied liggen. Reactie: In een gesprek is toegelicht dat de waterleidingen buiten het plangebied liggen. Het bestemmingsplan maakt geen bebouwing mogelijk op de gronden waar de waterleidingen liggen. In gezamenlijkheid is geconcludeerd dat het bestemmingsplan geen risico vormt voor de waterleidingen van reclamant. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze voor kennisgeving aan te nemen. 2 Reclamant 2 Deze zienswijze heeft betrekking op de thema's externe veiligheid en wonen. 2.1 Verduidelijking verantwoording toename groepsrisico Reclamant stelt dat het van belang is om ook in dit plan te sturen op een maximale inspanning van het bevoegd gezag (de gemeenteraad) om het groepsrisico te beheersen.
Reclamant verzoekt op alle aspecten van de groepsrisicoverantwoording in te gaan, waaronder het afwegen van ruimtelijke alternatieven, mogelijkheden om aan de bron maatregelen te treffen en het optimaliseren van de mogelijkheden voor hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Reclamant merkt op dat het noodzakelijk advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond hierin niet is betrokken. Reclamant verzoekt dit alsnog te doen. Reactie: In de vooroverlegfase van het bestemmingsplan is advies gevraagd aan de VRR. Dit advies is in het bestemmingsplan te vinden als bijlage 2 van de toelichting. De ruimtelijk relevante maatregelen voor zelfredzaamheid zijn in het bestemmingsplan geborgd. Naar aanleiding van deze zienswijze is de verantwoording van de toename van het groepsrisico aangevuld met de door reclamant genoemde aspecten zoals het afwegen van ruimtelijke alternatieven en maatregelen aan de bron. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze gegrond te verklaren en het ontwerpbestemmingsplan als volgt aan te passen: Toelichting: In paragraaf 6.6.3 de volledige tekst te vervangen door onderstaande tekst: De verantwoording van het groepsrisico vindt plaats conform het Beleidskader Groepsrisico Rotterdam. Hierin is opgenomen dat er een 'zware' verantwoording noodzakelijk is bij ontwikkelingen waarbij het groepsrisico groter is dan 1 maal de oriëntatiewaarde.
Het groepsrisico van de huidige situatie is 0,47 maal de oriëntatiewaarde. Als gevolg van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan stijgt het groepsrisico naar 1,33 maal de oriëntatiewaarde. Door het college van burgemeester en wethouders is op 27 september 2011 een expliciet besluit genomen ten aanzien van het groepsrisico van de gehele gebiedsontwikkeling in de omgeving van het station Rotterdam Centraal (destijds het gebied RCD genoemd, niet te verwarren met het plangebied RCD waarvoor in maart 2021 door de gemeenteraad een bestemmingsplan heeft vastgesteld). Het college heeft besloten dat het toekomstige groepsrisico na realisatie van alle bouwlocaties binnen het gebied RCD, waar het Schiekadeblok een onderdeel van is, niet meer mag bedragen dan 5,4 maal de oriënterende waarde, gelet op het belang van de ontwikkelingen en de maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en hulpverlening. In het bestemmingsplan zijn functies waar zeer kwetsbare groepen verblijven, uitgesloten. De zelfredzaamheid van werknemers in het gebied is groot. De zelfredzaamheid van de bewoners van de woontorens is ook groot. Er zullen ook jonge kinderen in de woontorens verblijven maar er mag vanuit worden gegaan dat zij daar onder toezicht van een volwassene zijn.
1
Om de effecten van een incident op het spoor te verkleinen zijn, in overleg met en na advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, extra eisen opgelegd aan de verschillende gebouwen. » In regel 18.1.1 is opgenomen dat kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen 120 meter vanaf het spoor een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem en lekwerende voorzieningen bij raam- en deuropeningen, dan wel een tijdelijke vluchtruimte dienen te hebben. Daarmee wordt de zelfredzaamheid van de mensen die in deze gebouwen verblijven vergroot. »
»
Het kantorencomplex (Gemengd-5) ligt binnen het plasbrandgebied. Aan de regels van deze ontwikkeling is toegevoegd dat het bouwwerk moet voldoen aan de constructieve eisen uit artikel 2.4 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Deze eisen gelden tot 30 meter vanuit het spoor en vanaf het maaiveld tot minimaal 30 meter hoog. Hierbinnen valt onder andere ook dat er minimaal 1 uitgang van het gebouw van het spoor afgekeerd dient te zijn. Deze eisen zorgen ervoor dat in geval van een ongeval op het spoor, waarbij een plasbrand ontstaat, het gebouw zodanig ontworpen is dat iedereen het tijdig en veilig kan ontvluchten. In de bestemming 'Gemengd-1', 'Gemengd-2' en 'Gemengd-5' is opgenomen dat er een uitgang moet zijn die van het spoor af gericht is. Bij een incident op het spoor bevordert dit de zelfredzaamheid van bewoners en werknemers die het gebouw ontvluchten.
In het bestemmingsplan is in de regels en op de verbeelding een gebied aangegeven waar de calamiteitenroute ligt waardoor hulpdiensten het spoor kunnen bereiken. Deze route, die ruimte biedt aan groot materieel, zorgt ervoor dat hulpverlening vanaf het spoor kan plaatsvinden. De Schiestraat is ook bereikbaar voor hulpdiensten en daarmee is de bebouwing op de spoorstrook van twee zijden bereikbaar. Bij de omgevingsvergunning voor de nieuwe gebouwen zal nader worden ingegaan op de bluswatercapaciteit in én buiten de gebouwen en nadere brandveiligheidseisen die aan gebouwen wordt gesteld. In de planvorming is afgewogen dat het toevoegen van nieuwe gebouwen en mensen op deze locatie veel voordelen heeft ook al stijgt het groepsrisico. De stad verdichten op een locatie zo dicht bij goed openbaar vervoer maakt het mogelijk om een kleinere parkeergarage aan te leggen. En minder autogebruik heeft voordelen ten aanzien van luchtkwaliteit en geluidoverlast. Bovendien zijn op deze locatie tal van voorzieningen reeds beschikbaar voor de nieuwe bewoners en werknemers en dat maakt het een hele geschikte plek om te ontwikkelen. Alternatieve locaties voor het toevoegen van 140.000 m2 nieuwe kantoren, voorzieningen en kantoren zijn niet daarom niet onderzocht. In het plan is ervoor gekozen om geen woningen in het plasbrandaandachtsgebied mogelijk te maken.
De bestemde kantoren zijn goed uit te voeren met inachtneming van de verplichte extra brandwerende voorzieningen. Het spoor heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het groepsrisico kan alleen dalen als aan die functie wordt verkleind of anders ingericht. Dit is zo ingrijpend en verstrekkend dat maatregelen aan de bron niet zijn onderzocht. Het bestemmingsplan en het onderzoek naar externe veiligheid zijn besproken in het Dienstbreed externe veiligheidsoverleg (DEVO) en is akkoord bevonden. Hiermee is het groepsrisico van dit bestemmingsplan volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord. Het groepsrisico als gevolg van de ontwikkeling Schiekadeblok en Pompenburg kan stijgen naar 3.2 maal de oriënterende waarde. Ook in deze bestemmingsplannen worden extra maatregelen voorgesteld om de effecten van een ongeval op het spoor te verkleinen. Binnen het plasbrandaandachtsgebied worden constructieve eisen gesteld en binnen de 100% letaliteitscontour worden geen bestemmingen waar zeer kwetsbare groepen verblijven, toegestaan. De VRR is reeds in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming.
2.2 Borgen sociale woningen in planregels In het regionale woningbouwprogramma wordt vermeld dat het project onder meer bestaat uit 95 sociale woningen. In zowel de toelichting als de planregels worden deze sociale woningen echter niet genoemd. Reclamant verzoekt om de realisatie van ten minste 95 sociale woningen te borgen in de planregels. Reactie: Voor het aandeel sociale (huur)woningen gelden de afspraken uit het coalitieakkoord. Die gaan uit van minimaal 20% sociale (huur)woningen. Dit is een gemiddelde voor de hele stad. Dit wordt niet vastgelegd in het bestemmingsplan, want hier wordt op andere manieren op gestuurd, bijvoorbeeld via de Nota van Uitgangspunten en de tenderprocedure. Bovendien is 20% een gemiddelde. In dit geval is gekozen voor een kleiner percentage sociale huurwoningen. Andere locaties lenen zich beter voor sociale woningen, dat heeft o.a. ook een financiële reden. Bij het vaststellen van de Nota van Uitgangspunten is door de gemeenteraad als uitgangspunt genomen dat op deze locatie minimaal 10% sociale huurwoningen worden gerealiseerd
2
met een minimum van 75. Deze randvoorwaarden zullen worden meegenomen in de toekomstige tenderprocedure en zullen tevens privaatrechtelijk worden geborgd. Daarnaast wordt opgemerkt dat in de provinciale Omgevingsverordening geen verplichting is opgenomen voor gemeenten om het aantal sociale woningen te borgen in de planregels. In de artikelsgewijze toelichting op de Omgevingsverordening staat: "De motivering van het bestemmingsplan gaat in op wat voldoende sociale huurwoningen is. [...] De motivering geeft aan hoe wordt voorzien in voldoende passende voorraad voor de doelgroepen van woningcorporaties. Onder passend wordt ook verstaan dat op lokaal niveau wordt bijgedragen aan een evenwichtig gespreide sociale huurvoorraad." Dit impliceert dat door reclamant wordt verwacht dat bij van een bestemmingsplan waarbij meer dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt, in de toelichting in wordt gegaan op dit thema. Tot slot, om woningsegmentering vast te leggen in een bestemmingsplan is een Doelgroepenverordening vereist. Gemeente Rotterdam heeft een Doelgroepenverordening, maar de Rotterdamse Doelgroepenverordening zegt niets over sociale huurwoningen. Daarmee is het niet mogelijk om sociale huurwoningen in het bestemmingsplan te regelen. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren.
Naar aanleiding van deze zienswijze stellen wij u voor om paragraaf 2.3.18 van de toelichting aan te vullen met de volgende tekst: De uitgangspunten met betrekking tot de woningen zijn de volgende: ^ ^
»
Minimaal Ĵ.0% sociale woningen realiseren waarvan minimaal 75 sociale huurwoningen voor een toegelaten instelling; Minimaal 30% van het woonprogramma dient in het middensegment gerealiseerd te worden, conform de vastgestelde uitgangspunten in het Actieplan Middenhuur. Deze woningen moeten een minimaal gemiddelde gebruiksoppervlakte van 50 m2 hebben. Woningen kleiner dan 50 m2 gbo zijn in dit segment alleen toegestaan voor kleine huishoudens in de leeftijd 23-65 jaar en onder de vastgestelde voorwaarden in het Kwaliteitsbeleid woningen - Onderdeel kleine woningen; Het overige woonprogramma dient in het hoger en topsegment gerealiseerd te worden. Deze woningen dienen een minimale gemiddelde gebruiksoppervlakte van 85 m2 te hebben en zijn nooit kleiner dan 40 m2.
3 Reclamant 3 Reclamant is woonachtig in de Weenatoren (aan de overzijde van de Delftsestraat). Het slaapvertrek van de woning van reclamant is aan de zijde Delftsestraat. 3.1 Invloed horeca bestaande woningen Weenatoren Reclamant merkt op dat er naar zijn idee sprake is van uitbreiding van de horeca. Reclamant constateert dat hiervoor maatregelen moeten worden getroffen aan de nieuwe woningen in de vorm van geluidwerende voorzieningen en dat de avond- en nachthoreca extra geïsoleerd moet worden. Reclamant geeft aan overlast te ervaren van de bestaande horeca, met name van de harde muziek van het terras van Biergarten en ook Perron is nog steeds hoorbaar. Reclamant vraagt zich af of er rekening is gehouden met de bestaande woningen. Reactie: Op dit moment geldt er geen bestemmingsplan in het gebied en is dus in theorie overal horeca mogelijk in de zwaarste categorie, behoudens de voorwaarden die gelden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Horeca Gebiedsplan Centrum. Er zijn op dit moment acht horecagelegenheden in het gebied gevestigd. Vier horecagelegenheden mogen 24 uur geopend zijn en vier horecagelegenheden mogen tot 1:00 uu^2:00 uur geopend zijn, waarvan er twee een horecacategorie 2 en twee een horecacategorie 3 vergunning hebben.
De gelegenheden in de gemeentelijke panden worden allemaal tijdelijk geëxploiteerd, op grond van een tijdelijke huurcontracten of gebruiksovereenkomsten. Met dit bestemmingsplan wordt er een fors aantal woningen toegevoegd in het gebied, wat de aanleiding is geweest om te onderzoeken hoeveel horecagelegenheden nog mogelijk zijn/blijven in het gebied. Op grond hiervan is de keuze gemaakt om ruim baan te geven voor daghoreca (tot 23:00 uur). Het aantal horecagelegenheden dat na 23:00 uur geopend mag zijn, neemt af tot vier. De locaties voor avond- en nachthoreca zijn specifiek aangewezen en er is per locatie bepaald hoeveel geluidruimte de horecagelegenheid krijgt én aan welke isolatie-eisen het pand moet voldoen. Bovendien mag er geen versterkte muziek op de terrassen ten gehore worden gebracht. Op die manier wordt voorkomen dat er (grote) overlast is vanwege 3
muziekgeluid bij de omwonenden. Daarnaast is de terrasbezetting gemaximeerd, wat moet voorkomen dat het geluidniveau vanwege stemgeluid onaanvaardbaar wordt. Terrassen moeten te allen tijde om 1:00 uur (zondag t/m donderdagV2:00 uur (vrijdag en zaterdag) sluiten (maar terrassen bij daghorecagelegenheden om 23:00 uur). Dit onderzoek is ook meteen aangegrepen om de geluidbelasting vanwege muziekgeluid én stemgeluid op de terrassen op de bestaande woningen te onderzoeken in de toekomstige situatie. In het akoestisch onderzoek horecageluid (bijlage 4 bij de toelichting van het bestemmingsplan) is te lezen dat er ook rekenpunten op enkele representatieve locaties zijn gelegd op de gevels van de bestaande woningen. Er is een rekenpunt geplaatst op de gevel van de Weenaflat op 10, 20 en 40 meter hoogte en er is een rekenpunt geplaatst op de gevel van Weenatoren op 80 meter hoogte, het gebouw dat reclamant woont. De resultaten van deze berekeningen staan in paragraaf 5.2.6 van het rapport: Ter hoogte van de bestaande woningen aan het Weena wordt een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau berekend van ten hoogste 46,53 en 48 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode (58 dB(A)-etmaalwaarde). Ook deze geluidniveaus worden volledig veroorzaakt door het stemgeluid vanaf de terrassen.
De geluidbelasting ten gevolge van muziekgeluid bedraagt hierbij ten hoogste 27 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. De berekende geluidniveaus tussen de 46 en 53 dB(A) zijn overigens gangbaar voor het heersende geluidniveau in een binnenstedelijke omgeving en zullen daarmee niet leiden tot een (hinderlijke) toename van het geluid, mede omdat het met name stemgeluid betreft Verderop in het rapport in paragraaf 6.1.1 is de conclusie te lezen: Ter hoogte van de gevels van de bestaande woningen bedraagt het berekende invallende geluidniveau 52 tot 54 dB(A)-etmaalwaarde ten gevolge van de afzonderlijke horecagelegenheden. Hiermee wordt de standaard grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer van 50 dB(A) met ten hoogste 4 dB(A) overschreden. Het stemgeluid is maatgevend voor deze overschrijding. Op basis van de huidige staat van de gevel van de bestaande woningen en het invallende geluidspectrum van stemgeluid wordt beoordeeld dat in de woningen zal worden voldaan aan de standaard grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer van 35 dB(A)-etmaalwaarde per inrichting. Er is dus rekening gehouden met de bestaande woningen en vervolgens is aangetoond dat er nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de toekomstige horeca geen onevenredige overlast veroorzaakt bij de bestaande woningen.
Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren 4
Reclamant 4
4.1 Trillingen Reclamant constateert dat voor het aspect trillingen in het akoestisch onderzoek Wet geluidhinder bronnen wordt uitgegaan van toetsing aan de normen uit de Handreiking Industrielawaai. Deze Handreiking geeft echter alleen normen voor vergunningplichtige inrichtingen. Langs het plangebied rijden ook treinen die niet tot een inrichting behoren. Hierop is Richtlijn SBR B van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden aan tabel 2 uit deze Richtlijn. Voor de woningen in het plangebied zal het toetsen aan SBR B in plaats van de Handreiking geen verschil uitmaken omdat de streefwaarden voor de maatgevende periode (de nacht) in beide toetsingskaders gelijk zijn. SBR B geeft echter ook streefwaarden voor andere gebouwfuncties dan woningen. Reclamant verzoekt om in het kader van een goede ruimtelijke ordening te toetsen aan de streefwaarden uit Richtlijn SBR B en niet aan de Handreiking Industrielawaai. Reactie: Reclamant merkt terecht op dat in het akoestisch onderzoek een verkeerde tabel is gebruikt. Het rapport zal conform voorstel van reclamant worden aangepast. Dit heeft geen gevolgen voor de resultaten en/of conclusies van het onderzoek. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze gegrond te verklaren en het akoestisch onderzoek Wet geluidhinder aan te passen zodat wordt verwezen naar de Richtlijn SBR B.
4
4.2 Externe veiligheid In paragraaf 6.6.1 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven dat de brandwerende maatregelen binnen het Plasbrandaandachtsgebied die noodzakelijk zijn op grond van het Bouwbesluit in artikel XX zijn opgenomen. Dit artikel is niet terug te vinden in de planregels. Reclamant verzoekt dit te herstellen. Reactie: Reclamant merkt terecht op dat hier de juiste verwijzing naar de relevante artikelen ontbreekt. Dit gebrek wordt hersteld. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze gegrond te verklaren en het ontwerpbestemmingsplan als volgt aan te passen: Toelichting: In paragraaf 6.6.1 'artikel XX' te vervangen in 'artikelen 2.132 en 2.133'.
4.3 Schaduwwerking op zonnepanelen Reclamant verzoekt om rekening te houden met de mogelijke schaduwwerking op haar zonnepanelen op haar daken en perronoverkappingen. Reactie: De bouw van het nieuwe station Rotterdam Centraal was onderdeel van een integrale ontwikkeling van de hele omgeving van het station. De (her)ontwikkeling van het Schiekadeblok is in het Stedenbouwkundig plan 2007 'Centraal District Rotterdam' aangekondigd als ontwikkeling van 240.000 m2 en er zijn geen hoogtebeperkingen opgelegd voor het oostelijke deel. De uitwerking van deze ontwikkeling in het ontwerpbestemmingsplan Schiekadeblok is veel minder groot, namelijk 'slechts' 140.000 m2 en er is aandacht besteed aan de stedenbouwkundige uitwerking. Hierbij is met name ook aandacht besteed aan en onderzoek gedaan naar de schaduwwerking op de omliggende woningen, met als doel het minimaliseren van de schaduwwerking. Op basis van deze uitkomsten zijn hoogte- en massabeperkingen gesteld en zijn de contouren voor een Schieblocktoren vastgelegd. Er is daarbij geen extra inspanning verricht om de bezonning van het Centraal Station te beperken.
De ontwikkeling zal slechts beperkt effect hebben op de bezonning van het dak van het station omdat de slagschaduw van de hoge Schieblocktoren maar een relatief korte tijd schaduw geeft op het stationsdak, Dat er hoogbouw, met schaduwwerking, zou komen op het Schiekadeblok, was ook al bekend ten tijde van de publicatie van de structuurvisie in 2011. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienwijze ongegrond te verklaren. 4.4 Naamsvermelding Reclamant constateert dat in paragraaf 9.2.4 van de toelichting de namen van medewerker van reclamant zijn opgenomen. Reclamant verzoekt om deze namen te verwijderen. Reactie: De namen van de personen zijn per abuis opgenomen en zullen worden verwijderd. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze gegrond te verklaren en het ontwerpbestemmingsplan als volgt aan te passen: Toelichting: In paragraaf 9.2.4 de namen van de medewerkers van reclamant te verwijderen.
4.5 Belangen spoor geborgd Reclamant verzoekt om aan te tonen dat de stabiliteit, de veilige berijdbaarheid en afwatering van de spoorbaan is geborgd. Reactie: Er wordt bebouwing mogelijk gemaakt in de beschermingszone van het spoor, namelijk binnen 6 meter van de teen van het talud. Om daar te mogen bouwen, is een vergunning op grond van de Spoorwegwet vereist. Op dat moment ligt het op de weg van de ontwikkelaar om aan te tonen dat de stabiliteit, de veilige berijdbaarheid en de afwatering van de spoorbaan geborgd is.
5
Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze gegrond te verklaren en het ontwerpbestemmingsplan als volgt aan te passen: Toelichting: Paragraaf 4.1.2.4 aan te vullen met de volgende tekst: Bebouwing wordt relatief dicht op het spoor(talud) mogelijk gemaakt. Tot 6 meter uit de teen van het talud ligt de beschermingszone. Voor het bouwen in deze zone is een vergunning op grond van de Spoorwegwet vereist. De initiatiefnemer zal dus in gesprek moeten met ProRail. Op deze manier worden de belangen van de spoorbaan gewaarborgd, zoals de stabiliteit, de veilige berijdbaarheid en de afwatering.
5 Reclamant 5 Reclamanten staan in beginsel niet negatief tegenover de voorgestane ontwikkelrichting met nieuwbouw en het daaraan mede ten grondslag gelegen Stedenbouwkundig plan. Met dit bestemmingsplan wordt lange termijnperspectief vastgesteld. Reclamanten zijn daar voorstander van. 5.1 Wetgevingszone - moderniseringsgebied Op de Delftsestraat 17/19 is de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - moderniseringsgebied' opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Hiermee wordt geïmpliceerd dat de panden aan de Delftsestraat (meer specifiek de plint aan de achterzijde) gemoderniseerd moet moeten teneinde een verbeterde uitstraling te realiseren, zoals wordt voorzien in het Stedenbouwkundig plan. Reclamanten geven een opsomming van het wensbeeld van de panden Delftsestraat zoals is opgenomen in het Stedenbouwkundig plan. Reclamanten begrijpen de wens van de gemeente om het Schiekadeblok te realiseren, maar reclamanten verzetten zich tegen de verplichting om het pand op te toppen, de achtergevel aan te passen en/of het pand in het geheel te moderniseren. Reactie: Met behulp van de aanduiding moderniseringsgebied kunnen geen uitgebreide verbeteringen, optoppingen en geen moderniseringen mogelijk gemaakt, echter ze worden niet afgedwongen. De gemeente zal met de eigenaren in overleg treden over de gewenste verbeteringen en de mogelijkheden in relatie tot de herontwikkeling van het gebied.
Voorstel: Wij stellen u voor deze zienwijze ongegrond te verklaren. 5.2 Horeca Reclamanten geven aan dat hun pand het enige pand is zonder planologische mogelijkheid voor horeca. Reclamanten verzoeken het pand in de plint mede te bestemmen voor horeca tot en met horeca 3. Reclamanten geven tevens aan dat het van belang is om de gronden aan de achterzijde als terras in gebruikt te kunnen nemen. Het pand van reclamanten is wel in het onderzoek naar horeca geluid meegenomen. Reactie: In het ontwerpbestemmingsplan is ten onrechte de functie 'horeca 1' (daghoreca) niet mogelijk gemaakt in de plint van het pand van reclamant. Het voorstel is om dit gebrek te herstellen. Aan de achterzijde van het pand van reclamant zijn in het ontwerpbestemmingsplan gronden op het binnenhof bestemd voor een terras. Met het voorstel om de fout te herstellen en horeca 1 aan het pand toe te kennen, is op grond van artikel 11.3, sub d, van de planregels ook (automatisch) een terras planologisch mogelijk bij de horeca op dit adres. Er kan niet tegemoet worden komen aan het verzoek van reclamant om horeca 2 en horeca 3 mogelijk te maken. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor horeca in het plangebied. Hierbij is het uitgangspunt geweest dat het gebied een levendig en cultureel gebied moet blijven, waarbij tegelijkertijd aandacht is voor het woonklimaat van de toekomstige bewoners.
Ook is er aandacht geweest voor de bewoners van bestaande woningen in de nabije omgeving. Er wordt ruim baan geboden aan daghorecagelegenheden met een terras. Daarnaast is er in het ontwerpbestemmingsplan beperkt ruimte geboden voor avond- en nachthoreca. Eén van de uitgangspunten is om in elk geval één nachtgelegenheid te behouden. De keuze is gemaakt dat de locatie van poppodium Annabel behouden moet blijven als nachtlocatie, vanwege de bijdrage van dit poppodium aan het aanbod in de stad. Daarnaast is het van belang dat de bezoekersstromen beheersbaar blijven. Om die reden is in het ontwerpbestemmingsplan gekozen om twee avondhorecagelegenheden te bestemmen. De plinten van de Schieblocktoren en de Perrontoren zijn het meest geschikt bevonden, gelet op de locatie en het feit dat het gaat om nieuwbouw. Hierdoor kan er direct rekening worden gehouden met benodigde isolatie-eisen en is de overlast als gevolg van 6
muziekgeluid beperkt. Daarnaast is er op deze locaties ruimte om een luifel te realiseren. Hierdoor kan het stemgeluid van de terrassen worden gereduceerd. Naar aanleiding van zienswijze 10.1 wordt voorgesteld om nog één extra planologische mogelijkheid toe te voegen voor nachthoreca, namelijk in de kelder van het Schieblock. Voor de onderbouwing daarvan, wordt u verwezen naar de reactie op deze zienswijze. Om de bezoekersstromen en het muziekgeluidniveau in de nachtperiode (na 23:00 uur) beheersbaar te houden is het niet mogelijk om in het pand van reclamant een hogere categorie horeca toe te staan. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. Wel is geconstateerd dat in het ontwerpbestemmingsplan niet goed is geregeld dat horeca 1 is toegestaan op adres Delftsestraat 17/19 en daarom stellen wij u voor om, via een ambtshalve wijziging (A2), het ontwerpbestemmingsplan als volgt te wijzigen: Regels: Artikel 7.1, lid 1, sub a onder 3 als volgt te wijzigen: Oud: horeca 1, ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca'; Nieuw:
horeca 1;
5.3 Woningen op de verdiepingen Reclamanten zijn van mening dat conform de visie op het totale gebied waarin nieuwe woningen gepland zijn, de mogelijkheid moet worden opgenomen om meer nieuwe woningen te realiseren en/of bestaande panden te gebruiken voor wonen. Reclamanten verzoeken om de functie wonen toe te voegen op de verdiepingen. Hiermee kan een bijdrage geleverd worden aan de toenemende vraag naar wonen. Daarbij worden de mogelijkheid voor verhuur verder verruimd. Reactie: Er is een grote behoefte aan de functies die nu grotendeels in de panden aan de Delftsestraat en het Schieblock zijn gevestigd. Het bestemmingsplan richt zich op het behoud en de doorontwikkeling van deze functies. De mogelijkheid voor woningen op deze locaties, beperkt de ruimte aan bedrijvigheid. Een andere reden om hier geen woningen toe te staan, is omdat het naar verwachting niet mogelijk is om in of op de bestaande bebouwing een goed akoestisch woonklimaat te borgen, vanwege de horeca(terrassen) die mogelijk zijn in de directe omgeving. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 5.4 Hotel/short stay Reclamanten verzoeken om de functie hotel/short stay toe te voegen op de verdiepingen. Die mogelijkheid is er volgens reclamanten elders in het gebied ook. Hiermee kan een bijdrage geleverd worden aan de toenemende vraag naar verblijfsrecreatie.
Daarbij worden de mogelijkheid voor verhuur verder verruimd. Reactie: Het Hotelbeleid heeft als doelstelling een goede balans te bereiken tussen economische en toeristische ontwikkeling enerzijds en de leefbaarheid, overlast en druk op de openbare ruimte anderzijds. Die balans wordt bereikt door de groei van de hotelmarkt te reguleren door gecontroleerde groei en spreiding over de stad. In het centrum worden mogelijkheden voor het toevoegen van hotels beperkt behalve in het Business District (waar Schiekadeblok onder valt) en in het Rijnhavenkwartier. In dit ontwerpbestemmingsplan zijn in totaal 180 hotelkamers toegestaan. Reclamanten vragen om de functie hotel/short stay toe te voegen op hun adres. In een bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen waarin mag worden gewoond (woningen) en gebouwen waarin kortdurend kan worden verbleven, zoals een hotel. Dit heeft te maken met de strenge milieu-eisen waaraan een woning moet voldoen om permanent te kunnen wonen. Voor een hotel gelden deze eisen niet. Short stay is in dat licht een onduidelijke term en daarom wordt deze benaming niet gebruikt in bestemmingsplannen. De gemeente kan aan het verzoek van reclamanten tegemoet komen door de functie hotel toe te staan ter plaatse van het pand van reclamanten. Deze locatie sluit fysiek aan bij de bestemming 'Gemengd - 3' waar ook hotels zijn toegestaan.
Een hotel is toegestaan met in achtname dat het totale aantal hotelkamers in het Schiekadeblok gelimiteerd is op 180. Voorstel:
7
Wij stellen u voor deze zienswijze gegrond te verklaren en in de regels van 'Gemengd - 4' de functie hotel toe te voegen in de regels en op de verbeelding ter plaatse van het adres Delftsestraat 17/19, door het ontwerpbestemmingsplan als volgt aan te passen: Regels: Artikel 7.1 sub a aan te vullen met: 11. ondergeschikte hotelfuncties zoals een lobby Artikel 7.1 sub b aan te vullen met: 6. hotel, ter plaatse van de functieaanduiding 'hotel'. Artikel 7.3.4 (nieuw): Er is een hotel toegestaan met dien verstande dat er maximaal 180 kamers zijn toegestaan in het plangebied. Indien in de bestemming Gemengd - 4 een hotel wordt gerealiseerd, wordt dit aantal kamers in mindering gebracht op de mogelijkheid voor het aantal kamers in Gemengd - 1 en Gemengd - 3. Verbeelding: De functieaanduiding 'hotel' (hot) toe te voegen: Oud
Nieuw
aféssa
įsn-tr4:
(sh-tr3) (sh-tr3)
[sba-op3ĵ
[sba-op3]
5.5 Optopping uitbreiding Reclamanten constateren op de voorzijde van het pand de mogelijkheid wordt geboden voor een optopping van twee lagen. Reclamanten verzoeken om deze mogelijkheid ook op te nemen voor de achterzijde. Daarmee ontstaat meer ruimte voor ontwikkeling, welke zou passen binnen de totale gebiedsontwikkeling. Reactie: In de huidige situatie zijn de panden aan de Delftsestraat achterbouwen aanwezig variërend van één of twee bouwlagen. Het ontwerpbestemmingplan biedt de mogelijkheid om deze te verhogen tot 9 meter. Het is niet wenselijk om meer bouwmogelijkheden toe te staan omdat daardoor het zicht wordt weggenomen op de karakteristieke wederopbouwgevels op de bovenliggende verdiepingen van de wederopbouwpanden. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 5.6 Behoefte kantoren Reclamanten vragen zich af of er wel behoefte is aan kantoorpanden op deze locatie en of dit niet leidt tot leegstand. Reclamanten geven aan dat het ook vanuit dit oogpunt voor hen van belang is dat er meer functies en gebruiksmogelijkheden voor hun pand komen. Reactie: Het Schiekadeblok is door zijn centrale ligging nabij een ov-knooppunt een zeer geschikte locatie voor nieuwe kantoren.
Het toevoegen van nieuwe kantoren is afgestemd met de Provincie Zuid Holland en past in de beleidsdoelstellingen zoals vastgelegd in de Nota kantoren en de kantorenkoers voor het centrum. Recent (eerste helft 2022) heeft de gemeente een markttoets laten uitvoeren op de ontwikkelingen in de kantorenmarkt. De conclusie daarvan is dat er in Rotterdam behoefte is aan nieuwe kwaliteitskantoren, waarbij de locatie Schiekadeblok is beoordeeld als zeer geschikt voor kantoren. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren.
8
5.7 Voorkomen overlast bouwwerkzaamheden Reclamanten vragen aandacht voor het voorkomen van overlast als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Reclamanten zijn zich ervan bewust dat bouwwerkzaamheden gepaard met enige overlast, echter een aantal zaken moeten pertinent op orde blijven. Het gaat hierbij om de toegankelijkheid van panden, voldoende gewaarborgde arbeidsklimaat ten aanzien van geluid, stof, geur en uiteraard de veiligheid van eenieder. Met klem wordt verzocht om in overleg met reclamanten te komen tot een werkbaar bouwplan. Reactie: Het is begrijpelijk dat reclamanten aandacht vragen voor het voorkomen van overlast, maar dit wordt niet geregeld in het bestemmingsplan. Deze aspecten worden te zijner tijd bekeken in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning. Om onveilige situaties en hinder te beperken (geluidhinder, trillingshinder en stofhinder) voor de omgeving tijdens het bouwen, is de initiatiefnemer van het bouwproject verplicht om een bouwveiligheidsplan op te stellen. Het bouwveiligheidsplan is onderdeel van de procedure voor de besluitvorming op de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen.
Afhankelijk van de specifieke kenmerken van het bouwproject zal door de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente een bouwveiligheidsplan (in eerste instantie op hoofdlijnen) worden gevraagd als onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. Omdat dit proces continu in ontwikkeling is, in aanloop naar en zelfs nog tijdens de bouwfase, wordt de verdere uitwerking van het bouwveiligheidsplan als voorschrift opgenomen in de omgevingsvergunning activiteit bouwen. Een belangrijk onderdeel hierin is het informeren en betrekken van belanghebbenden. Als toetsingskader voor de veiligheid tijdens de bouw wordt in de gemeente Rotterdam gebruik gemaakt van de landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid (https://www.bwtinfo.nl/dossiers/richtlijn-bouw-ensloopveiligheid). Voor de bereikbaarheid en het beperken van verkeershinder in het gebied zullen in samenspraak met de dienst Stadsbeheer van de gemenente maatregelen worden getroffen voor een goede bouwplaatsinrichting, inclusief de af- en aanvoerroutes voor het bouwverkeer. Dit worden geborgd in de bouwplaatsvergunning (https://www.rotterdam.nl/loket/vergunning-gebruik-weg/). Dit is landelijk gereguleerd in het Bouwbesluit 2012, artikel 8.7 in samenhang met artikel 8.2 en de Landelijke Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid versie 1.2 augustus 2018, paragraaf 6.2.
Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 5.8 Parkeren Reclamanten merken op dat ervoor is gekozen om weinig parkeerplaatsen beschikbaar te stellen in het plan. Door het toevoegen van kantooroppervlakte, voorzien reclamanten een probleem met betrekking tot parkeren voor hun huurders, bezoekers, toeleveranciers en onderhoudsbedrijven. Reclamanten gaan ervanuit dat er in de nieuwe situatie voldoende parkeergelegenheid (waaronder abonnementen op basis van huidige tarieven) beschikbaar blijft voor de huidige gebruikers en huurders. Daarnaast gaan reclamanten ervanuit dat er minimaal drie parkeerplaatsen gereserveerd blijven voor het pand van reclamanten. Reactie: Het klopt dat het aantal openbare parkeerplaatsen afneemt. Hiermee wordt het gemeentelijk beleid gevolgd om parkeren op straat te verminderen. Dit moet leiden tot een hogere kwaliteit van de openbare ruimte en minder verkeer in de binnenstad. Bezoekers worden gestimuleerd gebruik te maken van het OV of de P+R-locaties aan de randen van de stad. Wie er toch voor kiest om door te rijden naar de binnenstad, is in de toekomst steeds meer aangewezen op de parkeerplaatsen in de parkeergarages. In diverse garages is voldoende capaciteit voor het opvangen van straatparkeren.
De bestaande parkeergarages Hofplein 20, Schouwburgplein 2 (onder het Kruisplein), Weena, Q-Park Weena, Plaza en Interparking Stad Rotterdam (Kruiskade) liggen daarbij het meest voor de hand. Niet-bezoekers van reeds aanwezig programma, zoals bedrijven en bewoners, blijven ook in de toekomst in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Dat geldt voor bestaande bedrijven en bewoners. Het nieuwbouwprogramma is hierin zelfvoorzienend, door de nieuw te bouwen parkeergarage. Gebruikers van het nieuwbouwprogramma komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning.
9
Op dit moment geldt er voor huidige bewoners een wachtlijst voor een parkeervergunning. Voor bedrijven geldt er geen wachtlijst. Een vergunning is geldig in de gehele parkeersector. Een vergunning geeft nooit een garantie op een vrije parkeerplaats. Reclamant heeft dus ook op dit moment geen garantie dat de gebruikers van het pand met de parkeervergunning voor de deur kunnen parkeren. Dat blijft onveranderd. De parkeerdruk in alle parkeersectoren wordt gemonitord. Wanneer deze te hoog wordt, wordt het vergunningenplafond in de sector aangepast. Uitgegeven vergunningen blijven behouden, maar nieuwe aanvragers belanden dan sneller op een wachtlijst. Daarnaast kiezen steeds meer bewoners voor het opgeven van een parkeervergunning op straat voor een aantrekkelijk alternatief in de gemeentelijke parkeergarages. Ook dit vermindert de druk op het straatparkeren. De laatste representatieve parkeerdrukmeting (2019) toont aan dat de parkeerdruk in sector 3 waarin het Schiekadeblok ligt - op het drukste moment 74% bedraagt. Dat is op een zaterdagavond. De meting laat zien dat de parkeerdruk in de Delftsestraat nagenoeg 100% is, ook overdag. Omdat het gemeentelijk beleid ten doel heeft om parkeren op straat te verminderen, wordt het acceptabel bevonden dat parkeerders een grotere loopafstand voor lief moeten nemen voor het vinden van een vrije parkeerplaats op straat.
Het is de gemeente niet bekend dat reclamanten, of de gebruikers van het pand van reclamanten, over gereserveerde parkeerplaatsen beschikken voor het pand. Het Schiekadeblok kan worden ontwikkeld zonder de inrichting van de Delftsestraat te wijzigen. Vanuit het gemeentelijk beleid om parkeerplaatsen op straat te verminderen, wordt nog steeds gezocht naar mogelijkheden om in de Delftsestraat parkeerplaatsen op te heffen ten behoeve van zitplekken en groen. Dit gaat in overleg met de bewoners. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 5.9 Geluidsoverlast gebruiksfase Reclamanten stellen dat er sprake zou kunnen zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat, wanneer alle geluid producerende activiteiten cumulatief beschouwd worden. In de onderzoeken wordt alleen gekeken of afzonderlijk kan worden voldaan aan grenswaarden. Reactie: In het Reken- en meetvoorschift geluid 2012 is horeca niet opgenomen als geluidbron. Het is daarom niet duidelijk hoe horecageluid 'opgeteld' moet worden bij de andere bronnen die wel in dit voorschrift staan. Horecageluid kan worden onderzocht - wat ook uitgebreid is gedaan voor dit bestemmingsplan - maar de techniek en wijze van toetsen is heel verschillend.
Aan de hand van beide onderzoeken, naar zowel (spoor)weggeluid en horecageluid is wel een kwalitatieve afweging gemaakt of er voor de toekomstige bewoners in het gebied en de huidige bewoners grenzend aan het gebied, sprake is van een goed akoestisch woonklimaat. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 5.10 Invulling binnenhof Reclamanten merken op dat het binnenhof wordt ingericht als een aan aantrekkelijke ontmoetingsplaats en wordt voorzien van ca 1.000 m2 horecaterrassen. Reclamanten vinden dat relatief weinig, gelet op het aantal potentiële bezoekers. Reclamanten willen in overweging geven om het binnenhof beschikbaar te stellen aan de horecagelegenheden en huurders van aangelegen panden, teneinde meer toezicht te garanderen op het gehele binnenterrein. Dit voorkomt volgens reclamanten overlast en biedt extra ruimte aan de gebruikers van (horeca)panden. Reactie: Het ontwerpbestemmingsplan biedt ruimte voor ca. 2000 m2 horecaterrassen, met een maximale terrasbezetting voor 1000 mensen. Er is dus meer ruimte voor terrassen dan reclamant stelt. De terrassen worden langs de gevels mogelijk gemaakt, omdat het op die manier mogelijk is om het stemgeluid af te schermen door middel van luifels. Het midden van het binnehof zal een invulling krijgen met ruimte voor ontmoeten, zonder dat van een betaald terras gebruik hoeft te worden gemaakt.
Dit vergroot de inclusiviteit van het binnenhof en tevens is er ruimte voor een groene inrichting met bomen. Dit heeft als doel de verblijfskwaliteit verhogen en hittestress tegen te gaan. Hierdoor ontstaat er een goede balans tussen ruimte voor horecaterrassen en ruimte voor groen/ontmoeting. Als er meer ruimte wordt geboden voor terrassen, gaat dat ten koste van de ruimte 10
voor groen en ontmoeting en het betekent tevens dat het stemgeluid van de terrassen zal toenemen. Er is een zorgvuldige afweging gemaakt voor het gebruik van het binnenhof. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 5.11 Overlast in gebruiksfase Reclamanten geven aan niet is uitgesloten dat er in de gebruiksfase sprake zal zijn van een toename van overlast op het vlak van geluid, parkeren en veiligheid. Reclamanten verzoeken om deze aspecten goed te monitoren en waar nodig handhavend op te treden. Reactie: Horeca-inrichtingen zijn gehouden aan de aan hen vergunde activiteiten en zullen daarbij altijd moeten voldoen aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de aanvullende regels die het bestemmingsplan op een aantal locaties stelt. Overlastmeldingen worden serieus genomen en onderzocht. Als het nodig is, zal er handhavend worden opgetreden. Voor wat betreft de vergunde activiteiten en de geldigheid van de vergunning voert Team Drank- en Horeca van de gemeente Rotterdam controles uit. De DCMR is de handhavende instantie op het gebied van geluid-, geur-, en lichtoverlast. Zij kunnen zonder inmenging van gemeente onderzoek doen naar normoverschrijding (Activiteitenbesluit milieubeheer) en (indien nodig) handhavend optreden.
Voor de monitoring, aansturing en uitvoering op de wat langere termijn vindt sturing plaats middels het Horecagebiedsplan. Op deze locatie geldt het Horecagebiedsplan Centrum 2022-2024. Hierin is gebiedsgericht aangegeven of er in de komende periode meer of minder horeca wenselijk is en in welke horecacategorie. Het Horecagebiedsplan wordt elke twee jaar herzien om zo de gewenste ontwikkelrichting te kunnen bijsturen. Participatie vindt plaats via de Wijkraden. In de reactie op zienswijze 5.8 is aangegeven dat het gemeentelijk beleid is om het parkeren op straat te verminderen. Dit kan - tijdelijk - voor overlast zorgen door auto's die een parkeerplek zoeken. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze voor kennisgeving aan te nemen. 6 Reclamant 6 Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar de reactie op de zienswijze van reclamant 7. De zienswijzen zijn identiek. Voorstel: Wij stellen u voor om zienswijze 6 te behandelen als zienswijze 7.1 t/m 7.3. 7 Reclamant 7 Reclamant beschrijft uitgebreid de geschiedenis van de gebiedsontwikkeling en haar verhouding tot de gemeente. De gemeente herkent in deze beschrijving geen afzonderlijke zienswijze en neemt de beschrijving voor kennisgeving aan.
7.1 Strijd met de Vaststellingsovereenkomst Volgens reclamant is het ontwerpbestemmingsplan in strijd met een Derdenbeding en Kettingbeding uit de vaststellingsovereenkomst die in 2015 tussen (onder andere) LSI Project Investment N.V. (hierna: LSI) en de gemeente is gesloten. Reactie De zienswijze heeft betrekking op de gronden tussen de Schiestraat en het spoor die thans de eigendom zijn van Remise010 B.V., hierna de Spoorstrook. Het is juist dat in 2015 tussen (onder andere) de gemeente en LSI een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen waarin onder andere de bepalingen zijn opgenomen zoals beschreven in de zienswijze en die betrekking hebben op de Spoorstrook. Het ontwerpbestemmingsplan is echter niet in strijd met deze bepalingen. Reclamant beschrijft uitgebreid de geschiedenis van de gebiedsontwikkeling en haar verhouding tot de gemeente. De gemeente herkent in deze beschrijving geen afzonderlijke zienswijze en neemt de beschrijving voor kennisgeving aan. Het door reclamant genoemde Kettingbeding verplicht de eigenaar van de Spoorstrook om te overleggen met de gemeente over de eventuele herontwikkeling van de Spoorstrook. Het beding bevat 11
echter geen afdwingbare verplichtingen jegens de gemeente. Het Derdenbeding verplicht de gemeente alleen medewerking te verlenen aan een aanvraag van de eigenaar, niet zijnde reclamant, voor een gebouwde parkeervoorziening op de Spoorstrook, voor zover dit past binnen de publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen van de gemeente. Tot op heden is nooit een aanvraag ingediend door de eigenaar, zodat de gemeente ook niet in strijd handelt met deze bepaling. Los daarvan past een gebouwde parkeervoorziening op deze locatie niet (langer) binnen het gemeentelijk parkeerbeleid en voorziet het ontwerpbestemmingsplan in onder meer de realisatie van 39.000m2 bvo op deze locatie, hetgeen een meer rendabele ontwikkeling is dan de realisatie van een gebouwde parkeervoorziening. Tot slot wijst de gemeente erop dat reclamant geen eigenaar is van de Spoorstrook. Het Derdenbeding ziet alleen op gemeentelijke medewerking aan een aanvraag van de eigenaar. Reclamant maakt onvoldoende inzichtelijk waarom zij rechten kan ontlenen aan dit beding. De enkele verwijzing van reclamant naar een overeenkomst met de huidige eigenaar van de Spoorstrook is hiertoe onvoldoende, al was het maar nu de gemeente die overeenkomst niet kent. Het Derdenbeding vormt dan ook geen beletsel voor de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren.
7.2 Gebrekkige onderzoeken Reclamant stelt zonder nadere onderbouwing dat onvoldoende onderzoek is uitgevoerd naar een groot aantal onderwerpen. Reactie Het ontwerpbestemmingsplan is zorgvuldig voorbereid en de daarvoor noodzakelijke onderzoeken zijn deugdelijk uitgevoerd. Reclamant maakt niet duidelijk op welke onderdelen de onderzoeken niet voldoen. De gemeente verwijst reclamant naar (de toelichting op) het ontwerpbestemmingsplan en de daarbij horende bijlagen. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 7.3 Financiële uitvoerbaarheid Reclamant twijfelt aan de economische en financiële uitvoerbaarheid van het ontwerpbestemmingsplan. In het bijzonder leidt vaststelling van het bestemmingsplan tot aanzienlijke planschade en een schadevergoedingsactie op basis van de vaststellingsovereenkomst. Reactie Het ontwerpbestemmingsplan is economisch en feitelijk uitvoerbaar. Reclamant onderbouwt zijn stelling dat dit anders is niet, behoudens de verwijzing naar een mogelijke planschadeclaim of schadevergoeding wegens niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Voor wat betreft de gestelde planschadeclaim constateert de gemeente dat reclamant geen eigenaar is van eigendommen binnen het plangebied, zodat de gemeente de door haar gestelde planschadeclaim niet kan plaatsen.
Zonder nadere onderbouwing ziet de gemeente ook niet in waarom vaststelling van het bestemmingsplan zou leiden tot een dusdanige planschadeclaim dat daarmee de economische uitvoerbaarheid van het plan in gevaar komt. De taxaties waar reclamant naar verwijst, zijn onderdeel van een lopende prijsbepalingsprocedure op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Die taxaties zijn reeds ter zijde geschoven door de door de rechtbank benoemde onafhankelijke deskundigencommissie die daarbij constateerde dat vaststelling van een nieuw bestemmingsplan niet tot voor vergoeding in aanmerking komende planschade zou leiden. Tot slot is het ontwerpbestemmingsplan niet in strijd met de vaststellingsovereenkomst, zodat vaststelling van het bestemmingsplan ook niet leidt tot een voor vergoeding in aanmerking komende schadeclaim van reclamant. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren.
12
8 Reclamant 8 Reclamant behartigt de gemeenschappelijke belangen van de eigenaars van de appartementen in het flatgebouw Weena. Reclamant vreest dat het ontwerpbestemmingsplan en de realisering van de nieuwe woon- en werktorens gevolgen zal hebben voor de woon- en leef kwaliteit. 8.1 Verkeer - ontsluiting In het verkeersmodel is te zien dat op meerdere plekken de verkeersbewegingen als gevolg van het bestemmingsplan toenemen. Reclamant vreest dat deze extra verkeersbewegingen gevolgen zullen hebben voor de verkeersontsluiting en de verkeersveiligheid. Volgens de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan zal ontsluiting plaatsvinden via het Delftsehof en de Schiestraat. De Schiekade wordt gezien als enige hoofdweg. Reclamant is van menig dat twee ontsluitingswegen onvoldoende zijn om te zorgen voor een goede verkeersontsluiting en vraagt zich dan ook af of voldoende onderzoek is gedaan naar de ontsluiting via andere, dan wel extra, wegen. Reactie: Met behulp van het verkeersmodel is die toekomstige verwachte hoeveelheid verkeer inzichtelijk gemaakt als gevolg van de planontwikkeling en overige ontwikkelingen in de omgeving, waaronder de gebiedsontwikkeling Pompenburg en de bouwplannen rondom het Hofplein.
De toename van verkeer, zoals door reclamanten wordt afgelezen uit het verkeersmodel, wordt dus niet alleen veroorzaakt door de nieuwe ontwikkelingen in het bestemmingsplan Schiekadeblok. Er is in het bestemmingsplan weliswaar een parkeergarage voor ongeveer 230 auto's opgenomen, er worden ook ongeveer 200 parkeerplaatsen verwijderd op straatniveau. Uit het verkeersonderzoek, waarbij ook is nagegaan of de kruispunten het verkeer af kunnen wikkelen, blijkt dat de doorstroming wat afneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Dat is in de spitsperiodes met name het geval op het kruispunt Schiekade-Heer Bokelweg en op de route Pompenburg-Goudsesingel. Tot een onacceptabele situatie leidt het echter niet. Na het realiseren van de nieuwbouw in het Schiekadeblok voldoen de ontsluitingswegen. In bestemmingsplan Rotterdam Central District is de Delftsestraat bestemd als 'Verkeer - Wegverkeer'. De inrichting van de straat of de rijrichting wordt niet in het bestemmingsplan geborgd noch gewijzigd. Ten behoeve van het verminderen van het verkeer op de Poortstraat en het verbeteren van de verbinding tussen de Poortstraat en de Lijnbaan is onderzocht of tweerichtingsverkeer in de Delftsestraat toegevoegde waarde kan hebben. Door het inrijden van de Delftsestraat vanaf Schiekade toe te staan, zouden het Hofplein, Weena en Poortstraat ontlast kunnen worden.
Wanneer er een meerwaarde wordt gezien in tweerichtingsverkeer in de Delftsestraat, wordt op een later moment in dit proces het gesprek opgestart met alle belanghebbenden. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 8.2 Verkeer - verkeersmodel Reclamant meent dat het verkeersmodel niet volledig is. De Delftsestraat wordt bijvoorbeeld helemaal niet meegenomen in het model. Reclamant vreest een toename van verkeer en filevorming bij het stoplicht op de hoek van Schiekade/Hofplein. Reclamant verzoekt om de verkeerssituatie op de Delftsestraat te onderzoeken en mee te nemen in het verkeersplan. Reactie: De Delftsestraat is opgenomen in het verkeersonderzoek, zie bijlage 3 van het Akoestisch onderzoek Wgh (bijlage 4 bij de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan). Het verkeersmodel heeft een vrij hoog abstractieniveau maar geeft een goed overzicht en eerste indicatie van de hoeveelheid verkeer als alle ontwikkelingen in en rondom het gebied Rotterdam Central District zijn afgerond. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat op de Delftsestraat geen maatregelen nodig zijn en het aantal verkeersbewegingen aanvaardbaar is. Voorstel: Wij stellen u voor om deze zienswijze ongegrond te verklaren. 8.3 Verkeer - verkeersveiligheid Reclamant is van mening dat de toename van de verkeersbewegingen zal leiden tot extra druk op de verkeersveiligheid.
Zoals blijkt uit de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan zal de hoeveelheid voertuigen per etmaal op zowel de Poortstraat als de hoek van het Delftseplein/Schiestraat meer dan
13
verdubbelen en in het geval van het Delftseplein/Schiestraat zelfs verdrievoudigen. Het is voor reclamant onduidelijk welke maatregelen uw raad zal treffen om de verkeersveiligheid, ondanks de toename van het aantal voertuigen per etmaal, te waarborgen. Reactie: Zoals in reactie op zienswijze 8.1 ook is beschreven, wordt de toename van verkeersintensiteit niet alleen veroorzaakt door het bestemmingsplan Schiekadeblok. Er is sprake van toename van verkeer vanwege de stedelijke verdichting. Die toename is overigens nog beperkt voor de omvang van het programma dat het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit is het gevolg van het gemeentelijke parkeerbeleid, waarbij wordt ingezet op nieuwe vormen van mobiliteit en het beter gebruiken van OV en fiets. Hiermee wordt voorkomen dat dat het autogebruik verder toeneemt. De toename van verkeer is vooral procentueel gezien groot. Wanneer het gaat om de werkelijke aantallen verkeersritten, past dat nog altijd goed binnen de richtlijnen die het CROW hiervoor landelijk stelt. Deze CROW-richtlijnen zijn gebaseerd op het landelijke beleid Duurzaam Veilig. Er zijn geen extra maatregelen nodig om de verkeersveiligheid te (blijven) waarborgen. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren.
8.4 Geluidhinder door verkeer bestaande woningen Reclamant merkt op dat uit de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan blijkt dat uitsluitend de nieuwe woningen in het akoestisch onderzoek zijn meegenomen. De (toename van) geluidhinder die reclamant en bewoners van andere gebouwen in de nabije omgeving van het plangebied kunnen ervaren, is niet onderzocht. Reclamant vreest dat zij geluidhinder zal ondervinden door de toename van het auto- en vrachtverkeer en eventuele filevorming. De geluidhinder die door reclamant worden ervaren door trams en overig verkeer, zal enkel worden vergroot. Reactie: De gemeente heeft begrip voor de zorg van reclamant. Toename van de verkeersintensiteit leidt alleen niet altijd tot een (waarneembare) toename van wegverkeersgeluid. Naar aanleiding van deze zienswijze is een aanvullend akoestisch onderzoek gedaan, waarbij de toename van de geluidbelasting vanwege wegverkeer op de bestaande woningen is onderzocht. Voor dit onderzoek zijn rekenpunten geplaatst op twee verschillende hoogten (1e woonlaag en 20,5-22,5 meter) op de Weenaflat aan de zijde Schiekade en de zijde Delftsestraat. Daarnaast zijn nog twee rekenpunten geplaatst op de Weenatoren en Weena Center. Met dit onderzoek is een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie (2022) en de het verkeersmodel 2033.
Hieruit blijkt dat de toename van het wegverkeer leidt tot een zeer geringe toename van maximaal 0,65 dB(A) op de bestaande woningen aan de Poortstraat (Weena Center). Ter plaatse van de Weenaflat is juist sprake van een afname van ongeveer 1,5 dB. Het onderzoek is als bijlage bij het raadsvoorstel gevoegd. Er wordt verwezen naar ambtshalve wijziging A4. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 8.5 Geluidhinder door vrachtverkeer bestaande woningen Reclamant vreest dat zij geluidhinder zal ondervinden van het vrachtverkeer dat naar alle waarschijnlijkheid dagelijks, dan wel meerdere keren per week, zal passeren om de horecagelegenheden in het plangebied te bevoorraden. Gezien de ruime mogelijkheden voor horecagelegenheden om zich te vestigen in het plangebied, zal er hierdoor een significante toename van vrachtverkeer en derhalve een significante toename van de geluidshinder ontstaan. Reclamant meent dat in het akoestisch onderzoek daar echter geen enkele aandacht aan is geschonken. Reactie: Het aantal verkeersbewegingen op de Delftsestraat en de Schiestraat is lager dan 900 motorvoertuigen per etmaal. Beide wegen hebben een maximale snelheid van 30 km/u. Uit indicatief onderzoek blijkt dat de geluidbelasting lager of gelijk is aan 53 dB en dat deze wegen niet bij het geluidonderzoek betrokken hoeven te worden.
Zie paragraaf 3.2.2 van het Akoestisch onderzoek Wgh (bijlage 4 bij de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan). Het bevoorraden zal plaatsvinden tijdens venstertijden overdag. Eventuele geluidoverlast van het laden en lossen vindt dus plaats overdag en daarmee is daarmee acceptabel.
14
Voorstel: Wij stellen voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 8.6 Luchtkwaliteit - grenswaarden Reclamant is van mening dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit, met name naar de toename van fijn stof in de lucht door de realisatie van het nieuwe plangebied. In de toelichting bij de planregels is weliswaar in paragraaf 6.5 gerept over de luchtkwaliteit, maar uit deze paragraaf valt niet duidelijk af te leiden in hoeverre het ontwerpbestemmingsplan voldoet aan de regels met betrekking tot de luchtkwaliteit en wat precies de grenswaarden zijn waaraan de planregels moeten voldoen. Reclamant verzoekt om nader onderzoek naar de luchtkwaliteit te doen. Reactie: In paragraaf 6.5 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is beschreven dat de ontwikkeling van het Schiekadeblok valt binnen het project Rotterdam centrum van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Aan de ene kant bestaat het NSL uit projecten die de luchtkwaliteit verslechteren en aan de andere kant bestaat het NSL uit maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en de toename als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen te compenseren. Daarom is nader onderzoek naar luchtkwaliteit niet nodig. De Koersnota Schone lucht 2019 - 2022 beschrijft de maatregelen die in Rotterdam worden toegepast om de luchtkwaliteit te verbeteren.
In het NSL werken overheden sinds 2009 samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het RIVM rapporteert elk jaar over stikstofdioxiden en fijnstof in de lucht. Uit de monitoringsrapportage 2021 blijkt dat de luchtkwaliteit in 2020 verder is verbeterd. Voor het eerst voldoet Nederland voor wegverkeer aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide. Dat komt omdat de concentraties stikstofdioxide bij de verkeerswegen in 2020 in heel Nederland onder deze grenswaarden liggen. In Rotterdam voldoen de wegen ook aan de grenswaarden voor fijnstof. Zie hiervoor ook de Voortgangsrapportage luchtkwaliteit 2019-2020 van de gemeente Rotterdam. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 8.7 Luchtkwaliteit - verbetering Reclamant merkt voorts op dat wordt gespeculeerd over verbetering van de kwaliteit van de stadslucht bij een toename van het gebruik van elektrische auto's. Dit kan slechts worden gezien als een speculatie op een toekomstige gebeurtenis. Derhalve moeten de doelstellingen en maatregelen voor de reductie van fijn stof en een lagere uitstoot van nadelige gassen worden meegenomen in het bestemmingsplan. Feit blijft namelijk dat Rotterdam al járen kampt met een zeer slechte luchtkwaliteit. Reclamant verzoekt om nader onderzoek naar de luchtkwaliteit te doen.
Reactie: In reactie op zienswijze 8.6 is beschreven dat de luchtkwaliteit in Rotterdam voldoet aan de Europese grenswaarden. Jaarlijks verbetert de luchtkwaliteit zoals is op te maken uit "Lucht in cijfers 2021" van de DCMR. In de voorgaande zienswijze is ook uitgelegd waarom nader onderzoek naar de luchtkwaliteit niet nodig is. De luchtkwaliteit verbetert door toename van elektrische auto's en andere maatregelen om de uitstoot bij de bron te verminderen. In het regeringsakkoord is opgenomen dat er in 2030 geen auto's met een verbrandingsmotor meer mogen worden verkocht. Dus er kan worden aangenomen dat in de toekomst het aantal elektrische auto's stijgt. Voorstel: Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 8.8 Stedelijke opwarming Reclamant constateert dat het Schiekadeblok bijdraagt bij aan de bouwdichtheid van hoge en lagere gebouwen en derhalve aan de toename van het aantal bewoners en bezoekers. Hierdoor moet in samenhang met de klimaatsverandering onderzocht worden hoe al te krachtige stedelijke opwarming kan worden voorkomen dan wel verminderd. Het ontwerpbestemmingsplan stipt deze ontwikkeling weliswaar aan, maar de gemeente heeft hier geen verder onderzoek naar laten uitvoeren.
Reclamant stelt zich op het standpunt dat nader onderzoek naar de stedelijke opwarming in deze noodzakelijk is en verzoekt de gemeente dan ook om nader onderzoek uit te voeren dan wel uit te laten voeren. Reactie: