[22bb005812] Bijlage 1 behorende bij 22bb6520 - Ontwerpbestemmingsplan Schiekadeblok
Tekst van het document
Waterveiligheid Het gemeentelijk waterveiligheidsbeleid is geborgd in de beleidsnotitie Waterveiligheid (vastgesteld op 29 mei 2018) Waterveiligheid in de Rotterdamse delta heeft permanente aandacht nodig en zal in de toekomst nog meer aandacht nodig hebben als gevolg van klimaatverandering. Binnen de gemeente dient waterveiligheid op de juiste wijze meegenomen te worden bij de ruimtelijke plannen en bouwontwikkelingen. Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR; wijziging van 27-06-2021) In de VBOR zijn de voorschriften opgenomen voor de aansluiting (niet gemeentelijke) perceeleigenaren op het gemeentelijk riool. Artikel 20 van de VBOR is de Rotterdamse uitwerking van artikel 3.5 van de Waterwet waarin geregeld is dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van neerslagwater dat op hun perceel valt. Gemeente Rotterdam eist via de VBOR dat voor nieuwe situaties, bij verharde oppervlakken groter dan 500 m2, 50 mm regenwaterberging wordt gerealiseerd. Deze 50 mm waterberging moet na een regenbui binnen maximaal 50 uur weer beschikbaar zijn. Neerslaghoeveelheden groter dan 50 mm mogen door de perceeleigenaar aan het gemeentelijk riool of
39
aan de openbare ruimte worden aangeboden. Dus bij een ontwikkeling met meer dan 500 m2 verhardingstoename is 50 mm neerslagbuffering verplicht. Dit Rotterdamse beleid staat los van het waterschapsbeleid voor watercompensatie bij verhardingstoename. Afstemming en combineren van maatregelen is wel gewenst. Watersensitive Rotterdam De beweging Water Sensitive Rotterdam koppelt gebiedsopgaven en projecten aan de water- en klimaatopgaven in de stad. Op deze manier wordt gewerkt aan het realiseren van de ambities uit de Rotterdamse Adaptatiestrategie. Het koppelen is hierbij essentieel. Elke verandering in Rotterdam is een kans om met partijen in de stad actief, de gestelde ambities invulling te geven. Dit betekent onder meer: Samen met initiatiefnemers nagaan op welke wijze wederzijdse toegevoegde waarde gecreëerd kan worden ten aanzien van de water- en klimaatopgaven; Maatregelen nemen in de haarvaten van het watersysteem, om zodoende de robuustheid te vergroten; De zichtbaarheid van water- en klimaatmaatregelen waarderen, om het waterbewustzijn en de aantrekkelijkheid van de stad, te vergroten.
5.2
Waterhuishouding en klimaatbestendigheid
5.2.1
Oppervlaktewater
In het bestemmingsplangebied is geen oppervlaktewater meer aanwezig dat verbonden is met het stedelijke watersysteem. Direct naast het plangebied is onder de Schiekade een lange duiker aanwezig welke, in functioneel opzicht, de met oorlogspuin gedempte Rotterdamse Schie vervangt. Het plangebied ligt in peilgebied GPG-178. Meest nabij gelegen oppervlaktewater in dit peilgebied is de Westersingel. Met behulp van een gemaal wordt het oppervlaktewater van de Westersingel op een vast peil gehandhaafd: het oppervlaktewater wordt direct op de Nieuwe Maas afgevoerd. Bij een te laag peil of bij verversing van het oppervlaktewater, zoals na een overstort, wordt water ingelaten vanuit de Coolhaven en de Delftse Vaart. De locatie Schiekadeblok is vrijwel geheel verhard op een groenstrook langs het spoor na. Door de ontwikkelingen in het gebied zal mogelijk een achter Delftsestraat 25 gelegen onverhard perceel van 210 m2 worden verhard. Dit is minder dan 500 m2 dus er is geen compensatieopgave. Er is door het bestemmingsplan geen nieuw oppervlaktewater voorzien. Als het afkoppelen van hemelwater op de juiste wijze wordt uitgevoerd, hebben de ontwikkelingen geen invloed op het oppervlaktewater in de omgeving. 5.2.2
Grondwater
Voor grondwater liggen er veel peilbuizen in de omgeving van het plangebied. De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied ruim groter dan de vereiste 0,80 meter. In de huidige situatie is er geen sprake van wateroverlast. In de directe omgeving van het plangebied zijn zeer veel ondergrondse objecten aanwezig zoals: dempingen met oorlogspuin, parkeergarages, een spoortunnel, een metrostation en de metrotunnels. Van een ongestoorde grondwaterstroming is in het plangebied geen sprake. Er worden daarom door het plan geen effecten op de huidige grondwaterstand verwacht. 5.2.3
Afval- en hemelwater
Het Schiekadeblok ligt binnen riooldistrict 9 (Centrum). In dit gebied ligt voornamelijk een gemengd rioolstelsel. Dit houdt in dat zowel regenwater als huishoudelijk afvalwater wordt opgevangen en via één rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) wordt afgevoerd. Dit betekent dat vrijwel alle neerslag wordt afgevoerd door rioolgemaal Westersingel naar RWZI Dokhaven. Het Centraal Station heeft een verbeterd gescheiden rioolstelsel waarbij het regenwater afgevoerd wordt naar de Essenburgsingel. In het Functioneel Advies FA0915 (Schieblok e.o.) uit 2017 wordt geadviseerd een aantal zeer oude
40
rioolstrengen te vervangen en het hemelwaterriool te verlengen zodat de noordwesthoek van het plangebied hierop aangesloten kan worden. De rioolvervanging en verlenging moeten nog uitgevoerd worden. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 50 mm. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten wat de waterkwaliteit in de stad ten goede komt en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de RWZI. Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. Voor de ontwikkelingen in het plangebied kan dat bijvoorbeeld door te kiezen voor het laten afstromen van regenwater naar oppervlaktewater in de omgeving. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar. In de bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2 en Gemengd - 5 voor de nieuwbouw is opgenomen hoeveel m3 water op eigen terrein zal moeten worden opgevangen.
Geadviseerd wordt tijdig een overleg te organiseren tussen de ontwikkelende partij, de rioolbeheerder en met het waterschap over de concrete invulling van de bergingseis. Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Groene daken worden niet meegeteld als compensatie voor de verharding. Een deel van de ontwikkelingen betreft functieverandering van bestaande gebouwen. Ook hier is de eerste keus om afval- en hemelwater gescheiden te verwerken. Vanwege de door het plan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkelingen en de daardoor toenemende rioolbelasting moet FA0915 geactualiseerd worden. Aansluitend dient een rioolplan te worden opgesteld. Geadviseerd wordt om hiervoor tijdig een overleg te organiseren tussen de ontwikkelende partij, de waterbeheerder en de rioolbeheerder. 5.2.4
Waterkwaliteit
Vanwege een beperking van de capaciteiten van de riolering, rioolgemalen en de RWZI en om wateroverlast op straat te beperken, liggen er riooloverstorten tussen riolering en oppervlaktewater. Deze treden in werking bij hevige regen, wanneer de aanvoer naar het riool hoog is en de capaciteit te beperkt is. Dit heeft als gevolg dat op die locaties rioolwater, verdund met neerslag, op oppervlaktewater wordt geloosd. Zo ook in het riooldistrict waar het Schiekadeblok in ligt. Door deze overstorten wordt de kwaliteit van het oppervlaktewater negatief beïnvloed. Zowel een toename van de frequentie (met dezelfde vuillast per gebeurtenis) of een toename van de vuillast per gebeurtenis, heeft een negatief effect op de waterkwaliteit. Omdat in het Schiekadeblok geen oppervlaktewater is, hebben de ontwikkelingen geen invloed op de waterkwaliteit in het plangebied. 5.2.5
Waterkeringen en waterveiligheid
In het plangebied zelf liggen geen waterkeringen. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering, die het plangebied beschermt, betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1: 100.000. De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico door overstromingen.
41
5.2.6
Klimaatbestendigheid
Het klimaat verandert. Steeds hevigere buien en langdurige hitte wisselen elkaar af. Dit vraagt om een nieuwe omgang met water en groen in de stad. Voor het Schiekadeblok liggen er kansen om een bijdrage te leveren aan deze opgave. Het plangebied is nu volledig verhard en er is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook in de omgeving van het plangebied is weinig oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt in een gebied met een kwantitatieve wateropgave. Deze opgave tot 2050 voor is circa 24 hectare vergroenen en afkoppelen van de riolering. Deze opgave stijgt naarmate de klimaatscenario's worden aangepast. Het plangebied is zeer gevoelig voor hittestress. Door de ontwikkelingen, het toevoegen van een groot bouwvolume, zal de 's zomerse hittestress toenemen. Met de nieuwe ontwikkeling in het plangebied is er door middel van het groene Delftsehof en de potentie voor het maken van groene daken wordt -zij het beperkt- bij gedragen aan deze opgave. Voordat een inrichtingsplan voor de openbare ruimte wordt gemaakt, wordt een programma van eisen opgesteld. In dit programma van eisen zullen klimaatbestendigheid en hittestress een thema zijn. De watertoets is bijgevoegd in Bijlage 1 Watertoets,
42
Hoofdstuk 6 6.1
M ilieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's bestaat nationale milieuwetgeving. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.2.1
Plangebied
Voor de gebiedstypering wordt gebruik gemaakt van de kaart bij het document Bedrijven en Milieuzonering Rotterdam. Rotterdam Central District, met inbegrip van het Schiekadeblok, is getypeerd als een gemengd woongebied. In een gemengd woongebied, dat gelijk is aan een overgangsgebied, zijn bedrijven mogelijk tot en met categorie 3.1. Categorie bedrijven
indicatieve afstand tussen woningen en bedrijven
indicatieve afstand in een overgangs.gebied
43
2
30 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
4.1
200 meter
100 meter
4.2
300 meter
200 meter
5.1
500 meter
300 meter
In het bestemmingsplan worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. De bedrijvenlijst is opgenomen in bijlage 3 van de regels. In de praktijk kunnen bedrijven tot en met categorie 2 door de beperkte omvang meestal zonder problemen gecombineerd worden met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Een uitzondering hierop vormen de volgende bedrijfsactiviteiten: groothandels in vuurwerk en munitie en de handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Dit zijn ook activiteiten in milieucategorie 2, maar worden vanwege de verkeersaantrekkende werking niet als passend gezien. Daarom zijn deze bedrijven niet toegestaan. In het Schiekadeblok zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die vanwege de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd.
6.3
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder, hierin liggen de normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer. Voor dit plan zijn de wettelijke geluidbronnen wegverkeer en railverkeer relevant. Verder is het geluid van het emplacement inzichtelijk gemaakt. De normen voor horecalawaai zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. In paragraaf worden alle geluidbronnen in en om het Schiekadeblok gezamenlijk beschouwd. 6.3.1
Verkeersmodel
De ontwikkeling van het Schiekadeblok bestaat uit het toevoegen van kantoren, woningen en gemixte functies op de onderste lagen van de nieuwe bebouwing. Deze nieuwe functies genereren verkeersbewegingen door bewoners, werknemers en bezoekers die met de auto het gebied bezoeken en verlaten. Om een goed onderzoek te kunnen doen naar de effecten van het verkeer op de nieuwe woningen, is een verkeersmodel gemaakt. Dit verkeersmodel is gebaseerd op het bestaande verkeer inclusief alle omringende ontwikkelingen. In het verkeersmodel zijn de ontwikkelingen die mogelijk zijn gemaakt in bestemmingsplan Rotterdam Central District opgenomen en de ontwikkelingen waarvan de planvorming op dit moment in uitvoering is: Pompenburg, Rise en Lumière. Op deze manier is in beeld gebracht wat de verkeersbewegingen zijn in de toekomstige situatie als alle ontwikkelingen tot stand zijn gekomen. De toename van verkeer als gevolg van ontwikkeling van het Schiekadeblok is gebaseerd op de toename van nieuwe woningen en kantoren. Dit is een worst case aanname. Omdat het aantal parkeerplaatsen beperkt is, zullen niet alle woningen of werklocaties kunnen beschikken over een parkeerplaats hetgeen een dempend effect heeft op het aantal verkeersbewegingen.
In het Schiekadeblok wordt het parkeren op het maaiveld volledig vervangen door parkeren in een ondergrondse parkeergarage die bereikbaar is via het begin van de Schiestraat. De Schiestraat en het Delftse Hof blijven daardoor autoluw. In de parkeergarage zullen ongeveer 230 parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de bewoners en de werknemers. Als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en de
44
nieuwe parkeergarage stijgt het aantal verkeersbewegingen op de Poortstraat. De Poortstraat is de toevoerweg vanaf het Weena. Op de Poortstraat rijden in 2020 1697 voertuigen per etmaal en dit stijgt naar 3499 voertuigen in 2031. Een deel van de voertuigen rijdt via de Delftsestraat naar de Schiekade maar de bewoners en bezoekers van het Schiekadeblok rijden door naar de Schiestraat waar de ingang van de nieuwe parkeergarage is. Op de hoek Delftseplein/Schiestraat stijgt het aantal verkeersbewegingen van 812 voertuigen in 2020 naar 2540 voertuigen in 2031. Auto's die vertrekken vanaf de Schiestraat verlaten het gebied via Delftseplein - Delftse Poort.
Wegen in en rondom het Schiekadeblok
6.3.2
Wegverkeer
Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek zijn de volgende wegen beschouwd: Weena, Pompenburg, Schiekade, Coolsingel, Hofplein, Poortstraat, Defltseplein, Delftse Poort, Heer Bokelweg, Schiestraat, Delfstestraat, Couwenburg en de Raampoortstraat. Op de gevels van de onderzochte geluidgevoelige gebouwen, de Perrontoren en de Schieblocktoren, is per bouwlaag berekend wat de geluidbelasting is. Er is rekening gehouden met het gegeven dat de onderste bouwlagen geen geluidgevoelige bestemmingen herbergen. De geluidbelastingen vanwege Pompenburg, Coolsingel, Poortstraat, Delftse Poort, Delftsestraat, Couwenburg en Rampoortstraat zijn onderzocht en liggen onder de voorkeurswaarde van 48 dB. De voorkeurswaarde van 48 dB op de Schieblocktoren wordt overschreden vanwege de Schiekade, het Hofplein, het Weena en de Heer Bokelweg, maar de maximaal toegestane waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De voorkeurswaarde wordt bij de Perrontoren niet overschreden. Trams Door het plangebied rijden de tramlijnen 4, 7, 8, 20, 21, 23, 24 en 25.
De tramrails liggen op de Schiekade, het Hofplein, Weena, Pompenburg, de Heer Bokelweg, Delftseplein en de Poortstraat grotendeels in grasbaan, en op de Coolsingel in asfaltbeton. Ter hoogte van de tramhaltes en kruisingen liggen de rails in DAB, beton of straatstenen. 30 km/uur wegen
45
Uit indicatief onderzoek is gebleken dat de geluidbelastingen als gevolg van 30 km/u-wegen met maximale verkeersintensiteiten van 600 mvt/etmaal1 bij klinkers, 900 mvt/etmaal bij klinkers in keperverband en 1400 mvt/etmaal bij asfalt, over het algemeen kleiner dan of gelijk zijn aan 53 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Deze wegen worden niet in het geluidonderzoek betrokken. Relevante 30 km/uur-wegen zijn: het Delftseplein, de Delftsestraat en de Poortstraat. De Schiestraat wordt een 30 km/uur weg. De maximale geluidbelasting op de gevel vanwege de het Deftseplein is 57 dB en vanweg de Schiestraat 56 dB. 6.3.3
Railverkeer
De Perrontoren en de Schieblocktoren liggen vlakbij het Centraal Station en het spoor. Het railverkeerslawaai overschrijdt bij beide woontorens de voorkeurswaade van 55 dB. De maximale geluidbelasting hangt af van de mate van afscherming door de (al dan niet aanwezige) kantoren langs het spoor. Bij de Perrontoren bedraagt de maximale geluidbelasting 60 dB met kantoren langs het spoor en 67 dB zonder kantoren. De maximale toegestane geluidbelasting van 68 dB wordt niet overschreden. Bij de Schieblocktoren is de maximale geluidbelasting 70 dB met kantoren langs het spoor. Bij de berekening zonder kantoren is de maximale geluidbelasting 71 dB. In beide gevallen wordt de maximaal toegestane geluidbelasting (68 dB) overschreden. De overschrijding vindt plaats vanaf de eerste woonlaag op 24 meter hoogte tot ongeveer 57 meter hoogte. Op deze verdiepingen worden wel woningen bestemd maar mogen alleen onder de voorwaarden dat de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel worden bewoond. In de regels is in 5.3.1 Woningen opgenomen dat wonen op deze verdiepingen alleen is toegestaan als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel of als met een akoestisch onderzoek is aangetoond dat er geen overschrijding is van de maximale ontheffingswaarde vanwege spoorweglawaai (68 dB).
Dov e gev els Schieblocktoren
Een deel van de overschrijding zal verdwijnen door de afschermende werking van de nieuwe kantoren op de spoorstrook. Verder is het middels een slim ontwerp van de gevel of indeling van het gebouw mogelijk om toch woningen op deze verdiepingen te maken, dat zal bij het verlenen van de
46
omgevingsvergunning getoetst worden. Vlak bij het Schiekadeblok ligt metrohalte Rotterdam Centraal en de ondergrondse verbinding met metrohalte Stadhuis. Conform de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder hebben deze metrolijnen een geluidszone van 25 meer. Omdat de metro in een tunnel onder de grond langs het Schiekadeblok loopt, wordt de geluidsbelasting door het tunnellichaam afgeschermd. Metrolawaai is daarom niet van belang voor dit bestemmingsplan. 6.3.4
Emplacement
Het Schiekadeblok ligt nabij het emplacement Rotterdam Centraal. Voor het emplacement is een Wabo-vergunning verleend en daarom is het geluid onderzocht en beoordeeld. Voor beide woontorens wordt de maximale afwegingswaarde van 55 dB(A) niet overschreden. 6.3.5
Reflectie
In het plan wordt een groot langgerekt gebouw mogelijk gemaakt langs het spoor. Op deze wand kan het geluid terugkaatsen op de woningen ten noorden van het spoor. De invloed de reflectie van het plan op de omgeving is daarom in dit onderzoek bepaald. Er is berekend dat de maximale geluidbelasting 0,5 dB toeneemt op woningen met een geluidbelasting boven de voorkeurswaarde. Een dergelijke geluidtoename is voor het gehoor niet merkbaar en zal geen effect hebben op de hinderlijkheid van het geluid. 6.3.6
Hogere waarde
Als de voorkeurswaarde overschreden wordt, is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de voorkeurswaarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere waarde vast te stellen. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Met het bestemmingsplan moet een goede leefomgevingskwaliteit voor bewoners worden gerealiseerd. Het ontwerp van het plan moet zodanig zijn dat er sprake is van een minimalisering van het aantal gehinderden. In het proces tot het verlenen van een hogere grenswaarde wordt eerst bezien of bron- of overdrachtsmaatregelen effectief en uitvoerbaar zijn. Op deze centrale locatie in Rotterdam is dat niet het geval. De bebouwing op de spoorstrook heeft een dempend effect maar doordat deze bebouwing veel lager is dan de Schieblocktoren, is het effect maar beperkt. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de Nota van Uitgangspunten die in mei 2020 is vastgesteld door de gemeenteraad. De opgave voor de gebiedsontwikkeling is om een hoog stedelijk, levendig gebied te realiseren. Naast kantoren, een hotel en creatieve bedrijvigheid zijn in dit gebied ook diverse horecagelegenheden en terrassen bestemd.
Om tegemoet te komen aan de woningbouwopgave in Rotterdam zijn in het bestemmingsplan twee woontorens bestemd. De torens bevatten een aantal lagen met niet-geluidgevoelige functies met daarboven woningen. Omdat sprake is van een hoge geluidbelasting zullen de woningen met grote zorg ontworpen moeten worden om prettig te kunnen wonen op deze plek. Het gaat om drie soorten geluid: wegverkeerslawaai van de Schiekade/Weena/Hofplein (oost), spoorlawaai (noord) en horecalawaai op de gevels grenzend aan het plein. Omdat de woningen voornamelijk éénzijdig georienteerd zullen zijn en alle zijden van de gebouwen geluidbelast zijn, is het niet mogelijk om een geluidluwe gevel of buitenruimte voor elke woning te maken. Daarmee voldoet het bestemmingsplan niet aan de criteria uit het Ontheffingsbeleid voor het verkrijgen van een hogere waarde. Hieronder is gemotiveerd dat door specifieke locatiekenmerken van het gebied en aanvullende akoestische maatregelen toch sprake is van een goede leefomgevingskwaliteit. Leefomgevingskwaliteit Het Schiekadeblok is een hoogstedelijke ontwikkeling nabij het centraal station Rotterdam. Het station was één van de Nederlandse sleutelprojecten om duurzame gebiedsontwikkeling te stimuleren. Wonen en werken nabij een OV-knooppunten is een belangrijke kwaliteit en heeft als effect dat er minder verkeersbewegingen zijn.
In het Schiekadeblok is het aantal parkeerplaatsen beperkt en bovendien volledig ondergronds. Hoogstedelijk wonen is voor veel dynamische stadsbewoners een kwaliteit. Het Schiekadeblok wordt een gemengd stedelijk woongebied met horeca en culturele voorzieningen, kantoren en bedrijvigheid. Door woningen te bouwen in hoge dichtheden nabij het spoor, weg en horeca
47
houdt in dat woningen meer overlast zullen hebben van geluid. Daarom worden er maatregelen getroffen om dit te verzachten. In de regels is opgenomen dat elke woning een privébuitenruimte heeft. Ook al is de buitenruimte geluidbelast, een privébuitenruimte vormt een belangrijke toevoeging aan de woonkwaliteit. In de regels is tevens opgenomen dat in/op de Schieblocktoren een collectieve geluidluwe buitenruimte wordt gemaakt van minimaal 450 m2 (artikel 4.2.3) en de Perrontoren een collectieve geluidluwe buitenruimte van 200 m2 (artikel 5.2.3). Bij de uitwerking van de torens na het vaststellen van het bestemmingsplan zijn er nog verschillende mogelijkheden om rekening te houden met de hoge geluidbelasting. Dit kan bijvoorbeeld door een gunstige oriëntatie van de woningen, een gunstige indeling van de toren en/of de woningen of door gebruik te maken van loggia's. Een voorwaarde voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de bouw van beide woontorens is dat de aanvrager aantoont dat in de ontwerpfase rekening is gehouden met het aspect geluid. De aanvrager zal moeten aantonen dat is gestreefd om door middel van een slim ontwerp om te voldoen aan het Rotterdams Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder (artikel 4.4 en 5.4). Het college van burgemeester en wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen.
De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. De hogere waarden die worden aangevraagd zijn voor de situatie zonder spoorstrook. Als de spoorstrook wordt gebouwd dan neemt de geluidbelasting op noordzijde van de Schieblocktoren en de Perrontoren af. locatie
bestemming
bron
wegverkeer
railverkeer
Perrontoren Wonen
spoor (met spoorstrook) spoor (zonder spoorstrook)
-
60 67
Schieblock- Wonen
Schiekade (+tram) Hofplein (+tram) Weena (+tram) Heer Bokelweg (+tram) Spoor (met/zonder spoorstrook)
60 52 50 49 -
68
toren
Het akoestisch onderzoek Wet geluidhinder is opgenomen in Bijlage 3 Akoestisch onderzoek Wgh. 6.3.7
Horeca
6.3.7.1 Uitgangspunten onderzoek Naast onderzoek naar de wettelijke geluidbronnen is er ook onderzoek gedaan naar de invloed van horecagelegenheden op de woningen. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 4 Akoestisch onderzoek horecageluid. Voor horeca-inrichtingen gelden standaard grenswaarden voor de geluidbelasting ter hoogte van de gevels van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving, zoals woningen. Deze normen zijn opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit gaat over muziekgeluid, maar ook over het geluid van installaties, laden en lossen en onder voorwaarden over stemgeluid van terrassen. Het Schiekadeblok wordt ontwikkeld tot een levendig gebied waar horeca en wonen dichtbij elkaar liggen. Vanwege deze mix is onderzocht wat de ruimtelijk impact is van de horeca op de woningen en onder welke omstandigheden horeca kan worden toegestaan. Tegelijkertijd wordt op voorhand gekeken welke isolatie-eisen aan woningen moeten worden gesteld, zodat de binnenwaarde van de woningen gegarandeerd kan worden ondanks de geluidbelasting van de horeca. In de Nota van Uitgangspunten is opgenomen dat in het gebied verschillende vormen van horeca mogelijk moeten zijn inclusief terrassen op het centrale plein.
Tevens is aangegeven dat er minimaal 1 gebouw met een publieke/culturele trekker in de plint bestemd moet worden en dat een club/poppodium van minimaal 1000 m2 zorgvuldig ingepast moet worden. In dit onderzoek naar horeca is één locatie voor horeca t/m horeca 4 (poppodium), twee locaties voor horeca t/m horeca 3 en voor de overige plinten
48
horeca 1, inclusief gevelterrassen als uitgangspunt genomen. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door adviesbureau Peutz. De typen horeca, openingstijden van de horeca en het terras en de situering van de horeca inclusief terras zijn als uitgangspunten door de gemeente aan Peutz gepresenteerd. Peutz heeft op basis van expert judgement aannames gedaan voor het muziekgeluid binnen in de inrichting en het stemgeluid op de terrassen. Tevens is onderzoek gedaan naar het achtergrondgeluid in het plangebied. Dit heeft geresulteerd in de volgende uitgangspunten: Nachthoreca De nachthorecagelegenheid is gesitueerd op de locatie van poppodium Annabel in de kelder en op de begane grond en heeft een 24-uursexploitatie zonder gedefinieerde openingstijden, maar is doorgaans geopend tot minimaal 05.00 uur. De exploitatie op deze locatie bestaat uit een café met terras en een tweetal zalen voor optredens in verschillende muziekgenres. Het terras is hierbij tot uiterlijk 02.00 uur geopend. Voor het (muziek)geluidniveau in de zalen wordt uitgegaan van 103 dB(A), conform het 'Derde convenant preventie gehoorschade versterkte muziek', d.d. 5 december 2018, wat tevens is ondertekend door de vereniging van Nederlandse poppodia en festivals. Voor het spectrum wordt hierbij uitgegaan van een standaard housemuziekspectrum.
Voor het muziekgeluidniveau in het café wordt op basis van ervaring met vergelijkbare projecten uitgegaan van 95 dB(A), met een afname van 2 dB ter hoogte van de gevel van het café. Hierbij wordt uitgegaan van een standaard popmuziekspectrum. Om de (muziek)geluidemissie door een poppodium op deze locatie zoveel als mogelijk te beperken, wordt uitgegaan van zwaar isolatiepakket. In het rapport wordt een voorstel gedaan voor de gevelisolatie van zowel de wandconstructie als de dakconstructie. Deze isolatie heeft tot gevolg dat het invallend muziekgeluidniveau maximaal 36 dB(A) bedraagt op onderste woonlaag van de (geprojecteerde) zuidgevel van Schieblocktoren. Deze voorwaarde is opgenomen in de planregels. Avondhoreca Perrontoren De avondhoreca in de Perrontoren is gesitueerd op de begane grond. De gevel kan tot 9 meter hoog worden. Dit kan één hoge verdieping worden of het wordt opgedeeld in twee verdiepingen van totaal 9 meter hoog. Voor deze instelling is tevens avondhoreca-exploitatie met terras voorzien met openingstijden tot uiterlijk 02.00 uur. In de zaal wordt uitgegaan van een muziekgeluidniveau van circa 95 dB(A), met een afname van 2 dB ter hoogte van de gevel van het café. Hierbij wordt uitgegaan van een standaard popmuziekspectrum. Het behoort ook tot mogelijkheden om horeca in de kelder te exploiteren.
Om de (muziek)geluidemissie door een inrichting op deze locatie zoveel als mogelijk te beperken, wordt uitgegaan van een verplichte gevelwering van een reductie van RApop = 41 dB(A). Deze eis geldt voor de uitstralende gevel. De uitstralende gevel bevindt zich aan de oostzijde van het gebouw (de pleinzijde). Deze voorwaarden zijn opgenomen in de planregels. Avondhoreca Schieblocktoren De avondhoreca in de Schieblocktoren is gesitueerd op de begane grond van de Schieblocktoren waarbij er een café met terras kan worden gerealiseerd. Het café zal tot uiterlijk 02.00 uur zijn geopend. In het café wordt uitgegaan van een muziekgeluidniveau van circa 95 dB(A), met een afname van 2 dB ter hoogte van de gevel van het café. Hierbij wordt uitgegaan van een standaard popmuziekspectrum. Om de (muziek)geluidemissie door een inrichting op deze locatie zoveel als mogelijk te beperken, wordt uitgegaan van een verplichte gevelwering van een reductie van RApop = 41 dB(A). Deze eis geldt voor de uitstralende gevel. De uitstralende gevel bevindt zich aan de westzijde van het gebouw (de pleinzijde). Deze voorwaarden zijn opgenomen in de planregels. Terrassen De terrassen zijn geopend tot uiterlijk 02.00 uur (op vrijdag en zaterdag) voor horeca 2 t/m 4 en tot 23.00 voor horeca 1.
De terrassen liggen aan de rand van het plein voor de gevels van de verschillende horecagelegenheden met een totaal oppervlak van circa 2.000 m2. Voor de terrassen is uitgegaan van een totale terrasbezetting van maximaal 1.050 personen met de volgende verdeling:
49
maximaal 200 personen behorend bij de verschillende daghorecagelegenheden (horeca 1) verspreid over het plein; maximaal 300 personen bij de avondhoreca (horeca 3) in de Schieblocktoren; maximaal 200 personen bij de avondhoreca (horeca 3) in de Perrontoren; circa 300 personen bij de nachthorecagelegenheid (horeca 4); circa 50 personen op de huidige locatie van de horecagelegenheid op het dak van het Schieblock. De maximale terrasbezetting is geborgd in de planregels. Voor het bronvermogen van de personen op het terras wordt uitgegaan van 69 dB(A) per persoon in de dagperiode en in de range van 72 tot 75 dB(A) per persoon in de avond- en nachtperiode met een spreektijd van 50%. Het bronvermogen in de dagperiode is vergelijkbaar met het bronvermogen van personen die spreken met stemverheffing. Het bronvermogen voor de avond- en nachtperiode komt overeen met personen die luid tot zeer luid spreken. Een spreektijd van 50% betekent dat van elke twee personen die aanwezig zijn op het terras er constant één aan het woord is. Het totale bronvermogen van het stemgeluid bedraagt hiermee circa 96 dB(A) in de dagperiode, en circa 99 tot 102 dB(A) in de avond- en nachtperiode, verdeeld over alle terrassen.
Verdeling horeca ov er het Schiekadeblok
Overig Voor de overige uitgangspunten (laden/lossen, technische installaties etc.) wordt verwezen naar het rapport. Goed woon- en leefklimaat
50
Als uitgangspunt voor een goed woon- en leefklimaat is aangehouden dat de gecumuleerde binnenwaarde als gevolg van horecageluid (muziekgeluid en stemgeluid) maximaal 35 dB(A)-etmaalwaarde bedraagt. Dit is een strengere norm dan de norm uit het Activiteitenbesluit die bepaalt dat de binnenwaarde 35 dB(A)-etmaalwaarde is per inrichting. Het invallend stemgeluidniveau vanwege alle terrassen is gemaximeerd op 65 dB(A)-etmaalwaarde. Dit is niet als uitgangspunt genomen in het onderzoek van Peutz, maar het is een norm die is opgelegd naar aanleiding van de resultaten, aangezien de 65 dB(A)-etmaalwaarde wordt overschreden op de gevel van de onderste woonlagen van beide torens vanwege de geprogrammeerde terrasbezetting zonder realisatie van luifels. Er zijn verschillende maatregelen voorgeschreven teneinde deze uitgangspunten te halen. 6.3.7.2 Resultaten Schieblocktoren De gecumuleerde geluidbelasting op de Schieblocktoren ten gevolge van alle horecagelegenheden bedraagt ten hoogste 65-68 dB(A)-etmaalwaarde op de zuidelijke gevel maximaal 66-69 dB(A)-etmaalwaarde op de westelijke gevel. Hierbij is het stemgeluid vanaf de terrassen in de avondperiode maatgevend voor de geluidbelasting. De 3 dB marge heeft te maken met het bronvermogen van de personen op de terrassen (72 of 75 dB(A) per persoon).
De gecumuleerde muziekgeluidbelasting op de gevels van woningen bedraagt ten hoogste 38 dB(A). Er vindt geen overschrijding plaats van de grenswaarden in het Activiteitenbesluit milieubeheer vanwege muziekgeluid. Dit komt doordat er voorwaarden worden gesteld aan de (gevel)isolatie van de horecagelegenheden. 6.3.7.3 Resultaten Perrontoren De maximale gecumuleerde etmaalwaarde op de Perrontoren bedraagt maximaal 65 - 68 dB(A) op de oostelijke gevel. Hierbij is het stemgeluid vanaf de terrassen in de avondperiode maatgevend. De 3 dB marge heeft te maken met het bronvermogen van de personen op de terrassen (72 of 75 dB(A) per persoon). Er kan een reductie van maximaal 3 dB(A) worden bewerkstelligd door een luifel te realiseren boven het terras. Dit bestemmingsplan maakt een luifel mogelijk van 14 meter diep. Er kan eveneens een kleine reductie worden bewerkstelligd door de gevel in twee verdiepingen uit te voeren. De muziekgeluidbelasting op de gevels van woningen bedraagt ten hoogste 40 dB(A). Er vindt geen overschrijding plaats van de grenswaarden in het Activiteitenbesluit milieubeheer vanwege muziekgeluid. Dit komt door dat er voorwaarden worden gesteld aan de (gevel)isolatie van de horecagelegenheid. 6.3.7.4 Maatregelen Als gevolg van de resultaten van het onderzoek, worden verschillende maatregelen voorgeschreven teneinde een goed woon- en leefklimaat te garanderen.
Zo is er voor gekozen om per locatie categorieen horeca vast te leggen in de planregels - inclusief openingstijden-, alsook de positionering van de terrassen voor te schrijven en een maximale terrasbezetting. Tevens is bepaald dat op de terrassen geen muziek ten gehore mag worden gebracht. Er is voor gekozen om terrassen enkel mogelijk te maken aan de randen van het plein, zodat er nog een geluidreductie kan worden bewerkstelligd door het realiseren van luifels. Ook wordt voorgeschreven dat de panden waar horeca in wordt gerealiseerd grondig moeten worden geïsoleerd teneinde de emissie van muziekgeluid terug te dringen. Een andere maatregel is dat het stemgeluidniveau van alle terrassen gezamenlijk is gemaximeerd op 65 dB(A)-etmaalwaarde op de gevels van de woningen. Dit vanwege de constatering dat het stemgeluid van de terrassen maatgevend is voor de geluidbelasting op de gevels van de woningen. Het sluitstuk is de voorgeschreven isolatie voor de gevels van onderste woningen. In de regels wordt een isolatie-eis voorgeschreven voor de woningen in beide torens (artikel 4.2.3 en 5.2.3). De verplichte isolatie is opgenomen in Bijlage 5 Benodigde gevelisolatie woningen.
51
Deze combinatie maakt het mogelijk dat de gecumuleerde geluidbelasting in de woningen de binnenwaarde van 35 dB(A)-etmaalwaarde niet overschrijdt en zelfs een gecumuleerde binnenwaarde van 30 dB(A)-etmaalwaarde kan bewerkstelligen. Een goed woon- en leefklimaat is daarmee gegarandeerd.
6.4
Trillingen
Bij de realisatie van de woningen op locaties nabij het spoor zal aandacht besteed moeten worden aan trillinghinder en contactgeluid. Trillingen ten gevolge van de passages van treinen zijn goed op te vangen door constructieve maatregelen bij de ontvanger. Hoe trillingshinder inzichtelijk gemaakt moet worden en kan worden getoetst, is aangegeven in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. In de regels van de bestemmingen voor nieuwe woningen, is toegevoegd dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen kan alleen worden verleend wanneer er is aangetoond dat wordt voldaan aan de streefwaarden uit de SBR richtlijn deel B met betrekking tot het aspect trillingshinder.
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren
52
beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg met meer van 10.000 motorvoertuigen per etmaal. De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.5.1
Plangebied
Een van de projecten die in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen is het project Rotterdam Centrum. Dit in-betekenende-mate (IBM) project is niet één grote ruimtelijke ontwikkeling, zoals bij de meeste andere NSL-projecten wel het geval is, maar een samenvoeging van alle nieuwbouwprojecten (bestemmingsplannen, bouwplannen) die sinds 2009 in het centrum van Rotterdam zijn gerealiseerd of tot 1-1-2023 (ontwerpplannen) zijn voorzien. Op die datum treedt de Omgevingswet in werking en houdt het NSL op te bestaan. Omdat het verkeer in deze projecten van en naar de nieuwe bebouwing over dezelfde wegen rijdt en deze projecten ongeveer in dezelfde periode worden gerealiseerd is het wettelijk verplicht om deze projecten voor wat betreft luchtkwaliteit als één project te beschouwen. Een bestemmingsplan dat één of meerdere van deze projecten mogelijk maakt mag daarom een beroep op het NSL-project Rotterdam Centrum, voor zover er nog ruimte voor stedenbouwkundige programma's beschikbaar is. Voor NSL projecten geldt dat er niet getoetst wordt aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In onderstaande tabel is de toegekende NSL programmaruimte voor het IBM project Rotterdam Centrum weergegeven en omgerekend naar verkeersbewegingen. Programma
Factor verkeersbewegingen
Aantal verkeersbewegingen per dag
5.000 woningen
3,68 per woning per dag
18.400
315.000 m2 kantoren
1,17 per 100 m2 per dag
3.686
145.000 m2 voorzieningen
8,12 per 100 m2 per dag
11.774
Totaal beschikbaar
33.860
Door de gemeente Rotterdam wordt een boekhouding bijgehouden van de reeds toegekende programmaruimte voor projecten die gerealiseerd zijn sinds 2009 en projecten waarvoor programmaruimte is gereserveerd zoals de ontwikkeling van het Schiekadeblok. De ontwikkeling Schiekadeblok heeft in de Nota van Uitgangspunten een omvang van maximaal 140.000 m2 b.v.o. Ook wordt er bestaand programma gesloopt. In ieder geval 6.000 m2 (4.000 m2 kantoor en 2.000 m2 voorzieningen) ter plaatse van de Perrontoren, en mogelijk 5.500 m2 kantoor ter plaatse van de Schieblocktoren. Omdat van een worst-case benadering wordt uitgegaan is alleen de sloop van de Perrontoren in de NSL-boekhouding opgenomen. De mogelijke sloop ter plaatse van het Schieblock is niet in de boekhouding opgenomen. In de boekhouding van het NSL is voor dit bestemmingsplan een volgend programma opgenomen: Schieblocktoren: 450 woningen, 4.000 m2 kantoren (1.703 verkeersbewegingen per etmaal) Perrontoren: 200 woningen en 5.400 m2 voorzieningen (1.174 verkeersbewegingen per etmaal)
53
Spoorstrook: 38.000 m2 kantoor en 1.000 m2 voorzieningen (526 verkeersbewegingen per etmaal) Ophoging Delftsestraat: 3.500 m2 voorzieningen en 3.500 m2 kantoren (325 verkeersbewegingen per etmaal) De Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang is van toepassing omdat op het Weena meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal rijden aan het einde van de planperiode. Binnen 50 meter van het Weena zijn geen kinderdagverblijven gevestigd en worden ook nergens toegestaan in de regels. De ontwikkeling Schiekadeblok is opgenomen in de boekhouding van het NSL en daarom hoeft er niet te worden getoetst op de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Alle NSL-projecten worden in samenhang bekeken en de effecten worden bestreden door Rotterdamse aanpak Luchtkwaliteit. De omringende ontwikkelingen vallen niet onder het NSL en het effect van deze plannen zullen moeten worden berekend en getoetst aan de Wet luchtkwaliteit. Omdat dat het Schiekadeblok en de omringende plannen uitgaan van een ander toetsingskader zijn de effecten niet in samenhang bekeken. 6.5.2
Conclusie
De ontwikkelingen die het bestemmingsplan Schiekadeblok mogelijk maakt voldoen aan het IBM project Rotterdam Centrum en daarmee aan de Wet luchtkwaliteit. Tevens voldoet het bestemmingsplan aan de Beleidsregel buitenklimaat.
6.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de "Wet Basisnet" worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico (2011).
Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte
54
van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Uitvoeringsovereenkomst tussen het Rijk en de gemeente Rotterdam Uitvoeringsovereenkomst tussen Rijk en Rotterdam Voor de ontwikkelingen in het RCD is een structuurvisie en een milieueffectrapport (MER) gemaakt. Als onderdeel van het MER is een extern veiligheidsonderzoek verricht. Het RCD behoort tot de Nationale Sleutelprojecten (NSP) van het Rijk. Dit zijn grote infrastructurele spoorprojecten in gebieden waar ook grote gebiedsontwikkelingen plaatsvinden. In de Uitvoeringsovereenkomst (UOK) van 31 maart 2006 is tussen het Rijk en Rotterdam een bestuurlijke afspraak gemaakt over de maximale hoogte van het groepsrisico. Afgesproken is dat het groepsrisico voor het RCD gebied niet hoger zal zijn dan 5,4 maal de oriënterende waarde met een inspanningverplichting van 15% reductie. Zie Bijlage 6 Uitvoeringsovereenkomst.
De afspraken uit de bestuursovereenkomst zijn door de Minister van VROM in een brief van 13 augustus 2008 nogmaals bevestigd aan de toenmalige Wethouder Baljeu van Rotterdam. De Minister schrijft in die brief dat de in de UOK afgesproken risicoruimte randvoorwaardelijk zal gelden voor het Basisnet Spoor. Door het Ministerie van I&M is op 3 februari 2011 aan Rotterdam schriftelijk medegedeeld dat indien het Basisnet wettelijk wordt vastgelegd, het groepsrisico valt binnen de afspraken in de UOK. Door het college van B&W is op 27 september 2011 een expliciet besluit genomen ten aanzien van het groepsrisico van de RCD gebiedsontwikkeling. Het college heeft besloten dat het toekomstige groepsrisico na realisatie van de bouwlocaties van RCD niet meer mag bedragen dan 5,2 maal de oriënterende waarde, gelet op het belang van de ontwikkelingen en de maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en hulpverlening. 6.6.1
Onderzoek externe veiligheid
Door het centrum van Rotterdam loopt de spoorverbinding tussen Dordrecht en Gouda. Het station Rotterdam Centraal wordt, behalve voor passagierstreinen, ook gebruikt voor doorgaande goederentreinen, een deel daarvan vervoert gevaarlijke stoffen. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is de externe veiligheidssituatie van het spoorvervoer van gevaarlijke stoffen van belang. Voor de berekeningen voor externe veiligheid is geïnventariseerd hoeveel mensen aanwezig zullen zijn in het studiegebied naast het spoor. Daarbij, zijn naast de ontwikkeling Schiekadeblok, ook de ontwikkelingen in het naastgelegen Rotterdam Central District en Pompenburg meegenomen. Op deze manier zijn de berekeningen gebaseerd op het maximale aantal aanwezigen in de toekomst. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 5 Onderzoek externe veiligheid. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (de maximale PR 10-6contour) is afhankelijk van het transport en daarmee onafhankelijk van de ruimtelijke omgeving en heeft dus in alle situaties van dit onderzoek dezelfde waarde. Het plafond van het plaatsgebonden risico wordt gemeten vanaf het midden van het spoor en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer.
Het PR plafond van dit spoor spoortracés Rotterdam-Lombardijen tot Rotterdam-CS en Rotterdam-CS tot Rotterdam-Blijdorp) bedraagt volgens de Regeling basisnet maximaal 7 meter (gemeten uit het midden van het spoor). Aangezien de spoorbundel in het plangebied breder is dan 7 meter is er in de bestaande situatie geen knelpunt ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten en ook niet ten aanzien van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Groepsrisico De maatgevende kilometer spoorlengte voor het groepsrisico loopt van de noordelijke tunnelmond van de Willemsspoortunnel tot aan de westzijde van het station (Statenweg/Henegouwerlaan). Het groepsrisico wordt nagenoeg volledig bepaald door de populatie binnen de 10-8 contour. Dit wil zeggen dat, in het fictieve geval, er geen populatie binnen 10-8 contour aanwezig zou zijn het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Het groepsrisico in de huidige situatie bedraagt 0,47 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico stijgt naar 1,33 maal de oriëntatiewaarde als gevolg van de
55
ontwikkelingen in het Schiekadeblok. Een doorkijk naar de toekomst waarbij ook nog de ontwikkeling van Pompenburg is meegenomen, laat zien dat het groepsrisico stijgt naar maximaal 3,2 maar de oriëntatiewaarde. Plasbrandaandachtsgebied Naast de risicoberekeningen wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Een deel van het Schiekadeblok, de spoorstrook', ligt binnen het plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is een zone van 30 meter naast het spoor. Om te mogen bouwen binnen deze zone zijn extra brandwerende maatregelen noodzakelijk zijn op grond van het Bouwbesluit. In artikel XX is dit opgenomen Zeer kwetsbare bestemmingen In het "Externe veiligheidsbeleid" (2013) van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) is een onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare objecten. Volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (artikel 1, eerste lid, onderdeel l) worden zowel een groot kantoorgebouw (groter dan 1500 m2) als een kinderdagverblijf als kwetsbare objecten aangemerkt.
Dit terwijl vanuit zelfredzaamheid een wezenlijk verschil bestaat tussen kantoorpersoneel en kinderen in de leeftijd van 0 tot 8 jaar. Om daar een nuance in te maken wordt door de VRR onderscheid gemaakt in de functie die een bestemming heeft. Zo wordt door de VRR een kantoorpand als kwetsbaar aangemerkt en een kinderdagverblijf als "zeer" kwetsbaar. Dit vanwege het verschil in de mate van zelfredzaamheid van de beide gebruikersgroepen. Zelfredzaamheid bij rampen en crises wordt als volgt gedefinieerd: "zelfredzaamheid is het vermogen van burgers om zichzelf en anderen te helpen voor, tijdens en na crises". De geoperationaliseerde definitie is als volgt verwoord: "Preventieve en repressieve handelingen van burgers om zichzelf voor te bereiden op, en zichzelf en anderen in veiligheid te brengen tijdens een fysiek onveilige situatie'. Onder zelfredzame personen worden doorgaans de volgende personen verstaan: - Werkzame personen in en rondom gebouwen (bedrijven, verzorgingstehuizen, inrichtingen, instellingen, scholen (leeftijd van 16 jaar en ouder)) - Scholieren en studenten (leeftijd van 12 jaar en ouder) - Leerlingen regulier basisonderwijs (leeftijd van 8 t/m 12 jaar) - Personen die zich buiten bevinden en zich zonder hulp van derden kunnen redden c.q. uit het effectgebied weg kunnen vluchten.
Onder beperkt/niet-zelfredzame personen kunnen doorgaans de volgende personen worden verstaan: - Kinderen in de leeftijd van 0 tot 8 jaar (KDV/MKD + speciaal en regulier onderwijs). - Leerlingen van speciaal en aangepast basisonderwijs (4 t/m 13 jaar). - Patiënten in (gesloten en/of open) psychiatrische inrichtingen. - Patiënten en bewoners van zieken-, verpleeg- en verzorgingstehuizen; - Minder validen: alle leeftijden (geestelijk en lichamelijk). De VRR hanteert in de externe veiligheidsadvisering in ieder geval de volgende uitgangspunten: - De VRR vindt het niet wenselijk om "zeer" kwetsbare objecten binnen de 100% letaliteitcontour (A-zone) van het worstcase scenario (hitte- en drukeffecten) toe te staan. Personen die beperkt/niet-zelfredzaam zijn kunnen niet op eigen gelegenheid het gebouw en het gebied ontvluchten. Hierdoor is de kans dat deze personen gewond raken of komen te overlijden groter dan personen die wel zelfredzaam zijn. - De VRR vindt het niet wenselijk om (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 100% letaliteitcontour (A-zone) van het meest geloofwaardige scenario (hitte- en drukeffecten) zonder noodzakelijke maatregelen toe te staan.
- De VRR vindt het niet wenselijk om binnen de 100% letaliteitcontour (A-zone) van het worstcase scenario (toxisch) bestemmingen met grote groepen mensen die buiten verblijven te realiseren (sportvelden, recreatie- en evenemententerreinen). Door de ontwikkelsnelheid van het incident is er voor
56
de aanwezige personen een beperkte vluchtmogelijkheid. De 100% letaliteitcontour bepaalt het gebied waar 100% van de aanwezigen kan komen te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. In dit bestemmingsplan ligt de 100% letaliteitcontour op 140 meter van de rand van het spoor. Dit betekent dat voor alle bestaande en nieuwe gebouwen binnen deze zone er geen bestemmingen zijn toegestaan waar personen zijn ondergebracht die beperkt of niet zelfredzaam zijn. In het bestemmingsplan Schiekadeblok worden geen bestemmingen toegestaan waar beperkt/niet-zelfredzame personen verblijven. 6.6.2