[22bb005812] Bijlage 1 behorende bij 22bb5822 - Ontwerpbestemmingsplan Schiekadeblok
Tekst van het document
Schiekadeblok ontwerpbestemmingsplan
Opgesteld door:
datum:
juni 2022
Stadsontwikkeling Bouw- en woningtoezicht Bureau Bestemmingsplannen
Vastgesteld d.d.:
........
Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging en begrenzing
5
1.3
Crisis- en herstelwet
6
Beleid
7
2.1
Rijksbeleid
7
2.2
Provinciaal beleid
7
2.3
Gemeentelijk beleid
9
Beschrijving van het plangebied
19
3.1
Ontstaansgeschiedenis
19
3.2
Archeologie
19
3.3
Monumenten en cultuurhistorie
20
3.4
Huidig gebruik
24
Hoofdstuk 4
Planbeschrijving
26
4.1
Opzet van het plan
26
4.2
Juridische planbeschrijving
32
Water
38
5.1
Beleidskader
38
5.2
Waterhuishouding en klimaatbestendigheid
40
Hoofdstuk 6
Milieu
43
6.1
Inleiding
43
6.2
Milieuzonering
43
6.3
Geluid
44
6.4
Trillingen
52
6.5
Luchtkwaliteit
52
6.6
Externe veiligheid
54
6.7
Bodem
58
6.8
Natuur
59
6.9
Bezonning
64
6.10
Windhinder
68
6.11
Duurzaamheid en energie
70
6.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
70
Handhaving
74
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 7
2
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
75
Hoofdstuk 9
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
76
9.1
Participatie
76
9.2
Vooroverleg
76
Bijlagen
83
Bijlage 1
Watertoets
84
Bijlage 2
Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
117
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek Wgh
122
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek horecageluid
664
Bijlage 5
Onderzoek externe veiligheid
1040
Bijlage 6
Uitvoeringsovereenkomst
1067
Bijlage 7
Voortoets
1095
Bijlage 8
Flora- en faunatoets
1116
Bijlage 9
Bezonningsonderzoek
1144
Bijlage 10
Windonderzoek
1266
Bijlage 11
Bijlage 11 M.e.r-beoordelingsbesluit
1329
Regels
1337
Hoofdstuk 1
INLEIDENDE REGELS
1338
Artikel 1
Begrippen
1338
Artikel 2
wijze van meten
1344
BESTEMMINGSREGELS
1345
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bedrijf - Nutsbedrijf
1345
Artikel 4
Gemengd - 1
1346
Artikel 5
Gemengd - 2
1348
Artikel 6
Gemengd - 3
1351
Artikel 7
Gemengd - 4
1353
Artikel 8
Gemengd - 5
1355
Artikel 9
Verkeer - Parkeergarage
1357
Artikel 10
Verkeer - Spoorverkeer
1358
Artikel 11
Verkeer - Verblijfsgebied
1359
Artikel 12
Verkeer - Wegverkeer
1361
Artikel 13
Waarde - Archeologie
1362
Artikel 14
Waarde - Cultuurhistorie
1364
Hoofdstuk 3
ALGEMENE REGELS
1365
Artikel 15
Anti-dubbeltelregel
1365
Artikel 16
Voorwaardelijke verplichting over parkeren
1366
Artikel 17
Algemene aanduidingsregels
1367
Artikel 18
Algemene bouwregels
1368
3
Artikel 19
Algemene gebruiksregels
1370
Artikel 20
Algemene afwijkingsregels
1371
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
1372
Hoofdstuk 4
Artikel 21
Overgangsrecht
1372
Artikel 22
Slotregel
1373
Bijlagen
1375
Bijlage 1
Beleidskader hoogrisico biologische laboratoria
1376
Bijlage 2
Toelichting lijst bedrijfsactiviteiten categorie 1 en 2
1394
Bijlage 3
Lijst van bedrijfsactiviteiten - Schiekadeblok
1395
Bijlage 4
Dove gevels Schieblocktoren
1399
Bijlage 5
Benodigde gevelisolatie woningen
1430
4
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De basis voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de 'Nota van Uitgangspunten Schiekadeblok' (mei 2020). Hierin staan de ruimtelijke richtlijnen waaraan de nieuwe ontwikkeling moet voldoen. Op basis van de Nota van Uitgangspunten is een stedenbouwkundig plan opgesteld, dat is vertaald in dit bestemmingsplan. Met het bestemmingsplan "Schiekadeblok" wordt een deel van de bestaande structuur en bebouwing in het gebied vastgelegd. Voor het Schiekadeblok is nog niet eerder een bestemmingsplan opgesteld. Het bestemmingsplan faciliteert een gebiedsontwikkeling met de realisatie van nieuwbouw en renovatie en transformatie van bestaande panden. Van de bestaande panden wordt enerzijds precies vastgelegd welke bestemmingen en welk gebruik mogelijk is. Aan de andere kant is de mogelijkheid gegeven om op te hogen en aan te bouwen teneinde de transformatie mogelijk te maken. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van twee nieuwe torens mogelijk. Beide torens zijn bestemd voor wonen, deels voor kantoren en hebben een plint met verschillende functies. Eén toren kan worden gerealiseerd nabij of deels ter plaatse van het Schieblock. De andere toren wordt mogelijk gemaakt aan de zijde van het Delftseplein. De zone naast het spoor wordt bestemd als ontwikkellocatie voor een kantorencomplex.
Onder het binnenhof en de zone naast het spoor ligt een ondergrondse parkeergarage met de ingang aan de westelijke zijde op de Schiestraat. Het binnenhof blijft openbaar gebied met de ambitie om er een levendig en groen plein van te maken waar men elkaar kan ontmoeten. Langs de bebouwing is ruimte voor terrassen en via het plein is de Luchtsingel bereikbaar.
1.2
Ligging en begrenzing
Het Schiekadeblok ligt tussen de Schiekade, de Delftsestraat, het Delftseplein en het spooremplacement. Het bestemmingsplan heeft ter hoogte van de Schiekade een uitstulping in de plangrens om de toekomstige permanente Luchtsingel mogelijk te maken.
5
1.3
Crisis- en herstelwet
In de Crisis- en herstelwet de mogelijkheid opgenomen voor gemeenten om te experimenteren met het zogenoemde ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’. Gemeenten die zich hebben aangemeld voor dit experiment kunnen op basis van artikel 7c Chw (tijdelijk) op onderdelen afwijken van wet- en regelgeving waardoor alvast kan worden geanticipeerd op de mogelijkheden die de Omgevingswet zal gaan bieden. Bestemmingsplan Schiekadeblok is toegevoegd aan het experiment met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. De regeling is in werking getreden op 26 maart 2022. Volgens artikel 6.12 lid 1 Wro moet een exploitatieplan zijn vastgesteld op het moment dat een bestemmingsplan is vastgesteld. Artikel 7c lid 10 Chw maakt het mogelijk om een exploitatieplan vast te stellen nadat een bestemmingsplan is vastgesteld. Dit gebeurt dan op het moment dat er een omgevingsvergunning wordt verstrekt. Alleen voor het gedeelte waar een omgevingsvergunning wordt aangevraagd dient dan een exploitatieplan opgesteld te worden. Het Schiekadeblok is een integrale gebiedsontwikkeling. Er worden kaders geschetst in het bestemmingsplan maar tegelijkertijd wordt er binnen deze kaders zo veel mogelijk ruimte geboden aan de markt. De gemeente heeft ongeveer tweederde van de gronden in het gebied in haar bezit.
Deze gronden zullen te zijner tijd worden verkocht voor de ontwikkeling van nieuwbouw of opnieuw worden ingericht als openbare ruimte. De gebiedsontwikkeling zal gefaseerd tot ontwikkeling komen. Deze aspecten maken dat het op voorhand niet bekend is op welke wijze en wie het gebied gaat ontwikkelen. Bij gebrek aan deze informatie is het vrijwel onmogelijk om nu een gedetailleerd exploitatieplan op te stellen. Veel logischer is het om voor dit bestemmingsplan een globaal kostenverhaal op te stellen en middels bijvoorbeeld een anterieure overeenkomst tot afspraken te komen met partijen. Daarnaast is het Rotterdam Central District aangewezen als lokaal project met nationale betekenis op grond van de Crisis- en herstelwet. Voor dit gebied is een structuurvisie vastgesteld.
6
Hoofdstuk 2
Beleid
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Vastgesteld op 11 september 2020 Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het betreffen opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen en door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de opgaven als volgt ingedeeld: ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; verduurzamen van de economie en behouden van groeipotentieel; sterker en leefbaarder maken van steden en regio's; toekomstbestendig ontwikkelen van landelijk gebied. 2.1.2
Besluit ruimtelijke ordening
In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Woningbouw De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid.
Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (actualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging. De woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, voorzien in een actuele behoefte en liggen binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie en omgevingsverordening
Vastgesteld op 20 januari 2019 door Provinciale Staten van Zuid-Holland, in werking getreden op 1 april 2019
7
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De provincie zet in op een groenblauwe structuur als samenhangend stelsel van verschillende groene ruimtes met land- en waterroutes die stad en land met elkaar verbinden. Opgave daarbij is om de groene kwaliteiten zowel binnen als buiten de stad te versterken en de samenhang tussen stedelijke parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. Zes richtinggevende ambities zijn daarbij relevant: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
klimaatbestendige delta; een nieuwe, circulaire economie; een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing, geen fossiele brandstoffen meer; bereikbare provincie, geen files; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Het omgevingsbeleid krijgt vorm via een opgave gerichte aanpak. Vanuit maatschappelijke opgaven wordt er, samen met belanghebbenden, bepaald welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden toegepast. Op deze wijze wordt er een uitnodigend perspectief geboden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050 maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Uit de Omgevingsverordening zijn voor dit bestemmingsplan de volgende artikelen relevant: Artikel 6.10 stedelijke ontwikkelingen De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking is per 29 juni 2018 gelijk aan de ladder uit het Bro, voor zover het gaat om ontwikkelingen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Voor een toetsing aan de ladder wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.1.2. In dit bestemmingsplan worden de bestaande functies en gebouwen vastgelegd binnen het bestaand stedelijk gebied. Tevens worden enkele grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt zoals twee woontorens, een groot kantorencomplex en het optoppen van de bestaande bebouwing. Parkeerplaatsen zijn ondergronds en de openbare ruimte wordt ingericht om te verblijven en bevat een voetgangersverbinding tussen Pompenburg en Centraal station, de 'Luchtsingel'.
De nieuwe ontwikkelingen, in de vorm van hoogbouw, passen binnen de structuur en de identiteit van het gebied zodat de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft. Voor de ontwikkeling van het Schiekadeblok is de 'Nota van Uitgangspunten Schiekadeblok' vastgesteld door de gemeenteraad op 28 mei 2020 (zie verder paragraaf 2.3.18). Hierin zijn de ambities en randvoorwaarden geformuleerd voor de gebiedsontwikkeling. Artikel 6.11 kantoren Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van kantoren mogelijk in nieuw te bouwen gebouwen. Het Schiekadeblok ligt binnen de grootstedelijke toplocatie voor kantoren en ligt naast treinstation Rotterdam Centraal. In de Nota kantoren Rotterdam (zie 2.3.12) is aangegeven dat het Schiekadeblok onderdeel uitmaakt van het Central Business District. Met de Provincie Zuid-Holland is afgestemd dat in het Schiekadeblok 50.000m2 kantooroppervlakte kan worden toegevoegd. Zie 4.1.3.5 Kantoren voor een nadere uitwerking van het totale nieuw toe te voegen kantoorvloeroppervlak over de verschillende bestemmingen. Artikel 6.13 detailhandel In de gemeentelijke visie 'Detailhandel Rotterdam 2017' (zie 2.3.11) is Rotterdam Central District/Schiekadeblok aangewezen als een gebied waar "winkels een rol hebben, maar niet de boventoon voeren".
Het Schiekadeblok is geen typisch winkelgebied waar de winkelfunctie de boventoon voert maar waar winkels wenselijk zijn, zeker nu het Schiekadeblok wordt uitgebreid met nieuwe
8
kantoren en woningen. Voor de plinten in het Schiekadeblok geldt het concept de Mixone (zie 2.3.16 Mixone Rotterdam Central District). Dit houdt in dat er een mix van functies mogelijk is, waaronder detailhandel. In het bestemmingplan wordt maximaal 2200 m2 detailhandel mogelijk gemaakt voor detailhandelsvestigingen met een maximale oppervlakte van 350 m2, zie 4.1.3.2 Detailhandel. Dit is vastgelegd in de regels van Gemengd - 1, Gemengd - 2 en Gemengd - 5.
2.3
Gemeentelijk beleid
2.3.1 Rotterdamse Omgevingsvisie 'De Veranderstad, Werken aan een wereldstad voor iedereen' Vastgesteld op 2 december 2021 door de gemeenteraad Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en identiteit ondersteunt en versterkt waarbij we Rotterdammers betrekken in het proces van verandering. Dit is essentieel om ervoor te zorgen dat we een aantrekkelijke stad zijn en blijven voor alle Rotterdammers, want samen maken we de stad. Om richting te bepalen bij goede groei gebruiken we ons kompas met de vijf perspectieven: compact, gezond, inclusief, duurzaam en productief. In de omgevingsvisie wordt een aantal gebieden genoemd waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en tegelijkertijd kansen liggen om veel stedelijke doelstellingen te realiseren. De ontwikkeling Schiekadeblok ligt in het gebied 'Binnenstad'. Het bestemmingsplan draagt bij aan de doelstellingen van de Omgevingsvisie door het verdichten van het gebied met woningen en kantoren dicht bij het OV knooppunt Rotterdam Centraal. Vanwege een beperkt aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe ontwikkelingen en een volledig autoluw binnenhof is er weinig ruimte voor de auto.
De cultuurhistorisch waardevolle na-oorlogse panden aan de Delftsestraat en het Schieblock worden behouden en krijgen een ruime bestemming om de huidige bijzondere bedrijvigheid te behouden. Daarnaast wordt het gebied dynamisch en aantrekkelijk om te verblijven door het bestemmen van (nacht)horeca en terrassen. 2.3.2
Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020
Vastgesteld op 15 december 2016 door de gemeenteraad Addendum 'Thuis in Rotterdam' vastgesteld in 2019 door de gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; woonmilieus te versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.
De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken;
9
toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. Dit bestemmingsplan draagt bij aan de doelen uit de Woonvisie door ruimte te bieden voor toevoeging van woningen op een bijzondere locatie. 2.3.3
Nieuw Rotterdams kwaliteitsbeleid wonen
Vastgesteld op 23 juni 2021 door college B&W Het Kwaliteitsbeleid maakt onderdeel uit van de Vuistregels voor het bouwen in de Binnenstad, Stadswijken en Uitbreidingswijken en kleine kernen. Het Schiekadeblok valt binnen het woonmilieu 'Compact centrum op twee oevers & hoogbouwzones'. Voor dit woonmilieu geldt dat appartementen gemiddeld een gebruiksvloeroppervlak van 50 m2 hebben en woningen nooit kleiner zijn dan 40m2. Er wordt een minimaal gemiddelde woninggrootte gehanteerd, om het mogelijk te maken woningen van verschillend formaat te realiseren. Ook kan het voorkomen dat door bijvoorbeeld de vorm van de kavel enkele woningen kleiner of juist groter ontworpen worden. In overleg met de gemeente is het mogelijk af te wijken van de gestelde gebruiksoppervlakte in het Schiekadeblok als de doelgroep studenten, jongeren of ouderen zijn en dat er een extra collectieve functie wordt toegevoegd aan het plan of een extra kwaliteit aan gekozen collectieve functie wordt toegevoegd. 2.3.4
Binnenstad als City Lounge, binnenstadplan 2008-2020
Vastgesteld op 4 december 2008 door de gemeenteraad Vervallen en vervangen door de uitwerking van de omgevingsvisie, zie 2.3.5. De verdere ontwikkeling van de binnenstad staat centraal in het stedelijk beleid van Rotterdam. De verdichting die in de jaren tachtig is ingezet, zet versneld en versterkt door. De kernopgave is: de binnenstad ontwikkelen als een vitale kwaliteitsplek voor ontmoeting, verblijf en vermaak om zodoende een essentiële bijdrage te leveren aan de Rotterdamse Quality of life. Het binnenstadplan geeft een vertaling van 'the City Lounge' voor onder andere Rotterdam Central District. Dit bestemmingsplan draagt door middel van het bestemmen van ontwikkelruimte voor nieuwe kantoren en woningen met een mix aan functies in de plint bij aan de wens om tot een city lounge te komen. 2.3.5 Een groene en vitale binnenstad voor iedereen, uitwerking omgevingsvisie, gebied binnenstad Vastgesteld op 7 december 2021 door college B&W Het beleid met betrekking tot de 'City Lounge' richtte zich voornamelijk op het toevoegen van meer programma met nadrukkelijke aandacht voor de stad op ooghoogte. De focus verschuift in het nieuwe beleid naar een meer gezonde en leefbare binnenstad die (klimaat)adaptief is ingericht. De huidige druk op de ruimte en de stijgende vastgoedprijzen vragen om meer sturing op het gebouwde programma.
Voor de binnenstad gelden de perspectieven uit de omgevingsvisie: compact, gezond, inclusief, duurzaam en productief. Voor de binnenstad zijn zes aanvullende gebiedskeuzes gemaakt die richting geven aan de inspanningen en investeringen van de gemeente en private partijen: 1. Metropolitane binnenstad: global meets local 2. Superdiverse binnenstad 3. Een dynamische binnenstad met ruimte voor rust en luwte 4. Straten voor mensen 5. Groene boulevards en stadspleinen 6. De Nieuwe Maas en haar oevers als centraal rivierpark 2.3.6
Hoogbouwvisie 2019
Vastgesteld op 12 december 2019 door de gemeenteraad In de Hoogbouwvisie 2019 is de hoogbouwzone aangegeven die loopt van het Centraal Station tot aan
10
de Wilhelminapier. Pompenburg en de omgeving Rijnhaven horen er ook bij. Hoogbouw is mogelijk tot 250 meter hoog. Er zijn ook drie andere gebieden waar hoogbouw is toegestaan tot 150 meter: Feyenoord City, Hart van Zuid en de Alexanderknoop. Een gebouw valt onder de noemer 'hoogbouw' als het meer dan 70 meter hoog is. Hoogte De uitnodigende uitstraling van de benedenverdieping is essentieel. De programmering van de Rotterdamse laag moet een bijdrage leveren aan de stedelijke dynamiek en de continuïteit van het stadsbeeld. Denk hierbij aan lobby's voor kantoren, entrees voor woningen, commerciële en maatschappelijke functies. De hoogte van de Rotterdamse laag verschilt per plek in de stad. Aan de Delftsestraat is de bestaande hoogte, de Rotterdamse laag, ongeveer 19 meter en ter plaatse van het Schieblock is dit 24 meter. Door de Rotterdamse laag onderdeel te maken van het gebouw, is er een goede aansluiting op de aangrenzende gebouwen en stimuleert dit de continuïteit van wanden, straten en pleinen. De omvang van de bovenbouw wordt door twee invalshoeken bepaald: een percentage voor de maximale oppervlakte van hoogbouw en een absolute maat, gebaseerd op het programma (wonen of kantoren). Naar boven toe zal de hoeveelheid oppervlakte afnemen.
Door beperkingen op te leggen aan hoogbouw, gerelateerd aan de maximale omvang van de bouwkavel, is er meer ruimte in de onderbouw om de utilitaire zaken een goede plek te geven in het gebouw. Hierdoor is er meer ruimte om de ambitie van de stad op ooghoogte goed vorm te geven. Boven de Rotterdamse laag (onderbouw grofweg tussen 15 tot 30 meter) mag maximaal 50 procent van de totale onderbouw als toren bebouwd worden. Boven de Rotterdamse laag mag de diagonaal van de toren niet groter zijn dan 56 meter. Door een diagonaal te gebruiken, wordt gestimuleerd dat er daadwerkelijk torens worden gemaakt in plaats van andere gebouwvormen. Bij gebouwen tussen de 70 en 150 meter heeft de toren vanaf 70 meter een diagonaal van 42 meter. Boven de Rotterdamse laag (onderbouw) mag maximaal 50% van de totale onderbouw als toren bebouwd worden. De De Perrontoren is maximaal 70 meter hoog en bebouwing onder de 70 meter hoogte wordt in de Hoogbouwvisie niet als hoogbouw beschouwd. De Perrontoren hoeft daarom niet getoetst te worden aan de voorwaarden uit de Hoogbouwvisie. De Schieblocktoren wordt maximaal 200 meter hoog. Alle varianten van de Schieblocktoren voldoen aan de eis dat maximaal 50% van de onderbouw bebouwd mag worden en de diagonaal is niet groter dan 56 meter.
Wind Om ervoor te zorgen dat het windklimaat binnen de grenzen blijft, zijn aan de voorkant van het ontwerpproces oriënterende windonderzoeken verplicht. Deze metingen worden op basis van volumestudies gedaan en geven een eerste beeld waar zich mogelijke knelpunten bevinden. Vorm, materiaal en hoogte kunnen op deze manier in een vroegtijdig stadium onderzocht worden en de uitkomsten kunnen worden meegenomen in het ontwerpproces. In paragraaf 6.10 Windhinder is het globale onderzoek naar het windklimaat beschreven. In een latere fase wordt op basis van het definitief ontwerp voor de (her)ontwikkeling van een locatie opnieuw een windonderzoek gedaan. Beoordeling van het windklimaat vindt plaats volgens NEN 8100. Bezonning openbare ruimte De Hoogbouwvisie heeft nadere regels gesteld met betrekking tot de bezonning van de openbare ruimte. Bij het toevoegen van hoogbouw moet een goed woon- en leefklimaat aanwezig blijven. Per plek kan de invloed van extra schaduw door de hoogbouw anders beoordeeld worden. Om onderscheid te maken in de eisen die worden gesteld aan plekken in de stad en hoeveel vermindering er mag optreden in zonuren, zijn twee typen ruimtes gedefinieerd. In de gebieden en plekken die zijn aangewezen als de zogenaamde sunspot, mag géén vermindering van zonuren optreden binnen de aangewezen tijden.
Daarnaast zijn er representatieve ruimtes waar zon belangrijk is, maar waar wel enige vermindering in zonuren mag optreden. Het overige gebied binnen de hoogbouwzone heeft een basiskwaliteit waar maximaal 2 uur verslechtering van de bezonning mag optreden. Zie paragraaf 6.9 Bezonning voor de bezonningsstudie van dit bestemmingsplan.
11
2.3.7
Stedenbouwkundig plan Rotterdam Centraal District 2007
Vastgesteld op 5 februari 2008 door college B&W, op 12 juni 2008 behandeld in de gemeenteraad Uit dit stedenbouwkundig plan is de leidraad voor de bezonning van de Provenierswijk nog steeds actueel. De leidraad gaat uit van de maatgevende periode tussen 21 maart en 23 september. De extra schaduw op de woningen van de Provenierswijk mag in deze periode maximaal 1 uur bedragen. Zie paragraaf 6.9 voor de bezonningsstudie van dit bestemmingsplan. 2.3.8
Afwegingskader bezonning
Vastgesteld op 9 september 2021 door de gemeenteraad In het Afwegingkader bezonning is beschreven hoe bij nieuwe ontwikkelingen de bezonning/ bezonningsafname kan worden afgewogen. Dit kader geldt voor heel Rotterdam met een nadrukkelijke link met de voorgenomen verdichting in de stad. Het afwegingkader hanteert 21 september als meetdatum (gelijk met de Hoogbouwvisie) en heeft als uitgangspunt minimaal 2 uur zon voor een woning. In het afwegingskader is expliciet opgenomen dat eerder gemaakte gebiedspecifieke afspraken over bezonning, zoals de effecten van bebouwing in het Rotterdam Central District op de Provenierswijk, geen onderdeel van het afwegingskader zijn. Voor het bepalen van het effect op de bezonning van de Provenierswijk als gevolg van de ontwikkeling van het Schiekadeblok blijft de leidraad uit paragraaf 2.3.7 leidend. Deze leidraad is voor de Provenierswijk gunstiger dan het Afwegingskader bezonning. 2.3.9
Horecanota Rotterdam 2017-2021
Vastgesteld door college B&W op 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten.
De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Uiteenzetting horecastelsel Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam wordt onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte verstaan waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke
12
Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel wel. Exploitatievergunning In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht.
Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Alcoholwet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.
Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.
Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)
13
Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.3.10) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie.
Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor. 2.3.10 Horecagebiedsplan Centrum 2022-2024 Vastgesteld op 8 februari 2022 door B&W De ambitie is om van het Schiekadeblok een eigenzinnige plek in de stad te maken voor wonen, werken en verblijven. Het is een bruisende locatie met een mix aan horeca, cultuur en design waarvoor Rotterdammers en bezoekers van de stad veel waardering hebben.
Bij de ontwikkeling van het gebied wil de gemeente hierop voortbouwen en tegelijkertijd inspelen op de groei van Rotterdam, waaronder de vraag naar ruimte voor wonen en werken nabij het Centraal Station. Het Horecagebiedsplan gaat uit van het voortbestaan van de huidige horeca en er wordt de mogelijkheid geboden om nieuwe horeca te ontwikkelen tot en met categorie 2. 2.3.11 Detailhandel Rotterdam 2017 Vastgesteld op 29 juni 2017 door de gemeenteraad Met het detailhandelsbeleid zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat. De binnenstad is het belangrijkste winkelgebied van Rotterdam en draagt met al haar voorzieningen en kwaliteiten bij aan de aantrekkingskracht van Rotterdam als geheel. City Lounge is de leidraad voor de ontwikkeling van de binnenstad; dat wil zeggen dat de binnenstad het
14
visitekaartje van Rotterdam is. Detailhandel is één van de belangrijkste functies die de binnenstad voor consumenten tot een recreatieve bestemming maakt maar het kan niet zonder de samenwerking met andere voorzieningen zoals horeca, leisure, dienstverlening en een aantrekkelijke buitenruimte. Begrenzing van de binnenstad als winkelgebied Het centrum van Rotterdam is groter dan het gebied dat vanuit detailhandelsperspectief als de binnenstad gedefinieerd wordt. Vanuit detailhandelsperspectief is een duidelijke begrenzing van de binnenstad als winkelgebied belangrijk zodat optimaal beantwoord wordt aan uitgangspunten van concentratie en profilering (aquablauwe gebieden). Functionele Mixzones Rond de binnenstad liggen verschillende gebieden waar winkels een rol hebben, maar niet de boventoon voeren. Het zijn stedelijke en gemixte milieus, veelal gelegen aan stadsstraten. Het gaat in het centrum om de Goudse Singel, Mariniersweg, Westblaak, Central District (paarse gebieden, zie uitsnede uit de Detailhandelsnota). Beleidsmatig worden deze gebieden gedefinieerd als functionele mixzones. Het zijn geen typische winkelgebieden waar de winkelfunctie de boventoon voert maar waar winkels wel een plek hebben. Uitbreiding van het winkelbestand is in deze gebieden niet gewenst.
Uitsnede Detailhandelsnota
In 4.1.3.2 Detailhandel is aangegeven op welke manier detailhandel in dit bestemmingsplan is opgenomen. 2.3.12 Nota kantoren Rotterdam Vastgesteld 19 juni 2019 door B&W De 'Nota Kantoren' volgt uit de 'Visie Werklocaties 2030' die eind 2009 door het college van B&W is vastgesteld. De doelstelling van de nota is om tot 2030 richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, met als bovenliggende doelen: 1. Het optimaal faciliteren van de (nieuwe) economie in gebieden en in vastgoed; 2. Een goede balans tussen vraag en aanbod van kantoorruimte op stedelijk en gebiedsniveau; 3. Een verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving. De Nota kantoren Rotterdam vormt de Rotterdamse uitwerking van de regionale strategie werklocaties 2019-2030 van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). In de regionale strategie is een programma afgesproken ten aanzien van nieuwbouw, transformatie en planreductie waarbinnen gemeenten een eigen uitwerking ontwikkelen. In de Nota kantoren staat dat het Central Business District, in lijn met de provinciale en regionale kantorenstrategie, als toplocatie zal worden versterkt. Het Schiekadeblok valt binnen de afbakening van het 'Central Business District'. In dit gebied geldt vanuit de Rotterdamse ladder voor een toekomstbestendige kantorenvoorraad geen norm voor uitbreiding van de voorraad.
In dit gebied wordt op alle initiatieven positief geadviseerd als deze ook positief zijn beoordeeld
15
op de Ladder voor duurzame verstedelijking. In dit bestemmingsplan wordt maximaal 50.000 m2 kantoor mogelijk gemaakt. Dit is afgestemd met de Provincie Zuid-Holland, zie 4.1.3.5 Kantoren. 2.3.13 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020, vastgesteld op 22 december 2016 door de gemeenteraad Monumentenverordening Rotterdam 2010, vastgesteld op 30 oktober 2010 door de gemeenteraad In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Zie 3.3 Monumenten en cultuurhistorie.
2.3.14 Stedelijk Verkeersplan Rotterdam, Aanpak Nul Emissie Mobiliteit, Rotterdamse MobiliteitsAanpak Stedelijk Verkeersplan Rotterdam (SVpR), vastgesteld op 11 mei 2017 door de gemeenteraad Aanpak Nul Emissie Mobiliteit (NEM), vastgesteld op 5 november 2019 door B&W Rotterdamse MobiliteitsAanpak (RMA), vastgesteld op 20 februari 2020 door de gemeenteraad Verkeerscirculatieplan Binnenstad (VCP Binnenstad), vastgesteld op 15 december 2020 door B&W De langetermijnvisie op mobiliteit uit het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam zet in op een economisch sterke, aantrekkelijke en gezonde stad. Vanuit deze visie wordt de mobiliteitstransitie verder uitgewerkt langs drie sporen, de zogenaamde drie v's, in twee programmatische aanpakken. Langs het spoor 'verschonen' stuurt de aanpak Nul Emissie Mobiliteit op het verschonen van personenmobiliteit, goederenvervoer en het gemeentelijk wagenpark alsook het realiseren van meer laad- en vulpunten voor deze voertuigen. Deze aanpak verstrekt de huidige exponentiële trend waarbij het aantal volledig elektrische personenauto's in Nederland sinds 2017 jaarlijks verdubbeld alsook de uitbreiding van 3.100 oplaadpunten in de stad nu tot ruim 10.000 over vijf jaar.
Deze verschoning van de stedelijke mobiliteit gekoppeld aan de gestage afname van autogebruik in het centrum sinds 2000, zal zowel de CO2-reductie voor 2030 zoals gesteld in de verschillende Klimaatakkoorden alsook het verbeteren van de luchtkwaliteit tot de Europese gezondheidsnormen voor NO2 in de stad rond 2020 realiseren. De Rotterdamse MobiliteitsAanpak (RMA) zal langs de sporen 'volumebeheersing' en 'veranderen' in samenhang met de aanpak Nul Emissie Mobiliteit de mobiliteitstransitie in de bredere zin vormgeven. Het OV krijgt een prominentere rol in het centrum en de RET zal haar vloot volledig verduurzaamd hebben voor 2030. Daarnaast zal langzaam verkeer ruim baan krijgen, wordt parkeren in het centrum verder ontmoedigd en zal de tweejaarlijkse verdubbeling van het aantal beschikbare deelauto's in Rotterdam worden versneld. Verder zullen verschillende instrumenten worden ontwikkeld om de mobiliteitstransitie toegankelijk te maken voor alle bewoners en de stadslogistiek opnieuw in te richten. De nieuwe mobiliteitsmix die zal ontstaan in het centrum zal niet alleen de luchtkwaliteit verbeteren en geluidshinder drastisch verlagen, maar ook anticiperend inspelen op de mobiliteitsopgaven van een steeds groeiende stad. Het Schiekadeblok zal een autoluw gebied worden.
De huidige parkeerplaatsen op het maaiveld komen te vervallen om plaats te maken voor een kantorencomplex en twee torens en een openbaar plein. Het mogelijk maken van een gering aantal ondergrondse parkeerplaatsen bij deze stevige gebiedsontwikkeling gaat gepaard met het faciliteren van een eigentijdse mobiliteitsmix. Gedeeld autogebruik, fietsfaciliteiten en het reeds aanwezige goede openbaar vervoer zijn hier onderdeel van.
16
Het VCP Binnenstad laat zien hoe het verkeer zich de komende 10 jaar ontwikkelt in de binnenstad van Rotterdam, als gevolg van autonome ontwikkelingen en maatregelen uit de ontwikkelstrategie van de RMA. Het geeft inzicht in de effecten op verkeersstromen van voetgangers, fietsers, ov en auto's, verdeeld over de verschillende netwerken in de binnenstad. Het VCP maakt het mogelijk om maatregelen in samenhang tot elkaar te beschouwen. Over veel van deze maatregelen moet formele besluitvorming nog plaatsvinden. Het VCP maakt niet alleen effecten zichtbaar daar waar een maatregel plaatsvindt, maar ook de effecten van die maatregel op het netwerk als geheel. Hiermee geeft het VCP belangrijke informatie over de mobiliteits-ontwikkeling in de stad en de binnenstad in het bijzonder. Bij de uitwerking van concrete maatregelen geeft het VCP richting aan het ontwerp. 2.3.15 Structuurvisie Rotterdam Central District Vastgesteld op 17 maart 2011 door de gemeenteraad De structuurvisie is gebaseerd op het stedenbouwkundig plan voor Rotterdam Central District uit 2008. In het stedenbouwkundig plan is het ontwikkelperspectief voor RCD geschetst met een hoog ambitieniveau. In de structuurvisie is de gefaseerde uitwerking van de ruimtelijke ontwikkeling opgenomen. Ten behoeve van de structuurvisie is in 2011 een planm.e.r.procedure doorlopen. De m.e.r.
beschrijft de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkelingen in relatie tot de huidige situatie. De visie biedt een ruimtelijk en programmatisch raamwerk voor de ontwikkeling van RCD dat nadien uitgewerkt kan worden in bestemmingsplannen. De opgave is als volgt geformuleerd: 'uitbouwen van een innovatief, aansprekend en gemengd stedelijk vestigingsmilieu van Rotterdamse signatuur in een internationale context rond een mobiliteitknooppunt van de eerste orde'. De Mixone is hiervoor het gemeenschappelijk ontwikkelperspectief. De nieuwe en bestaande gebouwen van RCD en de openbare ruimte er omheen, het programma en de volumes moeten in harmonie zijn. De inhoud van de gebouwen is een mix van verschillende functies. Naast wonen en werken is er in het bijzonder in de Mixone ruimte voor service, dienstverlening, leisure, vergadering, tentoonstelling, ontmoeting etc. Ten behoeve van deze structuurvisie is PlanMER Rotterdam Central District opgesteld. 2.3.16 Mixone Rotterdam Central District (onderdeel van Gebiedsvisie Weena Glocal City District) In dit document wordt het toekomstbeeld voor het Rotterdam Central District geschetst. Gestreefd wordt naar een attractief en levendig centraal stedelijk gebied, van internationale allure.
Het gebied moet een visitekaartje van Rotterdam worden, dat haar reputatie waarmaakt als ontmoetingspunt door volop gebruik te maken van de potenties van het gebied in de vorm van optimaal openbaar vervoer en de ligging in de binnenstad. Het moet een gemengd en goed toegankelijk gebied worden dat veel 'glocal' bedrijven gaat huisvesten (bedrijven die geworteld zijn in Rotterdam en over wereldwijde netwerken beschikken). De term Mixone is ontstaan door samentrekking van twee begrippen en wordt uitgesproken als 'mixed zone'. In de wereld van cultuur en sport staat de mixed zone voor het gebied waar kunstenaars en sporters de media en elkaar ontmoeten. Dat beeld is in een stedenbouwkundige context geplaatst, en levert het beeld op van een gebied, waar op termijn sprake is van een 24-uurs levendigheid. In paragraaf 4.1.3.1 Mixone is dit begrip uitgewerkt voor dit bestemmingsplan. 2.3.17 Rotterdam Central District_next step Vastgesteld op 19 december 2017 door B&W De gemeente heeft samen met de Vereniging RCD een actualisatie gemaakt van de gebiedsvisie voor Rotterdam Central District. Inzet is de doorontwikkeling van RCD als Glocal District en de Mixone door middel van drie thema's: Verbinden, Delen en Verduurzamen. 2.3.18 Nota van Uitgangspunten Schiekadeblok Vastgesteld op 28 mei 2020 door de gemeenteraad In het Schiekadeblok zijn verschillende eigenaren aanwezig.
De gemeente is eigenaar van de openbare ruimte en het grootste deel van het vastgoed in het gebied. Het monofunctionele programma wederopbouwblok van vroeger heeft het afgelopen decennium een transformatie ondergaan. De gemene
17
deler van de huidige bedrijven is creatief, cultureel, maatschappelijk: muziek, architectuur/design/film en horeca. Bij de ontwikkeling van deze plek is het de kunst om een deel van deze aantrekkelijke rauwheid te behouden terwijl er ander programma wordt toegevoegd. Door de karakteristieke wederopbouwpanden aan de Delftsestraat zoveel mogelijk te behouden, wordt een deel van de rauwheid gehandhaafd. Natuurlijk moeten de panden grondig gerenoveerd en herontwikkeld worden. Zo krijgen de panden van de Delftsestraat twee voorkanten: een aan de Delftsestraat en een aan de levendige groene Delftsehof. De ambitie is te komen tot een gemixt gebied met een stedelijke architectuur en een ontmoetingsplek voor de stad. In de Nota van Uitgangspunten worden de ambities en randvoorwaarden voor het Schiekadeblok toegelicht ten behoeve van de uitwerking van het stedenbouwkundig plan. In de Nota van uitgangspunten zijn de ambities en randvoorwaarden voor het Schiekadeblok toegelicht aan de hand van zes pijlers, zodat er een goede mix van programma ontstaat. Deze 6 pijlers zijn: • Cultuurhistorie: behoud en herontwikkeling van panden met name aan de Delftsestraat. • Verbindingen: toevoeging van een goede voetgangersverbinding tussen het Centraal station en Pompenburg, als opvolger van de Luchtsingel. • Plek voor de stad: Toevoeging van een kwalitatief verblijfsgebied.
• Kwaliteit: Toekomstbestendige toevoeging aan de binnenstad. • Programma: toevoeging grote hoeveelheid nieuw programma met name woningen. • Identiteit: Toevoeging van werk- en woonruimtes voor early adopters en innovators. De gemeenteraad heeft model 2a vastgesteld als uitgangspunt voor de uitwerking. Dit model behelst de ontwikkeling van het Schiekadeblok met een mix van kantoren en woningen inclusief de spoorstrook. Deze uitgangspunten zijn vertaald in het stedenbouwkundig plan, zie 4.1.2 Stedenbouwkundig plan Schiekadeblok. 2.3.19 Welstandsparagraaf Central District Vastgesteld op 30 september 2010 door de gemeenteraad De welstandsparagraaf is geschreven om richting te geven aan de hoge ambities van de ontwikkeling van Rotterdam Central District. "Duurzame stedelijke omgevingen zijn het resultaat van een innige relatie tussen gebouwen, openbare ruimte en mensen. De gebouwen moeten een verrijking zijn van de skyline van Rotterdam en een stimulans voor de Mixone door een nauwe band aan te gaan met de straat en het publiek." In de welstandsparagraaf zijn richtlijnen geformuleerd die het hoge architectonische niveau van de nieuwbouw binnen het Rotterdam Central District vastleggen en die bijdragen aan het realiseren van samenhang tussen de individuele gebouwen onderling.
De bestaande en nieuwe gebouwen vormen samen een ensemble (een samenhangend geheel) in plaats van een reeks van geïsoleerde architectonische hoogstandjes. Dit geldt in sterke mate voor de geometrie, de plinten en de luifels van gebouwen maar ook voor de aangrenzende openbare ruimte en verblijfsklimaat. Voor het Schiekadeblok wordt de welstandsnota aangepast naar aanleiding van het stedenbouwkundig plan.
18
Hoofdstuk 3 3.1
Beschrijving van het plangebied
Ontstaansgeschiedenis
Het bestemmingsplangebied maakt deel uit van een omvangrijk veengebied, waar in het zuidelijk deel rond het begin van de jaartelling en in de eeuwen daarna klei is afgezet. De vroegste bewoningssporen in de directe omgeving dateren uit het laat Mesolithicum (8000-5500 voor Christus) en het Neolithicum (5300-2000 voor Christus). Aardewerk en vuurstenen werktuigen uit deze tijd werden onder meer aangetroffen tijdens het archeologisch onderzoek in het tracé van de Willemsspoortunnel in Rotterdam dat in de periode tussen 1988 en 1992 werd uitgevoerd. Laat Mesolithische bewoningssporen zijn meer recentelijk ook aangetroffen onder het Centraal Station van Rotterdam. Op een diepte van circa 7,50 meter beneden NAP en dieper zijn hier bewoningslagen aangeboord op een in de ondergrond aanwezige donk. Een donk is een rivierduin dat aan het einde van de laatste ijstijd werd gevormd (zo'n 10.000 jaar geleden). Deze rivierduinen werden als hogere en drogere plaatsen in latere tijden, toen door de zeespiegelrijzing een groot deel van westelijk Nederland vernatte, als woonplaats benut. Bewoning uit de Bronstijd (2000-800 voor Christus) is uit de directe omgeving niet bekend. Sporen uit de IJzertijd (800 voor Christus-begin jaartelling) en de Romeinse tijd (begin jaartelling-450 na Christus) komen in de omgeving van het bestemmingsplangebied wel voor.
Ze zijn onder meer tijdens het onderzoek in de Willemsspoortunnel gedocumenteerd. Sporen van vroeg-middeleeuwse bewoning (ca. 450-1000 na Christus) zijn te verwachten op de oeverafzettingen direct langs de Nieuwe Maas. Vondsten uit de 9e-10e eeuw zijn aangetroffen langs de benedenloop van de Rotte en in de omgeving van het Hofplein. Ze kunnen gerelateerd worden aan de voor het eerst in 1028 in historische bronnen genoemde nederzetting Rotta. Door het bestemmingsplangebied liep tot circa 1900 een watertje, waarvan het kronkelig verloop teruggaat op een (veel bredere) kleiige stroomgordel die al in de Vroege Middeleeuwen aanwezig was, als zijriviertje van de Rotte. De oevers hiervan hebben archeologische potentie. Rotta ging in de 12e eeuw verloren door overstromingen. De overstromingen werden mede veroorzaakt door een maaivelddaling die het gevolg was van de 10e-11e-eeuwse ontginningen van het gebied (ontwatering van het veen). Hierdoor werd het land vatbaarder werd voor overstromingen. Vooral aan het einde van de 12e eeuw en in de 13e eeuw werd in dit deel van Rotterdam daarom van noord naar zuid een reeks dijken aangelegd. Op en langs de dijken concentreerde zich de bebouwing. Juist ten oosten van het bestemmingsplangebied lag er aan de Hofdijk het 13e-eeuwse kasteel Weena, waarvan de grachten mogelijk aansloten op het bovengenoemde zijriviertje van de Rotte.
Rotterdam ontstond circa 1270, na de afdamming van de Rotte. Vermoedelijk heeft vanaf het begin van de molenbemaling in de 15e eeuw, het toen in de wat hoger gelegen stroomgordel gegraven watertje de functie van een voorboezem. Het voerde water van een watermolen af naar de Schie. Deze watermolen lag net ten westen van het bestemmingsplangebied, ter plekke van het huidige Delftseplein. Op de boezemkade was een aantal huiserven gesitueerd. De bebouwing van het gebied werd volledig verwoest tijdens het bombardement van Rotterdam in 1940. Na 1945 is het gebied opnieuw bebouwd, waarbij het stratenpatroon werd veranderd. De bovenste laag van de bodem bestaat uit een pakket oorlogspuin en ophoogzand met een minimale dikte van ongeveer 3 meter.
3.2
Archeologie
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.
19
De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting In het gehele bestemmingsplangebied kunnen bewoningssporen en vondsten uit de prehistorie, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen voorkomen, waarmee bij de ontwikkeling van het terrein rekening moet worden gehouden.
Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (AWK 2005) wordt aan de locatie een zeer hoge archeologische verwachting toegekend. Dit heeft te maken met de ligging van het bestemmingsplangebied in de stedelijke kern in de omvang van circa 1850 en met de kans op de aanwezigheid van oudere bewoningssporen in de diepere ondergrond. Bij eventuele (bouw)werkzaamheden in het gebied moet rekening gehouden worden met alle stratigrafische niveaus met archeologische potentie (Mesolithicum-heden). Het hele plangebied wordt bestemd als "Waarde - Archeologie". Hiervoor geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,5 meter beneden NAP en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan.
3.3
Monumenten en cultuurhistorie
3.3.1
Monumenten
Een rijksmonument kan een gebouw, water, terrein of een ander object zijn dat van nationaal belang is vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als vanbinnen. Het is verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Binnen het bestemmingsplangebied ligt een deel van een rijksmonument; het voormalige Stationspostkantoor. Het Stationspostgebouw is gebouwd in de jaren 1955-1959 en is een ontwerp van het architectenbureau E.H. en H.M. Kraaijvanger. Door veranderingen in het postbedrijf raakte het gebouw in onbruik. In 2009 is het gebouw gerenoveerd tot verzamelgebouw 'Central Post' naar ontwerp van Claus en Kaan Architecten. Central Post is een streng en modern geleed gebouw van zwaar beton met aan de spoorzijde een overkapt laadperron voor posttreinen, en een betonnen oprit die het perron voor auto’s toegankelijk maakt. Het gebouw Central Post is opgenomen in het bestemmingsplan Rotterdam Central District. De oprit tot het perron ligt binnen de bestemmingsplangrens van dit bestemmingsplan omdat het onderdeel is van ontwikkellocatie 'de spoorstrook'. De oprit van Central Post is functioneel verbonden met het monumentale gebouw.
In de Nota van Uitgangspunten is aangegeven dat de oprit 'de wokkel', met respect voor de cultuurhistorische waarde, wordt geïntegreerd in het bouwplan voor de spoorstrook. In het stedenbouwkundig plan is aangegeven dat de wokkel onderdeel uitmaakt van het kantorencomplex en wordt overkraagd op een hoogte van 9 meter. In het verlengde van de huidige logistieke functies op deze plek is hier onder andere ook de ingang van de ondergrondse parkeergarage gedacht. Deze lusvormige oprit heeft monumentale waarde als onderdeel van het monumentale gebouw Central Post. Transformatie en ontwikkeling is mogelijk met respect voor deze waarde. De hellingbaan rust als een vrij element op een betonnen constructie en is aan de lage zijde gesloten en aan de hoge zijde geopend. In de uitwerking zal gekeken worden wat de mogelijkheden zijn om de hellingbaan juist
20
aan de lage zijde beter zichtbaar te maken. Naast het feit dat de constructie hiermee beter zichtbaar is, is dit ook voor het windklimaat in het gebied een gewenste ontwikkeling. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het kantoor de wokkel mag overkragen op een hoogte van 9 meter. Hierdoor wordt de oprit vrij gehouden van bebouwing en wordt het zicht niet belemmerd. Wel kan het noodzakelijk zijn om 'in' of naast de wokkel bebouwing toe te staan ten behoeve van steunpunten/ constructie van de overkraging. De draagconstructie wordt met respect voor het monumentale bouwwerk geplaatst. Een eventuele draagconstructie is denkbaar, maar zal de architectonische waarde van de wokkel niet moeten aantasten en mag niet worden geplaatst ter plaatse van de calamiteitenroute. Hiervoor is een zeer terughoudende vormgeving wenselijk, maar de voorkeur gaat uit naar een overkraging die werkelijk zonder kolommen wordt gebouwd. Wanneer de oprit architectonisch letterlijk wordt verbonden met de nieuwbouw is het vanuit de monumentale waarden noodzakelijk dat de oprit in het ensemble met het Stationspostkantoor leesbaar blijft. 3.3.2
Cultuurhistorie
In het kader van de modernisering van het rijksmonumentenbeleid (MOMO) is het vanaf 1 januari 2012 verplicht in het bestemmingsplan een goede cultuurhistorische paragraaf op te nemen. Per deze datum is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Dit besluit is gericht op het scheppen van goede voorwaarden om de cultuurhistorische identiteit van een gebied meer te benutten voor de inrichting van de ruimte en expliciet te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen en planvormingsprocessen. Het doel is enerzijds verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en anderzijds behoud van het cultureel erfgoed. Het centrale thema is 'behoud door ontwikkeling'. Gemeentelijk beleid De inzet van cultuurhistorisch erfgoed en architectuur bij ontwikkelingen van de stad is één van de kernbeslissingen uit de Stadsvisie Rotterdam 2030. Hiermee is cultuurhistorie, het opsporen van bestaande kwaliteiten die de geschiedenis heeft voortgebracht en voortbouwen erop bij de actuele opgave van de stad, een structureel onderdeel van de Rotterdamse ruimtelijke planvorming.