[22bb005143] Bijlage 2 behorende bij 22bb5140 - Natuurmeetnet Biodiversiteit Rotterdam 2010-2020
Tekst van het document
Bijzonderheden In Rotterdam komen legio plantensoorten voor die vanwege hun zeldzaamheid of status een aparte bespreking verdienen. De recente vondst van Kruipend moerasscherm (Andeweg & Van der Goes 2020), een habitatrichtlijnsoort die in Rotterdam juist profiteert van ogenschijnlijk destructief maaibeheer van een oever, is een van de vele voorbeelden dat kennis van specifieke soorten bij terreinbeheerders binnen een organisatie onontbeerlijk is. Tegelijkertijd illustreert de vondst dat bijzondere soorten ook in het stedelijk milieu kunnen worden gevonden en niet per sé gezochte hoeven worden in natuurgebieden.
4.3.3
Ontwikkelingen/trends Omdat er geen recente gestandaardiseerde meetreeks bestaat van de Rotterdamse flora in brede zin, kunnen geen gefundeerde uitspraken worden gedaan over gemeentebrede ontwikkelingen of trends van de zeer diverse flora in de beschouwde periode. Toename van het aantal soorten per jaar kan vrijwel zeker gerelateerd worden aan een toegenomen waarnemingsinspanning. Weliswaar bestaan er kleinschalige monitoringen, bijvoorbeeld voor bosvakken of greppels in het Kralingse Bos op basis van standaard-meetmethodieken (bijvoorbeeld Tansely), om lokaal beheer bij te sturen, maar die representeren een groot aantal gemeentelijke floramilieus niet. De door de
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
23
Rotterdamse Florawerkgroep uitgevoerde kilometerhokkartering loopt nog te kort om uitspraken te kunnen doen over grootschalige veranderingen in soortensamenstelling van de Rotterdamse flora.
4.3.4
Ontbrekende data en gebieden De huidige analyse is grotendeels gebaseerd op losse waarnemingen en een beperkt aantal gerichte inventarisaties op projectniveau. In de beschouwde elf jaren zijn in nagenoeg alle Rotterdamse kilometerhokken waarnemingen van planten genoteerd. Kilometerhokken zonder gegevens hebben betrekking op open water (de Nieuwe Maas) of perifere hokken die maar voor een klein deel in de gemeente liggen.
4.3.5
Aanbevelingen voor monitoring Het verdient aanbeveling dat de gemeentelijk adviseurs ecologie communiceren met de vrijwilligers van de Rotterdamse Florawerkgroep. Zij signaleren veel op terreinniveau en kunnen een belangrijke rol spelen om de gemeente scherp te houden ten aanzien van verbetering van het beheer op het kleinschalige niveau van wijken. Het karteren van soorten middels streeplijsten op kilometerhokniveau is een beproefde en laagdrempelige manier om de Rotterdamse flora in de breedte inzichtelijk te krijgen. Voor beheeradvies ten aanzien van soorten in specifieke milieus, zoals duinplanten, varens van bosgreppels of kademuren, is een gerichte inventarisatie-inspanning direct gerelateerd aan het beheer en onderhoud, noodzakelijk. Om gemeentelijke trends ten aanzien van de flora in een breed scala aan milieus te kunnen bepalen, is de opzet van een breed-spectrum monitoring op vaste monsterlocaties essentieel.
Mannetjesvaren Dryopteris filix-mas
24
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
5
LIBELLEN
5.1
Algemeen Onder libellen (Odonata) verstaan we de ‘echte’ libellen (Anisoptera) en Waterjuffers (Zygoptera). Deze groep vormt vanwege de levenswijze onder en boven water een goede indicator voor de kwaliteit van zowel het water- als oevermilieu. Van de 53 in Zuid-Holland vastgestelde soorten, zijn er 42 in Rotterdam vastgesteld (Bakker & Moerland 2020).
5.2
Overzicht data 2010-2020
5.2.1
Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn 15.457 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 952 in 2014, tot 2013 in 2020 (Figuur 14).
Figuur 14. Libellen: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
Alle 42 in Rotterdam vastgestelde soorten zijn in de periode 2010-2020 waargenomen. Het aantal gedocumenteerde soorten per jaar varieert van 26 tot 38 (Figuur 15).
Figuur 15. Libellen: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
25
5.2.2
Verspreiding Het aantal per kilometerhok vastgestelde soorten over de periode 2010-2020 varieert van nul tot 29. Waarnemingen van libellen komen uit vrijwel ieder kilometerhok van de gemeente, met uitzondering van de periferie en hokken die alleen water omvatten. Hoek van Holland, Recreatiegebied Poldervaart, Zuiderpark en Kralingse Bos zijn hot spots met de hoogste aantallen soorten, veroorzaakt door een voor watermacrofauna plaatselijk gunstig beheer van watergangen.
Figuur 16. Libellen: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.
Figuur 17. Libellen: aantal soorten per kilometerhok in 2020.
26
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
27
5.3
Soorten
5.3.1
Algemeen en top tien De top tien bestaat volledig uit generalisten; soorten die breed verspreid worden aangetroffen in een breed scala aan watergangen. Alle soorten komen algemeen voor in de regio en in ZuidHolland. Het beeld komt overeen met het verwachtingspatroon: Lantaarntje is met afstand de algemeenste soort en staat bijna garant voor de aanwezigheid van ‘water met enige vorm van vegetatie’, ongeacht de kwaliteit. Tabel 3. Libellen: top tien meest waargenomen soorten in periode 2010-2020.
soort Lantaarntje Paardenbijter Grote keizerlibel Vroege glazenmaker Gewone oeverlibel Houtpantserjuffer Bruinrode heidelibel Grote roodoogjuffer Variabele waterjuffer Bloedrode heidelibel
5.3.2
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal 228 188 188 136 115 193 239 144 160 220 199 2010 157 97 109 83 109 89 132 78 125 66 135 1180 168 87 95 84 61 90 94 75 98 94 138 1084 188 75 61 103 64 83 101 107 71 113 97 1063 186 95 60 95 62 71 114 74 66 110 90 1023 127 87 63 67 58 73 65 50 59 41 63 753 47 48 42 34 37 35 99 29 119 62 145 697 96 75 60 57 41 56 59 57 67 57 50 675 66 60 82 49 39 60 50 55 61 51 39 612 70 46 54 48 41 32 47 42 36 61 112 589
Bijzonderheden Voor meer en uitgebreide informatie over de Rotterdamse libellenfauna, met een beschouwing per soort en een bespreking van de ‘hot spots’ en verklarende factoren met betrekking tot het voorkomen per soort, wordt verwezen naar Bakker & Moerland (2020).
5.3.3
Ontwikkelingen/trends Toename in het voorkomen van specifieke soorten op lokaal niveau in Rotterdam, zoals voorheen zeer zeldzame soorten als Bruine korenbout Libellula fulva, houdt direct verband met een uitbreiding van populaties en arealen elders, waarbij lokale vestiging van een populatie wordt gefaciliteerd door een gunstige kwaliteit van het water- en oevermilieu. Over het algemeen is het periodiek schonen van veel stadswateren en de bijbehorende oevers desastreus voor de overlevingskansen van veel soorten.
5.3.4
Ontbrekende data en gebieden Uit een veelheid aan Rotterdamse kilometerhokken is nauwelijks tot niets bekend over de libellenfauna. In vergelijking met bijvoorbeeld vogels, worden in Rotterdam bij lange na geen noemenswaardige aantallen waarnemingen verzameld. De determinatie is soms lastig en een kleine groep geïnteresseerde waarnemers is verantwoordelijk voor het merendeel van de gegevens.
5.3.5
Aanbevelingen voor monitoring Een gestandaardiseerde monitoring op vaste oeverlocaties kan uitsluitsel geven over verspreiding van soorten in de gemeente en aantalsontwikkeling op populatieniveau. Sturing van de libellenfauna in het stedelijk milieu kan direct worden beïnvloed door de wijze waarop watergangen en oevers worden beheerd.
28
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
Steenrode heidelibel Sympetrum vulgatum
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
29
6
DAGVLINDERS
6.1
Algemeen Als gevolg van onder meer jarenlange monitoring van vaste vlinderroutes door een aantal trouwe vrijwilligers bestaat er een goed beeld van de Rotterdamse dagvlinderfauna. De hoeveelheid actuele gegevens is echter beperkt, aangezien het project Natuur in Kaart al jaren geleden werd gestaakt en de gegevensstroom is opgedroogd. Monitoringen van dagvlinders in het Kralingse Bos en Zuiderpark laten zien dat met name graslandvlinders het hier matig tot slecht doen. Een monitoring in het havengebied laat zien wat de potentie is van kruidenvegetaties in Rotterdam, met soms enorme aantallen van Hooibeestje, Bruin zandoogje en Icarusblauwtje. Een extensief, vlindervriendelijk beheer van met name bermen is nog steeds een gemis op veel plaatsen in Rotterdam.
6.2
Overzicht data 2010-2020
6.2.1
Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn 56.794 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 4.350 in 2012, tot 6.001 in 2019.
Figuur 18. Dagvlinders: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
Het aantal vastgestelde soorten per jaar varieert van 27 (meeste jaren) tot 31 (2019). De landelijke dagvlinderfauna bedraagt ruim 65 soorten met een min of meer vaste populatie, waarvan een groot deel zeldzaam is en alleen (nog) in natuurgebieden voorkomt. Alle soorten die redelijkerwijs in dit deel van Nederland te verwachten zijn hebben populaties in Rotterdam. Met sommige soorten gaat het ronduit slecht, in navolging van de landelijke instorting van hun populaties. Voorbeelden hiervan zijn Heivlinder en Argusvlinder.
30
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
Figuur 19. Dagvlinders: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
31
6.2.2
Verspreiding Het aantal per kilometerhok vastgestelde soorten over de periode 2010-2020 varieert van nul tot 25. Waarnemingen van dagvlinders komen uit vrijwel ieder kilometerhok van de gemeente. Hoek van Holland kent de hoogste diversiteit, gevolgd door een groot deel van de noordelijke oever van het Scheur, Poldervaart en delen van Overschie en Schiebroek.
Figuur 20. Dagvlinders: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.
Figuur 21. Dagvlinders: aantal soorten per kilometerhok in 2020.
32
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
33
6.3
Soorten
6.3.1
Algemeen en top tien De top tien bevat nauwlijks verrassingen; Klein koolwitje is als sinds jaar en dag met afstand de meest waargenomen dagvlindersoort in Rotterdam en daarbuiten. Opmerkelijk is het hoge aantal Icarusblauwtjes en Bruine zandoogjes -beide kwaliteitsindicatoren voor ruig grasland, omdat deze soorten lang niet overal in hoge aantallen worden waargenomen. Bruin zandoogje wordt in stedelijk Rotterdam benoorden de Maas maar weinig waargenomen. De verklaring ligt in de soms hoge aantallen op een klein aantal hot spots die vooral buiten de bebouwde kom liggen, zoals dijken en bepaalde bermen waar een vlinderroute werd geteld (en die liggen bovengemiddeld vaak op voorspelbare ‘hot spots’). Tabel 4. Dagvlinders: top tien meest waargenomen soorten in periode 2010-2020.
soort Klein koolwitje Bont zandoogje Atalanta Klein geaderd witje Icarusblauwtje Bruin zandoogje Kleine vos Dagpauwoog Groot koolwitje Gehakkelde aurelia
6.3.2
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal 1140 1155 759 809 711 964 928 516 1013 1006 1155 10156 672 758 652 519 691 454 452 633 698 604 535 6668 525 502 492 319 635 546 533 553 366 707 656 5834 488 771 501 520 456 502 648 409 505 323 422 5545 280 204 161 459 309 243 214 197 314 303 267 2951 336 337 327 386 260 174 135 135 170 352 290 2902 313 381 395 571 407 150 199 135 73 102 91 2817 203 144 105 299 206 269 328 270 210 207 294 2535 172 144 104 129 218 267 285 191 428 231 238 2407 288 148 166 252 189 122 98 269 206 186 141 2065
Bijzonderheden Zeldzame soorten dagvlinders van kritische milieus vinden we in Rotterdam vrijwel uitsluitend in duinmilieus; in Hoek van Holland en op de Maasvlakte. In het stedelijk gebied komen we vrijwel uitsluitend generalisten tegen waarvan het voorkomen samenhangt met talrijk aanwezige waardplanten (zoals Grote brandnetel en kruisbloemigen).
6.3.3
Ontwikkelingen/trends Graslandvlinders, zoals Icarusblauwtje, zijn mobiel en snel geschikte terreinen te koloniseren. Daarmee zijn het uitstekende indicatoren voor de kwaliteit van beheer. Het extensief beheren van (onkruid)vegetaties en ruige bermen resulteert soms in een snelle en massale vestiging. Het ontbreken van veel doorgaans algemene graslandvlinders in veel stedelijke buitenruimte, waaronder ook Bruin zandoogje en Kleine vuurvlinder, is een directe indicatie dat op deze locaties nog veel kansen liggen voor wat betreft een ecologisch/natuurvriendelijk beheer.
6.3.4
Ontbrekende data en gebieden Dagvlinderwaarnemingen zijn in de beschouwde periode gedaan in vrijwel alle Rotterdamse kilometerhokken, met uitzondering van de Nieuwe Maas en enkele perifere overhoekjes.
34
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
6.3.5
Aanbevelingen voor monitoring Presentie van bepaalde vlindersoorten vormt een goede graadmeter voor de kwaliteit van gemeentelijk beheer. Gestandaardiseerde monitoring in representatieve kernbiotopen die voor vlinders waardevol kunnen zijn verdient dan ook aanbeveling.
Argusvlinder Lasiommata megera
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
35
7
VISSEN
7.1
Algemeen De hier besproken visfauna van Rotterdam betreft het hele spectrum van in Zuid-Holland voorkomende soorten; zowel zoet- als zoutwatervissen en alle soorten die in beide milieus voorkomen (cf. Kranenbarg et al. 2015). De Nieuwe Maas, het Scheur en de Nieuwe Waterweg, alsmede overige estuariene milieus leveren een aanzienlijk aantal extra soorten ten opzichte van in het binnenland gelegen gemeenten in Zuid-Holland.
7.2
Overzicht data 2010-2020
7.2.1
Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn 24398 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 291 in 2020, tot 2982 in 2016. De lage totalen in de laatste twee jaar hangen vrijwel zeker samen met het (nog) ontbreken van gegevens in de aangeleverde gegevenssets.
Figuur 22. Vissen: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
Het aantal vastgestelde soorten per jaar varieert van 29 (2011) tot 39 (2019). De redelijk stabiele aantallen per jaar representeren de soorten die op basis van bekende arealen van vissoorten verwacht hadden kunnen worden in Rotterdamse wateren.
Figuur 23. Vissen: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
36
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
7.2.2
Verspreiding Het aantal per kilometerhok vastgestelde soorten over de periode 2010-2020 varieert van nul tot 35. Viswaarnemingen concentreren zich op de plaatsen waar de waterschappen bemonsteringen uitvoeren, met name de Bergse Plassen, Kralingse Plas en Rotte. Van een groot deel van de Rotterdamse kilometerhokken en daarmee watergangen, zijn geen actuele gegevens bekend over de presentie van vissoorten. De meest recente Zuid-Hollandse vissenatlas (Kranenbarg et al. 2015) bevat veel Rotterdamse data en laat voor de meeste soorten een representatief beeld zien.
Figuur 24. Vissen: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.
Figuur 25. Vissen: aantal soorten per kilometerhok in 2020.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
37
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
38
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
7.3
Soorten
7.3.1
Algemeen en top tien Dat Baars, Blankvoorn en Brasem de top drie bepalen ligt in lijn der verwachting. Het zijn soorten die een hoge tolerantie hebben en in vrijwel ieder zoet stadwater voorkomen. Tabel 5. Vissen: top tien meest waargenomen soorten in periode 2010-2020.
soort Baars Blankvoorn Brasem Snoek Ruisvoorn Snoekbaars Zeelt Pos Zwartbekgrondel Paling
7.3.2
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal 387 562 665 482 519 497 572 405 236 30 19 4374 285 365 467 308 459 383 410 228 205 64 19 3193 252 230 243 205 285 206 309 165 208 19 13 2135 178 238 380 272 195 290 287 197 14 8 4 2063 120 196 151 125 185 188 203 124 28 2 1322 93 74 144 117 104 73 124 89 190 59 37 1104 147 204 74 103 114 126 138 114 19 3 3 1045 123 114 161 104 135 82 156 85 57 4 5 1026 21 158 67 43 53 74 108 52 86 218 9 889 106 115 93 108 154 92 115 47 29 859
Bijzonderheden Opmerkelijk is de aanwezigheid van Zwartbekgrondel in de top 10; deze soort werd pas in 2009 voor het eerst in Rotterdam vastgesteld (Bakker 2009), is een invasieve exoot en is nu een van de talrijkste vissoorten in onder meer Kralingse Plas en Nieuwe Maas. Ook opmerkelijk is het ontbreken van Marmergrondel. Dit is ook een nieuwkomer en invasieve exoot die in sommige Rotterdamse watergangen inmiddels dominant voorkomt.
7.3.3
Ontwikkelingen/trends De samenstelling van de top tien lijkt enigszins beïnvloed door het feit dat de waterschappen in Rotterdam met name grote diepe wateren bemonsteren. Dat blijkt wel uit het feit dat de in ondiepere slootmilieus zeer algemene soorten als Kleine modderkruiper, Bittervoorn en Tiendoornige stekelbaars niet in de top tien staan en soorten als Paling en Snoekbaars, beide kenmerkend voor diepere watergangen, wel.
7.3.4
Ontbrekende data en gebieden Een groot deel van de Rotterdamse binnenwateren wordt niet systematisch bemonsterd op visfauna. Waterschapppen bemonsteren hun hele beheergebied op een netwerk van vaste puntlocaties. Dat betekent dat het overgrote merendeel van kleine binnenwateren en het gros van de wateren binnen de bebouwde kom nooit wordt onderzocht. Actuele gegevens over het ruimtelijke verspreiding van veel vissoorten zijn dus veelal niet voorhanden. Sinds enkele soorten hun beschermde status zijn verloren (sinds 2017) als gevolg van de invoering van de Wet natuurbescherming, is de noodzaak tot projectgebonden onderzoek nog verder afgenomen en de aanlevering van visdata nagenoeg opgedroogd.
7.3.5
Aanbevelingen voor monitoring Inzicht krijgen in gegevens van sportvissers kan een nuttige aanvulling vormen op de huidige kennis van de Rotterdamse visfauna. Het steekproefgewijs bemonsteren van watergangen verspreid over
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
39
de stad met behulp van schepnetten vanaf de oever, alsmede het gebruik van eDNA als onderzoeksmethode, kan veel informatie opleveren over de samenstelling hiervan. Het verdient aanbeveling de monitoring te richten op de presentie van Rode-Lijstsoorten en de invasieve grondelsoorten. Daarnaast is het -voor zover bekend- sporadische voorkomen van Grote modderkruiper in Rotterdamse stadswateren een slecht onderzocht fenomeen dat meer aandacht verdient.
Vetjes Leucaspius delineatus
40
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
8
AMFIBIEËN
8.1
Algemeen De Rotterdamse amfibieënfauna bestaat uit zeven soorten waarvan er zes inheems zijn en één (Alpenwatersalamander) een geïntroduceerde soort betreft.
8.2
Overzicht data 2010-2020
8.2.1
Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn 3086 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 122 in 2011, tot 501 in 2018.
Figuur 26. Amfibieën: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
Het jaarlijks aantal vastgestelde soorten varieert van vijf tot zeven. In principe mag worden aangenomen dat in ieder jaar zes soorten een vaste populatie hadden in de gemeente. Alleen van de incidenteel waargenomen Alpenwatersalamander is onbekend of sprake is van een vaste populatie.
Figuur 27. Amfibieën: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
41
8.2.2
Verspreiding Het aantal per kilometerhok vastgestelde soorten over de periode 2010-2020 varieert van nul tot zeven. Waarnemingen van amfibieën komen lang niet uit ieder kilometerhok van de gemeente. Hoek van Holland onderscheidt zich door het voorkomen van een populatie van Rugstreeppad. Het maximale aantal waargenomen soorten per jaar per kilometerhok is vier. Van veel Rotterdamse kilometerhokken is geen of een slecht beeld voorhanden van de amfibieënfauna.
Figuur 28. Amfibieën: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.
Figuur 29. Amfibieën: aantal soorten per kilometerhok in 2020.
42
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
43
8.3
Soorten
8.3.1
Algemeen en top zeven Tabel 6. Amfibieën: top zeven meest waargenomen soorten in periode 2010-2020 (inclusief groene kikker spec).
soort 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 totaal Bruine Kikker 42 32 51 43 42 101 42 35 71 41 93 1 594 Gewone pad 60 20 23 33 21 39 40 35 69 37 52 429 Kleine Watersalamander 18 17 17 17 21 69 59 69 52 41 21 401 Groene Kikker spec.* 30 21 28 28 28 32 10 39 35 31 63 345 Rugstreeppad 17 7 17 19 28 11 6 15 141 43 30 334 Bastaardkikker 14 5 7 11 25 3 22 3 14 5 5 114 Meerkikker 2 19 5 10 12 1 3 1 4 1 58 Alpenwatersalamander 2 1 2 5 *Verzamelnaam voor Meerkikker en Bastaardkikker (en Poelkikker, die niet in Rotterdam voorkomt).
8.3.2
Bijzonderheden Er wordt weinig naar amfbieën gekeken in Rotterdam, wat blijkt uit de grote hoeveelheid kilometerhokken zonder waarnemingen. Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander en de twee ‘groene kikkers’ kunnen stadsbreed worden waargenomen. Rugstreeppad is beperkt tot de duinen van Hoek van Holland, waar drie poelen de basis van de populatie vormen. Alpenwatersalamander komt van nature niet in Zuid-Holland voor. Alle waarnemingen hebben betrekking op door mensen getransporteerde en losgelaten exemplaren, of hun nageslacht.
8.3.3
Ontwikkelingen/trends Er zijn momenteel te weinig systematische data voorhanden om betrouwbare uitspraken te doen over de populatietrends van de in Rotterdam voorkomende soorten amfibieën. In geschikte habitats lijken de te verwachten soorten algemeen.
8.3.4
Ontbrekende data en gebieden Op basis van de kilometerhokkaarten kan snel worden vastgesteld dat van veel Rotterdamse locaties niets bekend is over het voorkomen van amfibieën.
8.3.5
Aanbevelingen voor monitoring Omdat juist algemeen voorkomende soorten het landelijk slecht lijken te doen, zoals Gewone pad (Herder et al. 2020) is het nuttig om de focus te leggen op stadswateren. Hier is qua inrichting en beheer veel winst te halen voor deze soortgroep. Onderzoek kan eventueel worden uitgevoerd in combinatie met gerichte monitoring van andere aquatische groepen, zoals libellen en/of vissen.
44
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
Meerkikker Pelophylax ridibundus
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
45
9
REPTIELEN
9.1
Algemeen Rotterdam huisvest slechts één inheemse reptielensoorten: de Zandhagedis. Van deze soort komt een populatie voor in de duinen van Hoek van Holland. Vrijwel alle overige waarnemingen van reptielen hebben betrekking op exotische soorten schildpadden die door mensen in watergangen zijn uitgezet. Deze dieren vinden hun directe herkomst in dierenwinkels en kunnen vele jaren overleven in watergangen in de stad.
9.2
Overzicht data 2010-2020
9.2.1
Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn (slechts) 179 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 8 in 2017, tot 25 in 2013.
Figuur 30. Reptielen: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
Het maximum aantal waargenomen soorten per jaar is redelijk constant: vier of vijf.
Figuur 31. Reptielen: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
46
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
9.2.2
Verspreiding Het aantal per kilometerhok vastgestelde soorten over de periode 2010-2020 varieert van nul tot vijf. Waarnemingen van reptielen komen uit een fractie van de Rotterdamse kilometerhokken. Toch lijkt dit een redelijke afspiegeling van de realiteit; de meeste parkvijvers en andere waterpartijen waarin zonnende schildpadden te verwachten zijn, komen terug in de kaarten.
Figuur 32. Reptielen: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.
Figuur 33. Reptielen: aantal soorten per kilometerhok in 2020.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
47
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
48
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
9.3
Soorten
9.3.1
Algemeen en top zeven Tabel 7. Reptielen: top zeven meest waargenomen taxa in periode 2010-2020.
soort Roodwangschildpad Geelbuikschildpad Lettersierschildpad *) Zandhagedis Geelwangschildpad Zaagrugschildpad Korenslang
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal 13 5 1 7 9 6 13 4 4 4 8 74 4 2 3 3 7 6 1 2 2 4 34 1 2 2 1 2 2 2 2 5 7 26 4 9 3 3 19 3 1 2 1 2 2 4 15 2 3 2 1 1 1 10 1 1
*) Lettersierschildpad is een verzamelsoort die niet nader geïdentificeerde individuen van de ondersoorten Roodwangschildpad, Geelbuikschildpad en Geelwangschildpad omvat.
9.3.2
Bijzonderheden De populatie Zandhagedissen in de duinen van Hoek van Holland ligt in het verlengde van de populatie verder naar het noorden. Met name de zeereep van Ter Heijde tot en met het Westduinpark in Den Haag herbergt een relatief grote populatie. Vrijwel het gehele Rotterdamse areaal is in beheer van het Zuid-Hollands Landschap. Een van de watergangen in het Zuiderpark, naast Ahoy, vormt een hotspot voor exotische schildpadsoorten, met de Zaagrugschildpad als zeldzaamste.
9.3.3
Ontwikkelingen/trends Over aantalsontwikkelingen van de Rotterdamse populatie Zandhagedis is niets gepubliceerd. In 2021 kon in ieder geval worden geconstateerd dat er nog een populatie aanwezig is in de duinen van Hoek van Holland. Over veranderingen in het voorkomen van exotische schildpadden is niets bekend.
9.3.4
Ontbrekende data en gebieden Onderzoek naar losgelaten schildpadden (en andere reptielen) lijkt misschien niet zo relevant, want losgelaten huisdieren hebben in een Nederlandse context eigenlijk niets met de inheemse biodiversiteit te maken. Echter, omdat schildpadden een wezenlijk negatief effect op waterecosystemen kunnen hebben, is het in kaart brengen van hun voorkomen erg nuttig. Voor wat betreft overige reptielen verdient alleen de Zandhagedis, als inheemse soort met een natuurlijke populatie, de aandacht. Dan is het voorkomen op thans steeds geschikter wordende delen van de Maasvlakte een aandachtspunt dat nader onderzoek verdient. Dit gebied valt echter buiten de scope van dit rapport. Ten aanzien van de populatie Zandhagedis in Hoek van Holland zijn er nauwelijks gepubliceerde data.
9.3.5
Aanbevelingen voor monitoring Omdat er recent niets wezenlijks is gepubliceerd over de populatie Zandhagedis van Hoek van Holland en een deel van deze populatie mogelijk in duingebied zit onder verantwoordelijkheid van gemeentelijk beheer, is nader onderzoek naar verspreiding en aantallen belangrijk. De soort is Habitatrichtlijnsoort en doelsoort in het kader van Natura 2000.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
49
Omdat er geen aanwijzingen zijn (op basis van losse waarnemingen) voor de aanwezigheid van een populatie van de Ringslang op Rotterdams grondgebied, lijkt het met de huidige kennis over de verspreiding van deze soort niet zinvol daar momenteel intensief onderzoek naar te doen.
Zandhagedis Lacerta agilis
50
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10 VOGELS 10.1 Algemeen Vogels vormen een populaire groep onder veel waarnemers. De Rotterdamse soortenlijst omvat ten minste 346 soorten, waaronder een groot aantal dwaalgasten of anderszins incidenteel waargenomen soorten. Omdat de Maasvlakte als trekvogelhotspot niet in de analyse is meegenomen, valt een groot deel van deze soorten weg. De voorlopige lijst van broedvogels in gemeente Rotterdam in de periode 1945-2020 (De Baerdemaeker 2021) omvat 135 soorten (waarvan 13 gekwalificeerd als talrijk, 42 algemeen, 45 schaars, 15 zeldzaam, 3 onregelmatig, en 17 als verdwenen).
10.2 Overzicht data 2010-2020 10.2.1 Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn 86.110 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 4606 in 2011, tot 11.179 in 2014.
Figuur 34. Vogels: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
Aantal soorten totaal
Figuur 35. Vogels: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
51
10.2.2 Verspreiding Er zijn in 2010-2020 vrijwel geen Rotterdamse kilometerhokken waar geen vogelwaarnemingen zijn genoteerd. Door allerlei telprojecten en vele actieve vrijwillige waarnemers is het de meest compleet gedocumenteerde van alle soortgroepen. Het maximum aantal waargenomen soorten in een kilometerhok is 83 (dat is inclusief overvliegende vogels). Ook in de afzonderlijke jaren werd een groot deel van de Rotterdamse kilometerhokken bezocht door actieve waarnemers.
Figuur 36. Vogels: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.
Figuur 37. Vogels: aantal soorten per kilometerhok in 2020.
52
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
53
10.3 Soorten 10.3.1 Algemeen en top tien Tabel 8. Vogels: top tien meest waargenomen soorten in periode 2010-2020.
soort Merel Tjiftjaf Winterkoning Houtduif Koolmees Meerkoet Zwartkop Ekster Pimpelmees Huismus
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal 771 247 496 449 1018 363 713 944 672 271 247 6191 359 197 451 225 820 259 471 514 230 354 498 4378 672 109 382 185 840 201 635 424 208 191 450 4297 522 197 430 318 649 261 337 644 287 201 316 4162 658 175 411 285 558 249 391 465 261 235 300 3988 267 126 318 196 342 152 262 326 150 187 521 2847 360 85 223 126 576 143 303 255 173 186 363 2793 283 160 229 187 249 154 160 540 169 159 138 2428 436 80 232 174 341 128 334 221 82 81 276 2385 101 91 102 107 203 146 307 363 223 379 324 2346
10.3.2 Bijzonderheden De top tien van meest waargenomen vogelsoorten in 2010-2020 voldoet geheel aan de verwachting; het zijn alle talrijke, wijd verbreid voorkomende soorten in Rotterdam (cf. De Baerdemaeker 2021). De positie van de Huismus op plek tien is echter opmerkelijk, aangezien deze soort op veel plaatsen in Rotterdam ontbreekt. Waar hij wel voorkomt, zorgt de presentie in tuinen ervoor dat hij waarschijnlijk toch door een groot publiek wordt genoteerd. In 2021 stond de Huismus op plaats 3 van meest getelde vogel in tuinen (www.tuinvogeltelling.nl, 7 dec 2021). De voor het grote publiek onbekende Zwartkop, is in werkelijkheid inmiddels talrijker en breder verspreid in grote delen van Rotterdam. Dat komt ook naar voren in de statistieken.
10.3.3 Ontwikkelingen/trends De totalen op www.tuinvogeltelling geven geen representatief beeld van de Rotterdamse vogelbevolking, omdat maar een deel van de vogelsoorten in tuinen verschijnt (en het dus niets zegt over een groot aantal vogels dat dit niet doet). Enkele opmerkelijke zaken moeten worden uitgelicht. Ten eerste het ontbreken van de Spreeuw in de tuinvogel-top tien (en ook de datareeks voor dit rapport). Deze soort holt achteruit en is uit een groot deel van de Rotterdamse wijken verdwenen. Oorzaken moeten worden gezocht in een gebrek aan holtes in bebouwing, maar met name in gebrek aan voedsel (minder insectenlarven en wormen) in gazons. Ondanks tijdelijke dips in de aantallen door virusziekten, is de Merel nog altijd een van de talrijkste en meest verspreide vogels in de stad. Dat de Kauw niet in de top tien van de in het kader van dit rapport vermelde data staat is opmerkelijk. Het is aannemelijk dat deze soort in werkelijkheid de talrijkste soort is (getuige de plaats 2 in de tuinvogel-top 10 van 2021) maar Kauwen in woonwijken zijn vermoedelijk een minder populair onderwerp om in de (digitale) notitieboekjes te vermelden.
10.3.4 Ontbrekende data en gebieden Hoewel vogels de populairste groep zijn onder natuurliefhebbers, is er heel veel dat niet wordt genoteerd. Zo is niet bekend hoe groot de populatie van de Gierzwaluw is, ondanks dat de soort een jaarrond beschermde status kent en de staat van instandhouding dus relevant is. De omvang van de Rotterdamse populatie Huismus is op het moment van schrijven eveneens onbekend, terwijl ook deze soort relevant is want last heeft van verslechtering van zijn leefmilieu. Als er nog Spreeuwen in Rotterdam broeden, hoeveel zijn het er dan en waar zitten ze? Het duingebied van
54
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
Hoek van Holland huisvest een forse populatie Nachtegalen, maar de laatste inventarisatie is alweer jaren geleden. En hoe staat het met de Goudvink in dit gebied? De Cetti’s Zanger is in de periferie van de stad binnengedrongen, maar hoeveel zijn het er? De watergangen in Rotterdam tellen enorme aantallen Meerkoeten en Waterhoentjes, maar hoeveel er broeden is niet bekend. Het moge duidelijk zijn dat deze reeks vragen nog kan worden uitgebreid. Er moeten duidelijk keuzes gemaakt worden om specifieke soortgerichte vragen naar behoren te kunnen onderzoeken en te beantwoorden.
10.3.5 Aanbevelingen voor monitoring Een projectmatige aanpak, waarbij bijvoorbeeld burgers worden ingezet om gegevens te verzamelen, is zeer nuttig. In Rotterdam leverden meer dan 3000 (!) waarnemers een bijdrage aan de tuinvogeltelling in 2021 (www.tuinvogeltelling.nl). Die mensen kunnen ook worden ingezet om bijvoorbeeld Meerkoetennesten in singels door te geven. Veel inventarisatiewerk blijft echter specialistenwerk. Een opzet met vaste meetpunten verspreid door de gemeente die volgens een vaste methodiek worden geteld, is de meest efficiënte manier om in ieder geval de presentie van soorten over een langere termijn stadsbreed inzichtelijk te krijgen en trends inde breedte daarin te kunnen ontdekken. In het Leidse Stadsnatuurmeetnet (sinds 2004) zijn hier bruikbare resultaten mee behaald. Voor het verkrijgen van informatie over aantallen territoria blijven intensieve (dat wil zeggen tijdrovende en kostbare) broedvogelonderzoeken op gebiedsniveau essentieel.
Slechtvalk Falco peregrinus
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
55
LEESWIJZER KAARTEN PUNT-VERSPREIDING In de hiernavolgende hoofdstukken zijn in de afgebeelde kaarten puntdata weergegeven op basis van waarnemingen uit diverse bronnen. Doel is om door middel van stippen een ruimtelijke abundantie en verspreidingspatroon van een soort te presenteren. Er wordt onder meer gebruik gemaakt van een groot aantal waarnemingen afkomstig uit een grote database, de Nationale Databank Flora en Fauna, kortweg NDFF. De meeste waarnemingen betreffen losse waarnemingen, afkomstig van vrijwilligers actief op platforms als waarneming.nl. De meeste stippen representeren met redelijke precisie de plaats waar de waarneming werd gedaan. Echter, er bevinden zich ook een relatief klein aantal waarnemingen in de kaarten waarvan het middelpunt waarschijnlijk de waarnemingsloctatie betreft, maar waar mogelijk sprake is van een grote(re) onnauwkeurigheid. Om die reden zijn alle kaarten een indicatie van de verspreiding, maar dient geen grote betrouwbaarheid te worden gekoppeld aan de exacte plaats van een individuele stip op de kaart. Onder iedere stippenkaart is bovendien het volgende vermeld: (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau). Dit was een eis vanuit de NDFF, maar betekent niet dat alle stippen in de kaart de NDFF als bron hebben.
56
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4 Vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest Rotterdam huisvest populaties van 15 vogelsoorten waarvan de nesten op juridische basis een jaarrond beschermde status genieten. Ze worden in de hiernavolgende paragrafen besproken. Het gaat om: Blauwe reiger, Ooievaar, Havik, Sperwer, Buizerd, Boomvalk, Slechtvalk, Kerkuil, Steenuil, Ransuil, Gierzwaluw, Huiszwaluw, Grote gele kwikstaart, Roek en Huismus.
10.4.1 Blauwe reiger Blauwe reiger is weliswaar niet á priori jaarrond beschermd, maar alleen wanneer ecologisch zwaarwegende omstandigheden dat rechtvaardigen. Reigerbroedplaatsen zijn doorgaans zeer vast van locatie en bovendien dungezaaid in de gemeente Rotterdam. Het wegnemen van een nestlocatie heeft dus direct relatief grote invloed op de staat van instandhouding. Al jaren bekende vaste kolonielocaties vinden we in Hoek van Holland (Roomse Duin), Rozenburg, Hoogvliet, Park Zestienhoven, Kralingse Bos, aan de Bergse Voorplas, in Het Park, Alexander (diverse kleine kolonies) en in IJsselmonde. De grootste reigerkolonie van Rotterdam bevindt zich op de Zuiderbegraafplaats, waar zich jaarlijks tussen de 60 en 80 bezette nesten bevinden (72 in 2021).
Figuur 38. Blauwe reiger: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
57
10.4.2 Ooievaar Ooievaar is een jaarlijkse broedvogel in Rotterdam op overwegend vaste plaatsen: Kralingse Bos (Hertenkamp), de Tempel, Park Zestienhoven en op diverse plaatsen in Blijdorp. Op Zuid is kinderboerderij De Kooij aan de Maeterlinckweg een bekende broedlocatie. Nesten bevinden zich meest op speciaal geplaatste nestpalen, maar ook wel bovenin bomen (Tempel) en op spoorbogen (Blijdorp). Hoewel de soort eigenlijk een trekvogel is, blijven veel stadse Ooievaars in de winter. Dat heeft met name te maken met het bijvoederen door mensen, zoals in Overschie actief gebeurt.
Figuur 39. Ooievaar: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
58
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4.3 Havik Broedgevallen van Havik hebben zich in 2010-2020 voorgedaan in Recreatiegebied Poldervaart en het Kralingse Bos (sinds 2019 jaarlijks succesvol op dezelfde locatie), alsmede in Hoek van Holland. Alle overige broedgevallen rond stedelijk Rotterdam vinden jaarlijks plaats op min of meer vaste locaties net buiten de gemeentegrens: Lage Bergse Bos, Zevenhuizerplas, Valckesteijnse Bos en Staelduinse Bos. Presentie van broedparen hangt samen met voldoende rust en voldoende voedsel in de vorm van grotere vogelprooien (zoals Houtduif, Kauw en Halsbandparkiet, maar ook Meerkoet, Wilde eend en andere watervogels).
Figuur 40. Havik: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
59
10.4.4 Sperwer De Sperwer is qua verspreidingsbeeld de meest urbane roofvogel van Rotterdam. Daarmee is het de soort waar in het bestendig beheer en onderhoud van openbaar groen het meest rekening gehouden moet worden. De nesten bevonden zich in parkjes en grote groenstroken verspreid over de stad, met concentraties in wijken met veel Huismussen. Dit vormt de belangrijkste prooi in het stedelijk gebied voor de Sperwer (De Baerdemaeker 2004). In totaal werden tijdens een stadsbrede inventarisatie in 2018 in totaal 21 territoria vastgesteld, waarvan 15 locaties zich binnen de stad bevonden, één in Rozenburg en één in Hoek van Holland (Elzerman & De Baerdemaeker 2019). Op drie locaties werd net buiten de gemeentegrenzen gebroed. In het havengebied is geen territorium vastgesteld. Dit beeld komt overeen met 2010 (De Baerdemaeker & Elzerman 2011). Het totale aantal territoria lag destijds echter veel hoger (nl. 32). Een combinatie van factoren is hier debet aan. De onderzoeksinspanning in sommige wijken was in 2018 lager dan in 2010. De achteruitgang is echter deels ook een reëel beeld. Enkele vaste territoria van de jaren ervoor, werden in 2018 niet bezet.
Figuur 41. Sperwer: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
60
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4.5 Buizerd Op 41 locaties in Rotterdam waren tijdens een stadsbrede inventarisatie door Bureau Stadsnatuur in 2018 nesten en (mogelijke) territoria aanwezig (Elzerman & De Baerdemaeker 2019). Een aanzienlijk deel hiervan bevindt zich in het havengebied. De nestlocaties van Buizerds in de stad liggen vooral langs de stadsranden en snelwegen. Broedgevallen in stadsparken zijn schaars. Ze moeten het vooral hebben van bomenrijen (m.n. populieren) en afgelegen bosjes met hoge bomen. Het aantal territoria ligt een stuk hoger dan in 2010 (De Baerdemaeker & Elzerman 2011). Toen werden 24 territoria vastgesteld (inclusief de stadsranden). Vooral in het havengebied en langs de noordrand van de stad zijn meer territoria gevonden. Dit kan een gevolg geweest zijn van de onderzoeksinspanning, maar ook dat meer bomen geschikt worden omdat ze ouder en groter zijn dan in 2010. Overigens zijn buiten de broedparen ook her en der individuele Buizerds zonder territorium aanwezig in binnen de gemeentegrenzen. Park De Twee Heuvels in IJsselmonde is een bekend gebied waar jaarlijks Buizerds rondhangen, maar niet broeden. Aangezien Buizerdparen vaak jaren achtereen een vaste nestplaats gebruiken is hun nest jaarrond beschermd.
Figuur 42. Buizerd: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
61
10.4.6 Boomvalk Boomvalken zijn zomergasten waarvoor het broedseizoen pas vanaf mei start. Gedurende de broedtijd gedragen ze zich erg onopvallend, waardoor broedgevallen makkelijk gemist kunnen worden (Sovon Vogelonderzoek Nederland, 2018). In de afgelopen jaren is veel kennis verzameld over het voorkomen van de Boomvalk in Rotterdam, waardoor enkele vaste territoria bekend zijn. Nieuwe territoria konden worden opgespoord door het volgen van prooivluchten van adulte vogels, of de bedelroep van de juvenielen. In totaal werden zes territoria binnen de gemeentegrenzen vastgesteld. Daarnaast bevond zich nog een nest op zo’n 500 meter van de Rotterdamse grens. De territoria in de omgeving van Heijplaat, Nesselande-Noord, De Kandelaar/begraafplaats Hofwijck en Schiebroekse Park (en Knooppunt Vaanplein) waren zowel in 2010 als in 2018 bezet. In vier gevallen was de nestplaats bezet: twee keer in een populierenrij en twee keer in een hoogspanningsmast. Het illustreert goed de nestplaatskeuze van deze roofvogel. De Boomvalk bouwt zelf geen nest, maar maakt gebruik van ongebruikte nesten van kraaiachtigen. Vaak wordt een hooggelegen nestplaats verkozen. De kap van rijen oude Populieren heeft de afgelopen jaren op diverse plaatsen (o.a. in het gebied van aanleg van de verlengde A16) geleid tot het verdwijnen van nestlocaties en daarmee een verdere achteruitgang van de soort.
Figuur 43. Boomvalk: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
62
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4.7 Slechtvalk Sinds het eerste stadse broedgeval in 2009 is het Rotterdamse centrum verder verdeeld onder territoriale Slechtvalken. Inmiddels staat de teller op vier broedparen met nog een aantal solitaire overzomeraars verspreid over de stad. Daarnaast waren er in 2010-2020 zeker negen territoria bekend in het havengebied, met wisselende bezetting en broedsucces. Alle broedgevallen vonden plaats op gebouwen. Inmiddels broedt een aanzienlijk deel van de populatie in nestkasten. Hoewel de natuur zijn eigen weg moet vinden, is het in dit geval wel wenselijk om hierin enigszins te sturen. Bij een broedgeval in een nestkast is de kans dat een jong uit het nest valt voordat het vliegvlug is, namelijk een stuk kleiner. Omdat de soort een groot territorium heeft en verschillende paren elkaar letterlijk kunnen zien, is het vermoeden dat de huidige bezetting van territoria in de stad weinig ruimte meer biedt voor uitbreiding.
Figuur 44. Slechtvalk: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
63
10.4.8 Steenuil De Steenuil is in Rotterdam een zeldzame standvogel en komt uitsluitend nog tot broeden in het veenweidegebied ten noorden van Rotterdam. Hier bevonden zich de afgelopen jaren één tot drie territoria, alle aan de Oude Bovendijk. Mogelijk dat westelijk van de Schie, rond De Zweth, ook nog een enkel territorium aanwezig is. Een territoriumindicerend exemplaar langs het Zuideinde, bij Nesselande, leverde geen broedgeval op. In buurgemeenten Zuidplas en Lansingerland komen jaarlijks nog ca. 25 paren tot broeden, het merendeel in nestkasten (pers. obs. G. Bakker/Natuuren Vogelwacht Rotta). Het behoud van open landschap met in de periferie kleinschaligheid en afwisseling in de vorm van kleine graslandpercelen omringd door hekpaaltjes, vrijstaande bomen en een stelsel van nestkasten, is essentieel voor instandhouding. Dit gecombineerd met een beheer van slootranden dat het voorkomen van Veldmuizen faciliteert en bij voorkeur een vogelvriendelijke tuin of boomgaard. Boomgaarden met een gazonbeheer omringd door open land leveren in de omgeving ten noorden van Rotterdam stelselmatig Steenuilen op zodra er een nestkast aanwezig is. Ringonderzoek wijst uit dat nakomelingen vanuit de hele regio ten noorden van Rotterdam zich kunnen vestigen dus actief zoeken naar een geschikt eigen territorium.
Verdichting van het landschap (volbouwen) of het opruimen van kleinschalige landschapselementen (hagen, fruitbomen, boomgaarden, oude schuren) leiden tot het verdwijnen van de soort.
Figuur 45. Steenuil: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
64
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4.9 Ransuil Broedlocaties van Ransuil in Rotterdam bevonden zich in 2010-2020 hoofdzakelijk aan de noordkant van de stad. Vaste plekken zijn de volkstuincomplexen in het Schiebroekse Park, in Park Zestienhoven en Blijdorp. In 2020 (en 2021) is gebroed aan de noordoever van de Kralingse Plas. Buiten de bebouwde kom waren de Oude Bovendijk en Rozenburg (inclusief Landtong) locaties waar, zij het minder regelmatig, territoria of nesten met jongen werden waargenomen. Aanwezigheid van broedgevallen hangt in principe nauw samen met presentie van Veldmuis-rijke open foerageerplaatsen met een grasvegetatie in de directe omgeving. De huidige plaatsen vormen een duidelijke afspiegeling van de huidige geschikte locaties.
Figuur 46. Ransuil: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
65
10.4.10
Kerkuil
Hoewel de Kerkuil in de akkerbouwgebieden ten zuiden van de gemeente Rotterdam – bijvoorbeeld op de eilanden IJsselmonde, Hoeksche Waard en Voorne-Putten – een talrijke broedvogel is, zijn er maar weinig nestplaatsen in Rotterdam zelf bekend. Een simpele verklaring is dat dichtbebouwd stedelijk gebied weinig foerageermogelijkheden en nestplaatsen te bieden heeft. Aan de Polderhaaksdwarsweg in de Oranjebuitenpolder, was in ieder geval in 2011 sprake van een broedgeval met jongen. In 2016 werd langs de Zwethkade een baltsend exemplaar waargenomen. Zo nu en dan worden verkeersslachtoffers aangetroffen. Vrij regelmatig worden verkeersslachtoffers gevonden op de A20 en A16. Daarnaast zijn er in 2010-2020 zeker drie dode vogels gevonden op secundaire wegen in de Europoort en één in de Bonnenpolder te Hoek van Holland. Dit betreffen zowel (nakomelingen van) broedvogels uit de regio, als rondzwervende individuen van elders.
Figuur 47. Kerkuil: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
66
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4.11
Gierzwaluw
De oude stadswijken van Rotterdam vormen de kern van de populatie Gierzwaluwen. Het aantal als nestindicerend genoteerde waarnemingen is vermoedelijk een fractie van het werkelijke aantal waarnemingen dat indicatief is voor de aanwezigheid van nestplaatsen (het grote aantal waarnemingen voorzien van de gedragsaanduiding ‘ter plaatse’ heeft waarschijnlijk betrekking op lokaal broedende vogels). Over het daadwerkelijke aantal nestplaatsen in Rotterdam in de periode 2010-2020 is vrijwel niets bekend, maar zeker is dat dit er vele tientallen tot enkele honderden moeten zijn. Een structurele inventarisatie is niet uitgevoerd. Veel gierzwaluwnesten worden gevonden tijdens ad hoc-onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Foerageermogelijkheden zijn en blijven er in het stedelijke luchtruim overigens volop, maar hoe de populatie op lange termijn zal worden beïnvloed door de structurele verduurzaming van oude woningen is ongewis.
Figuur 48. Gierzwaluw: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
67
10.4.12
Huiszwaluw
Huiszwaluw is niet per se jaarrond beschermd, alleen wanneer ‘ecologisch zwaarwegende omstandigheden dat rechtvaardigen’. De ecologisch zwaarwegende omstandigheid om deze soort in dit overzicht op te nemen is het feit dat de soort maar een handvol nestlocaties in Rotterdam heeft. De gemeente heeft dus een hoge instandhoudingsverantwoordelijkheid. De belangrijkste bevindt zich aan de Oude Bovendijk in Polder Schieveen op een voormalig schoolgebouw (‘De Zwaluw’), waar tot 30 nesten zijn geteld, totdat een medegebruiker van het pand de helft van alle nesten vernielde. In 2021 was toch weer sprake van ca. 30 bezette nesten, mede door gebruik van kunstnesten die naar aanleiding van de vernieling bij de buren werden geplaatst. Bescherming en behoud van het pand in kwestie is topprioriteit om deze kolonie voor deze plaats te behouden. De nesten langs de Rotte bevinden zich ter hoogte van het Ommoordse Veld net buiten de gemeentegrens in Rotte (gemeente Lansingerland). Andere plaatsen waar nesten zijn gemeld bevinden zich in Overschie en in Rotterdam-Noordwest (recreatiegebied Poldervaart).
Figuur 49. Huiszwaluw: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
68
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4.13
Grote gele kwikstaart
Grote gele kwikstaart is een algemene wintergast in stedelijk Rotterdam. Hoewel diverse waarnemingen zijn gedaan van onder andere zingende exemplaren, is er tot op heden maar één gedocumenteerd broedgeval; in 2020 in de Parksluis, waar twee jongen uitvlogen (de Boer et al. 2020). Dit betrof tevens pas het vierde zekere broedgeval ooit in de provincie Zuid-Holland. De soort is in laag Nederland in principe een sporadische broedvogel.
Figuur 50. Grote gele kwikstaart: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
69
10.4.14
Roek
De Roek is een kolonievogel waarvan door de jaren heen alleen broedkolonies op Zuid zijn gevonden. Naast het feit dat er op Noord geen nesten worden gevonden, zijn waarnemingen hier überhaupt uitzonderlijk. Dit hangt samen met de gewoonten van de soort om op gras(land) te foerageren in de nabijheid van de kolonie. De enige vaste stedelijke kolonieplaats bevindt zich op Heijplaat (38 bezette nesten in 2020, 27 in 2021). De voormalige kleine kolonies van Pernis en de Groene Kruisweg zijn sinds resp. 2010 en 2014 verlaten. In 2009-2012 was ook een kleine kolonie in het Zuiderpark aanwezig. De grootste Rotterdamse kolonie bevindt zich momenteel in het havengebied, in de Botlek (Torontostraat e.o. en Prof. Gerbrandyweg), met 61 bezette nesten in 2021 als meest recente telling. Net buiten de gemeentegrens bevonden zich in 2020 147 bezette nesten rond de A20 rond Maassluis en Maasland (pers. obs. G. Bakker). Deze kolonies vormen een netwerk met die in Rotterdam. Het kappen van nestbomen en al dan niet moedwillige verstoring van de nesten in het broedseizoen, vormen de belangrijkste bedreigingen voor deze soort.
Figuur 51. Roek: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
70
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
10.4.15
Huismus
Ondanks een sterke achteruitgang van de Huismus en het ontbreken van de soort op flink wat locaties, staat hij nog altijd op plek 10 in de lijst van meest waargenomen vogelsoorten van Rotterdam. De soort is in Rotterdam wijd verbreid, maar de verspreiding is redelijk ‘patchy’, wat inherent is aan het feit dat het een kolonievogel betreft. De populariteit onder tuinvogeltellers vormt een gedeeltelijke verklaring voor het hoge aantal waarnemingen. Er zijn echter ook aardig wat wijken en buurten waar amper Huismussen worden waargenomen (zowel voormalige bolwerken, als plaatsen waar de soort nog niet eerder voorkwam). De oorzaken hiervoor zijn velerlei, maar het ongeschikt zijn of raken van bebouwing en het ontbreken van groen en een geschikte voedselsituatie in de omgeving zijn belangrijke redenen.
Figuur 52. Huismus: waarnemingen met indicatie van nest (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
71
11 VLEERMUIZEN 11.1 Algemeen Rotterdam huisvest populaties van acht soorten vleermuizen. Van enkele soorten zijn en worden incidenteel exemplaren waargenomen, maar is geen populatie bekend.
11.2 Overzicht data 2010-2020 11.2.1 Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn 28029 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 801 in 2012, tot 8604 in 2019. Het hoge aantal in 2019 kan worden verklaard door aanwezigheid van een groot aantal Batlogger-waarnemingen in de dataset voor dat jaar.
Figuur 53. Vleermuizen: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
Het aantal soorten per jaar varieerde van acht in de meeste jaren, tot tien in 2019. De ‘verschilsoorten’ zijn telkens degene waar (nog) geen Rotterdamse populatie van bekend is: Tweekleurige vleermuis en Kleine dwergvleermuis. Deze worden de laatste jaren wel bijna jaarlijks vastgesteld, maar het betreft nog ten hoogste een handvol waarnemingen voor beide soorten.
Figuur 54. Vleermuizen: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.
72
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
11.2.2 Verspreiding Een groot deel van de Rotterdamse kilometerhokken is in 2010-2020 onderzocht op vleermuizen. Wel wisselt de inspanning per kilometerhok per jaar sterk. De populariteit van de groep onder waarnemers hangt duidelijk samen met de noodzaak tot inventariseren in het kader van de beschermde status van alle soorten en hun leefgebied onder de Wet natuurbescherming.
Figuur 55. Vleermuizen: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.
Figuur 56. Vleermuizen: aantal soorten per kilometerhok in 2020.
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
73
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
74
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
11.3 Soorten 11.3.1 Algemeen en top tien De top tien van Rotterdamse vleermuissoorten is conform het verwachtingspatroon, met Gewone dwergvleermuis met afstand als talrijkste soort. Opvallend is dat Rosse vleermuis dubbel zoveel waarnemingen heeft als Laatvlieger, een situatie die 20 jaar geleden nog zeker omgekeerd was in onze regio. Dat heeft vooral te maken met een duidelijke toename van de Rosse vleermuis, die zo goed als overal overvliegend kan worden waargenomen. Dat het om lokale populaties gaat blijkt wel uit het feit dat de soort op Zuid een stuk schaarser is. Een standvastige populatie is daar tot op heden nog niet aangetroffen, terwijl alle grotere parken in het noorden van Rotterdam worden bewoond. Tabel 9. Vleermuizen: top tien meest waargenomen soorten in periode 2010-2020 (inclusief dwergvleermuis spec. & Baard- / Brandts vleermuis).
soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis Laatvlieger Watervleermuis Dwergvleermuis Spec. Meervleermuis Gewone grootoorvleermuis Baardvleermuis / Brandts vleermuis Kleine dwergvleermuis Baardvleermuis Tweekleurige vleermuis
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal 1442 1576 549 950 588 1186 950 935 2320 6185 3517 20198 304 356 139 141 178 485 255 151 412 1630 703 4754 47 130 16 25 61 120 51 97 91 450 103 1191 92 105 27 50 35 30 23 47 29 99 50 587 46 51 32 33 47 39 26 30 17 124 20 465 325 16 22 15 13 11 11 2 15 25 6 461 4 13 10 5 7 9 10 1 39 31 15 144 18 11 3 11 8 7 13 13 5 5 6 100 3 1 1 1 1 3 6 2 2 3 3 26 22 1 23 4 2 2 5 3 2 18 2 2 11 15
11.3.2 Bijzonderheden De ‘onderkant’ van het lijstje betreft vooral meer kritische soorten met kleine populaties die veelal afhankelijk zijn van landschapselementen die op veel plaatsen in het stedelijk gebied schaars zijn. Het gros van de rustende Watervleermuizen, Baardvleermuizen en Grootoorvleermuizen wordt in de bunkers in Hoek van Holland e.o. aangetroffen (overigens nauwelijks vertegenwoordigd in deze dataset, de werkelijke aantallen door de jaren liggen hoger dan de totalen in de tabel suggereren). Toch is ook een gebouwbewonende soort als de Laatvlieger al schaars, vanwege zijn voorkeur voor grote vliegende insecten, duisternis en lijnvormige groenstructuren en watergangen als verbindende elementen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Alleen de Gewone en Ruige dwergvleermuis zijn redelijk aangepast aan het leven in dichtbebouwde en verlichte stedelijke milieus en kunnen vrijwel overal worden waargenomen.
11.3.3 Ontwikkelingen/trends Het opmerkelijk hoge aantal vleermuiswaarnemingen in 2019 heeft te maken met via batloggers verzamelde puntdata. Sinds 2018 is een duidelijke toename in het aantal waarnemingen zichtbaar, wat verklaart wordt door het sindsdien inzetten van deze techniek, waarbij vleermuisonderzoekers continu geluiden opnemen van alle akoestische vleermuisactiviteit op een plek. Een groot aantal waarnemingen op een kaart kan daarbij betrekking hebben op slechts één of enkele exemplaren, maar het voordeel is dat er veel minder wordt gemist en zeldzame soorten op een veel betrouwbaardere manier zijn gedocumenteerd. Het met zekerheid vaststellen van bijvoorbeeld de Kleine dwergvleermuis in Rotterdam, had niet kunnen plaatsvinden zonder het systematisch opnemen van geluiden. Overigens hebben de waarnemingen ook betrekking op
bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020
75
vondsten van zieke of verzwakte dieren. Van de Tweekleurige vleermuis betreft een aanzienlijk deel van de waarnemingen vondsten.
11.3.4 Ontbrekende data en gebieden Het opsporen van verblijfplaatsen van vleermuizen en het tellen van de aanwezige dieren is een zeer tijdrovende bezigheid. Zelfs van een talrijke soort als de Gewone dwergvleermuis is vermoedelijk maar een fractie van de werkelijk aanwezige verblijfplaatsen in beeld. Dit blijkt uit de regelmaat waarmee verblijfplaatsen tijdens ad hoc uitgevoerd vleermuisonderzoek in het kader van renovatieprojecten en dergelijke worden aangetroffen.
11.3.5 Aanbevelingen voor monitoring Een methodiek in navolging van VleerMUS, waarbij vleermuizen op een gestandaardiseerde wijze worden geregistreerd met een Batlogger, is een goede manier om zicht te krijgen op de presentie van soorten in een stadsbrede context. Op basis van de resultaten kunnen gebieden naar voren komen waar aanvullend onderzoek naar de presentie van verblijfplaatsen van specifieke soorten op voorhand wenselijk is (bijvoorbeeld wanneer een grootschalige ruimtelijke ingreep aan gebouwen, of een bomenkap, is voorzien, al dicteert de wettelijke procedure dat dit soort onderzoek sowieso plaatsvindt, kan presentie van soorten als Laatvlieger en Meervleermuis de wijze van onderzoek aanscherpen).
Rosse vleermuis Nyctalus noctula