CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb005143] Bijlage 2 behorende bij 22bb5140 - Natuurmeetnet Biodiversiteit Rotterdam 2010-2020

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 27 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken19.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

76

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

11.4 Verblijfplaatsen van vleermuizen Van acht soorten vleermuizen zijn populaties met vaste verblijfplaatsen bekend uit Rotterdam. Het gaat om zowel jaarrond gebruikte verblijfplaatsen, als seizoensgebonden gebruik van gebouwen en bomen. Kennis van verblijfplaatsen is relevant om soorten effectief te kunnen beschermen. In de paragrafen hierna worden per soort de belangrijkste aspecten van het voorkomen van verblijfplaatsen in de gemeente samengevat. Het gaat om Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis, Meervleermuis, Baardvleermuis en Gewone grootoorvleermuis. Van de twee overige ‘Rotterdamse’ soorten, te weten Tweekleurige vleermuis en Kleine dwergvleermuis, is het voorkomen incidenteel; er zijn geen vaste verblijfplaatsen bekend. Om die reden worden ze in onderstaande paragrafen niet nader besproken.

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

77

11.4.1 Gewone dwergvleermuis De Gewone dwergvleermuis is de talrijkste vleermuissoort van Rotterdam. Op basis van de kaart kan worden geconcludeerd dat hij bijna letterlijk overal kan worden waargenomen. Verblijfplaatsen worden aangetroffen op gebouwen, waarbij allerlei spleetvormige openingen worden gebruikt. Grotere aantallen bevinden zich vooral in spouwmuren en achter boeiboorden, waarbij de dieren regelmatig verhuizen tussen verblijfplaatsen. Hoewel er tientallen verblijfplaatsen bekend zijn of werden vermoed op basis van baltsende mannetjes, is het aantal bekende kraamverblijfplaatsen (waar vrouwtjes en hun nageslacht verblijven) beperkt. Dat komt doordat deze dunner gezaaid zijn, maar ook doordat er nauwelijks (gepubliceerd) onderzoek bestaat. Dergelijke kraamverblijfplaatsen, alsmede winterverblijfplaatsen van grotere aantallen, worden zowel op woonhuizen, als op appartementen en flats gevonden. De soort lijkt weinig kieskeurig en gebruikt soms ook ‘onverwachte’ plekken zonder groen of beschutting in de directe nabijheid van de bebouwing. Een voorbeeld is het Tinbergengebouw, een 17 etages tellend onderwijsgebouw op het terrein van de Erasmus Universiteit, waar verblijfplaatsen zich op vrijwel iedere etage bevinden en de dieren op grote hoogte af- en aanvliegen om hun verblijfplaats te bereiken.

Figuur 57. Gewone dwergvleermuis: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010 2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau)

78

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

11.4.2 Ruige dwergvleermuis Na de Gewone dwergvleermuis is de Ruige dwergvleermuis de meest voorkomende vleermuissoort van Rotterdam. Deze migrerende soort komt zeer algemeen voor op gebouwen (woonhuizen, appartementen, flats, bedrijfspanden) waar vooral spleetvormige openingen (met name stootvoegen, dilatatievoegen en voegen tussen betonnen gallerijvloeren) worden bewoond. Baltsende mannetjes vallen daar erg op. Het aantal middels batdetectors waargenomen exemplaren doet vermoeden dat slechts een fractie van de daadwerkelijk aanwezige verblijfplaatsen in beeld is. In het Kralingse Bos wordt de soort het hele jaar door in vleermuiskasten aangetroffen, met een duidelijke piek in de periode augustus-februari. Dit is de periode waarin exemplaren vanuit Noordoost-Europa hier overwinteren. Soms worden exemplaren gevonden achter boomschors of in een andersoortige holte.

Figuur 58. Ruige dwergvleermuis: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010 2020 (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

79

11.4.3 Rosse vleermuis Sinds 2009 zijn vaste verblijfplaatsen bekend van de Rosse vleermuis in het Kralingse Bos. Daar is de soort nu algemeen. De soort lijkt in de regio Rotterdam de laatste tien jaar toegenomen, met als mogelijke oorzaken een ouder worden bomenbestand en (gemiddeld) mildere winters. Maandelijkse controles van 35 vleermuiskasten door Bureau Stadsnatuur uitgevoerd in 2019-2020 (en daarna) in het gebied geven een jaarronde presentie aan. Dikwijls zijn de afgelopen jaren bomen met holtes gevonden waarin zich kraamgroepen met jongen ophielden. Het betrof een veelheid aan boomsoorten, van Zomereik tot Wilg tot Robinia. Daarnaast waren met name de oude (nu door Essentaksterfte veelal stervende of al verdwenen) exemplaren van de Gewone es favoriet. Ook in het Schiebroekse Park en Park Zestienhoven wordt de soort tegenwoordig standaard aangetroffen in de vleermuiskasten. Op 16 september 2019 werd een exemplaar aangetroffen in een vleermuiskast in de Hoekse Bosjes in Hoek van Holland. In het najaar van 2019 werd voor het eerst een op een boom verblijvend baltsend mannetje gevonden in het Zuiderpark. Vaste verblijfplaatsen zijn tevens bekend uit het Staelduinse Bos, net buiten de gemeente Rotterdam.

Figuur 59. Rosse vleermuis: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010 2020 (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

80

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

11.4.4 Laatvlieger In de periode 2010-2020 zijn slechts drie verblijfplaatsen van de Laatvlieger gerapporteerd in Rotterdam: in Zuidwijk, in Hillegersberg en Rozenburg. Het leidt geen twijfel dat het werkelijke aantal verblijfplaatsen hoger moet liggen. Het zoeken naar verblijfplaatsen van deze soort is tijdrovend en valt vaak buiten ad hoc-vleermuisonderzoeken op projectlocaties waar de aandacht vooral uitgaat naar de veel algemenere Gewone en Ruige dwergvleermuis. Met name in de buitenwijken, dichtbij waterrijke foerageerplaatsen, zou in teamverband systematisch gezocht moeten worden naar nog onbekende verblijfplaatsen in bebouwing. Landelijk gaat deze soort achteruit, wat heeft geleid tot vermelding op de meest recente Rode Lijst van bedreigde zoogdieren.

Figuur 60. Laatvlieger: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010 2020 (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

81

11.4.5 Watervleermuis In Hoek van Holland en het Staelduinse Bos (net buiten de gemeente Rotterdam), is de Watervleermuis de talrijkste overwinterende vleermuissoort in de bunkers. Deze populatie wordt al vele jaren gemonitord door de Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland (maar de meeste gegevens zijn niet gepubliceerd of in publieke databases aanwezig). Daarbuiten is het aantal vondsten van verblijfplaatsen gering. Incidenteel zijn exemplaren aangetroffen in vleermuiskasten in Park Zestienhoven en het Schiebroekse Park. Daarnaast is er een enkele vondst van een kraamgroep in bomen in het noordelijk deel van het Kralingse Bos (Hazenpad en omstreken). Daar zijn de laatste jaren geen verblijfplaatsen meer gevonden, maar de jaarronde presentie van foeragerende exemplaren in het gebied vormt een sterke aanwijzing dat deze er wel moeten zijn. Aan de kwaliteit van de foerageergebieden is in brede zin niet veel veranderd in de besproken periode. De soort kan boven veel waterpartijen in met name de noordrand van de stad worden waargenomen. Op Zuid is het Zuiderpark het belangrijkste waterrijke foerageergebied voor de soort.

Figuur 61. Watervleermuis: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010 2020 (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

82

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

11.4.6 Meervleermuis Pas in 2019 werd dankzij het zenderen van drie exemplaren door Bureau Stadsnatuur de eerste ooit gedocumenteerde kraamverblijfplaats in Rotterdam ontdekt, in een spouwmuur van een flat in Zuidwijk, waar zich ten minste 70 exemplaren bleken op te houden. Van de meeste exemplaren die elders in Rotterdam worden waargenomen is de herkomst onbekend. De bunkers van Hoek van Holland vormen een vaste overwinteringsplaats voor Meervleermuizen. Bescherming van de Meervleermuis betekent dat er meer aandacht moet komen voor deze soort in woonwijken in de buurt van waterrijke gebieden (door bij renovatie en sloop ook deze soort te overwegen bij gericht vleermuisonderzoek dat daaraan vooraf moet gaan) én het zorgvuldig omgaan met het plaatsen van nieuwe verlichting nabij potentiële vliegroutes. Moderne witte LED-verlichting kan energiebesparend en daardoor duurzaam zijn, maar vanwege het verstorende lichtspectrum en de felheid een groot nadeel vormen voor de Meervleermuis en andere vleermuissoorten.

Figuur 62. Meervleermuis: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010 2020 (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

83

11.4.7 Baardvleermuis Baardvleermuis is een in Rotterdam zeldzame soort, uitsluitend bekend van in bunkers aangetroffen overwinterende exemplaren in Hoek van Holland en het Staelduinse Bos, net buiten de gemeentegrens.

Figuur 63. Baardvleermuis: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw, nul) in Rotterdam in 2010 2020 (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

84

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

11.4.8 Gewone grootoorvleermuis Het aantal waarnemingen van de Gewone grootoorvleermuis in Rotterdam in 2010-2020 is gering. Dat heeft te maken met een verborgen levenswijze en het meestal lastig waarneembaar zijn van de soort met een batdetector. Vrijwel alle waarnemingen van verblijfplaatsen hebben betrekking op overwinterende exemplaren in bunkers in Hoek van Holland en het Staelduinse Bos. Daarnaast worden waarnemingen gedaan in vleermuiskasten, vrijwel structureel in de Hoekse Bosjes en slechts incidenteel elders, in Park Zestienhoven. Boomverblijfplaatsen in natuurlijke holten zijn in de onderzoeksperiode niet gedocumenteerd. In de periode 2019-2020 (en daarna) zijn door Bureau Stadsnatuur maandelijks 35 vleermuiskasten gecontroleerd in het Kralingse Bos. Daarin is de soort tot op heden niet in aangetroffen, ondanks incidentele batdetectorwaarnemingen op dezelfde locatie.

Figuur 64. Gewone grootoorvleermuis: waarnemingen met indicatie van verblijfplaats (rood) en overige waarnemingen (blauw) in Rotterdam in 2010 2020 (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

85

11.4.9 Uitgelicht: Vleermuiswaarnemingen nader bekeken Inleiding De dataset van vleermuizen waargenomen binnen Rotterdam tussen 2010 en 2020 is bestudeerd en weergegeven in verschillende overzichtskaarten. Een deel hiervan is te vinden in Bijlage 10. Vervolgens is deze data geanalyseerd met als doel mogelijk verband te vinden tussen omgeving en de grootte en structuur van de vleermuispopulatie in het betreffende gebied. Overzichtskaarten van de vleermuiswaarnemingen en verblijfplaatsen in Rotterdam staan al in de hoofdtekst, echter is er veel informatie niet zichtbaar in de kaart als er geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende gedragingen en plaatselijke aantallen. Het doel is dus om dieper in te gaan op de beschikbare data en meer informatie te verkrijgen. Naast interpretatie van gegevens is gekeken naar verbeterpunten binnen de logistiek van de dataset. Dit houdt in: de manier waarop invoeringen zijn gedaan, welke termen er worden gebruikt, welke verschillen er zijn tussen invoerplatforms en welke informatie er mogelijk mist. Het projectgebied betreft het volgende: In de hiernavolgende tabellen zijn de in de data aanwezige vleermuissoorten, het aantal in de analyse meegenomen waarnemingen van die soorten en de bij de waarnemingen vermelde gedragsvariabelen en hun frequentie vermeld. Tabel 10. Aantal vleermuizen per soort.

Tabel 11. Aantal waarnemingen per gedraging

86

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

Groene verbindingen binnen Rotterdam Om de data te vergelijken met abiotische factoren zijn kaarten gemaakt met de groene verbindingen binnen Rotterdam (zie Bijlage 10). Hierin komen onder andere voor: stadsparken, volkstuinen, lanen, waterlopen en het Natuur Netwerk Nederland:

Figuur 65. Groene verbindingen Rotterdam

Resultaten In de volgende paragraaf en de kaarten in Bijlage 10 worden verschillende interpretaties van de gegevens weergegeven. De onderdelen die worden bekeken zijn: Aanwezige winterverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen en kolonies; foerageerplaatsen in combinatie met groenverbindingen in het gebied en tot slot opvallende invoeringen in de gebruikte dataset. Verder zijn de volgende uitgangspunten gebruikt:

•

Voor winterverblijfplaatsen zijn verblijfplaatsen genomen die zijn waargenomen tussen november en maart. Daarnaast zijn winter zwermende vleermuizen weergegeven in de zelfde kaart, omdat deze een goede indicatie geven voor een mogelijke winterverblijfplaats (BIJ12, 2017).

•

Onder zomerverblijfplaatsen vallen alle verblijfplaatsen die buiten de winterperiode vallen en waarvan niet is aangetoond dat deze paarverblijfplaatsen of kraamverblijfplaatsen zijn.

•

Onder paarverblijfplaatsen vallen alle invoeringen voor baltsende vleermuizen. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de invoeringen ‘Baltsend’ en ‘Baltsend vanuit verblijf’, waarbij ‘Baltsend vanuit verblijf’ duidt op een bekende verblijfplaats en ‘Baltsend’ slechts een indicatie is van een dichtbij zijnde verblijfplaats.

•

Een kraamverblijfplaats betekent een verblijfplaats die van begin mei tot half juli wordt gebruikt door een groep van minimaal 20 vrouwtjes vleermuizen. Kolonies zijn in ware hetzelfde, maar deze zijn echt als ‘kolonie’ ingevoerd als waarneming en zijn dus beduidender en betrouwbaarder.

•

Voor de kaart van groenverbindingen (zie Bijlagen) zijn de lagen: Stadsparken, Stadsdeelparken, Volkstuinen, Waterlopen en Lanen gebruikt. Ook is de laag met alle bomen van Rotterdam gebruikt. De kaart is weergegeven in combinatie met de foeragerende vleermuizen om inzicht te krijgen in een mogelijk verband tussen drukke foerageerroutes en aanwezig groen.

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

87

Figuur 66. Gewone dwergvleermuis: zomerverblijfplaatsen Rotterdam 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

Figuur 67. Gewone dwergvleermuis: winterverblijfplaatsen en winterzwermers Rotterdam 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

88

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

Figuur 68. Gewone dwergvleermuis: paarverblijfplaatsen Rotterdam 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

Figuur 69. Gewone dwergvleermuis: kraamverblijfplaatsen Rotterdam 2010-2020. NB: de term ‘Kolonies’ in de brondata impliceert een andere functie maar betekent hetzelfde: kraamverblijfplaats. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

89

Figuur 70. Ruige dwergvleermuis: verblijfplaatsen Rotterdam 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

Figuur 71. Ruige dwergvleermuis: paarverblijf-indicaties Rotterdam 2010-2020. (bron: NDFF - Er is toestemming van de NDFF voor publicatie op puntniveau).

90

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

Opvallende onderdelen in de dataset Op het gebied van invoeringen is er een aantal punten waar verbetering mogelijk is. Veel van deze punten hebben te maken met de verschillende invoersystemen die gebruikt worden bij inventarisaties. De gebruikte platforms die voorkomen in de dataset zijn: WRNPRO, NDFF, Waarneming.nl, Meetnetportaal, Regelink en VZZ. Een van de problemen die optreden bij het gebruik van veel verschillende invoerplatforms is het gebruik van uiteenlopende termen ter aanduiding van bijvoorbeeld het gedrag van de vleermuizen. Gedragstermen Vooral voor aanduiding van een (mogelijke) verblijfplaats zijn er veel verschillende termen binnen de dataset. Hieronder een lijst met voorbeelden: Bezet nest Baltsend Baltsend/zingend Slapend Parend Territorium gedrag Zwermend

Bewoningssporen baltsend In verblijf Invliegend Roepend Uitvliegend Zwermend (algemeen)

Kolonie Baltsend vanuit verblijf Overwinterend Invliegend (algemeen) Territorium indicerend Uitvliegend (algemeen)

Daarnaast zijn er voor overvliegende vleermuizen de termen: ‘Overvliegend’, ‘overvliegend’, ‘overvliegend naar (noord/oost/zuid/west)’, ‘Passerend’, ‘passerend (niet nader omschreven)’, ‘verplaatsend’ en ‘Verplaatsend naar (noord/oost/zuid/west)’. Over het algemeen zorgt dit niet voor problemen omdat er binnen de dataset kan worden gefilterd. Het kost enkel meer tijd. Soms kan de grote hoeveelheid termen echter voor verwarring zorgen, vooral als deze termen niet duidelijk gespecificeerd zijn. Een aantal voorbeelden hiervan: ‘Rustend’, ‘Parend’, ‘Aanwezig’, ‘Ter plaatse’ en ‘Sporen’. Deze termen komen niet veel voor maar ze bieden heel weinig bruikbare informatie. Onbruikbare of misleidende invoeringen Een ander probleem bij het gebruik van verschillende invoerplatforms treedt vooral op bij invoeringen door VZZ en Meetnetportaal. Hier zijn soms invoeringen gedaan voor een monitoring over een langere periode waarin bijvoorbeeld 154 waarnemingen zijn gedaan van Watervleermuizen, of 19 keer een Baardvleermuis; terwijl dit in werkelijkheid niets zegt over het daadwerkelijke aantal op dat punt. Dit soort invoeringen zijn daarom grotendeels niet meegenomen. Overigens zijn er soms ook invoeringen zonder aangegeven aantal. Naast dit soort invoeringen zijn er ook invoeringen aangegeven als polygoon op een centrale plek.

Dit betekent dat er mogelijk veel waarnemingen zijn in een bepaald ongespecificeerd gebied maar dit slechts als één punt is weergegeven. Hierdoor is soms onduidelijk of het gaat om een kraamverblijfplaats of gewoon een gebied met veel vleermuisactiviteit. In de kaart voor winterverblijfplaatsen zijn ook in de winter zwermende vleermuizen weergegeven. Soms zijn deze in grote getalen aanwezig bij een specifiek punt, zoals bij een gebouw. In dit geval is dat waarschijnlijk een verblijfplaats. Maar dat is niet op die manier ingevuld. Bij de kaarten voor paarverblijven is gewerkt met alle invoeringen van baltsende vleermuizen en van vleermuizen die baltsten vanuit verblijf. Er zijn echter ook veel waarnemingen ingevoerd als ‘Roepend’ maar onduidelijk is of dit gaat om sociale roepen of om paargedrag (baltsend). Wanneer dit niet is gespecificeerd bevatten de invoeringen geen bruikbare informatie.

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

91

Conclusies Verblijfplaatsen Bij alle weergegeven verblijfplaatsen in de kaarten geldt dat er soms veel invoeringen zijn op een klein punt. Hierbij gaat het vaak over meerdere verblijfplaatsen in hetzelfde pand die over verschillende periodes in het jaar worden gebruikt. Vooral de noordelijke en zuidelijke delen van Rotterdam bevatten veel aangetoonde verblijfplaatsen. Een reden hiervan kan zijn dat er hier bebouwing is en mogelijk meer onderzoek wordt uitgevoerd. Omgeving Voor veel gebieden op de kaart zijn geen waarnemingen bekend waar ze wel kunnen worden verwacht. Voorbeelden hiervan zijn woonwijken en bepaalde groenstroken of bomenlijnen. Hierdoor is het onduidelijk of er nooit onderzoek is gedaan of dat er niks is aangetroffen. Aannemelijk is dat omgevingsscans soms niet volledig worden uitgevoerd. Er is niet veel te zeggen over een verband tussen omgevingsfactoren en foeragerende vleermuizen omdat de vleermuizen zich over het algemeen sterk hebben verdeeld over de stad en omdat enige informatie nog mist op het gebied van groen in de omgeving. Er is echter wel te zien dat er bij veel stadsparken veel activiteit is. Dit is ook wel aannemelijk vanwege het groene karakter van stadsparken. Echter is het ook aannemelijk dat er meer wordt geïnventariseerd in en rond stadsparken.

Er zijn erg weinig aangewezen stukken natuur in Rotterdam die vallen onder het Natuur Netwerk Nederland. Dit is bij overige grote steden en andere delen van het land vaak anders. Het netwerk van stukken natuur lijkt op te houden rond de stadsgrenzen van Rotterdam. Binnen de stedelijke omgeving gaat het alleen om de Esch en het Eiland van Brienenoord. De rest is buitengebied (polder Schieveen/Oranjebuitenpolder en Bonnenpolder). De duingebieden in Hoek van Holland, zijn ook grotendeels N2000, wat ook geldt voor Ruigeplaatsbos en Visserijgriend Foeragerende vleermuizen In de kaarten met foeragerende vleermuizen vleermuizen (zie Bijlage10) is te zien dat er erg veel waarnemingen zijn geconcentreerd rond de Kralingse Plas en in Het Park. Het is over het algemeen aannemelijk dat er veel activiteit is op dit soort plekken met veel beschutting zoals hoge bomen. Het is echter opvallend dat er in vergelijking maar weinig verplaatsingen van vleermuizen zijn in andere gebieden in Rotterdam. Omdat de waarnemingen zo opvallend strak langs de plas en langs de bomenrijen lopen, is het aannemelijk dat veel van deze waarnemingen niet alleen op vliegroutes duiden, maar ook op foerageerroutes. Wanneer gekeken wordt naar de brongegevens, blijkt dat de meeste waarnemingen betrekking hebben op Batlogger-data, waarbij iedere individuele stip een opname van een geluid representeert.

92

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

12 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN 12.1 Algemeen Onder de grondgebonden zoogdieren verstaan we alle zoogdieren met uitzondering van de vleermuizen en zeezoogdieren. Het gaat in Rotterdam om insecteneters (Egel, spitsmuizen, Mol), haasachtigen (Haas, Konijn), knaagdieren (uitheemse eekhoorns, woelmuizen, Bever, ware muizen), roofdieren (marters, Vos, Huiskat) en Ree.

12.2 Overzicht data 2010-2020 12.2.1 Aantallen Over de periode 2010-2020 zijn 15.613 waarnemingen gedocumenteerd. Het aantal waarnemingen per jaar varieert van 487 in 2014, tot 6.629 in 2017. Het hoge aantal waarnemingen in 2017 hangt samen met de gegevens van Project Wildcamera (zie verderop voor toelichting).

Figuur 72. Grondgebonden zoogdieren: aantal waarnemingen in Rotterdam per jaar in 2010-2020.

Het aantal vastgestelde soorten per jaar varieert van 18 (2013) tot 23 (2017 en 2019).

Figuur 73. Grondgebonden zoogdieren: aantal soorten in Rotterdam per jaar in 2010-2020.

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

93

12.2.2 Verspreiding Aantal soorten per kilometerhok

Figuur 74. Grondgebonden zoogdieren: aantal soorten per kilometerhok in Rotterdam in 2010-2020.

Figuur 75. Grondgebonden zoogdieren: aantal soorten per kilometerhok in 2020.

94

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

95

12.3 Soorten 12.3.1 Algemeen en top tien De rol van de Huiskat in het stedelijk ecosysteem moet niet worden onderschat. Dat blijkt maar weer uit de statistieken, waarin hij fier bovenaan prijkt als meest genoteerde landzoogdier. Men zou dit kunnen wegwuiven, omdat het feitelijk geen inheems onderdeel van de lokale fauna is, maar katten hebben als toppredator een wezenlijke invloed op populaties van tal van andere soorten. Daarom zijn cijfers over het voorkomen van katten waardevol. De top 10 van meest vertegenwoordigde soorten in de data wordt deels gekleurd door de interesse die mensen hebben om bepaalde soorten te noteren. Dat bijvoorbeeld de Egel op plaats twee staat, ruim boven soorten met waarschijnlijk aanzienlijk grotere populaties als Bosmuis of Bruine rat, is vrijwel zeker een waarnemerseffect. Tabel 12. Grondgebonden zoogdieren: top tien meest waargenomen soorten in periode 2010-2020.

soort 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 totaal Huiskat 24 2 2 20 249 238 4000 887 150 159 5731 Egel 119 52 67 84 55 97 109 565 131 240 270 1789 Konijn 154 157 123 125 128 164 116 394 72 102 68 1603 Bosmuis 15 67 17 8 21 16 31 1000 117 15 8 1315 Haas 111 118 81 78 68 87 68 85 87 100 144 1027 Mol 174 94 125 63 57 56 65 17 18 145 205 1019 Huismuis 2 9 6 6 21 72 92 159 305 80 64 816 Vos 109 61 58 98 35 64 27 58 67 27 22 626 Huisspitsmuis 15 86 17 9 18 18 39 181 38 12 5 438 Bruine rat 19 13 20 15 19 17 30 55 43 71 71 373

12.3.2 Bijzonderheden In 2017 werd het landelijke burgerwetenschapsproject ‘Wildcamera – zoogdieren in de achtertuin’ uitgerold in de gemeente Rotterdam (Godijn 2018). Onder leiding van Bureau Stadsnatuur in samenwerking met de Zoogdiervereniging, Wageningen University & Research en Silvavir ecologisch advies zijn in een jaar tijd 60 tuinen onderzocht. Op deze wijze zijn gegevens verzameld over het vóórkomen van zoogdieren in particuliere tuinen, een onderwerp waar voor aanvang van het project nog veel onduidelijkheid over was. Het onderzoek vond plaats met behulp van acht wildcamera’s, die door vier Rotterdamse vrijwilligers de stad door zijn gereisd. Er passeerden niet alleen groene tuinen, ook tegeltuinen en schuttingstallen werden bemonsterd. In de 60 tuinen zijn in totaal 7005 dieren op camera vastgelegd, behorende tot 14 soorten zoogdieren en 30 soorten vogels. Zodoende is een representatief beeld verkregen van het leven in een doorsnee tuin in Rotterdam. Met 2300 waarnemingen was de Huiskat de algemeenste diersoort in de Rotterdamse tuinen, die in 90% van de tuinen aanwezig was (figuur 5). Op de tweede plaats komt de tuinbezitter zelf, die 500 maal werden geregistreerd met een presentie in 55% van de tuinen. Op de derde plaats volgt de Egel, met 229 waarnemingen in 50% van de tuinen ook een relatief talrijke tuinbezoeker.

Dat Huiskatten en egels onze tuinen bevolken zal niemand verbazen. Maar ook minder bekende zoogdiersoorten maken geregeld gebruik van onze achtertuin. Wat te denken van de Bunzing, die in ruim 10% van de tuinen werd vastgesteld? Of zelfs de Steenmarter in 5% van de tuinen. Maar het meest verrassende is toch wel dat de Vos twintig maal werd waargenomen in ruim 8% van de tuinen. Overigens werd gemiddeld over het gehele onderzoeksjaar. De Bruine rat werd opmerkelijk weinig waargenomen in verhouding tot de nieuwswaarde van deze soort. Ook muizen zijn schaars: de Bosmuis en Huismuis zijn de enige soorten die boven de 10%

96

bSR-rapport 438 – Biodiversiteit in Rotterdam 2010-2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c342d3ee-878c-4ed6-8dee-70f6feccdc7f