CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb004827] Bijlage 1B behorende bij 22bb4825 over Bijlagen bij Toelichting obp. 'Rodaristraat Rotterdam

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Het Lage Land-Oosterflank, herziening Rodaristraat Rotterdam’.16.548 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Datum:

14-10-2021; versie 1 (definitief)

Opdrachtnummer:

152929

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING Project:

nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

Opdrachtgever:

Stichting BOOR Schiekade 34 3032 AJ Rotterdam

Intermediar:

ICS Adviseurs Van Nelleweg 1 (Unit 2.3) 3044 BC Rotterdam

Uitgevoerd: Veldbezoek:

06-10-2021 (dhr. S. van de Langenberg BSc.)

Projectleider:

mevr. E.R. Beekman MSc.

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING................................................................................................................................................... 3 2. BESCHRIJVING OMGEVING EN ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................. 3 2.1 Omgeving ................................................................................................................................................. 3 2.2 Onderzoekslocatie..................................................................................................................................... 3 3. VOORGENOMEN HERONTWIKKELING EN RELEVANTE WETGEVING......................................... 4 3.1 Voorgenomen herontwikkeling ................................................................................................................ 4 3.2 Relevante wetgeving ................................................................................................................................. 4 4. ONDERZOEKSMETHODE ......................................................................................................................... 5 4.1 Soortbescherming .....................................................................................................................................

5 4.2 Gebiedsbescherming en bescherming houtopstanden ............................................................................... 6 5. TE VERWACHTEN EN AANGETROFFEN BESCHERMDE SOORTEN ............................................... 6 5.1 Vaatplanten ............................................................................................................................................... 6 5.2 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................................................... 6 5.3 Vleermuizen.............................................................................................................................................. 6 5.4 Reptielen en amfibieën ............................................................................................................................. 7 5.5 Dagvlinders, libellen en kevers, vissen, kreeftachtigen en weekdieren .................................................... 8 5.6 Vogels ....................................................................................................................................................... 8 6. TOETSING SOORTBESCHERMING .........................................................................................................

9 6.1 Algemeen .................................................................................................................................................. 9 6.2 Soorten ...................................................................................................................................................... 9 7 TOETSING GEBIEDENBESCHERMING EN BESCHERMING HOUTOPSTANDEN ......................... 11 7.1 Natura 2000 ............................................................................................................................................ 11 7.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 11 7.3 Bescherming houtopstanden ................................................................................................................... 11 8. CONCLUSIE............................................................................................................................................... 12 9. SLOTOPMERKINGEN .............................................................................................................................. 13

BIJLAGEN 1.1 Regionale situatie (niet op schaal) 1.2 Situatietekening (1:500; A3) 1.3 Foto-overzicht 2 Overzichtskaart Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3 Wettelijk kader 4 Overzicht vrijgestelde soorten beschermingsregime ‘andere soorten’ provincie Zuid-Holland

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 2

1.

INLEIDING In opdracht van ICS Adviseurs (d.d. 20-09-2021), namens Stichting BOOR, is door van Dijk geo- en milieutechniek b.v. een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aangaande een terrein (sportveld) gelegen aan de Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam. Aanleiding voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming betreft de toekomstige nieuwbouw van een schoolgebouw behorende bij het Thorbecke Voortgezet Onderwijs (Prinsenlaan 82). Op basis van een literatuuronderzoek, een veldbezoek en expertkennis wordt de voorgenomen herontwikkeling getoetst aan de vigerende natuurbeschermingswetgeving. Inzake de uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming is tussen van Dijk geo- en milieutechniek b.v. en de opdrachtgever op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze een relatie die de onafhankelijkheid van het resultaat heeft kunnen beïnvloeden.

2.

BESCHRIJVING OMGEVING EN ONDERZOEKSLOCATIE

2.1

Omgeving Onderhavige onderzoekslocatie (gemeente Kralingen, sectie K, nrs. 871, 2284, 2390 en 2391) is gelegen in het noordoostelijke deel van de bebouwde kom van Rotterdam in de wijk ‘Prinsenland’. Op ruim 1,5 km ten westen van de locatie bevindt zich het ‘Kralingse Bos’. De locatie wordt aan de zuidzijde begrenst door een wandelpad met daarachter een kunststof sportveld. Aan de westzijde wordt de locatie begrenst door een basisschool (Jan Antonie Bijloo). Langs de oostzijde bevindt zich een school/parkeerterrein. De noordzijde van de locatie wordt begrenst door een brede (ca. 10 m) en diepe watergang (Rotterdam Rechter Maasoever) met aan weerzijden grotendeels een hoge houten beschoeiing. Op de zuidoever van deze watergang ontbreekt de beschoeiing op enkele plekken en is oeverbegroeiing aanwezig. De ligging van de onderzoekslocatie is globaal aangeduid op een topografische kaart, die is opgenomen als bijlage 1.1.

2.2

Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een sportveld (kort gemaaid grasveld). Aan de randen van het sportveld staat een hekwerk met aan de oostzijde een toegangspoort. Langs de oost- en westzijde van het hekwerk staan een tweetal dikke hagen bestaande uit voornamelijk Spaanse aak (circa 2 m hoog aan de oostzijde en circa 4 meter hoog aan de westzijde). De situatietekening van de onderzoekslocatie is opgenomen als Bijlage 1.2; een foto-overzicht als Bijlage 1.3.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 3

3.

VOORGENOMEN HERONTWIKKELING EN RELEVANTE WETGEVING

3.1

Voorgenomen herontwikkeling In de nabije toekomst zal op onderhavige onderzoekslocatie een nieuw schoolgebouw (behorende bij het Thorbecke Voortgezet Onderwijs) worden gerealiseerd. Het grasveld en de omliggende hoog opgaande groenstructuren (zoals de hagen en begroeide waterkant) zullen ten behoeve van de herontwikkeling verdwijnen dan wel worden aangetast. De footprint van de toekomstige nieuwbouw is weergegeven op de situatietekening (zie Bijlage 1.2).

3.2

Relevante wetgeving De voorgenomen herontwikkeling dient getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming (2017). Deze wet vervangt en bouwt voort op drie wetten, gericht op soortbescherming (Flora- en Faunawet), gebiedsbescherming (Natuurbeschermingswet 1998) en de bescherming van houtopstanden (Boswet). In deze paragraaf is een beknopte beschrijving opgenomen van de natuurbeschermingswetgeving waaraan de voorziene herontwikkeling moet worden getoetst. In Bijlage 3 is een uitgebreidere beschrijving opgenomen. Voor de Wet natuurbescherming is de provincie het bevoegd gezag met betrekking tot de handhaving en het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen. Soortbescherming Vanuit de soortbescherming wordt een aantal dier- en plantensoorten streng beschermd. Al het handelen dat schadelijk is voor deze soorten is in beginsel verboden. Hierbij gaat het niet enkel om het doden of verstoren van individuen van deze soorten, maar tevens om vernietiging of verstoring van essentiële onderdelen van hun functionele leefomgeving (bijvoorbeeld voortplantings- en verblijfplaatsen). De streng beschermde soorten staan vermeld in drie onderdelen van de Wet natuurbescherming: - Vogelrichtlijn (artikel 3.1), - Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5), - Lijst nationaal beschermde dier- en plantensoorten (artikel 3.10).

Voor deze soorten geldt geen vrijstelling in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Uitzondering hierop betreft een aantal soorten van de ‘lijst nationaal beschermde dier- en plantensoorten’, waarvoor elke provincie afzonderlijk een soortenlijst heeft opgesteld. Desbetreffende lijst voor de provincie ZuidHolland is opgenomen in Bijlage 4. Tevens geldt voor alle in het wild levende planten en dieren een zorgplicht: schadelijke handelingen zoals het doden of opzettelijk verstoren van wilde dieren en het uitgraven, plukken en vernietigen van groeiplaatsen van planten is in principe verboden. Dit houdt in dat eenieder zorg dient te dragen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving en dus niet enkel voor de eerder besproken streng beschermde soorten. Gebiedsbescherming Het doel van de gebiedsbescherming is het behouden van terreinen en wateren met bijzondere natuur- en landschapswaarden. Indien het plangebied nabij een dergelijk gebied is gelegen, dient vastgesteld te worden of de voorziene herontwikkeling mogelijk een effect heeft op de beschermde natuur. De beschermde gebieden in kwestie vormen samen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Binnen het NNN liggen gebieden die onderdeel uitmaken van een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, de Natura 2000-gebieden, waarvoor strengere beschermingseisen gelden.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 4

Bescherming houtopstanden Het doel van de bescherming van houtopstanden is het in stand houden van het areaal aan bos en houtopstanden. Onder een houtopstand wordt in de Wet natuurbescherming een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend bedoeld, gelegen buiten de bebouwde kom met een minimale oppervlakte van tien are, of bestaande uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen gerekend over het totaal aantal rijen. Bomen in een tuin vallen per definitie niet onder de houtopstanden. Sommige gemeenten hebben de bescherming van hun bomenbestand verder vastgelegd in een boomverordening. Hierin wordt soms een andere definitie voor een houtopstand gehanteerd en staan regels over herplanting of compensatie bij kap. Derhalve kan het voorkomen dat er, ondanks dat er volgens de Wet natuurbescherming geen vergunningsplicht is, toch een vergunning noodzakelijk is. Deze kan worden aangevraagd bij de gemeente. Dit rapport richt zich op houtopstanden zoals deze worden gedefinieerd in de Wet natuurbescherming.

4.

ONDERZOEKSMETHODE

4.1

Soortbescherming Literatuuronderzoek Op basis van verspreidingsgegevens wordt bepaald welke streng beschermde soorten in en/of nabij het plangebied zijn waargenomen. De gebruikte verspreidingsgegevens zijn afkomstig van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en andere gerenommeerde bronnen, zoals Soortenbank, Floron, Zoogdiervereniging, Vlinderstichting, Ravon en Sovon. Veldbezoek Op 28-09-2021 is door een ecoloog (dhr. S. van de Langenberg BSc.) een veldbezoek uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek is bepaald of binnen dan wel direct nabij onderhavig plangebied biotopen aanwezig zijn die geschikt zijn voor streng beschermde soorten welke op basis van het literatuuronderzoek in de directe omgeving van het plangebied worden verwacht. Tevens is de onderzoekslocatie globaal geïnventariseerd op het voorkomen van levende organismen of sporen (zoals resten, uitwerpselen of nesten) van streng beschermde flora en fauna. Vanwege het veldbezoek in de maand september sluit het niet aantreffen van individuen en/of sporen van beschermde soorten de aanwezigheid van deze soorten niet direct uit. Voor enkele soorten, zoals trekvogels en éénjarige planten, geldt dat deze seizoensgebonden zijn en derhalve niet jaarrond kunnen worden aangetroffen. Tijdens het veldbezoek wordt daarom tevens gekeken naar de aanwezigheid van specifiek habitat van beschermde soorten.

Het veldbezoek betreft een oriënterende inspectie. Benadrukt wordt dat dit geen volledige inventarisatie betreft. Het onderzoek geeft een verwachting van het al dan niet voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Toetsing Op basis van literatuur en ecologische deskundigheid wordt afgewogen of de voorziene ruimtelijke ingrepen mogelijkerwijs significant negatieve effecten hebben op het voorkomen van streng beschermde soorten. Wanneer dergelijke effecten niet vallen uit te sluiten zal geadviseerd worden over benodigd vervolgonderzoek.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 5

4.2

Gebiedsbescherming en bescherming houtopstanden Met behulp van Atlas Leefomgeving wordt vastgesteld wat de afstand is van de onderzoekslocatie tot de dichtstbij gelegen Natura 2000 en NNN-gebieden. Op basis van de afstand tot de gebieden en de aard van de herontwikkeling wordt afgewogen of er mogelijk sprake is van significante aantasting of vermindering van het oppervlak of van de samenhang binnen de gebieden. Indien dit niet uit te sluiten valt zal advies worden gedaan over benodigd vervolgonderzoek. Voorts wordt op basis van het veldbezoek bepaald worden of er ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is van een houtopstand. Indien dit het geval is zal advies worden gegeven over de benodigde vervolgstappen.

5.

TE VERWACHTEN EN AANGETROFFEN BESCHERMDE SOORTEN In onderstaande paragrafen 5.1 t/m 5.6 worden per soortgroep de resultaten van het literatuuronderzoek en veldbezoek beschreven.

5.1

Vaatplanten Op basis van verspreidingsgegevens komen de streng beschermde blaasvaren en schubvaren voor in de omgeving van het plangebied. Tijdens het bezoek zijn voornamelijk algemene planten aangetroffen (zoals spaanse aak, grote brandnetel, harig knopkruid en madelief. Er zijn geen exemplaren of resten van streng beschermde vaatplanten aangetroffen. Bovengenoemde soorten komen voor op oude kalkstenen (stads)muren of andere kalkrijke rotsachtige locaties. Deze habitattypen zijn binnen de onderzoekslocatie niet voorhanden, waardoor bovengenoemde beschermde plantensoorten hier niet verwacht worden.

5.2

Grondgebonden zoogdieren Op basis van verspreidingsgegevens komen de streng beschermde damhert en bever voor in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen individuen en holen en/of sporen van streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. In verband met de afwezigheid van voedselrijk (oever)bos, verstoring door veel menselijke activiteit en de geïsoleerde ligging van het plangebied te midden van de bebouwde kom van Rotterdam kan het voorkomen van genoemde soorten in het plangebied worden uitgesloten.

5.3

Vleermuizen In Nederland komen rond de achttien vleermuissoorten voor die allen streng beschermd zijn. Bomen en gebouwen zijn essentiële elementen voor vliegroutes, foerageergebied en/of als verblijfplaats. Op basis van verspreidingsdata komen diverse soorten vleermuizen voor in de omgeving van het plangebied. Foerageergebied en vliegroutes De locatie bestaat uit open terrein met in de directe omgeving (hoge) bebouwing, enkele (grote) bomen en open water en wordt derhalve geschikt geacht als jachtterrein (foerageergebied) voor vleermuizen. De bomen en bebouwing in de omgeving maken tevens mogelijk onderdeel uit van vliegroutes. Er zijn geen bomen of gebouwen binnen de planlocatie aanwezig, waardoor het plangebied géén onderdeel uitmaakt van vliegroutes.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 6

Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holtes in bomen (voornamelijk oude spechtengaten) en ruimtes in gebouwen zoals in spouwmuren, in ruimtes tussen dakbedekking en het dakbeschot, achter vensterluiken en in andere ruimtes die bereikbaar zijn door openingen (kieren, scheuren etc.) in het bouwwerk. Door het jaar heen worden verblijfplaatsen op verschillende manieren gebruikt. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen, waarbij vleermuizen andere eisen stellen aan ieder type verblijfplaats (Vleermuiswerkgroep Nederland). Op de onderzoekslocatie ontbreekt het aan bomen en (geschikte) bebouwing. Hierdoor kan het voorkomen van winter-, kraam-, zomer- en/of paarverblijfplaatsen voor vleermuizen binnen de locatie worden uitgesloten. In de bebouwing op buurtpercelen zijn mogelijk wel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig, echter gezien de ruime afstand tot deze bebouwing, wordt een eventueel negatief effect op deze verblijfplaatsen uitgesloten. 5.4

Reptielen en amfibieën Op basis van verspreidingsdata komen de streng beschermde alpenwatersalamander, rugstreeppad en ringslang voor in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen en/of amfibieën binnen het plangebied waargenomen. De alpenwatersalamander is heeft een sterke voorkeur voor wateren zonder vis. De watergang direct grenzend aan de onderzoekslocatie betreft visrijk water (vissen waargenomen tijdens het veldbezoek). Binnen de onderzoekslocatie en in de directe omgeving is derhalve geen geschikt habitat voor de alpenwatersalamander aanwezig. Op basis van bovenstaande kan het voorkomen van de soort binnen en nabij de locatie derhalve worden uitgesloten. De rugstreeppad is een soort die voornamelijk voorkomt in open en dynamische gebieden met een pionierskarakter, zoals braakliggende bouwplaatsen, groeves, duinen en uiterwaarden. De soort maakt onder andere van terreinen met een zandige vergraafbare bodem gebruik als winterverblijfplaats. Als voortplantingshabitat wordt gebruik gemaakt van ondiepe (vaak tijdelijke) poeltjes. Nieuw ontstaan geschikt habitat, zoals bouwplaatsen, worden in rap tempo gekoloniseerd mits goed bereikbaar voor een elders reeds gevestigde populatie. Hierbij worden regelmatig afstanden van meer dan 500 m per nacht afgelegd.

Barrières voor kolonisatie bestaan onder andere uit drukke wegen en brede watergangen met beschoeide waterkanten (Ravon). De nabij gelegen watergang is te diep om eieren in af te kunnen zetten. Voorts zijn op en direct nabij onderhavige locatie geen andere plekken aangetroffen waar deze paddensoort zich kan voortplanten (zoals zeer ondiepe poelen en/of plassen) of waar de soort zich kan ingraven om te overwinteren (vergraafbaar zand). Onderhavige onderzoekslocatie en aangrenzende percelen voldoen in de huidige situatie derhalve niet aan de habitat specifieke kenmerken zoals hierboven genoemd, waardoor het voorkomen van deze soort kan worden uitgesloten. Wanneer er tijdens de werkzaamheden grond en/of zand (langdurig) braak komt te liggen wordt het plangebied mogelijk wel interessant voor de rugstreeppad om te overwinteren. Tevens kan door bijv. bandensporen, plasvorming ontstaan waar de rugstreeppad zijn eieren in kan afzetten.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 7

De ringslang houdt zich voornamelijk op in rietkragen of andere begroeiing langs oeverzones van meren, poelen, rivieren en kanalen, maar kan ook aangetroffen worden verder van water vandaan in bosranden of heidevelden. Zijn leefgebied vertoont vaak veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voldoende eiafzetmogelijkheden (zoals mestvaalten en composthopen), opwarmplekken, samen met een ruim aanbod aan wateren zijn belangrijke randvoorwaarden (Ravon). Op onderhavig plangebied ontbreekt het aan veel ruimtelijke variatie of eiafzetmogelijkheden. Tevens ligt de onderzoekslocatie te midden van de drukke woonwijk Prinsenland. Op basis van de (geïsoleerde) ligging en het ontbreken van geschikte landschapstypen kan het voorkomen van de soort binnen en direct nabij onderhavige onderzoekslocatie redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.5

Dagvlinders, libellen en kevers, vissen, kreeftachtigen en weekdieren Op basis van verspreidingsdata komen de streng beschermde grote modderkruiper, groene glazenmaker en rivierrombout voor in de omgeving van de planlocatie. Er zijn geen individuen van streng beschermde soorten van in hoofde genoemde soortgroepen waargenomen. Genoemde soorten maken gebruik van waterpartijen met uitbundige waterplantengroei (in het bijzonder krabbenscheer) of verlandingsvegetaties (grote modderkruiper en groene glazenmaker) en grote (stromende) rivieren of beken (rivierrombout). Op onderhavige onderzoekslocatie is geen sprake van open water. De watergang ten noorden van de locatie betreft een gëutrofieerde watergang met een zeer beperkte begroeiing door waterplanten (geen krabbenscheer). Zowel onderhavige onderzoekslocatie als de directe omgeving betreft derhalve geen geschikt habitat voor grote modderkruiper, groene glazenmaker en rivierrombout, waardoor deze soorten binnen en in de directe nabijheid van de locatie kunnen worden uitgesloten.

5.6

Vogels Naast algemene vogelsoorten, waarvan de nesten enkel in het broedseizoen beschermd zijn, zijn er ook vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Deze vogelsoorten zijn opgedeeld in vijf categorieën (1 t/m 5). Nesten van vogelsoorten uit de categorieën 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd omdat de vogelsoorten uit deze categorieën het nest buiten het broedseizoen in gebruik nemen als vaste rust- en verblijfplaats, de soort erg honkvast is en afhankelijk is van bebouwing of biotoop, de (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar zijn of omdat de soort niet of nauwelijks in staat is zelf een nest te bouwen. Vogelsoorten uit categorie 5 zijn soorten die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed (of de directe omgeving er van), maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Nesten van vogelsoorten uit de categorie 5 zijn enkel jaarrond beschermd wanneer zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden (zoals onvoldoende alternatieven) dat rechtvaardigen. Daarnaast zijn vanuit de Wet natuurbescherming alle broedvogels, nesten en eieren beschermd. Algemene vogelsoorten Tijdens het veldbezoek is een kokmeeuw waargenomen in het plangebied.

In de oostelijke haag is vogelnest aangetroffen, waarvan de soort niet was te achterhalen (foto 7 in bijlage 1.3). Vanwege het formaat en de locatie van dit nest, betreft dit zeer waarschijnlijk een algemene vogelsoort. Mogelijk broeden meer algemene vogelsoorten in de struiken/hagen/wateren op en/of nabij de onderzoekslocatie en maken zij gebruik van de locatie als foerageergebied.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 8

Vogelsoorten uit categorieën 1 t/m 4 Vogelsoorten uit categorieën 1 t/m 4 die op basis van verspreidingsgegevens in de omgeving van de planlocatie voor komen zijn boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Tijdens het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen van vogelsoorten uit de categorieën 1 t/m 4 waargenomen binnen het plangebied. Wegens het ontbreken van geschikte nestlocaties (zoals rustige omgeving, hoge dichtheid van hoge bomen, oude open en hoge schuren/gebouwen, openingen tussen dakpannen of tussen dakranden en stenen muren) kunnen nesten van genoemde soorten binnen of direct nabij onderhavige onderzoekslocatie worden uitgesloten. Mogelijk maakt een aantal vogelsoorten uit de categorieën 1 t/m 4 wel gebruik van onderhavig plangebied als foerageergebied. Soorten uit categorie 5 Tijdens het veldbezoek zijn geen individuen van vogelsoorten uit de categorie 5 waargenomen. Mogelijk broeden/foerageren vogelsoorten uit de categorie 5, zoals koolmees en pimpelmees, in de struiken/hagen op en/of nabij de onderzoekslocatie en maken zij gebruik van de locatie als foerageergebied.

6.

TOETSING SOORTBESCHERMING

6.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de effecten (verstoring en/of vernietiging) van de voorgenomen herontwikkeling beschreven op streng beschermde soorten die (mogelijk) voorkomen in en/of nabij het plangebied. Deze effecten kunnen tijdelijk of permanent van aard zijn. Een tijdelijke effect bestaat bijvoorbeeld uit verstoring ten gevolge van geluid, trillingen en licht (bouwlampen) tijdens sloop- en/of nieuwbouwwerkzaamheden. Permanente effecten bestaan bijvoorbeeld uit het verdwijnen dan wel aanbrengen van begroeiing, bebouwing, verlichting, bestrating of tuinen. Aan de hand van deze effecten wordt aangegeven of de Wet natuurbescherming een belemmering vormt voor de voorgenomen werkzaamheden. Voor specifieke situaties zal worden beschreven hoe overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen. Indien het voorkomen van overtredingen niet mogelijk is, zal het uitvoeren van een nader onderzoek naar de desbetreffende soort(en) en/of een aanvullend onderzoek gericht op beschermde natuurgebieden worden geadviseerd.

6.2

Soorten Vleermuizen Foerageren en vliegroutes Onderhavig plangebied maakt mogelijk deel uit van foerageergebied van vleermuizen. Met de geplande herinrichting verdwijnt een deel van de bestaande open structuur, waardoor er verlies van foerageergebied is. Echter wordt op basis van het grote aanbod gelijkwaardige foerageer-alternatieven in de directe omgeving niet verwacht dat het plangebied een essentieel onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van vleermuizen. De bomen en/of bebouwing in de omgeving maken mogelijk onderdeel uit van vliegroutes. Echter, omdat er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voldoende (al dan niet betere) opgaande structuren (in de vorm van bebouwing en bomen) aanwezig zijn, zal er geen sprake zijn van significante aantasting van eventuele essentiële vliegroutes.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 9

Wel dient er tijdens de nieuwbouwwerkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (van april/mei tot oktober/november) rekening te worden gehouden met vleermuizen. Vleermuizen kunnen bijvoorbeeld verstoord worden door verlichting. Vleermuizen vliegen en foerageren bij schemer en in het donker. Derhalve zullen werkzaamheden bij daglicht geen verstoring veroorzaken. Eventueel kunnen werkzaamheden ook bij schemer en in het donker worden uitgevoerd mits de bouwlampen op aangeven van een ecoloog goed worden gericht zodat geen verlichting van de omliggende groenstructuren optreedt. Reptielen en amfibieën Rugstreeppad Momenteel wordt het perceel en direct omliggend terrein niet gezien als geschikt leefgebied voor rugstreeppad. Wanneer er bij de werkzaamheden grond braak komt te liggen, is dit wel geschikt als leefgebied. Om kolonisatie van de rugstreeppad tegen te gaan dient voorkomen te worden dat gedurende het voorplantingsseizoen (globaal van april tot en met juli) langdurig sprake is van ondiepe plassen en poelen (in bijv. de bandensporen). Dit kan door de plassen en poelen te dempen met grond en langdurig aanwezige (ongestoorde) kale gronden/zandhopen in te zaaien met een grasmengsel zodat eventuele individuen van rugstreeppad zich niet voor de winterperiode (van oktober tot april) kunnen ingraven.

Voornoemde handelingen kunnen achterwege worden gelaten door het terrein af te schermen (bijv. door plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond) en daarmee toegang voor amfibieën tot een braakliggend terrein te voorkomen. Vogels Foerageren Onderhavig plangebied maakt mogelijk deel uit van foerageergebied van algemene vogelsoorten en vogelsoorten uit de categorieën 1 t/m 5. Met de geplande herinrichting verdwijnt een groot deel van de aanwezige groenstructuur, waardoor er verlies van foerageergebied is. Echter wordt gezien de gelijkwaardige (al dan niet betere) foerageeralternatieven in de directe omgeving aangenomen dat het plangebied geen essentieel onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van algemene vogelsoorten en soorten uit de categorieën 1 t/m 5. Broeden algemene vogelsoorten en vogelsoorten uit de categorie 5 Mogelijk broeden binnen (struiken/hagen) of nabij het plangebied algemene vogelsoorten en vogelsoorten uit de categorie 5. Voor algemene soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Voor de meeste soorten uit de categorie 5 die binnen het plangebied kunnen voorkomen geldt dat er geen sprake is van een afnemende trend in het voorkomen (sovon.nl).

Voorts blijven na de herinrichting nog voldoende alternatieven voor genoemde soorten over in de directe omgeving van het plangebied. Er is dan ook geen sprake van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden voor vogelsoorten uit categorie 5. Vanuit de Wet natuurbescherming zijn alle broedvogels, nesten en eieren beschermd. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd worden mogelijk nesten verstoord of vernietigd. Derhalve dient rekening te worden gehouden met broedvogels in het algemeen. Geadviseerd wordt met de start van de nieuwbouwwerkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen met voorkeur in de winter aan te vangen. De meeste vogels broeden in de periode van circa 15 maart tot 15 juli. Echter wordt benadrukt dat alle broedvogels beschermd zijn ook als zij buiten het reguliere broedseizoen broeden. Indien de aanvang van de nieuwbouwwerkzaamheden toch gepland staat tijdens het broedseizoen, dienen de geschikte nestmogelijkheden – binnen de invloedssfeer van onderhavige herontwikkeling – voorafgaand (in de winter) onder ecologische begeleiding ongeschikt gemaakt te worden. 14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 10

7

TOETSING GEBIEDENBESCHERMING EN BESCHERMING HOUTOPSTANDEN In dit hoofdstuk wordt de voorziene ruimtelijke ingreep getoetst aan de gebiedsbescherming van Natura-2000 en het NNN en aan de bescherming van houtopstanden. Een kaart van de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 en het NNN in de omgeving is opgenomen als Bijlage 4.

7.1

Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft “Boezems-Kinderdijk” gelegen op circa 8 km ten zuidoosten van onderhavige onderzoekslocatie. In de beheerplannen van dit Natura 2000-gebied(en) zijn diverse doelstellingen opgenomen met betrekking tot specifieke habitattypes (o.a. behoud oppervlakte en kwaliteit of uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit). Activiteiten buiten deze Natura 2000-gebieden kunnen de natuurwaarden in het gebied beïnvloeden, waardoor er negatieve gevolgen voor de beschermde Natura habitattypen en doelsoorten kunnen ontstaan. Dit wordt “externe werking” genoemd. Mogelijke effecten die zich kunnen voordoen door activiteiten buiten de Natura 2000-gebieden zijn chemische effecten (o.a. verzuring en vermesting), fysische effecten (o.a. verdroging en vernatting), mechanische effecten (o.a. verstoring door geluid, licht en trilling) en directe menselijke effecten (toename van betreding en bewuste ingreep soortensamenstelling). De gevoeligheid van habitattypes en doelsoorten voor bovenstaande genoemde effecten kan variëren. Gezien de ligging van het plangebied te midden van de bebouwde kom en de afstand tot het Natura 2000-gebied, wordt een negatief effect van de voorgenomen herontwikkeling op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied niet aannemelijk geacht.

7.2

Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie ligt op circa 3,4 km ten westen van het dichtstbijzijnde gedeelte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betreft een gedeelte oeverzone van de Hollandsche IJssel. Een kaart van de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het NNN in de omgeving is opgenomen als Bijlage 2. Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tussen de planlocatie en het NNN wordt niet aannemelijk geacht dat de voorziene ruimtelijke ingreep zal lijden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

7.3

Bescherming houtopstanden Binnen de onderzoekslocatie zijn geen bomen aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied staan enkele bomen van verschillende groottes. Deze bomen maken echter geen onderdeel uit van een houtopstand zoals deze wordt gedefinieerd in de Wet natuurbescherming.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 11

8.

CONCLUSIE Aan de hand van de bevindingen van het literatuuronderzoek en het veldbezoek kan worden geconcludeerd dat er binnen de invloedssfeer van onderhavige onderzoekslocatie géén sprake is van vaste verblijfplaatsen, jaarrond beschermde nesten en/of essentieel leefgebied van streng beschermde soorten. Tevens zijn er vanuit de gebiedsbescherming en de bescherming houtopstanden geen bezwaren tegen de voorziene herontwikkeling. Wel dient voorafgaand aan en tijdens de werkzaamheden rekening te worden gehouden met: • vleermuizen (foerageren en vliegroutes); werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (van april/mei tot oktober/november) dienen, i.v.m. verstoring door kunstlicht, bij daglicht uitgevoerd te worden. Eventueel kunnen werkzaamheden ook bij schemer en in het donker worden uitgevoerd mits de bouwlampen op aangeven van een ecoloog goed worden gericht zodat geen verlichting van de omliggende structuren optreedt, • rugstreeppad; gedurende het voorplantingsseizoen (globaal van april tot en met juli) dient het ontstaan van langdurig aanwezige ondiepe plassen en poelen (in bijv.

de bandensporen) en kale gronden of grond- en/of zandhopen voorkomen te worden door de plassen en poelen voortijdig te dempen met grond en langdurig aanwezige (ongestoorde) kale gronden/zandhopen voortijdig in te zaaien met een grasmengsel ten einde ingraving voor de winterperiode (van oktober tot april) te voorkomen; toegang tot het braakliggende terrein kan tevens worden voorkomen door het terrein af te schermen (bijv. door plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond), • broedvogels in het algemeen; met de start van de werkzaamheden dient buiten het reguliere broedseizoen (van circa 15 maart tot 15 juli) met voorkeur in de winter te worden aangevangen. Indien de aanvang van de nieuwbouwwerkzaamheden toch gepland staat tijdens het broedseizoen, dienen de geschikte nestmogelijkheden – binnen de invloedssfeer van onderhavige herontwikkeling – voorafgaand (in de winter) onder ecologische begeleiding ongeschikt gemaakt te worden. Benadrukt wordt dat ten allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving.

14-10-2021 versie 1 (definitief)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 12

9.

SLOTOPMERKINGEN Er is gestreefd naar het verkrijgen van een goede inschatting van het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Echter kan op basis van de bevinding en resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming niet worden uitgesloten dat er binnen het plangebied incidenteel streng beschermde soorten voorkomen die redelijkerwijs niet op de onderzoekslocatie worden verwacht. Wellicht ten overvloede wordt er op gewezen dat de uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming een momentopname is. Hierdoor zijn de waarnemingen tijdens het veldwerk beperkt houdbaar (3 tot 5 jaar; afhankelijk van het beschermingsregime van de betreffende soort). In vertrouwen u hiermede van dienst te zijn geweest, verblijven wij, hoogachtend, van Dijk geo- en milieutechniek b.v.

dhr. drs. M.R. Hanraads (directeur)

14-10-2021 versie 1 (definitief)

mevr. E.R. Beekman MSc. (projectleider Milieu)

Quickscan Wet natuurbescherming nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam

152929 Pagina 13

Bijlage 1

1.1 Regionale situatie 1.2 Situatietekening 1.3 Foto-overzicht

REGIONALE SITUATIE

Deze kaart is noordelijk georiënteerd

Adviesbureau voor geotechniek en milieu Strijkviertel 30 3454 PM De Meern

Legenda = onderzoekslocatie

Bijlage 1.1

Project:

Tel. : 030 - 666 1746 E-mail : teken@vandijktech.nl

Nieuwbouw schoolgebouw, Rodaristraat 3 - Prinsenlaan 82

Plaats: Opdrachtnr.: Schaal: Datum:

Rotterdam 152929 niet op schaal oktober 2021

FOTOREPORTAGE Foto 1

Foto 2

Foto 3 haag oostzijde

Foto 4

haag westzijde

Foto 5

Foto 6

watergang met oeverbegroeiing

Adviesbureau voor geotechniek en milieu Strijkviertel 30 3454 PM DE MEERN

Project:

Bijlage 1.3

Tel. : 030 - 666 17 46 Fax : 030 - 666 48 54 E-mail : teken@vandijktech.nl

Nieuwbouw schoolgebouw, Rodaristraat 3 - Prinsenlaan 82

Plaats: Opdrachtnr.: Datum: Volgnummer:

Rotterdam 152929 oktober 2021 1/2

Foto 7 vogelnest in haag

Foto 8

ontbrekende beschoeiing

Adviesbureau voor geotechniek en milieu Strijkviertel 30 3454 PM DE MEERN

Project:

Bijlage 1.3

Tel. : 030 - 666 17 46 Fax : 030 - 666 48 54 E-mail : teken@vandijktech.nl

Nieuwbouw schoolgebouw, Rodaristraat 3 - Prinsenlaan 82

Plaats: Opdrachtnr.: Datum: Volgnummer:

Rotterdam 152929 oktober 2021 2/2

Bijlage 2

Natura 2000-gebieden & Natuurnetwerk Nederland (NNN)

NNN en Natura 2000-gebieden rondom Rotterdam

Donkse Laagten (14 km)

Oude Maas (12 km)

Boezems Kinderdijk (8 km)

Deze kaarten zijn noordelijk georiënteerd

Legenda

bron: https://www.zuid-holland.nl/

Adviesbureau voor geotechniek en milieu Strijkviertel 30, 3454 PM De Meern

Project: = onderzoekslocatie

Tel. : 030 - 666 1746 Fax 030 - 666 4854 E-mail : teken@vandijktech.nl

Nieuwbouw schoolgebouw, Rodaristraat 3 - Prinsenlaan 82

Plaats: Opdrachtnr.: Schaal: Datum:

Rotterdam 152929 niet op schaal oktober 2021

Bijlage 3

Wettelijk kader

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING

Algemeen De natuurwetgeving in Nederland bestaat uit drie onderdelen, te weten soortbescherming (voormalige Flora- en faunawet), gebiedsbescherming (voormalige Natuurbeschermingswet 1998) en bescherming van houtopstanden (de voormalige Boswet) die per 1 januari 2017 allen vallen onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Soortbescherming De Wet Natuurbescherming beschermt een groot aantal in Nederland voorkomende wilde dier- en plantensoorten. Het uitgangspunt van de soortenbescherming is 'Nee, tenzij'. Dit houdt in dat alles wat schadelijk is voor bedreigde soorten in beginsel verboden is. Met behulp van een ontheffing of vrijstelling kan van dit verbod worden afgeweken. Onderstaand zijn de verbodsbepalingen opgesomd. De Wet Natuurbescherming verdeelt soorten over drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten (incl. Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn) en andere soorten. Soorten Vogelrichtlijn Hier onder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Voor activiteiten zoals ruimtelijke ontwikkelingen of het bestendig beheren of onderhouden van watergangen, bermen, natuurterreinen en dergelijke zijn geen provinciale vrijstellingen mogelijk. Art. 3.1: Verboden m.b.t. van nature in Nederland in het wild levende vogels 1.

levende vogels opzettelijk te doden of te vangen 2. nesten, rustplaatsen en eieren opzettelijk te vernielen of te beschadigen of nesten van vogels weg te nemen. 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Vogels opzettelijk te verstoren. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Onder dit beschermingsregime vallen de Europees beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Voor activiteiten als ruimtelijke ontwikkelingen of het bestendig beheren of onderhouden van watergangen, bermen, natuurterreinen en dergelijke zijn geen provinciale vrijstellingen mogelijk. Art. 3.5: Verboden ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn 1. Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoelt in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen

5.

Het is verboden planten van deze soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Naast de bescherming van vogels middels de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn is door de RVO een aanvullend beschermingsregime opgesteld. Binnen dit beschermingsregime geldt voor alle broedvogels een gelijke bescherming. Hierdoor is het vaak noodzakelijk dat werkzaamheden buiten het broedseizoen (over het algemeen van 15 maart tot 15 juli) worden uitgevoerd. Ook vogels die buiten het reguliere broedseizoen broeden zijn beschermd. Aanvullend zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Deze vogelsoorten zijn ingedeeld in de volgende vijf categorieën: 1. 2.

3.

4. 5.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

De nesten van vogelsoorten opgenomen in categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd; de nesten van vogelsoorten uit categorie 5 zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Om te bepalen of er voldoende alternatieven zijn kan een inventarisatie of omgevingscheck te worden uitgevoerd. Voor de aangepaste lijst jaarrond beschermde nesten wordt verwezen naar de website van de RvO (www.rvo.nl). Soorten van de lijst ‘andere soorten’ Onder dit beschermingsregime vallen de nationaal beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Elke provincie geeft middels een vrijstellingsverordening aan welke soorten uit artikel 3.10 binnen de betreffende gemeente een vrijstelling genieten voor het verrichten van handelingen in het kader van ruimtelijke ingrepen, bestendig beheer en bestendig gebruik. De lijst met beschermde soorten binnen dit beschermingsregime is dus per provincie verschillend. Art 3.10: Verboden ten aanzien van de soorten van de lijst ‘andere soorten’. Het wetsontwerp bestaat uit twee lijsten waarvan één met diersoorten (bijlage; onderdeel A) en één met plantensoorten (bijlage; onderdeel B). 1. Het is verboden om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet opzettelijk te doden of te vangen. 2.

Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te vernielen. 3. Het is verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De beschermingsregimes met de daarin beschreven beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming zijn te vinden op de website van de RvO (www.rvo.nl). Daarnaast geldt de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Voor nadere informatie met betrekking tot de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar de website van de RvO (www.rvo.nl). Gebiedsbescherming Met behulp van de Wet Natuurbescherming (de voormalige Natuurbeschermingswet 1998) worden Natura 2000-gebieden (habitat- en vogelrichtlijngebieden) beschermd. Voor Natura 2000-gebieden gelden algemene en gebiedsspecifieke doelstellingen. Verder zijn gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland (NNN; voormalige EHS) planologisch beschermd. Deze wettelijke bescherming van het NNN verloopt niet via de natuurwetgeving maar via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). In of in de nabijheid van de beschermde gebieden zijn handelingen verboden die de waarden, kenmerken of functies van het gebied kunnen aantasten. Voor nadere informatie met betrekking tot gebiedsbescherming wordt verwezen naar de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.rvo.nl).

Bescherming van houtopstanden Vanuit de Wet Natuurbescherming (de voormalige Boswet) geldt dat het vellen van een (deel van een) houtopstand van te voren gemeld moet worden. Na het vellen geldt de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.

Bijlage 4

Vrijgestelde soorten beschermingsregime ‘andere soorten' provincie Zuid-Holland

Vrijgestelde soorten beschermingsregime ‘andere soorten’ Provincie Zuid-Holland Soortgroep

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Amfibieën

bruine kikker

Rana temporaria

Amfibieën

gewone pad

Bufo bufo

Amfibieën

kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Amfibieën

meerkikker

Pelophylax ridibundus

Amfibieën

middelste groene kikker/bastaardkikker

Pelophylax kl. esculentus

Zoogdieren-landzoogdieren

aardmuis

Microtus agrestis

Zoogdieren-landzoogdieren

bosmuis

Apodemus sylvaticus

Zoogdieren-landzoogdieren

bunzing

Mustela putorius

Zoogdieren-landzoogdieren

dwergmuis

Micromys minutus

Zoogdieren-landzoogdieren

dwergspitsmuis

Sorex minutus

Zoogdieren-landzoogdieren

egel

Erinaceus europeus

Zoogdieren-landzoogdieren

gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Zoogdieren-landzoogdieren

haas

Lepus europeus

Zoogdieren-landzoogdieren

hermelijn

Mustela erminea

Zoogdieren-landzoogdieren

huisspitsmuis

Crocidura russula

Zoogdieren-landzoogdieren

konijn

Oryctolagus cuniculus

Zoogdieren-landzoogdieren

ree

Capreolus capreolus

Zoogdieren-landzoogdieren

rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Zoogdieren-landzoogdieren

veldmuis

Microtus arvalis

Zoogdieren-landzoogdieren

vos

Vulpes vulpes

Zoogdieren-landzoogdieren

wezel

Mustela nivalis

Zoogdieren-landzoogdieren

woelrat

Arvicola terrestris

STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK RODARISTRAAT ROTTERDAM

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 202113889.v01

1

De Roever Omgevingsadvies Heidebloemstraat 15 Postbus 64 5480 AB Schijndel T 073 594 10 11 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 NL21 INGB 0001 0833 26 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01

Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam 20211388.v01 12 oktober 2021 Wintraecken Advies B.V.

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 20211388.v01

2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 4

1.1. 1.2.

Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Ligging van het plangebied .......................................................................................................... 6

2.

WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 7

2.1. 2.2. 2.3. 2.4.

Wet natuurbescherming .............................................................................................................. 7 Programma Aanpak Stikstof (PAS) ............................................................................................. 7 Beleidsregels intern en extern salderen ...................................................................................... 7 Referentiesituatie ......................................................................................................................... 8

3.

REKENONDERZOEK ..................................................................................................................... 9

3.1. Uitgangspunten gebruiksfase ...................................................................................................... 9 3.1.1. Verkeersbewegingen ........................................................................................................... 9 3.1.2. Stookinstallaties ................................................................................................................... 9 3.2.

Berekeningswijze ....................................................................................................................... 10

4. RESULTATEN............................................................................................................................... 11 BIJLAGE I. AERIUS-BEREKENING GEBRUIK (EIGEN REKENPUNTEN) .................................. 12 BIJLAGE II. AERIUS-BEREKENING GEBRUIK (NATUURGEBIEDEN)........................................ 13

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 20211388.v01

3

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen

De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwbouw school gelegen aan de Rodaristraat te Rotterdam te realiseren. Het betreft het Thorbecke VMBO Rotterdam met een omvang van ruim 4000 m2. In het kader van deze ontwikkeling moet het bestemmingsplan worden gewijzigd. Als onderdeel van deze bestemmingplanwijziging moet een stikstofdepositieonderzoek van de gebruiksfase worden uitgevoerd. Het plangebied is kadastraal bekend als perceel 2391 (gedeeltelijk), Sectie K te KLG00 (Kralingen). Op afbeelding 1 is de locatie van het plangebied weergegeven. De beoogde indeling van het plangebied is weergegeven op afbeelding 2.

Afbeelding 1. Locatie plangebied Bron: kadastralekaart.com

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 20211388.v01

4

Afbeelding 2. Beoogde indeling plangebied met het oranje vlak het Thorbecke VMBO

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 20211388.v01

5

1.2.

Ligging van het plangebied

De ligging van het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn weergegeven op afbeelding 3. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Boezems Kinderdijk” is gelegen op een afstand van ca. 8 km vanaf het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats is “Biesbosch” op een afstand van ca. 20 km vanaf het plangebied.

Afbeelding 3. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Bron: AERIUS Calculator

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 20211388.v01

6

2.

WETTELIJK KADER

2.1.

Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.

Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.

2.2.

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op de stikstofgevoelige natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld, is aan het bevoegd gezag.

2.3.

Beleidsregels intern en extern salderen

Vanwege de vernietiging van het PAS is het voor het bevoegd gezag niet mogelijk om toestemmingen te verlenen voor projecten waarvoor ontwikkelingsruimte nodig is. Om aan te tonen dat een project geen significant effect heeft op de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden bestaan de volgende mogelijkheden: - aantonen dat in de beoogde situatie geen effect (stikstofdepositie < 0,00 mol/ha/jaar) op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden optreedt. - middels intern of extern salderen aantonen dat in de beoogde situatie geen sprake is van een stikstoftoename met significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. - middels een ecologische voortoets onderzoeken of significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Een ecologische voortoets

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 20211388.v01

7

is een mogelijkheid voor activiteiten die enkel zorgen voor een stikstofdepositie op hectares waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) niet wordt overschreden. Als de stikstofdepositie in de beoogde situatie hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar, dan is een verdere inhoudelijke beoordeling van de te verwachten stikstofdepositie noodzakelijk. Het is dan mogelijk om toestemming te krijgen op basis van intern of extern salderen. Voor salderen geldt een vergunningplicht omdat van de beoogde activiteit op zichzelf negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Met salderen wordt inzichtelijk gemaakt of in de beoogde situatie sprake is van een stikstoftoename met significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Of sprake is van een significante toename van de stikstofdepositie hangt af van de toegestane depositie in de referentiesituatie.

2.4.

Referentiesituatie

Wanneer sprake is van de wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit, gelden de volgende referentiesituaties [1]: - een vigerende vergunning die verleend is op basis van de Wet natuurbescherming; - een vigerende vergunning die verleend is op basis van de Natuurbeschermingswet 1998; - een vigerende omgevingsvergunning die verleend is op basis van de Wabo met een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) op grond van één van de twee hierboven genoemde wetten; - een tracébesluit, wegaanpassingsbesluit of kavelbesluit waaraan een passende beoordeling is gekoppeld; - een (milieu-)toestemming op de Europese referentiedatum, zie afbeelding 4

Afbeelding 4. Stappenplan voor het bepalen van de referentiesituatie[1]

1

Handreiking intern en extern salderen; https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2020/09/Handreiking-intern-extern-salderen-en-verleasen22092020.pdf

Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat te Rotterdam Datum: 12 oktober 2021 ; Referentie: 20211388.v01

8

3.

REKENONDERZOEK

De voor stikstof relevante emissiebronnen van de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling worden hieronder nader toegelicht.

3.1.

Uitgangspunten gebruiksfase

In de beoogde situatie is de school in gebruik. De NOx- en NH3-emissies worden veroorzaakt door verkeersbewegingen van personeel en leerlingen van de school.

3.1.1.

Verkeersbewegingen

Met betrekking tot het verkeer dat in de gebruiksfase kan worden toegerekend aan de school is uitgegaan van gegevens uit de ASVV 2012 van kennisplatform CROW. Er is uitgegaan van de ligging ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Rotterdam (‘zeer sterk stedelijk’). Hierbij is de functie: ‘middelbare school’ aangehouden. Voor dit type gebouw wordt uitgegaan van de verkeersaantallen zoals genoemd in tabel 1. Tabel 1. Verkeersgeneratie per 100 leerlingen, ASVV 2012 CROW

Middelbare school Zeer sterk stedelijk

Rest bebouwde kom minimaal maximaal 9,6 16,3

De maximale (worst-case) verkeersgeneratie is 16,3 voertuigbewegingen per 100 leerlingen per etmaal. Er wordt een schoolgebouw gerealiseerd met een omvang van 4000 m2. Volgens het ‘Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO’ geldt voor VMBO scholen een minimale bruto vloeroppervlakte van 7,0 m2 per leerling (niet rekening houdend met het leerjaar).2 Daarmee komt het maximale aantal leerlingen op 4000 m2 / 7,0 m2 per leerling = 572 leerlingen. De verkeersgeneratie komt dan naar boven afgerond op 16,3 vtb * 572 / 100 = 94 voertuigbewegingen per etmaal. Daarnaast is rekening gehouden met 2 vrachtwagens ( = 4 voertuigbewegingen) die dagelijks de school aandoen ten behoeve van bevoorrading en/of onderhoud. Ander verkeer zal niet gegenereerd worden door het onderliggende plan. De voertuigbewegingen zijn gemodelleerd als lijnbronnen met licht en zwaar verkeer met de actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen. Er is uitgegaan van een weg binnen de bebouwde kom met 10% stagnatie. Het verkeer is gemodelleerd tot het punt waarop de voertuigen in het heersende verkeersbeeld van de openbare weg zijn opgenomen. Het verkeer heen gaat vanaf het plangebied naar de Prinsenlaan. Hier is het verkeer opgenomen in het heersende verkeersbeeld overeenkomstig de verkeersgegevens van het NSL, zie afbeelding 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=9177b449-cf55-4830-9417-17a81f5d934e