CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb004826] Bijlage 1A behorende bij 22bb4825 over Ontwerpbestemmingsplan Rodaristraat Rotterdam

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Het Lage Land-Oosterflank, herziening Rodaristraat Rotterdam’.16.712 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Het Lage Land – Oosterflank, herziening Rodaristraat Rotterdam PLANTOELICHTING

NL.IMRO.0599.BP2194Thorbecke-ON01

1

Titel: Datum: Projectnummer: Status: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:

Het Lage Land – Oosterflank, herziening Rodaristraat Rotterdam 01-04-2022 2021.168 Definitief Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.4 Leeswijzer .................................................................................................... 8 2. Beleidskader ..................................................................................................... 9 2.1 Inleiding ...................................................................................................... 9 2.2 Rijksbeleid ................................................................................................... 9 2.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 13 2.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 14 3. Planbeschrijving: ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit en inpassing........................ 16 4. Milieu-hygiënische en planologische verantwoording ............................................

19 4.1 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 19 4.2 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................... 21 4.3 Flora en fauna ............................................................................................ 25 4.4 Waterparagraaf .......................................................................................... 27 4.5 Bodem ....................................................................................................... 29 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen ................................ 30 4.7 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 31 4.8 Akoestiek ................................................................................................... 33 4.9 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 34 4.10 Externe veiligheid ...................................................................................... 37 4.11 Verkeer en parkeren .................................................................................. 40 5. Juridische opzet ..............................................................................................

42 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 42 5.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 42 6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 43 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 43 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 43 7. Slotconclusie ................................................................................................... 44

3

Bijlagen 1. Quickscan Wet Natuurbescherming, nieuwbouw schoolgebouw Thorbecke Voortgezet Onderwijs, Rodaristraat 3 – Prinsenlaan 82 te Rotterdam Van Dijk Geo- en milieutechniek, opdrachtnummer: 152929, 14-10-2021 2. Stikstofdepositieonderzoek Rodaristraat Rotterdam, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20211388.v01, 12-10-2021 Bijlage 2.1 - gebruiksfase eigen rekenpunten AERIUS Bijlage 2.2 - gebruiksfase natuurgebieden AERIUS 3. Watertoets ter plaatse van de Rodaristraat ong. te Rotterdam, MILON, projectnummer: 20212005, 12-10-2021 4. Verkennend bodemonderzoek Rodaristraat ong. te Rotterdam, MILON, projectnummer: 20212005-1, 27-01-2022 5. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Rodaristraat Rotterdam, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20211387.v01, 13-10-2021 6. Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond d.d. 22-11-2021

4

1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan De gemeente Rotterdam hanteert een actief beleid om de kwaliteit van haar schoolgebouwen te monitoren en, indien noodzakelijk, te verbeteren. De scholengemeenschap Thorbecke VO staat op de lijst van ‘aandachtspanden onderwijshuisvesting’. Initiatiefnemer heeft een businesscase voor de scholengemeenschap Thorbecke VO laten opstellen om zodoende de haalbaarheid van mogelijke verbeteringen zowel kwalitatief als kwantitatief te kunnen beoordelen en te toetsen aan de uitgangspunten. Vanuit onderzoek en analyse is geconcludeerd dat het oprichten van een nieuw schoolgebouw het beste tegemoet komt aan een nieuwe, duurzame onderwijslocatie van het Thorbecke VMBO in Rotterdam. De nieuwbouw vindt plaats aan de Rodaristraat, tussen nummers Rodaristraat 31 en Prinsenlaan 80. Het huidige schoolgebouw aan de Alexanderlaan wordt hiermee tenietgedaan, waardoor derhalve feitelijk sprake is van een verplaatsing. De nieuwbouw vindt plaats op gronden die momenteel zijn bestemd voor sportdoeleinden en waarop het oprichten van nieuwe bouwwerken niet zonder meer mogelijk is. Derhalve dient, alvorens het schoolgebouw kan worden opgericht, het vigerende bestemmingplan voor de betreffende locatie te worden herzien. De gemeente Rotterdam heeft te kennen gegeven in principe positief te staan tegenover de planontwikkeling.

Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Het Lage Land – Oosterflank” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygienische aspecten alsmede de stedenbouwkundige inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan.

5

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in het noordoosten van Rotterdam, aan de Rodaristraat. Onderstaande luchtfoto’s (bron: maps.google.nl) geven de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.

6

Het plangebied ligt tussen bestaande maatschappelijke en sport- voorzieningen in. Verder wordt het plangebied begrensd door water aan de noordzijde en zijn er wat verder weg gelegen vooral woningen en is er, in verhouding, veel groen aanwezig. Het plangebied is in de huidige situatie ingericht als sportveld. Deze functie zal ter plaatse komen te vervallen.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Het Lage Land - Oosterflank” en heeft de bestemming ‘Sport – Sport- en speelterrein’, met de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie’ en ‘maatvoering’ ten aanzien van het maximum bebouwingspercentage van 10% en een maximale bouwhoogte van 4 meter. Op hierna opgenomen uitsnede van de verbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) van het vigerende bestemmingsplan zijn de ligging en begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.

De voor 'Sport - Sport- en speelterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. sportvelden, speelterreinen en sporthallen met bijbehorende bebouwing en voorzieningen als erven, groen, ontsluitingswegen en -paden, parkeerterrein, waterlopen. Op de voor 'Sport - Sport- en speelterrein' bestemde gronden mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd zoals overdekte sportvoorzieningen, clubgebouwen, kleedgelegenheden, bergingen, tribunes, lichtmasten, zomede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterbouwkundige aard. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

7

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 33.3.1 (van het vigerende bestemmingsplan). Afwijking bestaande planregeling Ter plaatse van het plangebied c.q. de bestemming ‘Sport – Sport- en speelterrein’ geldt dat er slechts minimale bebouwing van de gronden mag plaatsvinden. Voorts is het oprichten van een schoolgebouw niet passend binnen de bestemming, aangezien het geen sportveld, speelterrein of sporthal betreft. Ter plaatse van de beoogde schoollocatie is een nieuw bouwvlak noodzakelijk waarbinnen de nieuwbouw van het Thorbecke VMBO gerealiseerd kan worden. Ook dient een passende planologisch-juridische regeling te worden getroffen voor de voorzieningen en maatvoering die worden opgericht ten dienste van de nieuwe hoofdbestemming ter plaatse.

Deze plantoelichting geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het planvoornemen. Hoofdstuk 3 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 4 gaat in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 5 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 tenslotte bevat de slotconclusie.

8

2. Beleidskader 2.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Rotterdam vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.

2.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.

Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.

9

Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden.

We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.

10

Doorwerking plan(gebied) Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk.

Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

11

De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt.

In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Vanuit onderzoek en analyse is geconcludeerd dat het oprichten van een nieuw schoolgebouw het beste tegemoet komt aan een nieuwe, duurzame onderwijslocatie van het Thorbecke VMBO in Rotterdam. De nieuwbouw vindt plaats aan de Rodaristraat tussen nummers 31 en Prinsenlaan 80. Het huidige schoolgebouw aan de Alexanderlaan wordt hiermee tenietgedaan waardoor feitelijk sprake is van een verplaatsing. Dit betekent ook dat voldoende gemotiveerd is dat dit plan en de ontwikkeling zien op zorgvuldig ruimtegebruik.

Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Rotterdam. Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 2.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling.

12

2.3 Provinciaal beleid Visie Ruimte en Mobiliteit Toetsingskader De Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 9 juli 2014, vormt het ruimtelijk beleidskader van de provincie Zuid-Holland en geeft op hoofdlijnen de ruimtelijke ambities en doelstellingen van de provincie weer. Het provinciale beleid voor mobiliteit en bebouwde ruimte kan worden samengevat in met name de volgende strategische doelen: • Kansen creëren voor een gevarieerde en innovatieve economie, zodat een hoog welvaartsniveau behouden blijft en de beroepsbevolking passend werk kan worden geboden. • Verder ontwikkelen van een intensief gebruikt, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied, zodat voorzien kan worden in de veranderde maatschappelijke en economische vraag naar woon- en werkmilieus. • Beter aansluiten van het aanbod van woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkelruimte bij de maatschappelijke vraag. Ten aanzien van de bebouwde ruimte streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Met dit beleid wil de provincie voorzien in de maatschappelijke vraag naar woningen nabij (stedelijke) voorzieningen.

Herstructurering, stedelijke transformatie en functiemenging vormen bij dit alles belangrijke opgaven. Doorwerking plan(gebied) Het bouwplan is in overeenstemming met het provinciale beleid inzake ruimtelijke kwaliteit en concentratie. Door het transformeren van de vigerende sportbestemming naar een bestemming geschikt voor schooldoeleinden anticipeert het bouwplan tevens op de provinciale visie om te komen tot intensief gebruikt, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Adaptieve Agenda Zuidelijke Randstad 2040 Toetsingskader De provinciale visie Ruimte en Mobiliteit sluit aan bij de SVIR van het Rijk en krijgt uitwerking in de Adaptieve Agenda Zuidelijke Randstad 2040 (AAZR). Deze agenda is in 2013 vastgesteld door het rijk, de provincie Zuid-Holland, de regio's Holland Rijnland, Drechtsteden, Midden-Holland, Stadsgewest Haaglanden en Stadsregio Rotterdam en de gemeenten Den Haag en Rotterdam. Binnen de AAZR geven de betrokken overheden aan te streven naar het realiseren van een aanbod voor wonen, werken en voorzieningen dat aansluit op de vraag in aantallen, locaties en milieus.

Rijk en regio zetten zich daarbij in om de juiste condities te scheppen voor binnenstedelijke ontwikkeling en de benutting van leegstaand (publiek) vastgoed.

13

Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen zet in op duurzaamheid. Een verouderd pand wordt teniet gedaan en een eigentijds nieuw gebouw zal worden opgericht om de Thorbecke VMBO een plek te bieden op korte afstand van de huidige schoollocatie. Tevens is de nieuwe plek geschikt, aangezien er reeds aangrenzend gelijkwaardige functies een plek hebben gevonden. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Adaptieve Agenda Zuidelijke Randstad 2040.

2.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Stadsvisie Rotterdam 2030 en het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting. Stadsvisie Rotterdam 2030 Toetsingskader De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. Werkgelegenheid ontwikkelt zich namelijk alleen wanneer de stad een aantrekkelijk vestigingsklimaat vormt voor werknemers, met goede woningen inclusief de bijbehorende voorzieningen en buitenruimten: complete woonmilieus die aansluiten bij de wensen van de woonconsumenten. Vandaar dat extra wordt geïnvesteerd in aantrekkelijke groenstedelijke, rustig stedelijke en centrumstedelijke woonmilieus. Bijzondere architectuur en herontwikkeling van erfgoed worden daarbij ingezet als katalysator.

In de Stadsvisie wordt met betrekking tot de wijken in de deelgemeente Prins Alexander gesteld, dat hier over het algemeen sprake is van een goede kwaliteit en dat ze belangrijk zijn voor de woningmarkt in Rotterdam. Het karakter hoeft dan ook niet ingrijpend te wijzigen, maar de wijken behoeven vanzelfsprekend wel aandacht om het kwaliteitsniveau te handhaven en/of te verbeteren. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen zet in op duurzaamheid. Een verouderd pand wordt teniet gedaan en een eigentijds nieuw gebouw zal worden opgericht om de Thorbecke VMBO een plek te bieden, op korte afstand van de huidige schoollocatie. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Stadsvisie Rotterdam 2030.

14

Klimaat en duurzaam De gemeente Rotterdam wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente Rotterdam wil daarom graag van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. In ieder geval geldt voor het bouwplan dat niet-uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt en dat er, van overheidswege, steeds meer eisen worden gesteld aan duurzaam/milieubewust bouwen. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie; • vastgesteld ambitieniveau (GPR).

15

3. Planbeschrijving: ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit en inpassing Onderhavig planvoornemen betreft de oprichting van een nieuw schoolgebouw op een plek welke tot op heden niet bebouwd is. Het nieuwbouwproject is gelegen in een omgeving waar reeds sprake is van een diversiteit aan functies: onderwijs, kantoren, wonen en sport. De nieuwe school c.q. het nieuwe schoolgebouw vormt hier een passende invulling. Tussen en binnen de bestaande functies en bestemming is tevens veel ruimte voor groen. Naar de toekomst toe streeft initiatiefnemer een passende inpassing van het schoolgebouw na. Deze mag en zal niet ten koste gaan van de bestaande uitstraling van het gebied. Initiatiefnemer streeft hierbij ook naar het creëren van een eenheid tussen de op te richten school en de reeds aanwezige schoolgebouwen, welke direct oostelijk (Thorbecke HAVO-VWO) en westelijk (basisschool Jan Antonie Bijloo) van het nieuwe Thorbecke VMBO zullen liggen. Er zal voor voetgangers, schoolgaande leerlingen, ten aanzien van alle onderwijsgebouwen een openbaar voetpad (autoluwe zone), met verkeersveilige route, worden ingericht. Na uitvoering en mogelijke aanpassingen van bestaande bebouwing wordt tevens gestreefd naar de inrichting van een samenhangende buitenruimte. Onderstaande afbeelding geeft een weergave van de bestaande situatie, met de aanwezige scholen en geprojecteerde school Thorbecke VMBO.

In de nieuwe situatie wordt het bestaande sportveld ingevuld met een duurzaam, eigentijds gebouw. De nieuwbouw wordt als een ontbrekend puzzelstukje neergelegd in een bestaande omgeving, welke wordt overheerst door schoolmaatschappelijke voorzieningen. Navolgende afbeelding geeft een overzichtsbeeld van de nieuwe situatie.

16

Navolgende afbeelding betreft een concept-weergave in 3d, waaruit blijft dat er bij oprichting van de nieuwe school tevens aandacht is voor inpassing van groen en er wordt gestreefd naar één geheel tussen de dan drie aanwezige scholen. De nieuwe school krijgt 2 tot 3 bouwlagen en zal qua vorm en volume aansluiten op de bestaande scholen en naastgelegen sporthal. De footprint van het schoolgebouw omvat circa 1.500 m 2, op een plangebied van circa 4.000 m2.

17

Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert.

Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in hoofdstuk 4.

18

4. Milieu-hygiënische en planologische verantwoording Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen; dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefbaarheid bepalen naast bijvoorbeeld bereikbaarheid en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen. Duurzame ontwikkeling is daarin een cruciale factor.

Gestreefd wordt naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (prosperity) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. Deze ambities zijn vastgelegd in het zogenaamde Programma Duurzaam. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn bij de transformatie van het sportveld naar een bouwlocatie voor een VMBO-school. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

4.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

19

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied wordt de realisatie van een school mogelijk gemaakt. Het huidige schoolgebouw aan de Alexanderlaan wordt teniet gedaan. Er is daarmee

20

geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het plangebied belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan.

Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en

21

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Archeologie Ter plaatse van het plangebed geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan is in artikel 4 geregeld dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders dient te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is vastgesteld. De archeoloog van de gemeente Rotterdam heeft geoordeeld dat de ontgraving binnen de marges van het bestemmingsplan blijft en het palenplan niet-intensief is. Mede gelet op de resultaten van het onderzoek ter plaatse van de J.A. Bijloschool is besloten om de ontwikkeling vrij te geven voor wat betreft het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ blijft gehandhaafd in verband met eventuele toekomstige ingrepen ter plaatse.

In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Cultuurhistorie De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt

22

van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijksbeschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

Cultuurhistorische Verkenningen (CV) De inzet van cultuurhistorisch erfgoed en architectuur bij ontwikkelingen van de stad is één van de kernbeslissingen uit de Stadsvisie Rotterdam 2030. Hiermee is cultuurhistorie, het opsporen van bestaande kwaliteiten die de geschiedenis heeft voortgebracht en het voortbouwen erop bij de actuele opgaven van de stad, een structureel onderdeel van de Rotterdamse ruimtelijke planvorming. Om dit in de praktijk tot uitvoering te brengen is sinds eind 2007 het B&W besluit van toepassing dat bij gebiedsontwikkeling een Cultuurhistorische Verkenning (CV) wordt opgesteld als blijkt dat er cultuurhistorische waarden in een gebied aanwezig zijn. In een CV worden de cultuurhistorische waarden van een gebied benoemd, geanalyseerd en gewaardeerd. Opdrachtgever voor een CV is de gemeente (Stadsontwikkeling) of een combinatie van gemeente, corporatie/ontwikkelaar en gebied. Een CV wordt vastgesteld door het college van B&W samen met het (stedenbouwkundig of master-) plan waarvoor het is gemaakt. De keuzes in het plan over de cultuurhistorische waarden worden hierbij gemotiveerd afgewogen. Vervolgens worden de cultuurhistorische waarden die in het betreffende plan zijn opgenomen ook verankerd in het bestemmingsplan.

Voor het plangebied is een quickscan gemaakt om in beeld te krijgen of nader onderzoek naar de cultuurhistorie voor deze wijk in het kader van dit bestemmingsplan noodzakelijk is. Daaruit is gebleken dat voor de wijk Lage Land voldoende onderzoek gedaan is ten behoeve van het boek 'van Pendrecht tot Ommoord, geschiedenis en toekomst van de naoorlogse wijken' (Rotterdam 2005, Zweerink, K. e.a.) De wijk Lage Land is gerealiseerd in de periode 1963-1967 op basis van een stedenbouwkundig plan dat is opgesteld door L. de Waard en Lotte Stam-Beese. Uitgangspunt was een autonome woonwijk met ca. 6000 woningen, gelegen te midden van verschillende doorgaande ontsluitingswegen. Het is de eerste naoorlogse uitbreidingswijk ten oosten van de Ruit van Rotterdam. De rechthoekige polderstructuur werd hiertoe in een

23

strikt modern verkavelingsplan omgezet, dat wel de kavelrichting van de polder volgt. Slechts de Hoofdweg en de Nieuwerkerkse Tocht zijn nog te herkennen als restanten van de polderstructuur. De hoofdstructuur van de wijk is vastgelegd in het Structuurplan Rotterdam Oost / Capelle a/d IJssel. Binnen deze hoofdopzet werd een onderverdeling gemaakt in buurten, die onderling verbonden werden door een haakvormige wijkontsluitingsweg. Aan de zuidzijde van de wijk werd één wijkwinkelcentrum gepland, waarin ook maatschappelijke voorzieningen en bedrijfsruimten waren opgenomen, dit zou teven kunnen functioneren voor de nog te bouwen zuidelijke wijk Prinsenland. Aan de interne haakvormige wijkontsluitingsweg werden op de hoekpunten twee buurtwinkelcentra gepland. De wijk is opgebouwd uit verschillende buurten van tussen de 400 en de 890 woningen. Per buurt is door verschillende opdrachtgevers een eigen ordeningsprincipe opgezet en uitgewerkt. Soms is er sprake van een gevarieerde verkavelingsstructuur waarbij gestapelde bouw en laagbouw met elkaar zijn vermengd en soms is er sprake van een meer homogene verkavelingsstructuur waarbij één bebouwingstypologie dominant is. Dit is bijvoorbeeld het geval is bij de 'molenwiekverkavelingen' aan de zuidwest rand van de wijk. In het Lage Land zijn gestandaardiseerde bouwonderdelen en bouwsystemen (MUWI en Dura-Coignet) op grote schaal toegepast.

Opvallend hierbij is dat er (kijkend naar de architectonische detaillering) nauwelijks een kwaliteitsverschil is tussen de private en de overheidsbouw iets wat bij eerdere wederopbouwwijken vaak wel het geval was. Uit deze analyse blijkt dat de cultuurhistorische waarde van de wijk niet direct zit in de architectonische kwaliteit van de bebouwing maar wel in de elementen die van de wijk een ruimtelijke eenheid maken. Karakteristiek zijn o.a. de asymmetrische groenstructuur van de interne haakvormige ontsluitingsweg, de groenstructuur die vooral ontworpen is vanuit de gebruikswaarde en de architectonische en stedenbouwkundige eenheid van de verschillende buurtjes waarin steeds verschillende woning- en gebouwtypologieën met elkaar zijn gecombineerd en die tezamen één ensemble vormen. Ook worden in deze cultuurhistorische analyse enkele kwalitatief hoogwaardige en architectonisch fraaie gebouwen onderscheiden namelijk; de Immanuelkerk aan de Berlagestraat (inmiddels aangewezen als gemeentelijk monument) en de Verrijzeniskerk (ook wel Alexanderkerk) aan de Springerstraat. Ook het winkelcentrum aan het Jacob van Campenplein dat ontworpen is als een ruimtelijke schakel tussen de wijkontsluitingsstructuur en de omliggende woonbuurten, de haaks op elkaar staande gebouwen zijn verbonden door een luifel die het doorzicht accentueert.

Dit geeft echter onvoldoende aanleiding om het complex als beeldbepalend object op te nemen in dit bestemmingsplan, bovendien is het complex door verbouwingen aangetast.

24

De wijk Oosterflank is veel jonger (bouwperiode na 1977), in de wijk zijn weinig restanten van de oude polderstructuur overgebleven, alleen aan de randen zijn nog de Hoofdweg en de Nieuwerkerkse Tocht te herkennen. Voor deze bouwperiode is nog geen cultuurhistorisch begrippenkader ontwikkeld. Echter, de architectuur uit de jaren 70 en 80 komt steeds meer in de belangstelling te staan. In de zomer van 2018 heeft de RCE een symposium over dit onderwerp georganiseerd en twee onderzoeken laten uitvoeren. Mogelijk leidt dit de komende jaren tot een nieuwe waardering van dit type wijken en is dan de tijd rijp om voor deze wijk een cultuurhistorische verkenning op te laten stellen. De algehele cultuurhistorische waarde van Lage Land en Oosterflank is in eerdere onderzoeken goed in beeld gebracht. Vanuit de cultuurhistorie gezien is het van belang dat de stedenbouwkundige en architectonische eenheid van de buurt in stand wordt gehouden. Een gedetailleerd bestemmingsplan biedt hiervoor in combinatie met andere toetsingskaders zoals de gebiedsgerichte criteria uit de welstandsnota voldoende bescherming. Tot slot kan worden vermeld dat het plangebied geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Conclusie Vanuit het archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt zijn er op voorhand geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

4.3 Flora en fauna Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.

Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie

25

veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het geplande schoolgebouw, en tevens ontwikkelingen die voorzien zijn ten aanzien van de naastgelegen sporthal en schoolgebouwen (met sloop- en nieuwbouw) is door Van Dijk geo- en milieutechniek een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor het plangebied. Hierna is de conclusie uit dat onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 1 opgenomen.

Aan de hand van de bevindingen van het literatuuronderzoek en het veldbezoek kan worden geconcludeerd dat er binnen de invloedssfeer van onderhavige onderzoekslocatie géén sprake is van vaste verblijfplaatsen, jaarrond beschermde nesten en/of essentieel leefgebied van streng beschermde soorten. Tevens zijn er vanuit de gebiedsbescherming en de bescherming houtopstanden geen bezwaren tegen de voorziene herontwikkeling. Wel dient voorafgaand aan en tijdens de werkzaamheden rekening te worden gehouden met: • vleermuizen (foerageren en vliegroutes); werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (van april/mei tot oktober/november) dienen, i.v.m. verstoring door kunstlicht, bij daglicht uitgevoerd te worden. Eventueel kunnen werkzaamheden ook bij schemer en in het donker worden uitgevoerd mits de bouwlampen op aangeven van een ecoloog goed worden gericht zodat geen verlichting van de omliggende structuren optreedt, • rugstreeppad; gedurende het voorplantingsseizoen (globaal van april tot en met juli) dient het ontstaan van langdurig aanwezige ondiepe plassen en poelen (in bijv.

de bandensporen) en kale gronden of grond- en/of zandhopen voorkomen te worden door de plassen en poelen voortijdig te dempen met grond en langdurig aanwezige (ongestoorde) kale gronden/zandhopen voortijdig in te zaaien met een grasmengsel ten einde ingraving voor de winterperiode (van oktober tot april) te voorkomen; toegang tot het braakliggende terrein kan tevens worden voorkomen door het terrein af te schermen (bijv. door plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond), • broedvogels in het algemeen; met de start van de werkzaamheden dient buiten het reguliere broedseizoen (van circa 15 maart tot 15 juli) met voorkeur in de winter te worden aangevangen. Indien de aanvang van de nieuwbouwwerkzaamheden toch gepland staat tijdens het broedseizoen, dienen de geschikte nestmogelijkheden – binnen de invloedssfeer van onderhavige herontwikkeling – voorafgaand (in de winter) onder ecologische begeleiding ongeschikt gemaakt te worden. Benadrukt wordt dat ten allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving.

Door De Roever Omgevingsadvies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de planontwikkeling. Uit de berekening van de gebruiksfase met eigen rekenpunten blijkt dat de stikstofdepositie ter plekke van deze rekenpunten niet hoger is

26

dan 0,00 mol/ha/jaar. Hieruit blijkt dat de maximale rekenafstand van 5 km voor wegverkeer geen rol speelt in de beoordeling van het depositie-effect van het project. Uit de berekening van de gebruiksfase met natuurgebieden blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Stikstof vormt dus geen belemmering voor het plan. De integrale stikstofrapportage is als bijlage 2 opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstof(depositie) zijn er op voorhand geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

4.4 Waterparagraaf Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. De gemeente Rotterdam en de waterschappen Hollandse Delta, Delfland en Schieland en de Krimpenerwaard hebben gezamenlijk een waterplan voor Rotterdam gemaakt. Doel is om Rotterdam nog aantrekkelijker te maken om te wonen en werken.

Ook voor deze waterschappen is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=4e5f6299-e2f3-4569-bd68-26d16704d24f