CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb004454] Afschrift brief van Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur ( RRKC ) over Reactie op brief college d.d. 31 mei 2022 inzake opheffing RRKC

Tijdelijke commissie Sociaal (2022-2026) 29 juni 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Cultuur8.348 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Datum Betreft Kenmerk

21 juni 2022 Reactie op brief college d.d. 31 mei 2022, kenmerk (M2203-3908 - 22b0003581) di0241

AANTEKENEN Gemeente Rotterdam College van Burgemeester & Wethouders Wethouder S. Kasmi Postbus 21093 3001 AB Rotterdam Tevens vooruit per email: bbo@rotterdam.nl Geacht college, Met deze brief reageer ik op het besluit van het vorige college tot opheffing van de RRKC per 1 januari 2023 (brief college d.d. 31 mei 2022, kenmerk (M2203-3908 - 22b0003581). Een besluit dat naar ons inzicht een einde brengt aan de onafhankelijke advisering over kunst en cultuur in Rotterdam. Een besluit dat bovendien op ondeugdelijke gronden is genomen en bestuurlijk op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ik vraag u dit besluit te heroverwegen en samen met alle betrokken partijen te onderzoeken waar verbetering mogelijk is. Ik eindig de brief met een voorstel daartoe. Op het voorgenomen besluit tot beëindiging van de subsidie aan de Rotterdamse Kunststichting (RKS) zal ik separaat reageren. 1. Onafhankelijk advies in gevaar Het besluit ontneemt de stad het onafhankelijke advies over cultuur dat van wezenlijk belang is voor het culturele leven. Het belang van onafhankelijk advies ligt in het nog immer geldende principe van Thorbecke dat politiek niet oordeelt over kunst en cultuur, en zich beperkt tot het scheppen van de juiste voorwaarden voor een bloeiend cultureel leven.

De scheiding tussen politiek en cultuur volgt uit de in de grondwet vastgelegde vrijheid van individuele expressie en de daaruit voortvloeiende vrijheid van het culturele leven. We hebben het hier over fundamentele waarden van onze samenleving. Het besluit om het culturele adviescollege van Rotterdam op te heffen baart ons daarom grote zorgen. Sinds 1946 draagt de RRKC en haar rechtsvoorganger de Rotterdamse Kunststichting (RKS) met onafhankelijk advies bij aan de ontwikkeling van de rijke en levendige cultuur in Rotterdam. Het heeft Rotterdam veel gebracht, de inrichting van het culturele leven grotendeels bepaald, en ontwikkelingen in gang gezet die niet meer weg te denken zijn. Taken zoals subsidiëring, programmering en debatfunctie zijn in de loop der tijd elders zelfstandig verdergegaan. Sinds 2005 concentreert de RRKC zich op het adviseren, met invloedrijke adviezen zoals op het terrein van diversiteit en inclusie (De stad is meervoud) en een grotere toegang voor nieuwe en kleinere culturele organisaties en makers tot het Cultuurplan. In de relatie tussen overheid en kunst- en cultuursector fungeert een onafhankelijke adviesraad als een derde partij, die zonder politiek of cultureel belang of zorg om eigen bestaan kan oordelen over kunst en cultuur.

Dat oordeel helpt overheid en sector om richting te geven aan het beleid en te komen tot een vruchtbare samenwerking ten behoeve van de Rotterdamse samenleving. De impact van de adviezen hangt uiteindelijk af van wat overheid en sector er mee doen. Wat het vorige college in de brief voorstelt staat die onafhankelijkheid in de weg. Het idee is om de cultuurplanadvisering projectmatig te organiseren en voor overige adviezen de cultuursector te raadplegen, of u zoekt adviseurs die passen bij uw adviesbehoefte van dat moment. Dit kunnen adviesbureaus zijn of ad hoc commissies. Hier gaat de onafhankelijkheid verloren:

1

-

Onafhankelijk advisering is niet hetzelfde als het vragen naar het standpunt van belanghebbende partijen, zoals het Directeurenoverleg of de Rotterdamse Culturele Basisinfrastructuur. Onafhankelijk advisering is niet hetzelfde als door de gemeente al dan niet aanbesteed commercieel organisatieadvies. Een permanente, zelfstandig georganiseerde adviesraad bouwt kennis, ervaring en netwerk op die voorwaarden zijn voor gezaghebbende adviezen. Het verwerft zo de tegenmacht die de macht in evenwicht houdt. Ad hoc commissies zijn naar hun tijdelijke aard niet in staat die positie te verwerven.

Spraak en tegenspraak verdwijnen in een aanpak waarin alle adviezen worden gevraagd, georganiseerd en al dan niet gepubliceerd door de gemeente, laat staan wanneer dit alles binnen één beleidsafdeling valt. Als de huidige spanning tussen college en RRKC iets aantoont, is het wel dat de RRKC zich onafhankelijker opstelt dan het college wenst. Dat is geen goede voorbode voor onafhankelijkheid van de ad hoc advisering die het college wil organiseren. 2. Ondeugdelijk gegrond en bestuurlijk onzorgvuldig Het vorige college baseert diens besluit grotendeels op de evaluatie van de RRKC over de periode 20172020. De evaluatie bestaat uit het opleveren van een rapport door het organisatieadviesbureau Rijnconsult, getiteld Uit de groef, dat het college op 31 mei naar de gemeenteraad stuurde ter informatie bij het besluit tot opheffing van de RRKC. Het rapport schiet in onze ogen te kort als grond voor het besluit. Bij de totstandkoming is onvoldoende rekening gehouden met gevoeligheden en bezwaren aan onze zijde. Er is afgeweken van de gebruikelijke procedure van evaluatie, zoals die bij de twee vorige evaluaties is toegepast. Het rapport zelf lijkt gekleurd en een bepaalde richting in te sturen. Wij herkennen ons dan ook niet in de conclusies. In onze zienswijze op het beëindigen van de subsidie aan de RKS zal ik hier nader op in gaan.

Naast het rapport baseert het vorige college het besluit op de volgende argumenten: - De cultuursector is steeds meer een gesprekpartner van de gemeente bij beleidsontwikkeling. Wij juichen toe dat de Rotterdamse culturele instellingen hun belang georganiseerd weten te verwoorden, en ook dat u daar een luisterend oor voor toont. Het versterkt de dialoog in de driehoek overheid-sector-adviesraad. Het is echter geen onafhankelijk advies, gevraagd of ongevraagd. - De landelijke Raad voor Cultuur geeft adviezen die voor Rotterdam nuttig zijn. Adviezen van de Raad voor Cultuur krijgen de laatste jaren een grotere reikwijdte en spreken daarmee ook andere overheden aan. Omgekeerd raken onze adviezen soms ook voorbij de gemeentegrenzen. Beide raden werken dan ook graag samen op overlappend terrein. Maar de Raad voor Cultuur kan en zal niet adviseren over de Rotterdamse culturele sector, laat staan dat u in staat bent een dergelijk advies te vragen. - Er zijn weinig gemeenten met een vergelijkbare adviesstructuur voor een Cultuurplan. Dat is in zichzelf geen argument. Het vergt een vergelijkend onderzoek, zoals eerder is gevraagd in de motie Er zijn meer wegen die leiden naar cultuur (20bb17968), hetgeen ontbreekt in het evaluatierapport.

Evaluaties in andere steden, waar men met een Cultuurplan werkt, leren dat werken met een ad hoc commissie het nadeel heeft van gebrek aan geheugen en kennis van de stad. De bewering dat deze werkwijze lagere kosten met zich brengt bewijst de brief niet. Het besluit slaat geen acht op de huidige situatie, zowel in de politiek als in het cultuurbeleid: - Dat het vorige college dit alleen ter informatie naar de gemeenteraad stuurde, gaat voorbij aan de betrokkenheid die de gemeenteraad heeft getoond bij de RRKC in het debat over het cultuurplanproces. Dit spreekt met name uit de motie 21bb16286 (Een advies voor Rotterdammers) die het college opdraagt “op korte termijn te onderzoeken op welke wijze de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur vanaf de nieuwe raadsperiode ook voor de gemeenteraad als adviesorgaan kan functioneren”. Met de opheffing van de RRKC zegt het vorige college in zijn brief deze motie afgedaan te hebben, hoewel het niet is onderzocht. Maar vooral zien wij niet in hoe met de opheffing van de RRKC het zou kunnen functioneren als adviesorgaan van de gemeenteraad.

2

-

In het besluit missen wij ook de zorg voor de nieuwe Cultuurplanprocedure. De RRKC is al met de voorbereidingen bezig. Indien de advisering op een andere wijze tot stand moet komen, na overleg met de gemeenteraad en naar wij aannemen ook met de cultuursector, zien we niet in hoe dit tot een alom geaccepteerde advisering kan leiden die op 1 januari aanstaande kan beginnen.

3. Het kan altijd beter We zijn met de wethouder van mening dat de huidige situatie voor verbetering vatbaar is en dat daar ruimte voor is, zowel in de structuur waarin de advisering is gevat als in de wijze waarop er door partijen met die structuur wordt omgaan. Wij staan open voor verandering en hebben daartoe in de afgelopen periode voorstellen gedaan die geen vervolg hebben gekregen. We stellen voor om samen met u een nieuw onderzoek te laten doen naar een voor alle partijen gemeente, gemeenteraad, sector en adviesraad - passende structuur. Verbetering van de samenwerking kan zo handen en voeten krijgen. De Rotterdamse kunst en cultuur verdienen dat. 4. Verzoek aan het college Een nieuw college, een nieuw geluid. We roepen u op het besluit van het vorige college te heroverwegen vanwege de ingrijpende en verstrekkende gevolgen die het heeft voor de onafhankelijkheid van cultuuradvies in Rotterdam. We vragen u tijd en ruimte te nemen voor een eigen afweging, in overleg met alle partijen. Verder vragen we u de motie 21bb16286 (Een advies voor Rotterdammers) uit te voeren en te laten onderzoeken hoe advisering door de RRKC aan de gemeenteraad te organiseren is. En we wensen voor alle betrokkenen graag tijdig duidelijkheid over de advisering in de cultuurplanprocedure 2025-2028. De RRKC staat er in ieder geval klaar voor.

Hoogachtend, namens de RRKC,

Carlos Gonçalves voorzitter

cc: gemeenteraad Rotterdam

3

Datum Betreft Kenmerk

21 juni 2022 zienswijze voornemen stopzetting subsidie (M2203-3908 - 22b0003579) di0242

AANTEKENEN Gemeente Rotterdam College van Burgemeester & Wethouders Wethouder S. Kasmi Postbus 21093 3001 AB Rotterdam Tevens vooruit per email: bbo@rotterdam.nl Geacht college, Inleiding 1. Naar aanleiding van uw brief d.d. 31 mei 2022 waarin u aankondigt voornemens te zijn om de subsidie aan Rotterdamse Kunststichting niet te gaan voortzetten, berichten wij u als volgt. Het verloop 2. Bij besluit van 7 juni 2005 is de Verordening op de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur, hierna: ‘de Verordening’, vastgesteld. Artikel 2 Verordening legt de functie en taken van deze Raad vast. De Verordening geldt op dit moment nog onverkort. 3. In juni 2021 verleent u, althans wethouder Kasmi, opdracht aan Rijnconsult B.V. te Utrecht, hierna: ‘Rijnconsult’, om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur, hierna: ‘RRKC’ te onderzoeken, of de adviezen van de RRKC hebben bijgedragen aan het cultuurbeleid en de versterking van de culturele sector. 4. Rijnconsult start met de uitvoering van dit onderzoek pas in november 2021. Oorzaak van deze vertraging ligt, zo wordt gesteld, in het feit dat er sprake is van een wisseling van de contactpersoon voor ambtelijk opdrachtgeverschap bij Rijnconsult of gemeente Rotterdam. Het onderzoek wordt vervolgens in februari 2022 afgerond. 5. Bij brief d.d.

23 februari 2022 stelt het College het rapport van Rijnconsult “Uit de groef. Evaluatie van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur gemeente Rotterdam”, hierna: ‘het Rapport’, beschikbaar aan de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur, hierna: ‘RRKC’. 6. RRKC geeft desgevraagd op 8 maart 2022 een eerste schriftelijke reactie op het Rapport aan de Wethouder. Deze strekt er - kortheidshalve samengevat - toe dat RRKC zich niet kan vinden in de conclusies en de wijze van totstandkoming van het Rapport. 7. Bij brief d.d. 31 mei 2022 van het college van burgemeester en wethouders, hierna: “het College”, maakt het College kenbaar aan RRKC voornemens te zijn om per 1 januari 2023 de Verordening Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur in te trekken en de subsidieverlening aan RKS niet voort te zetten. Op dezelfde datum wordt de Rotterdamse gemeenteraad van dit voornemen op de hoogte gebracht. Dit wordt gelijktijdig door het College ook al als (toekomstig) feit extern gecommuniceerd. 8. Bij brief/e-mail verzoekt u RKS om haar zienswijze bij het College in te dienen zoals wordt voorgeschreven in artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht, hierna: ‘Awb’.

1

Het rapport 9. RRKC heeft het onafhankelijke organisatie-adviesbureau Ovidius Advies te Breda verzocht om het rapport op hoofdlijnen te beoordelen. 10. In haar beoordeling [Bijlage] komt Ovidius Advies tot de hiernavolgende hoofdconclusies: 1. De gevoeligheden in aanloop naar dit onderzoek hadden serieuzer genomen moeten worden RKCC stond volledig open voor een volwaardige evaluatie van zijn functioneren over de afgelopen periode, echter de door Rijnconsult als vernieuwend genoemde (“kunstzinnige”) manier van evalueren riep vragen op. 2. Het rapport is niet volgens de gedragscode van ROA (Raad van Organisatie Adviesbureaus) tot stand gekomen ROA-leden, zoals Rijnconsult, dienen zich bij hun praktijkuitoefening aan de wet te houden en te handelen conform de geldende ROA-Gedragscode en de daarin geformuleerde kernwaarden: deskundigheid, betrouwbaarheid, zorgvuldigheid en professionele onafhankelijkheid. Met name op de kernwaarden zorgvuldigheid en professionele onafhankelijkheid heeft Rijnconsult ernstige steken laten vallen. 3. Het rapport lijkt gekleurd en een bepaalde richting in te sturen Wat opvalt in het rapport is dat RRKC met regelmaat de schuld in de schoenen wordt geschoven. Dit zien we terug in beschrijvingen over tegenwerking bij het onderzoek, de communicatie met de cultuursector en opmerkingen als: passeren van het college.

Maar heeft de opdrachtgever (de gemeente) ook niet een verantwoordelijkheid? Waar twee vechten, hebben vaak twee schuld. 4. Er is sprake van miscommunicatie Miscommunicatie ontstaat veelal door onduidelijkheid (de richting is niet helder). Dat er onduidelijkheid is over bijvoorbeeld de positionering van RRKC blijkt helder uit het rapport. De zin: ‘De vraag is waar het college wil dat de RRKC in dit proces staat.’ zegt veel over de relatie tussen het college en RRKC. 5. Er is onduidelijkheid en verschil van interpretatie over de taken en functies van RKCC Rijnconsult lijkt in dit onderzoek volledig voorbij te gaan aan de verordening Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur waarin de taken en functie van RRKC zijn vermeld. De onderbouwing, later in deze reflectie geeft aan dat het rapport daardoor ook niet een volwaardige evaluatie kan zijn. 6. De evaluatie is niet volwaardig Dit is het gevolg van conclusie 5. 11. Dit beeld wordt herkend door verklaringen van Thomas van Dalen, organisatiestrateeg die in 2014 de RRKC evalueerde:

2

“Deze week werd bekend dat het college de RRKC bijna per direct opdoekt. Dit met een tekstueel hilarisch rapport als basis; het werkt met kromme redeneringen hink-stap-sprong toe naar de conclusie die de opdrachtgever vermoedelijk graag wilde horen”. 12. De heer W. Schaap, journalist en cultuurpublicist: “Rijnconsult heeft kennelijk zijn best gedaan om met alle stakeholders te spreken en geen kritiek te hebben op de opdrachtgever (Wethouder Kasmi) voor het met aanbevelingen kwam die de wenkbrauwen doen fronsen… De consultants die in opdracht van het gemeentebestuur werken, vinden onafhankelijkheid heel erg raar. Want met zo’n onafhankelijk adviesorgaan moet de ambtenarij en de wethouderij luisteren naar geluiden die tegen de eigen plannen ingaan. En daar huur je Rijnconsult natuurlijk niet voor in… De zes scenario’s - we noemen ze toch maar even - zijn broddelwerk, en niet serieus bedoeld. Het varieert van ‘niets doen’, via ‘verdeel en heers’ naar ‘diaspora’ wat geen van allen kopjes zijn waar je blij van wordt. Die scenario’s: daar zou een zichzelf serieus nemend adviesbureau zich diep voor schamen, vooral ook omdat de meest serieuze optie: een bovenlokaal adviesorgaan, volslagen uit de lucht komt vallen”. 13.

De heer Erik Akkermans, voormalig directeur Culturele Raad Zuid-Holland, voorzitter diverse adviescommissies en van de visitatiecommissie voor Drentse musea en de Kunstraad Groningen, en publicist schrijft in zijn artikel in de Cultuurpers naar aanleiding van het voorgenomen besluit en de onderbouwing daarvan “de beoordelaar beoordelen, vraagt om zorgvuldigheid en zelfreflectie…” 14. Precies op deze punten gaat het Rapport volledig de mist in. Uit het voorgaande blijkt dat het rapport op geen enkele manier aan de daaraan te stellen professionele eisen voldoet. Het kan derhalve niet dienen ter onderbouwing van uw voornemen tot beëindiging van de subsidierelatie met RKS. Toetsing voorgenomen besluit 15. Strijd gebod van onpartijdigheid (2:4 Awb) 15.1. Artikel 2:4, lid 1 Awb schrijft voor dat het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid uitvoert. Dit betekent dat normadressaten fair dienen te worden behandeld en met open vizier tegemoet getreden. 15.2. Het Rapport - waar het voornemen (nagenoeg) volledig op is gebaseerd - ademt in alles, van titel tot conclusie, van onderzoeksopzet tot aanbeveling, dat het lot van RRKC al vast stond vanaf het moment dat met de evaluatie werd begonnen. In de woorden van voormalig auditor Van Dalen: “een hilarisch rapport dat met hink-stap-sprongen toewerkt naar wat de Wethouder wilde horen”. 15.3.

Hieruit volgt dat Rapport en het voorgenomen besluit RRKC niet met open vizier zijn tegemoet getreden en derhalve in strijd zijn met artikel 2:4 Awb. 16. Onzorgvuldige voorbereiding (3:2 Awb) 16.1. Op grond van artikel 3:2 Awb dienen besluiten zorgvuldig te worden voorbereid. Dit houdt in dat bij de voorbereiding van een besluit als het onderhavige alle betrokken feiten en omstandigheden dienen te worden betrokken.

3

16.2. In het Rapport wordt uitdrukkelijk aan feiten voorbijgegaan. Waar er wel feiten worden gepresenteerd zoals de verwijzing naar artikel 8 Uitvoeringsregeling RRKC, is dit een verwijzing naar een regeling die niet geldt omdat deze voor zover RRKC bekend nooit is vastgesteld en bekendgemaakt. 16.3. Reeds vanwege het feit dat het Rapport ‘kunstzinnig evaluerend’ geheel voorbijgaat aan feiten is een besluit dat hierop wordt gebaseerd in strijd met artikel 3:2 Awb. 16.4. Daarnaast brengt artikel 3:2 Awb ook met zich dat belanghebbenden, zoals RKS en RRKC, op een faire manier in staat moeten worden gesteld om zich te verdedigen. Het niet ter beschikking stellen aan RRKC van een conceptversie van het Rapport aan RRKC noch het bieden van gelegenheid om daarop te reageren, getuigt eveneens van onzorgvuldige voorbereiding. 16.5. Met betrekking tot het Rapport dat voor u als advies dient als bedoeld in artikelen 3:9 en 3:49 Awb heeft te gelden dat er op u een vergewisplicht rust. U bent derhalve gehouden om zich ervan te vergewissen dat het Rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en of het concludent is. 16.6. Gezien de vele gebreken die aan het Rapport en het onderzoek dat daaraan vooraf is gegaan, kleven, heeft u deze vergewisplicht verzaakt en handelt u in strijd met artikel 3:2 Awb junctis artikelen 3:9 en 3:49 Awb. 17. Strijd rechtszekerheidsbeginsel 17.1.

Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich dat bestuursorganen zijn gehouden om de rechtszekerheid te waarborgen en bevorderen. 17.2. De huidige Verordening voor de Raad voor de Kunst en Cultuur, hierna: ‘de Verordening’, is nog steeds geldend. De gemeenteraad heeft zich nog niet, in politieke zin of anderszins, uitgesproken over een mogelijke intrekking of wijziging daarvan. Voor zover bekend, is er ook nog geen formeel voorstel daartoe voorgelegd aan de gemeenteraad. Sterker nog, de gemeenteraad heeft juist in een recente motie het College opgeroepen om de positie van de RRKC te versterken/verbreden. 17.3. Mede in het licht van de langdurige subsidierelatie van gemeente met RRKC/RKS is het voorgenomen besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 18. Strijd verbod willekeur (3:3 Awb) 18.1. Artikel 3:3 Awb schrijft voor dat de bevoegdheid tot het nemen van een bepaald besluit niet wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend. 18.2. De bevoegdheid tot het al dan niet verstrekken van subsidie aan RRKC strekt er blijkens de Verordening evident toe om het cultuurbeleid van de Gemeente te versterken. 18.3. In het Rapport wordt gesteld dat de Wethouder meerdere malen “ontstemd” is geweest over het handelen van de RRKC. Waarover dat precies ging, blijft overigens onvermeld. 18.4.

Wat daarvan ook mag zijn, dat er soms wrijving is tussen een bestuurder en een onafhankelijk adviesorgaan is in elke bestuurlijke setting onvermijdelijk. Sterker nog, ook hier heeft te gelden dat er zonder wrijving geen glans is. Het heeft er echter alle schijn van dat de wethouder/college haar

4

subsidiebevoegdheid misbruikt om de RRKC af te rekenen op zijn ontstemming. Alsdan is dit in strijd met artikel 3:3 Awb. 19. Onvolledige belangenafweging (3:4, lid 1 Awb) 19.1. Artikel 3:4, lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 19.2. De hier betrokken belangen zijn het belang van de kwaliteit van het gemeentelijk cultuurbeleid, van de cultuursector en de wettelijke adviesorganen als RRKC. 19.3. Het Rapport en het daarop gebaseerde voorgenomen besluit wegen deze belangen in het geheel niet, althans onvoldoende samenhangend af. In tegendeel, voor zover deze al aan bod komen, worden deze uitsluitend geplaatst in de sleutel van de beweerdelijke suboptimale samenwerking met de Wethouder en het College. Aan het door u gestelde bestuurlijke belang van beide bestuursorganen wordt ten onrechte een preponderante waarde gehecht. 19.4.

Aldus wordt in strijd gehandeld met het voorschrift dat is opgenomen in artikel 3:4, lid 1 Awb.

20. Onevenredige gevolgen (3:4, lid 2 Awb) 20.1. Artikel 3:4, lid 2 Awb bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het gaat daarbij om een evenwicht tussen de geschade belangen en beoogd gediende belangen. 20.2. Allereerst blijkt uit het Rapport noch uit het voorgenomen besluit welke belangen daarmee precies worden beoogd, laat staan dat daaruit blijkt dat er geen sprake is van onevenwichtigheid. 20.3. Het tegendeel is het geval. De beoogde intrekking van de Verordening en het voornemen tot het niet voortzetten van de subsidierelatie leidt onvermijdelijk tot beëindiging van het voortbestaan van RKS/RRKC. Dat betekent dat medewerkers hun baan gaan verliezen, het leidt tot onherstelbaar verlies van jarenlange kennis en ervaring op het gebied van cultuur en cultuurbeleid. Penny wise, pound foolish. Oftewel, wordt in de woorden van W. Schaap, het kind met het badwater weggegooid. 20.4.

Het voorgenomen besluit is derhalve in strijd met artikel 3:4, lid 2 Awb.

21. Gebrekkige motivering (3:46 Awb) 21.1. Artikel 3:46 Awb bepaalt dat besluiten als het onderhavige dienen te berusten op een deugdelijke motivering. 21.2. De motivering van het voorgenomen besluit berust nagenoeg volledig op het Rapport waar, zoals hiervoor werd vastgesteld, ernstige weeffouten in zitten. Dat betekent dat ook aan de motivering van het hier bestreden besluit zodanige gebreken kleven dat het in strijd is met artikel 3:46 Awb. 21.3. Ook de overige argumenten die er terloops aan worden toegevoegd, kunnen het besluit geenszins dragen.

5

21.4. Anders geformuleerd, besluiten, zeker besluiten met zulke vérstrekkende gevolgen als het onderhavige, mogen niet op dergelijke ondeugdelijke onderzoeken worden gebaseerd zonder in strijd te komen met artikel 3:46 Awb. 22. Artikel 4:51 Awb niet toepasselijk 22.1. Indien en voor zover u beoogt om met een beroep op artikel 4:51 Awb de subsidie aan RRKC/RKS voor een volgende subsidieperiode te beëindigen, is dit slechts toegestaan indien u beschikt over een zodanige beleidsvrijheid die dit mogelijk maakt. Deze beleidsvrijheid is afwezig indien de wettelijke regeling waar de subsidie op berust aanspraak op subsidie geeft. 22.2. In casu is de onderliggende wettelijke regeling het Instellingsbesluit en Verordening Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur nog steeds geldend. Dat betekent dat u niet beschikt op de benodigde beleidsvrijheid om de daarop gebaseerde subsidie te staken op grond van artikel 4:51 Awb. 22.3. Gegeven het voorgaande stelt RKS zich primair op het standpunt dat het artikel derhalve niet toepasbaar is, aangezien de betrokken Verordening geen beleidsvrijheid biedt om subsidie wegens veranderde inzichten of gewijzigde omstandigheden te weigeren. 23. Geen weigeringsgrond ex 4:51 Awb 23.1.

Subsidiair stelt RKS zich op het standpunt dat, indien en voor zover artikel 4:51 Awb wel toepasselijk zou zijn, noch uit het Rapport noch uit het voorgenomen besluit, blijkt dat er sprake is van (zodanig) veranderde inzichten of gewijzigde omstandigheden dat deze stopzetting van de subsidie zouden kunnen rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is immers dat daarvan sprake zou zijn. 23.2. Bij gebreke aan een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4:51 Awb kan de subsidie op grond van artikel 4:51 Awb niet worden geweigerd. 24. Geen redelijke termijn ex 4:51 Awb 24.1. Meer subsidiair stelt RKS zich op het standpunt dat indien en voor zover artikel 4:51 Awb wel toepasselijk zou zijn en dat er zodanige veranderde inzichten zijn en/of gewijzigde omstandigheden, er geen sprake is van een redelijke termijn. 24.2. De bestendigheid van de subsidierelatie in samenhang met de aard en duur van de verplichtingen van RKS/RRKC leiden ertoe dat, mede gezien het feit dat er nog geen besluit is genomen, dat de beoogde datum van 1 januari 2023 geen redelijke termijn is als bedoeld in artikel 4:51 Awb. 24.3. Het voorgaande betekent dat artikel 4:51 Awb niet als grondslag kan dienen bij gebreke aan de vereiste redelijke termijn. 25. Geen noodzaak beleidswijziging; strijd gemeentelijk beleid 25.1.

In het nieuwe coalitieakkoord ‘Eén Stad’ schrijft u: “Cultuur verrijkt het leven, het inspireert en verbindt de samenleving. Cultuur versterkt het voorzieningenniveau en de aantrekkelijkheid van de stad en is

6

daarmee van belang voor het herstel van de economie en voor Rotterdam als (inter-)nationale trekpleister voor toeristen. Wij vinden het van groot belang dat het cultuuraanbod in Rotterdam divers, toegankelijk en laagdrempelig is en een aansprekend programma biedt, voor alle leeftijden en verspreid over alle wijken. Cultuur behelst theater, musea, stedenbouw, architectuur en (behoud van) cultureel erfgoed. Het gaat ons daarnaast ook om volkscultuur die staat voor de levensstijl van groepen mensen. Juist in de volkswijken van Rotterdam is er behoefte aan extra en laagdrempelige cultuur”. 25.2. Om dit te kunnen bewerkstelligen heeft RKS/RRKC zich bij uitstek geschikt getoond als de organisatie om deze beleidsdoelen te helpen realiseren. Vele jaren ervaring als gemeentelijk adviseur, een uitgebreid netwerk, een zeer gedegen kennis van de stad en met draagvlak binnen de Rotterdamse cultuursector liggen daaraan ten grondslag. 25.3. Het staat dan ook haaks op de eigen doelstellingen van uw college om juist de organisatie die gedurende decennia heeft laten zien bij uitstek geschikt te zijn om bij te dragen aan het realiseren hiervan, te beëindigen. Conclusie 26. Het Rapport dat nagenoeg de volledige onderbouwing vormt voor het voorgenomen besluit, voldoet niet aan de daaraan te stellen professionele eisen.

Het is vooringenomen, vertrekt vanuit een incorrecte vraagstelling, laat cruciale spelers buiten schot en is ondeugdelijk gemotiveerd. De conclusies en aanbevelingen van Rijnconsult zijn derhalve niet meer dan een slag in de lucht. 27. Het door u voorgenomen - vérstrekkende - besluit kan niet op een dergelijk onvoldragen rapport worden gebaseerd zonder in flagrante strijd te komen met vele daaraan te stellen eisen op grond van de Awb. Bovendien heeft u niet de vereiste beleidsruimte om een dergelijk besluit te nemen. Het voorgenomen besluit is derhalve onrechtmatig. 28. RKS verzoekt u derhalve met klem om uw voornemen te herzien en met RKS/RRKC in overleg te treden om gezamenlijk na te gaan op welke wijze de taakinvulling kan worden geoptimaliseerd. RRKC doet daartoe voorstellen in de gelijktijdig door de Raad gegeven schriftelijke reactie bij uw voornemen. 29. In het onverhoopte geval u hier niet aan wilt meewerken, behoudt RKS zich uitdrukkelijk alle rechtsmiddelen voor om dit alsnog zo nodig via de rechter te bewerkstelligen. Rotterdamse Kunststichting

J.C. Gonçalves voorzitter

Bijlage: Reflectienota Ovidius Advies

7

Ovidius Advies

Voor u ligt een reflectie naar aanleiding van de evaluatie van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC), Gemeente Rotterdam Aanleiding Rijnconsult (uitvoerder evaluatie en schrijver rapport ‘Uit de groef’) heeft in juni 2021 de opdracht gekregen om te evalueren hoe de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC) invulling geeft aan zijn doelstellingen. De resultaten van dit onderzoek zijn opgetekend in de rapportage ‘Uit de groef’. De vraag is: “Is het evaluatierapport met de naam ‘Uit de groef’, opgesteld door Rijnconsult, zorgvuldig tot stand gekomen? Graag een objectieve reflectie.” Conclusie 1. De gevoeligheden in aanloop naar dit onderzoek hadden serieuzer genomen moeten worden RKCC stond volledig open voor een volwaardige evaluatie van zijn functioneren over de afgelopen periode, echter de vernieuwde manier van evalueren riep vragen op. 2. Het rapport is niet volgens de gedragscode van ROA (Raad van Organisatie Adviesbureaus) tot stand gekomen ROA-leden, zoals Rijnconsult, houden zich in de praktijkuitoefening aan de wet en werken in de geest van deze Gedragscode en de daarin geformuleerde Kerncode met de kernwaarden: deskundig, betrouwbaar, zorgvuldig en professioneel onafhankelijk. Met name op de kernwaarden zorgvuldig en professioneel onafhankelijk zijn er steken laten vallen. 3.

Het rapport lijkt gekleurd en een bepaalde richting in te sturen Wat opvalt in het rapport is dat RRKC met regelmaat de zwarte piet krijgt toegeschoven. Dit zien we terug in beschrijvingen over tegenwerking bij het onderzoek, de communicatie met de cultuursector en opmerkingen als: passeren van het college. Maar heeft de opdrachtgever (de gemeente) ook niet een verantwoordelijkheid? Waar twee vechten, hebben vaak twee schuld. 4. Er is sprake van miscommunicatie Miscommunicatie ontstaat veelal door onduidelijkheid (de richting is niet helder). Dat er onduidelijkheid is over bijvoorbeeld de positionering van RRKC blijkt helder uit het rapport. De zin: ‘De vraag is waar het college wil dat RRKC in dit proces staat.’ zegt veel over de relatie tussen het college en RRKC. 5. Er is onduidelijkheid en verschil van interpretatie over de taken en functies van RKCC Rijnconsult lijkt in dit onderzoek volledig voorbij te gaan aan de verordening Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur waarin de taken en functie van RRKC zijn vermeld. De onderbouwing, later in deze reflectie geeft aan dat het rapport daardoor ook niet een volwaardige evaluatie kan zijn. P a g i n a 1|9

Ovidius Advies

6. De evaluatie is niet volwaardig Dit is het gevolg van conclusie 5

Onderbouwing conclusies 1. De gevoeligheden in aanloop naar dit onderzoek hadden serieuzer genomen moeten worden. In het rapport ‘Uit de groef’ lezen we dat het onderzoek in november 2021 is gestart. In een brief aan de heer Beckers, d.d. 13 oktober2021, geeft RRKC aan niet mee te willen werken aan de evaluatie van de RRKC door Rijnconsult. Overigens geeft RRKC in diezelfde brief duidelijk aan volledig gecommitteerd te zijn aan een volwaardige evaluatie van zijn functioneren over de afgelopen periode. RRKC acht een goede externe evaluatie onontbeerlijk voor een gezond en relevant functioneren in de toekomst. De vermeende (en voor buitenstaanders soms tamelijk onbegrijpelijke) gevoeligheden in de aanloop naar dit onderzoek hadden serieuzer genomen moeten worden. De conclusie in het rapport ‘Uit de groef’ die aan dit gedrag verbonden wordt als ingesleten patroon, lijkt gekleurd. De onderbouwing voor deze opmerking is onvoldoende. Overigens mogen we een deugdelijke onderbouwing ook verwachten volgens de gedragscode RAO. Was het niet beter geweest deze evaluatie te laten uitvoeren door een bureau dat het vertrouwen van beide partijen had? De start van deze evaluatie verliep dus niet geheel soepel. Het is dan ook niet vreemd dat RRKC terughoudend is. 2. Het rapport is niet volgens de gedragscode van ROA (Raad van Organisatie Adviesbureaus) tot stand gekomen.

Het rapport lijkt gekleurd en een bepaalde richting in te sturen. Rijnconsult is aangesloten bij de Raad van Organisatie Adviesbureaus (ROA). Deze raad hanteert gedragsregels waaraan aangesloten leden moeten voldoen. Eén van de kernwaarden is: professioneel onafhankelijk. De gedragsregels van ROA zijn terug te vinden in de gedragscode van RAO. Artikel 9.1 zegt: Het ROA-lid staat – in de hoedanigheid van opdrachtnemer – inhoudelijk, relationeel en (im)materieel onafhankelijk tot zijn opdracht. Hij vermijdt belangenverstrengeling en houdt zoveel afstand tot zijn opdracht en zijn opdrachtgever en diens organisatie, dat hij zijn (des)kundigheid onbelemmerd kan aanwenden. Het ROA-lid aanvaardt geen opdracht of beëindigt een lopende opdracht indien onafhankelijke oordeelsvorming voor de opdracht om welke reden dan ook niet (meer) mogelijk is. Als we de rapportage ‘Uit de groef’ zorgvuldig en kritisch lezen dan ontkomen we niet aan een aantal gekleurde aannames en conclusies. Het eerste dat opvalt is de titel van het rapport ‘Uit de groef’. De conclusie van de evaluatie zegt alles met deze titel. De titel roept meteen associaties op, een waardeoordeel is gemaakt. Ook lezen we in het rapport ‘Uit de groef’ gekleurde woorden als: bemoeien, inhoudelijk lijkt het op een bezwering, merkwaardige manoeuvres en uitingen van een machtsspel. Een andere kernwaarde van ROA is: zorgvuldig.

In artikel 5.3 lezen we dat het ROA-lid zich houdt, voor zover dat in alle redelijkheid mogelijk is en met inachtneming van artikel 9, rekening P a g i n a 2|9

Ovidius Advies

met de wensen, verwachtingen, rechten en belangen van alle betrokkenen. Helaas moeten we constateren dat in de uitvoering van deze evaluatie geen rekening is gehouden met de wensen van alle betrokkenen. De vraag is of Rijnconsult op de hoogte is van de brief van RKCC, d.d. 13 oktober 2021, aan de heer Beckers. Daarin worden meer bezwaren genoemd dan de enkel in het rapport uitgelichte; “er was een grote druk en veel gelobby om het karakter van het onderzoek in te zetten op ‘feitelijkheid’” 3. Het rapport lijkt gekleurd en een bepaalde richting in te sturen. Wat opvalt in het rapport is dat RRKC met regelmaat de zwarte piet krijgt toegeschoven, de gemeente wordt volledig vrij gewaard. Tevens zien we veel gekleurde opmerkingen in het rapport, objectiviteit en onderbouwing ontbreekt. Dat zien we al op pagina 3 van het rapport. “Dat kenmerkt zich door een vastbesloten wil en koers … Dit is een mening en geen feit. De onderbouwing voor het gebruik van dit woord ontbreekt. Door het woord vastbesloten te gebruiken kan deze worden geïnterpreteerd als starheid. In het rapport zien we dit vaker terug. 4. Er is sprake van miscommunicatie Met name de miscommunicatie over taken en werkzaamheden lijkt de gemeente en RKCC in de weg te zitten. Hierdoor lijkt de spanning op te lopen tussen portefeuillehouder, alsmede de afdeling Cultuur en RRKC.

De één lijkt van de ander te vinden wat deze moet doen dan wel laten en wil de één niet op de stoel van de ander zitten? Dit aspect is onvoldoende tot niet onderzocht. 5. Er is onduidelijkheid en verschil van interpretatie over de taken en functies van RKCC Heeft Rijnconsult zich laten leiden door de opdrachtgever en niet zelf onderzoek gedaan naar de taken? Wat is de rol en het aandeel van de opdrachtgever bij het formuleren van de onderzoeksvragen? Formeel (conform verordening Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur, artikel 2) heeft RRKC de volgende functies: 1. De Raad heeft ten doel om, door middel van advisering, debat en bevordering van kwaliteitszorg, bij te dragen aan de voorbereiding en uitvoering van het Kunst- en Cultuurbeleid van de gemeente Rotterdam. 2. De Raad verstrekt, gevraagd en ongevraagd, adviezen. Adviezen worden gevraagd en uitgebracht aan het college. 3. De Raad onderhoudt een debatorganisatie. Deze debatorganisatie heeft tot taak het publieke debat over de ontwikkeling van kunst en cultuur in Rotterdam en over relatie tussen kunst, cultuur en samenleving te ontwikkelen en organiseren. 4. De Raad ondersteunt instellingen, organisaties en personen die door het toepassen van systemen van kwaliteitszorg hun werkprocessen, producten en diensten verbeteren. 5.

De Raad bevordert ook op andere dan bovengenoemde wijzen de ontwikkeling van het gemeentelijke werkveld kunst en cultuur, de samenwerking tussen de professionalisering van de kunstinstellingen en culturele organisaties. P a g i n a 3|9

Ovidius Advies

In het onderzoek van Rijnconsult worden niet alle taken onderzocht waardoor de evaluatie betrekking heeft op een beperkt aantal zaken. Is het reëel om conclusies en oplossingen te adviseren op basis van een deel van de taken? Het verklaart ook waarom er onderling wrijving is. Het beeld van de taakomschrijving bij Rijnconsult, de portefeuillehouder en de afdeling Cultuur lijkt anders dan de werkelijkheid. In het rapport ‘Uit de groef’ lezen we: De Raad heeft als doel om, door middel van gevraagde en ongevraagde advisering aan het college, 1. bij te dragen aan de voorbereiding en uitvoering van het kunst- en cultuurbeleid van de gemeente Rotterdam; 2. bij te dragen aan de verdere versterking van de culturele sector en de ontwikkeling van het gemeentelijk cultuurbeleid in relatie tot de overige beleidsterreinen van de gemeente. Daarnaast adviseert RRKC elke vier jaar over de verdeling van de subsidies middels een daarvoor ingerichte procedure voor het Cultuurplan. Het moge duidelijk zijn dat er discrepantie zit tussen beide taakomschrijvingen. Wellicht dat we hier de grondslag hebben voor de minder succesvolle relatie tussen RRKC en de afdeling Cultuur en portefeuillehouder.

Als de afdeling Cultuur en de portefeuillehouder alléén kijken naar de onvolledige taakomschrijvingen uit het rapport, en aannemen dat dit de volledige taakomschrijving is, kun je al snel vinden dat RRKC op jouw stoel zit. Het lijkt alsof de onderzoekers in het geheel niet hebben gekeken naar de formele taakopdracht van RRKC en de ontwikkeling hiervan. De evaluatie door de afdeling Cultuur en de portefeuillehouder zou daarom niet meegewogen mogen worden in de beslissing omtrent de toekomst van RRKC. 6. De evaluatie is niet volwaardig Dit is het gevolg van conclusie 5.

Hieronder wordt nader ingegaan op het rapport Onderzoeksaanpak De onderzoeksaanpak was deze keer anders dan bij voorgaande evaluaties. Rijnconsult wil van een boekhoudkundige evaluatie naar een kunstzinnige evaluatie. Met opmerkingen dat de uitkomsten een herhaling van zetten zouden zijn wanneer voor de eerdere aanpak gekozen zou worden, wordt de aanname gedaan dat er niets is veranderd. De vraag rijst of het een doel was om niet dezelfde conclusies uit eerder evaluaties te herhalen en daarom is gekozen voor een andere werkwijze. Er wordt dus aangenomen dat de uitkomsten van de evaluatie hetzelfde zouden zijn als in 2014, 2011 en zelfs 2007 wanneer met de oude methodiek werd gewerkt. Waren deze conclusies P a g i n a 4|9

Ovidius Advies

soortgelijk? En wat is vanuit zowel RRKC als de gemeente gedaan om iets met deze conclusies te doen? Hebben zowel RRKC als gemeente verantwoordelijkheid genomen? Vanuit RRKC zou er gelobbyd en druk uitgevoerd zijn om de onderzoeksaanpak te wijzigen of was de gemeente star en wilde deze niet kritisch naar de onderzoeksaanpak kijken? RKCC wilde het onderzoek inzetten op ‘feitelijkheid’ terwijl Rijnconsult kiest voor een andere aanpak. Door aan te nemen dat de conclusies anders hetzelfde zouden zijn als die uit het laatste evaluatierapport ‘Vernieuwen in plaats van verwaarlozen’, december 2014, gaat men uit van het negatieve scenario dat RRKC op voorhand niets gedaan zou hebben met het eerdere rapport. Ook wordt geschreven dat RRKC marginaal wilde meewerken aan de nieuwe onderzoeksopzet, volgens de kunstzinnige evaluatie. Er wordt niet ingegaan op de reden waarom RRKC, in de ogen van Rijnconsult, niet voldoende wilde meewerken. Is door Rijnconsult voldoende duidelijk gemaakt wat deze kunstzinnige evaluatie is? Is kunstzinnige evaluatie toepasbaar op een organisatie als RRKC die geen beleid maakt? Er wordt in het rapport een verwijzing gemaakt naar het NCOB-essay Evalueerkunst, dat over beleidsevaluaties gaat.

Er is onvoldoende onderbouwd waarom deze methode is gebruikt bij een evaluatie die geen betrekking heeft op beleid en wat de meerwaarde van een kunstzinnige evaluatie is voor een organisatie als RRKC. Los van de vraag of deze vorm van evalueren past bij de organisatie zou het gepast zijn geweest om bij een nieuwe meetmethode met een nulmeting te beginnen. Er is een nieuwe meetmethode gebruikt, er worden conclusies getrokken en toch worden beperkte conclusies vanuit eerdere evaluaties, meegenomen om te concluderen dat RRKC in een groef zit. Er heeft ook een verandering plaatsgevonden in de onderzoeksaanpak met betrekking tot de klankbordgroep. Daar waar de klankbordgroep in eerste instantie vooraf en tijdens het onderzoek zouden meekijken is dat uiteindelijk aan het einde van het onderzoek gebeurd. In overleg is besloten de klankbordgroep te laten reflecteren op het proces aan de hand van het daartoe relevante deel van de conceptrapportage; als het onderzoek dus feitelijk al is gedaan. Onduidelijk is met wie deze wijziging is besproken. Uit het rapport blijkt niet of dit vooraf met alle betrokkenen is gecommuniceerd en/of het concept rapport aan alle betrokkenen ter inzage is gegeven. Tot slot was een toelichting bij het rapport met daarin een uitgebreide toelichting over de onderzoeksaanpak wenselijk geweest. Het begrippenkader mist.

Het was goed geweest om deze toe te voegen zodat duidelijk is wat met wat wordt bedoeld, juist in dit evaluatierapport waaruit duidelijk miscommunicatie en gebrek aan wederzijds vertrouwen naar voren komt. Het aantal gesprekken is niet inzichtelijk, net als onduidelijk is of de gesprokenen inzage hebben gekregen en zij ingestemd hebben met de bevindingen zoals in het rapport genoemd. Met hoeveel gemeenteraadsleden is gesproken? Zijn deze van diverse partijen? Met hoeveel organisaties uit het speelveld is gesproken? Op welke manier is met mensen/organisaties gesproken (in een groep of individueel)? Dit is nu vrij beknopt weergegeven. Het is lastig oordelen over de representativiteit van deze evaluatie als dit niet inzichtelijk is.

P a g i n a 5|9

Ovidius Advies

Algemene bevindingen Blijkbaar is de positie van het RKCC rond het Cultuurplan duidelijk. De overige positie wordt in het rapport gekenmerkt als een eiland in de mist. Hoe is dit mistige speelveld ontstaan en wie is daarvoor verantwoordelijk? Wat is er gedaan om dit op te lossen? In het rapport lijkt de bal volledig bij RRKC te liggen, terwijl ook de gemeente hier een rol speelt. Is de taakomschrijving van de RRKC volledig duidelijk bij de gemeente? In het rapport mist een deel van de taakomschrijving, is deze wel bekend en duidelijk bij de gemeente? Zo ja, wat maakt dat de volledig taakomschrijving buiten beschouwing is gelaten in deze evaluatie. Zo nee, wat maakt dat deze niet bekend is bij gemeente en/of Rijnconsult? Er wordt opvallend veel gewezen naar RRKC. Woorden als: ‘bemoeien’ kleuren de bevindingen. Wat is de onderbouwing van bemoeien en in welke verhouding staat dit tot het takenpakket? In de taakomschrijving, ook in de onvolledige versie die wel bekend is bij betrokkenen, valt te lezen dat ongevraagd advies geven een taak is van RRKC. Wie heeft de verandering van het ‘uitvoerend opdrachtgeverschap’ doorgevoerd? Wie is hiermee akkoord gegaan? En waarom? Is er politiek draagvlak? Het is duidelijk dat de relatie tussen de wethouder en RRKC niet optimaal is en er achterdocht zit met betrekking tot deze evaluatie.

Is onderzocht waar dit vandaan komt? Is dat met elkaar besproken? Hoe veilig is het om eerlijk naar elkaar te zijn? Is overwogen om een ander consultancybureau, die de gedragenheid heeft van beide partijen, in te schakelen? Positionering Uit de conclusies in het rapport blijkt dat er geen duidelijkheid is over wie waar over gaat, wat de begrenzing is van de (ongevraagde) adviezen, welke manoeuvreerruimte c.q. vrijheid RRKC heeft. Vreemd is dan ook dat wordt gesproken over het passeren van de opdrachtgever en het geven van ongevraagd advies. Kun je dit wel zo benoemen als er geen duidelijkheid is? Hoelang is deze onduidelijkheid al gaande en wat maakt dat de gemeente hier geen verantwoordelijkheid in heeft genomen? Er wordt gesproken over het bevechten van zijn positie door RRKC. De vraag rijst wat maakt dat dit nodig is om te doen? Onduidelijkheid lijkt hier de oorzaak. Het advies had dan ook beter kunnen zijn: zorg gezamenlijk voor duidelijkheid zodat het bevechten van posities niet nodig is. Als je keer op keer de weg moet zoeken maar je weet niet waar naar toe dan geeft dat ongemak, niet alleen voor het voertuig, ook de inzittenen merken dat. Wat maakt dat het niet zou kunnen om werkzaamheden, waarvoor verschillende competenties nodig zijn, in één organisatie samen te brengen? Al helemaal in een kleine organisatie als RRKC. De onderbouwde toelichting mist.

We lezen ook dat RRKC geen advies wilde of kon leveren over de gang van zaken rond de Rotterdamse Culturele Basis (RCB). Er worden redenen aangegeven waarom RRKC dit advies niet P a g i n a 6|9

Ovidius Advies

heeft gegeven; gekleurde redenen. Is er onderzocht hoe dit werkelijk is gegaan? Is hoor en wederhoor toegepast? Onderzoeksvragen 1. Hoe doelmatig en doeltreffend functioneren van RRKC; hebben de adviezen van de RRKC bijgedragen aan het cultuurbeleid en de versterking van de culturele sector. Zo ja/nee, hoe komt dat? Bij de beantwoording van deze vraag ontstaat het beeld van gebrek aan zelfreflectie bij RKCC. Volgens eigen effectmetingen van RRKC is het antwoord op deze vraag ja, volgens het rapport nee. Het advies ‘De stad is meervoud tot actie voor een inclusieve cultuursector’ is een onderscheidend advies dat er wezenlijk toe doet en gehoord is in de culturele sector. Het heeft de sector zelfs versterkt. Over overige adviezen wordt aangegeven dat deze vaak onbekend zijn, terwijl er in de volgende zin staat: “moesten soms even helpen met de informatie dat het niet om adviezen in het kader van het Cultuurplan ging.” Vaak onbekend en soms even helpen liggen ver uit elkaar. De Corona notitie wordt beoordeeld als minst succesvol. De redenen die worden aangevoerd zijn niet verrassend. Hier lezen we wederom terug dat onduidelijkheid over de rol van RRKC de basis vormt. Want wie had nu het initiatief moeten nemen? De gemeente of RRKC? De conclusie uit deze vraag is begrijpelijk. De kanttekening die gemaakt moet worden is dat dit in gezamenlijkheid met de gemeente moet plaatsvinden.

Positionering van RRKC kan alleen slagen als de gemeente hier ook volledig aan meewerkt. 2. De taakopvatting van RRKC en de wijze waarop deze zijn adviesrol vervult (houdt RRKC zich aan de procesafspraken en de adviesaanvragen)? Het rapport is hier positief over RRKC. De opmerking dat RRKC de grenzen opzoekt en daarmee de gemeente lijkt te hinderen komt wederom voort uit onduidelijkheid over de taakopvatting. RRKC lijkt hier ‘de schuld’ van te krijgen, alleen mogen we de rol van de opdrachtgever niet vergeten. Is de taakopvatting door gemeente juist? De vinger is gemakkelijk gewezen en de hand in eigen boezem steken mag meer gedaan worden. Waar twee partijen vechten hebben vaak twee schuld. De conclusie bij deze vraag lijkt dan logisch. 3. De relatie van RRKC met het gemeentebestuur In het rapport lezen we dat de wethouder/ portefeuillehouder meerdere malen ontstemd is geweest over het handelen van RRKC. Schijnbaar hebben de wethouder en RRKC een ander beeld van bevoegdheden en taken. Is dit besproken met RKCC? Wat heeft de wethouder voor concrete actie ondernomen om deze taakomschrijving duidelijk te krijgen? Zijn wethouder en ambtenaren in staat te accepteren dat er onafhankelijk en ongevraagd advies mag worden gegeven door RRKC? P a g i n a 7|9

Ovidius Advies

De relatie met de gemeenteraad is positief en men is content met de bijdragen van de RRKC. 4. De relatie met de afdeling Cultuur Met de afdeling Cultuur lijkt het stroever te lopen. Het woord ‘onderhand’ met betrekking tot het lijntje, roept vragen op (pagina 4, 6e alinea). Opvallend is dat het rapport schrijft dat RRKC geen beleidstaken (noch ontwikkelend, noch uitvoerend) heeft. Dus kan er ook geen concurrentie op beleid zijn, is de redenering vanuit de afdeling Cultuur. Vraag is of RRKC hier ook zo over denkt, wat maakt anders dat er gesproken wordt over beleidsconcurrentie? Hier zien we tevens terug dat onduidelijk is wie nu wat doet en wat er van wie verwacht wordt. 5. De relatie met de cultuursector De zin: “Alsof de gemeente RRKC niet helemaal serieus neemt, terwijl het de steunpilaar van de gemeente moet zijn.”, zegt meer dan genoeg. Dat de relatie met de cultuursector op dit punt niet optimaal is, vraagt om verduidelijking. Door wie wordt dit gevoel van niet serieus nemen uitgedragen? Is dat de gemeente of RRKC? Het rapport meldt dat RRKC dit doet. Dit kan je echter niet zo stellig kunt zeggen, omdat het antwoord op eerdere vragen niet helder is. Kritiek uiten op iets of iemand van wie men afhankelijk is, is maatschappelijk gezien heel gevaarlijk, de angst voor negatieve consequenties is groot. Dit is niet alleen voorbehouden aan kritiek leveren op RRKC.

In het rapport wordt geschreven dat in de culturele sector het sentiment leeft dat kritiek uiten op een instelling die je eens in de vier jaar moet beoordelen, niet verstandig is en dat daarom zaken onbesproken blijven. In het rapport wordt de indruk gewekt dat dit specifiek een probleem is tussen de cultuursector en RRKC, wat niet zo is. Maatschappelijk is dit een veel gehoorde opmerking. Het is onnodig om deze belastende opmerking op te nemen dan wel het in bovenstaand kader te plaatsen. 6. De kwaliteit van de adviezen van RRKC zoals die door gemeentebestuur, gemeenteraad en cultuursector ervaren wordt en de mate waarin de adviezen hun beslag krijgen in beleid en of uitvoering. Het antwoord op deze onderzoeksvraag kunnen we niet teruglezen in het rapport. Waar zijn de onderzoeksuitkomsten van deze vraag gebleven? 7. De wijze waarop de RRKC -alsmede de Afdeling Cultuur- uitvoering hebben gegeven aan de aanbevelingen uit de vorige evaluatie; zijn er stappen gezet om de raad relevant en slagvaardig te maken die passen bij de uitdagingen van deze tijd? Het rapport gaat hier een vergelijking trekken met eerdere evaluaties en trekt daarbij de conclusie dat het om een herhaling van zetten gaat. Er is ook geconstateerd dat er beweging is, maar Rijnconsult wil een herhaling van zetten voorkomen.

Dit is bijzonder omdat vervolgens wel een opsomming van aanbevelingen plaatsvindt uit de evaluatie van 2014. P a g i n a 8|9

Ovidius Advies

Van de vijf aanbevelingen weten we zeker dat er één niet helemaal is gelukt. Dit is de aanbeveling, zoals Rijnconsult dit noemt: De verhoudingen tussen de partijen zijn slecht. De overige vier aanbevelingen worden niet geëvalueerd in dit rapport en derhalve kunnen hierover dan ook geen conclusies worden getrokken. Welke verhoudingen tussen de partijen slecht zijn is ook niet duidelijk en wellicht is dit verbeterd. De verhouding tussen de gemeenteraad en voor een groot deel met de cultuursector is immers goed. Door het op deze manier weg te schrijven wordt de suggestie gewekt dat alle vijf aanbevelingen niet zijn overgenomen. Ditzelfde gebeurt bij de aangehaalde aanbevelingen van 2007. Bullet 4, 5 en 6 zijn hier met name interessant en relevant. Dit zouden inderdaad aanbevelingen uit het rapport dat nu voorligt kunnen zijn. Echter, de vraagstelling gaat over RRKC- alsmede afdeling Cultuur en beide zouden zich de aanbevelingen dan ook moeten aantrekken. Scenario’s In de scenario’s 1, 2 en 3 lezen we ook de nadelen van deze scenario’s. Scenario 4 en 5 kennen volgens het rapport (welk rapport?) alleen voordelen en bij scenario 6 wordt een klein aandachtspunt gegeven. Hierdoor zou de conclusie kunnen zijn dat er naar scenario 4 of 5 wordt toegewerkt. Kortom genoeg stof om na te denken over deze evaluatie. Breda, 16 juni 2022 Renée de Koe

P a g i n a 9|9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=6178acbb-a7bd-47e1-9910-ce0e5d303cb5